WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast
college van advies in te stellen met het oog op de advisering over
internationale vraagstukken, in het bijzonder met betrekking tot de
rechten van de mens, vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en
Europese integratie en dat het in verband met artikel 79 van de Grondwet
noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Er is een Adviesraad internationale vraagstukken, hierna te noemen de
raad.
Artikel 2
De raad heeft tot taak de regering en de beide kamers der
Staten-Generaal te adviseren over internationale vraagstukken, in het
bijzonder met betrekking tot de rechten van de mens, vrede en
veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en Europese integratie.
Artikel 3
1. De raad stelt uit zijn midden vier permanente commissies in.
De voorzitters van deze commissies worden uit de leden van de raad
door Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze
Ministers wie het mede aangaat aangewezen.
2. Indien voor de voorbereiding van adviezen specifieke
deskundigheid is vereist die niet reeds in voldoende mate in de raad
aanwezig is, kunnen in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet
adviescolleges in de commissies, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste
vijftien andere personen dan leden van de raad worden benoemd.
3. Op de in het tweede lid bedoelde commissieleden zijn de
artikelen 11 tot en met 14 van de Kaderwet adviescolleges van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze leden door Onze
Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Ministers
wie het mede aangaat worden benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 4
Indien dit naar het oordeel van Onze Minister van Buitenlandse Zaken
in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat dan wel van
de raad wenselijk is, voegt de raad de schriftelijke inbreng van de
desbetreffende permanente commissie bij zijn advies.
Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Indien het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31
december 1997, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij
terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 6
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Adviesraad internationale
vraagstukken.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 maart 1998
BEATRIX
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H.A.F.M.O. van Mierlo
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
J.P. Pronk
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
M. Patijn
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
J. Kohnstamm
Uitgegeven de veertiende april 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager