Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing bijzondere
medische verrichtingen 2007
WET van 24 oktober 1997, houdende regels
betreffende bijzondere verrichtingen op het gebied van de
gezondheidszorg (Wet op bijzondere medische verrichtingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de
regulering van de bijzondere verrichtingen zoals omschreven in de Wet
ziekenhuisvoorzieningen, een gradatie aan te brengen en de
desbetreffende regels, tezamen met die inzake ontwikkelingsgeneeskunde,
in een afzonderlijke wettelijke regeling onder te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport;
b. medische verrichtingen: handelingen op het gebied van de
individuele gezondheidszorg in de zin van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg;
c. ontwikkelingsgeneeskunde: de op wetenschappelijk inzicht
gebaseerde ontwikkeling en evaluatie van methoden en technieken
in de praktijk van de gezondheidszorg, waarvan de uiteindelijke
toepassing ingrijpende kwalitatieve, maatschappelijke, ethische,
juridische, financiële of organisatorische gevolgen kan hebben.
Hoofdstuk II. Regulering door verboden
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 2
1.Indien gewichtige belangen daartoe aanleiding geven, kan Onze
Minister bij ministeriële regeling bepalen:
a. dat het verboden is zonder zijn vergunning medische
verrichtingen van een bij de regeling aangegeven aard uit te
voeren;
b. dat het verboden is zonder zijn vergunning apparatuur
van een bij de regeling aangegeven aard ten behoeve van het
uitvoeren van medische verrichtingen aan te schaffen of te
gebruiken.
2.Een regeling als bedoeld in het eerste lid vervalt uiterlijk
vier jaar na de inwerkingtreding. Voortzetting van het verbod kan
slechts geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 3
1.Indien een medische verrichting, gezien de maatschappelijke,
ethische of juridische aspecten, ongewenst is en de omstandigheden
van dien aard zijn dat de totstandkoming van een regeling van die
verrichting bij wet niet kan worden afgewacht, kan bij algemene
maatregel van bestuur worden bepaald dat het verboden is zodanige
medische verrichting uit te voeren.
2.Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt aan
de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in
werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij
binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten
minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der
kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de
algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat
geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig
mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken
of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit
het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van
bestuur ingetrokken.
3.Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel vervalt
twee jaar na de inwerkingtreding. Indien binnen die termijn een
wetsvoorstel tot regeling van het onderwerp is ingediend bij de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, vervalt de maatregel op het
tijdstip waarop een van de beide kamers der Staten-Generaal
besluit het wetsvoorstel niet aan te nemen of op het tijdstip
waarop het wetsvoorstel kracht van wet krijgt.
Artikel 4
1.Met betrekking tot medische verrichtingen waarvoor subsidie
wordt verstrekt door Onze Minister in het kader van een project
van ontwikkelingsgeneeskunde, kan Onze Minister, indien het belang
van dat project of een belang als bedoeld in artikel 2 daartoe
aanleiding geeft dan wel indien moet worden onderzocht of de
verrichting, gezien de maatschappelijke, ethische of juridische
aspecten, al dan niet gewenst is, bij ministeriële regeling
bepalen dat het verboden is die medische verrichtingen uit te
voeren elders dan in de bij dat project betrokken instelling.
2.Een regeling als bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar
na het tijdstip waarop de subsidiëring van dat project wordt
beëindigd.
Artikel 5
Onze Minister bepaalt bij ministeriële regeling de omvang van de
behoefte aan verrichtingen en apparatuur, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder a onderscheidenlijk b, alsmede de wijze waarop in
die behoefte kan worden voorzien.
Artikel 6
1.Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan
slechts worden geweigerd indien het verlenen daarvan in strijd zou
zijn met het bepaalde krachtens artikel 5.
2.Bij ministeriële regeling wordt de procedure met betrekking
tot de vergunningverlening vastgesteld. Een vergunning kan onder
beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften
kunnen worden gewijzigd of ingetrokken en nieuwe beperkingen of
voorschriften kunnen worden gesteld.
3.De vergunninghouder is verplicht Onze Minister periodiek de
gegevens te verstrekken die Onze Minister van belang acht voor een
goede uitvoering van artikel 5.
4.Indien bij het in werking treden van een regeling als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onder a of b, de daarin aangegeven
verrichtingen reeds werden uitgevoerd onderscheidenlijk de daarin
bedoelde apparatuur reeds werd gebruikt, niet in strijd met het
bepaalde bij of krachtens deze wet, mag dit, mits hieraan geen
uitbreiding wordt gegeven, worden voortgezet gedurende drie
maanden. Onze Minister kan desgevraagd deze termijn verlengen.
5.Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan
worden ingetrokken indien de vergunninghouder in strijd handelt
met een beperking of voorschrift als bedoeld in het tweede lid dan
wel met het derde lid, alsmede indien de omstandigheden na de
verlening van de vergunning zodanig zijn gewijzigd, dat de
vergunning niet meer zou zijn verleend.
Paragraaf 2. Specifieke verboden
Artikel 6a
1.Het uitvoeren van medische verrichtingen met toepassing van
xenotransplantatie is verboden. Onder xenotransplantatie wordt
verstaan het in- of aanbrengen van levende bestanddelen van een
dier of van een foetus of embryo van een dier, dan wel een
menselijk bestanddeel dat daarmee doelgericht in aanraking is
gebracht, in of aan het lichaam van een mens.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan het begrip
xenotransplantatie nader worden omschreven en kunnen verrichtingen
waarbij naar heersend medisch inzicht onaanvaardbare risico's voor
de patiënt en de volksgezondheid redelijkerwijs zijn uitgesloten,
worden aangewezen waarop het in het eerste lid bedoelde verbod
niet van toepassing is.
Hoofdstuk III. Regulering door financiële ondersteuning
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 8
1. Onze Minister kan met betrekking tot medische verrichtingen
waarop niet een regeling als bedoeld in artikel 2 of 3 van
toepassing is en die niet behoren tot de ontwikkelingsgeneeskunde,
zijn beleidsvisie bekend maken ten aanzien van bijzondere aspecten
van die verrichtingen, welke aspecten die verrichtingen
onderscheiden van andere medische verrichtingen.
2. Een instelling kan Onze Minister verzoeken haar aan te
wijzen voor de uitvoering van de bijzondere aspecten van de in het
eerste lid bedoelde verrichtingen. Onze Minister kan zodanige
aanwijzing uitsluitend weigeren indien het geven daarvan in strijd
zou zijn met zijn beleidsvisie, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister kan aan een aanwijzing voorschriften
verbinden, voor zover die voortvloeien uit de beleidsvisie.
Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De beleidsvisie, bedoeld in het eerste lid, kan inhouden dat
Onze Minister, voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is in
het belang van de volksgezondheid, zorg draagt voor bekostiging
van de instandhouding dan wel continuïteit van de uitvoering van
de bijzondere aspecten van de in het eerste lid bedoelde
verrichtingen door een instelling die op grond van het tweede lid
is aangewezen.
Hoofdstuk IV. Toezicht
Artikel 9
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 11
De toezichthouders zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner voor zover deze woning deel uitmaakt van een instelling.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 16
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 17
[Wijzigt de Wet ziekenhuisvoorzieningen]
Artikel 18
1.Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit
bijzondere verrichtingen en apparatuur Wet ziekenhuisvoorzieningen
op artikel 2, tweede lid, van deze wet, berusten de Regeling
harttransplantatie, de Regeling longtransplantatie, de Regeling
levertransplantatie en de Regeling klinisch-genetisch onderzoek en
erfelijkheidsadvisering op de artikelen 2, eerste lid, en 5 van
deze wet, berusten het Planningsbesluit niertransplantatie, het
Planningsbesluit radiotherapie, het Planningsbesluit in vitro
fertilisatie, het Planningsbesluit neonatale intensive care, het
Planningsbesluit neurochirurgie, het Planningsbesluit dialyse en
het Planningsbesluit bijzondere interventies aan het hart op
artikel 5 van deze wet, en berust het Besluit procedures voor
bijzondere functies Wet ziekenhuisvoorzieningen op artikel 6,
tweede lid, van deze wet.
2.Een vergunning, verleend op grond van artikel 18, eerste lid,
onder a of b, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals dat
artikel luidde tot de inwerkingtreding van deze wet, wordt
gelijkgesteld met een vergunning, verleend op grond van artikel 2,
eerste lid, onder a onderscheidenlijk b, van de onderhavige wet.
3.Beroepen, ingesteld tegen beslissingen op grond van artikel
18 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, worden afgewikkeld
overeenkomstig de in die wet voorziene procedure, zoals die wet
luidde tot de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 19
[Wijzigt de Algemene bijstandswet]
Artikel 20
Onze Minister zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze
wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Artikel 21
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 22
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op bijzondere medische
verrichtingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 oktober 1997
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de dertiende november 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|