Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer
WET van 24 december 1970, houdende
vervanging van de wetgeving betreffende de registratie- en de
zegelbelasting door een nieuwe wettelijke regeling
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
wetgeving betreffende de registratie- en de zegelbelasting te vervangen
door een meer overzichtelijke en aanzienlijk vereenvoudigde nieuwe
wettelijke regeling, welke is aangepast aan de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en aan de richtlijn van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1969 betreffende de indirecte
belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (Publikatieblad van
3 oktober 1969);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepaling
Artikel 1
Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:
a. een overdrachtsbelasting;
b. een assurantiebelasting.
Hoofdstuk II. Overdrachtsbelasting
Afdeling 1. Belastbaar feit
Artikel 2
1. Onder de naam 'overdrachtsbelasting' wordt een belasting geheven
ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken
of van rechten waaraan deze zijn onderworpen.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder verkrijging mede
begrepen de verkrijging van de economische eigendom. Onder economische
eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of
rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of
rechten vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van
waardeverandering en komt toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt
gerechtigde. Onder de verkrijging van de economische eigendom van
onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen wordt
mede verstaan de verkrijging van een samenstel van rechten en
verplichtingen dat een belang als hiervoor bedoeld vertegenwoordigt
bij een bestanddeel van een onroerende zaak dat zelfstandig aan een
recht kan worden onderworpen, dan wel bij een recht waaraan een
onroerende zaak kan worden onderworpen. De verkrijging van uitsluitend
het recht op levering wordt niet aangemerkt als verkrijging van
economische eigendom.
Artikel 3
1.Als verkrijging wordt niet aangemerkt die krachtens:
a. boedelmenging, erfrecht of verjaring;
b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap,
waarin de verkrijger was gerechtigd als rechtverkrijgende onder
algemene titel;
c. natrekking van een zaak op het tijdstip waarop die zaak
wordt aangebracht op, aan of in een onroerende zaak, tenzij van
die zaak omzetbelasting wordt geheven ter zake van de levering en
de vergoeding, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de
omzetbelasting 1968, te zamen met de verschuldigde omzetbelasting,
lager is dan de waarde, bedoeld in artikel 9, dan wel
omzetbelasting wordt geheven ter zake van het beschikken over die
zaak voor bedrijfsdoeleinden en de vergoeding, bedoeld in artikel
8, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, te zamen met
de verschuldigde omzetbelasting, lager is dan de waarde, bedoeld
in artikel 9, en de verkrijger die omzetbelasting op grond van
artikel 15 van die wet niet of niet nagenoeg geheel in aftrek kan
brengen.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt de waarde ten minste
gesteld op de kostprijs van de zaak, met inbegrip van de
omzetbelasting, zoals die zou ontstaan bij de voortbrenging door een
onafhankelijke derde op het tijdstip van de natrekking.
2.Als verkrijging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b,
wordt niet aangemerkt hetgeen wordt verkregen krachtens de uitoefening
van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van
Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4
1. Als zaken als bedoeld in artikel 2 worden mede aangemerkt
(fictieve onroerende zaken):
a. aandelen in lichamen met een in aandelen verdeeld kapitaal,
waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op
enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan
of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten
minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in
Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als
geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar
zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van
die onroerende zaken;
b. rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties,
indien in die rechten is begrepen het recht op uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend gebruik van een in Nederland gelegen gebouw
of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is
bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder onroerende
zaken mede verstaan fictieve onroerende zaken, rechten waaraan
onroerende zaken of fictieve onroerende zaken zijn onderworpen,
alsmede de economische eigendom van deze zaken of rechten.
3. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt ter zake
van de verkrijging van aandelen alleen belasting geheven wanneer de
verkrijger met inbegrip van de reeds aan hem toebehorende aandelen en
ingevolge dezelfde of een samenhangende overeenkomst nog te verkrijgen
aandelen:
a. als natuurlijk persoon, al dan niet tezamen met zijn
echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in
de tweede graad van de zijlinie of een verbonden lichaam, voor ten
minste een derde gedeelte, en, al dan niet tezamen met zijn
echtgenoot, voor meer dan zeven percent belang in het lichaam
heeft;
b. als rechtspersoon, al dan niet tezamen met een verbonden
lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor ten minste een
derde gedeelte belang in het lichaam heeft.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a:
a. heeft, wanneer een lichaam, al dan niet tezamen met een tot
hetzelfde concern als gedefinieerd krachtens artikel 15, eerste
lid, onderdeel h, behorend lichaam, of met een natuurlijk persoon
die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en
aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel
belang heeft in het lichaam, voor ten minste een derde gedeelte
een belang bezit of heeft bezeten in een ander lichaam, bij het
bepalen van zijn bezittingen naar evenredigheid toerekening plaats
van de bezittingen en schulden van het andere lichaam;
b. worden, na toepassing van de toerekening uit onderdeel a,
vorderingen van het lichaam op de verkrijger of op met het lichaam
of de verkrijger verbonden lichamen en verbonden natuurlijke
personen als bedoeld in het derde, zesde, zevende of achtste lid
van dit artikel, niet tot de bezittingen gerekend, tenzij
aannemelijk wordt gemaakt dat deze vorderingen voortvloeien of
voortvloeiden uit een bij de aard en omvang van het lichaam en de
verkrijger, of daarmee verbonden lichamen of natuurlijke personen,
passende normale bedrijfsuitoefening;
c. worden, na toepassing van de toerekening uit onderdeel a,
bezittingen van het lichaam, andere dan onroerende zaken en de
vorderingen bedoeld in onderdeel b, bij aanwezigheid van schulden
van het lichaam aan de verkrijger of aan met het lichaam of de
verkrijger verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen
als bedoeld in het derde, zesde, zevende of achtste lid van dit
artikel, geacht te zijn gefinancierd door die schulden en worden
die bezittingen in zoverre niet in aanmerking genomen, tenzij
aannemelijk wordt gemaakt dat deze bezittingen voortvloeien of
voortvloeiden uit een bij de aard en omvang van het lichaam en de
verkrijger, of daarmee verbonden lichamen of natuurlijke personen,
passende normale bedrijfsuitoefening.
5. Voor de toepassing van het derde en vierde lid:
a. wordt onder degene die een belang heeft mede verstaan degene
die, anders dan als pandhouder, rechthebbende is op rechten
waaraan het in dat lid bedoelde belang is onderworpen, alsmede
degene die rechthebbende is op de economische eigendom van dat
belang. Deze rechten en economische eigendom worden geacht een
belang in het lichaam te vertegenwoordigen dat overeenstemt met
het belang dat kan worden toegekend aan de aandelen waarop ze
betrekking hebben;
b. worden de volgende verkrijgingen beschouwd als te hebben
plaatsgehad ingevolge dezelfde of een samenhangende overeenkomst:
1°. verkrijgingen binnen een tijdsverloop van twee jaren
door dezelfde verkrijger als bedoeld in het derde lid,
onderdeel a, zijn echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten in
de rechte linie en door een lichaam waarin hij, al dan niet
tezamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in
de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft;
2°. verkrijgingen binnen een tijdsverloop van twee jaren
door dezelfde verkrijger als bedoeld in het derde lid,
onderdeel b, en door een tot hetzelfde concern als
gedefinieerd krachtens artikel 15, eerste lid, onderdeel h,
behorend lichaam;
c. wordt ter vaststelling van het belang van de verkrijger,
bij:
– samenloop van middellijk belang via een verbonden
lichaam met het belang van het verbonden lichaam, uitsluitend
het belang van het verbonden lichaam in aanmerking genomen;
– samenloop van middellijk belang van een verbonden
lichaam of een verbonden natuurlijk persoon via de verkrijger
met het belang van de verkrijger, uitsluitend het belang van
de verkrijger in aanmerking genomen; en
– samenloop van belang bij wege van economische eigendom
met belang bij wege van juridische eigendom, dan wel van blote
eigendom met vruchtgebruik, het belang slechts eenmaal in
aanmerking genomen.
6. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt als een
met de verkrijger verbonden lichaam aangemerkt een lichaam waarin de
verkrijger, zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de
rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie, al dan niet te
zamen, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft.
7. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt als een
met de verkrijger verbonden lichaam aangemerkt:
a. een lichaam waarin de verkrijger voor ten minste een derde
gedeelte belang heeft;
b. een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang
heeft in de verkrijger;
c. een lichaam waarin een derde, zijn echtgenoot of zijn bloed-
en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de
zijlinie, al dan niet te zamen, voor ten minste een derde gedeelte
belang heeft, terwijl deze derde al dan niet te zamen met zijn
echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in
de tweede graad van de zijlinie tevens voor ten minste een derde
gedeelte belang heeft in de verkrijger.
8. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt als een
met de verkrijger verbonden natuurlijk persoon aangemerkt een
natuurlijk persoon die, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot en
zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad
van de zijlinie, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de
verkrijger of in een met de verkrijger verbonden lichaam, alsmede de
echtgenoot van deze persoon en de bloed- en aanverwanten in de rechte
linie en in de tweede graad van de zijlinie van deze persoon.
9. Lichamen die de in het eerste lid bedoelde rechten hebben
toegekend, alsmede de in dat lid bedoelde lichamen met een in aandelen
verdeeld kapitaal, zijn gehouden met inachtneming van bij
ministeriële regeling te stellen regels bij aangifte de gegevens te
verstrekken waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de
heffing van de belasting. Met betrekking tot deze verplichtingen
blijft artikel 53, derde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen buiten toepassing.
10. Voor de toepassing van dit artikel worden onder lichamen
verstaan verenigingen, andere rechtspersonen, vennootschappen en
doelvermogens.
11. Onder aandelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en
het derde lid worden mede verstaan rechten uit bestaande aandelen.
Artikel 5
Als rechten waaraan zaken zijn onderworpen worden niet aangemerkt de
rechten van grondrente, pand en hypotheek.
Artikel 6
1.Opzegging van een beperkt recht wordt beschouwd als verkrijging
van dat recht door degene ten behoeve van wie de opzegging plaats
heeft.
2.Wijziging van een beperkt recht wordt beschouwd als afstand van
dat recht tegen verkrijging van een nieuw beperkt recht.
3.Indien bij het einde van een beperkt recht tot gebruik van een
onroerende zaak door de gebruiker daarop aangebrachte zaken ten goede
komen aan een andere gerechtigde tot die onroerende zaak, worden die
zaken geacht door die gerechtigde te zijn verkregen.
Artikel 7
Hetgeen bij een verdeling wordt toegedeeld, wordt geacht voor het
geheel te zijn verkregen.
Artikel 8
1.Indien voor de verkrijging van een goed als bedoeld in artikel 2
een akte in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, moet worden ingeschreven, vindt
de verkrijging plaats op het tijdstip waarop de akte wordt opgemaakt.
2.Een verkrijging krachtens een rechtshandeling die onder
opschortende voorwaarde is verricht, komt tot stand op het tijdstip
waarop de voorwaarde wordt vervuld.
3.Nietigheid van een verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten.
Afdeling 2. Maatstaf van heffing
Artikel 9
1. De belasting wordt berekend over de waarde van de onroerende
zaak of het recht waaraan deze is onderworpen, waarop de verkrijging
betrekking heeft. De waarde is ten minste gelijk aan die van de
tegenprestatie.
2. Indien van een beperkt recht afstand wordt gedaan tegen
verkrijging van een nieuw beperkt recht, wordt de belasting berekend
over het verschil in waarde tussen de beperkte rechten. Wordt
uitsluitend de schuldplichtigheid gewijzigd, dan wordt bedoeld
verschil op nihil gesteld.
3. Bij verkrijging van een met grondrente bezwaarde zaak, wordt de
belasting berekend over de waarde van die zaak zonder aftrek van de
grondrente.
4. Ingeval een verkrijging als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
wordt gevolgd door een verkrijging als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, of andersom, door dezelfde persoon of door zijn rechtsopvolger
krachtens huwelijksvermogensrecht of erfrecht, wordt de waarde
verminderd met het bedrag waarover ter zake van de eerste verkrijging
was verschuldigd hetzij overdrachtsbelasting welke niet in mindering
heeft gestrekt van schenk- of erfbelasting, hetzij omzetbelasting
welke op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in
het geheel niet in aftrek kon worden gebracht.
5. Indien voor een goed als bedoeld in artikel 2 een
verkoopregulerend beding geldt dat rechtstreeks of middellijk jegens
de verkrijger is gemaakt door een publiekrechtelijk lichaam of een
toegelaten instelling in de zin van artikel 70, eerste lid, van de
Woningwet, is de waarde gelijk aan die van de tegenprestatie en worden
voor de bepaling van de tegenprestatie de uit het beding
voortvloeiende lasten buiten aanmerking gelaten.
6. Indien op grond van artikel 15, vierde lid, de vrijstelling niet
van toepassing is, wordt de waarde ten minste gesteld op de kostprijs
van de onroerende zaak of van de zaak waarop het recht of de dienst
betrekking heeft, met inbegrip van de omzetbelasting, zoals die zou
ontstaan bij de voortbrenging door een onafhankelijke derde op het
tijdstip van de verkrijging.
Artikel 10
De waarde van aandelen en rechten, als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, is gelijk aan de waarde van de goederen als bedoeld in artikel 2,
welke door die aandelen of rechten middellijk of onmiddellijk worden
vertegenwoordigd, met dien verstande dat de waarde van de goederen,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel y, buiten beschouwing
blijft.
Artikel 11
1.Bij verkrijging van een erfdienstbaarheid of van een recht van
erfpacht, opstal of beklemming wordt de waarde vermeerderd met die van
de canon, de retributie of de huur, met dien verstande dat de som van
beide waarden niet hoger wordt gesteld dan de waarde van de zaak
waarop het recht betrekking heeft.
2.Bij verkrijging van eigendom, bezwaard met een erfdienstbaarheid
of met een recht van erfpacht, opstal of beklemming, wordt de waarde
verminderd met die van de canon, de retributie of de huur.
3.De waarde van de canon, de retributie of de huur wordt bepaald
volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
Artikel 12
1.Bij verkrijging krachtens verdeling wordt de waarde verminderd
met die van het aandeel van de verkrijger of van zijn rechtsvoorganger
onder algemene titel in de verdeelde goederen als zijn bedoeld in
artikel 2.
