Nadere regelgeving:
- Besluit
buitengewoon opsporingsambtenaar
- Transactiebesluit
milieudelicten
WET van 22 juni 1950, houdende
vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en de
berechting van economische delicten
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, het
Besluit berechting economische delicten te vervangen door een wet, die
de doeltreffendheid bevordert van de opsporing, vervolging en berechting
van handelingen, welke schadelijk zijn voor het economische leven, en
die in het bijzonder daarin meer eenheid brengt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Van de economische delicten
Artikel 1
Economische delicten zijn:
1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Aanpassingswet Algemene douanewet, artikel XLIX, eerste lid;
de Algemene douanewet, de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en 3:1,
voorzover betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van
internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische
goederen;
de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 17, eerste
lid, 18, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 31, eerste lid,
32, 33, 37, eerste lid, 38, 44, eerste lid, en 49;
de Distributiewet, de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 15, tweede, vierde en
vijfde lid, 16 en 17;
de Geneesmiddelenwet, de artikelen 18, eerste lid, 28, eerste lid, 39,
tweede lid, 40, eerste en tweede lid, 61, eerste lid, en 62
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 17 tot en met
21, 25, 26, 29, 30, 31b, 98, 100 en 101a;
de Hamsterwet, de artikelen 3 en 4;
de Kaderwet diervoeders, de artikelen 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 16, 26, 27,
28, 29, 31, 32, 33, onderdelen a, b, c en e, 34, 37 en 39;
de Landbouwwet, artikel 19;
de Noodwet financieel verkeer, de artikelen 3, 4, 5, 6, 11, 12, 17, 18,
26 en 28, tweede lid;
de Noodwet voedselvoorziening, de artikelen 6, 7, 9, 10, 11, tweede lid,
12, 13, 22, 23, 24, eerste lid, 25 en 29;
de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, de artikelen 8, tweede
lid, en 12;
de Prijzennoodwet, de artikelen 5, 6, tweede lid, en - voor zover
aangeduid als strafbare feiten - 8 en 9;
de Sanctiewet 1977, de artikelen 2, 7 en 9, voor zover betrekking
hebbend op de onderwerpen, bedoeld in artikel 3;
de Spoorwegwet, artikel 96, tweede lid;
de Telecommunicatiewet, de artikelen 3.3, eerste lid, 3.10, 10.1, 10.5,
tweede lid, 10.9, eerste lid, 10.11, eerste lid, 15.2a, 18.8 en 18.9;
de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens, de artikelen 2, eerste en
derde lid, 3 en 4;
de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de artikelen 2 en 3, eerste
lid;
de Waterleidingwet, artikel 3i;
de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst artikel 6;
de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, artikel 5, eerste lid;
de Wet ruimtevaartactiviteiten, de artikelen 3, eerste en derde lid, 7,
derde lid, en 10;
de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, de artikelen 2, onder a, en 4,
tweede lid.
2°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Algemene douanewet, de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en 3:1,
voorzover betrekking hebbend op goederen die niet ingevolge regelingen
van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische
goederen;
de Bodemproductiewet 1939, artikel 3;
de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen 19, 35, 36, 41, 42 en 45, derde
lid;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 3 tot en met
13, 66, 68, 73, eerste lid, 77 tot en met 80, 96, 97, 99, 101, 102 tot
en met 105, 107, 111 en 120;
de Kaderwet diervoeders, de artikelen 10, 22 en 35;
de Landbouwwet, de artikelen 17, 18, 20, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 47,
en 51;
de Mijnbouwwet, de artikelen 6, 13, tweede lid, 22, vijfde lid, 23, 25,
29, eerste lid, 34, eerste en derde lid, 36, tweede en derde lid, 39,
40, 41, 42, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 91, tweede lid, 102,
120, 123, 130 en 151;
de Telecommunicatiewet, de artikelen 2.1, eerste en vijfde lid, eerste
volzin, 3.8, eerste tot en met derde lid, 4.1, vierde lid, 4.2, vijfde
en tiende lid, 4.4, vijfde lid, 10.2, 10.10, eerste lid, laatste volzin,
11.7, derde lid, 13.1, 13.2, 13.2a, 13.2b, 13.4, eerste lid, 13.5 en
13.8;
de verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie van 27
juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227), de
artikelen 13, tweede lid, 17, eerste en tweede lid en 18, derde lid;
de verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van de Europese Unie van 22
november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale
toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop
gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (PbEG L 309), artikel
2, eerste en tweede alinea, en artikel 5, eerste alinea;
de verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese Unie van
28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor
de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG L 181), artikel 6,
eerste lid, eerste en tweede volzin;
de Waterleidingwet, de artikelen 3m en 3o, eerste lid;
de Wet tot behoud van cultuurbezit, de artikelen 7, 8, 9, 14a en 14b;
de Wet explosieven voor civiel gebruik, de artikelen 3, 10 en 17, eerste
lid;
de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 1:10, 1:74, eerste lid,
2:3a, eerste lid, 2:3e, eerste lid, 2:3f, eerste lid, 2:4, eerste lid,
2:6, eerste lid, 2:8, eerste lid, 2:11, eerste lid, 2:15, tweede lid,
2:16, eerste en derde lid, 2:18, tweede lid, 2:20, eerste lid, 2:25,
tweede lid, 2:26, 2:27, eerste lid, 2:36, eerste en tweede lid, 2:40,
2:48, eerste lid, 2:50, eerste lid, 2:55, eerste lid, 2:60, eerste lid,
2:65, eerste en tweede lid, 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86,
eerste lid, 2:92, eerste lid, 2:96, 2:106a, eerste lid 3:5, eerste lid,
3:6, eerste lid, artikel 3:7, eerste en vierde lid, 3:20a, 3:29a, 3:29b,
3:29c, eerste lid, 3:30, eerste lid, 3:35, 3:44, eerste lid, 3:51, 3:53,
eerste lid, 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, 3:57, eerste en vijfde
lid, 3:59, 3:62, tweede lid, 3:63, eerste tot en met derde lid, 3:67,
eerste tot en met vierde lid, 3:68, eerste en derde lid, artikel 3:69
eerste lid, 3:74b, 3:77, 3:88, eerste en tweede lid, 3:89, eerste lid,
3:95, eerste lid, 3:96, eerste lid, 3:104, derde lid, 3:132, eerste en
derde lid, 3:136, eerste en tweede lid, 3:135, eerste lid, 3:137, 3:138,
eerste lid, 3:139, eerste lid, 3:143, 3:144, eerste lid, 3:155, tweede
lid, 3:158, derde en vierde lid, 3:175, derde lid, 3:196, 3:279, eerste
en vierde lid, 3:285, eerste en tweede lid, 3:286, eerste en tweede lid,
3:296, eerste, tweede, derde, vierde en achtste, 3:297, eerste, tweede
en vijfde lid, 3:298, eerste en tweede lid, 4:3, eerste lid, 4:4, eerste
lid, 4:4a, 4:24, tweede lid, 4:26, eerste lid, 4:27, eerste, tweede en
vierde lid, 4:31, eerste lid, 4:49, eerste tot en met derde lid, 4:50,
tweede lid, 4:52, eerste lid, 4:53, 4:60, vijfde lid, 4:62, eerste lid,
4:90b, vierde tot en met het zesde lid, 4:91a, negende lid, 4:91b, derde
en vierde lid, 4:100c, 5:26, eerste lid, 5:28, tweede lid, 5:30, 5:32,
eerste en vierde lid, 5:32d, eerste lid, 5:34, eerste en tweede lid,
5:35, eerste tot en met vierde lid, 5:36, 5:38, eerste en tweede lid,
5:39, eerste lid, 5:40, 5:41, eerste en tweede lid, 5:42, 5:43, eerste
en tweede lid, 5:48, derde tot en met achtste lid, 5:59, eerste en
tweede lid, 5:60, eerste en derde lid, 5:63, derde lid, 5:64, eerste en
derde tot en met zevende lid, 5:65, 5:68, eerste lid, 5:79;
de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, de artikelen 3, 4, 6,
derde lid, en 8;
de Wet inzake de geldtransactiekantoren, de artikelen 3, eerste lid, 4,
derde lid, 5, derde lid, 8, derde en vijfde lid, 9, eerste lid, 10, 11,
15, tweede en derde lid;
de Wet kinderopvang, de artikelen 45 en 66;
de Wet laden en lossen zeeschepen, artikel 19, tweede tot en met vijfde
lid;
de Wet marktordening gezondheidszorg, de artikelen 25, tweede lid, 35,
36, eerste en tweede lid, 38, eerste, tweede en vierde lid, 40, eerste,
tweede en derde lid, 60, 63 en 66, eerste lid, alsmede de regels,
vastgesteld krachtens de artikelen 36, derde lid, 38, zevende lid, 40,
vierde lid, en 45;
de Wet op het notarisambt, artikel 127, tweede lid;
de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de
artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8,
16, 17, tweede lid, 23 eerste en tweede lid, 33 en 34;
de Wet toezicht accountantsorganisaties, de artikelen 5, eerste lid, 6,
derde lid, 21a en 29a;
de Wet toezicht trustkantoren, de artikelen 2, eerste en derde tot en
met vijfde lid, 3, derde lid, 5, 9, tweede en derde lid, voor zover het
betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke
gegevens en bescheiden, 10, 11, 14, tweede lid, en 16, tweede lid
Wet voorkoming misbruik chemicaliën, artikel 2, onder b;
de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, de artikelen 39, 40, 41, 42, 46, 48,
derde lid, 57 tot en met 60, 85 en 87.
