Nadere regelgeving:
- Examenbesluit Wet op de
architectentitel (vervallen)
- Nadere regeling inrichting opleidingen architect,
stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en
interieurarchitect
WET van 7 juli 1987, houdende regelen
omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin-
en landschapsarchitect en interieurarchitect
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de
wet regelen te stellen omtrent de bescherming van de titels architect,
stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect,
alsmede regelen te stellen ter uitvoering van de richtlijn van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985 inzake de onderlinge
erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied
van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking
van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij
verrichten van diensten (PbEG 1985, L 223/15);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beroepsorganisatie: rechtspersoon die ten doel heeft of mede ten doel
heeft de behartiging van belangen van architecten, stedenbouwkundigen,
tuin- en landschapsarchitecten of interieurarchitecten;
betrokken staat: lidstaat, een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
bevoegde autoriteit: bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 56
van de richtlijn;
bureau: het bureau architectenregister als bedoeld in artikel 2a,
eerste lid;
derde land: ander land dan een betrokken staat;
dienstverrichter: een persoon die op wettige wijze is gevestigd in
een andere betrokken staat en aldaar op wettige wijze het beroep van
architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect uitoefent of, ingeval dat beroep in die staat niet is
gereglementeerd, dat beroep in die staat tijdens de tien jaar
voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland ten minste twee jaar
voltijds heeft uitgeoefend, en die zich vanuit die staat naar Nederland
begeeft om er tijdelijk en incidenteel datzelfde beroep uit te oefenen;
lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
migrerende beroepsbeoefenaar:
1°. onderdaan van een betrokken staat;
2°. onderdaan van een derde land die houder is van een door een
betrokken staat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig
ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG
van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de
status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L
016), of
3°. familielid van een onderdaan van een betrokken staat, dat
onderdaan is van een derde land en dat uit hoofde van richtlijn nr.
2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en
verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de
Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229), gerechtigd is een
betrokken staat binnen te komen en er te verblijven;
ongeorganiseerde: in het register ingeschreven persoon die geen lid
is van een beroepsorganisatie;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
opleidingstitel: diploma, certificaat, of andere titel dat of die
door een daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken staat
aangewezen autoriteit is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in
een of meer betrokken staten gevolgde beroepsopleiding op het gebied van
architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of
interieurarchitectuur;
register: architectenregister als bedoeld in artikel 2;
richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning
van beroepskwalificaties (PbEU L 255).
Hoofdstuk II. Het architectenregister
Artikel 2
Er is een architectenregister, waarin op verzoek wordt ingeschreven
als architect, als stedenbouwkundige, als tuin- en landschapsarchitect
of als interieurarchitect degene, die voldoet aan de bij of krachtens
deze wet gestelde eisen.
Hoofdstuk III. Het bureau architectenregister
§ 1. Het bureau
Artikel 2a
1. Er is een bureau architectenregister. Het bureau bezit
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Den Haag.
2. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op
het bureau.
Artikel 3
1. Het bureau is belast met het beheer van het register.
2. Het bureau treedt bij de uitvoering van deze wet op als bevoegde
autoriteit. Het bureau werkt in die hoedanigheid nauw samen met de
bevoegde autoriteiten van andere betrokken staten en:
a. verstrekt aan of vraagt bij die autoriteiten gegevens op
inzake tuchtrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke sancties of
andere ernstige feiten voor zover noodzakelijk voor de beoordeling
van de rechtmatigheid van de toegang tot of de uitoefening van
werkzaamheden op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en
landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur van of door een
persoon die krachtens artikel 13 is ingeschreven in het register
of die op grond van dat artikel een verzoek tot inschrijving in
het register heeft gedaan;
b. gaat de juistheid na van de door de bevoegde autoriteit van
een andere betrokken staat verstrekte informatie als bedoeld in
onderdeel a en stelt die autoriteit in kennis van de bevindingen
en de eventueel daaraan te verbinden gevolgen;
c. ontvangt de voor de inschrijving in het register en de
erkenning van de titel van architect, stedenbouwkundige, tuin- en
landschapsarchitect of interieurarchitect noodzakelijke documenten
of informatie, verstrekt aan een in het register ingeschreven
persoon op diens verzoek afschriften van de bij de inschrijving
ontvangen documenten of een verklaring omtrent de periode waarin
de ingeschrevene geacht kan worden werkzaam te zijn geweest op
zijn vakgebied en neemt de in de richtlijn bedoelde besluiten
omtrent de erkenning van de titel die bij de opleiding behoort van
de persoon die heeft verzocht om te worden ingeschreven in het
register.
3. Het bureau verstrekt informatie over de voorschriften van de
richtlijn met betrekking tot de erkenning van beroepskwalificaties
voor architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect, over de wettelijke voorschriften met betrekking
tot de beroepsuitoefening van architect, stedenbouwkundige, tuin- en
landschapsarchitect of interieurarchitect en over de inschrijving in
een van die hoedanigheden in het register en de wettelijke gevolgen
daarvan.
4. Het bureau biedt voorts belanghebbenden ondersteuning bij de
uitoefening van hun rechten krachtens de richtlijn om in Nederland of
een andere betrokken staat op het gebied van de architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur
zelfstandig of in loondienst beroepswerkzaamheden te verrichten of op
een van die gebieden tijdelijk en incidenteel overeenkomstig de
richtlijn diensten te verrichten.
5. Het bureau informeert het door Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap ter uitvoering van artikel 57 van de richtlijn
aangewezen centrale contactpunt periodiek over de werkzaamheden die
het op grond van het derde en vierde lid heeft verricht en over het
resultaat van de door hem op grond van het vierde lid geboden
ondersteuning.
Artikel 3a
1. Voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel a, wordt,
voor zover het de verstrekking van strafrechtelijke sancties betreft,
een verklaring omtrent het gedrag aangemerkt als informatie omtrent
strafrechtelijke sancties.
2. In afwijking van artikel 33 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens wordt een aanvraag tot het afgeven van een
verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een persoon als bedoeld
in artikel 3, derde lid, onderdeel a, ingediend door een bevoegde
autoriteit uit een andere betrokken staat.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt, in afwijking
van artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens ingediend bij Onze Minister van Justitie.
4. Het bureau kan bij een bevoegde autoriteit uit een andere
betrokken staat een verzoek indienen als bedoeld in artikel 3, derde
lid, onderdeel a, mits het verzoek deugdelijk is gemotiveerd.
Artikel 3b
1. Voor de toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 34, 35 en 36
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als
aanvrager aangemerkt de persoon die krachtens artikel 13 is
ingeschreven in het register of die op grond van dat artikel een
verzoek tot inschrijving in het register heeft gedaan ten aanzien van
wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2. Onze Minister van Justitie stelt de persoon, bedoeld in het
eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt
gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 3a, tweede lid,
en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de
aanvraag.
3. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen instemming
verleent, bericht Onze Minister van Justitie dit aan de bevoegde
autoriteit uit een andere betrokken staat die de verklaring omtrent
het gedrag heeft aangevraagd.
Artikel 3c
1. Onze Minister van Justitie informeert de persoon, bedoeld in
artikel 3b, eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het
gedrag wordt gevraagd indien hij voornemens is de afgifte van de
verklaring omtrent het gedrag te weigeren.
2. Onze Minister van Justitie verstrekt de verklaring omtrent het
gedrag dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de persoon,
bedoeld in artikel 3b, eerste lid.
3. Onze Minister van Justitie stelt de bevoegde autoriteit uit een
andere betrokken staat zo spoedig mogelijk op de hoogte van de afgifte
dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag. Bij de
kennisgeving over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag
wordt de strekking van de afgegeven verklaring omtrent het gedrag
medegedeeld.
4. Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog
niet onherroepelijk is, informeert Onze Minister van Justitie de
bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat daarover.
Artikel 4
1. Het bureau betrekt de beroepsorganisaties en de
ongeorganiseerden bij de voorbereiding van de nadere eisen en regels,
bedoeld in de artikelen 12a, tweede lid, 12b, derde lid, en 12e,
tweede lid.
2. Het bureau betrekt voorts bij de voorbereiding van de regels,
bedoeld in deartikelen 12b, derde lid, en 12e, tweede lid, de
onderwijsinstellingen, bedoeld in de artikelen 9, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, 10, eerste lid, onderdelen a tot en met c,
11, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en 12, eerste lid,
onderdelen a tot en met c.
3. De regels die het bureau krachtens de artikelen 12b, derde lid,
en 12e, tweede lid, vaststelt en de nadere eisen die het bureau
krachtensartikel 12a, tweede lid, vaststelt, behoeven de goedkeuring
van Onze Minister, en ingeval de regels of nadere eisen betrekking
hebben op tuin- en landschapsarchitecten, respectievelijk
interieurarchitecten van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, respectievelijk van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap.
4. Indien het bureau toepassing geeft aan artikel 27a, derde lid,
betrekt het de beroepsorganisaties en de ongeorganiseerden bij de
voorbereiding van de in dat lid bedoelde beleidsregels. Het derde lid
is van overeenkomstige toepassing op zodanig vastgestelde
beleidsregels.
§ 2. Het bestuur
Artikel 5
1. Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden. Ingeval Onze
Minister het aantal bestuursleden op twee of drie stelt, benoemt hij
één lid tot voorzitter.
2. Een lid van het bestuur wordt voor ten hoogste vier jaar benoemd
en kan na het verstrijken van de termijn waarvoor hij is benoemd
aansluitend daarop één keer voor dezelfde periode worden herbenoemd.
3. Ingeval Onze Minister het aantal bestuursleden op twee of drie
stelt, stelt Onze Minister, behoudens spoedeisende gevallen, de
beroepsorganisaties in de gelegenheid voor één te vervullen plaats
in het bestuur een gezamenlijke voordracht te doen van ten minste drie
personen. Ingeval een bestuurslid voor herbenoeming in aanmerking
komt, kan in plaats van een voordracht van ten minste drie personen
het voorstel worden gedaan dat bestuurslid te herbenoemen.
Artikel 6
Het bestuur stelt een bestuursreglement vast.
§ 3. Financiën
Artikel 7
1. Het bureau draagt alle kosten die uit de uitvoering van de aan
hem bij deze wet opgedragen taken voortvloeien, behoudens het tweede
en derde lid.
2. De taken, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b,
derde en vierde lid, en de vaststelling van de nadere eisen, bedoeld
in artikel 12a, tweede lid, en van de regels, bedoeld in de artikelen
12b, derde lid, 12e, tweede lid, en 27a, derde lid, worden bekostigd
door Onze Minister voor zover die taken, nadere eisen of regels
betrekking hebben op architecten en stedenbouwkundigen, door Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor zover die
taken, nadere eisen of regels betrekking hebben op tuin- en
landschapsarchitecten en door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap voor zover die taken, nadere eisen of regels betrekking
hebben op interieurarchitecten.
3. Onze Minister bekostigt de taak, bedoeld in artikel 3, vijfde
lid.