2.De vermindering met de waarde van het aandeel van een
rechtsvoorganger vindt, ingeval aan verschillende rechtverkrijgenden
onder algemene titel goederen als zijn bedoeld in artikel 2 worden
toegedeeld, voor iedere toedeling plaats naar evenredigheid van de
waarde van het toegedeelde.
3.Het eerste en het tweede lid blijven buiten toepassing, voor
zover de gerechtigdheid tot de verdeelde goederen is ontstaan door
inbreng in een vennootschap met toepassing van de vrijstelling,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel e.
Artikel 13
1. In geval van verkrijging binnen zes maanden na een vorige
verkrijging van dezelfde goederen door een ander wordt de waarde
verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging
was verschuldigd hetzij overdrachtsbelasting welke niet in mindering
heeft gestrekt van schenk- of erfbelasting, hetzij omzetbelasting
welke in het geheel niet op grond van artikel 15 van de Wet op de
omzetbelasting 1968 in aftrek kon worden gebracht.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden aandelen of
rechten, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en de daardoor
middellijk of onmiddellijk vertegenwoordigde goederen als dezelfde
goederen beschouwd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan, indien de ontwikkelingen
van de vastgoedmarkt daartoe aanleiding geven, in afwijking van het
eerste lid tijdelijk een afwijkende termijn worden vastgesteld waarbij
voor woningen en niet-woningen een verschillende termijn gehanteerd
kan worden en voor zover nodig kan worden voorzien in overgangsrecht.
Afdeling 3. Tarief en vrijstellingen
Artikel 14
1. De belasting bedraagt 6 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent
voor de verkrijging van woningen en van rechten waaraan deze zijn
onderworpen, alsmede voor de verkrijging van aandelen en rechten als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover deze aandelen en rechten
middellijk of onmiddellijk woningen vertegenwoordigen. Onder woningen
worden mede begrepen aanhorigheden die tot woningen behoren of gaan
behoren.
Artikel 15
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
a. krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968
of een dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b,
slotalinea, van die wet ter zake waarvan omzetbelasting is
verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de
verkrijger de omzetbelasting op grond van artikel 15 van de Wet op
de omzetbelasting 1968 geheel of gedeeltelijk in aftrek kan
brengen;
b. door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters,
of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren
tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de
bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen)
door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet. Voor de
toepassing van de vorige volzin wordt:
1°. met een kind gelijkgesteld een pleegkind;
2°. met een broer of zuster gelijkgesteld een halfbroer,
halfzuster, pleegbroer of pleegzuster;
c. door de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap,
de politie, een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de
Grondwet, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin
van de Wet gemeenschappelijke regelingen of een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, gevormd krachtens een
door de Staat met een of meer andere publiekrechtelijke lichamen
aangegane gemeenschappelijke regeling;
d. [vervallen;]
e. krachtens inbreng van een onderneming in een vennootschap,
in de volgende gevallen:
1°. bij inbreng in een vennootschap die geen in aandelen
verdeeld kapitaal heeft, mits:
– ter zake van de inbreng de inbrenger wordt
bijgeschreven op de kapitaalrekening van de vennootschap voor
een bedrag dat ten minste 90 percent is van de waarde van het
vermogen van de ingebrachte onderneming; en
– de ingebrachte onderneming niet heeft behoord tot het
vermogen van een lichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, tenzij dit lichaam verschillende ondernemingen
bezit of heeft bezeten en de bezittingen van de ingebrachte
onderneming niet zouden leiden tot het aanmerken van het
lichaam als een lichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, wanneer de ingebrachte onderneming de enige
onderneming van het lichaam zou zijn.
Onder kapitaalrekening wordt verstaan de rekening op de
balans van de vennootschap waarop de deelgerechtigdheid van de
vennoot in het vermogen van de vennootschap wordt opgenomen;
2°. bij omzetting van een niet in de vorm van een naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid gedreven onderneming in een wel in zodanige
vorm gedreven onderneming, mits de oprichters van de
vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel
in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van
de omgezette onderneming;
f. krachtens verdeling of vereffening in de volgende gevallen:
1°. verdeling der goederen van een maatschap of
vennootschap die geen rechtspersoon is, door de inbrenger of
iemand die als rechtverkrijgende onder algemene titel van de
inbrenger een aandeel had in het hem toegedeelde goed, mits
het toegedeelde goed in de vennootschap was ingebracht met
toepassing van de vrijstelling, bedoeld in onderdeel e;
2°. vereffening van het vermogen van een rechtspersoon met
toepassing van artikel 14c van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969;
g. krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners,
voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor ten
minste 40 percent en de andere voor ten hoogste 60 percent, is
ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling
geschiedt aan een van de verkrijgers of iemand die als
rechtverkrijgende onder algemene titel van een verkrijger in het
toegedeelde goed was gerechtigd;
h. bij fusie, splitsing en interne reorganisatie;
i. van een zaak die is aangebracht door of in opdracht en voor
rekening van de verkrijger of zijn rechtsvoorganger onder algemene
titel;
j. van bodembestanddelen, zoals zand, grind, veen en terpaarde,
welke ingevolge beding geacht worden niet te zijn verkregen;
k. bedoeld in de artikelen 49, 56, 85, tweede lid, 89, tweede
lid, en 103, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de
artikelen 52, 58 en 101, tweede lid, van de Wet op de
expertisecentra en de artikelen 42c, 50 en 76n, tweede lid, van de
Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 2.13 en 16.16 van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de
artikelen 9.1.3 en 9.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
alsmede verkrijgingen waarvoor de vervreemder de in artikel 106,
tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 104,
tweede lid, van de Wet op de expertisecentra en de artikelen 76q,
tweede lid, en 98, tweede lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs vereiste toestemming heeft verkregen, een en ander
voorzover het verkregene voor onderwijs is bestemd;
l. krachtens de Ruilverkavelingswet 1954, de Reconstructiewet
Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën, de Landinrichtingswet, de Wet
inrichting landelijk gebied en de Reconstructiewet
concentratiegebieden;
m. door het bureau beheer landbouwgronden;
n. van woningen door een in Nederland gevestigde landelijke
werkende toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70, eerste
lid, van de Woningwet, die geen winstoogmerk heeft en die
hoofdzakelijk tot doel heeft de aankoop van woningen van andere
toegelaten instellingen die betrokken zijn bij stedelijke
herstructurering en de verkoop van deze woningen aan natuurlijke
personen.
De bepaling is van toepassing voorzover de andere toegelaten
instellingen de bij de verkoop van woningen aan de landelijk
werkende toegelaten instelling verkregen middelen binnen zeven
kalenderjaren na het einde van het kalenderjaar waarin de woningen
zijn verkocht, investeren ter bevordering van de stedelijke
herstructurering. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen voorwaarden worden gesteld inzake
toepassing van de bepaling. Voorzover de bedoelde investering niet
uiterlijk binnen de genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is de
belasting alsnog verschuldigd op het tijdstip van het verstrijken
van die termijn;
o. door in Nederland gevestigde lichamen die de bevordering van
stedelijke herstructurering ten doel hebben, dan wel, indien die
lichamen geen rechtspersoonlijkheid hebben, door de vennoten van
die lichamen. Deze bepaling is van toepassing in bij regeling van
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen gevallen
onder daarbij te stellen voorwaarden;
oa. na voltooiing van een stedelijke herstructurering als
bedoeld in onderdeel o, van onroerende zaken van een lichaam als
bedoeld in onderdeel o, door degenen die de onroerende zaken met
toepassing van de vrijstelling, bedoeld in onderdeel o, hebben
ingebracht in dat lichaam of met toepassing van onderdeel o zoals
dat luidde tot en met 31 december 2002 hebben ingebracht in een
samenwerkingsverband dat na die datum is aangemerkt als een
zodanig lichaam, dan wel, indien de verkrijgers behoren tot de
kring van oprichters van het lichaam, van die onroerende zaken tot
het beloop van hun gerechtigdheid in het lichaam;
p. [vervallen;]
q. van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig
geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder begrepen de rechten van
erfpacht of beklemming daarop. Onder cultuurgrond wordt mede
begrepen de ondergrond van glasopstanden. De belasting die door
toepassing van deze bepaling niet is geheven, is alsnog
verschuldigd indien de exploitatie als zodanig niet gedurende ten
minste tien jaren wordt voortgezet. De vorige volzin is niet van
toepassing indien binnen de aldaar bedoelde termijn de
cultuurgrond door overheidsbeleid aan de landbouw wordt onttrokken
ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van natuur en
landschap;
r. krachtens herstel als is bedoeld in artikel 19;
s. van natuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht
of beklemming daarop, waarvan de inrichting en het beheer geheel
of nagenoeg geheel duurzaam zijn afgestemd op het behoud en de
ontwikkeling van natuur en landschap. De belasting die door
toepassing van deze bepaling niet is geheven, is alsnog
verschuldigd indien binnen tien jaren na de verkrijging niet
langer sprake is van natuurgrond. De vorige volzin is niet van
toepassing indien binnen de aldaar bedoelde termijn de natuurgrond
wordt omgezet in cultuurgrond als bedoeld in onderdeel q en als
zodanig gedurende de rest van deze termijn bedrijfsmatig
geëxploiteerd blijft;
t. [vervallen;]
u. door Staatsbosbeheer van objecten, als bedoeld in artikel 1,
onderdeel e, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer, niet
zijnde bedrijfsondersteunende onroerende zaken;
v. [vervallen;]
w. [vervallen;]
x. krachtens uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de
artikelen 19 , 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek,
voorzover de totale waarde van de verkrijging uit de nalatenschap
niet meer bedraagt dan het bedrag van de geldvordering, bedoeld in
artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek,
vermeerderd met de rentevergoeding waarmee ingevolge artikel 1,
derde lid, van de Successiewet 1956 voor de heffing van
erfbelasting rekening is gehouden. Voor de toepassing van de
vorige volzin blijft bij het bepalen van de waarde van een
verkrijging een door de ouder of stiefouder op grond van artikel
19, onderscheidenlijk artikel 21, van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek voorbehouden vruchtgebruik buiten beschouwing;
y. van een net gelegen in, op of boven de grond, bestaande uit
een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste,
vloeibare of gasvormige stoffen, van energie, of van informatie.
