Nadere regelgeving:
- Examenbesluit Wet op de
architectentitel
- Nadere regeling inrichting opleidingen architect,
stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en
interieurarchitect
WET van 7 juli 1987, houdende regelen
omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin-
en landschapsarchitect en interieurarchitect
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de
wet regelen te stellen omtrent de bescherming van de titels architect,
stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect,
alsmede regelen te stellen ter uitvoering van de richtlijn van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985 inzake de onderlinge
erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied
van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking
van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij
verrichten van diensten (PbEG 1985, L 223/15);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
betrokken staat: lidstaat, een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
bevoegde autoriteit: bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 56
van de richtlijn;
derde land: ander land dan een betrokken staat;
dienstverrichter: een persoon die op wettige wijze is gevestigd in
een andere betrokken staat en aldaar op wettige wijze het beroep van
architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect uitoefent of, ingeval dat beroep in die staat niet is
gereglementeerd, dat beroep in die staat tijdens de tien jaar
voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland ten minste twee jaar
voltijds heeft uitgeoefend, en die zich vanuit die staat naar Nederland
begeeft om er tijdelijk en incidenteel datzelfde beroep uit te oefenen;
lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
migrerende beroepsbeoefenaar:
1°. onderdaan van een betrokken staat;
2°. onderdaan van een derde land die houder is van een door een
betrokken staat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig
ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG
van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de
status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L
016), of
3°. familielid van een onderdaan van een betrokken staat, dat
onderdaan is van een derde land en dat uit hoofde van richtlijn nr.
2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en
verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de
Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229), gerechtigd is een
betrokken staat binnen te komen en er te verblijven;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
opleidingstitel: diploma, certificaat, of andere titel die door een
daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken staat aangewezen
autoriteit is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in een of meer
betrokken staten gevolgde beroepsopleiding op het gebied van
architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of
interieurarchitectuur;
richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning
van beroepskwalificaties (PbEU L 255).
Hoofdstuk II. Het architectenregister
Artikel 2
1.Er is een architectenregister, in deze wet verder aan te duiden
als het register.
2.In het register wordt op verzoek ingeschreven als architect, als
stedenbouwkundige, als tuin- en landschapsarchitect of als
interieurarchitect degene, die voldoet aan de bij of krachtens deze
wet gestelde eisen.
3.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, voorschriften geven omtrent de inrichting van het
register.
Hoofdstuk III. Het bureau architectenregister
Artikel 3
1.Onze Minister richt een Stichting bureau architectenregister op,
in deze wet verder aan te duiden als het bureau. Het wijzigen van de
statuten van het bureau behoeft de toestemming van Onze Minister. De
artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Het bureau is belast met het beheer van het register en voorziet
in de administratieve bijstand, die bij de uitvoering van het bepaalde
in hoofdstuk VI van het bureau wordt gevraagd.
3.Het bureau treedt bij de uitvoering van deze wet op als bevoegde
autoriteit. Het bureau werkt in die hoedanigheid nauw samen met de
bevoegde autoriteiten van andere betrokken staten en:
a. verstrekt aan of vraagt bij die autoriteiten gegevens op
inzake tuchtrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke sancties of
andere ernstige feiten voor zover noodzakelijk voor de beoordeling
van de rechtmatigheid van de toegang tot of de uitoefening van
werkzaamheden op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en
landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur van of door een
persoon die krachtens artikel 13 is ingeschreven in het register
of die op grond van dat artikel een verzoek tot inschrijving in
het register heeft gedaan;
b. gaat de juistheid na van de door de bevoegde autoriteit van
een andere betrokken staat verstrekte informatie als bedoeld in
onderdeel a en stelt die autoriteit in kennis van de bevindingen
en de eventueel daaraan te verbinden gevolgen;
c. ontvangt de voor de inschrijving in het register en de
erkenning van de titel van architect, stedenbouwkundige, tuin- en
landschapsarchitect of interieurarchitect noodzakelijke documenten
of informatie, verstrekt aan een in het register ingeschreven
persoon op diens verzoek afschriften van de bij de inschrijving
ontvangen documenten of een verklaring omtrent de periode waarin
de ingeschrevene geacht kan worden werkzaam te zijn geweest op
zijn vakgebied en neemt de in de richtlijn bedoelde besluiten
omtrent de erkenning van de titel die bij de opleiding behoort van
de persoon die heeft verzocht om te worden ingeschreven in het
register.
4.Het bureau verstrekt informatie over de voorschriften van de
richtlijn met betrekking tot de erkenning van beroepskwalificaties
voor architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect, over de wettelijke voorschriften met betrekking
tot de beroepsuitoefening van architect, stedenbouwkundige, tuin- en
landschapsarchitect of interieurarchitect en over de inschrijving in
een van die hoedanigheden in het register en de wettelijke gevolgen
daarvan.
5.Het bureau biedt voorts belanghebbenden ondersteuning bij de
uitoefening van hun rechten krachtens de richtlijn om in Nederland of
een andere betrokken staat op het gebied van de architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur
zelfstandig of in loondienst beroepswerkzaamheden te verrichten of op
een van die gebieden tijdelijk en incidenteel overeenkomstig de
richtlijn diensten te verrichten.
6.Het bureau informeert het door Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap ter uitvoering van artikel 57 van de richtlijn
aangewezen centrale contactpunt periodiek over de werkzaamheden die
het op grond van het vierde en vijfde lid heeft verricht en over het
resultaat van de door hem op grond van het vijfde lid geboden
ondersteuning.
Artikel 3a
1. Voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel a, wordt,
voor zover het de verstrekking van strafrechtelijke sancties betreft,
een verklaring omtrent het gedrag aangemerkt als informatie omtrent
strafrechtelijke sancties.
2. In afwijking van artikel 33 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens wordt een aanvraag tot het afgeven van een
verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een persoon als bedoeld
in artikel 3, derde lid, onderdeel a, ingediend door een bevoegde
autoriteit uit een andere betrokken staat.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt, in afwijking
van artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens ingediend bij Onze Minister van Justitie.
4. Het bureau kan bij een bevoegde autoriteit uit een andere
betrokken staat een verzoek indienen als bedoeld in artikel 3, derde
lid, onderdeel a, mits het verzoek deugdelijk is gemotiveerd.
Artikel 3b
1. Voor de toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 34, 35 en 36
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als
aanvrager aangemerkt de persoon die krachtens artikel 13 is
ingeschreven in het register of die op grond van dat artikel een
verzoek tot inschrijving in het register heeft gedaan ten aanzien van
wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2. Onze Minister van Justitie stelt de persoon, bedoeld in het
eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt
gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 3a, tweede lid,
en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de
aanvraag.
3. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen instemming
verleent, bericht Onze Minister van Justitie dit aan de bevoegde
autoriteit uit een andere betrokken staat die de verklaring omtrent
het gedrag heeft aangevraagd.
Artikel 3c
1. Onze Minister van Justitie informeert de persoon, bedoeld in
artikel 3b, eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het
gedrag wordt gevraagd indien hij voornemens is de afgifte van de
verklaring omtrent het gedrag te weigeren.
2. Onze Minister van Justitie verstrekt de verklaring omtrent het
gedrag dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de persoon,
bedoeld in artikel 3b, eerste lid.
3. Onze Minister van Justitie stelt de bevoegde autoriteit uit een
andere betrokken staat zo spoedig mogelijk op de hoogte van de afgifte
dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag. Bij de
kennisgeving over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag
wordt de strekking van de afgegeven verklaring omtrent het gedrag
medegedeeld.
4. Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog
niet onherroepelijk is, informeert Onze Minister van Justitie de
bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat daarover.
Artikel 4
1.Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van
het bestuur van het bureau, na overleg met Onze Ministers van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
2.Het bestuur bestaat in meerderheid uit personen die de beroepen
van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect uitoefenen dan wel hebben uitgeoefend.
Artikel 5
De benoeming en het ontslag van de directeur van het bureau behoeven
de instemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 7
Het bureau bepaalt het bedrag van de tarieven, bedoeld in de
artikelen 3, derde lid, 13, eerste lid, 16, eerste lid, 22, eerste lid,
27 en 27b, zesde lid. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin,
behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 8
1.Jaarlijks vóór 1 mei wordt door het bureau aan Onze Minister
ter goedkeuring een jaarverslag en een jaarrekening over het vorige
kalenderjaar voorgelegd. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Onze
Minister kan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek belasten met het uitvoeren van
een controle op de jaarrekening. Aan deze accountant en aan de
Algemene Rekenkamer wordt inzage gegeven van de boeken en bescheiden
en worden alle inlichtingen verstrekt welke zij nodig achten om een
juist inzicht te verkrijgen in het geldelijk beheer van het bureau.
2.Onze Minister zendt na goedkeuring afschrift van het verslag en
van de jaarrekening aan Onze Ministers van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en aan de
Staten-Generaal.
Hoofdstuk IV. De inschrijving in het register
Artikel 9
1.Inschrijving in het register als architect wordt verleend aan
degene die voldoet aan een van de volgende eisen:
a. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied
van architectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde universiteit;
2°. het getuigschrift van een opleiding bouwkunde op het
gebied van de techniek verbonden aan een in de bijlage bij de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
genoemde universiteit;
b. in het bezit zijn van het op grond van artikel 29 van de
Nijverheidsonderwijswet uitgereikte eindgetuigschrift Hoger
Bouwkunst Onderricht;
c. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied
van architectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde hogeschool;
2°. het op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet
onderwijs uitgereikte einddiploma van een Academie van
Bouwkunst, het op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op
het hoger beroepsonderwijs uitgereikte getuigschrift van een
opleiding voor beroepen op het terrein van architectuur en
stedenbouw dan wel het getuigschrift van een voortgezette
opleiding bouwkunst verbonden aan een in de bijlage bij de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
hogeschool;
d. in het bezit zijn van het op grond van artikel 29 van de
Nijverheidsonderwijswet uitgereikte getuigschrift Voortgezet
Bouwkunst Onderricht;
e. met goed gevolg een door de Architectenraad ingesteld
architectenexamen hebben afgelegd vóór de datum waarop voor de
eerste maal het examen, bedoeld in dit lid onder g, kan worden
afgelegd;
f. in het bezit zijn van het diploma van de Stichting Instituut
voor Architectuur I.V.A., afgegeven na een op ten minste
vierjarige basis ingerichte opleiding van deze stichting waarmee
uiterlijk op 5 augustus 1988 is begonnen, en van een attest,
afgegeven door Onze Minister, waaruit blijkt dat de betrokkene een
door of vanwege Onze Minister ingesteld onderzoek dat een
beoordeling behelst van de plannen die de betrokkene tijdens een
feitelijke praktijk van ten minste zes jaar op het gebied van de
architectuur heeft gemaakt en uitgevoerd, met goed gevolg heeft
doorstaan, dan wel in het bezit zijn van het diploma van genoemde
Stichting, dat is behaald ter afsluiting van een opleiding waarmee
na 5 augustus 1988 is begonnen, mits die opleiding naar het
oordeel van Onze Minister voldoet aan de eisen van de artikelen 3
en 4 van de de richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van
de diploma’s, certificaten en andere titels op het gebied van de
architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking
van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en
vrij verrichten van diensten (PbEG 1985, L223/15);
g. met goed gevolg hebben afgelegd een overeenkomstig het
bepaalde in hoofdstuk VI ingericht en afgenomen examen voor
architecten of daarvan, wegens ten genoegen van Onze Minister
aangetoonde uitzonderlijke bekwaamheid, van Onze Minister
ontheffing hebben verkregen;
h. met goed gevolg hebben afgelegd het examen ter afsluiting
van een door Onze Minister en na het horen van de representatief
te achten beroepsorganisaties van architecten, aangewezen
opleiding;
i. in het bezit zijn van een door het bevoegd gezag in een
andere betrokken staat afgegeven opleidingstitel op het gebied van
architectuur als bedoeld in artikel 21 van de richtlijn, dan wel
van een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 47,
eerste lid, van de richtlijn, die voldoet aan de in artikel 46 van
de richtlijn gestelde eisen, vergezeld van een certificaat als
bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de richtlijn, of, met
inachtneming van de eisen die zijn gesteld in artikel 47, tweede
lid, van de richtlijn, met goed gevolg hebben afgelegd het examen
in de architectuur ter afsluiting van een opleiding die voldoet
aan de in artikel 46 van de richtlijn gestelde eisen;
j. in het bezit zijn van een opleidingstitel op het gebied van
architectuur als bedoeld in artikel 49, eerste lid, eerste alinea,
van de richtlijn, van een verklaring als bedoeld in artikel 49,
eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn, of van een
bevestigende verklaring als bedoeld in artikel 49, tweede lid, van
de richtlijn;
k. in het bezit zijn van een opleidingstitel op het gebied van
architectuur als bedoeld in artikel 23, derde lid, eerste alinea,
vierde lid, eerste alinea, of vijfde lid, eerste alinea, van de
richtlijn, vergezeld van een verklaring als bedoeld in dat derde
lid, tweede alinea, dat vierde lid, tweede alinea, of dat vijfde
lid, tweede alinea;
l. in het bezit zijn van een certificaat dat overeenkomstig
artikel 48, tweede lid, van de richtlijn door het daartoe bij of
krachtens de wet in een andere betrokken staat aangewezen bevoegd
gezag is afgegeven, inhoudende dat de betrokkene zich door de
kwaliteit van zijn prestaties op het gebied van architectuur in
het bijzonder heeft onderscheiden, zodat hij geacht wordt te
voldoen aan de voorwaarden die in die staat worden gesteld voor de
uitoefening van werkzaamheden van architect onder de beroepstitel
van architect;
m. in het bezit zijn van een door het bevoegd gezag in een
andere betrokken staat afgegeven opleidingstitel op het gebied van
architectuur, dat of die door het bureau, na een daartoe ingesteld
onderzoek, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot
en met 13 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is
erkend;
n. in het bezit zijn van een in een derde land behaald of
verworven diploma, certificaat of andere titel op het gebied van
architectuur, dat of die door het daartoe bij of krachtens wet in
een andere betrokken staat aangewezen bevoegd gezag overeenkomstig
artikel 2, tweede lid, van de richtlijn is erkend, mits hij kan
worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar en in het bezit
is van een door dat gezag afgegeven verklaring dat hij ten minste
drie jaar beroepservaring in die staat heeft op het gebied van
architectuur, of
o. in het bezit zijn van een diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van architectuur, dat of die door een daartoe
bevoegde instelling in een derde land is verstrekt ter afsluiting
van een opleiding die naar het oordeel van het bureau voldoet aan
de in artikel 46 van de richtlijn gestelde eisen, of, ingeval die
opleiding daaraan niet voldoet, dat of die door het bureau, na een
daartoe ingesteld onderzoek, met overeenkomstige toepassing van de
artikelen 5 tot en met 13 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties is erkend.
