Nadere regelgeving:
- Besluit buitenslands
gediplomeerden volksgezondheid
- Besluit
stralingsbescherming
- Regeling aanwijzing buitenlandse diploma’s volksgezondheid
- Regeling
natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008'
- Regeling
voorzieningen stralingsbescherming werknemers'
- Registratiebesluit BIG
- Tuchtrechtbesluit BIG
WET van 11 november 1993, houdende
regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is:
de tot dusverre geldende wettelijke regeling op het gebied van de
uitoefening van de geneeskunst, inhoudende een het gehele gebied der
geneeskunst bestrijkend verbod van beroepsuitoefening zonder hiertoe
wettelijk verleende bevoegdheid, te vervangen door een regeling welke
een ruimer gebied van individuele gezondheidszorg bestrijkt en waarbij
slechts het verrichten van bij de wet aangewezen categorieën van
handelingen wordt voorbehouden aan categorieën van daartoe
overeenkomstig de wet gekwalificeerden, terwijl het voeren van wettelijk
beschermde beroepstitels uitsluitend toekomt aan degenen die in de voor
de desbetreffende beroepen overeenkomstig de wet ingestelde registers
ingeschreven staan en ten aanzien van andere beroepen op het gebied van
de individuele gezondheidszorg voorzien wordt in de mogelijkheid tot het
regelen van de opleiding tot die beroepen;
voor onderscheidene categorieën van overeenkomstig de wet
gekwalificeerden een aan de gebleken behoeften aangepaste regeling van
tuchtrechtspraak in het leven te roepen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop
berustende bepalingen worden onder handelingen op het gebied van
de individuele gezondheidszorg naast de in het tweede lid
omschreven handelingen verstaan alle andere verrichtingen - het
onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -,
rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe
strekkende diens gezondheid te bevorderen of te bewaken.
2.In deze wet en de daarop
berustende bepalingen worden onder handelingen op het gebied van
de geneeskunst verstaan:
a. alle verrichtingen - het
onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -,
rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe
strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het
ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn
gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel verloskundige
bijstand te verlenen;
b. het bij een persoon afnemen
van bloed of wegnemen van weefsel voor andere doeleinden dan
die, bedoeld onder a;
c. het wegnemen van weefsel bij
een overledene en het verrichten van sectie.
Artikel 2
1.In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder Onze Minister verstaan Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2.In de hoofdstukken VII en VIII en
de daarop berustende bepalingen worden onder Onze Ministers
verstaan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en
van Justitie.
3.In deze wet wordt onder een
andere overeenkomstsluitende staat verstaan een staat, niet zijnde
een lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap, die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of Zwitserland.
4.In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder register verstaan een
overeenkomstig artikel 3, eerste lid, ingesteld register.
5.In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder erkend specialistenregister
verstaan een specialistenregister ten aanzien waarvan artikel 14,
eerste lid, is toegepast, dan wel een specialistenregister dat met
toepassing van artikel 16 in het leven is geroepen.
Hoofdstuk II. Registratie en
titelbescherming
§ 1. Algemeen
Artikel 3
1.Er worden registers ingesteld,
waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet
gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven,
onderscheidenlijk als:
arts,
tandarts,
apotheker,
gezondheidszorgpsycholoog,
psychotherapeut,
fysiotherapeut,
verloskundige,
verpleegkundige.
2.Bij elke inschrijving worden in
het register vermeld de naam, voornamen, geslacht, geboortedatum,
nationaliteit en adres van de betrokkene en het nummer en het
tijdstip van inschrijving.
3.Elk register wordt ingesteld en
beheerd door Onze Minister.
4.De registers worden ingesteld ten
einde te kunnen voldoen aan een verzoek om informatie als bedoeld
in artikel 12 en ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van
de artikelen 4 en 17.
Artikel 4
1.Aan degenen die in een register
ingeschreven staan, is het recht voorbehouden de in artikel 3,
eerste lid, aan de hoedanigheid waarin zij ingeschreven worden,
gegeven benaming als titel te voeren.
2.Het is degene wie het recht tot
het voeren van een in deze wet geregelde titel niet toekomt op
grond van het eerste lid, verboden deze titel, een daarop
gelijkende benaming dan wel een op die titel betrekking hebbend
onderscheidingsteken, aangegeven met toepassing van artikel 93 of
daarmee in hoofdzaak overeenstemmend, te voeren.
3.Zolang een inschrijving in een
register geschorst is, wordt de betrokkene gelijkgesteld met een
niet-ingeschrevene.
4.Waar in deze wet of in daarop
berustende bepalingen personen met een der in artikel 3, eerste
lid, vermelde benamingen worden aangeduid, worden, voor zover niet
anders blijkt, daaronder verstaan degenen die in het betrokken
register ingeschreven staan.
Artikel 5
1. Onze minister is bevoegd op de
aanvrage tot inschrijving in een register te beslissen. Onze
Minister is voorts bevoegd te beslissen op de aanvraag van een
verpleegkundige tot vermelding in het register van de bevoegdheid
van de aanvrager de krachtens artikel 36, veertiende lid,
aangewezen UR-geneesmiddelen voor te schrijven. De vermelding
houdt mede in de aanduiding van de categorie van verpleegkundigen
waartoe de aanvrager behoort. Onze Minister is bevoegd een
vermelding als bedoeld in de vorige volzin door te halen indien de
betrokken verpleegkundige niet meer voldoet aan de krachtens
artikel 36, veertiende lid, onder d, gestelde eisen.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld over het bedrag dat
voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid
moet worden betaald alsmede over de wijze van indiening van een
aanvrage en de daarbij te verstrekken gegevens of bescheiden,
nodig voor de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag wordt zodanig
bepaald dat daarmee de kosten van de behandeling van een aanvraag
als bedoeld in het eerste lid worden betaald.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kan een bedrag worden vastgesteld dat per in de maatregel
aangewezen periode aan ingeschreven beroepsbeoefenaren in rekening
wordt gebracht voor het ingeschreven zijn in het register. Het in
de eerste volzin bedoelde bedrag wordt zodanig bepaald dat daarmee
de kosten, verbonden aan het in het register ingeschreven zijn,
worden gedekt.
Artikel 6
De inschrijving wordt geweigerd:
a. indien de aanvrager niet
voldoet aan de in hoofdstuk III bedoelde opleidingseisen;
b. indien de aanvrager ingevolge
in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak onder
curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;
c. indien de aanvrager ingevolge
rechterlijke uitspraak ontzet is van het recht het betrokken
beroep uit te oefenen;
d. indien zulks voortvloeit uit
een op grond van deze wet jegens de aanvrager genomen maatregel;
e. indien ten aanzien van de
aanvrager een maatregel, berustende op een in het buitenland
gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke
beslissing, van kracht is op grond waarvan de aanvrager zijn
rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in
het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend
geheel heeft verloren.
Artikel 7
De inschrijving wordt doorgehaald:
a. in geval van overlijden van de
ingeschrevene;
b. op verzoek van de
ingeschrevene;
c. indien de ingeschrevene in een
der in artikel 6, onder b of c, genoemde omstandigheden is komen
te verkeren;
d. indien zulks voortvloeit uit
een op grond van deze wet jegens de ingeschrevene genomen
maatregel;
e. indien zulks voortvloeit uit
een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven
rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing
op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de
uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de
beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft
verloren.
Artikel 7a
Onze Minister kan artikel 6,
onderdeel e, enartikel 7, onderdeel e, buiten toepassing laten of
daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze
bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
Artikel 8
1.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald dat de inschrijving in een bij de maatregel
aangewezen register wordt doorgehaald indien na de in het tweede
lid bedoelde datum een bij de maatregel aangegeven periode is
verstreken.
2.De in het eerste lid bedoelde
datum is de meest recente van de volgende data:
a. de datum waarop de
ingeschrevene een bij of krachtens hoofdstuk III of VI
aangewezen getuigschrift of een in artikel 41, eerste lid,
onder b, bedoelde verklaring of een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties heeft verkregen;
b. de naar aanleiding van een
aanvrage van de ingeschrevene in het register aangetekende
datum voorafgaand waaraan hij in de in het eerste lid bedoelde
periode overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels met
goed gevolg scholing heeft afgerond;
c. de naar aanleiding van een
aanvrage van de ingeschrevene in het register aangetekende
datum voorafgaande waaraan de ingeschrevene op het
desbetreffende gebied van de beroepsuitoefening werkzaamheden
heeft verricht die wat betreft duur en spreiding over de in
het eerste lid bedoelde periode voldoen aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen.
3.In afwijking van het eerste lid
wordt de inschrijving van een specialist, waarvoor een regeling
geldt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, in het in het eerste
lid bedoelde register niet doorgehaald zolang deze als specialist
is ingeschreven in een erkend specialistenregister.
4.Op een aanvrage als bedoeld in
het tweede lid, onder b of c, is artikel 5 van overeenkomstige
toepassing.
5.De doorhaling blijft achterwege
zolang niet is beslist op een reeds ingediende aanvrage tot
aantekening van een datum als bedoeld in het tweede lid, onder b
of c.
6.[Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
7.Onze Minister kan:
a. eisen vaststellen waaraan de
aard van de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c,
voor de toepassing van dit artikel moeten voldoen;
b. al dan niet op het gebied
van de individuele gezondheidszorg liggende werkzaamheden
aanwijzen die voor de toepassing van dit artikel worden
gelijkgesteld met werkzaamheden op het desbetreffende gebied
der beroepsuitoefening.
Artikel 9
1. In het register wordt, indien
zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet genomen maatregel
of besluit, een aantekening geplaatst van:
a. een gegeven bevel,
inhoudende een inperking van de bevoegdheid in het register
ingeschreven staande het betrokken beroep uit te oefenen;
b. een aan de ingeschrevene
opgelegde berisping;
c. een aan de ingeschrevene
opgelegde geldboete;
d. de schorsing van een
inschrijving;
e. de voorwaarden die een
ingeschrevene zijn opgelegd;
f. de gedeeltelijke ontzegging
van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het
betrokken beroep uit te oefenen;
g. het eindigen van een
schorsing, anders dan ten gevolge van het verstrijken van de
in een maatregel vastgestelde tijdsduur;
h. het niet langer gelden van
de onder e bedoelde voorwaarden, anders dan ten gevolge van
het verstrijken van de proeftijd, en van de onder f bedoelde
ontzegging.
2. In het register wordt een
aantekening geplaatst van een maatregel, berustend op een in het
buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of
bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene
zijn rechten terzake van de uitoefening van het betrokken beroep
in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend
gedeeltelijk heeft verloren.
3. Bij een aantekening als bedoeld
in het eerste of tweede lid wordt vermeld:
a. de datum waarop van de
schorsing een aantekening wordt geplaatst alsmede de duur van
de schorsing, indien die reeds bekend is;
b. de datum waarop het bevel,
de berisping, de geldboete, de in het eerste lid bedoelde
voorwaarden of de ontzegging zijn gaan gelden alsmede, ingeval
de voorwaarden of de in het tweede lid bedoelde maatregel tot
een proeftijd zijn beperkt, de duur daarvan dan wel
c. de datum waarop de schorsing
is geëindigd of vanaf welke het bevel, de in eerste lid
bedoelde voorwaarden of de in het tweede lid bedoelde
maatregel niet langer gelden.
4. Indien de in het tweede lid
bedoelde aantekening in het register is geplaatst, geldt de in het
buitenland opgelegde bevoegdheidsbeperking ook voor de
beroepsuitoefening in Nederland.
5. De in het eerste lid, onderdeel
b tot en met h, en de in het tweede lid bedoelde aantekening wordt
gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn
in het register vermeld en daarbij wordt indien bekend de aard van
het vergrijp vermeld dat tot de aantekening heeft geleid.
Artikel 10
1.Iedere inschrijving, aantekening
of doorhaling in een register geschiedt op grond van een daartoe
strekkende gedagtekende beschikking.
2.Onze Minister zendt een afschrift
van een beschikking als bedoeld in het eerste lid aan de beheerder
van het register van zorgaanbieders, bedoeld in artikel 14 van de
Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg.
Artikel 11
1. Onze Minister draagt zorg voor
openbare kennisgeving van:
a. hetgeen op grond van artikel
9 in het register is aangetekend en vermeld, met dien
verstande dat van de aan een ingeschrevene opgelegde
voorwaarden uitsluitend wordt kennisgegeven in de bij algemene
maatregel van bestuur aan te geven gevallen;
b. een doorhaling van de
inschrijving
– ter tenuitvoerlegging
van een op grond van deze wet genomen maatregel;
– op grond van artikel 7,
onder c, of
– op grond van artikel 7,
onder e;
c. de inschrijving van een
persoon ingeval op grond van onderdeel b openbaar kennis is
gegeven van de doorhaling van de voorafgaande inschrijving van
die persoon;
d. de ontzegging, bedoeld in
artikel 48, derde lid, van het recht wederom in het register
te worden ingeschreven.
2. In de openbare kennisgeving
worden de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld. De
openbare kennisgeving geschiedt op bij algemene maatregel van
bestuur te regelen wijze en voor de daarbij vast te stellen duur,
met dien verstande dat de kennisgeving in ieder geval in de
Staatscourant geschiedt.
Artikel 12
1. Aan de betrokkene wordt op diens
verlangen medegedeeld wat te zijnen aanzien in het register
vermeld staat.
2. Aan een ieder die zulks
verlangt, wordt medegedeeld:
a. of een persoon in een
register ingeschreven staat;
b. of ten aanzien van een
ingeschrevene een bevel, inhoudende een beperking van de
bevoegdheid in het register ingeschreven staande het betrokken
beroep uit te oefenen, van kracht is, met, zo dit het geval
is, een omschrijving van de inhoud van het bevel;
c. of met betrekking tot de
ingeschrevene in het register een aantekening is opgenomen
inzake een berisping, met, zo dit het geval is, onder
vermelding van de aard van het vergrijp dat tot de oplegging
van de berisping heeft geleid;
d. of met betrekking tot de
ingeschrevene in het register een aantekening is opgenomen
inzake een opgelegde geldboete, met, zo dit het geval is,
onder vermelding van de aard van het vergrijp dat tot de
oplegging van de berisping heeft geleid;
e. of de inschrijving van een
persoon in een register geschorst is;
f. of ten aanzien van een
ingeschrevene een maatregel, inhoudende een gedeeltelijke
ontzegging van de bevoegdheid in het register ingeschreven
staande het betrokken beroep uit te oefenen, van kracht is,
met, zo dit het geval is, een omschrijving van de inhoud van
de maatregel;
g. in bij algemene maatregel
van bestuur aan te geven gevallen: of ten aanzien van een
ingeschrevene voorwaarden zijn gesteld, met, zo dit het geval
is, een omschrijving van die voorwaarden en, ingeval deze tot
een proeftijd zijn beperkt, een vermelding van de duur
daarvan;
h. of ten aanzien van een
verpleegkundige een vermelding als bedoeld inartikel 5, eerste
lid, tweede volzin, van toepassing is.
3. Gedurende de periode dat daarvan
op grond van artikel 11 openbaar kennis wordt gegeven, geldt een
gelijke verplichting tot mededeling als bedoeld in het tweede lid
ten aanzien van een in artikel 11, eerste lid, onderdeel b en d
bedoelde doorhaling en ontzegging van het recht wederom in het
register te worden ingeschreven.
4. De verstrekking van
mededelingen, bedoeld in het tweede lid, anders dan aan
bestuursorganen en daaronder ressorterende diensten, geschiedt,
voor zover zij schriftelijk plaats vindt, tegen betaling van een
vergoeding volgens een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen tarief.
Artikel 13
De in de registers opgenomen gegevens
kunnen tevens worden gebruikt ten behoeve van de uitvoering van de
Noodwet geneeskundigen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de
toezending van informatie, de volksgezondheid betreffende, door het
Staatstoezicht op de volksgezondheid of door andere door Onze
Minister aangewezen bestuursorganen aan de in registers ingeschreven
personen.
§ 2. Specialismen
Artikel 14
1. Indien een organisatie van
beoefenaren van een beroep als bedoeld in artikel 3, voor de
inschrijving van beroepsbeoefenaren die een bijzondere
deskundigheid hebben verworven met betrekking tot de uitoefening
van een deelgebied van hun beroep, een specialistenregister heeft
en daaraan een titel is verbonden, kan Onze Minister bepalen dat
die titel als wettelijk erkende specialistentitel wordt
aangemerkt. Een aanvraag daartoe wordt gedaan door het bestuur van
de organisatie; het bestuur kan de bevoegdheid daartoe overdragen
aan het orgaan, bedoeld in het tweede lid, onder d.
