Nadere regelgeving:
- Dierproevenbesluit
- Dierproevenregeling
- Regeling
huisvesting en verzorging proefdieren'
- Vrijstellingsregeling verbod ex artikel 11 Wet op de
dierproeven
WET van 12 januari 1977, houdende regelen
met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het
oog op de bescherming van het dier regelen te stellen met betrekking tot
het verrichten van proeven op dieren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder dierproef of proef verstaan: het geheel van handelingen,
dat ten aanzien van een levend gewerveld dier, dan wel een levend
ongewerveld dier van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
soort, wordt uitgevoerd met het doel:
a. sera, vaccins, diagnostica of andere medische, veterinaire
of biologische zelfstandigheden te produceren of te controleren,
of biologische ijkingen uit te voeren,
b. toxicologisch of farmacologisch onderzoek te verrichten,
c. zwangerschap, ziekelijke of andere lichamelijke toestanden
of lichamelijke kenmerken van mensen of dieren of overeenkomstige
toestanden of kenmerken van planten te herkennen of op te sporen,
anders dan in de uitoefening van de diergeneeskunde op het
betrokken dier,
d. kennis van het menselijke of dierlijke lichaam, of
handvaardigheid in het verrichten van ingrepen daarop, te
verschaffen of te ontwikkelen, of
e. een antwoord te verkrijgen op een wetenschappelijke vraag,
voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat daardoor het
dier ongerief kan worden berokkend, of waarvan het beoogde of
mogelijke gevolg de geboorte is van een dier dat ongerief ondergaat.
2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder het berokkenen van ongerief verstaan: het berokkenen van
pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel.
3.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder het verrichten van een dierproef en het verrichten van een
proef verstaan zowel het verrichten van een volledige dierproef als
het verrichten van een gedeelte van een dierproef.
4.Voor de toepassing van het bij of krachtens de artikelen 11-14
van deze wet bepaalde wordt, met betrekking tot de inrichtingen van
degene die handelingen als bedoeld in het eerste lid verricht, het
aanwezig hebben van dieren met het verrichten van dierproeven gelijk
gesteld, behoudens voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat de dieren
om andere redenen aanwezig zijn.
5.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt voorts verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
inspecteur: de op grond van een aanwijzing krachtens artikel 20 ter
plaatse bevoegde inspecteur van het staatstoezicht op de
volksgezondheid.
6.Bij algemene maatregel van bestuur worden ongewervelde
diersoorten aangewezen waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen
dat zij ongerief ondervinden van een dierproef.
Artikel 1a
Bij uitoefening van bevoegdheden bij of krachtens deze wet wordt de
erkenning van de intrinsieke waarde van het dier als algemeen
uitgangspunt gehanteerd.
Artikel 2
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister dierproeven
te verrichten.
2. De vergunning geldt, voor wat betreft het verrichten van proeven
als in artikel 1, eerste lid, onder a-d bedoeld, uitsluitend voor
zover de proeven, al dan niet rechtstreeks, gericht zijn op het belang
van de gezondheid of de voeding van mens of dier.
3. Indien Onze Minister van oordeel is dat een gewichtig ander
belang zulks wettigt, kan hij in de vergunning bepalen dat zij mede
geldt voor het verrichten van dierproeven als in artikel 1, eerste
lid, onder a-d bedoeld, die, al dan niet rechtstreeks, gericht zijn op
dat - in de vergunning aan te geven - andere belang.
4. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 3
1.Onze Minister kan regelen stellen, inhoudende welke gegevens bij
een aanvrage om vergunning dienen te worden verstrekt.
2.Bij het indienen van een aanvrage dient een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen bedrag te worden betaald.
Artikel 4
1.Op een aanvrage om vergunning wordt binnen acht weken beslist.
Onze Minister kan bij beschikking deze termijn eenmaal met ten hoogste
acht weken verlengen.
2.Onze Minister beslist in overeenstemming met Onze Ministers wie
het mede aangaat.
3.Van het verlenen van een vergunning wordt in de Staatscourant
mededeling gedaan. Daarbij worden de hoofdzaken vermeld van hetgeen de
vergunning bevat met betrekking tot het doel van de proeven en van de
in de vergunning gestelde beperkingen en voorschriften. Toepassing van
de vorige volzin kan achterwege blijven, voor zover daartegen op in de
mededeling aan te geven gronden bezwaren bestaan.