2. Ingeval bodembestanddelen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel j, of de waarde daarvan alsnog aan de verkrijger ten goede
komen, wordt zulks beschouwd als een verkrijging in de zin van artikel
2.
3. Verwijdering van zaken die ingevolge een beding of krachtens de
wet nog na de verkrijging mogen worden weggenomen wordt, indien die
verwijdering plaatsvindt binnen drie maanden na de verkrijging, ten
aanzien van die zaken beschouwd als de vervulling van een aan de
verkrijging verbonden ontbindende voorwaarde, mits zij of hun waarde
niet aan de verkrijger zijn ten goede gekomen.
4. De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen zijn niet van
toepassing in gevallen waarin de verkrijging plaatsvindt krachtens een
levering of dienst in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 ter
zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, indien de vergoeding,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van die wet, te zamen met de
verschuldigde omzetbelasting, lager is dan de waarde, bedoeld in
artikel 9, en de verkrijger de omzetbelasting op grond van artikel 15
van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet of niet nagenoeg geheel in
aftrek kan brengen, dan wel omzetbelasting wordt geheven ter zake van
het beschikken over die zaak voor bedrijfsdoeleinden en de vergoeding,
bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968,
tezamen met de verschuldigde omzetbelasting, lager is dan de waarde,
bedoeld inartikel 9, en de verkrijger die omzetbelasting op grond van
artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet of niet nagenoeg
geheel in aftrek kan brengen.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt de waarde ten minste
gesteld op de kostprijs van de onroerende zaak of van de zaak waarop
het recht of de dienst betrekking heeft, met inbegrip van de
omzetbelasting, zoals die zou ontstaan bij de voortbrenging door een
onafhankelijke derde op het tijdstip van de verkrijging.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, onder 1°,
wordt onder waarde van het vermogen van de ingebrachte onderneming
mede verstaan de boekwaarde van dat vermogen, zoals die geldt voor de
heffing van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, in gevallen
waarin de ondernemer inbrengt met voorbehoud van stille reserves.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan, indien het
goed wel als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de
omzetbelasting op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting
1968 geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen en de ontwikkelingen
van de vastgoedmarkt daartoe aanleiding geven, bij algemene maatregel
van bestuur worden geregeld dat de vrijstelling tijdelijk eveneens van
toepassing is als de verkrijging plaatsvindt binnen een daarbij vast
te stellen termijn en voor zover nodig worden voorzien in
overgangsrecht.
Afdeling 4. Wijze van heffing
Artikel 16
De belasting wordt geheven van de verkrijger.
Artikel 17
De belasting moet op aangifte worden voldaan.
Artikel 18
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld welke ertoe
strekken, dat de belasting ter zake van een verkrijging waarvan een
notariële akte is opgemaakt, wordt voldaan ter gelegenheid van de
aanbieding van die akte ter registratie.
Artikel 19
1.Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend, indien de
toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens wordt
hersteld als gevolg van:
a. de vervulling van een ontbindende voorwaarde;
b. nietigheid of vernietiging;
c. ontbinding wegens niet-nakoming van een verbintenis. Indien
in de gevallen als zijn bedoeld onder a en b een akte in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek, is ingeschreven, wordt zodanig herstel
in geen geval aanwezig geacht voor de inschrijving van een
verklaring, akte of rechterlijke uitspraak waarbij de vervulling
van de voorwaarde, de nietigheid of de vernietiging wordt
vastgesteld.
2.Het verzoek om teruggaaf geschiedt door het doen van aangifte
binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op
teruggaaf is ontstaan.
3.De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
4.Een verkrijging ten aanzien waarvan op grond van het eerste lid
teruggaaf van de belasting wordt verleend, blijft buiten beschouwing
voor de toepassing van artikel 13.
Hoofdstuk III. Assurantiebelasting
Afdeling 1. Belastbaar feit
Artikel 20
Onder de naam 'assurantiebelasting' wordt een belasting geheven ter
zake van verzekeringen waarvan het risico in Nederland is gelegen en ter
zake van daarmee samenhangende diensten.
