Nadere regelgeving:
- Besluit aanvaarding
functie door SER-leden en bestuursleden product- en (hoofd)bedrijfschappen
- Besluit organisaties gerechtigd tot benoeming SER-leden
- Instellingsbesluit Akkerbouwproductschappen
- Instellingsbesluit Bedrijfschap Afbouw
- Instellingsbesluit
Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Aardappelen
- Instellingsbesluit
Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit
- Instellingsbesluit Bedrijfschap Horeca en Catering
- Instellingsbesluit Bedrijfschap Vleeswarenindustrie
- Instellingsbesluit Bosschap
- Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel
- Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Ambachten
- Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Detailhandel
- Instellingsbesluit Productschap Dranken
- Instellingsbesluit Productschap Margarine, Vetten en Oliën
- Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren
- Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw
- Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees
- Instellingsbesluit Productschap Vis
- Instellingsbesluit Productschap Zuivel
WET van 27 januari 1950 tot toepassing
ten aanzien van het bedrijfsleven van de artikelen 80 en 152 tot en met
154 van de Grondwet
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten
aanzien van het bedrijfsleven toepassing te geven aan de artikelen 80 en
152 tot en met 154 van de Grondwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste hoofdstuk. Van de Sociaal-Economische Raad
Titel I. Van de zetel en de taak
Artikel 1
1.Er is een Sociaal-Economische Raad, hierna genoemd Raad.
2.De Raad heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.
3.De Raad is rechtspersoon.
Artikel 2
De Raad heeft, onverminderd de hem bij de vijfde titel van dit
hoofdstuk opgedragen adviserende functie, tot taak een het algemeen
belang dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven te bevorderen,
alsmede het belang van het bedrijfsleven en de daartoe behorende
personen te behartigen.
Titel II. Van de samenstelling en inrichting
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 3
De Raad heeft een voorzitter, een dagelijks bestuur, een algemeen
secretaris en, bij toepassing van artikel 19, een of meer commissies uit
zijn midden.
§ 2. Van de Raad
Artikel 4
1.De Raad bestaat uit ten minste dertig en ten hoogste vijf en
veertig leden.
2.Van de leden worden ten minste twee derden benoemd door de door
Ons aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers en de
overige door Ons. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar Ons
oordeel algemeen erkende centrale en andere representatieve
organisaties van ondernemers en naar Ons oordeel algemeen erkende
centrale organisaties van werknemers.
3.Voor elk lid kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd.
4.Door organisaties van werknemers worden evenveel leden benoemd
als door organisaties van ondernemers.
5.Door Ons wordt bepaald:
a. het aantal leden van de Raad;
b. het aantal leden, dat elke door Ons aangewezen organisatie
kan benoemen.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de benoeming van de leden en hun
plaatsvervangers.
7.De Raad wordt gehoord, alvorens Ons een voordracht tot aanwijzing
van een organisatie, als bedoeld in het tweede lid, of tot een
besluit, als bedoeld in het vijfde lid, wordt gedaan.
Artikel 5
1.Lid of plaatsvervangend lid van de Raad kunnen alleen zijn zij
die niet van de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift
uitgeschreven verkiezingen zijn ontzet, noch van de uitoefening van
het kiesrecht bij zodanige verkiezingen zijn uitgesloten.
2.Van het lidmaatschap zijn uitgesloten zij, die zijn ontzet van
het recht ambten of bepaalde ambten te bekleden, dan wel bepaalde
beroepen of functies uit te oefenen.
Artikel 6
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de Raad met
andere werkzaamheden.
2.Binnen twee maanden na afkondiging van een algemene maatregel van
bestuur, als bedoeld bij het voorgaande lid, wordt aan de
Staten-Generaal een voorstel gedaan om deze bij de wet te
bekrachtigen. Indien het voorstel wordt teruggenomen of door een van
de Kamers van de Staten-Generaal verworpen, wordt de algemene
maatregel van bestuur terstond ingetrokken.
Artikel 7
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter
verzekering van de naleving van het bepaalde in artikel 5 en de
krachtens artikel 6 gestelde regelen.
Artikel 8
1.De leden van de Raad en hun plaatsvervangers treden om de twee
jaren tegelijk af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.
2.De leden van de Raad en hun plaatsvervangers kunnen te allen
tijde ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan de
voorzitter van de Raad.
3.Hij, die tot lid of plaatsvervangend lid is benoemd ter
vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het
tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is benoemd, had moeten
aftreden.
Artikel 9
De leden van de Raad en hun plaatsvervangers kunnen een vergoeding
genieten volgens regelen, door de Raad bij verordening te stellen.
Artikel 10
De leden van de Raad en hun plaatsvervangers zijn verplicht tot
geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen, welke zij in hun
hoedanigheid vernemen, en voorts van alle aangelegenheden, ten aanzien
waarvan de Raad of de voorzitter geheimhouding heeft opgelegd, of
waarvan zij het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen.
§ 3. Van de voorzitter
Artikel 11
1.De voorzitter wordt door Ons uit de leden van de Raad benoemd en
kan door Ons worden geschorst en ontslagen. De Raad wordt gehoord,
alvorens Ons een voordracht tot benoeming of ontslag wordt gedaan.
2.De voorzitter heeft twee plaatsvervangers, die door de Raad uit
zijn midden worden benoemd en door deze kunnen worden geschorst en
ontslagen.
3.De benoeming van de plaatsvervangende voorzitters geschiedt in
dier voege, dat uit elk van de groepen: leden, benoemd door
organisaties van ondernemers, leden, benoemd door organisaties van
werknemers, en overige leden, met uitzondering van de groep, waaruit
de voorzitter is benoemd, een hunner wordt benoemd.
Artikel 12
1.De benoeming van de voorzitter en de plaatsvervangende
voorzitters geschiedt telkens voor ten hoogste twee jaren. Zij zijn
terstond weder benoembaar.
2.De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen
tijde als zodanig ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving
aan Ons, onderscheidenlijk aan de voorzitter.
Artikel 13
De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van de voorzitter en de
plaatsvervangende voorzitters van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Van het dagelijks bestuur
Artikel 14
1.Behoudens het bepaalde in het volgende lid benoemt de Raad uit
zijn midden de leden van het dagelijks bestuur.
2.De voorzitter van de Raad is lid en voorzitter, de
plaatsvervangende voorzitters zijn lid van het dagelijks bestuur.
3.Het dagelijks bestuur wordt zodanig samengesteld, dat het een
afspiegeling vormt van de samenstelling van de Raad.
Artikel 15
De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van het dagelijks bestuur van
overeenkomstige toepassing.
§ 5. Van het secretariaat
Artikel 16
1.De Raad heeft een secretariaat, dat bestaat uit een algemeen
secretaris, een of meer secretarissen en ander personeel.
2.De algemeen secretaris en de secretarissen worden in dienst
genomen en kunnen worden ontslagen door de Raad.
3.Het personeel is in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht.
Artikel 17
1.De algemeen secretaris en de secretarissen kunnen noch zelf een
onderneming drijven, noch in dienst zijn van een natuurlijke of
rechtspersoon, die een onderneming drijft, noch enige andere functie
ten behoeve van zulk een natuurlijke of rechtspersoon vervullen,
tenzij naar het oordeel van de Raad daardoor een goede vervulling van
hun functie niet wordt belemmerd. Onder onderneming wordt mede
verstaan een bedrijf, waarmede niet wordt beoogd het maken van winst.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld omtrent de onverenigbaarheid van een functie bij het
secretariaat met andere werkzaamheden.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
ter verzekering van de naleving van het bepaalde in het eerste lid en
de krachtens het tweede lid gestelde regelen.
Artikel 18
Artikel 10 is ten aanzien van het personeel van het secretariaat van
overeenkomstige toepassing.
§ 6. Van de commissies uit het midden van de Raad
Artikel 19
1.De Raad is bevoegd voor bepaalde onderwerpen commissies uit zijn
midden in te stellen.
2.De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van deze commissies van
overeenkomstige toepassing.
Titel III. Van de werkwijze
Artikel 20
De Raad vergadert niet, indien blijkens de presentielijst niet meer
dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen. Nadat tweemaal
tot een vergadering is opgeroepen, zonder dat meer dan de helft van de
zitting hebbende leden is opgekomen, wordt de daarna uitgeschreven
vergadering gehouden, ongeacht het aantal opgekomen leden.
Artikel 21
De leden van de Raad zijn niet gerechtelijk vervolgbaar voor hetgeen
zij in de vergaderingen hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben
overgelegd.
Artikel 22
De leden van de Raad stemmen zonder last of ruggespraak.
Artikel 23
De leden van de Raad onthouden zich van medestemmen over zaken, die
hun, hun echtgenoten of hun geregistreerde partners of hun bloed- of
aanverwanten tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan.
Artikel 24
1.Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping, over
personen bij gesloten en ongetekende briefjes gestemd.
2.Indien bij het nemen van een besluit over een zaak geen der leden
stemming vraagt, wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.
Artikel 25
1.Een stemming is nietig, indien niet meer dan de helft van het
aantal zitting hebbende leden, die zich niet van medestemmen moeten
onthouden, aan de stemming heeft deelgenomen.
2.Bij stemming over personen worden leden, die blanco briefjes
hebben ingeleverd, voor de toepassing van dit artikel geacht aan de
stemming te hebben deelgenomen.
3.In geval van een nietige stemming vindt in een volgende
vergadering herstemming plaats. Deze is geldig, ongeacht het aantal
leden, dat er aan heeft deelgenomen.
4.Een stemming, gehouden in een vergadering, als bedoeld in de
tweede volzin van artikel 20, is geldig, ongeacht het aantal leden,
dat aan de stemming heeft deelgenomen.
Artikel 26
1.Ieder lid kan één stem uitbrengen.
2.Voor de vaststelling van een verordening is een meerderheid van
twee derden, voor het tot stand komen van een ander besluit de
volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist. Blanco
stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.
Artikel 27
1.Bij staking van stemmen in een voltallige vergadering wordt,
indien het zaken betreft, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen,
en beslist, indien het personen betreft, het lot.
2.Bij staking van stemmen in een andere dan een voltallige
vergadering wordt het nemen van een besluit tot een volgende
vergadering uitgesteld, waarin de beraadslagingen kunnen worden
heropend. Indien de stemmen dan opnieuw staken, is het voorgaande lid
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28
1.Onze Ministers zijn bevoegd de door de Raad en de commissies uit
zijn midden te houden vergaderingen bij te wonen en zich daarin door
een of meer door hen aan te wijzen personen te doen bijstaan, dan wel
zich daarin door een of meer zodanige personen te doen
vertegenwoordigen. Zowel zij als hun vertegenwoordigers hebben in deze
vergaderingen een raadgevende stem.
2.Aan Onze Ministers wordt tijdig kennis gegeven van de in dat lid
bedoelde vergaderingen.
Artikel 29
De artikelen 20 tot en met 27 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het dagelijks bestuur.
Artikel 30
De Raad vraagt de adviezen, welke hij voor de vervulling van zijn
taak nodig acht.
Artikel 31
De Raad kan bij verordening nadere regelen stellen betreffende zijn
werkwijze.
Titel IV. Van de vervulling van de taak
Artikel 32
1.De Raad maakt ten aanzien van de onderwerpen, waarvan de regeling
of nadere regeling bij de wet aan hem is overgelaten, de
verordeningen, die hij ter vervulling van zijn in artikel 2 omschreven
taak nodig oordeelt.
2.Bij deze verordeningen kunnen overtredingen van het bij of
krachtens haar bepaalde worden aangewezen als strafbare feiten.
Artikel 33
De wet bepaalt, voor wie de verordeningen, bedoeld in artikel 32,
eerste lid, bindende regelen kunnen inhouden.
Artikel 34 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 35
De Raad kan met betrekking tot de vervulling van zijn in artikel 2
omschreven taak, bij verordening zijn bevoegdheden - met uitzondering
van de bevoegdheid tot het maken van verordeningen en die tot het
vaststellen ingevolge artikel 52, derde lid, van het bedrag der
inkomsten en uitgaven -, delegeren aan de voorzitter, het dagelijks
bestuur of een commissie uit zijn midden.
Artikel 36
De Raad verleent de bij of krachtens een wet tot uitvoering daarvan
gevorderde medewerking. Tot de gevorderde medewerking kan mede behoren
het stellen van nadere regelen bij verordening.
Artikel 37
Tenzij het voorschrift, waarbij de medewerking wordt ingeroepen,
anders bepaalt, kan de Raad bij verordening zijn bevoegdheden,
voortvloeiend uit de gevorderde medewerking, met uitzondering van het
stellen van nadere regelen bij verordening, delegeren aan een commissie
uit zijn midden.
Artikel 38
1. Tenzij naar zijn oordeel dringende redenen zich daartegen
verzetten, geeft de Raad kennis van de ontwerpen van verordeningen
welke algemeen bindende regelen inhouden, in het vanwege de Raad
uitgegeven Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie en geeft hij gedurende
vier weken gelegenheid daartegen schriftelijk bedenkingen aan te
voeren.
2. Over de vaststelling van verordeningen beraadslaagt en beslist
de Raad in het openbaar.
3. Verordeningen van de Raad als bedoeld in het eerste lid en in
artikel 47, worden bekendgemaakt in het vanwege de Raad op een
algemeen toegankelijke wijze uit te geven Verordeningenblad
Bedrijfsorganisatie. Het Verordeningenblad kan elektronisch worden
uitgegeven. Na de elektronische uitgifte blijft het Verordeningenblad
elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde
in de tweede en derde volzin nadere regels gesteld. Indien de
verordeningen goedkeuring behoeven, geschiedt de bekendmaking niet dan
nadat deze is verleend. Het besluit waarbij de goedkeuring is verleend
wordt bij de bekendmaking vermeld. De verordeningen treden, indien zij
niet anders bepalen, in werking met ingang van de dag na die van de
bekendmaking.
4. Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven de
goedkeuring van Onze betrokken Ministers.
5. Indien elektronische uitgifte van het Verordeningenblad op de in
het derde lid voorziene wijze geheel of gedeeltelijk onmogelijk is,
voorziet de Raad in een vervangende uitgave.
6. Voor het inzien van een overeenkomstig het derde of vijfde lid
bekendgemaakte verordening worden geen kosten in rekening gebracht.
Artikel 38a
1. De teksten van verordeningen als bedoeld in artikel 38, eerste
lid, zijn in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar door
middel van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen algemeen
toegankelijk elektronisch medium.
2. Een geconsolideerde tekst van een verordening die op grond van
het eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien de
verordening na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
regels stellen over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde
teksten beschikbaar worden gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
categorieën van verordeningen worden aangewezen, waarop het eerste
lid niet van toepassing is.
Artikel 39
De voorzitter vertegenwoordigt de Raad in en buiten rechte.
Artikel 40
De Raad dient desgevraagd Onze Ministers van bericht over alle
aangelegenheden de Raad betreffende.
Titel V. Van de adviezen van de Raad
Artikel 41
De Raad adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Ministers of van
een van beide Kamers der Staten-Generaal en kan Onze Ministers uit eigen
beweging adviseren over de uitvoering van deze wet en andere
aangelegenheden van sociale of economische aard. Indien Onze Ministers
de Raad advies vragen, geven zij daarbij aan binnen welke termijn het
advies wordt verwacht. Artikel 20, tweede, vijfde en zesde lid, alsmede
artikel 23, van de Kaderwet adviescolleges is voor de toepassing van
deze titel niet van toepassing.
Artikel 42
1.De Raad kan commissies, waarin ook personen buiten de Raad
zitting kunnen hebben, instellen ter voorbereiding van door hem uit te
brengen adviezen.
2.De artikelen 9, 10 en 28 zijn ten aanzien van deze commissies van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
1.In afwijking van de Kaderwet adviescolleges stelt de Raad, op
verzoek van Onze betrokken Ministers, commissies ter behandeling van
bepaalde onderwerpen in. De samenstelling van deze commissies, waarin
ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, geschiedt in
overleg met Onze Ministers.
2.De Raad legt desgevraagd bij zijn advies dat van een
overeenkomstig het voorgaande lid ingestelde commissie over.
3.Indien Onze betrokken Ministers het advies van een zodanige
commissie hebben gevraagd, brengt zij dit rechtstreeks aan hen uit.
Van het advies wordt kennis gegeven aan de Raad.
4.De artikelen 9, 10 en 28 zijn ten aanzien van deze commissies van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
De Raad kan de commissies, bedoeld in de artikelen 42 en 43,
machtigen namens hem van advies te dienen. Zodanige machtiging wordt
niet verleend voor een op verzoek van een Onzer Ministers uit te brengen
advies, waarvan deze bepaaldelijk heeft verzocht, dat het door de Raad
zelf wordt uitgebracht.
Artikel 45
1.De adviezen van de Raad en zijn commissies worden opgesteld
overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid der vergadering.
2.In de adviezen wordt van afwijkende gevoelens van de minderheid
desverlangd melding gemaakt.