2. Een dergelijk besluit neemt Onze
Minister uitsluitend indien dat wenselijk is ter bevordering van
de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg en indien
aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de organisatie is, naar het
oordeel van Onze Minister, voldoende representatief voor de
beoefenaren van het betrokken beroep;
b. de organisatie is een
vereniging met volledige rechtsbevoegdheid;
c. de organisatie stelt regels
waarin in ieder geval worden vastgelegd
– de procedure voor de
besluitvorming binnen de organisatie met betrekking tot
het instellen van een specialistenregister,
– de taken en
samenstelling van de verschillende organen en
– het bedrag dat, ter
dekking van de kosten, voor de behandeling van een
aanvraag voor inschrijving en voor erkenning van een
opleidingsinstelling, onderscheidenlijk opleider, is
verschuldigd;
d. de organisatie kent een
orgaan dat
– belast is met het
besluit tot instelling van een specialistenregister, en
– regels stelt met
betrekking tot de eisen die gesteld worden aan de
inschrijving als specialist en aan de erkenning van
opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk opleiders, voor
een specialisme;
e. de organisatie kent tevens
een orgaan dat is belast met
– de inschrijving van
specialisten,
– de erkenning van
opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk de opleiders en
– het toezicht op de
uitvoering van de regels door de erkende
opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk opleiders.
3. Een door een orgaan als bedoeld
in het tweede lid, onder d, vastgestelde regeling is in
overeenstemming met de bij of krachtens het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte gestelde regels en de op 21 juni 1999
te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese
Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse
Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb.
2000, 16 en 86).
4. De regelingen, bedoeld in het
tweede lid, onder c en d, behoeven de instemming van Onze
Minister; de instemming kan worden onthouden wegens strijd met het
recht of het algemeen belang.
5. Inschrijving in een erkend
specialistenregister is niet afhankelijk van het lidmaatschap van
de organisatie.
6. Inschrijving in een erkend
specialistenregister is uitsluitend mogelijk voor personen die in
het betrokken register zijn ingeschreven.
7. Aan een ieder die zulks verlangt
wordt door de beheerder van een erkend specialistenregister
meegedeeld of een persoon in het specialistenregister is
ingeschreven.
8. Onze Minister kan een orgaan als
bedoeld in het tweede lid, onder d, met betrekking tot de in dit
artikel bedoelde taken in verband met bindende besluiten van de
Europese Gemeenschap alsmede ter bevordering van de goede
uitoefening van de individuele gezondheidszorg aanwijzingen van
algemene aard geven. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij het
betrokken orgaan. Een aanwijzing kan niet inhouden dat een
specialistenregister voor een bepaald deelgebied tot stand dient
te worden gebracht.
9. Onze Minister kan een op grond
van het eerste lid genomen besluit intrekken indien niet meer
wordt voldaan aan het bepaalde in dit artikel.
10. Het orgaan, bedoeld in het
tweede lid, onder d, verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de
voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze
Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
nodig is.
11. De Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen is van toepassing op een orgaan als bedoeld in het
tweede lid, onder e, voor zover dit orgaan werkzaamheden uitoefent
met betrekking tot een erkend specialistenregister. In afwijking
van de eerste volzin is artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen niet van toepassing, voor zover het besluiten
betreft ter zake van de inschrijving.
12. In de Staatscourant wordt
mededeling gedaan van:
a. de besluiten van Onze
Minister krachtens het eerste, vierde, achtste en negende lid;
b. vaststelling en wijziging
van een regeling als bedoeld in het tweede lid, onder c en d.
Artikel 15
1.Een regeling als bedoeld in
artikel 14, tweede lid, onder d, kan mede inhouden dat degene die
de opleiding tot specialist heeft voltooid wordt ingeschreven als
specialist voor een bij de regeling bepaalde periode en dat een
aansluitende hernieuwde inschrijving slechts plaatsvindt indien de
specialist gedurende een bij die regeling bepaald tijdvak,
voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot hernieuwde
inschrijving, regelmatig op het desbetreffende deelgebied van de
beroepsuitoefening werkzaam is geweest dan wel het beroep zal
uitoefenen onder de bij de hernieuwde inschrijving aan te geven
scholingsvoorwaarden.
2.Indien in een regeling toepassing
is gegeven aan het eerste lid kunnen in die regeling:
a. eisen worden vastgesteld
waaraan de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, voor de
toepassing van dat lid moeten voldoen;
b. al dan niet op het gebied
van de individuele gezondheidszorg liggende werkzaamheden
worden aangewezen die voor de toepassing van het eerste lid
worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het desbetreffende
deelgebied der beroepsuitoefening;
c. tevens eisen worden gesteld
ter zake van deelname aan deskundigheidsbevorderende
activiteiten gedurende de in het eerste lid bedoelde periode
van werkzaam zijn.
3.Een regeling als bedoeld in het
eerste lid biedt aan degene die niet opnieuw als specialist wordt
ingeschreven vanwege het niet voldoen aan de daartoe gestelde
eisen, de mogelijkheid wederom als specialist te worden
ingeschreven zodra door het volgen van scholing, die is afgestemd
op het kennis- en vaardigheidsniveau van betrokkene, opnieuw wordt
voldaan aan de eisen voor zodanige inschrijving.
4.In gevallen waarin toepassing is
gegeven aan artikel 14, eerste lid, is de beroepsorganisatie
gehouden van elke inschrijving als specialist en van elke
doorhaling van een zodanige inschrijving opgave te doen aan Onze
Minister. Van elke inschrijving en van elke doorhaling van een
inschrijving wordt een gedagtekende aantekening in het register
geplaatst. Indien een inschrijving als specialist is doorgehaald
op grond van een regeling als bedoeld in het eerste lid, vindt de
in de eerste en tweede volzin bedoelde opgave, onderscheidenlijk
aantekening, alleen plaats indien de desbetreffende persoon niet
binnen vier weken na de doorhaling wederom als specialist is
ingeschreven.
5.Onverminderd hetgeen ingevolge
artikel 12, tweede lid, met betrekking tot de ingeschrevene geldt,
wordt aan een ieder die zulks verlangt, medegedeeld of de
betrokkene is ingeschreven als specialist.
6.Doorhaling van een inschrijving
in het register of schorsing van een inschrijving in het register
brengt van rechtswege mee dat de inschrijving van de betrokkene
als specialist is vervallen, onderscheidenlijk dienovereenkomstig
geschorst is. Van elke doorhaling of schorsing van een
inschrijving in het register wordt mededeling gedaan aan de
betrokken organisatie.
Artikel 16
Indien op een bepaald deelgebied van
een beroep als bedoeld inartikel 3 geen erkend specialistenregister
bestaat en zulks in verband met bindende besluiten van de Europese
Gemeenschap wel noodzakelijk is, dan wel dat ter bevordering van de
goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg gewenst is,
kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter zake regels worden
gesteld. Artikel 15 is op een bij die regels in het leven geroepen
specialistenregister van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1.Het recht om een
specialistentitel te voeren is voorbehouden aan degenen die zijn
ingeschreven in het desbetreffende erkende specialistenregister.
2.Het is degene wie het recht tot
het voeren van een krachtens deze wet erkende specialisten-titel
niet toekomt op grond van het eerste lid, verboden deze titel of
een daarop gelijkende benaming te voeren.
Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de
beroepen
Afdeling 1. Beroepen waarop het
stelsel van registratie en beroepstitelbescherming van toepassing is
§ 1. Artsen
Artikel 18
Om in het desbetreffende register als
arts te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een
getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de
daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen.
Artikel 19
1. Tot het gebied van deskundigheid
van de arts wordt gerekend het verrichten van handelingen op het
gebied van de geneeskunst.
2. In de gevallen waarin een
huisarts dan wel een arts die in die hoedanigheid in dienst is van
het Ministerie van Defensie, op grond van de Geneesmiddelenwet
bevoegd is geneesmiddelen ter hand te stellen, behoort het ter
hand stellen mede tot het gebied van zijn deskundigheid.
§ 2. Tandartsen
Artikel 20
Om in het desbetreffende register als
tandarts te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van
een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de
daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen.
Artikel 21
Tot het gebied van deskundigheid van
de tandarts wordt gerekend het verrichten van handelingen op het
gebied van de tandheelkunst.
§ 3. Apothekers
Artikel 22
Om in het desbetreffende register als
apotheker te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van
een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de
daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen
Artikel 23
Tot het gebied van deskundigheid van
de apotheker worden gerekend het bereiden van geneesmiddelen, het
bewaren van geneesmiddelen onder de daarvoor volgens de stand van de
wetenschap geschikte omstandigheden, het ter hand stellen, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder ll, van de Geneesmiddelenwet, het
geven van advies aan de patiënten aan wie geneesmiddelen ter hand
worden gesteld over het gebruik daarvan, het bewaken van het gebruik
van de aan patiënten ter hand gestelde geneesmiddelen.
§ 4. Gezondheidszorgpsychologen
Artikel 24
Om in het desbetreffende register als
gezondheidszorgpsycholoog te kunnen worden ingeschreven, wordt
vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de
betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur
gestelde opleidingseisen.
Artikel 25
Tot het gebied van deskundigheid van
de gezondheidszorgpsycholoog wordt gerekend het verrichten van
psychologisch onderzoek, het beoordelen van de resultaten daarvan
alsmede het toepassen van bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen psychologische behandelingsmethoden ten aanzien van een
persoon met het oog op diens gezondheidstoestand.
§ 5. Psychotherapeuten
Artikel 26
1.Om in het desbetreffende register
als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist
het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene
voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde
opleidingseisen.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat met een getuigschrift als bedoeld
in het eerste lid wordt gelijkgesteld een bewijs van een krachtens
artikel 14 onderscheidenlijk artikel 16 verleende erkenning als
specialist op een bij de maatregel aangewezen deelgebied van de
uitoefening van een beroep waarop een register betrekking heeft.
Artikel 27
Tot het gebied van deskundigheid van
de psychotherapeut wordt gerekend het onderzoeken en het volgens bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen methoden beïnvloeden
van stemmingen, gedragingen en houdingen van een persoon met een
psychische stoornis, afwijking of klacht, teneinde deze te doen
verdwijnen of te verminderen.
§ 6. Fysiotherapeuten
Artikel 28
Om in het desbetreffende register als
fysiotherapeut te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het
bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet
aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde
opleidingseisen.
Artikel 29
1.Tot het gebied van deskundigheid
van de fysiotherapeut wordt gerekend het verrichten van bij
algemene maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het
gebied van de fysiotherapie, voor zover zij liggen op het gebied
van de geneeskunst.
2.Tot het gebied van deskundigheid
van de fysiotherapeut wordt mede gerekend het verrichten van
handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en
ertoe strekkende diens gezondheidstoestand te bevorderen of te
bewaken, welke overeenkomen met de krachtens het eerste lid
omschreven handelingen, doch niet liggende op het gebied van de
geneeskunst.
§ 7. Verloskundigen
Artikel 30
Om in het desbetreffende register als
verloskundige te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit
van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan
de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde
opleidingseisen.
Artikel 31
Tot het gebied van deskundigheid van
de verloskundige wordt gerekend het verrichten van bij algemene
maatregel van bestuur te omschrijven handelingen op het gebied van
de verloskunst alsmede het verrichten van bij de maatregel te
omschrijven andere handelingen, een en ander met inachtneming van de
beperkingen, bij de maatregel te stellen. Bij of krachtens de
maatregel kunnen geneesmiddelen worden aangewezen waarvan het
voorschrijven tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige
behoort en kan apparatuur worden aangewezen waarvan het gebruik tot
het deskundigheidsgebied van de verloskundige behoort.
§ 8. Verpleegkundigen
Artikel 32
Om in het desbetreffende register als
verpleegkundige te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het
bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet
aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde
opleidingseisen dan wel voor zover het betreft het diploma van een
beroepsopleiding als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs,
voldoet aan de bij en krachtens die wet voor de afgifte van dat
diploma gestelde vereisten.
Artikel 33
Tot het gebied van deskundigheid van
de verpleegkundige wordt gerekend:
a. het verrichten van handelingen
op het gebied van observatie, begeleiding, verpleging en
verzorging;
b. het ingevolge opdracht van een
beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele
gezondheidszorg verrichten van handelingen in aansluiting op
diens diagnostische en therapeutische werkzaamheden.
Afdeling 2. Beroepen waarop het
stelsel van opleidingstitelbescherming van toepassing is
Artikel 34
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan ter bevordering van een goede uitoefening van
individuele gezondheidszorg de opleiding tot een bij de maatregel
aangewezen beroep worden geregeld of aangewezen.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid, wordt tevens bij de maatregel het gebied van
deskundigheid omschreven van personen die de krachtens het eerste
lid geregelde of aangewezen opleiding hebben voltooid. Bij of
krachtens de maatregel kunnen geneesmiddelen worden aangewezen
waarvan het toedienen tot het deskundigheidsgebied behoort van
personen, die de krachtens het eerste lid geregelde of aangewezen
opleiding hebben voltooid, en kan apparatuur worden aangewezen
waarvan het gebruik tot het deskundigheidsgebied behoort van
personen, die de krachtens het eerste lid geregelde of aangewezen
opleiding hebben voltooid.
3. Aan degenen die de krachtens het
eerste lid geregelde of aangewezen opleiding tot dat beroep hebben
voltooid, is het recht voorbehouden een bij algemene maatregel van
bestuur aangegeven titel te voeren.
4. Het is degene wie het recht tot
het voeren van een krachtens het derde lid geregelde titel niet
toekomt, verboden deze titel, een daarop gelijkende benaming dan
wel een op die titel betrekking hebbend onderscheidingsteken,
aangegeven met toepassing van artikel 93 of daarmee in hoofdzaak
overeenstemmend, te voeren.
Hoofdstuk IV. Voorbehouden
handelingen
Artikel 35
1. Het is degene die niet behoort
tot de personen die hun bevoegdheid tot het verrichten van een
handeling ontlenen aan het bepaalde bij of krachtens deartikelen
36 tot en met 37 verboden buiten noodzaak beroepsmatig die
handeling te verrichten, tenzij:
a. zulks geschiedt ingevolge
een opdracht van een persoon die zijn bevoegdheid ontleent aan
het bepaalde bij of krachtens deartikelen 36 tot en met 37 en
b. hij redelijkerwijs mag
aannemen dat hij beschikt over de bekwaamheid die vereist is
voor het behoorlijk uitvoeren van de opdracht en
c. hij, voor zover de
opdrachtgever aanwijzingen heeft gegeven, heeft gehandeld
overeenkomstig die aanwijzingen.
2. Met inachtneming van het
bepaalde in het eerste lid is de opdrachtnemer bevoegd tot het
verrichten van de in het eerste lid bedoelde handeling.
Artikel 36
1.Tot het verrichten van
heelkundige handelingen - waaronder worden verstaan handelingen,
liggende op het gebied van de geneeskunst, waarbij de samenhang
der lichaamsweefsels wordt verstoord en deze zich niet direct
herstelt - zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de tandartsen,
c. de verloskundigen,
doch de onder b en c genoemde
personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de
aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of
krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied
van deskundigheid.
2.Tot het verrichten van
verloskundige handelingen zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de verloskundigen, doch
dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de
aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of
krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun
gebied van deskundigheid.
3.Tot het verrichten van
endoscopieën zijn bevoegd:
de artsen.
4.Tot het verrichten van
catheterisaties zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de verloskundigen, doch
dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de
aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of
krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun
gebied van deskundigheid.
5.Tot het geven van injekties zijn
bevoegd:
a. de artsen,
b. de tandartsen,
c. de verloskundigen,
doch de onder b en c genoemde
personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de
aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of
krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied
van deskundigheid.
6.Tot het verrichten van punkties
zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de verloskundigen, doch
dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de
aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of
krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun
gebied van deskundigheid.
7.Tot het brengen onder narcose
zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de tandartsen, doch dezen
uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef
van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij hoofdstuk III
bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
8.Tot het verrichten van
handelingen, op het gebied van de individuele gezondheidszorg, met
gebruikmaking van radioactieve stoffen of toestellen die
ioniserende stralen uitzenden, zijn bevoegd:
a. de artsen,
b. de tandartsen,
doch uitsluitend voor zover zij
voldoen aan de krachtens de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) ter
zake van het gebruiken van zodanige stoffen en toestellen gestelde
eisen, alsmede, voor zover het betreft tandartsen, uitsluitend
voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid
bedoeld, die overeenkomstig het bij hoofdstuk III bepaalde worden
gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
9.Tot het verrichten van electieve
cardioversie zijn bevoegd:
de artsen.
10.Tot het toepassen van
defibrillatie zijn bevoegd:
de artsen.
11.Tot het toepassen van
electroconvulsieve therapie zijn bevoegd:
de artsen.
12.Tot steenvergruizing voor
geneeskundige doeleinden zijn bevoegd:
de artsen.
13.Tot het verrichten van
handelingen ten aanzien van menselijke geslachtscellen en
embryo's, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand
brengen van een zwangerschap, zijn bevoegd:
de artsen.
14.Tot het voorschrijven van
UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s,
van de Geneesmiddelenwet zijn bevoegd:
a. de artsen;
b. de tandartsen;
c. de verloskundigen, doch
dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de
aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of
krachtens hoofdstuk IIIbepaalde worden gerekend tot hun gebied
van deskundigheid;
d. verpleegkundigen, die
behoren tot een ter bevordering van een goede uitoefening van
de individuele gezondheidszorg bij ministeriële regeling aan
te wijzen categorie, doch dezen uitsluitend:
1°. voor zover een onder
a, b of c bedoelde beroepsbeoefenaar de diagnose heeft
gesteld met betrekking tot de patiënt voor wie het
geneesmiddel is bestemd,
2°. voor zover medische
protocollen en standaarden ter zake van het voorschrijven
van UR-geneesmiddelen worden gevolgd, en
3°. binnen de bij de
regeling te stellen beperkingen ten aanzien van de
reikwijdte van de in de aanhef bedoelde bevoegdheid.
15.De personen, genoemd in het
eerste tot en met het veertiende lid, zijn tot het verrichten van
de desbetreffende handelingen uitsluitend bevoegd voor zover zij
redelijkerwijs mogen aannemen dat zij beschikken over de
bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van die
handelingen. De personen, genoemd in het eerste tot en met het
veertiende lid, die niet voldoen aan het bepaalde in de eerste
volzin, worden voor de toepassing van de artikelen 35, eerste lid,
onder a, 38 en 39 aangemerkt als personen die hun bevoegdheid
ontlenen aan het in dit artikel bepaalde.
16.Het ontwerp van de ministeriële
regeling, bedoeld in het veertiende lid, onder d, treedt niet
eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp is overgelegd
aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 36a
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan in afwijking van artikel 36 van deze wet en van
artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van de Geneesmiddelenwet bij
wijze van experiment worden bepaald, dat voor een termijn van
maximaal vijf jaar een bij de maatregel omschreven categorie van
beroepsbeoefenaren, die werkzaam is op het gebied van de
individuele gezondheidszorg en die met goed gevolg een bij de
maatregel aangewezen opleiding met betrekking tot de aan te wijzen
voorbehouden handeling heeft afgerond, wordt aangewezen als zijnde
bevoegd tot het verrichten van in die maatregel aangewezen
handelingen.
2. Op de in de maatregel omschreven
categorie van beroepsbeoefenaren is artikel 36, vijftiende lid,
van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de maatregel kan aan de in
het eerste lid omschreven categorie van beroepsbeoefenaren
gedurende de in dat lid bedoelde periode het recht verleend worden
een in de maatregel aan te geven titel te voeren. Gedurende deze
periode is het aan anderen verboden deze titel of een daarop
gelijkende benaming te voeren.
4. Met een recept als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van de Geneesmiddelenwet
wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld een
document dat is opgesteld door een met naam en werkadres
aangeduide beroepsbeoefenaar, die behoort tot de bij de maatregel
omschreven categorie van beroepsbeoefenaren die op grond van de
maatregel bevoegd is tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de
Geneesmiddelenwet, en waarin aan een persoon als bedoeld in
artikel 61, eerste lid, onderdeel a of b, van de
Geneesmiddelenwet, een voorschrift wordt gegeven om een met zijn
stofnaam of merknaam aangeduid geneesmiddel in de aangegeven
hoeveelheid, sterkte en wijze van gebruik ter hand te stellen aan
een te identificeren patiënt en dat is ondertekend door de
desbetreffende beroepsbeoefenaar dan wel, zonder te zijn
ondertekend met een zodanige code is beveiligd dat een daartoe
bevoegde persoon of instantie de authenticiteit ervan kan
vaststellen.
5. Artikel 47 is van
overeenkomstige toepassing op de bij de maatregel omschreven
categorie van beroepsbeoefenaren voor wat betreft het verrichten
van de in het eerste lid bedoelde aangewezen handelingen, met dien
verstande dat op deze beroepsbeoefenaren slechts de maatregelen
bedoeld inartikel 48, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van
toepassing zijn.
6. De voordracht voor een krachtens
het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
7. Indien voor het verstrijken van
de in het eerste lid bedoelde termijn een voorstel van wet tot
wijziging van artikel 36 in de zin van de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt ingediend bij de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt de in het eerste lid
bedoelde termijn verlengd, met een maximum van vijf jaren en
vervalt op
a. het moment van
inwerkingtreding van de bedoelde wijzigingswet, danwel
b. het moment dat de bedoelde
wijzigingswet wordt ingetrokken of verworpen door een der
Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 37
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels overeenkomstig artikel 36 worden gesteld met
betrekking tot bij de maatregel omschreven handelingen op het
gebied van de individuele gezondheidszorg, niet vallende onder dat
artikel.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kan voorts met betrekking tot bij de maatregel omschreven
handelingen, vallende onder artikel 36, wijziging worden gebracht
ter zake van de in artikel 36 vervatte toekenning van bevoegdheid,
alsook worden bepaald dat de artikelen 35 en 36 met betrekking tot
bij de maatregel omschreven handelingen niet langer gelden.
3.Indien niet binnen zes maanden na
de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste of tweede lid bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal een wetsvoorstel is ingediend tot wijziging van
artikel 36 overeenkomstig die maatregel, alsook indien zodanig
voorstel wordt ingetrokken of verworpen, wordt de maatregel
onverwijld ingetrokken.
Artikel 38
Het is degene die zijn bevoegdheid
tot het verrichten van een bij of krachtens de artikelen 36 tot en
met 37 omschreven handeling ontleent aan het bij of krachtens die
artikelen bepaalde verboden aan een ander opdracht te geven tot het
verrichten van die handeling, tenzij:
a. in gevallen waarin zulks
redelijkerwijs nodig is aanwijzingen worden gegeven omtrent het
verrichten van de handeling en toezicht door de opdrachtgever op
het verrichten van de handeling en de mogelijkheid tot
tussenkomst van een zodanig persoon voldoende zijn verzekerd en
b. hij redelijkerwijs mag
aannemen dat degene aan wie de opdracht wordt gegeven, in
aanmerking genomen het onder a bepaalde, beschikt over de
bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van de
handeling.
Artikel 39
1.Indien een goede uitoefening van
individuele gezondheidszorg zulks vordert, wordt bij algemene
maatregel van bestuur bepaald dat tot het gebied van deskundigheid
van personen, behorende tot een der in het tweede lid genoemde
categorieën, wordt gerekend het verrichten van bij de maatregel
aangewezen categorieën van handelingen, behorende tot de bij of
krachtens de artikelen 36 en 37 omschreven categorieën van
handelingen, zonder toezicht door de opdrachtgever en zonder diens
tussenkomst.
2.Ingevolge het eerste lid kunnen
de volgende categorieën van personen worden aangewezen:
a. categorieën van personen
die in een bij het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur aangewezen register staan ingeschreven;
b. categorieën van personen
die een krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of
aangewezen opleiding hebben voltooid;
c. categorieën van personen,
behorende tot de onder a of b bedoelde categorieën van
personen.
Hoofdstuk V. Kwaliteit van de
beroepsuitoefening
Artikel 40
1.Degene die in een register als
bedoeld in artikel 3 staat ingeschreven of die een beroep
uitoefent waarvan de opleiding krachtens artikel 34, eerste lid,
is geregeld of aangewezen, en die zijn beroep uitoefent anders dan
in het kader van een instelling als bedoeld in de Kwaliteitswet
zorginstellingen, organiseert zijn beroepsuitoefening op zodanige
wijze en voorziet zich zodanig van materieel, dat een en ander
leidt of redelijkerwijze moet leiden tot verantwoorde zorg.
2.Het uitvoeren van het eerste lid
omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering
van de kwaliteit van de zorg.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen, indien het niveau van de uitoefening van de
individuele gezondheidszorg dit vereist, regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van het eerste en tweede lid.
4.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorts, indien zulks noodzakelijk is gebleken ter
bevordering van een goede uitoefening van individuele
gezondheidszorg, voor degenen die in een register als bedoeld in
artikel 3 staan ingeschreven of die een beroep uitoefenen waarvan
de opleiding krachtens artikel 34, eerste lid, is geregeld of
aangewezen, regels worden gesteld inhoudende:
a. een verplichting in bij de
maatregel aangegeven gevallen van een door hen gegeven
behandeling aan een bij de maatregel aangewezen inspecteur van
de volksgezondheid opgave te doen overeenkomstig regels, bij
de maatregel gesteld;
b. een verplichting om bij de
maatregel aangegeven gegevens te vermelden op het recept,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder pp, van de
Geneesmiddelenwet;
c. een verbod om een
overeenkomst die hun bijzondere voordelen verschaft, aan te
gaan met bij de maatregel aangewezen categorieën van
personen;
d. eisen met betrekking tot de
rechten van personen aan wie gezondheidszorg wordt verleend.
Hoofdstuk VI. Buitenslands
gediplomeerden
§ 1. Beroepen waarop het stelsel van
registratie en beroepstitelbescherming van toepassing is
Artikel 41
1.In afwijking van het in artikel
6, onder a, bepaalde wordt aan een persoon die niet voldoet aan de
ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III
voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in
het register deswege niet geweigerd:
a. indien hij in het buitenland
een door Onze Minister aangewezen getuigschrift heeft
verkregen dat geldt als bewijs van een verworven
vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan
de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde
eisen mag worden afgeleid;
b. indien Onze Minister, gelet
op een door de betrokkene in het buitenland verkregen
getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en
gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft
afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het
register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen
bestaan;
c. indien hij ten aanzien van
het betrokken beroep in het bezit is van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties.
2.Onze Minister kan ten aanzien van
een door hem krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen
getuigschrift de toepasselijkheid van deze bepaling op
belanghebbenden afhankelijk stellen van de nationaliteit der
betrokkenen, met dien verstande evenwel dat die bepaling ten
aanzien van een aangewezen getuigschrift van een lid-Staat der
Europese Economische Gemeenschap alsmede van een andere
overeenkomstsluitende staat in elk geval van toepassing dient te
zijn op de onderdanen van de lid-Staten van die gemeenschap.
3.Bij afgifte van een verklaring
als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan Onze Minister daarin
bepalen:
a. dat de gelet op die
verklaring tot stand gekomen inschrijving in het register op
een in de verklaring aangegeven tijdstip zal worden
doorgehaald;
b. dat de betrokkene, in het
register ingeschreven staande, zijn beroep slechts zal mogen
uitoefenen met inachtneming van in de verklaring omschreven
beperkingen.
4.Behoudens in bijzondere gevallen
kan een verklaring zonder toepassing van het derde lid slechts
worden afgegeven, indien het door de betrokkene in het buitenland
verkregen getuigschrift naar het oordeel van Onze Minister kan
gelden als bewijs van verworven vakbekwaamheid die de in het
eerste lid, onder a, bedoelde gelijkwaardigheid bezit.
5.Onze Minister stelt voor elk
daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen
in, die tot taak heeft hem op zijn verzoek of uit eigen beweging
van advies te dienen inzake de toepassing van dit artikel en ten
aanzien van het verlenen van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties. Bij algemene maatregel van bestuur worden
de samenstelling, taak en werkwijze van de commissie geregeld. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets
en het daarvoor in rekening te brengen tarief.
6.De buitenslands gediplomeerde
komt de keuze, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties niet toe in de bij
ministeriële regeling aangewezen gevallen.
7.Van een besluit krachtens het
eerste lid, onder a, of het tweede lid, wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant.
Artikel 42
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld, waarbij wordt bepaald:
a. welke gegevens of bescheiden
bij de aanvrage om een verklaring als bedoeld in artikel 41,
eerste lid, onder b, aan Onze Minister moeten worden verstrekt
of overgelegd en op welke wijze haar indiening behoort te
geschieden;
b. welke bewijsstukken omtrent
de toepasselijkheid van artikel 41 aan Onze Minister moeten
worden overgelegd bij de aanvrage om inschrijving in het
register met toepassing van dat artikel.
2. Onverminderd het in artikel 7
bepaalde, wordt in gevallen waarin toepassing werd gegeven aan
artikel 41, derde lid, onder a, de inschrijving van de betrokkene
op het daarvoor geldende tijdstip doorgehaald. Een met toepassing
van artikel 41 tot stand gekomen inschrijving wordt voorts
doorgehaald ingeval ten aanzien van de betrokkene omstandigheden
als bedoeld in artikel 7, onderdeel e inmiddels zijn ingetreden of
alsnog bekend geworden.
3. Bij inschrijving van een persoon
in het register met toepassing van artikel 41 wordt in het
register een desbetreffende aantekening geplaatst, waarbij,
ingeval Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het derde lid
van dat artikel, tevens wordt omschreven hetgeen daarbij is
bepaald.
4. Van de totstandkoming van een
inschrijving ten aanzien waarvan toepassing werd gegeven aan
artikel 41, derde lid, wordt op bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen wijze kennisgegeven, met omschrijving van hetgeen
daarbij werd bepaald. Van een krachtens het tweede lid van het
onderhavige artikel verrichte doorhaling van een inschrijving
wordt eveneens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze kennisgegeven. In kennisgevingen als bedoeld in het
onderhavige lid worden de naam en de woonplaats van de betrokkene
vermeld.
5. Onverminderd hetgeen ingevolge
artikel 12, tweede lid, met betrekking tot de ingeschrevene geldt,
wordt aan een ieder die zulks verlangt, medegedeeld of een
inschrijving in het register met toepassing van artikel 41 is tot
stand gekomen, met, ingeval ten aanzien van de aldus tot stand
gekomen inschrijving toepassing werd gegeven aan het derde lid van
dat artikel, een omschrijving van hetgeen daarbij werd bepaald.
Artikel 43
1. Ten aanzien van een onderdaan
van een lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap of van een
andere overeenkomstsluitende staat, die buiten Nederland in een
der lid-Staten van die gemeenschap dan wel in een van de andere
overeenkomstsluitende staten gevestigd is als beoefenaar van een
in artikel 3 genoemd beroep en aan de in het tweede lid omschreven
voorwaarden voldoet, blijven ter zake van de diensten die hij in
de uitoefening van dat beroep verleent aan een persoon hier te
lande, buiten toepassing:
a. het in artikel 4, tweede
lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft, waarvan
het voeren voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep
betrekking hebbende hoedanigheid in het desbetreffende
register ingeschreven staan;
b. het in artikel 35, eerste
lid, gestelde verbod, voor zover het handelingen betreft,
waartoe de onder a bedoelde personen bevoegd zijn.
2. De in het eerste lid bedoelde
voorwaarden zijn:
a. de betrokkene dient in een
der lid-Staten dan wel in een van de andere
overeenkomstsluitende staten een op de bekwaamheid tot het
uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend getuigschrift te
hebben verkregen, dat krachtens artikel 41, eerste lid, onder
a, is aangewezen;
b. ten aanzien van hem geen
maatregel als bedoeld in artikel 6, onderdeel e, van kracht is
en voor zover zijn rechten ter zake van de uitoefening van
zijn beroep in de lid-Staat onderscheidenlijk een andere
overeenkomstsluitende staat waar hij gevestigd is, beperkt is
op grond van een in dat land gegeven rechterlijke,
tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, hij zich
houdt aan de in dat land opgelegde bevoegdheidsbeperking;
c. de betrokkene dient aan Onze
Minister te hebben gemeld dat hij als beoefenaar van het
desbetreffende beroep in Nederland diensten verleent en dient
de volgende bescheiden te hebben overgelegd:
1°. een bewijsstuk, niet
ouder dan twaalf maanden, waaruit blijkt dat hij de
desbetreffende werkzaamheden in de lid-Staat
onderscheidenlijk de andere overeenkomstsluitende staat
waar hij gevestigd is, wettig uitoefent;
2°. een bewijsstuk dat hij
het onder a bedoelde getuigschrift heeft verkregen;
3°. een bewijs van de
nationaliteit van de betrokkene.
3. In geval van een dienstverlening
in Nederland, ten aanzien waarvan het eerste lid van toepassing
is, is de betrokkene, indien de in dat lid, onder a, bedoelde
personen aan tuchtrechtspraak overeenkomstig deze wet onderworpen
zijn, ter zake van hetgeen door hem in het kader van die
dienstverlening wordt verricht, eveneens aan bedoelde rechtspraak
onderworpen en wordt hij ter zake van deze verrichtingen voor de
toepassing van artikel 96 met die personen gelijkgesteld.
Artikel 44
1.Voor de toepassing van de
artikelen 41, eerste lid, onder a, en tweede lid, en 43, tweede
lid, onder a, wordt met een onderdaan van een lid-Staat der
Europese Economische Gemeenschap onderscheidenlijk een andere
overeenkomstsluitende staat, die in het bezit is van een krachtens
eerstgenoemde bepaling aangewezen getuigschrift van een der
lid-Staten van die gemeenschap onderscheidenlijk een andere
overeenkomstsluitende staat, gelijkgesteld de onderdaan van een
lid-Staat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende
staat, die vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip
een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep
betrekking hebbend ander getuigschrift van een der lid-Staten
onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat heeft
verkregen indien hij, blijkens een door een lid-Staat
onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat afgegeven
verklaring, zijn beroep in de loop van een door Onze Minister
aangegeven tijdvak, aan de afgifte van die verklaring
voorafgaande, tenminste gedurende een door Onze Minister
aangegeven aaneengesloten periode daadwerkelijk en op wettige
wijze heeft uitgeoefend.
2.Onze Minister kan bepalen dat het
eerste lid van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van een
onderdaan van een lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap
of van een andere overeenkomstsluitende staat, die een op de
bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend
ander getuigschrift van een der lid-Staten of van een andere
overeenkomstsluitende staat heeft verkregen ter afsluiting van een
opleiding betreffende een door Onze Minister aangewezen beroep,
welke vóór het krachtens het vorige lid vastgestelde tijdstip is
aangevangen en eerst nadien is voltooid.
3.De krachtens het eerste lid vast
te stellen tijdstippen, tijdvakken en perioden kunnen voor
onderscheidene categorieën van gevallen verschillend zijn.
§ 2. Beroepen waarop het stelsel van
opleidingstitelbescherming van toepassing is
Artikel 45
1. Ten aanzien van degenen
a. die in het buitenland een
door Onze Minister aangewezen getuigschrift hebben verkregen
dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die
geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid
welke uit het voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel
34, eerste lid, gestelde eisen mag worden afgeleid,
b. aan wie Onze Minister, gelet
op een door de betrokkene in het buitenland verkregen
getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en
gevolgde opleiding, op aanvrage een verklaring heeft
afgegeven, inhoudende dat hun vakbekwaamheid gelijkwaardig of
nagenoeg gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid
welke uit het voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel
34, eerste lid, gestelde eisen mag worden afgeleid, of,
c. aan wie Onze Minister ten
aanzien van het betrokken beroep een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties heeft verleend,
blijft het in artikel 34, vierde
lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft waarvan het
voeren op grond van het derde lid van dat artikel voorbehouden is
aan degenen die voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel
34, eerste lid, gestelde eisen, buiten toepassing.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene een maatregel,
berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke,
tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is,
op grond waarvan hij zijn rechten ter zake van de uitoefening van
het betrokken beroep in het land waar de beslissing gegeven is,
geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, heeft verloren.
3. De artikelen 41, tweede, vijfde
en zevende lid, en artikel 42, eerste lid, onder a, zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van artikel
96, derde lid, wordt met degene die voldoet aan de krachtens
artikel 34, eerste lid, gestelde eisen gelijkgesteld degene die in
het bezit is van een krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen
getuigschrift of aan wie een verklaring als bedoeld in het eerste
lid, onder b, is afgegeven.
§ 3. Algemene bepaling
Artikel 46
In hetgeen verder ter uitvoering van
de richtlijnen der Europese Economische Gemeenschap alsmede van de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en van de op
21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse
Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb.
2000, 16 en 86), betreffende beoefenaren van beroepen op het gebied
van de individuele gezondheidszorg regeling behoeft, wordt voorzien
door Onze Minister.
Hoofdstuk VII. Tuchtrechtspraak
§ 1. Algemeen
Artikel 47
1.Degene die in een der in het
tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven
staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:
a. enig handelen of nalaten in
strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te
betrachten ten opzichte van:
1°. degene, met betrekking
tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of
zijn bijstand is ingeroepen;
2°. degene die, in nood
verkerende, bijstand met betrekking tot zijn
gezondheidstoestand behoeft;
3°. de naaste betrekkingen
van de onder 1° en 2° bedoelde personen;
b. enig ander dan onder a
bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met
het belang van een goede uitoefening van individuele
gezondheidszorg.
2.De in het eerste lid bedoelde
hoedanigheden zijn die van:
arts,
tandarts,
apotheker,
gezondheidszorgpsycholoog,
psychotherapeut,
fysiotherapeut,
verloskundige,
verpleegkundige.
3.De tuchtrechtspraak wordt in
eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges en in
beroep door een centraal tuchtcollege.
4.In geval van schorsing of
doorhaling van een inschrijving in het register blijft de
betrokkene ter zake van enig in het eerste lid bedoeld handelen of
nalaten gedurende de tijd dat hij ingeschreven stond, aan de
tuchtrechtspraak onderworpen.
§ 2. Tuchtmaatregelen
Artikel 48
1.Het berechtende college kan ten
aanzien van een aan de tuchtrechtspraak onderworpen persoon een
van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. geldboete van ten hoogste
€ 4 500;
d. schorsing van de
inschrijving in het register voor ten hoogste één jaar;
e. gedeeltelijke ontzegging van
de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het
betrokken beroep uit te oefenen;
f. doorhaling van de
inschrijving in het register.
2.De maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, onder c en d, kunnen ook gezamenlijk worden opgelegd
en gelden alsdan voor de toepassing van de aanhef van het eerste
lid en van artikel 69, tweede lid, als één maatregel.
3.In gevallen waarin de berechting
plaatsvindt met toepassing van artikel 47, vierde lid, kan, in
plaats van de in het eerste lid van het onderhavige artikel, onder
f, bedoelde maatregel, als maatregel worden opgelegd een
ontzegging van het recht wederom in het register te worden
ingeschreven.
4.Opgelegde geldboeten komen ten
bate van de Staat. Bij het opleggen van een geldboete kunnen twee
of meer termijnen worden vastgesteld, waarin zij moet worden
voldaan.
5.De maatregelen van schorsing en
van doorhaling van de inschrijving in het register worden vanwege
Onze Minister ten uitvoer gelegd.
6.Schorsing van de inschrijving in
het register kan voorwaardelijk worden opgelegd en wordt alsdan
niet ten uitvoer gelegd dan nadat het college dat de maatregel
heeft opgelegd, zulks heeft gelast op grond dat de betrokkene
binnen een bij die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste
twee jaar een gestelde voorwaarde niet is nagekomen.
7.Een maatregel als bedoeld in het
eerste lid, onder c, d of f, kan niet ten uitvoer worden gelegd
zolang de beslissing waarbij hij is opgelegd, niet onherroepelijk
is geworden. Een maatregel als in dat lid, onder e, of in het
derde lid bedoeld, wordt eerst bij het onherroepelijk worden van
de desbetreffende beslissing van kracht, tenzij het college,
indien het belang van de bescherming van de individuele
gezondheidszorg zulks vordert, bij zijn beslissing heeft bepaald
dat hij onmiddellijk van kracht wordt. Bij toepassing van het
zesde lid gaat de in dat lid bedoelde proeftijd eerst bij het
onherroepelijk worden van de desbetreffende beslissing in.
8.Bij het opleggen van de maatregel
van doorhaling van de inschrijving kan het college tevens, indien
het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg
zulks vordert, bij wijze van voorlopige voorziening, schorsing van
de inschrijving opleggen. Deze voorziening wordt terstond van
kracht en wordt vanwege Onze Minister onverwijld ten uitvoer
gelegd; de inschrijving blijft geschorst totdat de beslissing tot
doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel
in beroep is vernietigd.
9.Een tot schorsing strekkende
maatregel of voorlopige voorziening wordt ten uitvoer gelegd door
het plaatsen van een aantekening van de schorsing in het register
overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.
Artikel 49
1.Degene aan wie een boete als
bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder c, is opgelegd, wordt
door een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar bij
gedagtekende brief uitgenodigd de verschuldigde geldboete binnen
de gestelde termijn dan wel met inachtneming van de gestelde
termijnen te betalen.
2.Indien de schuldenaar niet binnen
de gestelde termijn betaalt, maant de ambtenaar hem schriftelijk
aan om alsnog binnen tien dagen na dagtekening van de aanmaning te
betalen.
3.Indien de schuldenaar na de
aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de
verschuldigde geldboete en de aanmaningskosten geschieden bij een
door de ambtenaar uit te vaardigen dwangbevel.
4.De betekening en de
tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschieden door de zorg van
de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van
de Invorderingswet 1990 en door de belastingdeurwaarder, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onder j, van die wet met toepassing van
de artikelen 13 en 14 van die wet.
5.Zolang de ontvanger met de zorg
voor de invordering is belast, kan hij een vordering doen op grond
van artikel 19 van de Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen op
grond van artikel 24 van die wet.
6.De ontvanger kan zolang hij met
de zorg voor de invordering is belast onder door hem te stellen
voorwaarden aan een schuldenaar voor een bepaalde tijd
schriftelijk uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel
wordt de dwanginvordering geschorst. Het uitstel kan tussentijds
schriftelijk worden beëindigd.
7.Met betrekking tot het verzet
tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is artikel 17 van de
Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat in dat artikel voor "de ontvanger die het
dwangbevel heeft uitgevaardigd" telkens moet worden gelezen:
de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste ontvanger.
8.De kosten van aanmaning en van
verdere vervolging worden berekend op de voet van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen (Stb. 1969, 83). De artikelen 6 en 7
van de Invorderingswet 1990 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 50
1. In gevallen waarin een der in
artikel 48, eerste lid, onder e en f, en derde lid, omschreven
maatregelen is opgelegd, kan, zo bijzondere omstandigheden zulks
wettigen, bij koninklijk besluit worden bepaald dat de betrokkene
in de hem ontzegde bevoegdheid wordt hersteld, onderscheidenlijk
dat hij, tenzij een buiten de opgelegde maatregel staande
weigeringsgrond aanwezig blijkt, wederom in het register zal
kunnen worden ingeschreven.
2. In een besluit krachtens het
eerste lid kunnen, al dan niet met een beperking tot een in dat
besluit te bepalen proeftijd, voorwaarden worden gesteld, door de
betrokkene, in het register ingeschreven staande, in acht te
nemen. Indien blijkt dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt
aan niet-naleving van een gestelde voorwaarde, kan, onder
intrekking van dat besluit, bij koninklijk besluit worden bepaald
dat de opgelegde maatregel opnieuw van kracht wordt. In een
besluit krachtens het eerste lid, dat aan betrokkene het recht
verleent wederom in het register te worden ingeschreven, kan ook
worden bepaald dat dit recht eerst zal ingaan zodra de betrokkene
aan vooraf te vervullen bijzondere voorwaarden, in dat besluit
omschreven, zal hebben voldaan.
3. De voordracht tot een besluit
krachtens het eerste of tweede lid, tweede volzin, wordt gedaan
door Onze Ministers. Alvorens zodanige voordracht wordt gedaan,
wint Onze Minister het advies in van het tuchtcollege dat de
maatregel heeft opgelegd.
4. Indien toepassing wordt gegeven
aan het eerste lid, wordt de bevoegdheid van een verpleegkundige
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede volzin, wederom in
het register vermeld.
Artikel 51
Niemand kan andermaal ingevolge de
bepalingen van dit hoofdstuk worden berecht ter zake van enig in
artikel 47, eerste lid, bedoeld handelen of nalaten waaromtrent te
zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke
eindbeslissing is genomen.
Artikel 52
Herziening van een onherroepelijk
geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing waarbij een in artikel 48,
eerste of derde lid, omschreven maatregel werd opgelegd, is
mogelijk, wanneer naderhand omstandigheden zijn gebleken die naar
ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben
geleid, indien zij tijdig bekend waren geworden. Bij algemene
maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld. De
herziening zal niet kunnen leiden tot een wijziging in hetgeen
voorheen was beslist, ten nadele van de betrokkene.
§ 3. De tuchtcolleges
Artikel 53
1.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt het land in gebieden ingedeeld, waarvan elk het
ambtsgebied van een regionaal tuchtcollege uitmaakt. Bij de
maatregel wordt tevens voor elk der regionale tuchtcolleges de
plaats van vestiging binnen zijn ambtsgebied aangewezen.
2.Het centrale tuchtcollege is
gevestigd te 's-Gravenhage.
Artikel 54
1.Bevoegd tot het behandelen van
een zaak in eerste aanleg is het regionale tuchtcollege binnen
welks ambtsgebied de te berechten persoon zijn woonplaats heeft.
2.Welk regionaal tuchtcollege
bevoegd is in gevallen waarin de betrokkene geen bekende
woonplaats hier te lande heeft, wordt bij algemene maatregel van
bestuur bepaald.
Artikel 55
1.Een regionaal tuchtcollege telt
twee rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is,
alsmede, voor elk van de in artikel 47, tweede lid, aangegeven
categorieën van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen, drie
leden-beroepsgenoten. Van het college maken mede deel uit
plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens voor elk van de
in de eerste volzin bedoelde categorieën, plaatsvervangende
leden-beroepsgenoten.
2.Aan de behandeling van een zaak
wordt deelgenomen door de voorzitter, door het andere
rechtsgeleerde lid en door de drie leden-beroepsgenoten, benoemd
voor de categorie waartoe degene over wie is geklaagd, behoort,
een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. In
afwijking van het bepaalde in de eerste volzin kan de voorzitter
bepalen dat aan de behandeling van een zaak die hem daartoe
geschikt voorkomt, wordt deelgenomen door de voorzitter en door
twee leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe
degene over wie is geklaagd, behoort, een en ander met de
mogelijkheid van plaatsvervanging. Indien de zaak naar het oordeel
van een van deze leden ongeschikt is voor behandeling
overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin, wordt de
behandeling voortgezet met toepassing van de eerste volzin.
3.De voorzitter en zijn
plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers worden bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Ministers voor het leven benoemd.
Op hun verzoek wordt hun bij koninklijk besluit tussentijds
ontslag verleend. Hun wordt in ieder geval ontslag verleend met
het bereiken van de zeventigjarige leeftijd. Artikel 48, eerste
lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is te hunnen
aanzien van overeenkomstige toepassing.
4.De overige leden en
plaatsvervangende leden worden bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister voor de tijd van zes jaar benoemd.
Zij zijn herbenoembaar. Op hun verzoek wordt hun bij koninklijk
besluit tussentijds ontslag verleend. Hun wordt in ieder geval
ontslag verleend met het bereiken van de zeventigjarige leeftijd.
Artikel 48, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie
is ten aanzien van de in de eerste volzin bedoelde personen, voor
zover zij rechtsgeleerden zijn, van overeenkomstige toepassing. De
leden-beroepsgenoten en de plaatsvervangende leden-beroepsgenoten
worden benoemd uit personen die ingeschreven staan in het
desbetreffende register.
5.Het college heeft een secretaris
en één of meer plaatsvervangende secretarissen, allen
rechtsgeleerden. Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Ministers benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 56
1.Het centrale tuchtcollege telt
drie rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is,
alsmede, voor elk van de in artikel 47, tweede lid, aangegeven
categorieën van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen, twee
leden-beroepsgenoten. Van het college maken mede deel uit
plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens voor elk van de
in de eerste volzin bedoelde categorieën, plaatsvervangende
leden-beroepsgenoten.
2.Aan de behandeling van een zaak
wordt deelgenomen door de voorzitter, door de twee andere
rechtsgeleerde leden en door de twee leden-beroepsgenoten, benoemd
voor de categorie waartoe degene over wie is geklaagd, behoort,
een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging.
3.Ten aanzien van de benoeming en
het ontslag van de voorzitter en zijn plaatsvervanger of zijn
plaatsvervangers en van de overige leden en plaatsvervangende
leden is artikel 55, derde onderscheidenlijk vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
4.Artikel 55, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 57
1.De voorzitter van een
tuchtcollege kan ten aanzien van twee of meer met elkaar
samenhangende zaken bepalen dat zij door het college ter
terechtzitting gezamenlijk worden behandeld.
2.Ingeval in deze zaken degenen
over wie is geklaagd, tot verschillende in artikel 47, tweede lid,
aangegeven categorieën behoren, wordt aan het onderzoek ter
terechtzitting door het ingevolge artikel 55, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 56, tweede lid, vereiste aantal
leden-beroepsgenoten of plaatsvervangende leden-beroepsgenoten van
elk van de betrokken categorieën deelgenomen.
3.Ingeval is geklaagd over een arts
ter zake van verrichtingen op het gebied van de uitoefening der
artsenijbereidkunst, wordt in het tuchtcollege ten minste één
der plaatsen, bij artikel 55, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 56, tweede lid, toegewezen aan leden-beroepsgenoten,
vervuld door een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend
lid-beroepsgenoot, die op grond van artikel 61, tiende of elfde
lid, van de Geneesmiddelenwet mede bevoegd is geneesmiddelen ter
hand te stellen.
Artikel 58 [Vervallen per 03-11-1995]
Artikel 59
1.Doorhaling van zijn inschrijving
in het desbetreffende register, schorsing van die inschrijving
ingevolge toepassing van artikel 48, eerste lid, onder d, alsook
het onherroepelijk worden van een beslissing waarbij te zijnen
aanzien een van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 48, eerste
lid, onder e, en 80, eerste lid, onder a en b, is opgelegd, heeft
voor een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot
van een regionaal tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege
tot gevolg dat zijn functie bij dat college van rechtswege een
einde neemt.
2.Een nog niet onherroepelijk
geworden beslissing tot oplegging te zijnen aanzien van een van de
in artikel 48, eerste lid, onder e en f, bedoelde maatregelen
heeft, indien zij is gegeven met toepassing van het aan het slot
van de tweede volzin van het zevende lid of het in het achtste lid
van dat artikel bepaalde, voor een lid-beroepsgenoot of
plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een regionaal tuchtcollege
of van het centrale tuchtcollege tot gevolg dat hij in zijn
functie bij dat college van rechtswege is geschorst.
3.Een nog niet onherroepelijk
geworden beslissing tot oplegging te zijnen aanzien van een van de
in artikel 80, eerste lid, bedoelde maatregelen heeft, indien zij
is gegeven met toepassing van het aan het slot van het derde lid
of het in het vijfde lid van dat artikel bepaalde, voor een
lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een
regionaal tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege tot gevolg
dat hij in zijn functie bij dat college van rechtswege is
geschorst.
Artikel 60
Het in de artikelen 46c, tweede en
derde lid, 46d, tweede lid, 46f, 46i, met uitzondering van het
eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid, aanhef en onderdelen
a en c, en derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren bepaalde is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de leden en de plaatsvervangende leden van de
regionale tuchtcolleges en van het centrale tuchtcollege, met dien
verstande dat de in het vijfde lid van artikel 46p bedoelde
mededeling te hunnen aanzien eveneens wordt gedaan aan Onze
Minister.
De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd
het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met
13g van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van deze
leden en plaatsvervangende leden, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige
toepassing van die artikelen onder «het betrokken
gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van het
regionaal tuchtcollege onderscheidenlijk centrale tuchtcollege;
en
b. de procureur-generaal niet
verplicht is aan het verzoek, bedoeld in artikel 13a, te
voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang
heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel.
Artikel 61
De leden, plaatsvervangende leden,
secretarissen en plaatsvervangende secretarissen van de
tuchtcolleges is het verboden zich over een zaak die bij hun college
aanhangig is of naar zij weten of vermoeden zal worden, in te laten
in enig onderhoud met belanghebbenden of van dezen enige bijzondere
inlichting of schriftuur dienaangaande aan te nemen.
Artikel 62
1.De leden, de plaatsvervangende
leden, de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen van
de tuchtcolleges ontvangen een vacatiegeld, alsmede vergoeding van
reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten, een en ander
overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.
2.In de daarvoor in aanmerking
komende gevallen kan bij koninklijk besluit, in afwijking van het
eerste lid, aan de voorzitter, een ander lid of plaatsvervangend
lid dat met toepassing van artikel 66, eerste lid, tweede volzin,
vooronderzoek verricht, of de secretaris van een tuchtcollege een
salaris worden toegekend op een bij dat besluit te bepalen voet.
In dat geval geniet de betrokkene bovendien een tijdelijke toelage
voor kinderen, een vakantieuitkering, een ziektekostenvergoeding,
een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een vergoeding van
verplaatsingskosten, alsmede een spaarpremie, overeenkomstig de
bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke
rijksambtenaren bij de ministeries zijn of zullen worden
vastgesteld.
Artikel 63
Een lid van een tuchtcollege, dat
voor de behandeling van een zaak zitting heeft in dat college, kan
zich verschonen en kan worden gewraakt, indien er te zijnen aanzien
feiten of omstandigheden bestaan, waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De artikelen 512 tot en
met 524 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 64
1.Het centrale tuchtcollege waakt
tegen nodeloze vertraging in de behandeling van zaken door de
regionale tuchtcolleges.
2.Het centrale tuchtcollege kan
zich de stukken, betrekking hebbende op een bij een regionaal
tuchtcollege aanhangige zaak, doen overleggen en een termijn
stellen, waarbinnen het regionale tuchtcollege het vooronderzoek
dan wel het onderzoek op de terechtzitting moet sluiten.
3.Indien het regionale tuchtcollege
hieraan niet voldoet, kan het centrale tuchtcollege de behandeling
van de zaak aan een ander regionaal tuchtcollege overdragen.
§ 4. Procedure in eerste aanleg
Artikel 65
1. Een zaak wordt in eerste aanleg
bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhangig gemaakt door een
schriftelijke klacht van:
a. een rechtstreeks
belanghebbende;
b. degene die aan degene over
wie wordt geklaagd, een opdracht heeft verstrekt;
c. degene bij wie of het
bestuur van een instelling waarbij degene over wie wordt
geklaagd, werkzaam of voor het verlenen van individuele
gezondheidszorg ingeschreven is;
d. de hoofdinspecteur of de
regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem
toevertrouwde belangen aangaat.
2. De inhoud van het klaagschrift
moet voldoen aan de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur
te stellen eisen.
3. Degene die het vooronderzoek
verricht kan, indien de zaak hem daartoe geschikt voorkomt, bij
het horen van de klager en degene over wie is geklaagd, een
minnelijke oplossing beproeven.
4. Indien een minnelijke oplossing
mogelijk blijkt, wordt deze op schrift gesteld en door de klager
en degene over wie is geklaagd, ondertekend. Met een aldus
vastgestelde minnelijke oplossing geeft de klager te kennen zijn
klacht in te trekken.
5. De bevoegdheid tot het indienen
van een klaagschrift vervalt door verjaring in tien jaren. De
termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het
desbetreffende handelen of nalaten is geschied.
6. Indien naar zijn oordeel de
behandeling van de zaak door het tuchtcollege geen uitstel gedoogt
zonder groot nadeel voor het belang van de bescherming van de
individuele gezondheidszorg, verzoekt de in het eerste lid, onder
d, bedoelde inspecteur het tuchtcollege de zaak met spoed te
behandelen.
7. Nadat een klaagschrift is
ingediend, zendt de voorzitter van het college een afschrift
daarvan aan degene over wie is geklaagd.
8. De hoofdinspecteur of de
regionale inspecteur is verplicht ter zake van door hem ingediende
klaagschriften aan de ambtenaren van het openbaar ministerie de
door hen gevraagde inlichtingen te verstrekken. De hoofdinspecteur
of de regionale inspecteur kan de in de eerste volzin bedoelde
ambtenaren ook uit eigen beweging ter zake inlichten.
9. De klager en degene over wie is
geklaagd, kunnen zich doen vertegenwoordigen door een gemachtigde
en zich doen bijstaan door een raadsman. De gemachtigde moet,
desgevraagd, zijn bevoegdheid aantonen door het overleggen van een
schriftelijke volmacht. Advocaten, als gemachtigden optredende,
zijn tot deze overlegging niet gehouden. De voorzitter van het
regionale tuchtcollege kan slechts weigeren een persoon die geen
advocaat is als gemachtigde of als raadsman toe te laten, indien
er duidelijke aanwijzingen zijn dat door de toelating van die
persoon een behoorlijke uitoefening van de rechtspraak zal worden
belemmerd. De weigering wordt door de voorzitter schriftelijk
gemotiveerd.
10. In geval van intrekking van de
klacht wordt de behandeling daarvan gestaakt, tenzij degene over
wie is geklaagd, schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de
behandeling te verlangen, het tuchtcollege heeft beslist dat de
behandeling van de klacht om redenen, aan het algemeen belang
ontleend, moet worden voortgezet of het tuchtcollege het onderzoek
van de zaak op de terechtzitting reeds heeft beëindigd.
11. Indien degene over wie is
geklaagd, overlijdt, wordt de behandeling van de klacht gestaakt.
Artikel 66
1.Na verzending van het afschrift,
bedoeld in artikel 65, zevende lid, gelast de voorzitter van het
regionale tuchtcollege een vooronderzoek. De voorzitter draagt het
vooronderzoek op aan een of meer leden of plaatsvervangende leden
of aan de secretaris of plaatsvervangend secretaris van het
regionale tuchtcollege.
2.Het vooronderzoek kan zich mede
uitstrekken tot andere dan in het klaagschrift vermelde feiten en
omstandigheden. Degene die door de voorzitter op grond van het
eerste lid is aangewezen om het vooronderzoek te verrichten stelt
de klager en degene over wie is geklaagd, in de gelegenheid door
hem te worden gehoord. Hij kan de betrokken hoofdinspecteur of
regionale inspecteur, alsmede getuigen en deskundigen horen; ten
aanzien van de getuigen en deskundigen is artikel 68 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de oproeping,
het verzoek tot dagvaarding en het doen afleggen van de eed of
belofte geschieden door degene die het vooronderzoek verricht.
3.Bij de vervulling van de hem op
grond van het eerste en het tweede lid toekomende taak is degene
die het vooronderzoek verricht bevoegd, vergezeld van de door hem
aangewezen personen, elke plaats te betreden teneinde een
onderzoek te verrichten waarvan het uitvoeren ter betrokken
plaatse door hem noodzakelijk wordt geoordeeld. Ingeval tijdens
zodanig onderzoek de orde wordt verstoord of hem tegenstand wordt
geboden, kan degene die het vooronderzoek verricht de hulp van de
sterke arm inroepen. De voorzitter van het regionale tuchtcollege
is bevoegd een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene
wet op het binnentreden te geven.
4.Indien tijdens het vooronderzoek
blijkt dat de klacht afkomstig is van een tot klagen niet
bevoegde, dat het klaagschrift niet voldoet aan de krachtens
artikel 65, tweede lid, gestelde eisen, dat de klacht kennelijk
ongegrond is of dat de klacht van onvoldoende gewicht is, kan het
college op voorstel van degene die het vooronderzoek heeft
verricht, zonder verder onderzoek, in raadkamer, een
eindbeslissing geven, welke in het eerste en tweede geval tot het
niet-ontvankelijk verklaren van klager en in het derde en vierde
geval tot het afwijzen van de klacht strekt. De eindbeslissing is
met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld.
5.Indien geen toepassing is gegeven
aan het vierde lid, wordt het vooronderzoek gesloten met
verwijzing naar een terechtzitting.
6.Tijdens de behandeling van een
zaak op de terechtzitting kan het regionale tuchtcollege degene
die het vooronderzoek heeft verricht opdragen alsnog een
aanvullend onderzoek in te stellen. Het tweede en derde lid zijn
te dezen van overeenkomstige toepassing. Het aanvullend onderzoek
wordt gesloten door de zaak wederom naar een terechtzitting te
verwijzen.
7.Een lid of plaatsvervangend lid
van het tuchtcollege, dat met toepassing van het eerste lid,
tweede volzin, een vooronderzoek in een zaak heeft verricht,
neemt, op straffe van nietigheid, geen deel aan de behandeling van
die zaak op de terechtzitting.
Artikel 67
1.De klager en degene over wie is
geklaagd, worden in de gelegenheid gesteld de behandeling van de
zaak op de terechtzitting bij te wonen en tijdens de behandeling
te worden gehoord.
2.De klager en degene over wie is
geklaagd, worden gedurende een termijn van tenminste zes dagen in
de gelegenheid gesteld van de processtukken kennis te nemen. De
laatste dag van de in de eerste volzin genoemde termijn ligt
tenminste acht dagen vóór de aanvang van het onderzoek op de
terechtzitting.
3.Indien dit noodzakelijk is in het
belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
derden, bepaalt de voorzitter van het tuchtcollege dat het
kennisnemen van bepaalde processtukken of gedeelten ervan niet
wordt toegestaan aan de klager persoonlijk, maar uitsluitend aan
een gemachtigde, die arts of advocaat is, dan wel van de
voorzitter bijzondere toestemming heeft verkregen.
Artikel 68
1. Het regionale tuchtcollege kan
getuigen en deskundigen ter terechtzitting oproepen en horen.
Ieder die als getuige of deskundige is opgeroepen, is verplicht
aan de oproeping gevolg te geven.
2. De klager en degene over wie is
geklaagd, kunnen getuigen en deskundigen ter terechtzitting
uitnodigen of bij deurwaardersexploit oproepen; in geval van
oproeping gelden voor hen dezelfde verplichtingen als voor
getuigen en deskundigen, opgeroepen door het tuchtcollege.
3. Verschijnt een getuige of een
deskundige op de oproeping niet, dan doet de officier van justitie
op verzoek van het college hem dagvaarden, desverzocht met bevel
tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering
(Stb. 1925, 343), de tweede volzin van het eerste lid en de tweede
volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De voorzitter van het college
doet de getuigen de eed of belofte afleggen dat zij de gehele
waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. De getuigen en
deskundigen zijn verplicht op de gestelde vragen te antwoorden,
onderscheidenlijk de van hen gevorderde diensten te verlenen. De
deskundigen zijn gehouden hun taak onpartijdig en naar beste weten
te verrichten.
5. Ten aanzien van de getuigen en
deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
6. De getuigen en deskundigen,
opgeroepen door het tuchtcollege, ontvangen, desverkiezende op
vertoon van hun oproeping of dagvaarding, uit ’s Rijks kas
schadeloosstelling, door de voorzitter van het college te begroten
overeenkomstig het bij of krachtens de Wet griffierechten
burgerlijke zaken (Stb. 1843, 41) bepaalde. De voorzitter begroot
op overeenkomstige wijze de schadeloosstelling voor getuigen en
deskundigen, opgeroepen of uitgenodigd ingevolge het tweede lid,
welke ten laste komt van degene door wie zij zijn opgeroepen of
uitgenodigd. Deurwaarders ontvangen voor de werkzaamheden verricht
ingevolge het tweede lid, van hun opdrachtgever een vergoeding
overeenkomstig de bepalingen van het tarief van justitie-kosten en
salarissen in burgerlijke zaken.
Artikel 69
1.Binnen twee maanden na sluiting
van het onderzoek op de terechtzitting wordt de eindbeslissing van
het regionale tuchtcollege uitgesproken.
2.Een in het eerste lid bedoelde
beslissing strekt hetzij tot het niet-ontvankelijk verklaren van
de klager, hetzij tot het afwijzen van de klacht, hetzij tot het
opleggen van een der in artikel 48, eerste en derde lid,
omschreven maatregelen.
3.De beslissing is met redenen
omkleed en wordt op schrift gesteld.
Artikel 70
1.Het regionale tuchtcollege
behandelt de zaak in een openbare terechtzitting. Het college kan
evenwel om gewichtige redenen bepalen dat de behandeling geheel of
gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden.
2.Een beslissing, strekkende tot
het opleggen van een der in artikel 48, eerste en derde lid,
omschreven maatregelen, wordt in het openbaar uitgesproken. Ten
aanzien van een beslissing van een andere dan in de eerste volzin
aangegeven strekking kan het college om redenen, aan het algemeen
belang ontleend, bepalen dat zij in het openbaar wordt
uitgesproken, met dien verstande dat zodanige beslissing in elk
geval in het openbaar wordt uitgesproken indien de zaak in een
openbare terechtzitting is behandeld.
3.Bij de openbare uitspraak van een
beslissing worden de naam, de voornamen, de hoedanigheid en de
woonplaats van de bij de zaak betrokken patiënt, van de klager en
van de getuigen weggelaten.
4.Tijd en plaats van een openbare
terechtzitting of openbare uitspraak worden overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels bekend gemaakt.
Artikel 71
Het regionale tuchtcollege kan om
redenen, aan het algemeen belang ontleend, bepalen dat zijn
eindbeslissing geheel of gedeeltelijk in de Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en aan door hem aangewezen tijdschriften of
nieuwsbladen ter bekendmaking zal worden aangeboden, een en ander
met weglating van de namen, voornamen en woonplaatsen van de in de
beslissing genoemde personen alsmede van de daarin voorkomende
andere gegevens die omtrent deze personen een aanwijzing bevatten.
Artikel 72
1.Van de eindbeslissing van het
regionale tuchtcollege wordt, binnen een week na de uitspraak
daarvan, een afschrift gezonden aan:
a. de klager;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur en de
regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun
toevertrouwde belangen aangaat;
d. de secretaris van het
centrale tuchtcollege;
e. Onze Minister van Defensie,
ingeval de beslissing betrekking heeft op een persoon die
militair is.
2.Van een eindbeslissing waarbij
een der in artikel 48, eerste lid, onder d, e en f, en derde lid,
omschreven maatregelen is opgelegd, wordt voorts binnen een week
na de uitspraak daarvan een afschrift gezonden aan Onze Minister.
§ 5. Procedure in beroep
Artikel 73
1.Tegen een eindbeslissing van het
regionale tuchtcollege kan binnen zes weken na de dag van
verzending van het afschrift van die beslissing bij het centrale
tuchtcollege beroep worden ingesteld door:
a. de klager, voor zover zijn
klacht is afgewezen, of voor zover hij niet-ontvankelijk is
verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de in artikel 65, eerste
lid, onder d, bedoelde hoofdinspecteur en regionale
inspecteur.
2.Het beroep wordt schriftelijk
ingesteld. De inhoud van het beroepschrift moet voldoen aan de
daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
3.Wanneer het beroepschrift na
afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, is ingediend,
blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege,
indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft ingesteld zo
spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
4.Het centrale tuchtcollege kan
degene die beroep heeft ingesteld niet-ontvankelijk verklaren, het
beroep verwerpen of het beroep gegrond verklaren.
5.Indien het centrale tuchtcollege
het beroep gegrond verklaart dan wel bij de behandeling van het
beroep op andere dan de in het beroepschrift aangevoerde gronden
tot het oordeel komt dat de in eerste aanleg gegeven beslissing
niet kan worden gehandhaafd, vernietigt het deze beslissing en
doet de zaak alsdan zelf af.
6.Indien tegen de eindbeslissing
van het regionale tuchtcollege door twee of meer personen beroep
is ingesteld en tenminste twee van hen ontvankelijk zijn, worden
deze beroepen gezamenlijk behandeld.
7. Artikel 65, achtste tot en met
elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74
1.Indien een beroepschrift
afkomstig is van een persoon die niet bevoegd is tot het instellen
van beroep, niet tijdig is ingediend of niet voldoet aan de
krachtens artikel 73, tweede lid, gestelde eisen, kan het centrale
tuchtcollege op voorstel van de voorzitter zonder verder
onderzoek, in raadkamer, een beslissing geven, welke strekt tot
het niet-ontvankelijk verklaren van degene die het beroep heeft
ingesteld. De beslissing is met redenen omkleed en wordt op
schrift gesteld. In andere dan in de eerste volzin bedoelde
gevallen kan de voorzitter, alvorens de zaak naar een
terechtzitting te verwijzen, een vooronderzoek op de voet van het
in artikel 66, tweede en derde lid, bepaalde gelasten.
2.Op de behandeling in beroep zijn
de artikelen 66, zesde en zevende lid, en 67 tot en met 72, met
uitzondering van het tweede lid van artikel 70, van
overeenkomstige toepassing.
3.Het centrale tuchtcollege kan het
regionale tuchtcollege dat de beslissing waartegen beroep is
ingesteld, heeft gegeven, uitnodigen inlichtingen te verstrekken.
4.Het centrale tuchtcollege kan
mede oordelen over onderdelen van de beslissing van het regionale
tuchtcollege, waartegen in het beroepschrift geen bezwaren zijn
aangevoerd.
5.Indien alleen degene over wie is
geklaagd, beroep heeft ingesteld, kan het centrale tuchtcollege
slechts met eenparigheid van stemmen een beslissing geven die een
wijziging te zijnen nadele brengt in hetgeen door het regionale
tuchtcollege was beslist.
6.Een beslissing van het centrale
tuchtcollege waarbij een der in artikel 48, eerste en derde lid,
omschreven maatregelen wordt opgelegd of gehandhaafd, wordt in het
openbaar uitgesproken.
7.Ten aanzien van een beslissing
van een andere dan in het zesde lid aangegeven strekking kan het
centrale tuchtcollege om redenen, aan het algemeen belang
ontleend, bepalen dat zij in het openbaar wordt uitgesproken, met
dien verstande dat zodanige beslissing in elk geval in het
openbaar wordt uitgesproken indien de beslissing van het regionale
tuchtcollege, waartegen beroep is ingesteld, in het openbaar werd
uitgesproken of de zaak in beroep in een openbare terechtzitting
is behandeld.
8.Een afschrift van de beslissing
van het centrale tuchtcollege wordt mede toegezonden aan het
regionale tuchtcollege dat in eerste aanleg besliste.
Artikel 75
Tegen een beslissing van het centrale
tuchtcollege staat geen andere voorziening open dan cassatie in het
belang der wet.
§ 6. Verdere bepalingen
Artikel 76
1.De secretaris van het centrale
tuchtcollege bewaart en registreert de hem overeenkomstig artikel
72, eerste lid, toegezonden beslissingen.
2.De secretaris van het centrale
tuchtcollege verstrekt desgevraagd aan de tuchtcolleges, de leden
van de rechterlijke macht en de ambtenaren van het openbaar
ministerie inlichtingen omtrent onherroepelijke beslissingen.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen omtrent het in het eerste en het tweede lid
bepaalde nadere regels worden gesteld. Daarbij kunnen de in het
eerste lid gestelde verplichtingen, voor zover zulks uit het
oogpunt van een goede rechtsbedeling toelaatbaar is, worden
beperkt.
Artikel 77
De secretarissen van de tuchtcolleges
kunnen aan degene die daarom verzoekt, tegen betaling der kosten,
afschriften van onherroepelijke beslissingen van de tuchtcolleges
verstrekken. Zodanige afschriften worden niet dan na machtiging van
de voorzitter van het college dat de desbetreffende beslissing heeft
gegeven, verstrekt. Een verzoek daartoe wordt alleen toegestaan
ingeval de verzoeker heeft aangetoond dat hij daarbij belang heeft.
In de afschriften worden de in de desbetreffende beslissingen
vermelde namen, voornamen en woonplaatsen van de klagers, degenen
over wie is geklaagd, de getuigen en de deskundigen weggelaten.
Artikel 78
De tuchtcolleges brengen jaarlijks
vóór 1 april verslag uit omtrent hun werkzaamheden in het
afgelopen kalenderjaar. Dit verslag wordt, tegen betaling der
kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
Hoofdstuk VIII. Maatregelen wegens
ongeschiktheid
Artikel 79
1.Er is een college van medisch
toezicht, dat gevestigd is te 's-Gravenhage.
2.Het college is bevoegd in
gevallen waarin de in het derde lid bedoelde inspecteur een
voordracht ter zake heeft gedaan, een voorziening te treffen,
ertoe strekkende een persoon die in een register ingeschreven
staat, uit dat register te doen verwijderen dan wel diens
uitoefening van het betrokken beroep met bijzondere waarborgen te
omkleden, indien hij wegens zijn geestelijke of lichamelijke
gesteldheid of wegens zijn gewoonte van drankmisbruik of van
misbruik van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
Opiumwet (Stb. 1976, 425), moet worden geacht de geschiktheid tot
het uitoefenen dan wel tot het zonder zodanige waarborgen
uitoefenen van dat beroep te missen.
3.Een voordracht, bedoeld in het
tweede lid, wordt gedaan door de inspecteur van het hiertoe bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen onderdeel van het
staatstoezicht op de volksgezondheid, die bevoegd is ter plaatse
waar degene op wie de voordracht betrekking heeft, zijn beroep
uitoefent. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens worden
bepaald dat deze inspecteur in bij de maatregel omschreven
gevallen tot het doen van een voordracht niet mag overgaan dan na
overleg met een of meer andere inspecteurs van het Staatstoezicht
op de volksgezondheid, bij de maatregel aangewezen.
Artikel 80
1.Een voorziening, bedoeld in
artikel 79, tweede lid, kan bestaan in het opleggen van een der
volgende maatregelen ten aanzien van de betrokkene:
a. binding van de bevoegdheid
in het register ingeschreven staande het betrokken beroep uit
te oefenen aan bijzondere voorwaarden;
b. gedeeltelijke ontzegging van
de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het
betrokken beroep uit te oefenen;
c. doorhaling van de
inschrijving in het register.
2.De maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, onder a en b, kunnen ook gezamenlijk worden opgelegd.
3.Een maatregel, bedoeld in het
eerste lid, onder a of b, wordt eerst van kracht bij het
onherroepelijk worden van de beslissing waarbij hij is opgelegd,
tenzij het college bij zijn beslissing heeft bepaald dat hij
onmiddellijk van kracht wordt.
4.De maatregel van doorhaling van
de inschrijving in het register wordt vanwege Onze Minister ten
uitvoer gelegd zodra de beslissing waarbij hij is opgelegd,
onherroepelijk is geworden.
5.Bij het opleggen van de maatregel
van doorhaling van de inschrijving kan het college tevens, bij
wijze van voorlopige voorziening, schorsing van de inschrijving
opleggen. Deze voorziening wordt terstond van kracht en wordt
vanwege Onze Minister onverwijld ten uitvoer gelegd; de
inschrijving blijft geschorst totdat de beslissing tot doorhaling
van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep
is vernietigd. Artikel 48, negende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 81
1.Ingeval de omstandigheden op
grond waarvan een maatregel, bedoeld in artikel 80, eerste lid,
onder a, b of c, was opgelegd, hebben opgehouden te bestaan, kan
bij koninklijk besluit worden bepaald dat de voorwaarden die de
betrokkene bij die maatregel werden gesteld, komen te vervallen,
dat hij in de hem ontzegde bevoegdheid wordt hersteld,
onderscheidenlijk dat hij, tenzij een buiten de opgelegde
maatregel staande weigeringsgrond aanwezig blijkt, wederom in het
register zal kunnen worden ingeschreven. In laatstbedoeld geval
kan bij dat besluit worden bepaald dat het recht wederom in het
register te worden ingeschreven eerst zal ingaan zodra de
betrokkene aan vooraf te vervullen bijzondere voorwaarden, in dat
besluit omschreven, zal hebben voldaan.
2.De voordracht tot een besluit
krachtens het eerste lid wordt gedaan door Onze Ministers.
Alvorens zodanige voordracht wordt gedaan, wint Onze Minister het
advies in van het college dat de maatregel heeft opgelegd.
Artikel 82
1.Het college van medisch toezicht
telt twee rechtsgeleerde leden, van wie één tevens voorzitter
is, alsmede drie leden-artsen. Van het college maken mede deel uit
plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens plaatsvervangende
leden-artsen.
2.Aan de behandeling van een zaak
wordt deelgenomen door de voorzitter, door het andere
rechtsgeleerde lid en door de drie leden-artsen, een en ander met
de mogelijkheid van plaatsvervanging.
3.Ten aanzien van de benoeming en
het ontslag van de voorzitter en zijn plaatsvervanger is artikel
55, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de
benoeming en het ontslag van de overige leden en plaatsvervangende
leden is artikel 55, vierde lid, van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat de leden-artsen en de plaatsvervangende
leden-artsen worden benoemd uit personen die als arts ingeschreven
staan in het desbetreffende register.
4.Het college heeft een secretaris
en een plaatsvervangende secretaris, beiden rechtsgeleerden. Zij
worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Ministers
benoemd, geschorst en ontslagen.
5.Ten aanzien van de leden, de
plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende
secretaris is artikel 61 van overeenkomstige toepassing. Ten
aanzien van de leden en de plaatsvervangende leden zijn voorts de
artikelen 60 en 63 van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van
de leden-artsen en de plaatsvervangende leden-artsen is bovendien
artikel 59 van overeenkomstige toepassing.
6.Artikel 62 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 83
1.Het treffen van een voorziening,
bedoeld in artikel 79, tweede lid, wordt door de inspecteur
schriftelijk aan het college van medisch toezicht voorgedragen. De
voordracht dient een omschrijving van de ter zake dienende feiten
en omstandigheden te bevatten en te vermelden welke der in artikel
80, eerste lid, bedoelde maatregelen worden voorgesteld en, zo het
een maatregel als in dat lid, onder a en b, omschreven betreft, de
inhoud daarvan.
2.Van een voordracht als bedoeld in
het eerste lid zendt de voorzitter van het college een afschrift
aan degene op wie de voordracht betrekking heeft.
3.De betrokken inspecteur en degene
op wie de voordracht betrekking heeft, kunnen zich doen
vertegenwoordigen door een gemachtigde en zich doen bijstaan door
een raadsman. De gemachtigde moet, desgevraagd, zijn bevoegdheid
aantonen door het overleggen van een schriftelijke volmacht.
Advocaten, als gemachtigden optredende, zijn tot deze overlegging
niet gehouden. De voorzitter van het college van medisch toezicht
kan slechts weigeren een persoon die geen advocaat is als
gemachtigde of als raadsman toe te laten, indien er duidelijke
aanwijzingen zijn dat door de toelating van die persoon een
behoorlijke uitoefening van de rechtspraak zal worden belemmerd.
De weigering wordt door de voorzitter schriftelijk gemotiveerd.
4.Na verzending van het afschrift,
bedoeld in het tweede lid, gelast de voorzitter een vooronderzoek,
dat zich mede kan uitstrekken tot andere dan in de voordracht
vermelde feiten en omstandigheden. De voorzitter draagt het
vooronderzoek op aan een of meer leden of plaatsvervangende leden
of aan de secretaris of plaatsvervangende secretaris van het
college. Degene die het vooronderzoek verricht stelt degene op wie
de voordracht betrekking heeft, en de inspecteur die de voordracht
heeft gedaan, in de gelegenheid door hem te worden gehoord. Hij
kan voorts getuigen en deskundigen horen; ten aanzien van de
getuigen en deskundigen is artikel 68 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de oproeping, het verzoek tot
dagvaarding en het doen afleggen van de eed of belofte geschieden
door degene die het vooronderzoek verricht. Van de uitkomsten van
het vooronderzoek wordt aan de inspecteur mededeling gedaan
voordat de zaak ter rechtszitting in behandeling wordt genomen.
Artikel 66, derde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5.Het vooronderzoek wordt gesloten
met verwijzing naar een rechtszitting.
6.Degene op wie de voordracht
betrekking heeft, en de inspecteur die de voordracht heeft gedaan,
worden in de gelegenheid gesteld de behandeling van de zaak ter
rechtszitting bij te wonen en tijdens de behandeling te worden
gehoord. Zij worden gedurende een termijn van tenminste zes dagen
in de gelegenheid gesteld van de processtukken kennis te nemen. De
laatste dag van deze termijn ligt tenminste acht dagen vóór de
aanvang van het onderzoek ter rechtszitting.
7.Ten aanzien van de getuigen en
deskundigen is artikel 68 van overeenkomstige toepassing.
8.Tijdens de behandeling van een
zaak ter rechtszitting kan het college een of meer leden of
plaatsvervangende leden, de secretaris of de plaatsvervangende
secretaris opdragen alsnog een aanvullend vooronderzoek in te
stellen. Het vierde lid is te dezen van overeenkomstige
toepassing. Het aanvullende vooronderzoek wordt gesloten door de
zaak wederom naar een rechtszitting te verwijzen.
9.Het college kan, indien het
termen daartoe aanwezig acht, de betrokkene schriftelijk aanzeggen
dat het belang van de zaak vordert dat hij zijn medewerking
verleent aan een te zijnen aanzien door of vanwege een of meer
artsen, door het college hiertoe als deskundigen aangewezen, uit
te voeren geneeskundig onderzoek. De kosten van het onderzoek
komen ten laste van de Staat. Indien de betrokkene de van hem
verlangde medewerking geheel of gedeeltelijk onthoudt, kan het
college bij zijn op de voordracht te geven beslissing deze
omstandigheid in zijn overwegingen betrekken.
10.Zolang het college zijn
onderzoek van de zaak ter rechtszitting niet heeft beëindigd, kan
de inspecteur de door hem gedane voordracht intrekken, in welk
geval de behandeling van de zaak wordt gestaakt, tenzij degene op
wie de voordracht betrekking heeft schriftelijk heeft verklaard
voortzetting van de behandeling te verlangen.
Evenzo kan de inspecteur zijn
voordracht zo nodig nog wijzigen of aanvullen. In zodanig geval
wordt aan degene op wie de voordracht betrekking heeft, een
afschrift van de aldus herziene voordracht verstrekt en wordt deze
in de gelegenheid gesteld alsnog te worden gehoord.
Indien degene op wie de voordracht
betrekking heeft, overlijdt, wordt de behandeling van de zaak
gestaakt.
11.Binnen twee maanden na sluiting
van het onderzoek ter rechtszitting wordt de eindbeslissing van
het college uitgesproken. De eindbeslissing strekt hetzij tot het
opleggen van een der in artikel 80, eerste lid, omschreven
maatregelen, hetzij tot het afwijzen van de voordracht. Zij is met
redenen omkleed en wordt op schrift gesteld. Bij de keuze van de
op te leggen maatregel kan het college afwijken van hetgeen in de
voordracht werd voorgesteld, met dien verstande dat de in artikel
80, eerste lid, onder c, omschreven maatregel niet dan in
overeenstemming met de voordracht kan worden opgelegd.
12.Ten aanzien van de behandeling
van de zaak ter rechtszitting en het uitspreken van de beslissing
is artikel 70, eerste, derde en vierde lid, van overeenkomstige
toepassing. Een beslissing, strekkende tot het opleggen van een
der in artikel 80, eerste lid, omschreven maatregelen, wordt in
het openbaar uitgesproken. Ten aanzien van een beslissing,
strekkende tot het afwijzen van de voordracht, kan het college om
redenen, aan het algemeen belang ontleend, bepalen dat zij in het
openbaar wordt uitgesproken, met dien verstande dat zodanige
beslissing in elk geval in het openbaar wordt uitgesproken indien
de zaak in een openbare rechtszitting is behandeld.
13.Van de eindbeslissing van het
college wordt binnen een week na de uitspraak daarvan, een
afschrift gezonden aan:
a. degene op wie de voordracht
betrekking heeft;
b. de inspecteur die de
voordracht heeft gedaan;
c. de inspecteurs van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid, die daartoe bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen;
d. de secretaris van het
centrale tuchtcollege;
e. Onze Minister, ingeval de
beslissing strekt tot het opleggen van een der in artikel 80,
eerste lid, omschreven maatregelen;
f. Onze Minister van Defensie,
ingeval de beslissing betrekking heeft op een persoon die
militair is.
Artikel 84
1.Tegen een eindbeslissing van het
college van medisch toezicht kan degene op wie de voordracht
betrekking heeft, alsmede de betrokken inspecteur, binnen zes
weken na de dag van verzending van het afschrift van die
beslissing bij het centrale tuchtcollege beroep instellen.
2.Ten aanzien van de samenstelling
van het centrale tuchtcollege bij de behandeling van zodanig
beroep is artikel 56, tweede lid, van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat de in die bepaling aan leden-beroepsgenoten
toegewezen plaatsen in alle gevallen worden ingenomen door leden
of plaatsvervangende leden van het college, benoemd uit de
personen die in het desbetreffende register als arts ingeschreven
staan.
3.De artikelen 73, tweede tot en
met zesde lid, en 83, derde en tiende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing. In geval van intrekking van een
ingesteld beroep door degene op wie de voordracht betrekking
heeft, wordt de behandeling in beroep gestaakt, tenzij het college
zijn onderzoek van de zaak ter rechtszitting reeds heeft
beëindigd.
4.Indien een beroepschrift
afkomstig is van een persoon die niet bevoegd is tot het instellen
van beroep, niet tijdig is ingediend of niet voldoet aan de
krachtens het derde lid met overeenkomstige toepassing van artikel
73, tweede lid, gestelde eisen, kan het centrale tuchtcollege op
voorstel van degene die het vooronderzoek heeft verricht zonder
verder onderzoek, in raadkamer, een beslissing geven, welke strekt
tot het niet-ontvankelijk verklaren van degene die het beroep
heeft ingesteld. De beslissing is met redenen omkleed en wordt op
schrift gesteld. In andere dan in de eerste volzin bedoelde
gevallen kan de voorzitter, alvorens de zaak naar een
rechtszitting te verwijzen, een vooronderzoek op de voet van
artikel 83, vierde en vijfde lid, gelasten.
5.Op de behandeling in beroep en de
uitspraak van de eindbeslissing zijn de artikelen 74, derde tot en
met vijfde lid, en 83, zesde tot en met negende lid, elfde lid,
met uitzondering van de tweede volzin, en twaalfde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beslissing
van het centrale tuchtcollege eveneens in het openbaar wordt
uitgesproken indien de beslissing van het college van medisch
toezicht, waartegen beroep is ingesteld, in het openbaar werd
uitgesproken.
6.Ten aanzien van de toezending van
afschriften van de eindbeslissing van het centrale tuchtcollege is
artikel 83, dertiende lid, van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat een afschrift mede wordt toegezonden aan het
college van medisch toezicht.
7.Met betrekking tot de
overeenkomstig het zesde lid juncto artikel 83, dertiende lid, aan
de secretaris van het centrale tuchtcollege toegezonden
afschriften van de beslissingen is artikel 76 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 85
Ten aanzien van het centrale
tuchtcollege is met betrekking tot zaken die bij dat college
ingevolge een krachtens artikel 84 ingesteld beroep aanhangig zijn,
artikel 62 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IX. Verdere bepalingen
Artikel 86
1.Met het toezicht op de naleving
van de krachtens deze wet geregelde opleidingen, alsmede de bij of
krachtens artikel 40, eerste, derde en vierde lid, gestelde
voorschriften en de in deze wet opgenomen strafbepalingen zijn
belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 87
1. De met het toezicht belaste
ambtenaren beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de
artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. De met het toezicht belaste
ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak
noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht en van artikel 88 van deze wet,
bevoegd tot inzage van de patiëntendossiers. Voor zover de
betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot
geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke
verplichting voor de betrokken ambtenaar.
Artikel 87a
Indien de in artikel 86 bedoelde
personen van oordeel zijn dat artikel 40, eerste tot en met derde
lid, niet of in onvoldoende of op onjuiste wijze wordt nageleefd,
kunnen zij de desbetreffende beroepsbeoefenaar een schriftelijk
bevel geven. De beroepsbeoefenaar is verplicht binnen de daarbij
gestelde termijn aan het bevel te voldoen.
Artikel 88
Een ieder is verplicht geheimhouding
in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het
uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele
gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als
geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis
is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest
begrijpen.
Artikel 89 [Vervallen per 01-12-1995]
Artikel 90
Bij algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in de hoofdstukken II, III, VI en XI en in artikel 93
kan worden bepaald dat Onze Minister met betrekking tot onderwerpen
die in de maatregel worden geregeld, nadere regels kan dan wel moet
stellen.
Artikel 91
Een algemene maatregel van bestuur
waarbij ten aanzien van een bij de maatregel aangewezen beroep voor
de eerste maal toepassing wordt gegeven aan artikel 8, 34 of 40, dan
wel een algemene maatregel van bestuur, inhoudende intrekking van
een algemene maatregel van bestuur waarbij ten aanzien van een
bepaald beroep toepassing is gegeven aan artikel 8, 34 of 40, wordt
niet vastgesteld dan nadat het ontwerp daarvan in de Staatscourant
is geplaatst. Omtrent het ontwerp staat voor een ieder gedurende
dertien weken, te rekenen vanaf het tijdstip van plaatsing, de
gelegenheid open zienswijzen ter kennis van Onze Minister te
brengen. Gelijktijdig met de plaatsing in de Staatscourant wordt het
ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Alvorens
een ontwerp van een zodanig maatregel in de Staatscourant wordt
geplaatst, wordt door of vanwege Onze Minister overleg gepleegd met
de naar zijn oordeel representatieve organisaties van beoefenaren
van het beroep waarop de maatregel betrekking heeft.
Artikel 92
1.Ten aanzien van degene die als
beoefenaar van een beroep dat geregeld is in deze wet of waarvan
de opleiding krachtens artikel 34, eerste lid, is geregeld of
aangewezen, is verbonden aan een in Nederland verblijvend
onderdeel van een bondgenootschappelijke krijgsmacht, blijven ter
zake van de werkzaamheden die hij in de uitoefening van dat beroep
verricht met betrekking tot personeel, behorende tot een onderdeel
van die bondgenootschappelijke krijgsmacht, alsmede met betrekking
tot degenen met wie dat personeel duurzaam samenleeft, buiten
toepassing:
a. het in artikel 4, tweede
lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft, waarvan
het voeren voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep
betrekking hebbende hoedanigheid in het desbetreffende
register ingeschreven staan;
b. het in artikel 35, eerste
lid, gestelde verbod, voor zover het handelingen betreft,
waartoe de onder a bedoelde personen bevoegd zijn;
c. het in artikel 34, vierde
lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft waarvan
het voeren voorbehouden is aan degenen die de krachtens
artikel 34, eerste lid, geregelde of aangewezen opleiding tot
het betrokken beroep hebben voltooid.
2.Voor de toepassing van artikel 96
wordt de in het eerste lid bedoelde persoon ter zake van de in dat
lid aangegeven werkzaamheden gelijkgesteld met degene die in het
desbetreffende register ingeschreven staat onderscheidenlijk
degene die een krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of
aangewezen opleiding tot een bepaald beroep heeft voltooid.
3.De in het eerste lid bedoelde
persoon die een in deze wet geregeld beroep uitoefent wordt voor
de toepassing van in andere wetten opgenomen bepalingen,
betrekking hebbende op degenen die in het desbetreffende register
ingeschreven staan, gelijkgesteld met laatstbedoelde personen,
voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het verrichten van
de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden.
Artikel 93
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik van een bij
de maatregel aangegeven onderscheidingsteken door degenen die in een
bij de maatregel aangewezen register ingeschreven staan of aan wie
krachtens artikel 34, derde lid, het recht is voorbehouden een
krachtens dat artikellid aangegeven titel te voeren.
Artikel 94
Indien in deze wet geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere
regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van
bestuur.
Artikel 95
Onze Minister zendt binnen vijf jaar
na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers der
Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
Hoofdstuk X. Strafbepalingen
Artikel 96
1.Degene die, hetzij niet
ingeschreven staande in een register, hetzij wel in een register
ingeschreven staande doch bij het verrichten van handelingen op
het gebied van de individuele gezondheidszorg kennelijk tredende
buiten de grenzen van hetgeen overeenkomstig hoofdstuk III tot
zijn gebied van deskundigheid wordt gerekend, bij het verrichten
van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg
buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de
gezondheid van een ander veroorzaakt, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Indien de in het eerste lid
bedoelde persoon weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat
hij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid
van een ander veroorzaakt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
3.Bij veroordeling wegens een der
in het eerste of tweede lid omschreven feiten kan de betrokkene
tevens worden ontzet van het recht het betrokken beroep uit te
oefenen.
4.Het in het eerste lid bepaalde
geldt niet voor zover degene die een krachtens artikel 34, eerste
lid, geregelde of aangewezen opleiding heeft voltooid bij het
verrichten van de in het eerste lid bedoelde handelingen niet
getreden is buiten de grenzen van hetgeen overeenkomstig het
krachtens artikel 34, tweede lid, bepaalde tot zijn gebied van
deskundigheid wordt gerekend.
Artikel 96a
1.Indien tegen de verdachte van
overtreding van artikel 96 ernstige bezwaren zijn gerezen en de
bescherming van de volksgezondheid dat dringend vordert, is de
officier van justitie, zolang de behandeling ter terechtzitting
nog niet is aangevangen, bevoegd, gehoord de Inspectie voor de
Gezondheidszorg, de verdachte bij aan deze te betekenen
kennisgeving als voorlopige maatregel te bevelen zich van bepaalde
handelingen te onthouden.
2.De verdachte kan tegen het bevel
binnen veertien dagen na de betekening in beroep komen bij het
gerecht waar de zaak wordt vervolgd of vervolgd zal worden. Het
gerecht beslist zo spoedig mogelijk. De verdachte wordt gehoord,
althans behoorlijk opgeroepen.
3.Artikel 28, tweede en derde lid,
en de artikelen 30 tot en met 32 van de Wet op de economische
delicten zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 96b
Indien tegen de verdachte van
overtreding van artikel 96 ernstige bezwaren zijn gerezen en de
bescherming van de volksgezondheid dat dringend vordert, kan het met
de behandeling van de zaak belaste gerecht voor de behandeling ter
terechtzitting, op de vordering van het openbaar ministerie, op de
voordracht van de rechter-commissaris, met onderzoek in de zaak
belast, en, indien de zaak te zijner zitting wordt behandeld, mede
ambtshalve, de verdachte, gehoord de Inspectie voor de
Gezondheidszorg, als voorlopige maatregel bevelen zich van bepaalde
handelingen te onthouden. Artikel 29, tweede en derde lid, en de
artikelen 30 tot en met 32 van de Wet op de economische delicten
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 97
Degene die handelt in strijd met het
in artikel 35, eerste lid, of 38 gestelde verbod wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie, indien:
a. in de daaraan voorafgaande 24
maanden tweemaal een bestuurlijke boete ter zake van een zelfde
gedraging onherroepelijk is opgelegd; of
b. de opzettelijke of roekeloze
gedraging een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van
de mens tot gevolg heeft.
Artikel 98
1. Degene die een beperking van
bevoegdheid of een voorwaarde, overeenkomstig artikel 41, derde
lid, onder b, 48, eerste lid, onder e, 80, eerste lid, onder b, of
105, derde lid, onderscheidenlijk overeenkomstig artikel 80,
eerste lid, onder a, of 105, derde lid, opgelegd om door de
betrokkene in het register ingeschreven staande te worden
inachtgenomen, niet naleeft, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Op dezelfde wijze wordt gestraft
degene die handelt in strijd met een ingevolge artikel 96a of
artikel 96b gegeven bevel zich van bepaalde handelingen te
onthouden.
3. Het eerste lid geldt slechts
indien:
a. in de daaraan voorafgaande
24 maanden tweemaal een bestuurlijke boete ter zake van een
zelfde gedraging onherroepelijk is opgelegd; of
b. de opzettelijke of roekeloze
gedraging een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid
van de mens tot gevolg heeft.
Artikel 99
1. Degene die, hoewel zijn
inschrijving in het desbetreffende register is geschorst ten
gevolge van een onherroepelijk geworden overeenkomstig artikel 48,
eerste lid, onder d, opgelegde maatregel dan wel een maatregel,
bij wijze van voorlopige voorziening opgelegd overeenkomstig
artikel 80, vijfde lid, tijdens de duur dier schorsing handelt in
strijd met het in artikel 4, tweede lid, of 17, tweede lid,
gestelde verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Op dezelfde wijze wordt gestraft
degene die, hoewel zijn inschrijving in het desbetreffende
register is doorgehaald ten gevolge van een onherroepelijk
geworden overeenkomstig artikel 48, eerste lid, onder f, of 80,
eerste lid, onder c, opgelegde maatregel, handelt in strijd met
het in artikel 4, tweede lid, of 17, tweede lid, gestelde verbod.
3. Het eerste en tweede lid gelden
slechts indien:
a. in de daaraan voorafgaande
24 maanden tweemaal een bestuurlijke boete ter zake van een
zelfde gedraging onherroepelijk is opgelegd; of
b. de opzettelijke of roekeloze
gedraging een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid
van de mens tot gevolg heeft.
Artikel 100
Onze Minister is bevoegd een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 6 700,– op te leggen ter
zake van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of
krachtens:
– artikel 4, tweede lid;
– artikel 17, tweede lid;
– artikel 34, vierde lid;
– artikel 35;
– artikel 38;
– artikel 40, vierde lid;
– artikel 41, derde lid, onder
b;
– artikel 48, eerste lid, onder
e;
– artikel 80, eerste lid, onder
a of b;
– artikel 88;
– artikel 96;
– artikel 105, derde lid;
– artikel 108, tweede lid.
Artikel 100a
1. Onze Minister is bevoegd tot
toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de in een
krachtens artikel 87a gegeven bevel gestelde verplichtingen.