Artikel 5
Een vergunning kan slechts worden geweigerd indien:
a. gegronde vrees bestaat, dat de vergunninghouder krachtens deze
wet voor hem geldende voorschriften niet zou naleven;
b. een eerder aan de aanvrager verleende vergunning is
ingetrokken anders dan op de in artikel 7, tweede lid, onder b,
genoemde grond en nog niet twee jaren zijn verstreken sedert de
beslissing tot intrekking onherroepelijk is geworden.
Artikel 6
1.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.
2.Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De
voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
Artikel 7
1.Een vergunning wordt ingetrokken indien de te harer verkrijging
verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de
aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling
daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.
2.Een vergunning kan overigens worden ingetrokken indien:
a. blijkt dat de vergunninghouder krachtens deze wet voor hem
geldende voorschriften niet heeft nageleefd;
b. gedurende een ononderbroken tijdvak van een jaar geen
handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
3.In gevallen waarin de vergunning kan worden ingetrokken, kan, in
plaats daarvan, een beperking aan de vergunning worden toegevoegd.
4.Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.Van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde
beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8
1.Een vergunning krachtens deze wet wordt verleend aan een
natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon; zij is gebonden aan de
natuurlijke of rechtspersoon aan wie zij is verleend.
2.Indien de vergunninghouder een natuurlijke persoon is, blijft de
vergunning na zijn overlijden gedurende een periode van zes maanden
van kracht ten behoeve van de rechtverkrijgenden. Wanneer binnen deze
periode een aanvrage om een nieuwe vergunning is ingediend, blijft
eerstbedoelde vergunning verder van kracht totdat op die aanvrage
onherroepelijk is beslist. Artikel 7 blijft gedurende het van kracht
blijven van deze vergunning van toepassing.
Artikel 9
Het is verboden een dierproef te verrichten indien de wijze van
uitvoering van de proef niet is bepaald door een persoon die voldoet aan
bij algemene maatregel van bestuur met het oog op de deskundigheid te
stellen eisen.
Artikel 10
1.Het is verboden een dierproef te verrichten voor een doel
a. dat, naar de algemeen kenbare, onder deskundigen heersende
opvatting, ook kan worden bereikt anders dan door middel van een
dierproef, of door middel van een dierproef waarbij minder dieren
kunnen worden gebruikt of minder ongerief wordt berokkend dan bij
de in het geding zijnde proef het geval is;
b. waarvan het belang niet opweegt tegen het ongerief dat aan
het proefdier wordt berokkend.
2.Het is verboden een dierproef te verrichten door middel van
LD50/LC50 test-methoden.
3.Van het in het tweede lid bedoelde verbod kan door Onze Minister
vrijstelling worden verleend indien wordt aangetoond dat voor de in
dat lid genoemde methoden geen alternatief aanwezig is.
Artikel 10a
1. Het is verboden een dierproef te verrichten indien niet:
a. daarover tevoren een advies is uitgebracht door een op de
voet van artikel 18a erkende dierexperimentencommissie;
b. na een negatief advies van de dierexperimentencommissie een
positief oordeel is gegeven door de Centrale commissie
dierproeven, bedoeld in artikel 18.
2. Bij het opstellen van het advies beoordeelt de
dierexperimentencommissie de proef aan de hand van het onderzoeksplan
op de grondslag van het bepaalde in de artikelen 2, tweede en derde
lid, 9, 10, 10b, 10d,10e, 11, 12 en 13.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen vastgesteld
waaraan een plan als bedoeld in het tweede lid in ieder geval moet
voldoen om door de commissie in behandeling te worden genomen.
4. Indien de vergunninghouder op de voet van het eerste lid, onder
b, het oordeel vraagt van de Centrale commissie dierproeven, doet hij
deze aanvraag vergezeld gaan van het onderzoeksplan, het advies en
zijn standpunt daaromtrent.
5. De Centrale commissie dierproeven geeft haar oordeel binnen drie
maanden na de aanvraag.
6. De Centrale commissie dierproeven doet van het door haar gegeven
oordeel mededeling in de Staatscourant; daarbij worden de hoofdzaken
vermeld van hetgeen het oordeel bevat met betrekking tot de proef.
7. Indien de voorgenomen proef de vrijlating van het betrokken dier
vereist, is het advies onderscheidenlijk het oordeel op dit punt
uitsluitend positief indien de dierexperimentencommissie
onderscheidenlijk de Centrale commissie dierproeven de zekerheid heeft
verkregen dat al het mogelijke wordt gedaan om het welzijn van het
dier te waarborgen en dat vrijlating alleen plaats vindt indien de
gezondheidstoestand van het dier zulks toelaat en er geen gevaar
bestaat voor de volksgezondheid en het milieu.
8. Bij het beoordelen van een voorgenomen proef die wordt verricht
op grond van een wettelijke regeling op het gebied van de gezondheid
of de veiligheid, erkennen de dierexperimentencommissie en de Centrale
commissie dierproeven zoveel mogelijk de gegevens die het resultaat
zijn van dierproeven, verricht op het grondgebied van een andere
lidstaat van de Europese Unie, tenzij ter vrijwaring van de
volksgezondheid of de veiligheid verder onderzoek vereist is.
9. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op een aanvraag voor advies, bedoeld in het eerste
lid, van een op de voet van artikel 18a erkende
dierexperimentencommissies en op een oordeel, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, gevraagd aan de Centrale commissie dierproeven,
bedoeld in artikel 18.
Artikel 10b
1.Het is, onverminderd artikel 10a, verboden een dierproef te
verrichten waarbij het dier zeer ernstig ongerief kan worden
berokkend, indien de proef niet van belang is voor de essentiële
behoeften van mens of dier.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden omschreven wat voor
de toepassing van het eerste lid onder zeer ernstig ongerief en onder
de essentiële behoeften van mens of dier moet worden verstaan.
Artikel 10c
Het is verboden een dierproef te verrichten anders dan volgens het
onderzoeksplan, bedoeld in artikel 10a, tweede lid.
Artikel 10d
Het is verboden een dierproef te verrichten voor het ontwikkelen van
nieuwe danwel het testen van bestaande cosmetica waarvoor regels zijn
vastgesteld op grond van de Warenwet.
Artikel 10e
Het is verboden een dierproef te verrichten waarbij gebruik wordt
gemaakt van de volgende diersoorten:
– chimpansee (pan troglodytes)
– bonobo (pan paniscus)
– orang-oetan (pongo pygmaeus)
– gorilla (gorilla gorilla).
Artikel 11
Het is verboden proeven te verrichten op dieren die niet:
a. in de inrichting van de betrokkene gefokt zijn, of
b. rechtstreeks afkomstig zijn van een andere inrichting waarin,
uitsluitend of in hoofdzaak met het oog op dierproeven of
wetenschappelijk onderzoek, dieren worden gefokt of tot zodanig
doeleinde worden gebruikt.
Artikel 11a
1.Het is verboden dieren te fokken of af te leveren met het oog op
dierproeven zonder vergunning van Onze Minister.
2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden
geweigerd indien niet wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde eisen omtrent organisatie en personeel.
De artikelen 4, eerste en tweede lid, 6 en 7 zijn van toepassing.
3.Ten aanzien van de houder van een vergunning als bedoeld in het
eerste lid zijn de artikelen 12, 14 en 15 van overeenkomstige
toepassing, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is
bepaald.
Artikel 12
1.Hij die dierproeven verricht, is, onverminderd zijn gehoudenheid
de desbetreffende voorschriften, verbonden aan een voor hem geldende
vergunning of ontheffing, na te leven, verplicht ervoor zorg te dragen
dat de dieren behoorlijk worden verzorgd en behandeld met inachtneming
van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te dien aanzien te
stellen regelen.
2.Tot de in het eerste lid bedoelde regelen kunnen behoren regelen
met betrekking tot:
a. de deskundigheid van degenen die de dieren verzorgen;
b. de afmetingen en de constructie van de onderkomens waarin de
dieren worden gehuisvest;
c. het schoonhouden en het verwarmen der onderkomens;
d. de voeding der dieren.
Artikel 13
1.Hij die een dierproef verricht, is verplicht ervoor zorg te
dragen dat daarbij het proefdier ongerief wordt bespaard in de mate
waarin dat mogelijk is zonder de proef te verijdelen.
2.Hij die een dierproef verricht, is verplicht ervoor zorg te
dragen dat, wanneer daarbij aan het proefdier een handeling zal worden
verricht waarbij het zonder verdoving ongerief zou kunnen ondergaan,
het dier ter voorkoming daarvan geheel of plaatselijk wordt verdoofd.
Deze verplichting geldt niet in gevallen waarin de verdoving de proef
zou verijdelen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën
van handelingen worden aangewezen waarbij, ongeacht het bepaalde in de
vorige volzin, in alle gevallen verdoving moet plaatsvinden.
3.Het is verboden op een proefdier meer dan eenmaal een proef te
verrichten die ernstig ongerief berokkent.
4.Hij die een dierproef verricht, is verplicht ervoor zorg te
dragen dat, wanneer daarbij aan het proefdier een handeling is
verricht tengevolge waarvan het anders dan gedurende een korte tijd
ongerief zou ondergaan indien het in het leven zou worden gelaten, het
dier terstond wordt gedood. Indien zulks de proef zou verijdelen dient
het dier te worden gedood zodra de proef dit toelaat.
Artikel 14
Hij die dierproeven verricht, is verplicht, overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur te dien aanzien te stellen regelen een
dierenarts of een andere deskundige, behorende tot een bij de maatregel
aangewezen categorie, te belasten met het houden van toezicht op het
welzijn van de proefdieren.
Artikel 15
Hij die dierproeven verricht is verplicht omtrent de verwerving van
proefdieren en omtrent de verrichte proeven aantekening te houden en aan
Onze Minister gegevens te verstrekken, een en ander overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur te dien aanzien te stellen regelen.
Artikel 16
1. Onze Minister kan voor gevallen, behorende tot bij zijn besluit
aangewezen categorieën, vrijstelling verlenen van de in de artikelen
11 en 11a gestelde verboden. Een vrijstelling mag geen betrekking
hebben op zwerfhonden, zwerfkatten of uit het wild gevangen dieren met
uitzondering van dieren van bij ministeriële regeling aangewezen
soorten.
2. Onze Minister kan, in bijzondere gevallen, op daartoe strekkend
verzoek ontheffing verlenen van bij de artikelen 9, 10, eerste lid,
11, 11a, derde lid, 12, en 14 gestelde verboden en verplichtingen.
3. De artikelen 4 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 17
De werking van de beschikking tot wijziging of intrekking van een
vergunning of ontheffing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 18
1.Er is een Centrale commissie dierproeven. De commissie heeft tot
taak het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in het zesde lid en
de artikelen 10a, eerste lid, onderdeel b, 18a, eerste lid, en 18f,
derde lid.
2.De commissie bestaat uit een voorzitter die tevens lid is, en ten
minste vier en ten hoogste acht andere leden. Lid van de commissie
zijn deskundigen op het gebied van dierproeven, van proefdieren en van
dierenbescherming.
3.De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door Ons
voor de tijd van vijf jaren benoemd en kunnen door Ons worden
geschorst en ontslagen. Na het verstrijken van de tijd waarvoor zij
zijn benoemd kunnen zij voor gelijke termijn opnieuw worden benoemd.
4.Uit de leden van de commissie wordt door Ons een
plaatsvervangende voorzitter benoemd.
5.Onze Minister kan regelen stellen betreffende de werkwijze van de
commissie. Hij voorziet in het secretariaat.
6.Alvorens een beschikking wordt genomen met toepassing van artikel
2, derde lid, wordt de commissie gehoord.
Artikel 18a
1.Onze Minister kan, gehoord de Centrale commissie dierproeven,
dierexperimentencommissies erkennen, die belast zijn met de advisering
omtrent dierproeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 10a.
2.Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een
dierexperimentencommissie waarvan uit het reglement blijkt:
a. dat zij bestaat uit ten minste zeven leden, waaronder de
voorzitter die niet in een arbeidsverhouding staat tot de
vergunninghouder aan wie advies wordt uitgebracht;
b. dat van de commissie in een evenredige getalsverhouding deel
uitmaken deskundigen op het gebied van de dierproeven, van
alternatieven voor dierproeven, van de proefdieren en hun
bescherming, en van de ethische toetsing;
c. dat ten minste twee van de onder b bedoelde deskundigen niet
zijn betrokken bij het verrichten van dierproeven;
d. dat behalve de voorzitter ten minste twee leden niet in een
arbeidsverhouding staan tot de vergunninghouder aan wie advies
wordt uitgebracht;
e. dat de overige leden, indien zij betrokken zijn bij het
verrichten van een dierproef, niet deelnemen aan de opstelling van
het advies over die proef;
f. dat bij de opstelling van het advies de door de
desbetreffende vergunninghouder overeenkomstig artikel 14
aangestelde deskundige als adviseur zal worden betrokken;
en waarvan het reglement voor het overige voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur gestelde eisen.
Artikel 18b
Van een erkenning als bedoeld in artikel 18a, eerste lid, doet Onze
Minister mededeling in de Nederlandse Staatscourant. De artikelen 4,
eerste tot en met derde lid, en 6, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 18c
Een dierexperimentencommissie kan in haar reglement bepalen welke
categorieën van proeven niet door de commissie in haar geheel behoeven
te worden getoetst.
Artikel 18d
Een krachtens artikel 18a erkende dierexperimentencommissie doet van
een wijziging van haar reglement schriftelijk mededeling aan Onze
Minister.
Artikel 18e
De dierexperimentencommissie brengt jaarlijks vóór 1 april aan Onze
Minister verslag uit van haar werkzaamheden in het afgelopen
kalenderjaar. Onze Minister stelt regelen omtrent de inhoud van het
verslag.
Artikel 18f
1.Onze Minister trekt een aan een dierexperimentencommissie
verleende erkenning in indien de dierexperimentencommissie:
a. niet langer voldoet aan de in artikel 18a, tweede lid, met
het oog op erkenning gestelde voorwaarden;
b. de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit artikel
10a, tweede lid, niet of onvoldoende nakomt.
2.Onze Minister kan een erkenning intrekken indien aan de
dierexperimentencommissie binnen het tijdsverloop van een jaar minder
dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal adviezen
zijn gevraagd.
3.Een beslissing tot intrekking van een erkenning wordt niet
genomen dan nadat de Centrale commissie dierproeven is gehoord; deze
stelt de dierexperimentencommissie in de gelegenheid, haar bezwaren
tegen de intrekking kenbaar te maken. Van de intrekking wordt
schriftelijk mededeling gedaan aan de dierexperimentencommissie.
Artikel 18b is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18g
De leden van de dierexperimentencommissies zijn verplicht tot
geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid is bekend geworden,
voorzover zij niet in hun hoedanigheid tot mededeling daarvan bevoegd of
verplicht zijn.
Artikel 19 [Vervallen per 05-02-1997]
Artikel 20
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 22
1.De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.
2.Indien voor het betreden van een plaats in het belang van een
proef voorschriften zijn gesteld, nemen de in artikel 20 bedoelde
ambtenaren deze bij het betreden van die plaats voor zover mogelijk in
acht.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 24
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij artikel 5:20, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht gestelde verplichting.
Artikel 25
1.Overtreding van artikel 2, 9, 10, 10a, eerste lid, 10b, eerste
lid, 10c, 10d, 10e, 11, 11a, eerste en derde lid, 12, 13, 14 en 15, of
van een voorschrift, krachtens artikel 6, tweede lid, 11a, tweede lid,
16, derde lid, of 18b aan een vergunning, erkenning of ontheffing
verbonden, is strafbaar.
2.Handelen in strijd met de artikelen 2, 10, 10b, eerste lid, 10c,
10d en 10e, alsmede indien het opzettelijk geschiedt, artikel 13, is
een misdrijf. De overige in het eerste lid strafbaar gestelde feiten
zijn overtredingen.
3.De strafbare feiten die ingevolge het tweede lid misdrijven zijn,
worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de vierde categorie; de strafbare feiten die ingevolge
het tweede lid overtredingen zijn, worden gestraft met hechtenis van
ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 26
Met de opsporing van de in artikel 25 strafbaar gestelde feiten zijn,
behalve de ambtenaren bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de krachtens artikel 20 aangewezen ambtenaren.
Artikel 27
Voor degene, voor wie op het tijdstip waarop artikel 2, eerste lid,
in werking treedt, het verrichten van dierproeven tot het terrein van
zijn werkzaamheden behoort, geldt het in dat lid gestelde verbod niet
gedurende drie maanden na bedoeld tijdstip, en, indien binnen die
termijn een aanvraag om een vergunning als in dat lid bedoeld is
ingediend, voorts niet totdat de beschikking waarbij op de aanvraag
wordt beslist, onherroepelijk is geworden. Artikel 4, eerste lid, blijft
met betrekking tot zodanige aanvraag buiten toepassing.
Artikel 28 [Vervallen per 05-02-1997]
Artikel 29
Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de dierproeven.
Artikel 30
1. Artikel 18 van deze wet treedt in werking met ingang van de dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
2. Haar onderscheidene overige bepalingen treden in werking op door
Ons te bepalen tijdstippen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 12 januari 1977
JULIANA
De Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
Hendriks
Uitgegeven de tweeëntwintigste februari 1977
De Minister van Justitie,
Van Agt
|