Nadere regelgeving:
- Besluit
personenvervoer 2000 (Bp 2000)
- Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992
- Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992
WET van 24 december 1992 tot
vaststelling van de Wet op de belasting van personenauto's en
motorrijwielen 1992
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op
de opheffing van de fiscale grenzen binnen de Europese
Gemeenschap wenselijk is het stelsel van heffing van de
bijzondere verbruiksbelastingen van personenauto’s en
van motorrijwielen te herzien, alsmede om deze belastingen
op te nemen in een afzonderlijke wet en voorts dat het
gewenst is in het tarief te differentiëren naar een
milieu- en een energiegrondslag en het begrip personenauto
nader te definiëren;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Afdeling 1. Belastbaar feit
Artikel 1
1. Onder de naam 'belasting van
personenauto’s en motorrijwielen' wordt een belasting geheven
met betrekking tot personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's.
2. De belasting is verschuldigd ter
zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of
een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994
aangehouden register van opgegeven kentekens.
3. Ingeval een geregistreerd
motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het de hoedanigheid
verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel of een
bestelauto, is de belasting verschuldigd ter zake van de
registratie als personenauto, als motorrijwiel of als bestelauto
dan wel, indien geen nieuw kenteken wordt opgegeven, ter zake van
de aanvang van het gebruik als personenauto, motorrijwiel of
bestelauto in Nederland van de weg in de zin van de
Wegenverkeerswet 1994.
4. Ingeval een motorrijtuig als
bedoeld in artikel 9c in een zodanige staat wordt gebracht dat
deze niet meer voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarden,
is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het
gebruik met dit motorrijtuig in gewijzigde staat in Nederland van
de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.
5. Ingeval de motor van een
personenauto waarvan de belasting is bepaald op grond van de tabel
in artikel 9, eerste lid, tijdens de eerste drie jaren na het
tijdstip van inschrijving in het register in een zodanige staat is
gebracht dat de CO2-uitstoot meer bedraagt dan de CO2-uitstoot
waarover de belasting is betaald, is het verschil tussen deze
belasting en de belasting die zou zijn verschuldigd bij deze
hogere CO2-uitstoot verschuldigd ter zake van de aanvang van het
gebruik met deze personenauto in gewijzigde staat in Nederland van
de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.
6. Ingeval een niet geregistreerde
personenauto, een niet geregistreerd motorrijwiel of een niet
geregistreerde bestelauto feitelijk ter beschikking staat van een
in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, is
de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik
met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de
Wegenverkeerswet 1994.
7. Ingeval het kenteken van een
motorrijtuig waarvoor eerder teruggaaf van belasting is verleend
op de voet van artikel 14a, eerste lid, opnieuw wordt te naam
gesteld in het register, bedoeld in het tweede lid, is de
belasting verschuldigd ter zake van de tenaamstelling.
8. Ingeval een motorrijtuig
waarvoor eerder teruggaaf van belasting is verleend op de voet van
artikel 14a, eerste of tweede lid, feitelijk ter beschikking staat
van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd
lichaam, zonder dat het kenteken opnieuw is te naam gesteld of het
motorrijtuig wordt geregistreerd in het register, bedoeld in het
tweede lid, is de belasting verschuldigd ter zake van de
hernieuwde aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in
Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.
Afdeling 2. Definities
Artikel 2
In deze wet en in de daarop
gebaseerde regelingen wordt verstaan onder registreren of
registratie het opnemen van de bij een motorrijtuig behorende
gegevens in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden
register van opgegeven kentekens.
Artikel 3
1. Onder personenauto wordt in deze
wet en in de daarop gebaseerde regelingen verstaan een
motorrijtuig op drie of meer wielen, zulks met uitzondering van:
a. autobussen;
b. bestelauto's;
c. motorrijtuigen, niet
ingericht voor het vervoer van personen, met een toegestane
maximum massa van meer dan 3500 kg; en
d. bromfietsen in de zin van
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet
1994.
2. Onder autobus wordt verstaan een
motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht
personen, de bestuurder daaronder niet begrepen.
3. Onder bestelauto wordt verstaan
een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van ten hoogste
3 500 kg, voorzien van een laadruimte die niet is ingericht voor
het vervoer van personen, die in haar geheel is voorzien van een
vlakke laadvloer en die:
a. een lengte heeft van ten
minste 200 cm en over ten minste 200 cm van de lengte en over
ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten
minste 130 cm; dan wel
b. ingeval de laadruimte minder
dan 25 cm hoger is dan de cabine:
1°. een lengte heeft van
ten minste 125 cm en over ten minste 125 cm van de lengte
en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft
van ten minste 98 cm; en
2°. van de
bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand
over ten minste de gehele breedte van de cabine, welke
wand direct achter de zitplaats is aangebracht en ten
minste dezelfde hoogte heeft als de bestuurderscabine; en
3°. niet is voorzien van
zijruiten dan wel is voorzien van niet meer dan één aan
de rechterzijde van de laadruimte aangebrachte zijruit;
dan wel
c. ingeval de laadruimte ten
minste 25 cm hoger is dan de cabine:
1°. een lengte heeft van
ten minste 125 cm en over ten minste 125 cm van de lengte
en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft
van ten minste 98 cm; en
2°. van de
bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand
over ten minste de gehele breedte van de cabine, welke
wand direct achter de bestuurderszitplaats is aangebracht
en een hoogte heeft van ten minste 30 cm; en
3°. niet is voorzien van
zijruiten dan wel is voorzien van niet meer dan één aan
de rechterzijde van de laadruimte aangebrachte zijruit;
dan wel
d. ingeval het motorrijtuig een
dubbele cabine heeft met zitruimte achter de bestuurder voor
één rij naast elkaar in de rijrichting zittende personen:
1°. over ten minste 150 cm
van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een
hoogte heeft van ten minste 130 cm; en
2°. voor ten minste 40
percent van de lengte voor het hart van de achterste as is
geplaatst en een lengte heeft van:
I. ten minste 150 cm; en
II. ten minste twee derde
van de lengte die de laadruimte zou hebben indien de
zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken; en
III. ten minste twee maal
die van de cabine, tenzij de cabine een hoogte heeft van
ten minste 130 cm; en
3°. van de cabine is
afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele
breedte van de cabine, welke wand direct achter de
zitruimte is aangebracht en ten minste dezelfde hoogte
heeft als de cabine; en
4°. niet is voorzien van
zijruiten dan wel is voorzien van niet meer dan één aan
de rechterzijde van de laadruimte aangebrachte zijruit.
4. Onder toegestane maximum massa
wordt verstaan de massa van het motorrijtuig in bedrijfsvaardige
staat met inbegrip van de bedrijfsstoffen, reservedelen en
gereedschappen die behoren tot de normale uitrusting, vermeerderd
met de voor het motorrijtuig toegestane maximum massa aan lading.
5. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop de hoogte en
de lengte van de laadruimte en van de cabine worden
vastgesteld alsmede op welke wijze het verschil in hoogte
tussen de cabine en de laadruimte wordt vastgesteld;
b. de constructie-technische
afwerking van de laadruimte;
c. de hoogte, de plaats, de
constructiewijze en de bevestigingswijze van de vaste wand.
Artikel 4
1.In deze wet en in de daarop
gebaseerde regelingen wordt verstaan onder motorrijwiel een
motorrijtuig op twee wielen, alsmede een dergelijk motorrijtuig
dat is verbonden met een zijspanwagen. Onder motorrijwiel wordt
niet verstaan een bromfiets in de zin van artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld ingevolge welke met een motorrijwiel worden
gelijkgesteld motorrijtuigen op meer dan twee wielen die uit
hoofde van hun bouw overeenkomst vertonen met een motorrijwiel.
Hoofdstuk II. Belastingplichtigen
Artikel 5
1.Met betrekking tot een
geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een
geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op
wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld.
2.Met betrekking tot een niet
geregistreerde personenauto, een niet geregistreerd motorrijwiel
of een niet geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven
van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.
Hoofdstuk III
Afdeling 1. Wijze van heffing
Artikel 6
1.De belasting moet op aangifte
worden voldaan.
2.In afwijking van artikel 10,
tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen:
a. moet de belasting, indien
deze verschuldigd is:
1°. ter zake van de
registratie van een personenauto of motorrijwiel, worden
betaald voordat het kenteken op naam is gesteld;
2°. ter zake van de
registratie van een bestelauto, worden betaald binnen een
maand na het tijdstip waarop het kenteken op naam is
gesteld;
3°. ter zake van de
aanvang van het gebruik van de weg, worden betaald vóór
de aanvang van dat gebruik;
b. wordt de aangifte
gelijktijdig met de betaling gedaan.
3.In afwijking van het tweede lid,
onderdeel a, onder 3°, behoeft, ingeval de eenheid van de
Belastingdienst waar aangifte moet worden gedaan ter zake van de
aanvang van het gebruik van de weg, gesloten is op de dag waarop
dan wel op de dag vóórdat het gebruik aanvangt, de belasting pas
te worden betaald op de eerste dag waarop die eenheid na de
aanvang van het gebruik is geopend.
4.Indien in een geval als bedoeld
in het derde lid, degene die de feitelijke beschikking heeft over
een niet geregistreerde personenauto, een niet geregistreerd
motorrijwiel of een niet geregistreerde bestelauto bij controle
door ambtenaren van de rijksbelastingdienst of door
opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering niet aannemelijk maakt dat de belasting is
betaald, dient de belasting terstond te worden betaald.
5.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder registratie mede verstaan de tenaamstelling
van het kenteken in het register, bedoeld in artikel 1, tweede
lid, ingeval voor een eerder geregistreerd motorrijtuig de
belasting verschuldigd wordt ter zake van het opnieuw te naam
stellen van het kenteken.
Artikel 7
1.Indien voor een personenauto of
een motorrijwiel de aanvraag voor de opgave van een kenteken
geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken
wordt gesteld, is, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de
belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het
kenteken wordt gesteld.
2.Degene die voor een personenauto,
een motorrijwiel of een bestelauto een aanvraag doet voor de
opgave van een kenteken, is gehouden daarbij voor dat motorrijtuig
het bedrag aan belasting ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c op
te geven.
Artikel 8
In afwijking van artikel 6, tweede
lid, onderdeel a, onder 1°, kan de inspecteur, onder bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen, een
ondernemer die in het kader van zijn bedrijfsuitoefening regelmatig
om opgave van een kenteken verzoekt voor personenauto’s of
motorrijwielen waarvan het kenteken op naam van een ander wordt
gesteld, op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking toestaan
de belasting per tijdvak te voldoen.
Afdeling 2. Tarief
Artikel 9
1. De belasting voor een
personenauto wordt bepaald aan de hand van de volgende tabellen.
|
Bij een
CO2-uitstoot van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting voor een personenauto die wordt aangedreven anders
dan door een motor met compressieontsteking, het in kolom III
vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend
door het in kolom IV vermelde bedrag te vermenigvuldigen met
het aantal gram/km CO2-uitstoot dat de in kolom I vermelde
CO2-uitstoot te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
110 |
0 |
0 |
|
110 gram/km |
180 |
0 |
€ 94 |
|
180 gram/km |
270 |
€ 6 580 |
€ 280 |
|
270 gram/km |
– |
€ 31 780 |
€ 654 |
|
Bij een
CO2-uitstoot van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting voor een personenauto die wordt aangedreven door een
motor met een compressieontsteking het in kolom III vermelde
bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het
in kolom IV vermelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal
gram/km CO2-uitstoot dat de in kolom I vermelde CO2-uitstoot
te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
95 |
0 |
0 |
|
95 gram/km |
155 |
0 |
€ 94 |
|
155 gram/km |
232 |
€ 5 640 |
€ 280 |
|
232 gram/km |
– |
€ 27 200 |
€ 654 |
Voor de toepassing van de tabel
wordt onder een personenauto die wordt aangedreven door een
motor met compressie-ontsteking mede begrepen een personenauto
waarvan de CO2-uitstoot met aardgas als brandstofsoort is
gemeten.
Het bedrag van de belasting op
grond van de tabel wordt verhoogd met 11,1 percent van de netto
catalogusprijs en:
a. verminderd met€ 450;
b. in geval van een
personenauto waarvan de CO2-uitstoot met aardgas als
brandstof is gemeten, verminderd met € 950; of
c. in geval van een
personenauto die wordt aangedreven door een motor met een
compressieontsteking vermeerderd met € 1 900.
In afwijking van de vorige
volzinnen wordt onder personenauto niet verstaan een bijzondere
personenauto als bedoeld in het twaalfde lid.
2. De belasting bedraagt:
a. voor een bestelauto of een
bijzondere personenauto als bedoeld in het twaalfde lid 37,7
percent van de netto catalogusprijs, verminderd met € 1
283, dan wel, ingeval van een bestelauto of bijzondere
personenauto die wordt aangedreven door een motor met een
compressieontsteking 37,7 percent van de netto
catalogusprijs, vermeerderd met€ 273;
b. voor een motorrijwiel:
1°. met een netto
catalogusprijs van niet meer dan€ 2 133: 9,6 percent
van de netto catalogusprijs;
2°. met een netto
catalogusprijs van meer dan € 2 133: 19,4 percent van
de netto catalogusprijs, verminderd met€ 210.
3. Onder de netto catalogusprijs
wordt verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin
begrepen omzetbelasting.
4. Onder catalogusprijs wordt
verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan
wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht
bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In
die geadviseerde verkoopprijs is de belasting van personenauto’s
en motorrijwielen zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet
bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.
5. Voor een nieuwe personenauto,
een nieuw motorrijwiel of een nieuwe bestelauto geldt de
catalogusprijs bij aanvang van de dag waarop aan de
personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto een kenteken
wordt toegekend.
6. Voor een gebruikte
personenauto, een gebruikt motorrijwiel of een gebruikte
bestelauto geldt de catalogusprijs van het tijdstip waarop de
personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto voor het eerst
in gebruik is genomen. Indien dit tijdstip niet bekend is,
treedt daarvoor in de plaats de laatste dag van het jaar waarin
de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto is
vervaardigd.
7. Voor een ander motorrijtuig
dan een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto, dat in
een zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto, een
motorrijwiel of een bestelauto is, geldt de catalogusprijs als
ware het een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto
van het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in
gebruik is genomen. Indien dit tijdstip niet bekend is, treedt
daarvoor in de plaats de laatste dag van het jaar waarin het
motorrijtuig is vervaardigd.
8. Indien het tijdstip, bedoeld
in het zesde en zevende lid, is gelegen voor 1 januari 1993, dan
wordt uit de prijs, bedoeld in het vierde lid, de bijzondere
verbruiksbelasting van personenauto’s dan wel de bijzondere
verbruiksbelasting van motorrijwielen afgezonderd.
9. Wanneer een personenauto, een
motorrijwiel of een bestelauto een bijzondere uitvoering heeft
of is voorzien van extra toebehoren, wordt de waarde daarvan in
de catalogusprijs begrepen, uitgezonderd de waarde van
voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de
fabrikant of de importeur.
10. Voor de toepassing van dit
artikel is de CO2-uitstoot van een personenauto, de CO2-uitstoot
gemeten overeenkomstig richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake
het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375). Indien
de meting met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd, wordt
de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als
brandstofsoort gehanteerd.
11. Indien voor de toepassing van
dit artikel de CO2-uitstoot van een personenauto niet op een bij
ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond, wordt
deze gesteld op 350 gram per kilometer respectievelijk 302 gram
per kilometer voor een personenauto die wordt aangedreven door
een motor met compressieontsteking.
12. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder bijzondere personenauto verstaan een
personenauto die valt onder richtlijn 2002/24/EEG, alsmede een
personenauto die een voertuig voor speciale doeleinden is zoals
omschreven in Bijlage II, onderdeel A, punt 5, van richtlijn
2007/46/EG, waarbij voor de kampeerauto geldt dat deze voldoet
aan de eisen gesteld in artikel 23a van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 9a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9b
1. Voor een personenauto die wordt
aangedreven door een motor met compressieontsteking wordt het
bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, verminderd
met € 1 000, indien de personenauto voldoet aan de grenswaarden,
genoemd in tabel 2 van bijlage I van Verordening (EG) nr. 715/2007
van het Europees parlement en de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van
motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen-
en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot
reparatie- en onderhoudsinformatie (PBEG L 171).
2. Een wijziging van de in het
eerste lid genoemde verordening gaat voor de toepassing van het
eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijziging van de verordening uitvoering moet zijn gegeven, tenzij
bij ministeriële regeling, die in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 9ba [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 9c
1. In afwijking van artikel 9,
eerste en tweede lid, bedraagt de belasting tot 1 januari 2018
nihil voor een motorrijtuig met een CO2-uitstoot van 0 gram per
kilometer.
2. In afwijking van artikel 9,
eerste lid, bedraagt de belasting nihil voor een personenauto met
een CO2-uitstoot van niet meer dan 110 gram per kilometer of, in
geval van een personenauto die wordt aangedreven door een motor
met een compressie-ontsteking dan wel een personenauto waarvan de
CO2-uitstoot met aardgas als brandstofsoort is gemeten, een
CO2-uitstoot van niet meer dan 95 gram per kilometer.
3. Artikel 9, tiende tot en met
twaalfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1. Met betrekking tot gebruikte
personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's
wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto
behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste en
tweede lid, na toepassing van artikel 9b, berekend met
inachtneming van een vermindering.
2. De vermindering, bedoeld in het
eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de
inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop het motorrijtuig
voor het eerst in gebruik is genomen. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de inkoopwaarde in Nederland en de op deze waarde
gebaseerde afschrijving kunnen worden vastgesteld.
3. Indien na het tijdstip waarop
een bestelauto voor het eerst in gebruik is genomen, een tijdsduur
is verstreken van 5 jaar of meer, bedraagt in afwijking van het
tweede lid het percentage van de vermindering 100.
4. Indien na het tijdstip waarop de
personenauto of het motorrijwiel voor het eerst in gebruik is
genomen, een tijdsduur is verstreken van 25 jaar of meer, bedraagt
in afwijking van het tweede lid het percentage van de vermindering
100.
5. Indien het tijdstip waarop de
personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto voor het eerst in
gebruik is genomen niet bekend is, treedt daarvoor in de plaats de
laatste dag van het jaar waarin de personenauto, het motorrijwiel
of de bestelauto is vervaardigd.
6. In afwijking van het tweede lid
wordt de vermindering vastgesteld aan de hand van een bij
ministeriële regeling vast te stellen tabel, indien daarop een
beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.
7. Bij de aangifte wordt een opgaaf
gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het
vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan
wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid.
Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die
van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste
lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens
toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor
het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de
inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de
belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog
worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te
wijzigen.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering
van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het
tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij
een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in
ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met
het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 10a
1. In afwijking van artikel 10,
tweede lid, wordt de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling
vast te stellen tabel, indien met betrekking tot de gebruikte
personenauto, het gebruikte motorrijwiel of de gebruikte
bestelauto voorafgaand aan de heffing artikel 14a is toegepast en
het toenmalige buiten Nederland brengen in de zin van artikel 14a,
eerste of tweede lid, is gedaan met het oogmerk dat het
motorrijtuig opnieuw wordt te naam gesteld in het register,
bedoeld inartikel 1, tweede lid, dan wel feitelijke ter
beschikking komt te staan van een in Nederland wonende natuurlijke
persoon of gevestigd lichaam, als bedoeld in artikel 1, achtste
lid.
2. Het oogmerk, bedoeld in het
eerste lid, wordt geacht aanwezig te zijn geweest indien de
belasting ingevolge artikel 1, zevende of achtste lid, wordt
verschuldigd binnen zes maanden na het tijdstip waarop de
inartikel 14a, eerste lid, bedoelde tenaamstelling is beëindigd
dan wel het tijdstip waarop het motorrijtuig niet langer feitelijk
ter beschikking staat als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, en
weer buiten Nederland is gebracht, tenzij degene van wie de
belasting wordt geheven aannemelijk maakt dat dit oogmerk op dat
tijdstip ontbrak.
Artikel 10b
1. Indien het bedrag van de
belasting op het tijdstip dat een gebruikte personenauto, een
gebruikt motorrijwiel of een gebruikte bestelauto voor het eerst
in gebruik is genomen, ingevolge de wettelijke bepalingen met
betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief zoals die op
dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting
ingevolge artikel 9, na toepassing van artikel 9a, artikel 9ben
artikel 9c, wordt, in afwijking van artikel 10, eerste lid, dat
lagere bedrag aan belasting toegepast indien daarop een beroep
wordt gedaan in de aangifte.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering
van dit artikel.
Artikel 10c
1. Indien voor een gebruikt
geregistreerd motorrijtuig de belasting is verschuldigd ingevolge
artikel 1, derde lid, wordt, in afwijking vanartikel 10, tweede
lid, de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde
lid.
2. Ingeval voor een motorrijtuig
waarvoor de belasting is verschuldigd ingevolgeartikel 1, derde
lid, de belasting al eerder is betaald, wordt, onder bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen, de
verschuldigde belasting verminderd met een bedrag ter zake van de
eerder betaalde belasting.
3. Indien een niet geregistreerd
motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het de hoedanigheid
verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel of een
bestelauto, terwijl voor dat motorrijtuig de belasting al eerder
is betaald, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden en beperkingen, de ingevolge artikel 1, zesde lid,
voor dat motorrijtuig verschuldigde belasting verminderd met een
bedrag ter zake van de eerder betaalde belasting.
4. De vermindering, bedoeld in het
tweede en derde lid, bedraagt ten hoogste het bedrag van de
verschuldigde belasting. De vermindering wordt voor een gebruikt
motorrijtuig berekend met overeenkomstige toepassing vanartikel
14a, vierde lid.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering
van dit artikel.
Artikel 11
Degene die ingevolge deze wet
gehouden is de belasting namens een ander te voldoen, is bevoegd
hetgeen van hem ingevolge de inwerkingtreding van een wijziging van
deze wet of daarop gebaseerde regelgeving meer wordt gevorderd dan
vóór die inwerkingtreding had kunnen geschieden, te vorderen van
die ander. Hiermee strijdige bedingen zijn nietig.
Artikel 12
Degene, namens wie de belasting
ingevolge deze wet door een ander wordt voldaan, is bevoegd hetgeen
van die ander ingevolge de inwerkingtreding van een wijziging van
deze wet of daarop gebaseerde regelgeving minder wordt gevorderd dan
vóór die inwerkingtreding had kunnen geschieden, terug te vorderen
van die ander. Hiermee strijdige bedingen zijn nietig.
Afdeling 3. Naheffing
Artikel 12a
1. Ingeval van constatering van het
gebruik van de weg met een personenauto, een motorrijwiel of een
bestelauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van
een feit als bedoeld in artikel 1, derde tot en met vijfde lid,
niet is betaald, kan de belasting worden nageheven van degene op
wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van constatering.
De aanvang van het gebruik van de weg wordt gesteld op het
tijdstip van de hiervoor bedoelde tenaamstelling.
2. Indien degene op wiens naam het
kenteken is gesteld, aantoont op welk tijdstip na de
tenaamstelling het motorrijtuig in een zodanige staat is gebracht
dat het een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto is,
onderscheidenlijk niet meer voldoet aan de in artikel 9c genoemde
voorwaarden, wordt de aanvang van het gebruik van de weg gesteld
op dat latere tijdstip.
3. Indien degene op wiens naam het
kenteken is gesteld, aantoont op welk tijdstip na de
tenaamstelling de motor van een personenauto in een zodanige staat
is gebracht dat de CO2-uitstoot meer bedraagt dan de CO2-uitstoot
waarover belasting is betaald, wordt de aanvang van het gebruik
van de weg bedoeld in artikel 1, vijfde lid, gesteld op dat latere
tijdstip.
4. Indien degene bij wie de
belasting wordt nageheven aantoont dat de personenauto, het
motorrijwiel of de bestelauto op het tijdstip van tenaamstelling
reeds in een zodanige staat verkeerde dat het een personenauto,
een motorrijwiel of een bestelauto was, onderscheidenlijk niet
meer voldeed aan de in artikel 9c genoemde voorwaarden, en hij
niet wist of behoorde te weten dat de belasting niet is betaald,
kan de belasting worden nageheven van degene op wiens naam het
kenteken daaraan voorafgaand was gesteld, waarbij de aanvang van
het gebruik van de weg wordt gesteld op het tijdstip van de
desbetreffende tenaamstelling. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien degene bij wie de
belasting wordt nageheven aantoont dat de motor van een
personenauto op het tijdstip van tenaamstelling reeds in een
zodanige staat verkeerde dat de CO2-uitstoot meer bedraagt dan de
CO2-uitstoot waarover belasting is betaald, en hij niet wist of
behoorde te weten dat de meer verschuldigde belasting niet is
betaald, kan de belasting worden nageheven van degene op wiens
naam het kenteken daaraan voorafgaand was gesteld, waarbij de
aanvang van het gebruik van de weg bedoeld in artikel 1, vijfde
lid, wordt gesteld op het tijdstip van de desbetreffende
tenaamstelling. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12b
Ingeval van constatering van het
gebruik van de weg met een personenauto, een motorrijwiel of een
bestelauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van
het in artikel 1, vijfde, zesde of achtste lid genoemde feit niet is
betaald, kan de belasting worden nageheven van degene die het
motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van
aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het
tijdstip van constatering.
Hoofdstuk IV. Bijzondere regelingen
Afdeling 1. Vrijstellingen
Artikel 13
1.Vrijstelling van belasting wordt
in andere gevallen dan waarin vrijstelling van belasting wordt
verleend krachtens artikel 39 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, verleend voor personenauto's, motorrijwielen en
bestelauto's waarvoor een kenteken als bedoeld in artikel 37,
derde lid, of artikel 38, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
is of wordt opgegeven.
2.Vrijstelling van belasting wordt
verleend voor personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's die
op grond van artikel II van de Wet van 2 december 1982, houdende
voorlopige voorzieningen in verband met de voorgenomen intrekking
van het Koninklijk besluit van 10 april 1939 (Stb. 181) (Stb.
1982, 733) niet behoeven te worden geregistreerd in het in artikel
1, tweede lid, bedoelde register.
Artikel 13a
1. Vrijstelling van belasting wordt
verleend voor bestelauto’s die op naam worden gesteld van een
ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de
omzetbelasting 1968, die de bestelauto meer dan bijkomstig
gebruikt in het kader van zijn onderneming. De vrijstelling wordt
niet verleend indien het ondernemerschap voor de omzetbelasting
voortvloeit uit het bepaalde in artikel 7, zesde lid, van de Wet
op de omzetbelasting 1968.
2. Voor een bestelauto die door een
ondernemer als bedoeld in het eerste lid voor een langere dan een
bij ministeriële regeling vast te stellen periode ter beschikking
wordt gesteld aan een andere persoon, wordt de vrijstelling
slechts verleend indien deze andere persoon, behoudens de
tenaamstelling, voldoet aan de voorwaarden en beperkingen voor de
vrijstelling.
3. Indien tijdens de eerste vijf
jaren na het tijdstip waarop de bestelauto is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, niet of niet langer
wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor de
vrijstelling, wordt vanaf dat moment het bedrag waarvan
vrijstelling is verleend, nadat dit is verminderd met
overeenkomstige toepassing van artikel 10, zesde lid, als
belasting verschuldigd. Artikel 10, derde, vierde, vijfde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De verschuldigd
geworden belasting wordt door de ondernemer, bedoeld in het eerste
lid, op aangifte voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop
niet of niet langer aan de voorwaarden en beperkingen voor de
vrijstelling wordt voldaan.
4. Indien bij wijziging van de
tenaamstelling van de bestelauto overigens voldaan blijft worden
aan de voorwaarden en beperkingen van de vrijstelling blijft,
onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en
beperkingen, het derde lid buiten toepassing. Alsdan treedt degene
op wiens naam het kenteken wordt gesteld, vanaf het moment van de
wijziging van de tenaamstelling voor de toepassing van dit artikel
in de plaats van degene op wiens naam het kenteken daarvoor was
gesteld.
5. Ingeval een bestelauto waarvoor
vrijstelling is verleend op de voet van dit artikel in een
zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto is, zijn,
in afwijking van het derde lid, de artikelen 1, derde lid, en 12a
van overeenkomstige toepassing.
6. Indien één of meer personen
worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, vormt dit een
verzuim ter zake waarvan de inspecteur aan degene die de
bestelauto feitelijk ter beschikking heeft, een bestuurlijke boete
van € 492 kan opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de
bestuurlijke boete vervalt door het verloop van een jaar na het
constateren van het verzuim, bedoeld in de vorige volzin.
7. Artikel 67cb van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het
bedrag van de boete, genoemd in het zesde lid.