2. Onze Minister is bevoegd een
last onder dwangsom op te leggen ter zake van een gedraging die in
strijd is met artikel 87, tweede lid.
Artikel 100b [Vervallen per
17-02-1999]
Artikel 101
Degene die handelt in strijd met een
krachtens artikel 40, vierde lid, gesteld voorschrift voor zover dit
is aangeduid als strafbaar feit wordt gestraft met geldboete van de
tweede categorie, indien:
a. in de daaraan voorafgaande 24
maanden tweemaal een bestuurlijke boete ter zake van een zelfde
gedraging onherroepelijk is opgelegd; of
b. de opzettelijke of roekeloze
gedraging een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van
de mens tot gevolg heeft.
Artikel 102
1. De in artikel 96, tweede lid,
strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
2. De in de artikelen 96, eerste
lid, 97, 98, 99 en 101 strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 103
1. Indien tijdens het plegen van
een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96, eerste lid, en
97, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit,
omschreven in de artikelen 96 en 97, onherroepelijk is geworden,
kan hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie worden opgelegd.
2. Indien tijdens het plegen van
een strafbaar feit, omschreven in artikel 96, tweede lid, nog geen
vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de
schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96
en 97, onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie worden
opgelegd.
3. Onder vroegere veroordeling als
bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan een vroegere
veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de
Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in
de artikelen 96 en97.
Hoofdstuk XI. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 104
1.Ten aanzien van degenen die de
bevoegdheid hadden verkregen of waren toegelaten tot de
uitoefening van een in het vierde lid genoemd beroep, dan wel een
ander in het vijfde lid genoemd beroep reeds uitoefenden, dan wel
de bevoegdheid hadden verkregen tot het voeren van de titel van
verpleegkundige vóór het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid,
ten aanzien van het desbetreffende beroep in werking is getreden,
blijven gedurende zes maanden na dat tijdstip en, indien binnen
dat tijdstip overeenkomstig het bij en krachtens artikel 5
bepaalde een aanvrage voor inschrijving in het desbetreffende
register is ingediend, ook nadien totdat op hun aanvrage
onherroepelijk is beslist, buiten toepassing:
a. het in artikel 4, tweede
lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft, waarvan
het voeren voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep
betrekking hebbende hoedanigheid in het desbetreffende
register ingeschreven staan;
b. het in artikel 35, eerste
lid, gestelde verbod, voor zover het handelingen betreft
waartoe de onder a bedoelde personen op dat tijdstip bevoegd
zijn.
2.Ingeval een aanvrage als bedoeld
in het eerste lid wordt ingediend na het verstrijken van de in dat
lid bedoelde termijn, is, indien voor deze vertraging een
aannemelijke oorzaak aanwezig is en de aanvrage is ingediend
binnen twee maanden nadat de oorzaak heeft opgehouden te werken,
vanaf de datum van indiening van de aanvrage het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
3.De in de aanhef van het eerste
lid bedoelde personen zijn, indien de in dat lid, onder a,
bedoelde personen aan tuchtrechtspraak overeenkomstig deze wet
onderworpen zijn, eveneens aan bedoelde rechtspraak onderworpen en
worden voor de toepassing van artikel 96 gelijkgesteld met degenen
die in het desbetreffende register ingeschreven staan.
4.De in het eerste lid bedoelde
beroepen zijn die van:
arts,
tandarts,
apotheker,
fysiotherapeut,
verloskundige.
5.De in het eerste lid bedoelde
andere beroepen zijn die van:
gezondheidszorgpsycholoog,
psychotherapeut.
6.De in het eerste lid bedoelde
personen worden voor de toepassing van in andere wetten opgenomen
bepalingen, betrekking hebbende op degenen die in het
desbetreffende register ingeschreven staan, gedurende de in het
eerste lid bedoelde periode gelijkgesteld met degenen die in dat
register ingeschreven staan.
Artikel 105
1.Degenen die de bevoegdheid hadden
verkregen of waren toegelaten tot de uitoefening van een in
artikel 104, vierde lid, genoemd beroep, dan wel de bevoegdheid
hadden verkregen tot het voeren van de titel van verpleegkundige
vóór het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, ten aanzien van
het desbetreffende beroep in werking is getreden, wordt
inschrijving in het desbetreffende register niet geweigerd vanwege
het niet voldoen aan de ter zake van de genoten opleiding bij of
krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in dat register gestelde
eisen.
2.Met de in het eerste lid bedoelde
personen worden gelijkgesteld degenen die een op de bekwaamheid
tot de uitoefening van een daar bedoeld beroep dan wel op het
voeren van de daar bedoelde titel betrekking hebbend getuigschrift
hebben verkregen ter afsluiting van een wettelijk geregelde
opleiding welke vóór het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid,
ten aanzien van het desbetreffende beroep in werking is getreden,
is aangevangen en eerst nadien is voltooid.
3.Ingeval de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid of toelating onder beperkingen of voorwaarden
is verleend, mag de betrokkene, in het register ingeschreven
staande, het desbetreffende beroep slechts uitoefenen met
inachtneming van die beperkingen of voorwaarden. Bij inschrijving
van de betrokkene in het register wordt in de in de vorige volzin
bedoelde gevallen in het register een aantekening geplaatst,
inhoudende een omschrijving van die beperkingen of voorwaarden.
Indien de bevoegdheid of de toelating voor een bepaalde tijd is
verleend, wordt de inschrijving van de betrokkene na afloop van
die tijd doorgehaald. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de in de tweede volzin bedoelde aantekening.
4.Het derde lid, eerste volzin, is
niet van toepassing ten aanzien van:
a. de in artikel 7, eerste
volzin, van de Wet van 24 juni 1876, Stb. 117, bedoelde
tandartsen;
b. degenen aan wie een met de
bevoegdheid van de onder a bedoelde tandartsen overeenkomende
bevoegdheid of toelating krachtens artikel 7a en 7d van de
onder a genoemde wet was verleend;
c. degenen die krachtens
artikel 1 van de Wet van 18 december 1957, Stb. 589, waren
toegelaten tot het uitoefenen van de tandheelkundige praktijk
in Nederland.
Artikel 106
1.Degenen die vóór het tijdstip
waarop artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het beroep van
psychotherapeut in werking is getreden, een op de bekwaamheid tot
de uitoefening van het beroep van psychotherapeut gerichte
opleiding dan wel de opleiding tot psychiater hebben voltooid en
die niet voldoen aan de krachtens artikel 26, eerste lid, gestelde
eisen voor inschrijving in het register van psychotherapeuten,
wordt inschrijving in dat register deswege niet geweigerd indien
de aanvrage is ingediend overeenkomstig artikel 104, eerste of
tweede lid, en Onze Minister heeft verklaard dat hun verworven
vakbekwaamheid voor de toepassing van deze wet geacht kan worden
gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen
aan vorenbedoelde eisen kan worden afgeleid.
2.Met de in het eerste lid bedoelde
personen worden gelijkgesteld degenen die een in dat lid bedoelde
opleiding hebben gevolgd welke vóór het in dat lid bedoelde
tijdstip is aangevangen en eerst nadien is voltooid.
3.De beoordeling of de
vakbekwaamheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid voor
de toepassing van deze wet geacht kan worden gelijkwaardig te zijn
aan die welke mag worden afgeleid uit het voldoen aan de krachtens
artikel 26, eerste lid, gestelde eisen, geschiedt aan de hand van
het bezit van door Onze Minister aangewezen getuigschriften.
Artikel 107
1.Voor de toepassing van de
artikelen 34, vierde lid, en 96 worden met degenen die een
krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of aangewezen
opleiding tot een beroep dat ook wettelijk geregeld was vóór de
datum van inwerkingtreding van artikel 34, hebben voltooid,
gelijkgesteld:
a. personen die vóór het
tijdstip waarop voor het desbetreffende beroep een algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 34, derde lid, in
werking treedt de bevoegdheid hadden verkregen tot de
uitoefening van het desbetreffende beroep dan wel de
bevoegdheid hadden verkregen tot het voeren van een op dat
beroep betrekking hebbende titel;
b. personen die een wettelijk
geregelde opleiding tot het desbetreffende beroep vóór het
tijdstip waarop voor dat beroep een algemene maatregel van
bestuur krachtens artikel 34, derde lid, in werking treedt,
hebben aangevangen en nadien hebben voltooid;
c. personen, andere dan de
onder a en b bedoelde, die het betreffende beroep hebben
uitgeoefend gedurende een aaneengesloten periode van tenminste
zes maanden in het tijdvak van vijf jaren, onmiddellijk
voorafgaande aan het tijdstip waarop voor dat beroep een
algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 34, derde
lid, in werking treedt en ten aanzien van wie Onze Minister op
hun daartoe strekkende aanvrage heeft verklaard dat hun
verworven vakbekwaamheid geacht kan worden gelijkwaardig of
nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit
het voltooid hebben van de krachtens artikel 34, eerste lid,
geregelde of aangewezen opleiding tot het desbetreffende
beroep kan worden afgeleid.
2.De beoordeling of de
vakbekwaamheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid,
onder c, geacht kan worden gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig
te zijn aan die welke mag worden afgeleid uit het voltooid hebben
van de krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of aangewezen
opleiding tot het desbetreffende beroep, geschiedt aan de hand van
het bezit van door Onze Minister aangewezen getuigschriften, door
het afnemen van een proef, of, ter beoordeling van Onze Minister,
op andere wijze, eventueel nadat de betrokkene gelegenheid is
gelaten tot het volgen van aanvullende opleiding.
3.Een aanvrage als bedoeld in het
eerste lid, onder c, is slechts ontvankelijk indien zij wordt
ingediend binnen zes maanden na het tijdstip waarop een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 34, derde lid, ten
aanzien van het desbetreffende beroep in werking is getreden.
Later ingediende aanvragen kunnen slechts in behandeling worden
genomen indien een aannemelijke oorzaak voor de vertraging
aanwezig is, en in dat geval slechts binnen twee maanden nadat de
oorzaak heeft opgehouden te werken.
Artikel 107a
Voor de toepassing van de artikelen
34, vierde lid, en 96 worden met degenen die een krachtens artikel
34, eerste lid, geregelde of aangewezen opleiding tot een beroep dat
niet wettelijk geregeld was vóór de datum van inwerkingtreding van
artikel 34, hebben voltooid, gelijkgesteld: personen wier verworven
vakbekwaamheid, gelet op het bezit van een door Onze Minister
aangewezen getuigschrift, geacht kan worden gelijkwaardig of
nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het
voltooid hebben van de krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde
of aangewezen opleiding tot het desbetreffende beroep kan worden
afgeleid.
Artikel 108
1.Aan degene die vóór het
tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden de bevoegdheid
tot uitoefening van heilgymnastiek en massage hadden verkregen
krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wet op de paramedische
beroepen (Stb. 1963, 113) dan wel op de in artikel 41, tweede of
vierde lid, van die wet omschreven voet, is het recht voorbehouden
de titel van heilgymnast-masseur te voeren.
2.Het is degene wie het recht tot
het voeren van de in het eerste lid geregelde titel niet toekomt,
verboden die titel of een daarop gelijkende benaming te voeren.
3.Tot het gebied van deskundigheid
van de personen, bedoeld in het eerste lid, wordt gerekend het
verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven
handelingen op het gebied van de bewegingstherapie en de
massagetherapie, voor zover zij liggen op het gebied van de
geneeskunst en het verrichten ervan geschiedt op grond van een
door een arts afgegeven verwijzing die aan bij de maatregel te
stellen eisen voldoet.
4.Tot het gebied van deskundigheid
van de personen, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend
het verrichten van handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende
op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheidstoestand te
bevorderen of te bewaken, welke overeenkomen met de handelingen,
bedoeld in het derde lid, doch niet liggende op het gebied van de
geneeskunst.
Artikel 109
1.De krachtens de Medische Tuchtwet
(Stb. 1928, 222) opgelegde maatregelen behouden na de intrekking
van die wet hun rechtskracht.
2.De op het tijdstip van die
intrekking aanhangige zaken worden nog op de voet van het bij of
krachtens de Medische Tuchtwet bepaalde afgehandeld, met dien
verstande evenwel dat daarbij geen maatregel opgelegd kan worden
wegens feiten ter zake waarvan geen maatregelen zouden kunnen
worden opgelegd overeenkomstig hoofdstuk VII of VIII van de
onderhavige wet.
Artikel 110
1.Ingeval overeenkomstig de
Medische Tuchtwet bij onherroepelijk geworden beslissing de in
artikel 5, eerste lid, onder 4°, van die wet vermelde maatregel
is opgelegd, wordt deze naar zijn rechtsgevolgen gelijkgesteld met
een krachtens artikel 48, eerste lid, onder d, opgelegde
maatregel.
2.Ingeval overeenkomstig de
Medische Tuchtwet bij onherroepelijk geworden beslissing de in
artikel 5, eerste lid, onder 5°, van die wet vermelde maatregel
is opgelegd, wordt deze naar zijn rechtsgevolgen gelijkgesteld met
een krachtens artikel 48, eerste lid, onder f, of artikel 80,
eerste lid, onder c, dan wel met een krachtens artikel 48, derde
lid, opgelegde maatregel, zulks naar gelang de betrokkene op het
tijdstip van onherroepelijk worden van bedoelde beslissing al dan
niet in het desbetreffende register ingeschreven stond.
Artikel 111
In de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan voor personen die hun
getuigschrift hebben behaald vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze maatregel een van artikel 8, tweede lid,
afwijkende aanvangsdatum worden vastgesteld vanaf welke de in de
maatregel aangegeven periode begint te lopen.
Artikel 112 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 113
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 114
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 115 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 116
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 117
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 118 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 119
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 120 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 121 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 122
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 123
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 124
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 125
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 126
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 127 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 128
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 129
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 130
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 131 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 132 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 133 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 134 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 135 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 136 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 137
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 138 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 139
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 140 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 141 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 142 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 143 [Vervallen per
17-02-1999]
Artikel 144
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 144a
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving.]
Artikel 145
De Wet van 1 juni 1865, Stb. 60,
regelende de uitoefening der geneeskunst,
de Wet van 24 juni 1876, Stb. 117,
houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der
afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst en van
de uitoefening dier kunst,
de Wet van 25 december 1878, Stb.
222, houdende regeling der voorwaarden tot verkrijging der
bevoegdheid van arts, tandarts, apotheker, vroedvrouw en
apothekersbediende,
de Wet tot bescherming van het
diploma van verpleegkundige (Stb. 1921, 702),
de Wet van 30 december 1926, Stb.
454, tot herziening van de uitvoering van de Wet van 29 juni 1925,
Stb. 282 (volledige tandprothese),
de Medische Tuchtwet (Stb. 1928,
222),
de Wet van 18 mei 1929, Stb. 257, tot
het in de gelegenheid stellen van hen, die ingevolge de wet van 30
december 1926 (Stb. 454) geen visum op hun bewijs van vestiging
hebben ontvangen, om alsnog van hun practische bekwaamheid te doen
blijken,
de Wet van 13 mei 1939, Stb. 801, tot
nadere voorzieningen inzake de tandheelkunde,
de Wet van 11 juli 1957, Stb. 330,
houdende aanvullende bepalingen tot het verlenen van de bevoegdheid
van tandheelkundige,
de Wet van 18 december 1957, Stb.
589, tot regeling van de toelating van in Indonesië bevoegde
Nederlandse tandartsen en vroedvrouwen tot de uitoefening van de
praktijk in Nederland,
de Wet op de paramedische beroepen
(Stb. 1963, 113),
de Wet op de ziekenverzorgers en
ziekenverzorgsters (Stb. 1963, 289), alsmede de Wet inzake de
tandprothetici (Stb. 1989, 329) worden ingetrokken.
Artikel 146
Waar in deze wet "Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Stb. 1993, 655)"
voorkomt, worden bij plaatsing van deze wet in het Staatsblad na
"Stb." ingevoegd de jaargang en het nummer van het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
Artikel 147
1.De artikelen van deze wet treden
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend
kan worden gesteld.
2.Voorts kan het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 3 tot en met 7, 12, 100, 104,
eerste lid, onder a, tweede en zesde lid, en 105, eerste en derde
lid, per bij koninklijk besluit aan te wijzen regio verschillend
worden gesteld ten aanzien van degenen die in Nederland woonachtig
zijn en vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip de
bevoegdheid tot het voeren van de titel van verpleegkundige hebben
verkregen.
Artikel 148
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 november 1993
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de drieëntwintigste december 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|