2.Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke
degene die op grond van het voldoen aan een der eisen, bedoeld in het
eerste lid, onder a en c, inschrijving in het register wenst te
verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.
Artikel 9a [Vervallen per 15-07-2008]
Artikel 10
1.Inschrijving in het register als stedenbouwkundige wordt verleend
aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:
a. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied
van stedenbouw aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde universiteit;
2°. het getuigschrift van een opleiding bouwkunde op het
gebied van de techniek aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
universiteit;
b. in het bezit zijn van het op grond van artikel 29 van de
Nijverheidsonderwijswet uitgereikte einddiploma Stedebouwkundig
Hoger Onderricht;
c. in het bezit zijn van het op grond van artikel 29 van de Wet
op het voortgezet onderwijs uitgereikte einddiploma
Stedebouwkundig Hoger Onderricht;
d. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied
van stedenbouw verbonden aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
hogeschool;
2°. het op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet
onderwijs uitgereikte einddiploma van een Academie van
Bouwkunst, het op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op
het hoger beroepsonderwijs uitgereikte getuigschrift van een
opleiding voor beroepen op het terrein van architectuur en
stedenbouw dan wel het getuigschrift van een voortgezette
opleiding bouwkunst verbonden aan een in de bijlage bij de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
hogeschool;
e. met goed gevolg hebben afgelegd een overeenkomstig het
bepaalde in hoofdstuk VI ingericht en afgenomen examen voor
stedenbouwkundigen of daarvan, wegens ten genoegen van Onze
Minister aangetoonde uitzonderlijke bekwaamheid, van Onze Minister
ontheffing hebben verkregen;
f. met goed gevolg hebben afgelegd het examen ter afsluiting
van een door Onze Minister en na het horen van de representatief
te achten beroepsorganisaties van stedenbouwkundigen, aangewezen
opleiding;
g. in het bezit zijn van een door het bevoegd gezag in een
andere betrokken staat afgegeven diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van stedenbouw, dat of die door het bureau, na
een daartoe ingesteld onderzoek, met overeenkomstige toepassing
van de artikelen 5 tot en met 13 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties is erkend;
h. in het bezit zijn van een in een derde land behaald of
verworven diploma, certificaat of andere titel op het gebied van
stedenbouw, dat of die door het daartoe bij of krachtens wet in
een andere betrokken staat aangewezen bevoegd gezag overeenkomstig
artikel 2, tweede lid, van de richtlijn is erkend, mits hij kan
worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar en in het bezit
is van een door dat gezag afgegeven verklaring dat hij ten minste
drie jaar beroepservaring in die staat heeft op het gebied van
stedenbouw, of
i. in het bezit zijn van een diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van stedenbouw, dat of die door een daartoe
bevoegde instelling in een derde land is verstrekt en door het
bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend.
2.Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke
degene die op grond van het voldoen aan een der eisen bedoeld in het
eerste lid, onder a tot en met d, inschrijving in het register wenst
te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.
Artikel 11
1.Inschrijving in het register als tuin- en landschapsarchitect
wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:
a. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied
van landschapsarchitectuur aan een in de bijlage bij de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
universiteit;
2°. het getuigschrift van een opleiding
landschapsarchitectuur op het gebied van de landbouw en de
natuurlijke omgeving aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
universiteit;
b. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied
van landschapsarchitectuur verbonden aan een in de bijlage bij
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
genoemde hogeschool;
2°. het op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet
onderwijs uitgereikte einddiploma van een Academie van
Bouwkunst, waaraan een afdeling Landschapsarchitectuur is
verbonden, het op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op
het hoger beroepsonderwijs uitgereikte getuigschrift van een
opleiding voor beroepen op het terrein van architectuur en
stedenbouw dan wel het getuigschrift van een voortgezette
opleiding bouwkunst verbonden aan een in de bijlage bij de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
hogeschool;
c. vóór 1 september 1970 zijn afgestudeerd in de richting
tuin- en landschapsarchitectuur aan de rijkslandbouwuniversiteit
te Wageningen;
d. vóór 1 januari 1953 zijn erkend door de commissie ter
erkenning van tuin- en landschapsarchitecten, ingesteld door de
Bond van Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitecten (BNT);
e. met goed gevolg vóór 1 februari 1968 een examen voor tuin-
en landschapsarchitect hebben afgelegd voor een door Onze Minister
van Landbouw en Visserij daartoe benoemde examencommissie;
f. in het bezit zijn van een in 1971 uitgereikt diploma van de
Voortgezette Hogere Opleiding Tuin- en Landschapsarchitectuur (VHTL)
van de Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur;
g. met goed gevolg hebben afgelegd een overeenkomstig het
bepaalde in hoofdstuk VI ingericht en afgenomen examen voor tuin-
en landschapsarchitect of daarvan, wegens ten genoegen van Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangetoonde
uitzonderlijke bekwaamheid, van genoemde minister ontheffing
hebben verkregen;
h. met goed gevolg hebben afgelegd het examen ter afsluiting
van een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, na het horen van de representatief te achten
beroepsorganisaties van tuin- en landschapsarchitecten, aangewezen
opleiding;
i. in het bezit zijn van een door het bevoegd gezag in een
andere betrokken staat afgegeven diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur, dat of
die door het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend;
j. in het bezit zijn van een in een derde land behaald of
verworven diploma, certificaat of andere titel op het gebied van
tuin- en landschapsarchitectuur, dat of die door het daartoe bij
of krachtens wet in een andere betrokken staat aangewezen bevoegd
gezag overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de richtlijn is
erkend, mits hij kan worden aangemerkt als migrerend
beroepsbeoefenaar en in het bezit is van een door dat gezag
afgegeven verklaring dat hij ten minste drie jaar beroepservaring
in die staat heeft op het gebied van tuin- en
landschapsarchitectuur, of
k. in het bezit zijn van een diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur, dat of
die door een daartoe bevoegde instelling in een derde land is
verstrekt en door het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek,
met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot en met 13
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend.
2.Onze Minister van Landbouw en Visserij kan nadere regels geven
over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een
der eisen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, inschrijving in
het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben
gegeven.
Artikel 12
1.Inschrijving in het register als interieurarchitect wordt
verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:
a. in het bezit zijn van een getuigschrift van een opleiding
bouwkunde op het gebied van de techniek aan een in de bijlage bij
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
genoemde universiteit;
b. in het bezit zijn van het op grond van artikel 29 van de Wet
op het voortgezet onderwijs uitgereikte einddiploma van een
Academie van Bouwkunst, het op grond van artikel 34, derde lid,
van de Wet op het hoger beroepsonderwijs uitgereikte getuigschrift
van een opleiding voor beroepen op het terrein van architectuur en
stedebouw dan wel het getuigschrift van een voortgezette opleiding
bouwkunst verbonden aan een in de bijlage van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde hogeschool;
c. in het bezit zijn van:
1°. het getuigschrift van een opleiding Vormgeving van het
Domein Beeldende Kunst en Vormgeving verbonden aan een in de
bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek genoemde hogeschool;
2°. het op grond van artikel 29 van de
Nijverheidsonderwijswet of op grond van artikel 29 van de Wet op
het voortgezet onderwijs uitgereikte einddiploma van een
Academie voor Beeldende Kunsten, afdeling architectonische
vormgeving, dan wel het getuigschrift van een opleiding op het
gebied van de architectonische vormgeving verbonden aan een in
de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek genoemde hogeschool;
d. met goed gevolg hebben afgelegd een overeenkomstig het
bepaalde in hoofdstuk VI ingericht en afgenomen examen voor
interieurarchitect of daarvan, wegens ten genoegen van Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangetoonde
uitzonderlijke bekwaamheid, van genoemde minister ontheffing
hebben verkregen;
e. met goed gevolg hebben afgelegd het examen ter afsluiting
van een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en
na het horen van de representatief te achten beroepsorganisaties
van interieurarchitecten, aangewezen opleiding;
f. in het bezit zijn van een door het bevoegd gezag in een
andere betrokken staat afgegeven diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van interieurarchitectuur, dat of die door het
bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend;
g. in het bezit zijn van een in een derde land behaald of
verworven diploma, certificaat of andere titel op het gebied van
interieurarchitectuur, dat of die door het daartoe bij of
krachtens wet in een andere betrokken staat aangewezen bevoegd
gezag overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de richtlijn is
erkend, mits hij kan worden aangemerkt als migrerend
beroepsbeoefenaar en in het bezit is van een door dat gezag
afgegeven verklaring dat hij ten minste drie jaar beroepservaring
in die staat heeft op het gebied van interieurarchitectuur, of
h. in het bezit zijn van een diploma, certificaat of andere
titel op het gebied van interieurarchitectuur, dat of die door een
daartoe bevoegde instelling in een derde land is verstrekt en door
het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend.
2.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan nadere
regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het
voldoen aan een der eisen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en
met c, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn
opleiding moet hebben gegeven.
Artikel 13
1.Degene die van zijn ingevolge het bepaalde in de artikelen 9 tot
en met 12 bestaande recht tot inschrijving in het register gebruik
wenst te maken, dient bij het bureau een verzoek tot inschrijving in
op een formulier waarvan het model door het bureau wordt vastgesteld.
Het verzoek gaat vergezeld door stukken waaruit het bureau de
opleiding van de verzoeker kan vaststellen. Een verzoek wordt geacht
niet te zijn ingediend zolang niet een inschrijfgeld is betaald,
indien en voorzover ingevolge het bepaalde in artikel 7 hiervoor een
bedrag is vastgesteld.
2.Het bureau bevestigt binnen een maand de ontvangst van een
aanvraag om erkenning van een opleidingstitel als bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel m, 10, eerste lid, onderdeel g, 11, eerste
lid, onderdeel i, of 12, eerste lid, onderdeel f, of van een diploma,
certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onderdeel o, 10, eerste lid, onderdeel i, 11, eerste lid, onderdeel k,
of 12, eerste lid, onderdeel h. Het wijst er in die bevestiging op dat
het besluit omtrent de aangevraagde erkenning gelijktijdig een besluit
kan inhouden omtrent inschrijving in het register indien de aanvrager
alsnog verzoekt om inschrijving in het register overeenkomstig het
eerste lid.
3.Indien een persoon blijkens zijn verzoek om inschrijving in het
register in het bezit is van een opleidingstitel als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel m, 10, eerste lid, onderdeel g, 11,
eerste lid, onderdeel i, of 12, eerste lid, onderdeel f, of van een
diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onderdeel o, 10, eerste lid, onderdeel i, 11, eerste lid,
onderdeel k, of 12, eerste lid, onderdeel h, die of dat nog niet door
het bureau is erkend, merkt het bureau het verzoek om inschrijving
tevens aan als een aanvraag om erkenning van het betreffende diploma
of certificaat, dan wel de betreffende titel. Het bureau doet daarvan
binnen een maand na de ontvangst mededeling in de bevestiging van de
ontvangst van het verzoek.
4.Het bureau neemt in een geval waarin een aanvraag om erkenning of
een verzoek om inschrijving in het register betrekking heeft op een
opleidingstitel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel m, 10,
eerste lid, onderdeel g, 11, eerste lid, onderdeel i, of 12, eerste
lid, onderdeel f, binnen drie maanden na ontvangst van alle stukken
die het nodig acht voor zijn oordeelsvorming een besluit omtrent de
erkenning.
5.Indien het bureau toepassing geeft aan artikel 11 van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties houdt het het besluit omtrent de
erkenning aan overeenkomstig artikel 19, derde lid, van die wet. Het
derde en vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 14
1.Het bureau draagt zorg dat na het nemen van een besluit tot
inschrijving ten spoedigste inschrijving van de verzoeker in het
register plaatsvindt.
2.In het register worden opgenomen naam, voornamen, geboortedatum,
adres en opleiding van de verzoeker, alsmede de titel waaronder de
inschrijving is verkregen.
3.Het bureau verstrekt de aanvrager onmiddellijk na de inschrijving
in het register een bewijs van inschrijving.
Artikel 15
1.Een besluit tot weigering van inschrijving in het register wordt
niet genomen dan nadat de indiener van het verzoek tot inschrijving in
de gelegenheid is gesteld aanvullende bewijsstukken ter ondersteuning
van het verzoek over te leggen.
2.Het bureau kan bepalen dat de indiener van het verzoek in persoon
voor hem zal verschijnen. De oproeping maakt van een zodanig besluit
melding.
Artikel 16
1. Dadelijk na inschrijving in het register en voorts telkens na
verloop van een jaar is de ingeschrevene een bijdrage verschuldigd,
indien en voorzover ingevolge het bepaalde in artikel 7 hiervoor een
bedrag is vastgesteld.
2. In geval de bijdrage door middel van girale betaling is voldaan,
zendt het bureau na ontvangst van de bijdrage een bewijs van betaling
aan degene die heeft betaald.
Artikel 17
1.Het bureau haalt een inschrijving in het register door:
a. indien de inschrijving, gelet op het bij of krachtens deze
wet bepaalde, ten onrechte is geschied;
b. indien de ingeschrevene niet voldoet aan de verplichting tot
het betalen van de in artikel 16, eerste lid, bedoelde bijdrage;
c. op verzoek van de ingeschrevene;
d. na het overlijden van de ingeschrevene.
2.Een besluit tot doorhaling van de inschrijving op grond van het
bepaalde in het eerste lid, onder a, wordt niet genomen dan nadat
overeenkomstige toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 15,
eerste lid.
3.Een besluit tot doorhaling van de inschrijving op grond van het
bepaalde in het eerste lid, onder b, wordt niet genomen dan nadat vier
weken zijn is verstreken na de dag, waarop de betrokkene op zijn
verzuim en het in het eerste lid bedoelde gevolg daarvan is gewezen.
4.Elke doorhaling van een inschrijving op een der gronden, bedoeld
in het eerste lid, onder a-c, wordt onmiddellijk bekendgemaakt, onder
vermelding van hetgeen in artikel 18 is bepaald.
5.Het bureau houdt aantekening van de doorhalingen en van de data
waarop deze zijn geschied.
Artikel 18
1.Degene, van wie de inschrijving op een der in artikel 17, eerste
lid onder b en c , bedoelde gronden is doorgehaald, kan het bureau
verzoeken de doorhaling ongedaan te maken.
2.Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt geacht niet te zijn
ingediend zolang niet opnieuw het inschrijfgeld is betaald, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, en zolang niet de reeds vóór het tijdstip
van doorhaling verschuldigde, maar nog niet betaalde bijdragen,
bedoeld in artikel 16, eerste lid, zijn voldaan.
Artikel 19
1.Het bureau maakt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek,
bedoeld in artikel 18, eerste lid, de doorhaling ongedaan.
2.Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, geldt
het tijdstip waarop een doorhaling ongedaan is gemaakt als tijdstip van
inschrijving in het register.
Artikel 21
1.Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
2.Artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht is
van toepassing.
3.Voor zover een besluit inzake een aanwijzing, als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel o, 10, eerste lid, onderdeel i, 11,
eerste lid, onderdeel k, of 12, eerste lid, onderdeel h, aangemerkt
wordt als algemeen verbindend voorschrift, kan in afwijking van
artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht beroep ingesteld worden
bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Hoofdstuk V. Titelbescherming
Artikel 22
1.Tegen betaling van een vergoeding, waarvan het bedrag ingevolge
het bepaalde in artikel 7 is vastgesteld, doet het bureau aan iedere
verzoeker schriftelijk opgave of een persoon in het register staat
ingeschreven en onder welke titel.
2.Na ontvangst van de opgave, bedoeld in het eerste lid, kan de
verzoeker inzage verlangen in de stukken, die aan de inschrijving ten
grondslag liggen. De inzage geschiedt, na de indiening bij het bureau
van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek, op een door het bureau
te bepalen tijdstip ten kantore van het bureau.
Artikel 23
1.Gerechtigd tot het voeren van de titel van architect,
stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect
of een afkorting van die titel, hetzij zonder nadere aanduiding,
hetzij in woordsamenstellingen waarin de titel of een afkorting
daarvan voorkomt, is uitsluitend hij die onder deze titel in het
register staat ingeschreven.
2.Het bureau, rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die
ten doel hebben of mede ten doel hebben de behartiging van belangen
der ingeschrevenen in het register en rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid die ten doel hebben of mede ten doel hebben de
behartiging van belangen van de eindgebruikers van de goederen en
diensten der ingeschrevenen in het register kunnen in rechte vorderen
dat degene die zonder daartoe gerechtigd te zijn een titel voert als
bedoeld in het eerste lid, wordt veroordeeld zich daarvan te
onthouden.
3.Deze rechtsvordering komt mede toe aan iedere gerechtigde, als
bedoeld in het eerste lid, voorzover de titel wordt gevoerd waaronder
de gerechtigde in het register staat ingeschreven.
4.Van een rechtsvordering als bedoeld in het tweede en derde lid,
neemt de kantonrechter kennis, behoudens hoger beroep.
5.Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is niet van
toepassing met betrekking tot het voeren van de titel jachtarchitect
of nautisch architect.
Artikel 24
1.Onverminderd artikel 23, eerste lid, is degene die voldoet aan
artikel 9, eerste lid, onderdeel i, j, k, l, m of n, 10, eerste lid,
onderdeel g of h, 11, eerste lid, onderdeel i of j, of 12, eerste lid,
onderdeel f of g, gerechtigd gebruik te maken van de wettige in een
andere betrokken staat gevoerde titel of afkorting daarvan in de
officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van
die staat.
2.Het bureau kan bepalen dat bij het voeren van een titel als
bedoeld in het eerste lid, tevens de naam en de plaats van vestiging
van de instelling of de examencommissie die deze titel heeft verleend,
moet worden vermeld.
Hoofdstuk VI. Examens
Artikel 25
1.Ten minste eenmaal per jaar geeft Onze Minister die ingevolge
onderscheidenlijk de artikelen 9, eerste lid, onder g , 10, eerste
lid, onder e , 11, eerste lid, onder g , en 12, eerste lid, onder d ,
bevoegd is tot het verlenen van ontheffing, de mogelijkheid tot het
afleggen van het examen, bedoeld in die artikelen.
2.De omvang en inrichting van de examens worden vastgesteld bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur. Daarbij worden tevens
geregeld de eisen voor de toelating tot het afleggen van de examens,
alsmede die voor het verkrijgen van vrijstelling voor bepaalde
onderdelen daarvan.
3.Een krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
tweede lid, vastgesteld examenreglement, alsmede elke wijziging
daarvan, behoeft de goedkeuring van Onze ingevolge het bepaalde in het
eerste lid betrokken Minister.
4.De voordracht tot de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het tweede lid, wordt gedaan door Onze ingevolge het bepaalde in het
eerste lid betrokken Minister.
Artikel 26
1.Ten minste eenmaal per jaar stelt Onze Minister degene die
voldoet aan artikel 9, eerste lid, onder c, en die is ingeschreven in
het register, doch niet volledig voldoet aan artikel 47, tweede lid,
van de richtlijn, in de gelegenheid tot het afleggen van een examen
als bedoeld in dat artikellid van de richtlijn.
2.Artikel 25, tweede, derde en vierde lid, zijn van toepassing, met
dien verstande dat de voordracht wordt gedaan door Onze Minister.
Artikel 27
Zij die zich aan een van de in artikel 25 bedoelde examens of
bepaalde onderdelen daarvan dan wel aan het in artikel 26 bedoelde
examen wensen te onderwerpen, worden hiertoe niet toegelaten dan na
betaling van een examengeld, waarvan het bedrag ingevolge het bepaalde
in artikel 7 is vastgesteld.
Hoofdstuk VII. Bij- en nascholing
Artikel 27a
1.Behoudens het tweede lid is een architect die is ingeschreven in
het register gehouden om door middel van bij- en nascholing de
ontwikkelingen op zijn vakgebied bij te houden in ten minste 16 uur
per jaar.
2.Een architect die is ingeschreven in het register is niet
gehouden tot bij- en nascholing indien hij aan het bureau
overeenkomstig de door het bureau gestelde regels schriftelijk heeft
gemeld dat hij niet langer beroepsmatig actief is.
3.Een architect moet bereid zijn om de persoonlijk bijgehouden bij-
en nascholingsactiviteiten – achteraf en desgevraagd – aan
(potentiële) opdrachtgevers te laten zien.
4.Het bureau kan kwalitatieve beleidsregels vaststellen ter zake
van passende bij- en nascholing; de beleidsregels behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
5.Het bureau onderscheidt in het register een ingeschreven
architect die een melding heeft gedaan als bedoeld in het tweede lid
van de overige ingeschreven architecten.
Hoofdstuk VIIa. Dienstverrichting op het gebied van architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur
Artikel 27b
1.Een dienstverrichter die niet in het register is ingeschreven,
voert in Nederland uitsluitend de beroepstitel die hij voert in de
betrokken staat waar hij is gevestigd in de officiële taal van die
staat of in één van de officiële talen van die staat. Indien die
titel in de betrokken staat waar hij is gevestigd niet bestaat treedt
de dienstverrichter in Nederland op onder vermelding van de titel die
bij zijn opleiding hoort in de officiële taal van de staat waar hij
is gevestigd of in één van de officiële talen van die staat.
2.Een dienstverrichter heeft het recht gebruik te maken van
academische titels die hem zijn verleend in een andere betrokken
staat, en eventueel van de afkorting daarvan, in de officiële taal
van die staat of in één van de officiële talen van die staat.
Artikel 24, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Een dienstverrichter kan op verzoek voor de duur van de
dienstverrichting onder vermelding van die hoedanigheid als architect,
stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect
worden ingeschreven in het register. De dienstverrichter doet bij zijn
aanvraag de volgende stukken aan het bureau toekomen:
a. een verklaring dat hij op wettige wijze in zijn staat is
gevestigd om beroepsmatig werkzaamheden te verrichten op het
gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en
landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en dat hem op het
moment van afgifte van de verklaring geen verbod tot
beroepsuitoefening is opgelegd;
b. een bewijs van nationaliteit;
c. ingeval het beroep niet is gereglementeerd in zijn staat een
bewijs dat hij het betreffende beroep ten minste twee jaar
voltijds heeft uitgeoefend tijdens de tien jaar voorafgaande aan
de dienstverrichting.
4.Een ingeschreven dienstverrichter kan zijn inschrijving als
dienstverrichter telkens met een jaar verlengen.
5.Het bureau beslist binnen vier weken na ontvangst van een verzoek
als bedoeld in het derde lid.
6.De inschrijving van een dienstverrichter of de verlenging van die
inschrijving wordt geëffectueerd zodra het bureau het inschrijfgeld
heeft ontvangen, indien krachtens artikel 7, eerste lid, voor die
inschrijving of de verlenging daarvan een bedrag is vastgesteld.
Artikel 27c
1.Het bureau kan bij of aan een bestuursorgaan gegevens van een
dienstverrichter opvragen of verstrekken voor zover noodzakelijk voor
de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter
in het kader van zijn dienstverrichting.
2.Het bureau kan bij de bevoegde autoriteit van een andere
betrokken staat gegevens van een dienstverrichter opvragen voor zover
noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over
de dienstverrichter in het kader van zijn dienstverrichting.
3.Het bureau verstrekt aan de bevoegde autoriteit van een andere
betrokken staat gegevens van een in het register ingeschrevene voor
zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer
over die ingeschrevene in het kader van zijn dienstverrichting.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 42
1.Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, met uitzondering van artikel 23 dat vijf jaar nadien
in werking treedt.
2.Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de architectentitel.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1987
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E.H.T.M. Nijpels
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A.J. Evenhuis
Uitgegeven de achtentwintigste juli 1987
De Minister van Justitie a.i.
C.P. van Dijk
|