3.De leden zijn bevoegd minderheidsnota’s bij het advies te
voegen, indien het daarin uitgesproken gevoelen is verdedigd in de
vergadering, waarin het uit te brengen advies werd behandeld.
Titel VI. Van de geldmiddelen
§ 1. Van de begroting
Artikel 46
1.Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks voor 1 October aan de Raad
een begroting der inkomsten en uitgaven in het komende kalenderjaar
aan, vergezeld van de nodige toelichting en bescheiden.
2.De begroting wordt, zodra zij is aangeboden, ten kantore van het
secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling
der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
3.Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare
kennisgeving, welke tenminste twee weken voorafgaat aan de behandeling
der begroting in de Raad.
Artikel 47
De begroting wordt bij verordening vastgesteld door de Raad en
behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Artikel 48
1.De door de Raad vastgestelde begroting wordt Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 15 November ter goedkeuring
aangeboden.
2.Indien zij niet voor de aanvang van het jaar, waarvoor zij moet
dienen, is goedgekeurd, kan de Raad door Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid worden gemachtigd uitgaven te doen uit die
posten, alsmede die inkomsten te innen, waartegen bij Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen bedenking bestaat.
Artikel 49
1.Indien de Raad weigert de hem bij de wet opgelegde uitgaven op de
begroting te brengen, geschiedt dit door Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
2.Indien in dat geval de geraamde inkomsten niet toereikend zijn en
de Raad weigert nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de
overige niet bij de wet aan de Raad opgelegde uitgaven door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zodanige reden
verminderd, dat tussen de inkomsten en uitgaven evenwicht is.
Artikel 50 [Vervallen per 01-10-1992]
§ 2. Van het beheer en de rekening en verantwoording
Artikel 51
Het dagelijks bestuur beheert het vermogen en de inkomsten en
uitgaven van de Raad, met dien verstande, dat de Raad ter zake bij
verordening regelen kan stellen.
Artikel 52
1.Het dagelijks bestuur doet aan de Raad rekening en verantwoording
van het beheer over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van
de rekening der inkomsten en uitgaven.
2.De rekening wordt, met alle daarbij behorende bescheiden en met
vermelding van hetgeen het dagelijks bestuur tot zijn verantwoording
dienstig acht, aan de Raad overgelegd binnen zes maanden na afloop van
het jaar, waarop zij betrekking heeft. Zij wordt ten kantore van het
secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling
der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de nederlegging en
verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving, welke ten minste
twee weken voorafgaat aan de beraadslagingen, bedoeld in het derde
lid.
3.De Raad onderzoekt de rekening en stelt het bedrag der inkomsten
en uitgaven vast. De beraadslagingen en de stemming geschieden in het
openbaar. De leden van het dagelijks bestuur kunnen bij de
beraadslagingen tegenwoordig zijn, doch onthouden zich van
medestemmen.
4.Het besluit van de Raad behoeft de instemming van Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
5.De instemming van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid strekt, voor zover het de inkomsten en uitgaven
betreft waarmee is ingestemd, tot décharge van het dagelijks bestuur,
behoudens in geval van later gebleken valsheid in bewijsstukken of
andere onregelmatigheden.
Artikel 53
De Raad is verplicht aan Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de door hem aangewezen deskundigen alle door hen met
betrekking tot de inkomsten en uitgaven gevraagde inlichtingen te
verstrekken en desgevraagd inzage in de boeken te geven.
§ 3. Van de inkomsten
Artikel 54
1. De middelen tot dekking van de bij de begroting toegestane
uitgaven worden verkregen door opslagen te heffen op bedragen, welke
krachtens artikel 49 van de Handelsregisterwet 2007 verschuldigd zijn.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen op voordracht van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid categorieën van
ondernemingen of rechtspersonen worden aangewezen waarvoor het eerste
lid, niet geldt.
Artikel 55
1. De Raad stelt jaarlijks bij verordening het aantal opslagen, als
bedoeld in het voorgaande artikel, eerste lid, vast. De Kamers van
Koophandel en Fabrieken innen deze opslagen voor de Raad tegelijk met
en op dezelfde wijze als de haar krachtens artikel 49 van de
Handelsregisterwet 2007 verschuldigde bedragen.
2. De verordening, bedoeld in het eerste lid, behoeft de
goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Titel VII. Van het toezicht op de Raad
Artikel 56
1.Indien een verordening of een ander besluit van de Raad Onze
goedkeuring of die van Onze betrokken ministers behoeft, kan de
goedkeuring worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
2.Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring
of een besluit tot verdaging van goedkeuring heeft niet tot gevolg dat
een besluit tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 58
De besluiten van de Raad, de voorzitter, het dagelijks bestuur en de
commissies uit het midden van de Raad kunnen bij koninklijk besluit
worden vernietigd.
Artikel 59
Het koninklijk besluit tot vernietiging of tot schorsing, dan wel tot
verlenging of opheffing van een schorsing wordt in het Staatsblad
geplaatst.
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 65
1. De Raad brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze Ministers verslag
uit omtrent zijn werkzaamheden en die van de commissies, bedoeld in de
artikelen 19, 42 en 43, in het afgelopen kalenderjaar.
2. Gelijktijdig brengt de Raad verslag uit van zijn bevindingen bij
de uitoefening van het hem bij het tweede hoofdstuk opgedragen
toezicht.
3. Beide verslagen worden, tegen betaling van de kosten, algemeen
verkrijgbaar gesteld.
4. De Raad houdt de verslagen gedurende ten minste twee jaren op
elektronische wijze ter inzage.
Tweede hoofdstuk. Van de bedrijfslichamen
Titel I. Van de instelling en de taak
Artikel 66
1.Voor twee of meer groepen van ondernemingen, die in het
bedrijfsleven een verschillende functie vervullen ten aanzien van
bepaalde produkten of groepen van produkten, kunnen openbare lichamen
worden ingesteld, hoofdproduktschappen of produktschappen genaamd.
2.Voor ondernemingen, die in het bedrijfsleven een gelijke of
verwante functie vervullen, kunnen openbare lichamen worden ingesteld,
hoofdbedrijfschappen of bedrijfschappen genaamd.
3.Onder onderneming wordt mede verstaan een bedrijf, waarmede niet
wordt beoogd het maken van winst.
4.Hoofdprodukt-, produkt-, hoofdbedrijf- en bedrijfschappen kunnen
in deze wet en in andere wetten, alsmede in de daarop berustende
bepalingen, gezamenlijk worden aangeduid als: bedrijfslichamen.
Artikel 67
De instelling van een bedrijfslichaam geschiedt, op voordracht van
Onze betrokken Ministers, bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 68
1.Behoudens indien de Raad eigener beweging advies heeft
uitgebracht wordt hij in de gelegenheid gesteld over het voornemen van
Onze betrokken Ministers tot het bevorderen van de instelling van een
bedrijfslichaam of tot wijziging van een instellingsbesluit van advies
te dienen binnen een door hen te bepalen termijn.
2.Voordat hij advies uitbrengt inzake een instellingsbesluit of een
wijziging daarvan, hoort de Raad de naar zijn oordeel representatieve
organisaties van de betrokken ondernemers en van de betrokken
werknemers. Ten minste acht weken voor het uitbrengen van zijn advies
geeft de Raad van zijn voornemen daartoe openbaar kennis.
3.Bij zijn advisering over de instelling van een bedrijfslichaam of
over de wijziging van de werkingssfeer van een bedrijfslichaam geeft
de Raad aan of daarvoor naar zijn oordeel voldoende draagvlak bestaat
onder de betrokken ondernemers.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van de wijze van advisering door de Raad
als bedoeld in het derde lid.
Artikel 69
1.Een bedrijfslichaam onderzoekt, door middel van een
representatieve steekproef, elke vier jaar of er voldoende draagvlak
voor hem bestaat onder de ondernemers die onder zijn werkingssfeer
vallen.
2.Het bedrijfslichaam brengt de resultaten van het onderzoek en de
conclusies die het daaraan verbindt, ter kennis van de Raad, die deze,
vergezeld van zijn advies stuurt aan Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
3.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in voorkomend
geval in overeenstemming met Onze andere betrokken Minister of
Ministers kan, indien de resultaten van het onderzoek naar zijn
oordeel daartoe aanleiding geven, bepalen dat het onderzoek binnen
twee jaar wordt herhaald. Het tweede lid is op dit herhaalde onderzoek
van toepassing.
4.De Raad houdt toezicht op de uitvoering van de in dit artikel
bedoelde onderzoeken.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over de uitvoering van het in dit artikel
bedoelde onderzoek, de wijze van openbaarmaking van de resultaten en
van de conclusies die daaraan worden verbonden en de wijze waarop de
Raad daarop toezicht houdt.
6.De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 70
1.De opheffing van een bedrijfslichaam geschiedt, op voordracht van
Onze betrokken Ministers, bij algemene maatregel van bestuur. Artikel
68, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Een algemene maatregel van bestuur, houdende opheffing van een
bedrijfslichaam, houdt tevens de voorzieningen in, die in verband met
de opheffing nodig zijn. Deze voorzieningen kunnen ook het vermogen
van het opgeheven lichaam betreffen.
Artikel 70A
1.Indien bij de instelling van een bedrijfslichaam een bestaand
bedrijfslichaam opnieuw wordt ingesteld dan wel meer bestaande
bedrijfslichamen worden samengevoegd, wordt in het instellingsbesluit,
dan wel in een besluit tot opheffing van de bestaande bedrijfslichamen
geregeld:
a. welke bedrijfslichamen worden opgeheven en welke regelingen
tot instelling van een bedrijfslichaam worden ingetrokken;
b. welke verordeningen van de bestaande bedrijfslichamen dan
wel van een lichaam als bedoeld in artikel 110 van kracht blijven
en tot welk tijdstip;
c. de overgang van personeel van de bestaande bedrijfslichamen
naar het nieuwe bedrijfslichaam en de rechtspositie daarvan;
d. de overgang van rechten, verplichtingen,
vermogensbestanddelen en archiefbescheiden van de bestaande
bedrijfslichamen naar het nieuwe bedrijfslichaam;
e. op welke wijze wettelijke procedures en rechtsgedingen,
waarbij de bestaande bedrijfslichamen zijn betrokken, worden
afgehandeld;
f. de toerekening van besluiten, genomen door de bestaande
bedrijfslichamen, aan het nieuwe bedrijfslichaam;
g. welke medebewindstaken van de bestaande bedrijfslichamen
door het nieuwe bedrijfslichaam worden uitgeoefend.
2.Indien een bedrijfslichaam wordt ingesteld of opgeheven en
daarbij registerzaken overgaan, moet de overgang van die registerzaken
onverwijld worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in de
afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel
24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van
toepassing.
Artikel 71
De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende
bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld,
te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die
ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.
Titel II. Van de samenstelling en inrichting
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 72
1.De bedrijfslichamen hebben een bestuur, een voorzitter en een
dagelijks bestuur, alsmede, bij toepassing van artikel 88, een of meer
commissies uit het midden van het bestuur en, bij toepassing van
artikel 88a, een of meer andere organen.
2.Waar in deze wet sprake is van de organen van de
bedrijfslichamen, worden de in het voorgaande lid genoemde organen
bedoeld.
§ 2. Van het bestuur
Artikel 73
1.Van het bestuur van een bedrijfslichaam worden door organisaties
van ondernemers evenveel leden benoemd als door organisaties van
werknemers, tenzij bij het instellingsbesluit vanwege bijzondere
omstandigheden anders is bepaald.
2.Het instellingsbesluit bepaalt hoeveel bestuursleden door
organisaties van ondernemers en hoeveel bestuursleden door
organisaties van werknemers benoemd kunnen worden, met dien verstande
dat het totale aantal bestuursleden ten minste zes bedraagt.
Artikel 74
1.De Raad wijst tijdig voor de aanvang van een nieuwe
zittingsperiode van het bestuur van een bedrijfslichaam bij besluit de
organisaties van ondernemers en van werknemers aan, die gerechtigd
zijn tot het benoemen van de leden van dat bestuur onder bepaling van
het aantal leden, dat per organisatie benoemd kan worden. Voor die
aanwijzing komen slechts in aanmerking naar het oordeel van de Raad
representatieve organisaties van de betrokken ondernemers en
werknemers, welke verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid dienen
te zijn; de Raad stelt bij verordening regels inzake de
representativiteit.
2.De aangewezen organisaties zijn bevoegd voor elk bestuurslid dat
zij benoemen tevens een plaatsvervanger te benoemen.
3.De Raad kan bij verordening regelen vaststellen omtrent de
aanvaarding door de bestuursleden en hun plaatsvervangers van hun
functie.
4.Een verordening als bedoeld in het eerste en het derde lid
behoeft de goedkeuring van Onze betrokken Ministers.
Artikel 75
1.Lid of plaatsvervangend lid van het bestuur van een
bedrijfslichaam kunnen alleen zijn zij die niet van de verkiesbaarheid
bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen zijn
ontzet, noch van de uitoefening van het kiesrecht bij zodanige
verkiezingen zijn uitgesloten.
2.De artikelen 5, tweede lid, 6, 7 en 10 zijn ten deze van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 76
1.Tenzij het instellingsbesluit anders bepaalt treden de
bestuursleden en hun plaatsvervangers om de twee jaren tegelijk af.
Zij kunnen terstond opnieuw worden benoemd.
2.De bestuursleden en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde
ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan het bestuur
van het betrokken lichaam.
3.Hij, die tot bestuurslid of plaatsvervangend bestuurslid is
benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt
af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is benoemd, had
moeten aftreden.
Artikel 77
De bestuursleden van een bedrijfslichaam en hun plaatsvervangers
kunnen ten laste van dat lichaam een vergoeding genieten volgens
regelen, door het bestuur van dat lichaam bij verordening te stellen.
Zodanige verordening behoeft de goedkeuring van de Raad.
§ 3. Van de voorzitter
Artikel 78
1.De voorzitter van een bedrijfslichaam wordt bij koninklijk
besluit, al dan niet uit het bestuur, benoemd, geschorst en ontslagen.
Het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam wordt in de gelegenheid
gesteld van zijn oordeel terzake te doen blijken.
2.De benoeming van de voorzitter geschiedt telkens voor de duur van
de zittingsperiode van het bestuur dan wel voor het resterende deel
van die duur. Hij kan terstond weer opnieuw worden benoemd.
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 80
1.Het bestuur van een bedrijfslichaam kan uit zijn midden een of
meer plaatsvervangende voorzitters benoemen. Zij kunnen door het
bestuur worden geschorst en ontslagen.
2.De plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen tijde als
zodanig ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan de
voorzitter.
Artikel 81
De artikelen 5, 6, 7 en 10 zijn ten aanzien van de voorzitter van een
bedrijfslichaam en zijn plaatsvervangers van overeenkomstige toepassing.
Artikel 82
De voorzitter van een bedrijfslichaam is voorzitter van het bestuur.
Artikel 83
De voorzitter van een bedrijfslichaam en zijn plaatsvervangers kunnen
ten laste van dat lichaam een vergoeding genieten volgens regelen, door
het bestuur van dat lichaam bij verordening te stellen. Zodanige
verordening behoeft de goedkeuring van de Raad.
§ 4. Van het dagelijks bestuur
Artikel 84
1.Behoudens het bepaalde in het tweede lid benoemt het bestuur uit
zijn midden het dagelijks bestuur. Het bestuur is bevoegd uit zijn
midden voor elk lid van het dagelijks bestuur een plaatsvervanger te
benoemen.
2.De voorzitter van het bestuur is tevens voorzitter van het
dagelijks bestuur.
3.Het dagelijks bestuur wordt zodanig samengesteld, dat het een
afspiegeling vormt van het bestuur.
Artikel 85
De artikelen 10 en 77 zijn ten aanzien van het dagelijks bestuur van
overeenkomstige toepassing.
§ 5. Van het secretariaat
Artikel 86
1.De bedrijfslichamen hebben een secretariaat, dat bestaat uit een
of meer secretarissen en ander personeel.
2.De secretarissen worden in dienst genomen en kunnen worden
ontslagen door het bestuur.
3.Het personeel is in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht.
Artikel 87
De artikelen 10 en 17 zijn ten aanzien van het personeel van het
secretariaat van de bedrijfslichamen van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Van de commissies uit het midden van het bestuur en van de
andere organen, bedoeld in artikel 72, eerste lid
Artikel 88
1.Het bestuur van een bedrijfslichaam is bevoegd voor bepaalde
onderwerpen commissies uit zijn midden in te stellen.
2.De artikelen 10 en 77 zijn ten aanzien van deze commissies van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 88a
1.Bij het instellingsbesluit kunnen ook andere organen van het
lichaam worden ingesteld. Daarbij wordt tevens hun samenstelling
geregeld.
2.De artikelen 10, 74 en 77 zijn ten aanzien van deze organen van
overeenkomstige toepassing.
Titel III. Van de werkwijze der organen
Artikel 89
1.De artikelen 20 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van het bestuur en het dagelijks bestuur.
2.De artikelen 26 en 27 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het bestuur en het dagelijks bestuur, behoudens het
bepaalde in artikel 90.
3.De voorzitter heeft, indien hij niet lid van het bestuur is, in
de vergaderingen van het bestuur en het dagelijks bestuur alleen een
raadgevende stem.
Artikel 90
1.Indien het aantal leden van het bestuur van een bedrijfslichaam,
benoemd door organisaties van werknemers, niet gelijk is aan dat,
benoemd door organisaties van ondernemers, brengt in vergaderingen van
het bestuur en van het dagelijks bestuur elk lid, behorende tot de
kleinste van vorenbedoelde groepen van leden, bij stemming over
besluiten als bedoeld bij de artikelen 80 en 83, de begroting en
sociale aangelegenheden - de vraag, of een aangelegenheid een sociale
aangelegenheid is, daaronder begrepen - een aantal stemmen uit, gelijk
aan het getal der zitting hebbende leden behorende tot de andere
groep, gedeeld door het getal dier leden behorende tot zijn groep.
2.Indien bij toepassing van het voorgaande lid over de vraag, of
een aangelegenheid een sociale aangelegenheid is, de stemmen staken en
tevens de leden, benoemd door organisaties van ondernemers, een
standpunt innemen, tegengesteld aan dat, ingenomen door de leden,
benoemd door organisaties van werknemers, legt de voorzitter
onverwijld het vraagpunt ter beslissing aan de Raad voor.
3.Indien het bestuur van een bedrijfslichaam is samengesteld, zoals
in het eerste lid is voorzien, wordt ingeval van stemming over het
ontwerp van een verordening, ten aanzien waarvan het eerste lid geen
toepassing vindt, het voorstel geacht te zijn verworpen, indien de
stemmen van de door de organisaties van ondernemers of door de
organisaties van werknemers benoemde leden alle daartegen zijn
uitgebracht.
Artikel 91
1.Onze betrokken Ministers zijn bevoegd zich in de door het bestuur
van een bedrijfslichaam te houden vergaderingen door een of meer door
hen aan te wijzen personen te doen vertegenwoordigen. Deze
vertegenwoordigers hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.
2.De Raad is bevoegd zich in de door het bestuur van een
bedrijfslichaam te houden vergaderingen te laten vertegenwoordigen
door een door hem aan te wijzen persoon.
3.Aan vertegenwoordigers als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt tijdig kennis gegeven van vergaderingen als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 92
Het bestuur van een bedrijfslichaam kan bij verordening nadere
regelen stellen betreffende zijn werkwijze en die van de andere organen
van dat lichaam en van het secretariaat.
Artikel 92a
1.Met het oog op het waarborgen van een goed bestuur draagt een
bedrijfslichaam zorg voor een zodanige organisatie en werkwijze, dat
voldoende aandacht is geschonken aan democratische besluitvorming,
transparante onderbouwing van vergoedingen en heffingen, integer
handelen, publieke en transparante verantwoording, toegankelijke
klachtenbehandeling en adequaat toezicht.
2.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels
worden gesteld met het oog op het waarborgen van een goed bestuur van
een bedrijfslichaam.
3.Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt bepaald dat een
goed bestuur van een bedrijfslichaam als bedoeld in het eerste lid in
ieder geval is gewaarborgd als wordt voldaan aan bij die algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen principes van een goed bestuur.
4.De Raad houdt toezicht op de uitvoering van het eerste lid door
de bedrijfslichamen en kan over de wijze waarop het toezicht wordt
uitgeoefend bij verordening regels stellen.
5.De voordracht voor een krachtens het tweede en derde lid vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Titel IV. Van de vervulling van de taak
Artikel 93
1.Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die
het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt
ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat
lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.
2.Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het
instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of
nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen
daarvan, voorzover
– die onderwerpen of onderdelen niet bij het
instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn onttrokken en
– de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet
uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:
a. registratie van ondernemingen en daarin werkzaam
personeel, en – voorzover noodzakelijk voor de vervulling
van de taak van het bedrijfslichaam – verstrekking van
gegevens en inzage in boeken en bescheiden en bezichtiging van
de onderneming;
b. de voortbrenging, de afzet, de verdeling en de
aanwending van goederen, waaronder mede begrepen de opslag en
de be- en verwerking van goederen, en het verlenen van
diensten;
c. bevordering van professionele bedrijfsvoering;
d. de lonen en andere arbeidsvoorwaarden;
e. onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein;
f. arbeidsmarktvoorzieningen;
g. fondsen en andere instellingen in het belang der
bedrijfsgenoten.
3.Verordeningen, betreffende onderwerpen, als bedoeld in het
voorgaande lid, onder a, houden waarborgen in tegen misbruik van de
ingevolge die verordeningen te verstrekken gegevens.
4.De vestiging, uitbreiding en stillegging van ondernemingen worden
niet aangemerkt als onderwerpen in de zin van het tweede lid.
5.Geen verordening mag aan gezonde mededinging in de weg staan.
Artikel 94
De verordeningen, bedoeld in artikel 93, eerste lid, behoeven de
goedkeuring van de Raad, tenzij bij het instellingsbesluit anders is
bepaald. Zij gaan vergezeld van een toelichting, waarin de beweegredenen
voor het opstellen van de verordening zijn verwoord.
Artikel 95
1.Aan het bestuur van een bedrijfslichaam behoren, met betrekking
tot de vervulling van de in artikel 71 omschreven taak, alle
bevoegdheden, die niet bij deze of een andere wet aan een ander orgaan
van het lichaam zijn opgedragen.
2.Het bestuur kan bij verordening zijn bevoegdheden delegeren aan
een ander orgaan van het lichaam.
3.Niet gedelegeerd wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van
verordeningen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, en artikel 126,
eerste lid, noch die tot het vaststellen van nadere voorschriften
omtrent bij zo'n verordening geregelde onderwerpen, noch die tot het
vaststellen ingevolge artikel 124, derde lid, van het bedrag der
inkomsten en uitgaven. Ten aanzien van het maken van verordeningen kan
slechts worden gemandateerd de bevoegdheid tot het geven van nadere
voorschriften terzake van bij een verordening daartoe uitdrukkelijk
aangewezen onderwerpen.
Artikel 96
1.De organen van een bedrijfslichaam verlenen de bij of krachtens
een wet of bij een verordening van de Raad gevorderde medewerking.
2.De organen van een produktschap verlenen de bij een verordening
van het bestuur van een hoofdproduktschap tot uitvoering daarvan
gevorderde medewerking.
3.De organen van een bedrijfschap verlenen de bij een verordening
van het bestuur van een hoofdproduktschap, een produktschap of een
hoofdbedrijfschap tot uitvoering daarvan gevorderde medewerking.
4.Verordeningen als bedoeld in het tweede en derde lid, vorderen
slechts medewerking voor zover deze betrekking heeft op de vervulling
van de taak van het medewerking vorderende lichaam ten aanzien van
ondernemingen, waarvoor ook het lichaam, van welks orgaan de
medewerking wordt gevorderd, is ingesteld.
Artikel 97
1.Tot de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde
medewerking, bedoeld in artikel 96, kan mede behoren het stellen van
nadere regelen bij verordening.
2.De verordeningen, bedoeld in het eerste lid, behoeven, tenzij
anders is bepaald, indien de medewerking is gevorderd:
a. bij een verordening van de Raad, diens goedkeuring;
b. bij een verordening van het bestuur van een hoofdproduct-,
een produkt- of een hoofdbedrijfschap, de goedkeuring van dat
bestuur.
Artikel 98
1.Tenzij het voorschrift, waarbij de medewerking wordt ingeroepen,
anders bepaalt, kan het bestuur van een bedrijfslichaam bij
verordening zijn bevoegdheden, voortvloeiend uit de gevorderde
medewerking, delegeren aan een ander orgaan van dat lichaam.
2.De bevoegdheid tot het stellen van nadere regelen bij
verordening, voortvloeiend uit de gevorderde medewerking, kan niet
worden gedelegeerd, tenzij het voorschrift, waarbij de medewerking
wordt ingeroepen, anders bepaalt.
Artikel 99
1.Indien het orgaan van een bedrijfslichaam, dat tot medewerking is
geroepen, deze niet of niet behoorlijk verleent, wordt daarin
voorzien:
a. indien het betreft medewerking, gevorderd bij of krachtens
een wet, door Onze betrokken Minister;
b. in de overige gevallen door de Raad.
2.De voorziening geschiedt op kosten van het nalatige
bedrijfslichaam.
Artikel 100
1.Tenzij naar zijn oordeel dringende redenen zich daartegen
verzetten, geeft het bestuur van een bedrijfslichaam kennis van de
ontwerpen van verordeningen, welke voor personen, als bedoeld bij
artikel 102, bindende regelen inhouden, in het vanwege de Raad
uitgegeven Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie en geeft het gedurende
vier weken gelegenheid daartegen schriftelijk bedenkingen aan te
voeren.
2.Over de vaststelling van verordeningen beraadslaagt en beslist
het bestuur in het openbaar.
3.Verordeningen, waarvan het ontwerp niet overeenkomstig het eerste
lid openbaar is gemaakt, behoeven de goedkeuring van Onze Minister wie
het aangaat, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze andere
betrokken Minister of Ministers.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de betrokkenheid van een of meer van Onze Ministers bij de
onderwerpen of economische sectoren waarop bepaalde verordeningen
betrekking hebben.
Artikel 101
1.Bepalingen in verordeningen van het bestuur van een
bedrijfslichaam, welke in strijd zijn met een verordening van de Raad,
houden van rechtswege op te gelden op het tijdstip, waarop deze
strijdigheid ontstaat.
2.Bepalingen in verordeningen van het bestuur van een bedrijfschap,
welke in strijd zijn met een verordening van het bestuur van een
hoofdbedrijfschap, een produktschap of een hoofdproduktschap, houden
van rechtswege op te gelden op het tijdstip, waarop deze strijdigheid
ontstaat.
3.Bepalingen in verordeningen van het bestuur van een
hoofdbedrijfschap, welke in strijd zijn met een verordening van het
bestuur van een hoofdproduktschap of een produktschap, houden van
rechtswege op te gelden op het tijdstip, waarop deze strijdigheid
ontstaat.
4.Bepalingen in verordeningen van het bestuur van een produktschap,
welke in strijd zijn met een verordening van het bestuur van een
hoofdproduktschap, houden van rechtswege op te gelden op het tijdstip,
waarop deze strijdigheid ontstaat.
Artikel 102
1.De verordeningen van het bestuur van een bedrijfslichaam kunnen
bindende regelen inhouden voor natuurlijke en rechtspersonen, die de
ondernemingen, waarvoor het lichaam is ingesteld, drijven, alsmede
voor de personen, werkzaam bij die ondernemingen.
2.Het instellingsbesluit bepaalt, of en in hoeverre verordeningen
van het bestuur van dat lichaam bindende regelen kunnen inhouden voor
andere natuurlijke en rechtspersonen, voorzover deze handelingen
verrichten die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het lichaam
is ingesteld, plegen te worden verricht.
Artikel 103
1.Indien een beding in een arbeidsovereenkomst in strijd is met een
voor de partijen bij deze overeenkomst bindende bepaling van een
verordening van het bestuur van een bedrijfslichaam, geldt tussen
partijen in plaats van zodanig beding de bepaling der verordening.
2.Bij gebreke van bedingen in een arbeidsovereenkomst omtrent
aangelegenheden, geregeld in voor de partijen bij deze overeenkomst
bindende bepalingen van een verordening van het bestuur van een
bedrijfslichaam, gelden tussen partijen die bepalingen van de
verordening.
3.Het bepaalde in de voorgaande leden vindt overeenkomstige
toepassing ten aanzien van aannemingen van werk, overeenkomsten tot
het verrichten van enkele diensten, agentuurovereenkomsten en
collectieve arbeidsovereenkomsten.
Artikel 104
1.Tenzij het instellingsbesluit anders bepaalt, kunnen bij
verordening overtredingen van die verordening worden aangewezen als
a. feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel kan worden
opgelegd, dan wel
b. strafbare feiten, behoudens indien het betreft overtredingen
van voorschriften terzake van arbeids- en rusttijden.
2.Aanwijzing als strafbaar feit kan slechts plaatsvinden, indien
dat nodig is voor de bescherming van de door de betrokken bepaling
beschermde belangen. Verordeningen waarbij een aanwijzing als
strafbaar feit plaatsvindt behoeven de goedkeuring van Onze Minister
wie het aangaat, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze
andere betrokken Minister of Ministers.
3.Met het toezicht op de naleving van een verordening zijn belast
de bij besluit van het bedrijfslichaam aangewezen personen. Dat
besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister wie het aangaat, in
voorkomend geval in overeenstemming met Onze andere betrokken Minister
of Ministers.
Onze Minister wie het aangaat, in voorkomend geval in
overeenstemming met Onze andere betrokken Minister of Ministers, kan
het bedrijfslichaam een aanwijzing geven omtrent het aanwijzen van
toezichthouders en de wijze waarop het toezicht wordt uitgeoefend.
4.Met betrekking tot het tweede en derde lid is artikel 100, vierde
lid, van overeenkomstige toepassing.
5.Het recht om een tuchtrechtelijke maatregel te vorderen verjaart
in twee jaren. De artikelen 71, eerste lid, en 72, van het Wetboek van
Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 105
[Vervallen.]
Artikel 106
1. Verordeningen van het bestuur van een bedrijfslichaam die voor
personen als bedoeld in artikel 102 bindende regelen inhouden,
besluiten als bedoeld in artikel 104, derde lid, en een verordening
als bedoeld in artikel 119 worden bekendgemaakt in het
Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, bedoeld in artikel 38, derde
lid. Indien de verordeningen de goedkeuring van een of meer van Onze
Ministers, de Raad of het bestuur van een hoofdproductschap, een
productschap of een hoofdbedrijfschap behoeven, geschiedt de
bekendmaking niet dan nadat deze is verleend. Het besluit waarbij de
goedkeuring is verleend wordt bij de bekendmaking vermeld. De
verordeningen treden, indien zij niet anders bepalen, in werking met
ingang van de dag na die van de bekendmaking.
2. Voor het inzien van een overeenkomstig het eerste lid
bekendgemaakte verordening worden geen kosten in rekening gebracht.
3. Het bestuur heroverweegt de bestaansgrond van een verordening
als bedoeld in artikel 93, eerste lid, of artikel 126, eerste lid,
elke vier jaar na inwerkingtreding daarvan en brengt omtrent zijn
besluit verslag uit aan Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 106a
1. De teksten van verordeningen als bedoeld in artikel 106, eerste
lid, zijn in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar door
middel van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen algemeen
toegankelijk elektronisch medium.
2. Een geconsolideerde tekst van een verordening die op grond van
het eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien de
verordening na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
regels stellen over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde
teksten beschikbaar worden gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
categorieën van verordeningen worden aangewezen, waarop het eerste
lid niet van toepassing is.
Artikel 107
De voorzitter van een bedrijfslichaam vertegenwoordigt dat lichaam in
en buiten rechte.
Artikel 108
Bedrijfslichamen kunnen zowel ten opzichte van elkaar als ten
opzichte van de Raad en van derden een adviserende functie vervullen.
Titel V. Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van
belangen van bedrijfslichamen
Artikel 109
1.De besturen van twee of meer bedrijfslichamen kunnen tezamen een
voorziening treffen ter gemeenschappelijke behartiging van belangen.
2.De voorziening houdt bepalingen in omtrent haar wijziging, haar
verlenging, indien zij voor een bepaalde tijd is getroffen, en haar
opheffing.
3.De voorziening behoeft, evenals haar wijziging en opheffing, de
goedkeuring van de Raad.
Artikel 110
Bij een voorziening, door de besturen van de betrokken
bedrijfslichamen bij verordening getroffen, kan een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam worden ingesteld. Daarbij worden
tevens de samenstelling, inrichting, werkwijze, geldmiddelen en
bevoegdheden van het lichaam en zijn organen geregeld. De verordening
behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze andere
betrokken Minister of Ministers. Artikel 100, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 111
1.Indien bij een voorziening een lichaam is ingesteld, wordt door
de besturen van de betrokken bedrijfslichamen in de Staatscourant
bekendgemaakt, dat zodanige voorziening is getroffen. Hierbij wordt
vermeld:
a. het belang, ter behartiging waarvan de voorziening is
getroffen;
b. welke bedrijfslichamen eraan deelnemen.
2.Een overeenkomstige bekendmaking wordt gedaan, indien de
voorziening wordt gewijzigd, verlengd of opgeheven.
3.Ieder kan een gewaarmerkt afschrift van de goedgekeurde
voorziening te allen tijde kosteloos inzien ten kantore van het
secretariaat van de Raad en daarvan, tegen betaling der kosten,
afschrift of uittreksel verkrijgen.
Artikel 112
De bevoegdheden van een lichaam, als bedoeld in artikel 110, kunnen
geen andere zijn dan die van de betrokken bedrijfslichamen.
Artikel 113
Indien bij een verordening als bedoeld in artikel 110 een lichaam is
ingesteld, kan bij die verordening aan het bestuur van dat lichaam
uitsluitend mandaat worden verleend van de bevoegdheid van de
deelnemende bedrijfslichamen om bij een verordening als bedoeld in de
artikelen 93, eerste lid, en 126, eerste lid, regelen te stellen.
Artikel 114
1.Ten aanzien van een lichaam, als bedoeld in artikel 110 zijn de
artikelen 10, 21 en 23 van overeenkomstige toepassing.
2.Ten aanzien van de vergaderingen van een orgaan van een lichaam,
met het maken van verordeningen belast, is artikel 91 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 115
Indien het bestuur van een bedrijfslichaam het treffen van een
voorziening als bedoeld in artikel 109, eerste lid, wenselijk acht en
het bestuur van het bedrijfslichaam waarmee het die voorziening wil
treffen zijn medewerking niet verleent, kan het eerstbedoelde bestuur de
Raad verzoeken zodanige voorziening op te leggen. Het legt met het
verzoek het ontwerp van een voorziening over.
Artikel 116
1.De Raad hoort de besturen van de betrokken bedrijfslichamen over
de ontworpen voorziening.
2.Indien de Raad de wenselijkheid overweegt andere bedrijfslichamen
in de samenwerking te betrekken, hoort hij ook de besturen daarvan.
Artikel 117
Ten aanzien van een krachtens artikel 115 opgelegde voorziening zijn
de artikelen 109 tot en met 114 van overeenkomstige toepassing.
Titel VI. Van de geldmiddelen
§ 1. Van de begroting
Artikel 118
1.Het dagelijks bestuur van een bedrijfslichaam biedt het bestuur
jaarlijks vóór 1 oktober een begroting der inkomsten en uitgaven van
dat lichaam voor het komende kalenderjaar aan, vergezeld van de nodige
toelichting en bescheiden.
2.De begroting wordt, zodra zij is aangeboden, ten kantore van het
secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling
der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
3.Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare
kennisgeving, welke tenminste twee weken voorafgaat aan de behandeling
der begroting door het bestuur.
Artikel 119
De begroting wordt bij verordening vastgesteld door het bestuur en
behoeft de goedkeuring van de Raad.
Artikel 120
1.De door het bestuur vastgestelde begroting wordt vóór 15
November aan de Raad ter goedkeuring aangeboden.
2.Indien zij niet vóór de aanvang van het jaar, waarvoor zij moet
dienen, is goedgekeurd, kan de Raad het betrokken lichaam machtigen
uitgaven te doen uit die posten, alsmede die inkomsten te innen,
waartegen de Raad geen bedenking heeft.
Artikel 121
1.Indien het bestuur weigert de door de wet aan het lichaam
opgelegde uitgaven op de begroting te brengen, geschiedt dit door de
Raad.
2.Indien in dat geval de geraamde inkomsten van het lichaam niet
toereikend zijn en het bestuur weigert nieuwe middelen tot dekking
voor te dragen, vermindert de Raad de overige niet bij de wet aan het
lichaam opgelegde uitgaven in zodanige reden, dat tussen de inkomsten
en uitgaven van dat lichaam evenwicht is.
Artikel 122
De Raad kan bij verordening regelen stellen omtrent de inrichting van
de begroting van de bedrijfslichamen.
Artikel 122a
De Raad kan ten aanzien van de eerste begroting der inkomsten en
uitgaven van een bedrijfslichaam regelen stellen, welke afwijken van de
artikelen 118, eerste lid, en 120.
§ 2. Van het beheer en de rekening en verantwoording
Artikel 123
Het dagelijks bestuur beheert het vermogen en de inkomsten en
uitgaven van het bedrijfslichaam, met dien verstande, dat het bestuur
ter zake bij verordening regelen kan stellen.
Artikel 124
1.Het dagelijks bestuur doet aan het bestuur rekening en
verantwoording van het beheer over het afgelopen kalenderjaar, onder
overlegging van de rekening der inkomsten en uitgaven.
2.De rekening wordt, met alle daarbij behorende bescheiden en met
vermelding van hetgeen het dagelijks bestuur tot zijn verantwoording
dienstig acht, aan het bestuur overgelegd binnen zes maanden na afloop
van het jaar, waarop zij betrekking heeft. Zij wordt ten kantore van
het secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen
betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de
nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving,
welke ten minste twee weken voorafgaat aan de beraadslagingen, bedoeld
in het derde lid.
3.Het bestuur onderzoekt de rekening en stelt het bedrag der
inkomsten en uitgaven vast. De beraadslagingen en de stemming
geschieden in het openbaar. De leden van het dagelijks bestuur kunnen
bij de beraadslagingen tegenwoordig zijn, doch onthouden zich van
medestemmen.
4.Het besluit van het bestuur behoeft de instemming van de Raad,
tenzij bij het instellingsbesluit een andere voorziening is getroffen.
5.De instemming strekt, voor zover het de inkomsten en uitgaven
betreft waarmee is ingestemd, tot décharge van het dagelijks bestuur,
behoudens in geval van later gebleken valsheid in bewijsstukken of
andere onregelmatigheden.
Artikel 125
1.De Raad kan bij verordening regelen stellen omtrent het beheer
van de financiën, de lonen en andere vergoedingen van het personeel
en de vorming van fondsen daaronder begrepen, van de bedrijfslichamen,
onverminderd de bevoegdheid van de besturen van deze lichamen ter zake
bij verordening regelen of nadere regelen te stellen.
2.De organen van het bedrijfslichaam zijn verplicht aan de Raad en
de door hem aangewezen deskundigen alle door hen met betrekking tot de
inkomsten en uitgaven gevraagde inlichtingen te verstrekken en
desgevraagd inzage in de boeken te geven.
Artikel 125a
De Raad kan ten aanzien van de eerste verantwoording en de eerste
rekening der inkomsten en uitgaven van een bedrijfslichaam regelen
stellen, welke afwijken van artikel 124, eerste lid, en de eerste volzin
van het tweede lid.
§ 3. Van de inkomsten
Artikel 126
1.Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de
ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen
opleggen.
2.Bovendien kunnen zij voor door het betrokken lichaam verrichte
werkzaamheden bij verordening retributies heffen.
3.Het instellingsbesluit kan regelen stellen omtrent de op te
leggen heffingen.
4.Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven tevens de
goedkeuring van Onze betrokken Minister wie het aangaat, in voorkomend
geval in overeenstemming met Onze andere betrokken Minister of
Ministers indien:
a. zij dienen ter afzonderlijke financiering van een specifiek,
bij die verordening aangegeven doel, of
b. het ontwerp van de verordening niet overeenkomstig artikel
100, eerste lid, is bekendgemaakt.
Artikel 100, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.In aanvulling op artikel 89, tweede lid, is voor een verordening
als bedoeld in het vorige lid, voorzover het betreft een verordening
die geen sociale aangelegenheid betreft, zulks vastgesteld op
overeenkomstige wijze als bepaald in artikel 90, een meerderheid van
twee derden van de uitgebrachte stemmen van leden benoemd door de
organisaties van ondernemers vereist.
6.Bedrijfslichamen kunnen op heffingen als bedoeld in het eerste
lid, niet tevens zijnde heffingen ter afzonderlijke financiering van
een specifiek doel als bedoeld in het vierde lid, volgens bij
verordening te stellen regelen aan de leden van organisaties van
ondernemers welke verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid zijn,
een aftrek toestaan tot een deel van het bedrag, dat zij als
contributie aan deze organisaties hebben betaald. Deze aftrek kan niet
meer dan de helft van de heffing bedragen.
7.Verordeningen als bedoeld in het eerste, tweede en zesde lid
behoeven de goedkeuring van de Raad.
8.In afwijking van het zesde lid is, over het kalenderjaar waarin
de wet van 29 december 2008, houdende wijziging van de Wet op de
bedrijfsorganisatie in verband met verdere modernisering van het
stelsel van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in werking
treedt en vervolgens over de drie daaropvolgende kalenderjaren, een
aftrek toegestaan op heffingen ter afzonderlijke financiering van een
specifiek doel als bedoeld in het vierde lid. Deze aftrek kan over de
bedoelde kalenderjaren ten hoogste achtereenvolgens 50, 40, 30 en 10
procent van de betrokken heffing bedragen.
Artikel 127
1.De voorzitter van een bedrijfslichaam kan de aan het lichaam
krachtens artikel 126, eerste en tweede lid, verschuldigde bedragen,
verhoogd met de op de invordering vallende kosten, bij dwangbevel,
invorderen.
2.Geen invordering geschiedt dan nadat de schuldenaar schriftelijk
is aangemaand om binnen een daarbij te stellen termijn van ten minste
tien dagen alsnog aan zijn verplichting te voldoen. De aanmaning bevat
de aanzegging, dat het verschuldigde bedrag, voor zover dit binnen de
gestelde termijn niet wordt betaald, overeenkomstig het eerste lid van
dit artikel zal worden ingevorderd.
3.Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met
toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
4.Verzet door de debiteur tegen de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel wordt ingesteld door dagvaarding van het betrokken
bedrijfslichaam voor de rechtbank van het arrondissement, binnen
hetwelk zijn woonplaats is gelegen.
5.Het verzet stuit de aanvang of de voortzetting van de
tenuitvoerlegging niet, behoudens de bevoegdheid van de
geëxecuteerde, die het verzet heeft gedaan, om hieromtrent een
voorziening bij voorraad uit te lokken.
6.Het verzet kan niet worden gegrond op de bewering, dat de heffing
of de retributie ten onrechte is opgelegd onderscheidenlijk geheven,
dat het bedrag van de heffing of retributie onjuist is bepaald, of dat
het bericht, dat de heffing is opgelegd of de retributie is geheven,
dan wel de aanmaning tot betaling van de heffing of van de retributie
niet is ontvangen.
Artikel 127a [Vervallen per 01-01-1992]
Titel VII. Van het toezicht op de bedrijfslichamen
Artikel 128
1.Indien een verordening of een ander besluit van een orgaan van
een bedrijfslichaam de goedkeuring van Onze betrokken ministers of van
de Raad behoeft, kan de goedkeuring door Onze ministers worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang en door
de Raad wegens strijd met het recht of de belangen, waarvan hem bij
artikel 2 de behartiging is opgedragen.
2.Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring
of een besluit tot verdaging van goedkeuring heeft niet tot gevolg dat
een besluit tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.
3.Indien melding is of zal worden gedaan aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen onderscheidenlijk aan de
Wereldhandelsorganisatie in verband met daartoe strekkende
verplichtingen gesteld bij of krachtens het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap of op basis van overeenkomsten gesloten in het
kader van de Wereldhandelsorganisatie, wordt het besluit omtrent
goedkeuring binnen dertien weken na ontvangst van goedkeuring door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen onderscheidenlijk
Wereldhandelsorganisatie dan wel het verstrijken van de desbetreffende
meldingstermijn, bekend gemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan
goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.
4.In afwijking van artikel 126, vierde lid, onderdeel a, behoeft
een verordening geen goedkeuring van Onze Minister wie het aangaat, in
voorkomend geval in overeenstemming met Onze andere betrokken Minister
of Ministers, indien de betrokken verordening een voortzetting vormt
van een in voorafgaande jaren reeds goedgekeurde verordening en er in
de betrokken verordening geen wijzigingen plaatsvinden met betrekking
tot het tarief, de grondslag of de besteding van de heffing die niet
passen binnen de kaders van een ten aanzien van de eerdere verordening
door de Commissie van de Europese Gemeenschappen genomen besluit met
betrekking tot een steunmaatregel als bedoeld in artikel 88, derde
lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Artikel 128a
1.Verordeningen of besluiten van bedrijfslichamen die op of na 1
juli 1999 maar voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel
op grond van artikel 100, derde lid, 104, tweede of derde lid, of 126,
vierde lid, zijn goedgekeurd door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, maar niet door Onze genoemde
Ministers gezamenlijk dan wel door een of twee van hen mede namens de
anderen, zijn in afwijking van artikel 100, derde lid, 104, tweede of
derde lid, of 126, vierde lid, zoals deze artikelen luidden
voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, niet onverbindend
op de enkele grond dat niet al Onze genoemde Ministers bij de
goedkeuring zijn betrokken geweest.
2.In afwijking van het eerste lid blijven de gevolgen van een voor
de datum van inwerkingtreding van dit artikel gedane onherroepelijke
rechterlijke uitspraak, waarbij verordeningen of besluiten van
bedrijfslichamen onverbindend zijn verklaard op de grond bedoeld in
het eerste lid, ten aanzien van partijen in de procedure waarop die
uitspraak betrekking heeft in stand.
Artikel 129
De Raad maakt een beslissing over een vraagpunt als bedoeld in
artikel 90, tweede lid, bekend binnen acht weken na de dag waarop het
vraagpunt hem ter beslissing is voorgelegd. Hij kan de beslissing bij
binnen die tijd te nemen besluit verdagen.
Artikel 130 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 131 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 132
Ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in artikel 97, tweede lid,
onder b, is artikel 128 van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de goedkeuring door het bestuur van een hoofdprodukt-, een
produkt- of een hoofdbedrijfschap kan worden onthouden wegens strijd met
het recht of de belangen, waarvan de behartiging hem in artikel 71 is
opgedragen.
Artikel 133
De besluiten van de organen van bedrijfslichamen kunnen bij
koninklijk besluit worden vernietigd.
Artikel 134
1.Een koninklijk besluit tot vernietiging of tot schorsing, dan wel
tot verlenging of opheffing van een schorsing wordt in het Staatsblad
geplaatst.
2.De Raad wordt gehoord, alvorens Ons een voordracht tot
vernietiging wordt gedaan.
Artikel 135 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 136
De artikelen 128, 133 en 134 zijn ten aanzien van lichamen als
bedoeld in artikel 110 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 137
1.Een bedrijfslichaam stelt jaarlijks vóór 1 april een verslag op
van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de
werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag
wordt aan de Raad en aan Onze betrokken Ministers toegezonden en,
tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt een exemplaar van
het verslag aan de Staten-Generaal.
2.Een bedrijfslichaam verstrekt desgevraagd aan de Raad en aan Onze
betrokken Ministers de voor de uitoefening van hun taak benodigde
inlichtingen. Dezen kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van hun taak
redelijkerwijs nodig is.
Artikel 137a
1.De Raad stelt jaarlijks voor 1 oktober een plan vast waarin
inzicht wordt gegeven in de voorgenomen wijze van uitoefening van het
toezicht op de bedrijfslichamen voor het komende kalenderjaar.
2.Het plan, bedoeld in het eerste lid, behoeft de instemming van
Onze betrokken Ministers.
Derde hoofdstuk. Slotbepalingen
Artikel 138
Voor oprichting van of deelneming in andere rechtspersonen behoeven
de Raad en de bedrijfslichamen de toestemming van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 139
Onze betrokken Ministers zenden telkens na vier jaar aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid
van het functioneren van de bedrijfslichamen.
Artikel 140
Het beroep tegen besluiten en handelingen van de Raad, de
bedrijfslichamen en de lichamen, ingesteld ter gemeenschappelijke
behartiging van belangen, bedoeld in artikel 110, wordt door de wet
geregeld.
Artikel 141 [Vervallen per 01-07-1955]
Artikel 142 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 143 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 144 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 145 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 146 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 147 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 148 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 149 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 150 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 151 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 152 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 153 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 154 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 155 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 156 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 157 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 158 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 159 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 160 [Vervallen per 01-10-1992]
Artikel 161 [Vervallen per 16-08-1954]
Artikel 162
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter
bevordering van een goede uitvoering van deze wet.
Artikel 163
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de bedrijfsorganisatie.
Artikel 164
1. Deze wet treedt met uitzondering van de artikelen 142 tot en met
144, 145, eerste lid, en 146 tot en met 159 in werking met ingang van
de dag na die harer afkondiging.
2. De tijdstippen van inwerkingtreding van de in het voorgaande lid
genoemde artikelen, dan wel van onderdelen daarvan, worden telkens
door Ons bepaald, met dien verstande, dat de artikelen 145, eerste
lid, 146 en 147 niet later in werking treden dan onderscheidenlijk
vier, vijf en zeven jaren na de inwerkingtreding van deze wet en dat
de tijdstippen voor onderdelen der vervallende regelingen en voor
delen van het bedrijfsleven verschillend kunnen zijn.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 27 Januari 1950.
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Drees
De Minister van Economische Zaken,
Van den Brink
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
W.C.L. van der Grinten
De Minister van Sociale Zaken,
A.M. Joekes
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i.,
Van den Brink
De Minister van Justitie,
Wijers
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Teulings
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
Th. Rutten
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Oorlog,
Schokking
De Minister van Marine,
Schokking
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
J. in 't Veld
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
D.G.W. Spitzen
Uitgegeven de veertiende Februari 1950
De Minister van Justitie,
Wijers
|