WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
regeling betreffende de consignatie van gelden aan te passen aan de
behoeften van de praktijk;
Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. consignatie: het overmaken van gelden aan de Staat onder de in
deze wet voorgeschreven vormen, ter beschikking van degene die van
zijn recht op uitkering doet blijken.
Artikel 2
1. Er is een consignatiekas waarin gelden worden opgenomen
waarvan de consignatie wordt bevolen of toegelaten bij wettelijk
voorschrift of een beschikking van Onze Minister dan wel een
beslissing van de rechter.
2. Het beheer van de consignatiekas is opgedragen aan Onze
Minister.
Artikel 3
1. Consignatie geschiedt in Nederlandse wettige betaalmiddelen
of door storting of overschrijving op door Onze Minister aan te wijzen
bankrekeningen.
2. Een volmacht tot consignatie moet schriftelijk worden
verleend.
Artikel 4
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de wijze waarop de
consignatie kan plaatsvinden en uitkeringen uit de consignatiekas kunnen
worden gedaan.
Artikel 5
1. Bij de consignatie worden aan Onze Minister de bescheiden
overgelegd of toegezonden waaruit blijkt op grond van welk wettelijk
voorschrift, besluit, beschikking of beslissing, de consignatie
plaatsvindt. Blijkt niet wie de rechthebbende op de gelden is dan
verzoekt Onze Minister aan degene die de consignatie verlangt om
aanvullende gegevens. Kunnen deze niet worden overgelegd of
toegezonden dan vermeldt Onze Minister de reden daarvan in het bewijs
van consignatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid.
2. Onze Minister vervaardigt een afschrift van elk der
bescheiden, bedoeld in het vorige lid, en waarmerkt elk afschrift.
3. Ingeval de consignatie door een gemachtigde geschiedt, wordt
tevens de akte van volmacht overgelegd of toegezonden.
Artikel 6
1. Onze Minister maakt van de consignatie een door hem
ondertekend bewijs van consignatie in tweevoud op. Een exemplaar van
het bewijs doet hij toekomen aan degene die de consignatie heeft
verlangd. Het andere exemplaar zomede de gewaarmerkte afschriften van
de overgelegde of toegezonden bescheiden worden bewaard tot de
rechtsvordering tot uitkering is verjaard. De overgelegde of
toegezonden bescheiden worden, bij aangetekend schrijven met bericht
van ontvangst, teruggezonden aan degene die de consignatie heeft
verlangd of aan diens gemachtigde.
2. Het model van het bewijs van consignatie wordt vastgesteld
door Onze Minister.
Artikel 7
1. Onze Minister deelt overeenkomstig door hem te stellen
regelen jaarlijks in de Staatscourant mede, welke gelden in de
loop van het vijfde aan die mededeling voorafgaande jaar in de
consignatiekas zijn opgenomen en welke nog niet zijn uitgekeerd bij de
aanvang van het jaar waarin die mededeling plaatsvindt. Ten aanzien
van consignaties van gelden ten belope van minder dan € 45,38 vindt
geen mededeling plaats. Dit bedrag kan door Onze Minister worden
bijgesteld, indien de ontwikkeling van prijsindexcijfers hem daartoe
aanleiding geeft.
2. Onze Minister stelt regelen vast ten einde nadere bekendheid
te geven aan de in het vorige lid bedoelde mededeling in de
Staatscourant.
Artikel 8
1. De in de consignatiekas gestorte gelden behoren aan de Staat
toe.
2. Van de opnemingen in en de uitkeringen uit de consignatiekas
wordt een afzonderlijke boekhouding gevoerd.
Artikel 9
1. Uitkering uit de consignatiekas vindt plaats op schriftelijk
verzoek van degene die van zijn recht op uitkering doet blijken.
2. Bij de uitkering wordt, over geconsigneerde gelden, de rente
vergoed, bedoeld in het volgende lid. De rente wordt niet vergoed ten
aanzien van consignaties ten belope van minder dan € 45,38. Dit bedrag
kan door Onze Minister worden bijgesteld, indien de ontwikkeling van
prijsindexcijfers hem daartoe aanleiding geeft.
3. Het percentage van de rente wordt door Onze Minister jaarlijks
in de maand januari voor het alsdan ingetreden kalenderjaar vastgesteld.