8. Het tweede tot en met zesde lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van bestelauto’s
waarvoor teruggaaf van belasting is verleend ingevolge artikel
15b, zoals dat artikel luidde van 1 juli 2005 tot de datum van
inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel 13b
1. In afwijking van artikel 13a,
derde lid, is het bedrag waarvan vrijstelling is verleend niet als
belasting verschuldigd indien:
a. de tenaamstelling van het
kenteken in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid,
wordt beëindigd omdat de bestelauto buiten Nederland wordt
gebracht;
b. de tenaamstelling van het
kenteken in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid,
wordt beëindigd omdat de bestelauto wordt gesloopt; of
c. de bestelauto is gestolen en
een melding van diefstal van de bestelauto is geplaatst in het
register, bedoeld in artikel 1, tweede lid.
2. Het bedrag waarvan vrijstelling
is verleend wordt, nadat dit is verminderd met overeenkomstige
toepassing van artikel 10, zesde lid, alsnog als belasting
verschuldigd:
a. op het moment van de
tenaamstelling van het kenteken, indien na toepassing van het
eerste lid, onderdeel a of b, het kenteken dat voor de
bestelauto is opgegeven opnieuw wordt tenaamgesteld;
b. op het moment van de
hernieuwde aanvang van het gebruik met de bestelauto van de
weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, indien na
toepassing van het eerste lid, onderdeel a of b, de bestelauto
feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende
natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, zonder dat het
kenteken opnieuw te naam is gesteld;
c. op het moment van de
verwijdering van de melding van diefstal uit het register,
indien na toepassing van het eerste lid, onderdeel c, de
bestelauto wordt teruggevonden, met dien verstande dat geen
belasting verschuldigd is als het kenteken op dat moment nog
op naam staat van degene aan wie de vrijstelling is verleend
en deze de teruggevonden bestelauto aansluitend opnieuw in
gebruik neemt binnen de voorwaarden van de vrijstelling. In
het laatste geval blijven de feiten die zich hebben voorgedaan
in de periode dat de bestelauto was gestolen buiten
beschouwing voor de vraag, of aan de voorwaarden en
beperkingen van de vrijstelling wordt voldaan.
3. Bij de toepassing van het tweede
lid zijn deartikelen 5, 6, 10, derde, vierde, vijfde en zevende
lid, en 12b van overeenkomstige toepassing, met dien verstande,
dat bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, de
belasting wordt voldaan binnen een maand na de verwijdering van de
melding van diefstal uit het register.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 14
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen,
vrijstelling van belasting worden verleend voor uit een ander land
afkomstige personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's die voor
specifieke doeleinden, dan wel onder specifieke omstandigheden
naar Nederland zijn gebracht.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering
van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
3. Paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op verzoeken aan de
inspecteur tot vrijstelling voor specifieke doeleinden op grond
van bepalingen krachtens het eerste lid.
Afdeling 2. Teruggaaf
Artikel 14a
1.Teruggaaf van belasting wordt,
onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en
beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s,
motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het
kenteken in het inartikel 1, tweede lid, bedoelde register wordt
beëindigd omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht,
en het motorrijtuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat van
de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte. De teruggaaf wordt
verleend aan degene op wiens naam het kenteken was gesteld direct
voorafgaand aan de beëindiging van de tenaamstelling in het
register.
2.Teruggaaf van belasting wordt,
onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en
beperkingen, op aanvraag verleend voor in een andere lidstaat van
de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte geregistreerde
personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s waarvoor de
belasting is geheven ter zake van de aanvang van het gebruik in
Nederland met dat motorrijtuig van de weg door een in Nederland
wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, indien het
motorrijtuig niet langer feitelijk ter beschikking staat van de in
Nederland wonende natuurlijke persoon of het in Nederland
gevestigde lichaam en het motorrijtuig weer buiten Nederland is
gebracht. De teruggaaf wordt verleend aan degene van wie de
belasting ingevolge artikel 5, tweede lid, is geheven.
3.De teruggaaf, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt uitsluitend verleend indien de
belasting is betaald ter zake van de registratie van het
motorrijtuig of de tenaamstelling van het kenteken, dan wel de
aanvang van het gebruik in Nederland met het motorrijtuig van de
weg, op of na 16 oktober 2006.
4.De teruggaaf bedraagt het
belastingbedrag, nadat dit is verminderd overeenkomstig een bij
ministeriële regeling vast te stellen tabel. Ingeval voor het
motorrijtuig al eerder teruggaaf van de belasting is verleend,
wordt de teruggaaf slechts verleend voorzover de eerder
teruggegeven belasting op een later tijdstip alsnog als
verschuldigde belasting is voldaan.
5.Bedragen van minder dan € 50
worden niet teruggegeven.
6.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit
artikel.
Artikel 14b
1. Voor een motorrijtuig dat is
geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, en dat voor een periode van ten hoogste vier
jaren wordt verhuurd aan een inwoner van Nederland door een in die
andere staat gevestigde ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de
Wet op de omzetbelasting 1968, wordt, onder bij algemene maatregel
van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op verzoek de
ingevolge artikel 1, zesde lid, te betalen belasting op voorhand
verrekend met de teruggaaf die op de voet van artikel 14akan
worden verleend als het motorrijtuig na afloop van de
overeengekomen huurperiode weer buiten Nederland wordt gebracht.
2. Ingeval op een later tijdstip
een andere huurperiode voor het motorrijtuig wordt overeengekomen
dan de eerder overeengekomen huurperiode, wordt het te verrekenen
bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig
herzien, met dien verstande dat bij een verkorting van de
huurperiode het teveel betaalde gedeelte van de verschuldigde
belasting op verzoek wordt teruggegeven, en bij een verlenging van
de huurperiode de teveel verrekende belasting op aangifte wordt
voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop de andere
huurperiode is overeengekomen.
3. Indien voor een motorrijtuig
niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor
de verrekening, wordt het te verrekenen bedrag van de teruggaaf,
bedoeld in het eerste lid, herzien, met dien verstande dat het
volledige door de verrekening nog niet betaalde gedeelte van de
verschuldigde belasting op aangifte wordt voldaan binnen een maand
na het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden en
beperkingen voor de verrekening wordt voldaan. De eerste volzin is
mede van toepassing ingeval door een verandering van de
overeengekomen huurperiode als bedoeld in het tweede lid, de
totale overeengekomen huurperiode meer bedraagt dan vier jaren.
4. Indien de overeengekomen
huurperiode wordt gewijzigd, dan wel niet langer wordt voldaan aan
de voorwaarden en beperkingen voor de verrekening, wordt dit door
de huurder van het motorrijtuig onverwijld schriftelijk ter kennis
gebracht van de inspecteur.
5. Het te verrekenen bedrag van de
teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, dan wel het terug te geven
bedrag ingevolge het tweede lid, wordt door de inspecteur
vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
6. De verrekening van de teruggaaf,
bedoeld in het eerste lid, dan wel een herziening van deze
verrekening ingevolge het tweede of derde lid, wordt voor de
toepassing van deze wet aangemerkt als een teruggaaf ingevolge
artikel 14a, respectievelijk als een herziening van deze
teruggaaf.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering
van dit artikel.
Artikel 15
1. Teruggaaf van belasting wordt,
onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en
beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto's,
motorrijwielen en bestelauto's die:
a. zijn ingericht om te worden
gebruikt door de politie en als zodanig uiterlijk kenbaar
zijn;
b. zijn ingericht om te worden
gebruikt door de brandweer en als zodanig uiterlijk kenbaar
zijn;
c. kennelijk zijn ingericht om
te worden gebruikt door een invalide en zijn uitgerust met een
elektromotor dan wel met een verbrandingsmotor met een
cylinderinhoud van ten hoogste 250 cm³;
d. zijn ingericht voor het
vervoer van zieken en gewonden en als zodanig uiterlijk
kenbaar zijn;
e. zijn ingericht voor het
vervoer van stoffelijke overschotten en als zodanig uiterlijk
kenbaar zijn;
f. zijn ingericht voor het
vervoer van gevangenen en als zodanig uiterlijk kenbaar zijn;
g. zijn ingericht en
uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van
rolstoelgebruikers in groepsverband;
h. zijn ingericht voor het
vervoer van zieke of gewonde dieren en als zodanig uiterlijk
kenbaar zijn;
i. zijn ingericht voor
geldtransport en als zodanig uiterlijk kenbaar zijn.
2. De teruggaaf wordt verleend aan
degene op wiens naam het kenteken is gesteld.
3. De inspecteur beslist op de
aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. In geval voor een personenauto,
een motorrijwiel of, gedurende de eerste vijf jaren na
inschrijving in het in artikel 1, tweede lid, bedoelde register,
een bestelauto, niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen voor teruggaaf, wordt vanaf dat moment het
teruggegeven bedrag, nadat dit is verminderd met overeenkomstige
toepassing van artikel 10, zesde lid, als belasting verschuldigd.
Artikel 10, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing. De verschuldigd geworden belasting
wordt door degene aan wie de teruggaaf is verleend, op aangifte
voldaan binnen een maand na het moment dat niet langer aan de
voorwaarden en beperkingen wordt voldaan.
5. Bij wijziging van de
tenaamstelling van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto
blijven, op daartoe gedaan gezamenlijk verzoek van degene op wiens
naam het kenteken wordt gesteld en degene op wiens naam het
kenteken daarvoor was gesteld, het eerste en vierde lid buiten
toepassing indien overigens voldaan blijft worden aan de
voorwaarden en beperkingen waaronder de teruggaaf is verleend. Bij
inwilliging van het verzoek treedt degene op wiens naam het
kenteken wordt gesteld vanaf het moment van de wijziging van de
tenaamstelling voor de toepassing van dit artikel in de plaats van
degene op wiens naam het kenteken daarvoor was gesteld. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
Artikel 15a
1. Teruggaaf van belasting wordt,
onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en
beperkingen, op aanvraag verleend voor bestelauto's die zijn
ingericht om te worden gebruikt voor het vervoer van een
gehandicapte persoon in de cabine en voor het gelijktijdige
vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel ten behoeve van die
persoon.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de teruggaaf voorts verleend, indien de laadruimte van de
bestelauto in afwijking van artikel 3, derde lid, ten gevolge van
aanpassing van de bestelauto in verband met de handicap van de in
het eerste lid bedoelde persoon, niet langer van de
bestuurdersplaats onderscheidenlijk de cabine is afgescheiden of
niet in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer.
3. Indien de gehandicapte een ander
is dan degene op wiens naam het kenteken is gesteld, is het eerste
lid slechts van toepassing indien de aanvraag als bedoeld in het
eerste lid wordt gedaan door die ander en de gehandicapte
gezamenlijk.
4. De teruggaaf wordt verleend aan
degene op wiens naam het kenteken is gesteld.
5. De inspecteur beslist op de
aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
6. De aanspraak op teruggaaf
ontstaat op het tijdstip waarop aan de voorwaarden en beperkingen
voor teruggaaf als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan.
7. Indien het in het zesde lid
bedoelde tijdstip is gelegen na het tijdstip waarop de bestelauto
is ingeschreven in het inartikel 1, tweede lid, bedoelde register,
bedraagt de teruggaaf het belastingbedrag nadat dit is verminderd
overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen
tabel, met dien verstande dat ingeval voor de bestelauto al eerder
teruggaaf is verleend, de teruggaaf niet meer bedraagt dan dit
belastingbedrag verminderd met de eerdere teruggaven, voor zover
de eerder teruggegeven bedragen niet later alsnog als
verschuldigde belasting zijn voldaan.
8. Ingeval voor een bestelauto
waarvoor teruggaaf is verleend, gedurende de eerste vijf jaren na
registratie in het in artikel 1, tweede lid, bedoelde register,
niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor
de teruggaaf, is vanaf dat moment het teruggegeven bedrag, nadat
dit is verminderd met overeenkomstige toepassing van artikel 10,
zesde lid, als belasting verschuldigd. Belasting is eveneens
verschuldigd, met overeenkomstige toepassing van artikel 10,
eerste en zesde lid, ingeval een bestelauto waarvoor teruggaaf is
verleend in een zodanige staat wordt gebracht, anders dan door een
aanpassing als bedoeld in het tweede lid, dat het een personenauto
is. De verschuldigd geworden belasting wordt door degene aan wie
de teruggaaf is verleend, op aangifte voldaan binnen een maand
nadat niet meer aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarden en
beperkingen wordt voldaan, onderscheidenlijk vóór aanvang van
het gebruik van de weg met de in de tweede volzin bedoelde
personenauto. De artikelen 10, derde, vierde, vijfde en zevende
lid, en 12a zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Bij wijziging van de
tenaamstelling van een bestelauto blijven, op daartoe gedaan
gezamenlijk verzoek van degene op wiens naam het kenteken wordt
gesteld en degene op wiens naam het kenteken daarvoor was gesteld,
het eerste en achtste lid buiten toepassing indien overigens
voldaan blijft worden aan de voorwaarden en beperkingen waaronder
de teruggaaf is verleend. Bij inwilliging van het verzoek treedt
degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld vanaf het moment
van de wijziging van de tenaamstelling voor de toepassing van dit
artikel in de plaats van degene op wiens naam het kenteken
daarvoor was gesteld. De inspecteur beslist op het verzoek bij
voor bezwaar vatbare beschikking.
10. In geval niet meer wordt
voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor de teruggaaf
doordat de gehandicapte is overleden, wordt in afwijking van het
achtste lid, het teruggegeven bedrag niet als belasting
verschuldigd zolang de tenaamstelling van het kenteken niet wordt
gewijzigd en de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het
persoonlijk gebruik van degene op wiens naam het kenteken is
gesteld, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen.
Indien de teruggaaf is verleend aan de gehandicapte en het
kenteken na diens overlijden op naam wordt gesteld van een
inwonend gezinslid van het gezin waartoe de gehandicapte behoorde,
is de vorige volzin op daartoe gedaan verzoek van degene op wiens
naam het kenteken wordt gesteld van overeenkomstige toepassing. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking. Bij inwilliging van het verzoek treedt vanaf de datum
van de beschikking degene op wiens naam het kenteken is gesteld
voor de toepassing van dit artikel in de plaats van degene aan wie
de teruggaaf is verleend. Ingeval gedurende de eerste vijf jaren
na registratie in het in artikel 1, tweede lid, bedoelde register,
niet langer wordt voldaan aan de in dit lid gestelde voorwaarden
en beperkingen, wordt het teruggegeven bedrag alsnog als belasting
verschuldigd. Het achtste en negende lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
11. Indien een of meer personen
worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, vormt dit een
verzuim ter zake waarvan de inspecteur aan degene die het
motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft een bestuurlijke
boete van ten hoogste€ 492 kan opleggen. De bevoegdheid tot het
opleggen van de bestuurlijke boete vervalt door verloop van een
jaar na het constateren van het in de vorige volzin bedoelde
verzuim.
12. Artikel 67cb van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op
het bedrag van de boete, genoemd in het elfde lid.
13. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 15b
1.Wanneer degene die gehouden is
voor een bestelauto de belasting op aangifte te voldoen voor die
bestelauto in aanmerking komt voor een teruggaaf van belasting op
grond van artikel 15 of 15a, wordt de teruggaaf niet verleend dan
nadat de belasting op aangifte is voldaan, met dien verstande dat
de belasting die op aangifte moet worden voldaan, kan worden
verrekend met het bedrag van de teruggaaf indien daar in de
aangifte om wordt verzocht.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 15c [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 16
1.Teruggaaf van belasting wordt,
onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en
beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s die zijn
bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het
verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de
Wet personenvervoer 2000.
2.De teruggaaf wordt verleend aan
degene op wiens naam het kenteken is gesteld.
3.De inspecteur beslist op de
aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4.De aanspraak op teruggaaf
ontstaat op het tijdstip waarop aan de voorwaarden en beperkingen
voor teruggaaf als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan.
5.Indien het in het vierde lid
bedoelde tijdstip is gelegen na het tijdstip waarop de
personenauto is ingeschreven in het in artikel 1, tweede lid,
bedoelde register, bedraagt de teruggaaf het belastingbedrag nadat
dit is verminderd overeenkomstig een bij ministeriële regeling
vast te stellen tabel, met dien verstande dat ingeval voor een
personenauto al eerder teruggaaf is verleend, de teruggaaf niet
meer bedraagt dan dit belastingbedrag verminderd met de eerdere
teruggaven, voor zover de eerder teruggegeven bedragen niet later
alsnog als verschuldigde belasting zijn voldaan.
6.Indien in het eerste, tweede of
derde jaar na het in het vierde lid bedoelde tijdstip niet langer
aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf, bedoeld in het
eerste lid wordt voldaan, wordt vanaf het moment dat hieraan niet
langer wordt voldaan het teruggegeven bedrag voor de nog niet
verstreken maanden van het desbetreffende jaar en de nog niet
verstreken hele jaren van deze drie jaarsperiode naar
tijdsevenredigheid als belasting verschuldigd. Indien voor de
reeds verstreken periode van het desbetreffende jaar de
personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het
in het eerste lid bedoelde vervoer wordt voor de tijdsevenredige
berekening van de verschuldigde belasting ook dit jaar geheel in
aanmerking genomen. De verschuldigd geworden belasting wordt op
aangifte voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop niet
langer aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf, bedoeld
in het eerste lid wordt voldaan.
7.Indien over het eerste, tweede of
derde jaar na het in het vierde lid bedoelde tijdstip bezien
uitsluitend niet is voldaan aan de voorwaarde dat de personenauto
geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het in het eerste
lid bedoelde vervoer, wordt telkens een derde deel van het
teruggegeven bedrag als belasting verschuldigd. De verschuldigd
geworden belasting wordt op aangifte voldaan binnen een maand na
afloop van het desbetreffende jaar.
8.Bij wijziging van de
tenaamstelling van de personenauto blijven, op daartoe gedaan
gezamenlijk verzoek van degene op wiens naam het kenteken wordt
gesteld en degene op wiens naam het kenteken daarvoor was gesteld,
het eerste en zesde lid buiten toepassing indien overigens voldaan
blijft worden aan de voorwaarden en beperkingen waaronder de
teruggaaf is verleend. Bij inwilliging van het verzoek treedt
degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld vanaf het moment
van de wijziging van de tenaamstelling voor de toepassing van dit
artikel in de plaats van degene op wiens naam het kenteken
daarvoor was gesteld. De inspecteur beslist op het verzoek bij
voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 16aa
1. In afwijking van artikel 15,
vierde lid,artikel 15a, achtste en tiende lid, en artikel 16,
zesde lid, is het teruggegeven bedrag niet als belasting
verschuldigd indien:
a. de tenaamstelling van het
kenteken in het inartikel 1, tweede lid, bedoelde register
wordt beëindigd omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt
gebracht;
b. de tenaamstelling van het
kenteken in het inartikel 1, tweede lid, bedoelde register
wordt beëindigd omdat het motorrijtuig wordt gesloopt; of
c. het motorrijtuig is gestolen
en een melding van diefstal van het motorrijtuig is geplaatst
in het in artikel 1, tweede lid, bedoelde register.
2. Het teruggegeven bedrag wordt,
nadat dit is verminderd met overeenkomstige toepassing vanartikel
10, zesde lid, alsnog als belasting verschuldigd:
a. op het moment van de
tenaamstelling van het kenteken, indien na toepassing van het
eerste lid, onderdeel a of b, het kenteken dat voor het
motorrijtuig is opgegeven opnieuw wordt tenaamgesteld;
b. op het moment van de
hernieuwde aanvang van het gebruik met het motorrijtuig van de
weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, indien na
toepassing van het eerste lid, onderdeel a of b, het
motorrijtuig feitelijk ter beschikking staat van een in
Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam,
zonder dat het kenteken opnieuw te naam is gesteld;
c. op het moment van de
verwijdering van de melding van diefstal uit het register,
indien na toepassing van het eerste lid, onderdeel c, het
motorrijtuig wordt teruggevonden, met dien verstande dat geen
belasting verschuldigd is als het kenteken op dat moment nog
op naam staat van degene aan wie de teruggaaf is verleend en
deze het teruggevonden motorrijtuig aansluitend opnieuw in
gebruik neemt binnen de voorwaarden van de teruggaaf. In het
laatste geval blijven de feiten die zich hebben voorgedaan in
de periode dat het motorrijtuig was gestolen buiten
beschouwing voor de vraag, of aan de voorwaarden en
beperkingen van de teruggaaf wordt voldaan.
3. Bij de toepassing van het tweede
lid zijn deartikelen 5, 6, 10, derde, vierde, vijfde en zevende
lid, en 12b van overeenkomstige toepassing, met dien verstande,
dat bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, de
belasting wordt voldaan binnen een maand na de verwijdering van de
melding van diefstal uit het register.
4. Voor personenauto’s waarvoor
de belasting is teruggegeven ingevolge artikel 16, is het eerste
lid, onderdeel a, slechts van toepassing, indien gedurende ten
minste twaalf maanden is voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen, bedoeld in artikel 16, eerste lid. Voorts wordt het
ingevolge het tweede lid verschuldigde bedrag met een derde deel
verminderd voor ieder jaar, waarin voor de personenauto wordt
voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in artikel 16,
eerste lid.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Afdeling 3. Tariefwijzigingen
Artikel 16a
1. In geval van een verhoging van
de in artikel 9 opgenomen tarieven wordt voor een personenauto,
motorrijwiel of bestelauto waarvoor voorafgaande aan het tijdstip
waarop de verhoging in werking treedt, een kentekenbewijs is
afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, de belasting berekend op
de voet van artikel 9, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding,
mits de tenaamstelling van het kenteken plaatsvindt binnen twee
maanden na de inwerkingtreding. Indien de tenaamstelling
plaatsvindt nadat deze twee maanden zijn verstreken, wordt de
belasting berekend op de voet van artikel 9, zoals dat luidt nadat
de verhoging in werking is getreden.
2. In geval van een verlaging van
de in artikel 9 opgenomen tarieven wordt voor een personenauto,
motorrijwiel of bestelauto waarvoor voorafgaande aan het tijdstip
waarop de verlaging in werking treedt, een kentekenbewijs is
afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, de belasting berekend op
de voet van artikel 9, zoals dat luidt nadat de verlaging in
werking is getreden.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen in overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu
nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 16b
1. De artikelen 10.1 en 10.2 van de
Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op
de in de artikel 9, eerste lid, in de vierde kolom van de tabellen
vermelde bedragen.
2. Bij ministeriële regeling
worden, na toepassing van het eerste lid, de in artikel 9, eerste
lid, in de derde kolom van de tabellen vermelde bedragen
dienovereenkomstig aangepast.
Hoofdstuk V. Aanvullende regelingen
Afdeling 1. Zekerheid
Artikel 17
1.Degene, aan wie op de voet van
artikel 8 is toegestaan de belasting per tijdvak te voldoen, stelt
zekerheid voor de belasting die hij verschuldigd is of kan worden.
2.Het bedrag van de zekerheid wordt
door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld voor de bepaling van de hoogte van
het bedrag van de zekerheid.
4.De zekerheid wordt gesteld bij de
ontvanger.
5.De ontvanger beslist of de vorm
van zekerheid die wordt aangeboden, wordt aanvaard.
6.De aan het stellen van zekerheid
verbonden kosten komen ten laste van degene aan wie de vergunning
is verleend.
7.Ingeval de zekerheid wordt
gesteld in geld wordt daarover een rente vergoed die gelijk is aan
de herfinancieringsrente, te weten de minimale biedrente die de
Europese Centrale Bank hanteert voor
basisherfinancieringstransacties.
8.Voor de toepassing van het
zevende lid wordt het over een kalendermaand te vergoeden
rentebedrag berekend naar de rente die geldt bij de aanvang van
die maand.
Afdeling 1a. Boetebepaling
Artikel 17a [Vervallen per
01-07-2005]
Afdeling 2. Controle
Artikel 18
Op eerste vordering van ambtenaren
van de rijksbelastingdienst of van opsporingsambtenaren als bedoeld
in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is de bestuurder
van een motorrijtuig verplicht dat te doen stilstaan.
Artikel 19
De in artikel 18 bedoelde ambtenaren
zijn bevoegd een motorrijtuig te onderwerpen aan een onderzoek en
het daartoe te brengen of te doen brengen naar een nabij gelegen
plaats. De bestuurder van het motorrijtuig en bij diens afwezigheid
degene die het motorrijtuig houdt, is verplicht desgevorderd zijn
voor het onderzoek en het vervoer noodzakelijke medewerking te
verlenen en de ambtenaren met het motorrijtuig te vervoeren.
Aanvullende maatregelen
Artikel 20
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de
wet nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet
geregelde onderwerpen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de
in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk Va. Overgangsbepalingen
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 31
1.Indien met betrekking tot
personenauto’s en motorrijwielen die na 31 december 1992 worden
geregistreerd vóór 1 januari 1993 bijzondere verbruiksbelasting
van personenauto’s of bijzondere verbruiksbelasting van
motorrijwielen op de voet van artikel 50 onderscheidenlijk van
artikel 50a van de Wet op de omzetbelasting 1968 verschuldigd is
geworden, wordt die belasting verrekend met de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen.
2.Met betrekking tot personenauto’s
en motorrijwielen die vóór 1 januari 1993 zijn geregistreerd en
die niet vóór die datum zijn ingevoerd of geleverd door de
fabrikant in de zin van de artikelen 50, eerste lid, en 50a,
eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zoals deze
luidden op 31 december 1992, wordt de belasting verschuldigd ter
zake van de aanvang van het gebruik na 31 december 1992 met dat
motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de
Wegenverkeerswet 1994.
3.[Vervallen.]
4.Indien vóór 1 januari 1993
geregistreerde motorrijtuigen als bedoeld in artikel 50, tweede
lid, onderdelen a, b, c en d, en artikel 50a, tweede lid,
onderdelen a en b, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals die
luidden op 31 december 1992, in een zodanige staat worden gebracht
dat zij een personenauto of een motorrijwiel worden in de zin van
artikel 50, onderscheidenlijk artikel 50a van de Wet op de
omzetbelasting 1968, zoals die luidden op 31 december 1992, is
belasting van personenauto’s en motorrijwielen verschuldigd. De
belasting is verschuldigd door degene op wiens naam het
motorrijtuig is geregistreerd.
5.Met betrekking tot personenauto’s
en motorrijwielen waarvoor bijzondere verbruiksbelasting van
personenauto’s of bijzondere verbruiksbelasting van
motorrijwielen is verschuldigd geworden en die na 31 december 1992
worden uitgevoerd in de zin van artikel 50, elfde lid, van de Wet
op de omzetbelasting 1968, zoals dat luidde op 31 december 1992,
blijven in afwijking van artikel 25, onderdeel B, na 31 december
1992 de artikelen 50, elfde lid, onderscheidenlijk artikel 50a,
vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 van toepassing,
zoals die luidde op 31 december 1992.
6.Met betrekking tot een
personenauto die vóór 1 januari 1993 is geregistreerd en die
blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige
vergunning, dan wel vergunningbewijs, is bestemd om openbaar
vervoer of taxivervoer te verrichten, wordt, in afwijking van
artikel 25, onderdeel B, teruggaaf verleend van de betaalde
bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s op de voet van
artikel 50, twaalfde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968,
zoals dat luidde op 31 december 1992.
Artikel 32
1.Ondernemers die op 31 december
1992 in het bezit zijn van een aanwijzing op grond van artikel 23
van de Wet op de omzetbelasting 1968, juncto artikel 18a van de
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (Stcrt. 1968, 169), dan
wel zijn toegelaten tot de Algemene regeling versnelde afgifte
kentekenbewijzen delen I, worden geacht op 1 januari 1993 in het
bezit te zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 8 van de
Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
2.De in het eerste lid bedoelde
vergunningen zijn geldig tot aan het moment dat de inspecteur deze
bij beschikking definitief vaststelt, wijzigt of intrekt, doch
uiterlijk tot en met 31 december 1993.
Artikel 33
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 34
Bij ministeriële regeling kunnen
nadere, zo nodig van de bepalingen van deze wet afwijkende regels
worden gesteld die tot 1 juli 1993 de overgang van de krachtens de
Wet op de omzetbelasting 1968 geheven bijzondere
verbruiksbelastingen van personenauto’s en motorrijwielen naar de
krachtens deze wet geheven belasting vergemakkelijken.
Artikel 35
Waar in deze wet de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 is aangehaald
met vermelding van het Staatsblad waarin die wet is geplaatst, wordt
bij plaatsing van deze wet in het Staatsblad na 'Stb.' ingevoegd het
nummer van het Staatsblad waarin de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 is geplaatst.
Hoofdstuk Vb [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 35a [Vervallen per
01-01-2003]
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 36
Deze wet treedt in werking met ingang
van 1 januari 1993.
Artikel 37
Deze wet kan worden aangehaald als
Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Het Oude Loo,
24 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de dertigste
december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch
Ballin
|