3°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Arbeidstijdenwet, artikel 8:3, eerste lid, en een niet naleven als
bedoeld in artikel 11:3, eerste tot en met derde lid;
de Prijzenwet, de artikelen 2, 3, en - voor zover aangeduid als
strafbare feiten - 11;
de Warenwet, artikel 21, tweede lid, 27, derde lid, 30, derde lid;
de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 5:53, eerste en tweede
lid, 5:56, 5:57, 5:58, 5:70, eerste lid, 5:72, 5:74, eerste en vierde
lid, 5:76 en 5:77;
de Wet luchtvaart, artikel 6.52;
de Wet op de kansspelen, de artikelen 1, onder a, b en d, 7, 7c, tweede
lid, 13, 14, 27, 30b, eerste lid, 30d, eerste lid, 30g, eerste lid, 30h,
eerste lid, 30i, eerste lid, onder b, 30j, eerste lid, 30m, eerste lid,
30q, derde lid, 30r, derde en vierde lid, 30t, eerste, tweede en vijfde
lid, 30u, eerste lid, 30x en 30z;
de Wet personenvervoer 2000, de artikelen 4 en 11, tweede en derde lid;
de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 6, eerste lid, eerste volzin,
10, 28, zesde lid, 32 en de handeling of het nalaten, bedoeld in artikel
33, derde lid alsmede– voorzover aangewezen als strafbare feiten –
de artikelen 6, eerste lid, tweede volzin, en 16, tiende lid.
4°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Binnenvaartwet, de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en zesde
lid, 7, eerste lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13, vierde
lid, 17, vijfde lid, 21, eerste lid, 22, negende lid, 23, eerste lid,
25, vierde lid en vijfde lid, 28, zevende lid, 31, vierde lid, 33,
tweede lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 39c, derde lid, 39e, en 43,
tweede lid, voor zover deze overtredingen niet strafbaar zijn op grond
van artikel 32 van de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot stand gekomen
Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161);
het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, artikel 8;
de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen 14, eerste en tweede lid, 20,
tweede lid, 39, 40, 43, eerste lid, en 58, derde lid;
de Drank- en Horecawet, de artikelen 2, 3, 12 tot en met 25, 35, tweede
lid, en 38;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 34, 35,
voorzover deze voorschriften zijn gesteld in samenhang met op grond van
artikel 45 gestelde voorschriften, 38, 39, 41, derde lid, 42, 44, 45,
46, 47, zesde lid, 52, eerste lid, 53 tot en met 57, 59, 59a, 59b,
eerste en tweede lid, 65 en 76;
de Handelsregisterwet 2007, de artikelen 27 en 47;
de Kaderwet diervoeders, de artikelen 12, onderdelen c en d, 20, 22, 33,
onderdeel d, en 36;
de Landbouwkwaliteitswet, de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3,
tweede lid en 4, vierde lid;
de Landbouwuitvoerwet 1938, de artikelen 2, 4 en 7;
de Luchtvaartwet, de artikelen 37ab, 37ae, eerste lid, 37f, derde lid,
37g, derde lid, of 37r;
de Metrologiewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste en tweede lid
en vijfde lid, tweede volzin, 24, eerste, tweede en derde lid, en vierde
lid, tweede volzin, 25, 26 en 36, eerste lid;
de Plantenziektenwet, de artikelen 2, 3, 3a, 6, en 13;
de Reconstructiewet concentratiegebieden, de artikelen 36, eerste en
derde lid, en 47, eerste lid;
de Spoorwegwet, de artikelen 10, 13, 27, tweede lid, onderdelen a tot en
met c, 33, zevende lid, 36, eerste en vierde lid, 39, 42, 45, 46, derde
lid, 47, 48 en 53, alsmede – voor zover aangeduid als strafbare feiten
– overtredingen van voorschriften krachtens de hoofdstukken 3 en 4,
met uitzondering van de artikelen 64, tweede lid, en 65, eerste lid,
gegeven;
de Tabakswet, de artikelen 2, 3, 3a , 3b, 3c, 3e, 4, 5, 5a, 7, 8, 9, 10,
11, 11a en 18;
de Telecommunicatiewet, de artikelen 2.3, vijfde lid, 3.4, tweede lid,
5.4, eerste en tweede lid, 5.6, tweede en derde lid, 7.7, 10.6, 10.7,
13.4, tweede, derde en vierde lid, 18.1, 18.2, 18.7, 18.12, 18.15,
eerste en tweede lid en 18.17, eerste en derde lid;
de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, de artikelen 4 tot en met 8;
de Verordening (EG) Nr. 1435/2003 van de Raad van de Europese Unie van
22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve
Vennootschap (SCE) (PbEU L 207), artikel 11, vierde lid;
de Verordening nr. 2137/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische
samenwerkingsverbanden (PbEG L 199/1), artikel 7, tweede alinea, onder
i, en artikel 25, eerste alinea, letters a, c, d en e, en tweede alinea;
de Verordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8
oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PbEG
L 294), artikel 12, vierde lid;
De verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 19 december 2001 betreffende
grensoverschrijdende betalingen in euro (PbEG L 344), de artikelen 3, 4
en 5;
de Visserijwet 1963, de artikelen 3, 3a, 4, 5 en 9;
de Waarborgwet 1986, de artikelen 7a, 12, 30, 31, 35, 36, 37, 39, 44,
46, 57, 58 en 58a;
de Warenwet, de artikelen 1a, 4 tot en met 11, 11a, 13 tot en met 20,
21, eerste lid, 21b, 22, 26, tweede lid, 27, eerste lid, laatste volzin,
31 en 32k;
de Waterleidingwet, artikel 3l;
de Wedervergeldingswet zeescheepvaart, de artikelen 2, eerste lid, 5, 9,
derde lid, 10, eerste lid, 11c, eerste en tweede lid, 11d en 17;
de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 34, eerste tot en met vierde lid,
en 35;
de Wet aansprakelijkheid olietankschepen, de artikelen 11, 12, 18,
eerste lid, 20, 22 , 23, 24 en 26, tweede lid;
de Wet agrarisch grondverkeer, de artikelen 61en 64, derde lid;
de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de artikelen 4 en
12, tweede lid;
de Wet arbeid vreemdelingen, artikel 19c;
Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting, artikel 15;
de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot, artikel 6 alsmede - voor
zover aangeduid als strafbare feiten - overtredingen van voorschriften
krachtens die wet gegeven;
de Wet op de Bedrijfsorganisatie, - voor zover aangewezen als strafbare
feiten - de artikelen 32, 93 en 113;
de Wet op het consumentenkrediet, de artikelen 34, 36, 38, 47 en 48,
tweede lid, voor zover artikel 69 van die wet niet anders bepaalt;
de Wet energiebesparing toestellen, de artikelen 2, 4, tweede lid, 5, 6,
8 , 9, 17, tweede en derde lid, 19, tweede lid, en 21;
de Wet energiedistributie, de artikelen 10, 11, 12, zesde lid, en 13;
de Wet explosieven voor civiel gebruik, de artikelen 7, 14, 15, derde
lid, 16 en 21;
de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst, de artikelen 3,
derde lid, en 4, tweede lid;
de Wet havenstaatcontrole, de artikelen 12, eerste en derde lid, en 13,
eerste tot en met derde lid.
de Wet houdende vaststelling van minimumeisen voor het houden van
legkippen, de artikelen 2 en 3, eerste lid;
de wet houdende wijziging van de Wet personenvervoer voor het
taxivervoer (deregulering taxivervoer), artikel V;
de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, de artikelen 2,
tweede en derde lid, en 13;
de Wet inrichting landelijk gebied, artikel 35, eerste en tweede lid;
de Wet kabelbaaninstallaties, artikelen 31, 32 en 33;
de Wet laden en lossen zeeschepen, de artikelen 7, 8, eerste lid,
onderdelen b en c, en tweede lid, 9, derde lid, 10, 11, eerste lid, 12,
13, 14, eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 24, zevende lid, en –
voorzover aangeduid als strafbare feiten – artikel 24, eerste tot en
met derde lid;
de Wet luchtvaart, de artikelen 4.1, eerste en derde lid, alsmede –
voor zover aangeduid als strafbare feiten – overtredingen van
voorschriften krachtens hoofdstuk 4 van die wet gegeven;
de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen, artikelen 2, 3 en 5,
vierde lid;
de Wet op de loonvorming, artikel 10, vijfde lid;
de Wet op de medische hulpmiddelen, de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, 5,
7, eerste lid, en 9, eerste en derde lid;
de Wet op de ondernemingsraden, de artikelen 26, zesde lid, en 36,
zevende lid;
de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de
artikelen 2 en 5, tweede en vierde lid;
de Wet personenvervoer 2000, de artikelen 5a, eerste en tweede lid, 11,
eerste lid, 19, 30, vierde lid, 39, eerste lid, 43a, derde lid, 51, 85
alsmede – voor zover aangeduid als strafbare feiten – 8, 9, vijfde
lid, 83, 86 en 104, aanhef en onderdelen c en d;
de Wet pleziervaartuigen artikel 17;
de Wet ruimtevaartactiviteiten, artikelen 11, tweede en vierde lid;
de Wet schadefonds olietankschepen, de artikelen 5, eerste lid, en 8;
de Wet scheepsuitrusting, artikel 26;
de Wet inzake spaarbewijzen, de artikelen 3, tweede en derde lid, en 3a,
en - voor zover aangeduid als strafbare feiten - artikel 2;
de Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen, artikel 1;
de Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma, de artikelen 3,
eerste en tweede lid, 6, derde lid, 10, eerste lid, en 11, tweede lid,
alsmede artikel 9 juncto artikel 3, eerste of tweede lid, of 6, derde
lid;
de Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de
Europese Economische Gemeenschap, de artikelen 2 en 3;
de Wet op bijzondere medische verrichtingen, de artikelen 2, 3, 4 en 6a;
de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige
levensmiddelen, de artikelen 3 juncto 8, eerste lid, 4, 5, 7, 9, tweede
en vierde lid, 11 en 12;
de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal, de artikelen 3, 4,
eerste en derde lid, 5, 7, eerste, tweede en vierde lid, 8, 9, eerste
lid, 10, vierde lid, 12, eerste lid en 20;
de Wet vervoer over zee, de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste
en derde lid, 4, eerste, tweede en vierde lid, 7, 9, 10, derde lid, 12,
eerste lid, 15, 17, 18, eerste lid, 20, eerste lid, 23, 25, 30 en 31;
de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, artikel 2, onder c;
de Wet voorraadvorming aardolieproducten, de artikelen 3, eerste lid, 5,
derde lid, laatste volzin, en vierde lid, 8, derde lid, 10, derde lid,
13, eerste, tweede en vierde lid, 14, eerste lid, tweede volzin, en 27;
de Wet wegvervoer goederen, de artikelen 2.3, eerste, derde, vijfde en
zesde lid, 2.5, 2.6, 2.7 en 2.13 alsmede – voor zover aangeduid als
strafbare feiten – artikel 2.3, vierde lid;
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 65, tweede lid;
de Wet van 28 juni 1989, Stb. 245, tot uitvoering van de Verordening nr.
2137/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot
instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (PbEG L
199/1), artikel 3, vierde lid;
de Wet van 19 december 1991, Stb. 710, tot aanpassing van de wetgeving
aan de twaalfde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen
inzake het vennootschapsrecht, artikel IV, eerste en tweede lid, eerste
en tweede volzin;
het Burgerlijk Wetboek, Boek 2 (Rechtspersonen), – voor zover van
toepassing of van overeenkomstige toepassing op stichtingen en
verenigingen als bedoeld in artikel 360, derde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen,
naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid, Europese naamloze vennootschappen, Europese
economische samenwerkingsverbanden, Europese coöperatieve
vennootschappen of formeel buitenlandse vennootschappen als bedoeld in
de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen – de artikelen 19,
vijfde lid, tweede volzin, 56, tweede lid, 61, onder b en d, 63b, 75,
76a, tweede lid, 85, 91a, 94b, vierde lid, 94c, vijfde lid, 96, derde en
vierde lid, 96a, zevende lid, tweede volzin, 105, vierde lid, laatste
zin, 120, vierde lid, 153, 154, derde lid, 186, 194, 204b, vierde lid,
204c, vijfde lid, 230, vierde lid, 263, 264, derde lid, 359b, vijfde
lid, 362, zesde lid, laatste zin, 393, eerste lid, 394, derde lid, 395,
451, tweede lid, 452, vierde lid en 455, tweede lid;
Boek 3 (Vermogensrecht) van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15d, eerste
en tweede lid, en artikel 15e, eerste en tweede lid;
de Winkeltijdenwet, de artikelen 2, 3, vijfde lid, 4, derde lid, 5,
derde lid, 6, tweede lid, 7, derde lid, en 8, tweede lid;
de Wijzigingswet 1988 Warenwet, artikel II, tweede en vijfde lid;
de Zeevaartbemanningswet, artikelen 56, 57, 58, 59 en 60;
5°. de delicten, genoemd in de artikelen 26, 33 en 34.
Artikel 1a
Economische delicten zijn eveneens:
1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Flora- en faunawet, artikel 13, eerste lid;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 81b, 81c, 81d,
81m, 81n en 81o;
de Kernenergiewet, de artikelen 15, 21, 21a, 21e, eerste lid, 29, eerste
lid, 31, 32, eerste lid, 34, eerste, vijfde en zesde lid, 37b, 38a, 46,
eerste lid, 47, eerste lid, 49b, eerste lid, 49d, 75, tweede lid, en
76a;
de Meststoffenwet, de artikelen 7, 14, eerste lid, 19, 20, eerste lid,
21, 22, derde lid, en 26, zesde lid;
de Waterwet, de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, eerste en tweede lid,
6.7, 6.8, 6.10, eerste lid, 6.20, derde lid, tenzij de desbetreffende
vergunning uitsluitend berust op een verordening van een waterschap, en
10.1;
de Wet bestrijding ongevallen Noordzee, de artikelen 4, eerste, tweede,
derde en vierde lid, en 15;
de Wet bodembescherming, de artikelen 6 tot en met 13, 38 en 94;
de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: de artikelen 18, 19, 20,
22, eerste lid, 37, vierde, vijfde en zesde lid, 38, derde en vierde
lid, 40, derde lid, 64, vierde, vijfde en zesde lid, 65, derde en vierde
lid, 67, tweede lid, 78, eerste lid, 79, 80, 81, 87, zesde lid, en 118;
de Wet houdende wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962
(landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen): artikel II, derde
en zesde lid, en bijlage;
de Wet inzake de luchtverontreiniging, de artikelen 91, 92, onder a, in
verband met artikel 48, en 92 , onder b;
de Wet luchtvaart, de artikelen 6.51, eerste lid, 6.54, vierde lid,
6.55, eerste lid en 6.58, tweede lid, alsmede - voorzover aangeduid als
strafbare feiten - overtredingen van voorschriften krachtens titel 6.5
van die wet gegeven;
de Wet milieubeheer, artikel 1.2, eerste lid, - voor zover aangeduid als
strafbare feiten - en de artikelen 2.5, 8.1, eerste lid, artikel 8.1,
tweede lid, in verbinding met artikel 8.1, eerste lid, 8.40, eerste lid,
9.2.1.2, 9.2.1.5, 9.2.2.1, 9.2.2.6, 9.3.1, 9.3.3, eerste lid, 9.3a.3,
eerste lid, 10.1, 10.2, eerste lid, 10.37, eerste lid, 10.39, eerste
lid, 10.45, eerste lid, onderdeel b, 10.47, eerste lid, 10.54, eerste
lid, 10.56, eerste en tweede lid, 10.57, 10.60, eerste, tweede, derde en
vierde lid, 16.5, eerste lid, 16.5, eerste lid, in verbinding met
artikel 16.5, tweede lid, 16.12, derde lid, 16.12, derde lid, in
verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.13, 16.13 in verbinding met
artikel 16.39h, 16.13 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid,
16.14, 16.14 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.21, 16.21
in verbinding met artikel 16.39h, 16.21 in verbinding met artikel 16.49,
tweede lid, 16.39c, 16.39d, 16.39e, 16.39f, 16.39g, 16.39i, eerste lid,
16.49, eerste lid, 17.4 eerste lid, 17.12, eerste lid, 17.13, eerste
lid, 17.19, vijfde lid 17.5b, 17.5c, tweede lid, en 17.5d in verbinding
met 17.5b en 17.5c, tweede lid, en 18.18;
de Wet rampen en zware ongevallen, – voor zover aangeduid als
strafbare feiten – de artikelen 10a, eerste en derde lid, en 11b,
tweede en derde lid;
de Wet van 2 juli 1992, Stb. 415, tot uitbreiding en wijziging van de
Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende
wijzigingen van andere wetten (milieubeleidsplanning en
milieukwaliteitseisen; provinciale milieuverordening, totstandkoming
algemene maatregelen van bestuur), artikel XIX, voor zover het betreft
provinciale verordeningen, vastgesteld krachtens artikel 36 of artikel
41 van de Wet bodembescherming;
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de artikelen 4, 5, 10, 11, 21, 24,
27, 29, 31 en 33;
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de artikelen 5, eerste
lid, 12, eerste lid, tweede lid, onderdelen a en b, vierde, zesde,
zevende en achtste lid, 12b, eerste lid, 12c, eerste lid, en 12e, eerste
lid, 13, 13a, eerste, tweede, derde en vierde lid, 23, eerste, tweede en
vierde lid, 35, derde lid, 35a, derde lid en 36a, eerste lid;
2°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Bestrijdingsmiddelenwet 1962: artikel 16g, zesde lid;
de Boswet, de artikelen 2, derde lid, 3, eerste en tweede lid, en 13,
eerste lid;
de Crisis- en herstelwet, artikel 2.16;
de Flora- en faunawet, de artikelen 8, 9, 11, 12, 12a, 14, eerste,
tweede en derde lid, 15, eerste en tweede lid, 15a, 15b, 17, 18, eerste
lid, 26, derde en vijfde lid, 47 en 73;
de Kernenergiewet, de artikelen 14, 22, eerste lid, 26, tweede lid, 28,
33, eerste lid, 37, eerste lid, 39, 67, eerste en vierde lid, 68 en 76,
derde lid;
de Natuurbeschermingswet 1998, de artikelen 16, 17, vierde lid, 19c,
vierde lid, 19d, eerste lid, 19ke, vijfde lid, 19ia, eerste lid, in
samenhang met 16, 19ia, derde lid, in samenhang met 19c, vierde lid, en
19kc, eerste lid, 19l, eerste lid, 20, derde lid, 21, tweede lid, 22,
tweede lid, en 66;
de Ontgrondingenwet, de artikelen 3, eerste en tweede lid, 7 en 12,
eerste en tweede lid;
de Waterwet, artikel 6.9;
de Wet bescherming Antarctica, de artikelen 3, eerste lid, 5, 6, eerste
en tweede lid, 8, 25, eerste en tweede lid, 29 en 30;
de Wet bodembescherming, de artikelen 20, 27, 28, 29, 30, tweede, derde
en vierde lid, 31, 32, tweede lid, tweede volzin, 39, eerste, tweede en
vierde lid, 39a, 39b, derde lid, vierde lid, eerste volzin, en vijfde
lid, eerste volzin, 39c, eerste en derde lid, 39d, eerste en vijfde lid,
39e, 43, eerste, derde en vierde lid, 45, vierde lid, 49 juncto 30,
tweede, derde en vierde lid, 55b, eerste lid, 63e, derde lid, tweede
volzin, 63i, vijfde lid, tweede volzin, 63j, tweede lid, 70 en 72;
de Wet milieubeheer, de artikelen 8.14, eerste lid, 8.36f, eerste lid,
8.20, tweede lid, 8.41, eerste, tweede en derde lid, 8.42, eerste lid,
artikel 8.42a, eerste lid, 9.2.1.3, 9.2.1.4, 9.2.2.2, 9.2.3.1, 9.2.3.2,
9.2.3.4, 9.2.3.5, tweede lid, 9.3.3, tweede en derde lid, 9.3a.3, tweede
en derde lid, 9.4.4 tot en met 9.4.7, 10.15, eerste lid, 10.16, eerste
lid, 10.17, eerste lid, 10.18, 10.20, eerste lid, 10.29, eerste lid,
10.30, eerste lid, 10.32, 10.38, 10.40, eerste en tweede lid, 10.40a,
tweede lid, 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43,
eerste lid, 10.44, eerste en derde lid, 10.45, eerste lid, onderdeel a,
10.46, eerste lid, 10.48, derde lid, 10.51, eerste lid, 10.52, eerste
lid, 10.55, 10.60, vijfde lid, onder a, onder b, in verbinding met
onderdeel a, en onder c, 11.2, eerste, derde en vierde lid, 11.3, aanhef
en onderdeel b, 12.20, eerste en tweede lid, 12.20a, eerste lid, in
verbinding met 12.20, eerste lid, 12.29, aanhef en onder a tot en met c,
12.30, 15.32, eerste en tweede lid, 17.1, 17.2, 17.11, 17.12, tweede
lid, en 17.13, tweede en zesde lid, 17.5a, eerste lid, en 17.5d, in
verbinding met 17.5a, eerste lid;
de Wet ruimtelijke ordening, de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.3 –
voor zover aangeduid als strafbare feiten – alsmede de artikelen 3.7,
derde en vierde lid, 3.17, tweede lid, 3.22, vierde lid, 3.26, eerste en
tweede lid, juncto de artikelen 3.1, 3.3 of 3.7, artikel 3.28, eerste en
tweede lid, juncto de artikelen 3.1, 3.3 of 3.7, 3.38, 4.1, derde lid,
– voor zover aangeduid als strafbare feiten – , 4.1, vijfde lid,
juncto artikel 3.7, derde en vierde lid, of artikel 3.17, tweede lid,
4.3, derde lid, – voor zover aangeduid als strafbare feiten – , 4.3,
vierde lid, juncto artikel 3.7, derde en vierde lid, of artikel 3.17,
tweede lid, 6.12, zesde lid, 6.13, tweede lid, onder c en d, en 7.10;
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de artikelen 6, tweede
lid, 10, eerste lid, 11, eerste en tweede lid, 12a, eerste tot en met
vierde lid, 12d, eerste lid, en 12e, tweede lid;
de Woningwet, de artikelen 1a, 1b, 7b, 14a, 16, 40, 45, zevende lid, 60,
103 en 120, tweede lid;
3°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
de Flora- en faunawet, de artikelen 10, 16, 37, eerste en tweede lid,
38, eerste lid, 50, eerste, tweede en derde lid, 51, 52, 53, 54, eerste
lid, 58, 59, tweede lid, 60, vijfde lid, 62, eerste lid, 63, eerste lid,
64, tweede lid, 67, zesde lid, 72, vijfde lid, 74, eerste lid, 74a,
eerste lid, 79, tweede lid, 81, eerste lid, en 111, eerste lid;
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 81f, 81g en
81h;
de Kernenergiewet, de artikelen 36, eerste lid, en - voor zover
aangeduid als strafbare feiten - 73;
de Meststoffenwet, de artikelen 4, 5, 6, 9, tweede lid, 11, vijfde lid,
13, derde lid, 15, 16, 34, 35 36, 37, 38, derde lid, en 40;
de Waterwet, artikel 6.24, tweede lid, tenzij de desbetreffende
