Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbeschikking
dividendbelasting 1965
WET van 23 december 1965, houdende
vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe
wettelijke regeling
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een meer overzichtelijke en op
verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
1.Onder de naam 'dividendbelasting' wordt een directe belasting
geheven van degenen, die - rechtstreeks of door middel van
certificaten - gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, en
winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan in
Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten
vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire
vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of
ten dele in aandelen is verdeeld.
2.Voor de toepassing van deze wet worden bewijzen van
deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen waarvan het kapitaal
geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en worden de fondsen
gelijkgesteld met vennootschappen.
3.Heeft de oprichting van een in het eerste lid bedoelde
vennootschap plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt die
vennootschap steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.
Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd
beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste
volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.
4.In afwijking van het eerste lid zijn van de belasting vrijgesteld
degenen, die – rechtstreeks of door middel van certificaten –
gerechtigd zijn tot de opbrengsten van aandelen in of winstbewijzen
van een lichaam als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
5.In afwijking van het vierde lid wordt wel belasting geheven van
degenen die – rechtstreeks of door middel van certificaten –
gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in of winstbewijzen van
een lichaam dat ingevolge artikel 6a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van belastingheffing:
a. gedurende een tijdvak van acht maanden na het einde van het
tijdvak waarover artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 op het lichaam van toepassing is
geweest, voorzover de opbrengst de in die acht maanden op grond
van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, aan de
belastingplichtigen ter beschikking te stellen winst niet te boven
gaat;
b. voorzover de opbrengst het bedrag van de zuivere winst die
reeds aanwezig was op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan
het tijdstip waarop het lichaam wordt vrijgesteld op grond van
artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet te
boven gaat.
Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting
Artikel 2
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in artikel 1
bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
Artikel 3
1.Tot de opbrengst behoren:
a. onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder
welke naam of in welke vorm ook gedaan daaronder begrepen hetgeen
ter gelegenheid van inkoop van aandelen, anders dan ter tijdelijke
belegging, wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de
desbetreffende aandelen gestorte kapitaal;
b. hetgeen bij liquidatie op aandelen wordt uitgekeerd boven
het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal,
behoudens voorzover de liquidatie-uitkering is toe te rekenen aan
de vermogensbestanddelen waarmee degene die gerechtigd is tot de
liquidatie-uitkering, de onderneming van de vennootschap met
toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 voortzet of mede voortzet;
c. de nominale waarde van aandelen uitgereikt aan
aandeelhouders, voor zover niet blijkt dat storting heeft plaats
gevonden of zal plaats vinden; bijschrijving op aandelen wordt met
uitreiking van aandelen gelijkgesteld;
d. gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort,
indien en voor zover er zuivere winst is, tenzij tevoren de
algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft
besloten en de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste
aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is
verminderd;
e. hetgeen wordt uitgekeerd op winstbewijzen, daaronder
begrepen hetgeen wordt genoten ter gelegenheid van afkoop of
inkoop daarvan;
f. vergoedingen op geldleningen als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969;
g. gehele of gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op bewijzen
van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is
gestort, wordt als uitkering beschouwd, voorzover het vermogen van
het fonds uitgaat boven hetgeen op de in omloop zijnde bewijzen
van deelgerechtigdheid is gestort;
h. het bedrag dat als storting wordt toegerekend aan elk van de
bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening
voorzover winsten van dat fonds worden bestemd om te gelden als
storting op aan deelgerechtigden uit te geven of reeds uitgegeven
bewijzen van deelgerechtigdheid.
2.Niet in geld genoten opbrengst wordt in aanmerking genomen naar
de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden
toegekend.
3.Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een
optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of
een verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid,
van de Wet op de loonbelasting 1964 is een tijdelijke belegging.
Ingeval deze aandelen drie maanden na het tenietgaan van de
optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren,
worden zij op dat tijdstip geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in
het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Voor de
toepassing van dit lid wordt onder een optieverplichting verstaan een
verplichting die de tegenhanger is van een recht om een of meer
aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven, of van een
recht dat daarmee gelijk te stellen is.
4.Inkoop van aandelen in een kalenderjaar door een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht wordt aangemerkt als een tijdelijke belegging,
tenzij de beleggingsinstelling de inkoop terstond aanmerkt als een
inkoop in de zin van het eerste lid, onderdeel a. Ingeval aan het
einde van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging zijn
ingekocht dan in dat jaar door de beleggingsinstelling in het
economische verkeer zijn gebracht, worden de meer ingekochte aandelen
geacht een inkoop van aandelen te zijn als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van
de in de loop van het kalenderjaar als tijdelijke belegging ingekochte
aandelen. Voor de toepassing van dit lid blijven aandelen die zijn
ingekocht met het oog op de nakoming van een optieverplichting als
bedoeld in het derde lid, en aandelen die in het economische verkeer
zijn gebracht in het kader van een zodanige optieverplichting of ter
voldoening van de in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde uitdelingsverplichting,
buiten beschouwing.
Artikel 3a
1.Voorzover de storting op aandelen in een vennootschap bestaat uit
aandelen in een andere vennootschap wordt ten aanzien van alle
aandeelhouders slechts als gestort aangemerkt hetgeen op de
laatstbedoelde aandelen is gestort, verminderd met hetgeen in
contanten is bijbetaald. In afwijking van de eerste volzin wordt,
ingeval die andere vennootschap niet in Nederland is gevestigd, als
gestort kapitaal aangemerkt de waarde in het economische verkeer van
de ingebrachte aandelen ten tijde van de storting, tenzij deze
aandelenruil in overwegende mate is gericht op het ontgaan of
uitstellen van belastingheffing. Een aandelenruil wordt, tenzij het
tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te
zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien
de aandelenruil niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen,
zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden
van de bij de aandelenruil betrokken rechtspersonen. De vennootschap
die zekerheid wenst omtrent de vraag of de aandelenruil wordt geacht
niet in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of het
uitstellen van belastingheffing, kan vóór de aandelenruil een
verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare
beschikking beslist.
2.In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van
een splitsing van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle
aandeelhouders ten hoogste een evenredig gedeelte van het bedrag van
het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal
aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende
rechtspersonen in het kader van de splitsing toegekende aandelen, en
wordt, in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon
blijft bestaan, het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon
gestorte kapitaal in dezelfde mate verminderd. Indien in het kader van
de splitsing een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de
toepassing van de vorige volzin het op de aandelen in de splitsende
rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.
3.In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van
een fusie van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle
aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de
verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort
kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de
fusie toegekende aandelen. Indien in het kader van de fusie een
bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de
vorige volzin het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon
gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.
4.Indien de overgang onder algemene titel in het kader van een
splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen
van belastingheffing, blijft het tweede lid buiten toepassing; in dat
geval wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als
zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de
splitsende rechtspersoon. Een splitsing wordt, tenzij het tegendeel
aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht
op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing
niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals
herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van
de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen. Zakelijke
overwegingen worden voorts niet aanwezig geacht indien de activa die
bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk,
onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen – liquide
middelen daaronder begrepen – of indien hetgeen bij de splitsende
rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk – onmiddellijk of
middellijk bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan
respectievelijk achterblijven geen afzondering van ingehouden winst
representeren.
5.Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een evenredig
gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding
tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing
van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die
overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en de waarde in het
economische verkeer ten tijde van de splitsing van het gehele vermogen
van de splitsende rechtspersoon.
6.De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de
vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn
gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de
splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor
bezwaar vatbare beschikking beslist.
Artikel 3b
De herbeleggingsreserve die is gevormd ingevolge de nadere regelen
die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van
vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen, wordt aangemerkt als
op de aandelen van de instelling gestort kapitaal.
Artikel 4
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien
van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, indien:
a. de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening,
bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing is op de
voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen,
winstbewijzen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot
het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming;
b. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige deel
uitmaken van dezelfde fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de aandelen,
winstbewijzen en geldleningen bij de opbrengstgerechtigde behoren
tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming.
2. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de
opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, indien:
1°. de opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de
fiscale wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie of
een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aldaar
is gevestigd, en
2°. de opbrengstgerechtigde op het tijdstip waarop de
opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de
inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling,
bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van
die wet, van toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn
gevestigd.
3. Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval:
a. de opbrengstgerechtigde in de staat van vestiging volgens
een met een derde staat gesloten verdrag ter voorkoming van
dubbele belasting geacht wordt te zijn gevestigd buiten de
lidstaten van de Europese Unie en de bij ministeriële regeling
aangewezen staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte;
b. de opbrengstgerechtigde een vergelijkbare functie vervult
als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel
28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of
c. op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en
misbruiken opgenomen in een door Nederland met de staat van
vestiging van de opbrengstgerechtigde gesloten verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting de opbrengstgerechtigde geen
aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen
verlaging van de belastingheffing op dividenden.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien
van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de
uiteindelijke gerechtigde is.
5. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien
van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en
geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verstrekt aan aangewezen
kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in de
artikelen 5.14, 5.15 en 5.18a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 dan
wel participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet
Inkomstenbelasting 2001.
6. Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting
achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde
rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 11a,
tweede lid, of artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting
1964, artikel 3.116a, derde lid, of artikel 3.126a van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
7. Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting
ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge
artikel 10, alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of
teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor
het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming
van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde
beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een
tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van
transacties waarbij aannemelijk is dat:
a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten
goede is gekomen aan:
1. een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ten aanzien
van wie inhouding niet achterwege mag blijven, terwijl dit ten
aanzien van degene die de tegenprestatie heeft verricht wel
mag, of
2. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in mindere
mate gerechtigd is tot vermindering of teruggaaf van
dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft
verricht; en
b. deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in
aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die
vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen,
winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop
het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
8. Voor de toepassing van het zevende lid:
a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn
ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt
als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
of een met een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht vergelijkbaar systeem dat
gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van
de Europese Unie;
b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een
transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of
meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende
genotsrechten op aandelen;
c. zijn de artikelen 2.14a en 10a.7 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4b [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4c
1.Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van
de opbrengst van aandelen ter gelegenheid van een inkoop van aandelen
voor zover het totale bedrag van de inkoop in het kalenderjaar niet
meer bedraagt dan twintig keer het bedrag van het volgens het tweede
lid bepaalde gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf
voorafgaande kalenderjaren, verminderd met de bedragen aan inkoop van
aandelen ter zake waarvan inhouding op de voet van dit artikel in de
voorafgaande vier kalenderjaren achterwege is gebleven, mits voorts
aan de volgende vereisten is voldaan:
a. de ingekochte aandelen behoren tot een soort welke is
toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld
in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met
een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die
geen lidstaat is en de inhoudingsplichtige is niet een lichaam
waarvan de feitelijke werkzaamheid hoofdzakelijk bestaat uit het,
onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of een daarmee
overeenkomende werkzaamheid;
b. in het kalenderjaar wordt aan dividend in contanten ten
minste uitgekeerd een bedrag gelijk aan het volgens het tweede lid
bepaalde gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf
voorafgaande kalenderjaren, en
c. in het kalenderjaar tot het tijdstip van de inkoop en in de
vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is het nominaal gestorte
kapitaal in de inhoudingsplichtige niet vergroot, tenzij aan de
vergroting van het nominaal gestorte kapitaal in overwegende mate
zakelijke overwegingen ten grondslag hebben gelegen.
2.Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gemiddeld
uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren,
wordt berekend door na correctie van de bedragen van de zeven
voorafgaande kalenderjaren met een inflatiebijstelling, het jaar met
het hoogste en het jaar met het laagste gecorrigeerde bedrag buiten
aanmerking te laten.
3.Indien de inhoudingsplichtige verschillende soorten nominaal
gestort kapitaal heeft, worden de bepalingen van dit artikel per soort
ingekochte aandelen toegepast.
4.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld:
a. voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot
situaties waarin de inhoudingsplichtige in omvang is toegenomen of
afgenomen ten gevolge van een fusie of splitsing;
b. met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde
inflatiebijstelling.
5.De inhoudingsplichtige die zekerheid wil hebben op de vraag in
hoeverre de inhouding van de belasting op de voet van dit artikel
achterwege mag blijven, kan daartoe een verzoek indienen bij de
inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
Het verzoek wordt gedaan ten minste zes weken voor de voorgenomen
inkoop.
Artikel 4d
1.Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht mag voorts inhouding van de belasting
achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld
in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de inhouding van
de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in
mindering wordt gebracht van een agioreserve of een
herbeleggingsreserve.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. agioreserve: het in de beleggingsinstelling gestorte
kapitaal voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in
het economische verkeer zijnde aandelen in de
beleggingsinstelling;
b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de
beleggingsinstelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die
zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van
vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.
Artikel 4e
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan inhouding van belasting achterwege mag blijven ten aanzien van
de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of
winstbewijzen, voor zover de opbrengstgerechtigde met betrekking tot die
opbrengst verzoekt om toepassing van artikel 4.12a van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel 4f
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan inhouding van dividendbelasting achterwege mag blijven ten
aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende
aandelen of winstbewijzen in een situatie als bedoeld in artikel 25,
elfde lid, van de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk III. Tarief
Artikel 5
De belasting bedraagt 15% van de opbrengst.
Artikel 6
1.Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de
belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de
belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/85.
2.Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een
inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van
artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c, wordt de belasting berekend
gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar
rekening neemt.
Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
Artikel 7
1.De belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst.
2.Inhoudingsplichtige is de vennootschap die de opbrengst
verschuldigd is.
3.De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op
het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld.
4.De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op
aangifte af te dragen.
5.Overtreft de belasting de opbrengst in geld, dan wordt het
ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het derde lid
omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige
bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op degene die tot de opbrengst
gerechtigd is. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de niet in
geld genoten opbrengst opschorten tot voldoening van deze vordering
plaatsvindt.
Artikel 8 [Vervallen per 14-07-1994]
Artikel 9
1.De inhoudingsplichtige, degene bij wie de opbrengst is betaalbaar
gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan
certificaathouders, of degene tot wiens beroep het kopen of innen van
dividendbewijzen gewoonlijk behoort, is, zodra de opbrengst is
uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of uitgereikt, gehouden ten
behoeve van de rechthebbende een gedagtekende nota uit te reiken
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
2.Voor de toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting geacht te zijn
ingehouden op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nota is
gedagtekend.
Artikel 10
1. Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de
vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een
door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf
verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden
dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. In afwijking
van de eerste volzin wordt de teruggaaf van dividendbelasting die is
ingehouden door een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 berekend volgens de formule:
T = Di – ((Di : Dt) x Bbr),
waarin
T voorstelt: de teruggaaf van dividendbelasting;
Di voorstelt: de ten laste van de rechtspersoon door de
beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting;
Dt voorstelt: de dividendbelasting die door de beleggingsinstelling
vóór toepassing van de vermindering in totaal is af te dragen ten
tijde van de toepassing van de vermindering, bedoeld in artikel 11a,
eerste lid;
Bbr voorstelt: de door de beleggingsinstelling op de in totaal af
te dragen dividendbelasting op de voet van artikel 11a, eerste lid, in
mindering gebrachte buitenlandse bronheffing.
Ingeval de in de tweede volzin bedoelde beleggingsinstelling een
belang houdt in een andere beleggingsinstelling als bedoeld in artikel
28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt de in die
volzin berekende teruggaaf van dividendbelasting nog verminderd met
eenzelfde bedrag als waarmee de teruggaaf zou worden verminderd als de
in de eerste volzin bedoelde rechtspersoon rechtstreeks zou hebben
deelgenomen in de laatstbedoelde beleggingsinstelling. De eerste
volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten
met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk
gerechtigde is. De eerste volzin is ook niet van toepassing met
betrekking tot een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in
artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het verzoek
geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij
ministeriële regeling te stellen termijn.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
een lichaam dat is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dat
aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en
dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de
heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De eerste
volzin is niet van toepassing met betrekking tot lichamen die een
vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in
artikel 6a of artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 11
1.Op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen
belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering
worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen
die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is
gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in
relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van
dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
1°. de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het
lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde - al dan niet te
zamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige
verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 - voor ten minste 25 percent
van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam
dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25
percent van de stemrechten in dat lichaam;
2°. op de winstuitkeringen is in de Nederlandse Antillen,
Aruba of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting
van ten minste 5 percent ingehouden;
3°. bij het bepalen van de winst van de inhoudingsplichtige
blijven de winstuitkeringen op de voet van artikel 13 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking.
2.De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van
de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst
waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3
percent van de winstuitkeringen - vóór aftrek van de ingehouden
bronbelasting - bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar
tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande
kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet
in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere
vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de
volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.
3.Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de
inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet
gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft
ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking
komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of een
daarmee vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die
respectievelijk dat voor minder dan 5 percent van het nominaal
gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige.
4.Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit
maakt van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15, eerste lid,
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de door die
maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen
die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing
van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de
moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de
dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige
volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die
voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op
gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder
door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen
worden toegerekend aan de moedermaatschappij.
5.Voor de toepassing van dit artikel wordt met een winstuitkering
op aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan een vermindering kan
worden toegepast gelijkgesteld de uit een staat waarmee Nederland een
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten afkomstige
winst, die in overeenstemming met het ter zake in het desbetreffende
verdrag bepaalde in Nederland van belastingheffing is vrijgesteld en
in de andere staat, naast de belasting die over die winst is geheven,
is onderworpen aan een aanvullende belasting van ten minste 5 percent.
6.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 11a
1.Een inhoudingsplichtige die voor de heffing van de
vennootschapsbelasting is aangemerkt als beleggingsinstelling als
bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag
op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen
belasting een vermindering toepassen wegens ten laste van hem
ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffing.
2.De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het
gezamenlijke bedrag van de ten laste van de inhoudingsplichtige
ingehouden dividendbelasting en buiten Nederland ingehouden en
drukkende belastingen aan de bron op de opbrengsten van aandelen,
winstbewijzen en geldleningen, voor zover deze dividendbelasting en
buitenlandse bronheffingen zijn ingehouden op een tijdstip dat de
inhoudingsplichtige is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld
in het eerste lid en deze belastingen nog niet eerder in mindering
zijn gekomen. Een buitenlandse bronheffing wordt daarbij in aanmerking
genomen tot een maximum van 15% van de opbrengst waarop zij drukt, en
vervolgens verminderd met het bedrag waarvoor niet in Nederland
wonende of gevestigde uiteindelijke gerechtigden – anderen dan
bedoeld in artikel 10, derde lid – die een belang hebben in de
inhoudingsplichtige, bij dooruitdeling van de opbrengst waarop de
bronheffing betrekking heeft, op grond van de Belastingregeling voor
het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting recht zouden hebben op een vermindering of teruggaaf van
dividendbelasting. De eerste volzin is slechts van toepassing op
belasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de
inhoudingsplichtige de uiteindelijk gerechtigde is; artikel 4, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel
uitmaakt van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15, eerste lid,
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de ten laste van
haar ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen voor
de toepassing van de vermindering op de voet van het eerste lid
toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval
vóór het tot stand komen van die fiscale eenheid ten laste van de
inhoudingsplichtige dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen
zijn ingehouden die nog niet op de voet van het eerste lid tot een
vermindering hebben geleid, worden zij toegerekend aan de
moedermaatschappij. Bij een verbreking van de fiscale eenheid blijven
dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen die nog niet op de
voet van het eerste lid tot een vermindering hebben geleid, achter bij
de moedermaatschappij.
Artikel 12
1.Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen
die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van artikel
11, mag hij in afwijking van artikel 4, eerste en tweede lid, tot een
bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege
laten van inhouding van de belasting.
2.De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet
van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht
aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3.Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste
lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die
opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de
voorwaarden voor een vermindering op de voet van artikel 11.
Artikel 13
De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor
bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van
een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze
vennootschap, niet zijnde een beleggingsmaatschappij met veranderlijk
kapitaal, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte
kapitaal. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het verzoek.
Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 14 [Vervallen per 14-07-1994]
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 15
Bij het bepalen van hetgeen gemiddeld is gestort op bewijzen van
deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening waarop met ingang
van 1 januari 1970 de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toepassing
vindt, wordt het alsdan aanwezige vermogen aangemerkt als op dat
tijdstip te zijn gestort. Tot dit vermogen worden niet gerekend na 1
januari 1968 behaalde en niet uitgekeerde voordelen, welke, zo zij
vóór het eerstbedoelde tijdstip zouden zijn uitgekeerd aan niet tot
het vermogen van een onderneming gerechtigde binnenlandse
belastingplichtigen, als inkomsten uit vermogen zouden zijn aangemerkt.
Artikel 16
Artikel 3a, eerste lid, vindt geen toepassing met betrekking tot
stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
Artikel 17
1.Deze wet treedt in werking op 1 januari 1966.
2.Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de dividendbelasting,
met vermelding van het jaar, waarin zij in het Staatsblad wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 december 1965
JULIANA
De Minister van Financiën,
A. Vondeling
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Hoefnagels
Uitgegeven de achtentwintigste december 1965
De Minister van Justitie a.i.,
Smallenbroek
|