Artikel 21
1. Het risico van de verzekering is in Nederland gelegen indien de
verzekeringnemer in Nederland woont, of, ingeval de verzekeringnemer
een rechtspersoon is, indien de vestiging van deze rechtspersoon
waarop de verzekering betrekking heeft zich in Nederland bevindt.
2. Het risico van de verzekering is voor zover het eerste lid niet
van toepassing is, voorts in Nederland gelegen indien de verzekering
betrekking heeft op:
a. in Nederland gelegen onroerende zaken, alsmede de zich
daarin bevindende roerende zaken, met uitzondering van voor
doorvoer bestemde handelsgoederen;
b. motorrijtuigen welke zijn ingeschreven in het krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven
kentekens;
c. schepen die te boek staan in de openbare registers, bedoeld
in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
d. luchtvaartuigen die te boek staan in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek;
e. tijdens een reis of vakantie gelopen risico's, indien de
verzekering in Nederland is gesloten en een looptijd heeft van
vier maanden of minder.
3. In afwijking van het eerste lid is het risico van de verzekering
niet in Nederland gelegen indien de verzekering betrekking heeft op:
a. in een andere lid-staat van de Europese Unie gelegen
onroerende zaken, alsmede de zich daarin bevindende roerende
zaken, met uitzondering van voor doorvoer bestemde
handelsgoederen;
b. in een andere lid-staat van de Europese Unie geregistreerde
voer- en vaartuigen van om het even welke aard;
c. tijdens een reis of vakantie gelopen risico's, indien de
verzekering in een andere lid-staat van de Europese Unie is
gesloten en een looptijd heeft van vier maanden of minder.
Afdeling 2. Maatstaf van heffing
Artikel 22
1.De belasting wordt berekend over de premie, alsmede over de
vergoeding voor met de verzekering samenhangende diensten.
2.Onder premie wordt verstaan het totale bedrag dat - of voor zover
de tegenprestatie niet in een geldsom bestaat, de totale waarde van de
tegenprestatie welke - in verband met de verzekering in rekening wordt
gebracht, de assurantiebelasting niet daaronder begrepen.
Afdeling 3. Tarief en vrijstellingen
Artikel 23
De belasting bedraagt 21 percent.
Artikel 24
1.Van de belasting zijn vrijgesteld:
a. levensverzekeringen;
b. ongevallen-, invaliditeits- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen;
c. ziekte- en ziektekostenverzekeringen, waaronder
zorgverzekeringen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet;
d. werkloosheidsverzekeringen;
e. verzekeringen van zeeschepen, met uitzondering van
pleziervaartuigen, alsmede verzekeringen van luchtvaartuigen welke
hoofdzakelijk als openbaar vervoermiddel in het internationale
verkeer zullen worden gebezigd;
f. transportverzekeringen;
g. herverzekeringen;
h. exportkredietverzekeringen.
2.Indien een samengestelde verzekering een of meer vrijgestelde
verzekeringen omvat, wordt de vrijstelling toegepast op het aan die
vrijgestelde verzekeringen toe te rekenen gedeelte van de premie.
Afdeling 4. Wijze van heffing
Artikel 25
1. De belasting ter zake van verzekeringen welke zijn gesloten door
tussenkomst van een door Onze Minister aangewezen bemiddelaar in
verzekeringen, aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet op
het financieel toezicht, wordt geheven van die bemiddelaar, indien hij
ter zake van de verzekering de premie int of doet innen en bovendien:
1°. de verzekering is gesloten bij een gevolmachtigd agent als
bedoeld in de Wet op het financieel toezicht; of
2°. het risico dat de verzekering dekt krachtens één polis,
wordt gedragen door ten minste twee verzekeraars; of
3°. de bemiddelaar jegens de verzekeraar aansprakelijk is voor
de verschuldigde premie en de polis of het aanhangsel van de polis
niet door de verzekeraar is of wordt opgemaakt.
2. De belasting ter zake van verzekeringen welke zijn gesloten bij
een gevolmachtigd agent als bedoeld in de Wet op het financieel
toezicht wordt steeds geheven van de agent, tenzij het eerste lid van
toepassing is.
3. De belasting wordt geheven van de bemiddelaar, indien en voor
zover deze de vergoeding ontvangt van een ander dan de verzekeraar die
in Nederland is gevestigd. Deze belastingplicht strekt zich niet
verder uit dan tot die vergoeding.
4. Indien het eerste, tweede en derde lid geen toepassing kunnen
vinden, wordt de belasting geheven van de verzekeraar, ingeval deze in
Nederland is gevestigd.
5. Ingeval de verzekeraar niet in Nederland is gevestigd en het
eerste en tweede lid geen toepassing kunnen vinden, wordt de belasting
geheven van de vertegenwoordiger van de verzekeraar als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, al naar gelang die
vertegenwoordiger de verzekering voor of namens de verzekeraar heeft
gesloten. Indien er niet een dergelijke vertegenwoordiger is, wordt de
belasting geheven van de in Nederland wonende of gevestigde
bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht, door wiens bemiddeling de verzekering is
gesloten.
6. Indien het eerste, tweede, derde en vijfde lid geen toepassing
kunnen vinden en de verzekeraar in een lidstaat van de Europese Unie
of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, maar
niet in Nederland, woont of is gevestigd, wordt de belasting geheven
van de verzekeraar of, indien de verzekeraar een fiscaal
vertegenwoordiger heeft aangesteld die in Nederland woont of gevestigd
is, van die fiscaal vertegenwoordiger.
7. Indien het eerste, tweede, derde en vijfde lid geen toepassing
kunnen vinden, is de verzekeraar die niet in een lidstaat van de
Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte woont of is gevestigd gehouden een fiscaal vertegenwoordiger
aan te stellen die in Nederland woont of gevestigd is. De belasting
wordt in dat geval geheven van die fiscaal vertegenwoordiger.
8. Ingeval de vorige leden geen toepassing kunnen vinden, wordt de
belasting geheven van de verzekeringnemer.
Artikel 25a
1. De fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 25, zesde lid,
dient in het bezit te zijn van een vergunning van de inspecteur.
2. Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil
verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die het verzoek moet bevatten.
3. Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd van de in
artikel 25, zesde lid, bedoelde verzekeraar, waaruit blijkt dat deze
degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal
vertegenwoordiger.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van
de heffing en de invordering, regels worden gesteld met betrekking tot
de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en
ingetrokken. Het verlenen, wijzigen en intrekken van de vergunning
geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 26
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de premie
vervalt.
Artikel 27
De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte
worden voldaan.
Afdeling 5. Bijzondere bepalingen
Artikel 28
In de gevallen bedoeld in artikel 25, eerste tot en met vijfde lid,
wordt het risico van de verzekering geacht in Nederland te zijn gelegen,
tenzij aan de hand van boeken of bescheiden het tegendeel wordt
aangetoond.
Artikel 29
1.Voor zover de premie niet is en niet zal worden ontvangen, dan
wel wordt terugbetaald, wordt de belasting verrekend met die welke is
verschuldigd geworden in het tijdvak waarin het recht op verrekening
is ontstaan. Ingeval de voor verrekening in aanmerking komende
belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden
belasting, wordt het verschil op verzoek teruggegeven.
2.Het verzoek om teruggaaf geschiedt bij de aangifte over het
tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
3.De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 30
Hij die ingevolge een vóór de inwerkingtreding van deze wet of van
een wijziging daarvan gesloten verzekering premies int of doet innen, is
bevoegd hetgeen van hem wegens assurantiebelasting over die premies meer
is gevorderd dan vóór die inwerkingtreding had kunnen geschieden,
terug te vorderen van de verzekeringnemer. Hiermede strijdige bedingen
zijn nietig.
Artikel 31
De verzekeringnemer die ingevolge een vóór de inwerkingtreding van
een wijziging in de wetgeving inzake assurantiebelasting gesloten
verzekering premies voldoet, is bevoegd van hem aan wie de premies
worden voldaan, terug te vorderen hetgeen wegens assurantiebelasting
over die premies minder is gevorderd dan vóór die inwerkingtreding had
kunnen geschieden. Hiermede strijdige bedingen zijn nietig.
Hoofdstuk IV [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 34a [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk V. Beursbelasting
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 42 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 43 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 44 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 45 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 47 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 48 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 50 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 51 [Vervallen per 01-07-1990]
Hoofdstuk VI. Algemene bepalingen
Artikel 52
Onder waarde wordt verstaan: waarde in het economische verkeer.
Artikel 53
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. nadere, zo nodig van de bepalingen van deze wet afwijkende
regels worden gesteld die tot vergemakkelijking van de heffing van
belasting kunnen leiden;
b. andere in het kader van de wet passende regels worden gesteld
ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VIA. Bijzondere bepalingen
Artikel 54
1.Indien de verkrijging, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet is
neergelegd in een notariële akte of in een andere akte die ter
registratie is aangeboden, is degene die de economische eigendom
overdraagt, verplicht binnen twee weken na de verkrijging aan de
inspecteur te melden dat de economische eigendom is overgedragen.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze
waarop de melding moet worden gedaan.
3.Met betrekking tot de verplichtingen, bedoeld in dit artikel,
blijven de artikelen 47b, tweede lid, en 52a van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen buiten toepassing.
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 56 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 57 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 58 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 59 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 60 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 61
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
2. Zij kan worden aangehaald als: Wet op belastingen van
rechtsverkeer.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 december 1970
JULIANA
De Minister van Financiën,
H.J. Witteveen
De Staatssecretaris van Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de negenentwintigste december 1970
De Minister van Justitie a.i.,
H.K.J. Beernink
|