Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbeschikking
dividendbelasting 1965
WET van 23 december 1965, houdende
vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe
wettelijke regeling
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een meer overzichtelijke en op
verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
1. Onder de naam
'dividendbelasting' wordt een directe belasting geheven van degenen, die
- rechtstreeks of door middel van certificaten - gerechtigd zijn tot de
opbrengst van aandelen in, en winstbewijzen van en geldleningen als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 aan in Nederland gevestigde naamloze
vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere
vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is
verdeeld.
2. Voor de toepassing van deze wet worden bewijzen van
deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen waarvan het kapitaal
geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en worden de fondsen
gelijkgesteld met vennootschappen.
3. Heeft de oprichting van een in het eerste lid bedoelde
vennootschap plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt die
vennootschap steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.
Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd
beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste
volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.
4. In afwijking van het eerste lid zijn van de belasting
vrijgesteld degenen, die – rechtstreeks of door middel van
certificaten – gerechtigd zijn tot de opbrengsten van aandelen in of
winstbewijzen van een lichaam als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
5. In afwijking van het vierde lid wordt wel belasting geheven
van degenen die – rechtstreeks of door middel van certificaten –
gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in of winstbewijzen van
een lichaam dat ingevolge artikel 6a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van belastingheffing:
a. gedurende een tijdvak van acht maanden na het einde van het
tijdvak waarover artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 op het lichaam van toepassing is geweest, voorzover de opbrengst
de in die acht maanden op grond van artikel 28, tweede lid, onderdeel
b, aan de belastingplichtigen ter beschikking te stellen winst niet te
boven gaat;
b. voorzover de opbrengst het bedrag van de zuivere winst die reeds
aanwezig was op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip waarop het lichaam wordt vrijgesteld op grond van artikel 6a
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet te boven gaat.
6. Voor de toepassing van deze wet worden op de BES eilanden
gevestigde lichamen die door de toepassing van artikel 5.2 van de
Belastingwet BES geacht worden niet op de BES eilanden te zijn
gevestigd, geacht in Nederland te zijn gevestigd.
7. Indien een coöperatie
direct of indirect aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 houdt met als voornaamste doel of een van de
voornaamste doelen om de heffing van dividendbelasting of buitenlandse
belasting bij een ander te ontgaan, en het direct of indirect door die
ander gehouden lidmaatschapsrecht van die coöperatie niet tot het
vermogen van een onderneming van het lid behoort, wordt voor de
toepassing van deze wet, met uitzondering van artikel 4, eerste en
tweede lid, dat lidmaatschapsrecht gelijkgesteld met een aandeel en
wordt die coöperatie gelijkgesteld met een vennootschap welker kapitaal
geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Indien bij een lid van een
in de eerste volzin bedoelde coöperatie die direct of indirect aandelen
in, winstbewijzen van of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan een
in Nederland gevestigde vennootschap houdt, het lidmaatschapsrecht
behoort tot het vermogen van een onderneming, is de eerste volzin van
overeenkomstige toepassing voor zover de opbrengst van het
lidmaatschapsrecht in de coöperatie niet te boven gaat het naar
evenredigheid aan dat lidmaatschapsrecht toe te rekenen deel van de
zuivere winst die bij die vennootschap reeds aanwezig was op het
tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de
coöperatie die aandelen, winstbewijzen of geldleningen direct of
indirect verkreeg. Voor de toepassing van de
eerste en tweede volzin wordt mede verstaan onder:
a. een coöperatie: een
vereniging op coöperatieve grondslag;
b. een lidmaatschapsrecht: een
daarmee op één lijn te stellen bewijs van deelgerechtigdheid tot het
vermogen van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag.
Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting
Artikel 2
De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in artikel 1
bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.
Artikel 3
1. Tot de opbrengst behoren:
a. onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder welke
naam of in welke vorm ook gedaan daaronder begrepen hetgeen ter
gelegenheid van inkoop van aandelen, anders dan ter tijdelijke
belegging, wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende
aandelen gestorte kapitaal;
b. hetgeen bij liquidatie op aandelen wordt uitgekeerd boven het
gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal, behoudens
voorzover de liquidatie-uitkering is toe te rekenen aan de
vermogensbestanddelen waarmee degene die gerechtigd is tot de
liquidatie-uitkering, de onderneming van de vennootschap met
toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 voortzet of mede voortzet;
c. de nominale waarde van aandelen uitgereikt aan aandeelhouders,
voor zover niet blijkt dat storting heeft plaats gevonden of zal
plaats vinden; bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van
aandelen gelijkgesteld;
d. gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort,
indien en voor zover er zuivere winst is, tenzij tevoren de algemene
vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de
nominale waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij
statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd;
e. hetgeen wordt uitgekeerd op winstbewijzen, daaronder begrepen
hetgeen wordt genoten ter gelegenheid van afkoop of inkoop daarvan;
f. vergoedingen op geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
g. gehele of gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op bewijzen van
deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort, wordt
als uitkering beschouwd, voorzover het vermogen van het fonds uitgaat
boven hetgeen op de in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid
is gestort;
h. het bedrag dat als storting wordt toegerekend aan elk van de
bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening
voorzover winsten van dat fonds worden bestemd om te gelden als
storting op aan deelgerechtigden uit te geven of reeds uitgegeven
bewijzen van deelgerechtigdheid.
2. Niet in geld genoten opbrengst wordt in aanmerking genomen
naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden
toegekend.
3. Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een
optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een
verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964 is een tijdelijke belegging. Ingeval deze
aandelen drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot
de bezittingen van de vennootschap behoren, worden zij op dat tijdstip
geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economische verkeer van
de aandelen op dat tijdstip. Voor de toepassing van dit lid wordt onder
een optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is
van een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen
rechten te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.
4. Inkoop van aandelen in een kalenderjaar door een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht wordt aangemerkt als een tijdelijke belegging,
tenzij de beleggingsinstelling de inkoop terstond aanmerkt als een
inkoop in de zin van het eerste lid, onderdeel a. Ingeval aan het einde
van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging zijn
ingekocht dan in dat jaar door de beleggingsinstelling in het
economische verkeer zijn gebracht, worden de meer ingekochte aandelen
geacht een inkoop van aandelen te zijn als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van
de in de loop van het kalenderjaar als tijdelijke belegging ingekochte
aandelen. Voor de toepassing van dit lid blijven aandelen die zijn
ingekocht met het oog op de nakoming van een optieverplichting als
bedoeld in het derde lid, en aandelen die in het economische verkeer
zijn gebracht in het kader van een zodanige optieverplichting of ter
voldoening van de in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op
de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde uitdelingsverplichting, buiten
beschouwing.
Artikel 3a
1. Voorzover de storting op aandelen in een vennootschap
bestaat uit aandelen in een andere vennootschap wordt ten aanzien van
alle aandeelhouders slechts als gestort aangemerkt hetgeen op de
laatstbedoelde aandelen is gestort, verminderd met hetgeen in
contanten is bijbetaald. In afwijking van de eerste volzin wordt,
ingeval die andere vennootschap niet in Nederland is gevestigd, als
gestort kapitaal aangemerkt de waarde in het economische verkeer van
de ingebrachte aandelen ten tijde van de storting, tenzij deze
aandelenruil in overwegende mate is gericht op het ontgaan of
uitstellen van belastingheffing. Een aandelenruil wordt, tenzij het
tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te
zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien
de aandelenruil niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen,
zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden
van de bij de aandelenruil betrokken rechtspersonen. De vennootschap
die zekerheid wenst om trent de
vraag of de aandelenruil wordt geacht niet in overwegende mate te zijn
gericht op het ontgaan of het uitstellen van belastingheffing, kan
vóór de aandelenruil een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop
bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
2. In geval van een overgang onder algemene
titel in het kader van een splitsing van een rechtspersoon wordt ten
aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste een evenredig gedeelte van
het bedrag van het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon
gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de
verkrijgende rechtspersonen in het kader van de splitsing toegekende
aandelen, en wordt, in geval van een splitsing waarbij de splitsende
rechtspersoon blijft bestaan, het op de aandelen in de splitsende
rechtspersoon gestorte kapitaal in dezelfde mate verminderd. Indien in
het kader van de splitsing een bijbetaling in contanten plaatsvindt,
wordt voor de toepassing van de vorige volzin het op de aandelen in de
splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze
bijbetaling.
3. In geval van een overgang onder algemene titel in het kader
van een fusie van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle
aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de
verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort
kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de
fusie toegekende aandelen. Indien in het kader van de fusie een
bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de
vorige volzin het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon
gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.
4. Indien de overgang onder algemene titel in het kader van een
splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen
van belastingheffing, blijft het tweede lid buiten toepassing; in dat
geval wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig
wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende
rechtspersoon. Een splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk
wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan
of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt
op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of
rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende en de
verkrijgende rechtspersonen. Zakelijke overwegingen worden voorts niet
aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de
andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan
uit beleggingen – liquide middelen daaronder begrepen – of indien
hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk –
onmiddellijk of middellijk bestaat uit beleggingen, tenzij de
beleggingen die overgaan respectievelijk achterblijven geen afzondering
van ingehouden winst representeren.
5. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een
evenredig gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de
verhouding tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de
splitsing van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon
die overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en de waarde in het
economische verkeer ten tijde van de splitsing van het gehele vermogen
van de splitsende rechtspersoon.
6. De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent
de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn
gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de
splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor
bezwaar vatbare beschikking beslist.
Artikel 3b
De herbeleggingsreserve die is gevormd ingevolge de nadere regelen
die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van
vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen, wordt aangemerkt als
op de aandelen van de instelling gestort kapitaal.
Artikel 4
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten
aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, indien:
a. de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op
de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld
in artikel 13aa van die wet, van toepassing is op de voordelen die de
tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen en
geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn
in Nederland gedreven onderneming;
b. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige deel uitmaken
van dezelfde fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op
de vennootschapsbelasting 1969 en de aandelen, winstbewijzen en
geldleningen bij de opbrengstgerechtigde behoren tot het vermogen van
zijn in Nederland gedreven onderneming.
2. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de
opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, indien:
1°. de
opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de fiscale wetgeving
van een andere lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte aldaar is gevestigd, en
2°. de opbrengstgerechtigde op het tijdstip
waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de
inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld
in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de
deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van
toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn gevestigd.
3. Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval:
a. de opbrengstgerechtigde in
de staat van vestiging volgens een met een derde staat gesloten
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting geacht wordt te zijn
gevestigd buiten de lidstaten van de Europese Unie en de bij
ministeriële regeling aangewezen staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
b. de opbrengstgerechtigde een vergelijkbare functie vervult als
een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of
c. op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en
misbruiken opgenomen in een door Nederland met de staat van vestiging
van de opbrengstgerechtigde gesloten verdrag ter voorkoming van
dubbele belasting de opbrengstgerechtigde geen aanspraak zou kunnen
maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing
op dividenden.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten
aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde
niet de uiteindelijke gerechtigde is.
5. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten
aanzien van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste
van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verstrekt aan
aangewezen banken en beleggingsinstellingen als bedoeld in de
artikelen 5.14, 5.15 en 5.18a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 dan
wel participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet
Inkomstenbelasting 2001.
6. Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting
achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde
rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 11a,
tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 3.116a, derde
lid, of artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
7. Voor het achterwege laten van de inhouding van
dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van
dividendbelasting ingevolge artikel 10, alsmede het achterwege laten
dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge
de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor
het land Nederland of een door Nederland gesloten verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk
gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst
een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van
transacties waarbij aannemelijk is dat:
a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten
goede is gekomen aan:
1. een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ten aanzien van
wie inhouding niet achterwege mag blijven, terwijl dit ten aanzien
van degene die de tegenprestatie heeft verricht wel mag, of
2. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in mindere mate
gerechtigd is tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting
dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en
b. deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in
aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die
vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen,
winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het
samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
8. Voor de toepassing van het zevende lid:
a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn
ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een
met een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet
op het financieel toezicht vergelijkbaar systeem dat gelegen of
werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van de Europese
Unie;
b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een
transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of
meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende
genotsrechten op aandelen;
c. zijn de artikelen 2.14a en 10a.7 van de Wet inkomstenbelasting
2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4b [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4c
1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten
aanzien van de opbrengst van aandelen ter gelegenheid van een inkoop
van aandelen voor zover het totale bedrag van de inkoop in het
kalenderjaar niet meer bedraagt dan twintig keer het bedrag van het
volgens het tweede lid bepaalde gemiddeld uitgekeerde dividend in
contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren, verminderd met de
bedragen aan inkoop van aandelen ter zake waarvan inhouding op de voet
van dit artikel in de voorafgaande vier kalenderjaren achterwege is
gebleven, mits voorts aan de volgende vereisten is voldaan:
a. de ingekochte aandelen behoren tot een soort welke is toegelaten
tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde
markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is en de
inhoudingsplichtige is niet een lichaam waarvan de feitelijke
werkzaamheid hoofdzakelijk bestaat uit het, onmiddellijk of
middellijk, beleggen van vermogen of een daarmee overeenkomende
werkzaamheid;
b. in het kalenderjaar wordt aan dividend in contanten ten minste
uitgekeerd een bedrag gelijk aan het volgens het tweede lid bepaalde
gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande
kalenderjaren, en
c. in het kalenderjaar tot het tijdstip van de inkoop en in de vier
daaraan voorafgaande kalenderjaren is het nominaal gestorte kapitaal
in de inhoudingsplichtige niet vergroot, tenzij aan de vergroting van
het nominaal gestorte kapitaal in overwegende mate zakelijke
overwegingen ten grondslag hebben gelegen.
2. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gemiddeld
uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren,
wordt berekend door na correctie van de bedragen van de zeven
voorafgaande kalenderjaren met een inflatiebijstelling, het jaar met het
hoogste en het jaar met het laagste gecorrigeerde bedrag buiten
aanmerking te laten.
3. Indien de inhoudingsplichtige verschillende soorten nominaal
gestort kapitaal heeft, worden de bepalingen van dit artikel per soort
ingekochte aandelen toegepast.
4. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld:
a. voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot situaties
waarin de inhoudingsplichtige in omvang is toegenomen of afgenomen ten
gevolge van een fusie of splitsing;
b. met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde
inflatiebijstelling.
5. De inhoudingsplichtige die zekerheid wil hebben op de vraag in
hoeverre de inhouding van de belasting op de voet van dit artikel
achterwege mag blijven, kan daartoe een verzoek indienen bij de
inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Het
verzoek wordt gedaan ten minste zes weken voor de voorgenomen inkoop.
Artikel 4d
1. Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht mag voorts inhouding van de
belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen
als bedoeld in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de
inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de
instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een
herbeleggingsreserve.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. agioreserve: het in de beleggingsinstelling gestorte kapitaal
voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in het
economische verkeer zijnde aandelen in de beleggingsinstelling;
b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de
beleggingsinstelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn
gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van
beleggingsinstellingen.
Artikel 4e
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan inhouding van belasting achterwege mag blijven ten aanzien van
de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of
winstbewijzen, voor zover de opbrengstgerechtigde met betrekking tot die
opbrengst verzoekt om toepassing van artikel 4.12a van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel 4f
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan inhouding van dividendbelasting achterwege mag blijven ten
aanzien van de opbrengst van tot een aanmerkelijk belang behorende
aandelen of winstbewijzen in een situatie als bedoeld in artikel 25,
elfde lid, van de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk III. Tarief
Artikel 5
De belasting bedraagt 15% van de opbrengst.
Artikel 6
1. Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de
belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de
belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/85.
2. Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een
inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van
artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c, wordt de belasting berekend
gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar
rekening neemt.
Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
Artikel 7
1. De belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst.
2. Inhoudingsplichtige is de vennootschap die de opbrengst
verschuldigd is.
3. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden
op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld.
4. De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op
aangifte af te dragen.
5. Overtreft de belasting de opbrengst in geld, dan wordt het
ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het derde lid omschreven
tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat
ontbrekende te verhalen op degene die tot de opbrengst gerechtigd is. De
inhoudingsplichtige kan de afgifte van de niet in geld genoten opbrengst
opschorten tot voldoening van deze vordering plaatsvindt.
Artikel 8 [Vervallen per 14-07-1994]
Artikel 9
1. De inhoudingsplichtige,
degene bij wie de opbrengst is betaalbaar gesteld, het
administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan
certificaathouders, of degene tot wiens beroep het kopen of innen van
dividendbewijzen gewoonlijk behoort, is, zodra de opbrengst is
uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of uitgereikt, gehouden ten
behoeve van de rechthebbende een gedagtekende nota (dividendnota) uit te
reiken volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
2. De dividendnota mag zowel op papier
worden verstrekt als elektronisch beschikbaar worden gesteld.
3. In afwijking van het eerste lid mag de uitreiking van een
dividendnota achterwege blijven indien:
a. inhouding van de belasting achterwege blijft op de voet van deze
wet, of vanwege een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van
dubbele belasting, of
b. de rechthebbende een aanmerkelijk belang heeft in de
inhoudingsplichtige als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
4. Voor de toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting geacht te zijn ingehouden
op de dag waarop de dividendnota is gedagtekend.
Artikel 10
1. Aan een in Nederland
gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting
onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te
nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een
kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze
meer bedraagt dan € 23. In afwijking van de eerste volzin wordt de
teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden door een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 berekend volgens de
formule:
T = Di – ((Di : Dt) x Bbr),
waarin
T voorstelt: de teruggaaf van dividendbelasting;
Di voorstelt: de ten laste van de rechtspersoon door de
beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting;
Dt voorstelt: de dividendbelasting
die door de beleggingsinstelling vóór toepassing van de vermindering
in totaal is af te dragen ten tijde van de toepassing van de
vermindering, bedoeld in artikel 11a, eerste lid;
Bbr voorstelt: de door de beleggingsinstelling op de in totaal af te
dragen dividendbelasting op de voet van artikel 11a, eerste lid, in
mindering gebrachte buitenlandse bronheffing.
Ingeval de in de tweede volzin bedoelde beleggingsinstelling een
belang houdt in een andere beleggingsinstelling als bedoeld in artikel
28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt de in die volzin
berekende teruggaaf van dividendbelasting nog verminderd met eenzelfde
bedrag als waarmee de teruggaaf zou worden verminderd als de in de
eerste volzin bedoelde rechtspersoon rechtstreeks zou hebben deelgenomen
in de laatstbedoelde beleggingsinstelling. De eerste volzin is niet van
toepassing op div idendbelasting naar
opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk
gerechtigde is. De eerste volzin is ook niet van toepassing met
betrekking tot een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in
artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het verzoek
geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële
regeling te stellen termijn.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lichaam dat is gevestigd
in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte dat aldaar niet aan een belastingheffing
naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd
geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting
zou zijn onderworpen.
3. Ten aanzien van een lichaam
dat is gevestigd in een bij ministeriële regeling aangewezen staat,
niet zijnde een staat als bedoeld in het tweede lid, waarmee Nederland
een regeling is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van
inlichtingen, dat aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is
onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier
niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing voor zover
de te zijnen laste ingehouden dividendbelasting betrekking heeft op de
opbrengst uit portfolio investeringen. Onder portfolio investeringen
worden verstaan de investeringen die vallen onder de vrijheid van
kapitaalverkeer, bedoeld in artikel 63 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, en die geen directe investering vormen in
de zin van artikel 64 van dat verdrag.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing met
betrekking tot lichamen die een vergelijkbare functie vervullen als
beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 11
1. Op de ingevolge artikel
7, vierde lid, op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede
lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens
winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de
inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd op
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden dan wel in een staat in
relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van
dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden
is voldaan:
1°. de inhoudingsplichtige was op het
tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde -
al dan niet tezamen met in Nederland gevestigde, met de
inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a,
vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 - voor ten
minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van
dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste
25 percent van de stemrechten in dat lichaam;
2°. op de
winstuitkeringen is op de BES eilanden in Aruba, Curaçao, Sint Maarten,
of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten
minste 5 percent ingehouden;
3°. bij het bepalen van de winst van de
inhoudingsplichtige blijven de winstuitkeringen op de voet van artikel
13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking.
2. De in het eerste lid
bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de
inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij
dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de
winstuitkeringen - vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting -
bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip
van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren
heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking
zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere
vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de
volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.
3. Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de
inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet
gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft
ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking
komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of een daarmee
vergelijkbaar in het buitenland gevestigd lichaam, die respectievelijk
dat voor minder dan 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal
aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige.
4. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit
maakt van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15, eerste lid, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de door die maatschappij
ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan
de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering
ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die
fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand
komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid
winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het
eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en
de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan
dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een
winstuitkering op aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan een
vermindering kan worden toegepast gelijkgesteld de uit een staat waarmee
Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft
gesloten afkomstige winst, die in overeenstemming met het ter zake in
het desbetreffende verdrag bepaalde in Nederland van belastingheffing is
vrijgesteld en in de andere staat, naast de belasting die over die winst
is geheven, is onderworpen aan een aanvullende belasting van ten minste
5 percent.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 11a
1. Een inhoudingsplichtige die voor de
heffing van de vennootschapsbelasting is aangemerkt als
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 mag op de ingevolge artikel 7, vierde lid,
op aangifte af te dragen belasting een vermindering toepassen wegens ten
laste van hem ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffing.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het
gezamenlijke bedrag van de ten laste van de inhoudingsplichtige
ingehouden dividendbelasting en buiten Nederland ingehouden en drukkende
belastingen aan de bron op de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en
geldleningen, voor zover deze dividendbelasting en buitenlandse
bronheffingen zijn ingehouden op een tijdstip dat de inhoudingsplichtige
is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid en
deze belastingen nog niet eerder in mindering zijn gekomen. Een
buitenlandse bronheffing wordt daarbij in aanmerking genomen tot een
maximum van 15% van de opbrengst waarop zij drukt, en vervolgens
verminderd met het bedrag waarvoor niet in Nederland wonende of
gevestigde uiteindelijke gerechtigden – anderen dan bedoeld in artikel
10, tweede en derde lid – die een belang hebben in de
inhoudingsplichtige, bij dooruitdeling van de opbrengst waarop de
bronheffing betrekking heeft, op grond van de Belastingregeling voor het
Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland dan wel een
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting recht zouden hebben op een
vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. De eerste volzin is
slechts van toepassing op belasting naar opbrengsten met betrekking
waartoe de inhoudingsplichtige de uiteindelijk gerechtigde is; artikel
4, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de
inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een
fiscale eenheid in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 worden de ten laste van haar ingehouden
dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen voor de toepassing van
de vermindering op de voet van het eerste lid toegerekend aan de
moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval vóór het tot stand
komen van die fiscale eenheid ten laste van de inhoudingsplichtige
dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen
zijn ingehouden die nog niet op de voet van het eerste lid tot een
vermindering hebben geleid, worden zij toegerekend aan de
moedermaatschappij. Bij een verbreking van de fiscale eenheid blijven
dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen die nog niet op de voet
van het eerste lid tot een vermindering hebben geleid, achter bij de
moedermaatschappij.
Artikel 12
1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft
ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van
artikel 11, mag hij in afwijking van artikel 4, eerste en tweede lid,
tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het
achterwege laten van inhouding van de belasting.
2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid
afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is
verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.
3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste
lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die
opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de
voorwaarden voor een vermindering op de voet van artikel 11.
Artikel 13
De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor
bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van
een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze
vennootschap, niet zijnde een beleggingsmaatschappij met veranderlijk
kapitaal, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte
kapitaal. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het verzoek.
Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 14 [Vervallen per 14-07-1994]
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 15
Bij het bepalen van hetgeen gemiddeld is gestort op bewijzen van
deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening waarop met ingang
van 1 januari 1970 de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toepassing
vindt, wordt het alsdan aanwezige vermogen aangemerkt als op dat
tijdstip te zijn gestort. Tot dit vermogen worden niet gerekend na 1
januari 1968 behaalde en niet uitgekeerde voordelen, welke, zo zij
vóór het eerstbedoelde tijdstip zouden zijn uitgekeerd aan niet tot
het vermogen van een onderneming gerechtigde
binnenlandse belastingplichtigen, als inkomsten uit vermogen zouden zijn
aangemerkt.
Artikel 16
Artikel 3a, eerste lid, vindt geen toepassing met betrekking tot
stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.
Artikel 17
1. Deze wet treedt in werking op 1
januari 1966.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de
dividendbelasting, met vermelding van het jaar, waarin zij in het Staatsblad
wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 december 1965
JULIANA
De Minister van Financiën,
A. Vondeling
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Hoefnagels
Uitgegeven de achtentwintigste december 1965
De Minister van Justitie a.i.,
Smallenbroek
|