Artikel 8
Het bureau stelt tarieven vast voor een vergoeding ter zake van:
a. de behandeling van een verzoek om inschrijving in het register
en de inschrijving daarin;
b. de behandeling van de aanvraag om erkenning van een
opleidingstitel of een getuigschrift als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdeel h of j,10, eerste lid, onderdeel d of f, 11,
eerste lid, onderdeel d of f, en12, eerste lid, onderdeel d of f;
c. de behandeling van een verzoek om afgifte van een certificaat
als bedoeld in artikel 12a, eerste lid;
d. de jaarlijkse instandhouding van de inschrijving in het
register;
e. het verstrekken van afschriften, bedoeld in artikel 3, tweede
lid, onderdeel c, of de in dat onderdeel bedoelde verklaring;
f. de toelating tot en het afleggen van het examen, bedoeld in
artikel 12b;
g. de behandeling van een verzoek om gehele of gedeeltelijke
vrijstelling van het doorlopen van de tweejarige
beroepservaringperiode krachtens artikel 12e, tweede lid.
Hoofdstuk IV. Beroepskwalificaties
§ 1. Opleidingseisen
Artikel 9
1. Onverminderd de overige eisen waaraan een persoon krachtens deze
wet moet voldoen om op verzoek als architect in het register te worden
ingeschreven, dient een persoon in het bezit te zijn van:
a. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
architectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde universiteit;
b. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
architectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde hogeschool;
c. een getuigschrift van een door Onze Minister aangewezen
opleiding op het gebied van architectuur met een opleidingsniveau
dat vergelijkbaar is met een opleiding als bedoeld in onderdeel a
of b;
d. een opleidingstitel op het gebied van architectuur als
bedoeld in artikel 21 van de richtlijn, dan wel van een diploma
van een opleiding als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
richtlijn, die voldoet aan de in artikel 46 van de richtlijn
gestelde eisen, vergezeld van een certificaat als bedoeld in
artikel 47, eerste lid, van de richtlijn, of, met inachtneming van
de eisen die zijn gesteld in artikel 47, tweede lid, van de
richtlijn, met goed gevolg hebben afgelegd het examen in de
architectuur ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de
in artikel 46 van de richtlijn gestelde eisen;
e. een opleidingstitel op het gebied van architectuur als
bedoeld in artikel 49, eerste lid, eerste alinea, van de
richtlijn, van een verklaring als bedoeld in artikel 49, eerste
lid, tweede alinea, van de richtlijn, of van een bevestigende
verklaring als bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de
richtlijn;
f. een opleidingstitel op het gebied van architectuur als
bedoeld in artikel 23, derde lid, eerste alinea, vierde lid,
eerste alinea, of vijfde lid, eerste alinea, van de richtlijn,
vergezeld van een verklaring als bedoeld in dat derde lid, tweede
alinea, dat vierde lid, tweede alinea, of dat vijfde lid, tweede
alinea;
g. een certificaat dat overeenkomstig artikel 48, tweede lid,
van de richtlijn door het daartoe bij of krachtens de wet in een
andere betrokken staat aangewezen bevoegd gezag is afgegeven,
inhoudende dat de betrokkene zich door de kwaliteit van zijn
prestaties op het gebied van architectuur in het bijzonder heeft
onderscheiden, zodat hij geacht wordt te voldoen aan de
voorwaarden die in die staat worden gesteld voor de uitoefening
van werkzaamheden van architect onder de beroepstitel van
architect;
h. een opleidingstitel op het gebied van architectuur, die door
het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend, mits hij
kan worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar en om
bijzondere en uitzonderlijke redenen niet voldoet aan de
minimumopleidingseisen van artikel 46, eerste lid, van de
richtlijn;
i. een in een derde land behaald of verworven diploma,
certificaat of andere titel op het gebied van architectuur, dat of
die door het daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken
staat aangewezen bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2, tweede
lid, van de richtlijn is erkend, mits hij kan worden aangemerkt
als migrerend beroepsbeoefenaar en in het bezit is van een door
dat gezag afgegeven verklaring dat hij ten minste drie jaar
beroepservaring in die staat heeft op het gebied van architectuur,
of
j. een getuigschrift op het gebied van architectuur, dat door
een daartoe bevoegde instelling in een derde land is verstrekt ter
afsluiting van een opleiding die naar het oordeel van het bureau
voldoet aan de in artikel 46 van de richtlijn gestelde eisen.
2. Een persoon kan krachtens artikel 28 of 29 als architect in het
register worden ingeschreven op grond van een ander getuigschrift dan
bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister stelt nadere regels over de inrichting welke
degene die op grond van het voldoen aan een der eisen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, b of c, inschrijving in het register wenst te
verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.
Artikel 9a [Vervallen per 15-07-2008]
Artikel 10
1. Onverminderd de overige eisen waaraan een persoon krachtens deze
wet moet voldoen om op verzoek als stedenbouwkundige te worden
ingeschreven in het register, dient een persoon in het bezit te zijn
van:
a. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
stedenbouw aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek genoemde universiteit;
b. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
stedenbouw aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek genoemde hogeschool;
c. een getuigschrift van een door Onze Minister aangewezen
opleiding op het gebied van stedenbouw met een opleidingsniveau
dat vergelijkbaar is met een opleiding als bedoeld in onderdeel a
of b;
d. een opleidingstitel op het gebied van stedenbouw, die door
het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend, mits hij
kan worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar;
e. een in een derde land behaald of verworven diploma,
certificaat of andere titel op het gebied van stedenbouw, dat of
die door het daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken
staat aangewezen bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2, tweede
lid, van de richtlijn is erkend, mits hij kan worden aangemerkt
als migrerend beroepsbeoefenaar en in het bezit is van een door
dat gezag afgegeven verklaring dat hij ten minste drie jaar
beroepservaring in die staat heeft op het gebied van stedenbouw,
of
f. een getuigschrift op het gebied van stedenbouw, dat door een
daartoe bevoegde instelling in een derde land is verstrekt en door
het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, is erkend.
2. Een persoon kan krachtens artikel 28 of 29 als stedenbouwkundige
in het register worden ingeschreven op grond van een ander
getuigschrift dan bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister stelt nadere regels over de inrichting welke
degene die op grond van het voldoen aan een der eisen bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, b of c, inschrijving in het register wenst te
verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.
Artikel 11
1. Onverminderd de overige eisen waaraan krachtens deze wet moet
worden voldaan om op verzoek als tuin- en landschapsarchitect te
worden ingeschreven in het register, dient een persoon in het bezit te
zijn van:
a. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
landschapsarchitectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
universiteit;
b. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
landschapsarchitectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde hogeschool;
c. een getuigschrift van een door Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen opleiding op het gebied van
tuin- en landschapsarchitectuur met een opleidingsniveau dat
vergelijkbaar is met een opleiding als bedoeld in onderdeel a of
b;
d. een opleidingstitel op het gebied van tuin- en
landschapsarchitectuur, die door het bureau, na een daartoe
ingesteld onderzoek, met overeenkomstige toepassing van de
artikelen 5 tot en met 13 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties is erkend, mits hij kan worden aangemerkt
als migrerend beroepsbeoefenaar;
e. een in een derde land behaald of verworven diploma,
certificaat of andere titel op het gebied van tuin- en
landschapsarchitectuur, dat of die door het daartoe bij of
krachtens wet in een andere betrokken staat aangewezen bevoegd
gezag overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de richtlijn is
erkend, mits hij kan worden aangemerkt als migrerend
beroepsbeoefenaar en in het bezit is van een door dat gezag
afgegeven verklaring dat hij ten minste drie jaar beroepservaring
in die staat heeft op het gebied van tuin- en
landschapsarchitectuur, of
f. een getuigschrift op het gebied van tuin- en
landschapsarchitectuur, dat door een daartoe bevoegde instelling
in een derde land is verstrekt en door het bureau, na een daartoe
ingesteld onderzoek, is erkend.
2. Een persoon kan krachtens artikel 28 of 29 als tuin- en
landschapsarchitect in het register worden ingeschreven op grond van
een ander getuigschrift dan bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelt
nadere regels over de inrichting welke degene die op grond van het
voldoen aan een der eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b
of c, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn
opleiding moet hebben gegeven.
Artikel 12
1. Onverminderd de overige eisen waaraan krachtens deze wet moet
worden voldaan om op verzoek als interieurarchitect te worden
ingeschreven in het register, dient een persoon in het bezit te zijn
van:
a. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
interieurarchitectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde
universiteit;
b. het getuigschrift van een masteropleiding op het gebied van
interieurarchitectuur aan een in de bijlage bij de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde hogeschool;
c. een getuigschrift van een door Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap aangewezen opleiding op het gebied van
interieurarchitectuur met een opleidingsniveau dat vergelijkbaar
is met een opleiding als bedoeld in onderdeel a of b;
d. een opleidingstitel op het gebied van interieurarchitectuur,
die door het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek, met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 tot en met 13 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend, mits hij
kan worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar;
e. een in een derde land behaald of verworven diploma,
certificaat of andere titel op het gebied van
interieurarchitectuur, dat of die door het daartoe bij of
krachtens wet in een andere betrokken staat aangewezen bevoegd
gezag overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de richtlijn is
erkend, mits hij kan worden aangemerkt als migrerend
beroepsbeoefenaar en in het bezit is van een door dat gezag
afgegeven verklaring dat hij ten minste drie jaar beroepservaring
in die staat heeft op het gebied van interieurarchitectuur, of
f. een getuigschrift op het gebied van interieurarchitectuur,
dat door een daartoe bevoegde instelling in een derde land is
verstrekt en door het bureau, na een daartoe ingesteld onderzoek,
is erkend.
2. Een persoon kan krachtens artikel 28 of 29 als
interieurarchitect in het register worden ingeschreven op grond van
een ander getuigschrift dan bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt nadere
regels over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen
aan een der eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c,
inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding
moet hebben gegeven.
§ 2. Overige kwalificaties
Artikel 12a
1. Het bureau kan, gehoord een door hem ingestelde commissie van
deskundigen, een persoon, die werkzaam is op het gebied van
architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of
interieurarchitectuur en die zich door de kwaliteit van zijn
prestaties op het betreffende gebied naar het oordeel van het bureau
in het bijzonder heeft onderscheiden, een certificaat verlenen op
grond waarvan hij zich kan doen inschrijven in het register.
2. Het bureau stelt nadere eisen vast, waaraan een ingeschrevene
moet voldoen, die onder een andere titel in het register wenst te
worden ingeschreven. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan door
een persoon, die in het register is ingeschreven op grond van een
getuigschrift als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, b of
c, 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, 11, eerste lid, onderdeel a, b
of c, of 12, eerste lid, onderdeel a, b of c.
3. De nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, hebben in ieder
geval betrekking op het aantal jaren gedurende welke de verzoeker
werkzaam is op het vakgebied waarvoor hij zich in het register wenst
in te schrijven, op de kwaliteit en kwantiteit van de door hem
geleverde prestaties op het desbetreffende vakgebied en ingeval hij
deel uitmaakt van een multidisciplinair team op de meetbaarheid van de
aan hem toe te rekenen prestaties of inbreng.
4. Het bureau hoort een door hem ingestelde commissie van
deskundigen alvorens te beslissen op een verzoek als bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 12b
1. Ten minste eenmaal per jaar geeft het bureau de gelegenheid tot
het afleggen van een examen voor architecten, stedenbouwkundigen,
tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. Het bureau
stelt voor elk van die disciplines een aparte examencommissie in.
2. Tot het afleggen van het examen, bedoeld in het eerste lid,
wordt na betaling van het examengeld, toegelaten degene die ten
genoegen van het bureau aantoont gedurende ten minste zeven jaar
werkzaam te zijn geweest op het gebied waarop hij het examen wenst af
te leggen.
3. Het bureau stelt regels vast met betrekking tot het examen,
bedoeld in het eerste lid. Die regels hebben in ieder geval betrekking
op:
a. de eisen voor de toelating tot het afleggen van het examen;
b. de omvang en de inrichting van het examen;
c. de eisen voor het verkrijgen van vrijstelling van bepaalde
onderdelen van het examen;
d. de commissie, belast met het afnemen van het examen en met
het vaststellen van de uitslag daarvan;
e. de vergoeding van de leden van de examencommissie.
4. Een persoon die met goed gevolg het examen, bedoeld in het
eerste lid, heeft afgelegd, kan op diens verzoek worden ingeschreven
in het register.
Artikel 12c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een persoon die in het bezit is van een opleidingstitel op het
gebied van architectuur als bedoeld in artikel 21 van de richtlijn, of
van een opleidingstitel als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel d, 11, eerste lid, onderdeel d, of 12, eerste lid, onderdeel
d, wordt in het register ingeschreven indien hij in de staat, waar hij
die opleidingstitel heeft behaald, gerechtigd is beroepsmatig
werkzaamheden te verrichten op het gebied van architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur
of indien hij met goed gevolg de tweejarige beroepservaringperiode,
bedoeld in artikel 12e, heeft afgesloten of een naar het oordeel van
het bureau daarmee vergelijkbare beroepservaring heeft opgedaan.
2. Een persoon die in het bezit is van een getuigschrift als
bedoeld inartikel 9, eerste lid, onderdeel j, 10, eerste lid,
onderdeel f, 11, eerste lid, onderdeel f, of 12, eerste lid, onderdeel
f, wordt in het register ingeschreven indien hij in het derde land,
waar hij dat getuigschrift heeft behaald, gerechtigd is beroepsmatig
werkzaamheden te verrichten op het gebied van architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur
of indien hij met goed gevolg de tweejarige beroepservaringperiode,
bedoeld in artikel 12e, heeft afgesloten of een naar het oordeel van
het bureau daarmee vergelijkbare beroepservaring heeft opgedaan.
Hoofdstuk IVa. Beroepservaringperiode
Artikel 12d
1. Een persoon die in het bezit is van een getuigschrift van een
opleiding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, b of c,
10, eerste lid, onderdeel a, b of c, 11, eerste lid, onderdeel a, b of
c, of 12, eerste lid, onderdeel a, b of c, waarvan de inrichting
voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid van die
artikelen, wordt op verzoek in het register ingeschreven, indien hij
met goed gevolg de tweejarige beroepservaringperiode, bedoeld in
artikel 12e, heeft afgesloten of een naar het oordeel van het bureau
daarmee vergelijkbare beroepservaring heeft opgedaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon, die in het
jaar waarin de regels, bedoeld in artikel 12e, worden bekend gemaakt
of in de twee daaropvolgende jaren het getuigschrift, bedoeld in het
eerste lid, heeft behaald.
3. Het bureau kan besluiten dat het getuigschrift van een opleiding
als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, 10, eerste lid,
onderdeel b, 11, eerste lid, onderdeel b, of 12, eerste lid, onderdeel
b, een vrijstelling oplevert van de tweejarige beroepservaringperiode,
bedoeld in artikel 12e, indien:
a. het praktijkgedeelte van die opleiding wat betreft
inrichting en inhoud vergelijkbaar is aan hetgeen daaromtrent
krachtens artikel 12e, tweede lid, is bepaald ten aanzien van de
tweejarige beroepservaringperiode;
b. geborgd is dat de persoon die in het bezit is van het
getuigschrift het praktijkgedeelte van die opleiding
overeenkomstig onderdeel a heeft gevolgd, en
c. geborgd is dat het bureau tijdig in kennis wordt gesteld van
een voornemen tot wijziging in het praktijkgedeelte.
Artikel 12e
1. De tweejarige beroepservaringperiode is gericht op het zich in
de praktijk bekwamen in de uitoefening van het beroep waarvoor met
goed gevolg een opleiding is gevolgd als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onderdeel a, b of c, 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, 11,
eerste lid, onderdeel a, b of c, of 12, eerste lid, onderdeel a, b of
c, onder begeleiding van een persoon die bij de aanvang van de
begeleiding blijkens de inschrijving in het register ten minste drie
jaar beroepsmatig werkzaam is in datzelfde beroep.
2. Het bureau stelt regels vast met betrekking tot de tweejarige
beroepservaringperiode. Die regels hebben in ieder geval betrekking
op:
a. de inrichting van die periode;
b. het niveau van kennis, inzicht en vaardigheden, waarover een
persoon als bedoeld in artikel 12d, eerste lid, in ieder geval
dient te beschikken na het doorlopen van die periode;
c. de wijze waarop die periode wordt afgesloten;
d. voorwaarden waaronder geheel of gedeeltelijk vrijstelling
kan worden verkregen van het gedurende twee jaar doorlopen van die
periode;
e. de begeleiding;
f. een voorziening in geval van een conflict tussen de
begeleider en de persoon die hij begeleidt.
Hoofdstuk IVb. Inschrijving en doorhaling in het register
Artikel 13
1. Een persoon die in het register wenst te worden ingeschreven,
dient daartoe een verzoek in bij het bureau. Een verzoek gaat
vergezeld van de stukken aan de hand waarvan het bureau de identiteit,
de opleiding en de beroepservaring van de verzoeker kan vaststellen.
2. Het bureau kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid of een
aanvraag als bedoeld in het derde lid niet in behandeling nemen indien
de krachtens artikel 8, aanhef en onderdeel a of b, vastgestelde
vergoeding niet is ontvangen.
3. Het bureau bevestigt binnen een maand de ontvangst van een
aanvraag om erkenning van een opleidingstitel als bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel h, 10, eerste lid, onderdeel d, 11, eerste
lid, onderdeel d, of 12, eerste lid, onderdeel d, of van een
getuigschrift als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, 10,
eerste lid, onderdeel f, 11, eerste lid, onderdeel f, of 12, eerste
lid, onderdeel f. Het wijst er in die bevestiging op dat het besluit
omtrent de aangevraagde erkenning gelijktijdig een besluit kan
inhouden omtrent inschrijving in het register indien de aanvrager
alsnog verzoekt om inschrijving in het register overeenkomstig het
eerste lid.
4. Indien een persoon blijkens zijn verzoek om inschrijving in het
register in het bezit is van een opleidingstitel als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel h, 10, eerste lid, onderdeel d, 11,
eerste lid, onderdeel d, of 12, eerste lid, onderdeel d, of van een
getuigschrift als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel j, 10,
eerste lid, onderdeel f, 11, eerste lid, onderdeel f, of 12, eerste
lid, onderdeel f, die of dat nog niet door het bureau is erkend, merkt
het bureau het verzoek om inschrijving tevens aan als een aanvraag om
erkenning van die opleidingstitel of dat getuigschrift. Het bureau
doet daarvan binnen een maand na de ontvangst mededeling in de
bevestiging van de ontvangst van het verzoek.
5. Het bureau neemt in een geval waarin een aanvraag om erkenning
of een verzoek om inschrijving in het register betrekking heeft op een
opleidingstitel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel h, 10,
eerste lid, onderdeel d, 11, eerste lid, onderdeel d, of 12, eerste
lid, onderdeel d, binnen drie maanden na ontvangst van alle stukken
die het nodig acht voor zijn oordeelsvorming een besluit omtrent de
erkenning.
6. Indien het bureau toepassing geeft aan artikel 11 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties houdt het het besluit
omtrent de erkenning aan overeenkomstig artikel 19, derde lid, van die
wet. Het derde en vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 14
1.Het bureau draagt zorg dat na het nemen van een besluit tot
inschrijving ten spoedigste inschrijving van de verzoeker in het
register plaatsvindt.
2.In het register worden opgenomen naam, voornamen, geboortedatum,
adres en opleiding van de verzoeker, alsmede de titel waaronder de
inschrijving is verkregen.
3.Het bureau verstrekt de aanvrager onmiddellijk na de inschrijving
in het register een bewijs van inschrijving.
Artikel 15
Het bureau kan bepalen dat de indiener van het verzoek in persoon
voor hem zal verschijnen. De oproeping maakt van een zodanig besluit
melding.
Artikel 16
1. Dadelijk na inschrijving in het register en voorts telkens na
verloop van een jaar is de ingeschrevene de krachtens artikel 8,
aanhef en onderdeel d, vastgestelde vergoeding verschuldigd.
2. In geval de bijdrage door middel van girale betaling is voldaan,
zendt het bureau na ontvangst van de bijdrage een bewijs van betaling
aan degene die heeft betaald.
Artikel 17
1. Het bureau haalt een inschrijving in het register door:
a. indien de inschrijving, gelet op het bij of krachtens deze
wet bepaalde, ten onrechte is geschied;
b. indien de ingeschrevene niet voldoet aan de verplichting tot
het betalen van de in artikel 16, eerste lid, bedoelde bijdrage;
c. op verzoek van de ingeschrevene;
d. na het overlijden van de ingeschrevene.
2. Een besluit tot doorhaling van de inschrijving op grond van het
bepaalde in het eerste lid, onder a, wordt niet genomen dan nadat
overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4:7 van de Algemene
wet bestuursrecht.
3. Een besluit tot doorhaling van de inschrijving op grond van het
bepaalde in het eerste lid, onder b, wordt niet genomen dan nadat vier
weken zijn is verstreken na de dag, waarop de betrokkene op zijn
verzuim en het in het eerste lid bedoelde gevolg daarvan is gewezen.
4. Elke doorhaling van een inschrijving op een der gronden, bedoeld
in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, wordt onmiddellijk
bekendgemaakt, onder vermelding van hetgeen in artikel 18 is bepaald.
5. Het bureau houdt aantekening van de doorhalingen en van de data
waarop deze zijn geschied.
Artikel 18
1. Degene, van wie de inschrijving op grond van artikel 17, eerste
lid, onderdeel b of c, is doorgehaald, kan het bureau verzoeken de
doorhaling ongedaan te maken.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt niet in behandeling
genomen zolang niet de krachtens artikel 8, aanhef en onderdeel a,
vastgestelde vergoeding is betaald, en zolang niet de reeds vóór het
tijdstip van doorhaling verschuldigde, maar nog niet betaalde
vergoedingen als bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdeel d, zijn
voldaan.
Artikel 19
1.Het bureau maakt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek,
bedoeld in artikel 18, eerste lid, de doorhaling ongedaan.
2.Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, geldt
het tijdstip waarop een doorhaling ongedaan is gemaakt als tijdstip van
inschrijving in het register.
Artikel 21
1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
2. Artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht is
van toepassing.
3. Voor zover een besluit inzake een erkenning als bedoeld
inartikel 9, eerste lid, onderdeel j, 10, eerste lid, onderdeel f, 11,
eerste lid, onderdeel f, of 12, eerste lid, onderdeel f, aangemerkt
wordt als algemeen verbindend voorschrift, kan in afwijking van
artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht beroep ingesteld worden
bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Hoofdstuk V. Titelbescherming
Artikel 22
1. Het bureau doet aan iedere verzoeker schriftelijk opgave of een
persoon in het register staat ingeschreven en onder welke titel.
2. Na ontvangst van de opgave, bedoeld in het eerste lid, kan de
verzoeker inzage verlangen in de stukken, die aan de inschrijving ten
grondslag liggen. De inzage geschiedt, na de indiening bij het bureau
van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek, op een door het bureau
te bepalen tijdstip ten kantore van het bureau.
Artikel 23
1. Gerechtigd tot het voeren van de titel van architect,
stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect
of een afkorting van die titel, hetzij zonder nadere aanduiding,
hetzij in woordsamenstellingen waarin de titel of een afkorting
daarvan voorkomt, is uitsluitend hij die onder deze titel in het
register staat ingeschreven.
2. Het bureau, beroepsorganisaties en rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid die ten doel hebben of mede ten doel hebben de
behartiging van belangen van de eindgebruikers van de goederen en
diensten der ingeschrevenen in het register kunnen in rechte vorderen
dat degene die zonder daartoe gerechtigd te zijn een titel voert als
bedoeld in het eerste lid, wordt veroordeeld zich daarvan te
onthouden.
3. Deze rechtsvordering komt mede toe aan iedere gerechtigde, als
bedoeld in het eerste lid, voorzover de titel wordt gevoerd waaronder
de gerechtigde in het register staat ingeschreven.
4. Van een rechtsvordering als bedoeld in het tweede en derde lid,
neemt de kantonrechter kennis, behoudens hoger beroep.
5. Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing met
betrekking tot het voeren van een titel als bedoeld in het eerste lid,
of een afkorting van die titel, hetzij zonder nadere aanduiding,
hetzij in een woordsamenstelling waarin die titel of een afkorting
daarvan voorkomt, indien degene die gebruik maakt van die titel of
afkorting geen werkzaamheden verricht die overeenkomen met
werkzaamheden die in het economisch verkeer worden verricht door een
architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect.
Artikel 23a
1. Een bureau dat werkzaam is op het gebied van architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur
is slechts gerechtigd in of bij zijn naam een titel als bedoeld in
artikel 23, eerste lid, of een afkorting van die titel, hetzij zonder
nadere aanduiding, hetzij in een woordsamenstelling waarin die titel
of een afkorting daarvan voorkomt, te voeren, indien de bestuurder van
dat bureau of ten minste de helft van de bestuurders krachtens deze
wet gerechtigd is om de desbetreffende titel te voeren.
2. Een bureau dat aan het eerste lid voldoet, is slechts gerechtigd
in of bij zijn naam een titel of afkorting als bedoeld in dat lid te
combineren met een naam van een natuurlijke persoon indien die persoon
krachtens deze wet gerechtigd is de desbetreffende titel te voeren.
3. Tegen een bureau dat handelt in strijd met het eerste of tweede
lid kan overeenkomstig artikel 23, tweede of derde lid, een vordering
worden ingesteld als bedoeld in artikel 23, tweede lid. Op die
vordering is artikel 23, vierde lid, van toepassing.
Artikel 24
1. Onverminderd artikel 23, eerste lid, is degene die voldoet aan
artikel 9, eerste lid, onderdeel d, e, f, g, h of i, 10, eerste lid,
onderdeel d of e, 11, eerste lid, onderdeel d of e, of 12, eerste lid,
onderdeel d of e, gerechtigd gebruik te maken van de wettige in een
andere betrokken staat gevoerde titel of afkorting daarvan in de
officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van
die staat.
2. Het bureau kan bepalen dat bij het voeren van een titel als
bedoeld in het eerste lid, tevens de naam en de plaats van vestiging
van de instelling of de examencommissie die deze titel heeft verleend,
moet worden vermeld.
Hoofdstuk VI. Bij- en nascholing; informatieplicht
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 27a
1. Behoudens het tweede lid is een persoon die is ingeschreven in
het register gehouden om door middel van bij- en nascholing de
ontwikkelingen op zijn vakgebied bij te houden in ten minste 16 uur
per jaar.
2. Een persoon die is ingeschreven in het register is niet gehouden
tot bij-en nascholing, indien hij:
a. is ingeschreven als dienstverrichter, of
b. op diens verzoek in het register wordt aangemerkt als niet
beroepsmatig actief.
3. Het bureau kan kwalitatieve beleidsregels vaststellen ter zake
van passende bij- en nascholing.
Artikel 27aa
Degene die is ingeschreven in het register informeert de persoon die
hem een offerte vraagt over zijn relevante deskundigheid en
vakbekwaamheid, met inbegrip van zijn bij- en nascholingsactiviteiten,
de dekking van de door hem te verrichten werkzaamheden door een
beroepsaansprakelijkheidsverzekering, diens rechten en plichten jegens
hem als opdrachtgever en de borging daarvan, alsmede over diens rechten
en plichten jegens een derde, ingeval die derde het werk heeft ontworpen
waarop de offerte betrekking heeft of werkzaamheden heeft gestaakt die
blijkens de offerte dienen te worden hervat.
Hoofdstuk VII. Dienstverrichting op het gebied van architectuur,
stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur
Artikel 27b
1. Een dienstverrichter die niet in het register is ingeschreven,
voert in Nederland uitsluitend de beroepstitel die hij voert in de
betrokken staat waar hij is gevestigd in de officiële taal van die
staat of in één van de officiële talen van die staat. Indien die
titel in de betrokken staat waar hij is gevestigd niet bestaat treedt
de dienstverrichter in Nederland op onder vermelding van de titel die
bij zijn opleiding hoort in de officiële taal van de staat waar hij
is gevestigd of in één van de officiële talen van die staat.
2. Een dienstverrichter heeft het recht gebruik te maken van
academische titels die hem zijn verleend in een andere betrokken
staat, en eventueel van de afkorting daarvan, in de officiële taal
van die staat of in één van de officiële talen van die staat.
Artikel 24, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Een dienstverrichter kan op verzoek voor de duur van de
dienstverrichting onder vermelding van die hoedanigheid als architect,
stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect
worden ingeschreven in het register. De dienstverrichter doet bij zijn
aanvraag de volgende stukken aan het bureau toekomen:
a. een verklaring dat hij op wettige wijze in zijn staat is
gevestigd om beroepsmatig werkzaamheden te verrichten op het
gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en
landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en dat hem op het
moment van afgifte van de verklaring geen verbod tot
beroepsuitoefening is opgelegd;
b. een bewijs van nationaliteit;
c. ingeval het beroep niet is gereglementeerd in zijn staat een
bewijs dat hij het betreffende beroep ten minste twee jaar
voltijds heeft uitgeoefend tijdens de tien jaar voorafgaande aan
de dienstverrichting.
4. Een ingeschreven dienstverrichter kan zijn inschrijving als
dienstverrichter telkens met een jaar verlengen.
5. Het bureau beslist binnen vier weken na ontvangst van een
verzoek als bedoeld in het derde lid.
6. De inschrijving van een dienstverrichter of de verlenging van
die inschrijving wordt geëffectueerd zodra het bureau de krachtens
artikel 8, aanhef en onderdeel a of d, vastgestelde vergoeding heeft
ontvangen.
Artikel 27c
1.Het bureau kan bij of aan een bestuursorgaan gegevens van een
dienstverrichter opvragen of verstrekken voor zover noodzakelijk voor
de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter
in het kader van zijn dienstverrichting.
2.Het bureau kan bij de bevoegde autoriteit van een andere
betrokken staat gegevens van een dienstverrichter opvragen voor zover
noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over
de dienstverrichter in het kader van zijn dienstverrichting.
3.Het bureau verstrekt aan de bevoegde autoriteit van een andere
betrokken staat gegevens van een in het register ingeschrevene voor
zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer
over die ingeschrevene in het kader van zijn dienstverrichting.
Hoofdstuk VIIa. Overgangsbepalingen
Artikel 28
1. Onverminderd de doorhaling van een inschrijving in het register
krachtens artikel 17blijft degene die in het register is ingeschreven
door de Stichting bureau architectenregister ingeschreven in het
register.
2. Een persoon van wie de inschrijving in het register door de
Stichting bureau architectenregister is doorgehaald, kan het bureau
verzoeken de doorhaling ongedaan te maken. Op dat verzoek en de
behandeling daarvan zijn de artikelen 18 tot en met 21 van toepassing.
Artikel 29
1. Een persoon kan op verzoek in het register worden ingeschreven
als architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of
interieurarchitect op grond van een ander door hem in Nederland
behaald getuigschrift dan genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel
a, b of c, 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, 11, eerste lid,
onderdeel a, b of c, 12, eerste lid, onderdeel a, b of c, indien:
a. hij dat getuigschrift in zijn bezit had op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I, onderdelen H, I, J en K, van de
wet tot wijziging van de Wet op de architectentitel
(beroepservaring, bij- en nascholingsregeling voor
stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en
interieurarchitecten, wijzigingen in verband met de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, alsmede enige andere wijzigingen),
en
b. dat getuigschrift op de dag voorafgaand aan het tijdstip,
bedoeld in onderdeel a, recht gaf op inschrijving in het register.
2. Artikel 13, eerste en tweede lid, is van toepassing op een
verzoek als bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd de overige eisen waaraan krachtens deze wet moet
worden voldaan om op verzoek als interieurarchitect te worden
ingeschreven in het register, kan een persoon op zijn verzoek in het
register worden ingeschreven op grond van een ander getuigschrift dan
genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, b of c, indien:
a. hij daarvoor in Nederland een opleiding volgde op het
tijdstip, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en
b. dat getuigschrift op de dag voorafgaand aan het tijdstip,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, recht gaf op inschrijving
in het register.
Artikel 30
Een persoon die op het tijdstip, bedoeld in artikel 28, eerste lid,
of die daarna krachtens artikel 29, eerste lid, in het register is
ingeschreven als architect, stedenbouwkundige of tuin- en
landschapsarchitect kan een overeenkomstig verzoek doen als bedoeld in
artikel 12a, tweede lid, indien hij voldoet aan de krachtens dat lid
gestelde nadere eisen.
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 42
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, met uitzondering van artikel 23 dat vijf jaar nadien
in werking treedt.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de architectentitel.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1987
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E.H.T.M. Nijpels
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A.J. Evenhuis
Uitgegeven de achtentwintigste juli 1987
De Minister van Justitie a.i.
C.P. van Dijk
|