Bij de vaststelling van dat percentage wordt rekening gehouden met de
ten tijde van die vaststelling geldende rente op direct opvraagbare
spaarrekeningen bij grote bankinstellingen, de Postgiro en de
Rijkspostspaarbank.
4. De rente begint te lopen op de eerste dag van de maand
volgende op die waarin de gelden door Onze Minister zijn ontvangen.
5. De rente wordt berekend tot en met de laatste dag van de
maand, voorafgaande aan die waarin de uitkering geschiedt dan wel tot en
met de laatste dag van de maand, voorafgaande aan die waarin de
rechtsvordering tot uitkering is verjaard.
6. De rente wordt berekend over het aantal gehele euro’s
waaruit de geconsigneerde som bestaat, met verwaarlozing van onderdelen
van euro’s.
7. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, regelen vast met betrekking tot de voorwaarden, waaronder tot
uitkering wordt overgegaan, zomede met betrekking tot uitkeringen in
geval van derden-beslag onder de consignatiekas.
Artikel 10
1. De rechtsvordering tot uitkering van geconsigneerde gelden
verjaart door verloop van twintig jaren na de consignatie.
2. Na de verjaring van de rechtsvordering tot uitkering van
geconsigneerde gelden, worden deze onder 's Rijks middelen verantwoord.
3. Onze Minister deelt overeenkomstig door hem nader te stellen
regelen in het jaar, voorafgaande aan dat van de verjaring, in de Staatscourant
mede voor welke gelden de rechtsvordering tot uitkering in het jaar,
volgende op die mededeling, verjaart. Ten aanzien van consignaties van
gelden ten belope van minder dan € 45,38 vindt geen mededeling plaats.
Dit bedrag kan door Onze Minister worden bijgesteld, indien de
ontwikkeling van prijsindexcijfers hem daartoe aanleiding geeft.
Artikel 11
1. Ten aanzien van gelden welke vóór de aanvang van een
periode van vijf jaar, voorafgaande aan het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, in de consignatiekas zijn opgenomen en
ten aanzien waarvan het recht op uitkering niet ingevolge artikel 10
van de Wet van 11 juli 1908 (Stb. 226) is vervallen, vindt de
mededeling, bedoeld in artikel 7, plaats binnen twee jaar na dat
tijdstip.
2. De rechtsvordering tot uitkering van de in het vorige lid
bedoelde gelden verjaart op het tijdstip waarop het recht op uitkering
ingevolge artikel 10 van de Wet van 11 juli 1908 (Stb. 226) zou
vervallen, doch uiterlijk tien jaren na de dagtekening van de in het
eerste lid bedoelde Staatscourant.
3. Artikel 10, tweede en derde lid, vindt overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
1. In afwijking van het bepaalde in het vorige artikel vindt
ten aanzien van consignaties van gelden ten belope van minder dan
honderd gulden, welke vóór de aanvang van een periode van vijf jaar,
voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in de
consignatiekas zijn opgenomen, geen mededeling plaats. De
rechtsvordering tot uitkering van die gelden verjaart op de dag waarop
het recht op uitkering ingevolge artikel 10, tweede lid, eerste zin,
van de Wet van 11 juli 1908 (Stb. 226) zou zijn vervallen.
2. Artikel 10, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1. Gelden welke zijn geconsigneerd voor het tijdstip van het in
werking treden van deze wet dragen rente overeenkomstig de Wet van 11
juli 1908 (Stb. 226). De rente wordt uitbetaald bij de in
artikel 9, eerste lid, bedoelde uitkering.
2. Over gelden waarover ingevolge de Wet van 11 juli 1908 (Stb.
226) geen rente was verschuldigd, wordt na het in werking treden van
deze wet rente berekend op de voet van artikel 9, met dien verstande dat
de rente begint te lopen met ingang van de eerste dag van de maand welke
volgt op de dag van die inwerkingtreding.
Artikel 14
De Wet van 11 juli 1908 (Stb. 226) wordt ingetrokken.
Artikel 15
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 31 december van
het jaar van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de consignatie van
gelden.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lage Vuursche, 27 augustus 1980
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
De Minister van Financiën,
Van der Stee
Uitgegeven de drieëntwintigste september 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter