Nadere regelgeving:
- Besluit
buitengewoon opsporingsambtenaar
- Transactiebesluit
milieudelicten
(vervallen)
WET van 22 juni 1950, houdende
vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en de
berechting van economische delicten
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, het
Besluit berechting economische delicten te vervangen door een wet, die
de doeltreffendheid bevordert van de opsporing, vervolging en berechting
van handelingen, welke schadelijk zijn voor het economische leven, en
die in het bijzonder daarin meer eenheid brengt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Van de economische delicten
Artikel 1
Economische delicten zijn:
1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Aanpassingswet Algemene douanewet, artikel XLIX, eerste lid;
de Algemene douanewet, de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en
3:1, voorzover betrekking hebbend op goederen die ingevolge
regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt
als strategische goederen;
de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 6, eerste lid, eerste
volzin, 28, zesde lid, 28a, zesde lid, 32, en – voor zover
aangewezen als strafbare feiten – de artikelen 6, eerste lid,
tweede volzin, en 16, tiende lid;
de Arbeidstijdenwet, de artikelen 8:3, eerste lid, 8:3a, zesde
lid, en een niet naleven als bedoeld in artikel 11:3;
de Distributiewet, de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 15, tweede, vierde
en vijfde lid, 16 en 17;
Drinkwaterwet, de artikelen: 4, eerste lid, 21, 22, 23, 25 tot en
met 35, 38, 49 en 51;
de Geneesmiddelenwet, de artikelen 18, eerste lid, 28, eerste
lid, 39, tweede lid, 40, eerste en tweede lid, 61, eerste lid, 62,
eerste en derde lid, en 67;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 17 tot
en met 21, 25, 26, 29, 30, 31b, 44, 98, 100 en 101a;
de Hamsterwet, de artikelen 3 en 4;
de Landbouwwet, artikel 19;
de Noodwet financieel verkeer, de artikelen 3, 4, 5, 6, 11, 12,
17, 18, 26 en 28, tweede lid;
de Noodwet voedselvoorziening, de artikelen 6, 7, 9, 10, 11,
tweede lid, 12, 13, 22, 23, 24, eerste lid, 25 en 29;
de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, de artikelen 8,
tweede lid, en 12;
de Prijzennoodwet, de artikelen 5, 6, tweede lid, en - voor zover
aangeduid als strafbare feiten - 8 en 9;
de Sanctiewet 1977, de artikelen 2, 7 en 9, voor zover betrekking
hebbend op de onderwerpen, bedoeld in artikel 3;
de Spoorwegwet, artikel 96, tweede lid;
de Telecommunicatiewet, de artikelen 3.3, eerste lid, 3.10, 10.1,
10.5, tweede lid, 10.9, eerste lid, 10.11, eerste lid,
11a.1, vijfde en zesde lid, 15.2a en 18.9;
de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens, de artikelen 2,
eerste en derde lid, 3 en 4;
de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de artikelen 2 en 3,
eerste lid;
de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, artikel 22,
zesde lid;
de Wet arbeid vreemdelingen, artikel 17b, zesde lid;
de Wet dieren, de artikelen 2.2, vijfde lid, negende en tiende
lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het tiende lid,
onderdelen a en e, 2.7, eerste en tweede lid voor wat betreft de
onderwerpen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, 2.8,
eerste lid, onderdeel b en c, 2.10, tweede tot en met vierde lid,
2.12, 2.17, 2.18, eerste en tweede lid, 2.19, eerste lid, 2.20,
eerste en tweede lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het
tweede lid, onderdelen a, onder 1°, b, c, e en f, 2.21, eerste en
derde lid, 2.22, eerste en derde lid, 2.25, eerste en derde lid,
3.1, eerste en tweede lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld
in het tweede lid, onderdelen a, b, d, f, i, j, k, l, m en n, 3.2,
5.1, derde lid, tweede volzin, 5.4, eerste lid, 5.5, eerste lid,
5.6, eerste en vijfde lid, 5.11, eerste lid, 5.12, eerste lid, 5.15,
eerste en vierde lid, 8.4, en artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a,
en derde en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in
het vierde lid, onderdelen a, b en c, voor zover deze overtredingen
plaatsvinden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van
krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of
categorieën, worden gehouden, artikel 5.10, eerste lid, voor zover
deze overtredingen plaatsvinden in de uitoefening van een bedrijf,
of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel
6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid;
de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst artikel 6;
de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, artikel 5,
eerste lid;
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 18g, zesde
lid;
de Wet ruimtevaartactiviteiten, de artikelen 3, eerste en derde
lid, 7, derde lid, en 10;
de Wet strategische diensten, de artikelen 2, eerste, tweede en
vierde lid, 3, eerste lid, 4, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, eerste, tweede
en derde lid, 8, 9, eerste lid, 10, eerste lid, 11, 15 en 22;
de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, de artikelen 2, onder a,
en 4, tweede lid.
2°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Algemene douanewet, de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en
3:1, voorzover betrekking hebbend op goederen die niet ingevolge
regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt
als strategische goederen;
de Bodemproductiewet 1939, artikel 3;
Drinkwaterwet, de artikelen 15 en 17, tweede lid;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 3 tot en
met 13, 59, 59a, 59b, eerste en tweede lid, 66, 68, 73, eerste lid,
77 tot en met 80, 96, 97, 99, 101, 102 tot en met 105, 107, 111 en
120;
de Landbouwwet, de artikelen 17, 18, 20, 22, 24, 25, 26, 27, 28,
29, 47, en 51;
de Mijnbouwwet, de artikelen 6, 13, tweede lid, 22, vijfde lid,
23, 25, artikel 29, eerste en derde lid, 31d, eerste lid, 31i, 34,
eerste en derde lid, 36, tweede en derde lid, 39, 40, 41, 42, 44,
45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 91, tweede lid, 102, 120, 123, 130
en 151;
de Telecommunicatiewet, de artikelen 2.1, eerste en vijfde lid,
eerste volzin, 3.8, eerste tot en met derde lid, 4.1, vierde lid,
4.2, vijfde en tiende lid, 4.4, vijfde lid, 10.2, 10.10, eerste lid,
laatste volzin, 11.7, vierde lid, 13.1, 13.2, 13.2a, 13.2b, 13.4,
eerste lid, 13.5 en 13.8;
de verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie
van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227),
de artikelen 13, tweede lid, 17, eerste en tweede lid en 18, derde
lid;
de verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van de Europese Unie
van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de
extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een
derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende
handelingen (PbEG L 309), artikel 2, eerste en tweede alinea, en
artikel 5, eerste alinea;
de verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese
Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die
noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen
valsemunterij (PbEG L 181), artikel 6, eerste lid;
de Wet tot behoud van cultuurbezit, de artikelen 7, 8, 9, 14a en
14b;
de Wet dieren, de artikelen 2.2, negende en tiende lid voor wat
betreft de onderwerpen, bedoeld in het tiende lid, onderdelen f, g,
h, i, j, k, l, m, n, o en p, 2.3, eerste lid, 2.5, eerste en tweede
lid, 2.6, eerste en tweede lid voor wat betreft de onderwerpen,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, 2.7,
eerste en tweede lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het
tweede lid, met uitzondering van onderdeel a, onder 1°, 2.8, derde
en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde
lid, onderdeel f, 2.11, eerste en tweede lid, artikel 2.16, eerste,
derde en vierde lid, 2.20, eerste en tweede lid voor wat betreft de
onderwerpen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, onder 2°, d,
g, h, i, j, k, en l, 2.23, en artikel 2.2, negende en tiende lid
voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het tiende lid,
onderdelen b, c en d, 2.3, derde en vierde lid, 2.4, eerste, tweede
en derde lid, voor zover deze overtredingen plaatsvinden in de
uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3,
tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, of
een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel
6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid;
de Wet explosieven voor civiel gebruik, de artikelen 3, 10 en 17,
eerste lid;
de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 1:10, 1:74,
eerste lid, 2:3a, eerste lid, 2:3e, eerste lid, 2:3f, eerste lid,
2:4, eerste lid, 2:6, eerste lid, 2:8, eerste lid, 2:10a, eerste
lid, 2:10e, eerste lid, 2:10f, eerste lid, 2:11, eerste lid, 2:15,
tweede lid, 2:16, eerste en derde lid, 2:18, tweede lid, 2:20, 2:25,
tweede lid, 2:26, 2:27, eerste lid, 2:36, eerste en tweede lid,
2:40, 2:48, eerste lid, 2:50, eerste lid, 2:54i, eerste lid, 2:54l,
eerste lid, 2:54n, eerste lid, 2:55, eerste lid, 2:60, eerste lid,
2:65, eerste en tweede lid, 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid,
2:86, eerste lid, 2:92, eerste lid, 2:96, 2:106a, eerste lid 2:121a,
eerste lid, 3:5, eerste lid, 3:6, eerste lid, artikel 3:7, eerste en
vierde lid, 3;19a, 3:20a, 3:29a, eerste en tweede lid, 3:29b, 3:29c,
eerste lid, 3:30, eerste lid, 3:35a, eerste lid, 3:44, eerste lid,
3:51, 3:53, eerste lid, 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, 3:57,
eerste en vijfde lid, 3:59, 3:62, tweede lid, 3:63, eerste tot en
met derde lid, 3:67, eerste tot en met vierde lid, 3:68, eerste en
derde lid, artikel 3:69 eerste lid, 3:74b, eerste en tweede lid,
3:77, 3:88, eerste en tweede lid, 3:89, eerste lid, 3:95, eerste
lid, 3:96, eerste lid, 3:104, derde lid, 3:132, eerste en derde lid,
3:136, eerste en tweede lid, 3:135, eerste lid, 3:137, 3:138, eerste
lid, 3:139, eerste lid, 3:143, 3:144, eerste lid, 3:155, tweede lid,
3:158, derde en vierde lid, 3:175, derde lid, 3:196, 3:267a, 3:267b,
eerste tot en met het derde lid, 3:279, eerste en vierde lid, 3:285,
eerste en tweede lid, 3:286, eerste en tweede lid, 3:296, eerste,
tweede, derde, vierde en achtste, 3:297, eerste, tweede en vijfde
lid, 3:298, eerste en tweede lid, 4:3, eerste lid, 4:4, eerste lid,
4:4a, 4:24, tweede lid, 4:26, eerste lid, 4:27, eerste, tweede en
vierde lid, 4:31, eerste tot en met derde lid, 4:49, eerste tot en
met vierde lid, 4:50, tweede lid, 4:52, eerste lid, 4:53, 4:59c,
vierde lid, 4:60, vierde lid, 4:62, eerste lid, 4:71, 4:71b, tweede
en derde lid, 4:71c, eerste en tweede lid, 4:71d, 4:90b, vierde tot
en met het zesde lid, 4:91a, negende lid, 4:91b, derde en vierde
lid, 4:100c, 5:26, eerste lid, 5:28, tweede lid, 5:30, 5:32, eerste
en vierde lid, 5:32d, eerste lid, 5:34, eerste en tweede lid, 5:35,
eerste tot en met vierde lid, 5:36, 5:38, eerste en tweede lid,
5:39, eerste lid, 5:40, 5:41, eerste en tweede lid, 5:42, 5:43,
eerste en tweede lid, 5:48, derde tot en met achtste lid, 5:59,
eerste en tweede lid, 5:60, eerste en derde lid, 5:63, derde lid,
5:64, eerste en derde tot en met zevende lid, 5:65, 5:68, eerste
lid, 5:79;
de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, de artikelen 3,
4, 6, derde lid, en 8;
de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, de
artikelen 1.45, 1.66, 2.2 en 2.24;
de Wet laden en lossen zeeschepen, artikel 19, tweede tot en met
vijfde lid;
de Wet marktordening gezondheidszorg, de artikelen 25, tweede
lid, 35 35a, 35b, 36, eerste en tweede lid, 38, eerste, tweede en
vierde lid, 40, eerste, tweede en derde lid, 60, 63 en 66, eerste
lid, alsmede de regels, vastgesteld krachtens de artikelen 36, derde
lid 37, eerste lid, 38, zevende lid, 40, vierde lid, en 45 46;
de Wet op het notarisambt, artikel 127, tweede lid;
de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme, de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste
en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23 eerste en tweede lid, 33 en
34;
de Wet toezicht accountantsorganisaties, de artikelen 5, eerste
lid, 6, derde lid, 21a en 29a;
de Wet toezicht trustkantoren, de artikelen 2, eerste en derde
tot en met vijfde lid, 3, derde lid, 5, 9, tweede en derde lid, voor
zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke
gegevens en bescheiden, 10, 11, 14, tweede lid, en 16, tweede lid
Wet voorkoming misbruik chemicaliën, artikel 2, onder b;
de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, de artikelen 39, 40, 41, 42,
46, 48, derde lid, 57 tot en met 60, 85 en 87.
3°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Prijzenwet, de artikelen 2, 3, en - voor zover aangeduid als
strafbare feiten - 11;
de Warenwet, artikel 21, tweede lid, 27, derde lid, 30, derde
lid;
de Wet dieren, artikelen 3.3 tot en met 3.6, al dan niet in
samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of
artikel 7.5, derde lid;
de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 5:53, eerste en
tweede lid, 5:56, 5:57, 5:58, 5:70, eerste lid, 5:72, 5:74, eerste
en vierde lid, 5:76 en 5:77;
de Wet luchtvaart, artikel 6.52;
de Wet op de kansspelen, de artikelen 1, eerste lid, onder a, b
en d, 7c, tweede lid, 13, 14, 27, 30b, eerste lid, 30h, eerste lid,
30m, eerste lid, en 30t, eerste, tweede en vijfde lid;
de Wet personenvervoer 2000, de artikelen 4, 11, tweede en derde
lid, 76, eerste en zesde lid, voor zover in laatstbedoeld lid wordt
verwezen naar artikel 11, tweede en derde lid;
4°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Binnenvaartwet, de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en
zesde lid, 7, eerste lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13,
vierde lid, 17, vijfde lid, 21, eerste lid, 22, negende lid, 23,
eerste lid, 25, vierde lid en vijfde lid, 28, zevende lid, 31,
vierde lid, 33, tweede lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 39c,
derde lid, 39e, en 43, tweede lid, voor zover deze overtredingen
niet strafbaar zijn op grond van artikel 32 van de op 17 oktober
1868 te Mannheim tot stand gekomen Herziene Rijnvaartakte (Trb.
1955, 161);
het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, artikel 8;
de Drank- en Horecawet, de artikelen 2, 3, 4, 12 tot en met 19,
20, eerste tot en met zevende lid, 21, 22, 24, 25, 25a tot en met
25d, 29, derde lid, 35, tweede en vierde lid, en 38;
Drinkwaterwet, de artikelen 14, 36, 37, 42, eerste lid, 43, 44 en
47;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 34, 35,
voorzover deze voorschriften zijn gesteld in samenhang met op grond
van artikel 45 gestelde voorschriften, 38, 39, 41, derde lid, 42,
45, 46, 47, zesde lid, 52, eerste lid, 53 tot en met 57, 65 en 76;
de Handelsregisterwet 2007, de artikelen 27 en 47;
de Landbouwkwaliteitswet, de artikelen 2, eerste en tweede lid,
3, tweede lid en 4, vierde lid;
de Landbouwuitvoerwet 1938, de artikelen 2, 4 en 7;
de Luchtvaartwet, de artikelen 37ab, 37ae, eerste lid, 37f, derde
lid, 37g, derde lid, of 37r;
de Metrologiewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste en
tweede lid en vijfde lid, tweede volzin, 24, eerste, tweede en derde
lid, en vierde lid, tweede volzin, 25, 26 en 36, eerste lid;
de Plantenziektenwet, de artikelen 2, 3, 3a, 6, en 13;
de Reconstructiewet concentratiegebieden, de artikelen 36, eerste
en derde lid, en 47, eerste lid;
de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, voor zover het de melding
van de met het schip vervoerde lading betreft;
de Spoorwegwet, de artikelen 13, 27, tweede lid, onderdelen a tot
en met c, 33, zevende lid, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 37b,
eerste en achtste lid, 39, eerste lid, 42, 46, achtste lid, 47, 48
en 53, alsmede – voor zover aangeduid als strafbare feiten –
overtredingen van voorschriften krachtens de hoofdstukken 3 en 4,
met uitzondering van de artikelen 64, tweede lid, en 65, eerste lid,
gegeven;
de Tabakswet, de artikelen 2, 3, 3a , 3b, 3c, 3e, 4, 5, 5a, 7, 8,
9, 10, 11, 11a en 18;
de Telecommunicatiewet, de artikelen 2.3, vijfde lid, 3.4, tweede
lid, 5.4, eerste en tweede lid, 5.6, tweede en derde lid, 7.7, 10.6,
10.7, 13.4, tweede, derde en vierde lid, 18.1, 18.2, 18.7, 18.12,
18.15, eerste en tweede lid en 18.17, eerste en derde lid;
de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de artikelen 4 tot en
met 8;
de Verordening (EG) Nr. 1435/2003 van de Raad van de Europese
Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese
Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEU L 207), artikel 11, vierde
lid;
de Verordening nr. 2137/85 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot instelling van Europese
economische samenwerkingsverbanden (PbEG L 199/1), artikel 7, tweede
alinea, onder i, en artikel 25, eerste alinea, letters a, c, d en e,
en tweede alinea;
de Verordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese
Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese
vennootschap (SE) (PbEG L 294), artikel 12, vierde lid;
de Waarborgwet 1986, de artikelen 7a, 12, 30, 31, 35, 36, 37, 39,
44, 46, 57, 58 en 58a;
de Warenwet, de artikelen 1a, 4 tot en met 11, 11a, 13 tot en met
20, 21, eerste lid, 21b, 22, 26, tweede lid, 27, eerste lid, laatste
volzin, 31 en 32k;
de Wedervergeldingswet zeescheepvaart, de artikelen 2, eerste
lid, 5, 9, derde lid, 10, eerste lid, 11c, eerste en tweede lid, 11d
en 17;
de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 34, eerste tot en met
vierde lid, en 35;
de Wet aansprakelijkheid olietankschepen, de artikelen 11, 12,
18, eerste lid, 20, 22 , 23, 24 en 26, tweede lid;
de Wet agrarisch grondverkeer, de artikelen 61en 64, derde lid;
Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting, artikel
15;
de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot, artikel 6 alsmede
- voor zover aangeduid als strafbare feiten - overtredingen van
voorschriften krachtens die wet gegeven;
de Wet op de Bedrijfsorganisatie, - voor zover aangewezen als
strafbare feiten - de artikelen 32, 93 en 113;
de Wet op het consumentenkrediet, de artikelen 34, 36, 38, 47 en
48, tweede lid, voor zover artikel 69 van die wet niet anders
bepaalt;
de Wet dieren artikelen 2.2, zevende lid, negende en tiende lid
voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het tiende lid,
onderdeel q, 2.6, eerste en tweede lid voor wat betreft de
onderwerpen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, onder 1°, b,
c, d, e en f en het derde lid, 2.7, derde lid, 2.13, 3.1, eerste en
tweede lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het tweede
lid, onderdelen c, e, g en h, 5.10, eerste lid, 10.2 of een of meer
van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste
lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid;
de Wet energiedistributie, de artikelen 10, 11, 12, zesde lid, en
13;
de Wet explosieven voor civiel gebruik, de artikelen 7, 14, 15,
derde lid, 16 en 21;
de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst, de
artikelen 3, derde lid, en 4, tweede lid;
de Wet havenstaatcontrole, de artikelen 12, eerste, derde en
vierde lid, en 13, eerste tot en met derde lid;
de Wet houdende vaststelling van minimumeisen voor het houden van
legkippen, de artikelen 2 en 3, eerste lid;
de wet houdende wijziging van de Wet personenvervoer voor het
taxivervoer (deregulering taxivervoer), artikel V;
de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, de
artikelen 10, 11, tweede en derde lid, 12, 13, 16, tweede tot en met
vijfde lid, en 33, tweede en derde lid;
de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, de artikelen
2, tweede en derde lid, en 13;
de Wet inrichting landelijk gebied, artikel 35, eerste en tweede
lid;
de Wet kabelbaaninstallaties, artikelen 31, 32 en 33;
de Wet laden en lossen zeeschepen, de artikelen 7, 8, eerste lid,
onderdelen b en c, en tweede lid, 9, derde lid, 10, 11, eerste lid,
12, 13, 14, eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 24, zevende lid,
en – voorzover aangeduid als strafbare feiten – artikel 24,
eerste tot en met derde lid;
de Wet luchtvaart, de artikelen 4.1, eerste en derde lid, alsmede
– voor zover aangeduid als strafbare feiten – overtredingen van
voorschriften krachtens hoofdstuk 4 van die wet gegeven;
de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen, artikelen 2, 3
en 5, vierde lid;
de Wet op de loonvorming, artikel 10, vijfde lid;
de Wet op de medische hulpmiddelen, de artikelen 2, 3, eerste
lid, 4, 5, 7, eerste lid, en 9, eerste en derde lid;
de Wet op de ondernemingsraden, de artikelen 26, zesde lid, en
36, zevende lid;
de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus,
de artikelen 2 en 5, tweede en vierde lid;
de Wet personenvervoer 2000, de artikelen 5a, eerste en tweede
lid, 11, eerste lid, 12 en 13, 19, eerste en tweede lid, 19a, tiende
lid 30, vierde lid, 39, eerste lid, 43a, derde lid, 51, 85 alsmede
– voor zover aangeduid als strafbare feiten – 8, 9, vijfde lid,
76, derde, vijfde en zesde lid, – voor zover in laatstbedoeld lid
wordt verwezen naar andere bepalingen dan artikel 11, tweede en
derde lid,– 77, 78, 79, 80, 82a, 82b, 83 en 104;
de Wet pleziervaartuigen artikel 17;
de Wet ruimtevaartactiviteiten, artikelen 11, tweede en vierde
lid;
de Wet schadefonds olietankschepen, de artikelen 5, eerste lid,
en 8;
de Wet scheepsuitrusting, artikel 26;
de Wet inzake spaarbewijzen, de artikelen 3, tweede en derde lid,
en 3a, en - voor zover aangeduid als strafbare feiten - artikel 2;
de Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen, artikel 1;
de Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma, de artikelen
3, eerste en tweede lid, 6, derde lid, 10, eerste lid, en 11, tweede
lid, alsmede artikel 9 juncto artikel 3, eerste of tweede lid, of 6,
derde lid;
de Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van
de Europese Economische Gemeenschap, de artikelen 2 en 3;
de Wet op bijzondere medische verrichtingen, de artikelen 2, 3, 4
en 6a;
de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige
levensmiddelen, de artikelen 3 juncto 8, eerste lid, 4, 5, 7, 9,
tweede en vierde lid, 11 en 12;
de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal, de artikelen 3,
3a, 4, eerste en derde lid, 5, 7, eerste, tweede en vierde lid, 8,
8a, 8b, 9, eerste lid, 10, vierde lid, 12, eerste lid, 20, 21 en 22,
tweede lid;
de Wet verbod pelsdierhouderij, de artikelen 2, 3, eerste tot en
met derde lid, en 4;
de Wet vervoer over zee, de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3,
eerste en derde lid, 4, eerste, tweede en vierde lid, 7, 9, 10,
derde lid, 12, eerste lid, 15, 17, 18, eerste lid, 20, eerste lid,
23, 25, 30 en 31;
de Wet verzekering zeeschepen, artikel 3, eerste lid;
de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, artikel 2, onder c;
de Wet voorraadvorming aardolieproducten, de artikelen 3, eerste
lid, 5, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, 8, derde lid, 10,
derde lid, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste lid, tweede
volzin, en 27;
de Wet wegvervoer goederen, de artikelen 2.3, eerste, derde,
vijfde en zesde lid, 2.5, 2.6, 2.7 en 2.13 alsmede – voor zover
aangeduid als strafbare feiten – artikel 2.3, vierde lid;
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 65, tweede lid;
de Wet van 28 juni 1989, Stb. 245, tot uitvoering van de
Verordening nr. 2137/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische
samenwerkingsverbanden (PbEG L 199/1), artikel 3, vierde lid;
de Wet van 19 december 1991, Stb. 710, tot aanpassing van de
wetgeving aan de twaalfde richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht, artikel IV, eerste en
tweede lid, eerste en tweede volzin;
het Burgerlijk Wetboek, Boek 2 (Rechtspersonen), – voor zover
van toepassing of van overeenkomstige toepassing op stichtingen en
verenigingen als bedoeld in artikel 360, derde lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, coöperaties, onderlinge
waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten
vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, Europese naamloze
vennootschappen, Europese economische samenwerkingsverbanden,
Europese coöperatieve vennootschappen of formeel buitenlandse
vennootschappen als bedoeld in de Wet op de formeel buitenlandse
vennootschappen – de artikelen 19, vijfde lid, tweede volzin, 56,
tweede lid, 61, onder b en d, 63b, 75, 76a, tweede lid, 85, 91a,
94b, vierde lid, 94c, vijfde lid, 96, derde en vierde lid, 96a,
zevende lid, tweede volzin, 105, vierde lid, laatste zin, 120,
vierde lid, 153, 154, derde lid, 186, 194, 230, vierde lid, 263,
264, derde lid, 359b, vijfde lid, 362, zesde lid, laatste zin, 393,
eerste lid, 394, derde lid, 395, 451, tweede lid, 452, vierde lid en
455, tweede lid;
Boek 3 (Vermogensrecht) van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15d,
eerste en tweede lid, en artikel 15e, eerste en tweede lid;
de Winkeltijdenwet, de artikelen 2, 3, vijfde lid, 4, derde lid,
5, derde lid, 6, tweede lid, 7, derde lid, en 8, tweede lid;
de Wijzigingswet 1988 Warenwet, artikel II, tweede en vijfde lid;
de Zeevaartbemanningswet, artikelen 56, 57, 58, 59 en 60;
5°. de delicten, genoemd in de artikelen 26, 33 en 34.
Artikel 1a
Economische delicten zijn eveneens:
1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Flora- en faunawet, artikel 13, eerste lid;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 81b,
81c, 81d, 81m, 81n en 81o;
de Kernenergiewet, de artikelen 15, 15f, eerste en zesde lid, 21,
21a, 21e, eerste lid, 29, eerste lid, 31, 32, eerste lid, 34,
eerste, vijfde en zesde lid, 37b, 38a, 46, eerste lid, 47, eerste
lid, 49b, eerste lid, 49d, 75, tweede lid, en 76a;
de Meststoffenwet, de artikelen 7, 14, eerste lid, 19, 20, eerste
lid, 21, 22, derde lid, en 26, zesde lid;
de Visserijwet 1963, de artikelen 3a, voor zover de overtreding
van die voorschriften in de EU-verordening ter uitvoering waarvan
zij strekken als ernstige inbreuk wordt aangemerkt, 5, 7, voor zover
wordt gevist anders dan met de hengel of de peur, en 21, voor zover
wordt gevist anders dan met de hengel of de peur, dan wel
overtreding van voorschriften verbonden aan op grond van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 en 21 van de Visserijwet
1963 verleende schriftelijke toestemmingen en huurovereenkomsten;
de Waterwet, de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, eerste en
tweede lid, 6.7, 6.8, 6.10, eerste lid, 6.20, derde lid, tenzij de
desbetreffende vergunning uitsluitend berust op een verordening van
een waterschap, en 10.1;
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder e, en artikel 2.3, aanhef en onder a;
de Wet bestrijding ongevallen Noordzee, de artikelen 4, eerste,
tweede, derde en vierde lid, en 15;
de Wet bodembescherming, de artikelen 6 tot en met 13, 38 en 94;
de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: de artikelen 2a,
19, 20, eerste lid, 21, 22, 28, tweede lid, 37, derde lid, 38, derde
lid, 39, 42, 43, 43a, 64, tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste
lid, 65, derde en vierde lid, 67, eerste en tweede lid, 74, 79 tot
en met 81, 87, zesde lid, en 118;
de Wet inzake de luchtverontreiniging, de artikelen 91, 92, onder
a, in verband met artikel 48, en 92 , onder b;
de Wet luchtvaart, de artikelen 6.51, eerste lid, 6.54, vierde
lid, 6.55, eerste lid en 6.58, tweede lid, alsmede - voorzover
aangeduid als strafbare feiten - overtredingen van voorschriften
krachtens titel 6.5 van die wet gegeven;
de Wet milieubeheer, artikel 1.2, eerste lid, – voor zover
aangeduid als strafbare feiten –, en de artikelen 1.3a, vierde
lid, 2.5, 8.40, eerste lid, 9.2.1.2, 9.2.1.5, 9.2.2.1, 9.2.2.6,
9.2.2.6a, 9.3.1, 9.3.3, eerste lid, 9.3a.3, eerste lid, 10.1, 10.2,
eerste lid, 10.37, eerste lid, 10.39, eerste lid, 10.45, eerste lid,
onderdeel b, 10.47, eerste lid, 10.54, eerste lid, 10.54a, eerste en
derde lid, 10.56, eerste en tweede lid, 10.57, 10.60, eerste,
tweede, derde en vierde lid, 16.5, eerste lid, 16.5, eerste lid, in
verbinding met artikel 16.5, tweede lid, 16.11a, 16.11a in
verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.12, eerste, tweede en
derde lid, 16.12, eerste, tweede en derde lid, in verbinding met
artikel 16.49, tweede lid, 16.13, 16.13 in verbinding met artikel
16.39h, 16.13 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.13a,
16.13a, eerste lid, onder a tot en met c, in verbinding met artikel
16.49, tweede lid, 16.14, 16.14 in verbinding met artikel 16.49,
tweede lid, 16.19, 16.19 in verbinding met artikel 16.49, tweede
lid, 16.20c, tweede en derde lid, 16.20c, tweede en derde lid, in
verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.21, 16.21 in verbinding
met artikel 16.39h, 16.21 in verbinding met artikel 16.49, tweede
lid, artikel 16.34, 16.39c, 16.39d, 16.39e, 16.39f, 16.39g, 16.39i,
eerste lid, 16.49, eerste lid, 17.4, eerste lid, 17.12, eerste lid,
17.13, eerste lid, 17.5b, 17.5c, tweede lid, en 17.5d in verbinding
met 17.5b en 17.5c, tweede lid, en 17.19, vijfde lid, en 18.18;
de Wet van 2 juli 1992, Stb. 415, tot uitbreiding en wijziging
van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee
samenhangende wijzigingen van andere wetten (milieubeleidsplanning
en milieukwaliteitseisen; provinciale milieuverordening,
totstandkoming algemene maatregelen van bestuur), artikel XIX, voor
zover het betreft provinciale verordeningen, vastgesteld krachtens
artikel 36 of artikel 41 van de Wet bodembescherming;
de Wet veiligheidsregio’s,– voor zover aangeduid als
strafbare feiten – de artikelen 48, eerste en zesde lid, en 50,
tweede en derde lid;
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de artikelen 4, 5, 10, 11,
21, 24, 27, 29, 31 en 33;
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de artikelen 5,
eerste lid, 12, eerste lid, tweede lid, onderdelen a en b, vierde,
zesde, zevende en achtste lid, 12b, eerste lid, 12c, eerste en
tweede lid, 12e, eerste lid, 13, 13a, eerste, tweede, derde en
vierde lid, 23, eerste, tweede en vierde lid, 35, derde lid, 35a,
derde lid en 36a, eerste lid;
2°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Boswet, de artikelen 2, derde lid, 3, eerste en tweede lid, en
13, eerste lid;
de Crisis- en herstelwet, artikel 2.16;
de Flora- en faunawet, de artikelen 8, 9, 11, 12, 12a, 14,
eerste, tweede en derde lid, 15, eerste en tweede lid, 15a, 15b, 17,
18, eerste lid, 26, derde en vijfde lid, 47, 73, 75e en 79, tweede
lid;
de Kernenergiewet, de artikelen 14, 22, eerste lid, 26, tweede
lid, 28, 33, eerste lid, 37, eerste lid, 39, 67, eerste en vierde
lid, 68 en 76, derde lid;
de Monumentenwet 1988, de artikelen 11, 45, eerste lid, 53,
eerste lid, en 56;
de Natuurbeschermingswet 1998, de artikelen 16, 17, vierde lid,
19c, vierde lid, 19d, eerste lid, 19ke, vijfde lid, 19ia, eerste
lid, in samenhang met 16, 19ia, derde lid, in samenhang met 19c,
vierde lid, en 19kc, eerste lid, 19l, eerste lid, 20, derde lid, 21,
tweede lid, 22, tweede lid, 46d, 47d, en 66;
de Ontgrondingenwet, de artikelen 3, eerste en tweede lid, 3a, 7
en 12, eerste en tweede lid;
de Waterwet, artikel 6.9;
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.1,
eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d, f, g, h en i, 2.3, aanhef en
onder b, 2.3a, 2.24, eerste lid, en 2.25, tweede lid;
de Wet bescherming Antarctica, de artikelen 3, eerste lid, 5, 6,
eerste en tweede lid, 8, 25, eerste en tweede lid, 29 en 30;
de Wet bodembescherming, de artikelen 20, 27, 28, 29, 30, tweede,
derde en vierde lid, 31, 32, tweede lid, tweede volzin, 39, eerste,
tweede en vierde lid, 39a, 39b, derde lid, vierde lid, eerste
volzin, en vijfde lid, eerste volzin, 39c, eerste en derde lid, 39d,
eerste en vijfde lid, 39e, 43, eerste, derde en vierde lid, 45,
vierde lid, 49 juncto 30, tweede, derde en vierde lid, 55b, eerste
lid, 63e, derde lid, tweede volzin, 63i, vijfde lid, tweede volzin,
63j, tweede lid, 70 en 72;
de Wet milieubeheer, de artikelen 8.41, eerste, tweede en derde
lid, 8.42, eerste lid, 8.42a, eerste lid, 8.43 9.2.1.3, 9.2.1.4,
9.2.2.2, 9.2.3.1, 9.2.3.2, 9.2.3.4, 9.2.3.5, tweede lid, 9.3.3,
tweede en derde lid, 9.3a.3, tweede en derde lid, 9.4.4 tot en met
9.4.7, 9.5.1, 9.5.2, 9.5.4, 9.5.6 10.29, eerste lid, 10.30, eerste
lid, 10.32, 10.38, 10.40, eerste en tweede lid, 10.40a, tweede lid,
10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43, eerste lid,
10.44, eerste en derde lid, 10.45, eerste lid, onderdeel a, 10.46,
eerste lid, 10.48, derde lid, 10.51, eerste lid, 10.52, eerste lid,
10.55, 10.60, vijfde lid, onder a, onder b, in verbinding met
onderdeel a, en onder c, 11A.2, eerste, derde en vierde lid, 11A.3,
aanhef en onderdeel b, 12.20, eerste en tweede lid, 12.20a, eerste
lid, in verbinding met 12.20, eerste lid, 12.29, aanhef en onder a
tot en met c, 12.30, 15.32, eerste en tweede lid, 17.1, 17.2, 17.11,
17.12, tweede lid, en 17.13, tweede en zesde lid, 17.5a, eerste lid,
en 17.5d, in verbinding met 17.5a, eerste lid;
de Wet ruimtelijke ordening, artikel 7.2;
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de artikelen 6,
tweede lid, 10, eerste lid, 11, eerste en tweede lid, 12a, eerste
tot en met vierde lid, 12d, eerste lid, en 12e, tweede lid;
de Woningwet, de artikelen 1a, 1b, 7b, 14a, 16, 103 en 120,
tweede lid;
3°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Flora- en faunawet, de artikelen 10, 16, 37, eerste en tweede
lid, 38, eerste lid, 50, eerste, tweede en derde lid, 51, 52, 53,
54, eerste lid, 58, 59, tweede lid, 60, vijfde lid, 62, eerste lid,
63, eerste lid, 64, tweede lid, 67, zesde lid, 72, vijfde lid, 74,
eerste lid, 74a, eerste lid, 81, eerste lid, en 111, eerste lid;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 81f, 81g
en 81h;
de Kernenergiewet, de artikelen 36, eerste lid, en - voor zover
aangeduid als strafbare feiten - 73;
de Meststoffenwet, de artikelen 4, 5, 6, 9, tweede en derde lid,
11, vijfde lid, 13, vierde lid, 15, 16, 34, 35, 36, 37, 38, derde
lid, en 40;
de Visserijwet 1963, de artikelen 2a, 3 en 3a, voor zover de
overtreding van die voorschriften in de EU- verordening ter
uitvoering waarvan zij strekken niet als ernstige inbreuk wordt
aangemerkt, 4, 7, voor zover wordt gevist met meer dan twee hengels
of de peur, 9, 16 en 21, voor zover wordt gevist met de hengel of de
peur, dan wel overtreding van voorschriften, verbonden aan op grond
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 en 21 van de
Visserijwet 1963 verleende schriftelijke toestemmingen en
huurovereenkomsten;
de Waterwet, artikel 6.24, tweede lid, tenzij de desbetreffende
vergunning uitsluitend berust op een verordening van een waterschap;
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.2 en artikel
2.3, aanhef en onder c;
de Wet bescherming Antarctica, de artikelen 19, tweede lid, en
33;
de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: de artikelen 20,
tweede lid, 28, eerste lid, onderdeel e, 29, 71, 72, 73, 75, 76, 77,
78, tweede lid, en 115;
de Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 92, onder a tot en
met c;
de Wet luchtvaart, de artikelen 6.60, eerste lid, 6.61, tweede
lid, 6.61a, en 6.62, tweede lid;
de Wet milieubeheer, de artikelen 10.23 – voor zover aangeduid
als strafbare feiten – , 10.60, zesde lid, onder a en onder b, in
verbinding met onderdeel a, en zevende lid, onder a, onder b, in
verbinding met onderdeel a, en onder c en artikel 12.14, eerste en
tweede lid;
de Wet van 13 mei 1993, Stb. 283, tot uitbreiding en wijziging
van de Wet milieubeheer (afvalstoffen), artikel VII, voor zover het
betreft gemeentelijke verordeningen, vastgesteld krachtens artikel 2
van de Afvalstoffenwet;
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen: de artikelen 47 en 48, tweede
lid;
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, artikel 12,
tweede lid, onderdeel c.
Artikel 2
1. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°,
en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij
opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen
misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.
2. In afwijking van het eerste lid zijn overtredingen van
voorschriften, gesteld krachtens artikel 15, tweede lid, van de
Distributiewet, overtredingen, terwijl overtredingen van andere
voorschriften, gesteld krachtens de Distributiewet, overtredingen
zijn, voor zover deze wet in werking is getreden op grond van artikel
2 van de Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma.
3. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn
misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende
voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt.
4. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 4°, en
artikel 1a, onder 3°, zijn overtredingen.
5. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 5°, zijn
misdrijven.
Artikel 3
Deelneming aan een binnen het Rijk in Europa gepleegd economisch
delict is strafbaar ook indien de deelnemer zich buiten het Rijk aan het
feit heeft schuldig gemaakt.
Artikel 4
Waar in deze wet in het algemeen of in het bijzonder wordt gesproken
van een economisch delict, dat een misdrijf oplevert, wordt
medeplichtigheid aan en poging tot zodanig delict daaronder begrepen,
voor zover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
Titel II. Van de straffen en maatregelen
Artikel 5
Tenzij bij de wet anders is bepaald, kunnen ter zake van economische
delicten geen andere voorzieningen met de strekking van straf of
tuchtmaatregel worden getroffen dan de straffen en maatregelen,
overeenkomstig deze wet op te leggen.
Artikel 6
1. Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1°. in geval van misdrijf, voor zover het betreft een
economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel
1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren,
taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
2°. in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde
categorie;
3°. in geval van overtreding, voor zover het betreft een
economisch delict bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel
1a, onder 1°, met hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf
of geldboete van de vierde categorie;
4°. in geval van een andere overtreding, met hechtenis van ten
hoogste zes maanden, taakstraf of geldboete van de vierde
categorie.
Indien de waarde der goederen, waarmede of met betrekking tot welke
het economisch delict is begaan, of die geheel of gedeeltelijk door
middel van het economisch delict zijn verkregen, hoger is dan het
vierde gedeelte van het maximum der geldboete welke in de gevallen
onder 1° tot en met 4° kan worden opgelegd, kan, onverminderd het
bepaalde in artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht,
een geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie.
2. Bovendien kunnen de bijkomende straffen, vermeld in artikel 7,
en de maatregelen, vermeld in artikel 8, worden opgelegd, onverminderd
de oplegging, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, van de
maatregelen, elders in wettelijke bepalingen voorzien.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt
hij, die een voorschrift, gesteld krachtens artikel 15, tweede lid,
van de Distributiewet, overtreedt gestraft met hechtenis van ten
hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie.
4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt hij die
een voorschrift overtreedt, gesteld bij of krachtens de artikelen 2 en
3, eerste lid, van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, dan wel
de artikelen 2, eerste en derde lid, 3 en 4 van de Uitvoeringswet
verdrag biologische wapens, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het
feit opzettelijk is begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld
in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel met het oogmerk
om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van dat
wetboek voor te bereiden of gemakkelijk te maken.
Artikel 7
De bijkomende straffen zijn:
a. ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 28, eerste lid,
onder 1°, 2°, 4° en 5° van het Wetboek van Strafrecht, voor een
tijd, de duur der vrijheidsstraf ten minste zes maanden en ten
hoogste zes jaren te boven gaande, of, in geval van veroordeling tot
geldboete als enige hoofdstraf, voor een tijd van ten minste zes
maanden en ten hoogste zes jaren;
b. [vervallen;]
c. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de
veroordeelde, waarin het economische delict is begaan, voor een tijd
van ten hoogste een jaar;
d. verbeurdverklaring van de voorwerpen, genoemd in artikel 33a
van het Wetboek van Strafrecht;
e. verbeurdverklaring van voorwerpen, behorende tot de
onderneming van de veroordeelde, waarin het economische delict is
begaan, voor zover zij soortgelijk zijn aan en met betrekking tot
het delict verband houden met die, genoemd in artikel 33a van het
Wetboek van Strafrecht;
f. gehele of gedeeltelijke ontzetting van bepaalde rechten of
gehele of gedeeltelijke ontzegging van bepaalde voordelen, welke
rechten of voordelen de veroordeelde in verband met zijn onderneming
van overheidswege zijn of zouden kunnen worden toegekend, voor een
tijd van ten hoogste twee jaren;
g. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 8
Maatregelen zijn:
a. de maatregelen voorzien in Titel IIA van het Eerste Boek van
het Wetboek van Strafrecht;
b. onderbewindstelling van de onderneming van de veroordeelde,
waarin het economisch delict is begaan, in geval van misdrijf voor
een tijd van ten hoogste drie jaren en in geval van overtreding voor
een tijd van ten hoogste twee jaren;
c. het opleggen van de verplichting tot verrichting van hetgeen
wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoening van hetgeen
wederrechtelijk is verricht en verrichting van prestaties tot het
goedmaken van een en ander, alles op kosten van de veroordeelde,
voor zover de rechter niet anders bepaalt.
Artikel 9
De maatregelen vermeld in artikel 8, onder b en c, kunnen te zamen
met straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.
Artikel 10
1. Bij de uitspraak, waarbij een bijkomende straf of een maatregel,
als vermeld in artikel 8, wordt opgelegd, worden, voor zoveel nodig,
alle bijzonderheden en gevolgen naar behoefte geregeld, daaronder
begrepen bij onderbewindstelling de benoeming van een of meer
bewindvoerders. Bij oplegging van een bijkomende straf als vermeld in
artikel 7, onder c, kan bovendien worden bevolen, dat de veroordeelde
hem van overheidswege ten behoeve van zijn onderneming verstrekte
bescheiden inlevert;
in zijn onderneming aanwezige voorraden onder toezicht verkoopt;
en zijn medewerking verleent bij inventarisatie van die voorraden.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van
Strafvordering kan de rechter die de bijkomende straf of maatregel
heeft opgelegd, na ontvangst van een vordering van het openbaar
ministerie of op verzoek van de veroordeelde bij latere beslissing
alsnog een regeling geven als vorenbedoeld, dan wel in de reeds
gegeven regeling wijziging brengen of terzake een aanvullende regeling
geven. De behandeling van de zaak vindt plaats met gesloten deuren; de
uitspraak geschiedt in het openbaar. De beslissing is met redenen
omkleed; zij is niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.
3. Wij behouden Ons voor, nadere voorschriften te geven ter
uitvoering van dit artikel.
Artikel 11
1. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, heeft een
bewindvoerder, krachtens het voorgaande artikel of artikel 29 benoemd,
dezelfde rechten en verplichtingen als de bewindvoerder, bedoeld in
artikel 409 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en kan zonder zijn
machtiging geen ander persoon enige daad van beheer in de onderneming
verrichten.
2. De beschikking tot onderbewindstelling wordt door de griffier
van het gerecht in feitelijke aanleg, dat de beschikking heeft
gegeven, openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en in één
of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. De beschikking tot
onderbewindstelling wordt in het handelsregister ingeschreven met
toepassing van het krachtens de Handelsregisterwet 2007 bepaalde.
Artikel 12 [Vervallen per 01-05-1983]
Artikel 13
1. Het recht tot uitvoering van verbeurdverklaring vervalt niet
door de dood van de veroordeelde.
2. De in artikel 8 onder b vermelde maatregel vervalt door de dood
van de veroordeelde.
Artikel 14
De tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van kosten,
andere dan die van openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak,
geschiedt op de wijze van de tenuitvoerlegging ener veroordeling tot
geldboete, met dien verstande, dat geen vervangende vrijheidsstraf wordt
toegepast.
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 16
1. Indien aannemelijk is dat iemand die, alvorens in zijn zaak een
onherroepelijke uitspraak is gedaan, is overleden, zich heeft schuldig
gemaakt aan een economisch delict, kan de rechter bij beschikking op
de vordering van het openbaar ministerie:
a. de verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen
uitspreken; artikel 10 vindt overeenkomstige toepassing;
b. ten laste van de boedel van de overledene de in artikel 8,
onder c vermelde maatregel opleggen.
2. De beschikking wordt door de griffier openbaar gemaakt in de
Nederlandse Staatscourant en in een of meer door de rechter aan te
wijzen nieuwsbladen, terwijl bovendien een afschrift van de
beschikking aan het sterfhuis wordt betekend.
3. Elke belanghebbende kan binnen drie maanden na de in het vorige
lid bedoelde openbaarmaking of betekening een bezwaarschrift ter
griffie indienen.
4. De officier van justitie wordt gehoord; de belanghebbende wordt
gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.
5. De rechter geeft een met redenen omklede beslissing; deze is
niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.
6. Het in het eerste lid, in de aanhef en onder a, in het derde,
het vierde en in het vijfde lid, bepaalde geldt mede, indien
aannemelijk is, dat een onbekende zich schuldig heeft gemaakt aan een
economisch delict. De beschikking wordt door de griffier openbaar
gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en in één of meer door de
rechter aan te wijzen nieuwsbladen.
Titel III. Van de opsporing
Artikel 17
1. Met de opsporing van economische delicten zijn belast:
1°. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren;
2°. de door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met
Onze andere Ministers, wie het aangaat, aangewezen ambtenaren;
3°. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake
douane.
2. Alle met de opsporing van economische delicten belaste
ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de economische
delicten, genoemd in de artikelen 26, 33 en 34.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent
de beëdiging van de opsporingsambtenaren, voor zover daarin niet
reeds is voorzien.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder 2°, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 18
1. De opsporingsambtenaren zijn in het belang van de opsporing
bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen voor zover
dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij
kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
2. Voor inbeslagneming van voorwerpen ter verbeurdverklaring uit
hoofde van artikel 7, onder e, behoeven zij evenwel de machtiging van
de officier van justitie.
Artikel 19
1. De opsporingsambtenaren zijn in het belang van de opsporing
bevoegd inzage te vorderen van gegevens en bescheiden, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. Zij zijn bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te
maken.
3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden,
zijn zij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte
tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 20
De opsporingsambtenaren hebben in het belang van de opsporing toegang
tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van
hun taak nodig is.
Artikel 21
1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de
opsporing zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan
monsters te nemen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling
van hun taak nodig is.
2. Zij zijn bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
3. Zij nemen op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een
tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders
is bepaald.
4. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter
plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de zaken voor dat doel voor
korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk
bewijs.
5. De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.
6. De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in
kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de
monsterneming.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 23
1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de
opsporing vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving
van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. Zij zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen
waarmee naar hun redelijk oordeel zaken worden vervoerd op hun lading
te onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften,
bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taak nodig is.
3. Zij zijn bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage
te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met het oog op
de naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a,
voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig
is.
4. Zij zijn bevoegd met het oog op de uitoefening van deze
bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van
een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar
een door hem aangewezen plaats overbrengt, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
5. De kosten van overbrenging komen ten laste van de betrokkene,
indien een strafbaar feit wordt vastgesteld.
6. De in dit artikel genoemde bevoegdheden kunnen tevens worden
uitgeoefend jegens personen, die zaken vervoeren.
Artikel 23a
1. Onder de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 18 tot en
met 23, worden mede begrepen de ambtenaren, die ingevolge artikel 83
van de Kernenergiewet, artikel 28, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet, artikel 30, onder 3°, van de Vogelwet 1936,
artikel 8, eerste lid, van de Wet bedreigde uitheemse diersoorten,
artikel 96 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 11.1 van
de Wet luchtvaart of artikel 44 van de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen, zijn belast met de opsporing van strafbare feiten.
2. Bij de opsporing van overtredingen van voorschriften gesteld bij
of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of titel 6.5 van de
Wet luchtvaart komen de bevoegdheden, genoemd in artikel 21, slechts
toe aan de krachtens artikel 44 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen
of krachtens artikel 11.1 van de Wet luchtvaart aangewezen ambtenaren
van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en van het militair Korps
controleurs gevaarlijke stoffen.
Artikel 24
1. Onze Minister van Justitie en - na overleg met deze - elk Onzer
andere Ministers, wie het aangaat, zijn bevoegd regelen te stellen
omtrent de wijze, waarop de vordering tot stilhouden, omschreven in
artikel 23, vierde lid, wordt gedaan.
2. Onze Minister van Justitie en elk Onzer andere Ministers, wie
het aangaat, zijn bevoegd te bepalen, dat ter verzekering van de
richtige opsporing van economische delicten op openbare land- en
waterwegen versperringen worden aangebracht.
Artikel 24a
1. Een ieder is verplicht aan de opsporingsambtenaren binnen de
door hen gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die
deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van de hen
krachtens deze titel toekomende bevoegdheden.
2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking
weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
3. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd op kosten van de overtreder
door feitelijk handelen op te treden tegen hetgeen in strijd met de in
het eerste lid bedoelde verplichting is of wordt gedaan, gehouden of
nagelaten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun
taak nodig is.
Artikel 25
Voor zover daarvan niet in deze wet of de in artikel 1 en artikel 1a
genoemde wetten en besluiten is afgeweken, gelden ten aanzien van de
opsporing van economische delicten de bepalingen van het Wetboek van
Strafvordering.
Artikel 26
Het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens enig
voorschrift van deze wet gedaan door een opsporingsambtenaar, is een
economisch delict.
Artikel 27 [Vervallen per 01-05-2004]
Titel IV. Van voorlopige maatregelen
Artikel 28
1. Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en
tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift
worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, is de officier
van justitie in alle zaken, economische delicten betreffende, met
uitzondering van die, bedoeld in artikel 6, derde lid, bevoegd, zolang
de behandeling ter terechtzitting nog niet is aangevangen, de
verdachte bij deze te betekenen kennisgeving als voorlopige maatregel
te bevelen:
a. zich te onthouden van bepaalde handelingen;
b. zorg te dragen, dat in het bevel aangeduide voorwerpen,
welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard
worden ter plaatse, in het bevel aangegeven.
2. Op de vorengenoemde bevelen is artikel 10, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. De vorengenoemde bevelen verliezen hun kracht door een
tijdsverloop van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht, totdat
de rechterlijke einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven,
onherroepelijk is geworden. Zij kunnen tussentijds door de officier
van justitie bij aan de verdachte te betekenen kennisgeving worden
gewijzigd of ingetrokken of door het gerecht, waarvoor de zaak wordt
vervolgd, worden gewijzigd of opgeheven. Het gerecht kan dit doen
ambtshalve, of op het verzoek van de verdachte; deze wordt steeds
gehoord, althans behoorlijk opgeroepen, tenzij:
1°. het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig
het verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
2°. nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig
verzoek van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf
dagen, nadat het ter griffie is ingediend.
Artikel 29
1. Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en
tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift
worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, kan het gerecht
in alle zaken, economische delicten betreffende, met uitzondering van
die, bedoeld in artikel 6, derde lid, vóór de behandeling ter
terechtzitting, op de vordering van het openbaar ministerie, en,
indien de zaak te zijner zitting wordt behandeld, mede ambtshalve, als
voorlopige maatregel bevelen:
a. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van
de verdachte, waarin het economische delict wordt vermoed te zijn
begaan;
b. onderbewindstelling van de onderneming van de verdachte,
waarin het economische delict wordt vermoed te zijn begaan;
c. gehele of gedeeltelijke ontzetting van bepaalde rechten of
gehele of gedeeltelijke ontzegging van bepaalde voordelen, welke
rechten of voordelen de verdachte in verband met zijn onderneming
van overheidswege zijn of zouden kunnen worden toegekend;
d. dat de verdachte zich onthoude van bepaalde handelingen;
e. dat de verdachte zorg drage, dat in het bevel aangeduide
voorwerpen, welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en
bewaard worden ter plaatse, in het bevel aangegeven.
2. Op de vorengenoemde bevelen is artikel 10, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. De vorengenoemde bevelen verliezen hun kracht door een
tijdsverloop van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht totdat de
rechterlijke einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven,
onherroepelijk is geworden. Zij kunnen door het gerecht, waarvoor de
zaak wordt vervolgd, eenmaal met ten hoogste zes maanden worden
verlengd en worden gewijzigd of opgeheven. Het gerecht kan dit doen
ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie en, voor wat
betreft wijziging of opheffing van de bevelen, tevens op het verzoek
van de verdachte; deze wordt steeds gehoord, althans behoorlijk
opgeroepen, tenzij:
1°. het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig
het verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
2°. nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig
verzoek van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf
dagen, nadat het ter griffie is ingediend.
Artikel 30
1. Van de in de artikelen 28 en 29 bedoelde rechterlijke bevelen en
beschikkingen kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen en de
verdachte binnen veertien dagen na de betekening in beroep komen bij
het gerechtshof.
2. Het hof beslist zo spoedig mogelijk. De verdachte wordt gehoord,
althans behoorlijk opgeroepen.
Artikel 30a
1. Van de beschikking van het hof kan het openbaar ministerie
binnen veertien dagen en de verdachte binnen veertien dagen na de
betekening beroep in cassatie instellen.
2. De verdachte is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht
binnen een maand na het instellen van dat beroep bij de Hoge Raad der
Nederlanden door een advocaat een schriftuur te doen indienen,
houdende zijn middelen van cassatie.
3. Artikel 57 is van overeenkomstige toepassing.
4. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 31
De in de artikelen 28, 29, 30 en 30a bedoelde bevelen en
beschikkingen zijn dadelijk uitvoerbaar. Zij worden onverwijld aan de
verdachte betekend.
Artikel 32
1. Indien de zaak eindigt hetzij zonder oplegging van straf of
maatregel, hetzij met oplegging van een zodanige straf of maatregel,
dat de opgelegde voorlopige maatregel als onevenredig hard moet worden
beschouwd, kan het gerecht, op verzoek van de gewezen verdachte of van
zijn erfgenamen, hem of zijn erfgenamen een geldelijke tegemoetkoming
ten laste van de Staat toekennen voor de schade, welke hij ten gevolge
van de opgelegde voorlopige maatregel werkelijk heeft geleden. Tot
deze toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor
de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het
laatst werd vervolgd.
2. De artikelen 89, derde en vierde lid, 90-91 en 93 van het
Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
3. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek of
na de instelling van hoger beroep overleden is, geschiedt de
toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
Artikel 32a
Waar in deze titel de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen van
personen, is artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Titel V. Van handelingen in strijd met straffen en maatregelen
Artikel 33
Het opzettelijk handelen of nalaten in strijd met een bijkomende
straf, als bedoeld in artikel 7, onder a, c of f, een maatregel, als
vermeld in artikel 8, een regeling, als bedoeld in artikel 10, of een
voorlopige maatregel, of het ontduiken van zodanige bijkomende straf,
maatregel, regeling of voorlopige maatregel is een economisch delict.
Artikel 34
Het opzettelijk, al dan niet door middel van een ander, onttrekken
van vermogensbestanddelen aan verhaal of tenuitvoerlegging van een
krachtens deze wet opgelegde straf, maatregel of voorlopige maatregel is
een economisch delict.
Artikel 35
1. Rechtshandelingen in strijd met het bepaalde in de artikelen 33
en 34 zijn nietig.
2. Op de nietigheid kan geen beroep worden gedaan ten nadele van
hem, die van de oplegging van de straf, de maatregel of de voorlopige
maatregel onkundig was, tenzij hij ernstige reden had het bestaan er
van te vermoeden.
3. Ten aanzien van de echtgenoot of geregistreerde partner, de
bloed- of aanverwanten tot in de derde graad en de personen in dienst
van degene, te wiens laste de straf, de maatregel of de voorlopige
maatregel is uitgesproken, wordt aangenomen, dat zij ernstige reden
hebben gehad de oplegging van de straf, de maatregel of de voorlopige
maatregel te vermoeden, behoudens tegenbewijs.
Titel VI. Van de afdoening buiten geding
Artikel 36
1. Bij toepassing van artikel 257a van het Wetboek van
Strafvordering kan tevens de aanwijzing worden gegeven dat wordt
verricht hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietgedaan hetgeen
wederrechtelijk is verricht en dat prestaties tot het goedmaken van
een en ander worden verricht, alles op kosten van de verdachte, voor
zover niet anders wordt bepaald.
2. Indien de verdachte een rechtspersoon is, behoeft deze, in
afwijking van artikel 257c, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering, slechts onder bijstand van een raadsman te worden
gehoord als de strafbeschikking betalingsverplichtingen uit hoofde van
geldboete en schadevergoedingsmaatregel bevat welke afzonderlijk of
gezamenlijk meer belopen dan € 10 000.
Artikel 37 [Vervallen per 01-05-2012]
Titel VII. De berechting in eerste aanleg
Artikel 38
De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij
uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden
behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank,
bedoeld in artikel 52 van Wet op de rechterlijke organisatie.
Artikel 39
1. De economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52
van de Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen ook
zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn,
indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare
feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of
meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn
gelegd samen met een of meer van die economische delicten.
2. Berechting door een andere dan de economische kamer is mogelijk
indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer
strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de
rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten
laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare
feiten.
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 41 [Vervallen per 31-01-1958]
Artikel 42 [Vervallen per 31-01-1958]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 44 [Vervallen per 18-07-1983]
Artikel 45
De bepalingen van deze titel brengen geen wijziging in de
bevoegdheden van de kinderrechter, behoudens het bepaalde in artikel 38.
Titel VIII
Artikel 46
De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
Artikel 47
In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 261 van het
Wetboek van Strafvordering kan voor de dagvaarding betreffende een
economisch delict worden volstaan met een korte aanduiding van het feit,
dat te laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar
ter plaatse het begaan zou zijn.
Artikel 48
1. Op het rechtgeding voor de economische politierechter zijn de
artikelen 367 tot en met 381, alsmede 398, onder 2°, van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat:
1°. in afwijking van artikel 376, eerste lid, indien de
dagvaarding enkel inhoudt een korte aanduiding en vermelding als
bedoeld in het vorige artikel, de officier van justitie ter
terechtzitting bij de aanvang van het onderzoek mondeling of, na
voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit kan doen en
alsdan tot die nadere opgave verplicht is, indien naar het oordeel
van de rechter de verdachte door die enkele aanduiding en
vermelding in zijn verdediging benadeeld zou worden;
2°. schorsing van het onderzoek eveneens geschiedt, indien de
officier van justitie uitstel verzoekt voor het doen van nadere
opgave van het feit.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onder 1°-2°, vindt
overeenkomstige toepassing, indien bij dagvaarding voor de meervoudige
kamer is volstaan met een korte aanduiding en vermelding als bedoeld
in artikel 47.
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1976]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1976]
Titel IX. Van het hoger beroep
Artikel 51 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 52
De economische kamers van de gerechtshoven, bedoeld in artikel 64 van
de Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen
uitsluitend zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken
vonnis is gewezen.
Artikel 53
1. In zaken betreffende economische delicten treedt als raadkamer
een economische kamer op.
2. De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
Artikel 54
De economische kamers kunnen ook zitting houden buiten de plaats,
waar de zetel van het hof gevestigd is.
Artikel 55 [Vervallen per 01-10-2000]
Titel X
Artikel 56 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 57 [Vervallen per 01-10-2000]
Titel XI. Van de contactambtenaren
Artikel 58
In overleg met Onze Minister van Justitie kunnen lichamen met een
publieke taak belast, hiertoe bevoegd verklaard door een Onzer andere
Ministers, wie het aangaat, ten dienste van de opsporing, vervolging en
berechting van economische delicten ambtenaren benoemen, die het contact
onderhouden met het openbaar ministerie.
Titel XII. Overgangsbepalingen
Artikel 59
Van de ambtenaren van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
zijn degenen, die daartoe door Onze Minister van Justitie zijn
aangewezen, hulpofficier van justitie ten aanzien van het voorbereidende
onderzoek naar de overtredingen der voorschriften gesteld bij of
krachtens de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994.
Artikel 60
1. Het Besluit berechting economische delicten (Staatsblad No. E
135) wordt ingetrokken.
2. Zaken, betreffende overtredingen van de voorschriften, genoemd
in artikel 1, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij
een kantonrechter, een arrondissements-rechtbank, een gerechtshof of
de Hoge Raad der Nederlanden aanhangig, worden, onverminderd artikel
1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en het vierde lid van
dit artikel, afgedaan volgens de tot op dat tijdstip geldende regelen.
3. Zaken, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een
tuchtrechter voor de prijzen aanhangig, worden bij de
arrondissements-rechtbank opnieuw aanhangig gemaakt. Is echter de
behandeling door de tuchtrechter zover gevorderd, dat nog slechts een
einduitspraak behoeft te worden gedaan, dan doet de tuchtrechter
uitspraak met inachtneming van de regelen, geldende tot evengenoemd
tijdstip.
4. Voor zover zaken betreffende overtredingen van voorschriften,
genoemd in artikel 1, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet nog niet in hoger beroep aanhangig zijn, geschiedt behandeling in
hoger beroep bij uitsluiting door het gerechtshof binnen welks
rechtsgebied de rechter bevoegd was, die in eerste aanleg uitspraak
heeft gedaan.
5. Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van uitspraken van
tuchtrechters voor de prijzen treedt in de plaats van de tuchtrechter
voor de prijzen het openbaar ministerie bij de rechtbank van het
arrondissement, waarin de tuchtrechter bevoegd was.
6. De ingevolge het Besluit berechting economische delicten
opgelegde bijkomende straffen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, II,
onder a en b, van dit besluit, worden geacht te zijn bijkomende
straffen, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderscheidenlijk
onder c en a van deze wet; zij worden geacht te zijn opgelegd
krachtens deze wet.
Artikel 61 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 62
1. Het Besluit voorlopige tuchtmaatregelen voedselvoorziening
(Staatsblad, No. F 284) wordt ingetrokken.
2. De voorlopige tuchtmaatregelen, op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet van kracht, worden gehandhaafd. Het
bepaalde in de Titels IV en V is op deze maatregelen van toepassing,
met dien verstande, dat:
a. voorlopige tuchtmaatregelen, bevolen door een ambtenaar voor
de tuchtrechtspraak, worden geacht te zijn bevolen door de
officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement,
waarin de ambtenaar voor de tuchtrechtspraak bevoegd was;
b. voorlopige tuchtmaatregelen, bevolen door een tuchtrechter
voor de voedselvoorziening, worden geacht te zijn bevolen door de
rechtbank van het arrondissement, waarin de tuchtrechter bevoegd
was;
c. voorlopige tuchtmaatregelen, bevolen door het Centraal
College voor de Tuchtrechtspraak, worden geacht te zijn bevolen
door het gerechtshof binnen welks rechtsgebied de tuchtrechter
bevoegd was, die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
Artikel 63
1. De wet van 24 Mei 1947, tot opneming van de mogelijkheid van
voorlopige maatregelen ter zake van overtreding van prijsvoorschriften
(Staatsblad No. H 156) wordt ingetrokken.
2. De voorlopige maatregelen, op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet van kracht, worden, gedurende hoogstens zes maanden nadat
zij zijn genomen, gehandhaafd. Het bepaalde in de Titels IV en V is
overigens op deze maatregelen van toepassing.
Titel XIII. Slotbepalingen
Artikel 64
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 65
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 66
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 67
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 68
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 69
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 70
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 71
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 72
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 73
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 74
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 75
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 76
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 77
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 78
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 79
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 80
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 81
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 82
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 83
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 84
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 85
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 86
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 87
1. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen
tijdstip, dat voor onderscheidene groepen van economische delicten en
voor onderscheidene voorschriften verschillend kan zijn.
2. Zij kan worden aangehaald als: Wet op de economische delicten.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 22 Juni 1950
JULIANA
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
De Minister van Economische Zaken,
Van den Brink
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
J. in 't Veld
De Minister van Sociale Zaken.
A.M. Joekes
Uitgegeven de zevende Juli 1950
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
|