vergunning uitsluitend berust op een verordening van een waterschap;
de Wet bescherming Antarctica, de artikelen 19, tweede lid, en 33;
de Wet geluidhinder, de artikelen 2, 3, 8, 9, 10, 170, tweede lid, en
175;
de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: de artikelen 22, tweede
lid, 36, derde lid, 71, eerste lid, 72, eerste tot en met derde lid, 75,
76, eerste lid, 78, tweede lid, en 115;
de Wet inzake de luchtverontreiniging, de artikelen 92, onder a, in
verband met de artikelen 13, 14 en 86, tweede lid, 92, onder c, en 92,
onder d;
de Wet luchtvaart, de artikelen 6.60, eerste lid, 6.61, tweede lid,
6.61a, en 6.62, tweede lid;
de Wet milieubeheer, de artikelen 10.23 – voor zover aangeduid als
strafbare feiten – , 10.60, zesde lid, onder a en onder b, in
verbinding met onderdeel a, en zevende lid, onder a, onder b, in
verbinding met onderdeel a, en onder c en artikel 12.14, eerste en
tweede lid;
de Wet van 13 mei 1993, Stb. 283, tot uitbreiding en wijziging van de
Wet milieubeheer (afvalstoffen), artikel VII, voor zover het betreft
gemeentelijke verordeningen, vastgesteld krachtens artikel 2 van de
Afvalstoffenwet;
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen: de artikelen 47 en 48, tweede lid;
de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, artikel 12, tweede lid,
onderdeel c.
Artikel 2
1.De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en
artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij
opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen
misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.
2.In afwijking van het eerste lid zijn overtredingen van voorschriften,
gesteld krachtens artikel 15, tweede lid, van de Distributiewet,
overtredingen, terwijl overtredingen van andere voorschriften, gesteld
krachtens de Distributiewet, overtredingen zijn, voor zover deze wet in
werking is getreden op grond van artikel 2 van de Wet uitvoering
Internationaal Energieprogramma.
3.De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn
misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende
voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt.
4.De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 4°, en artikel
1a, onder 3°, zijn overtredingen.
5.De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 5°, zijn
misdrijven.
Artikel 3
Deelneming aan een binnen het Rijk in Europa gepleegd economisch delict
is strafbaar ook indien de deelnemer zich buiten het Rijk aan het feit
heeft schuldig gemaakt.
Artikel 4
Waar in deze wet in het algemeen of in het bijzonder wordt gesproken van
een economisch delict, dat een misdrijf oplevert, wordt medeplichtigheid
aan en poging tot zodanig delict daaronder begrepen, voor zover niet uit
enige bepaling het tegendeel volgt.
Titel II. Van de straffen en maatregelen
Artikel 5
Tenzij bij de wet anders is bepaald, kunnen ter zake van economische
delicten geen andere voorzieningen met de strekking van straf of
tuchtmaatregel worden getroffen dan de straffen en maatregelen,
overeenkomstig deze wet op te leggen.
Artikel 6
1.Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1°. in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch
delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°,
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete
van de vijfde categorie;
2°. in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie;
3°. in geval van overtreding, voor zover het betreft een economisch
delict bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met
hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of geldboete van de vierde
categorie;
4°. in geval van een andere overtreding, met hechtenis van ten hoogste
zes maanden, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.
Indien de waarde der goederen, waarmede of met betrekking tot welke het
economisch delict is begaan, of die geheel of gedeeltelijk door middel
van het economisch delict zijn verkregen, hoger is dan het vierde
gedeelte van het maximum der geldboete welke in de gevallen onder 1°
tot en met 4° kan worden opgelegd, kan, onverminderd het bepaalde in
artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht, een geldboete
worden opgelegd van de naast hogere categorie.
2.Bovendien kunnen de bijkomende straffen, vermeld in artikel 7, en de
maatregelen, vermeld in artikel 8, worden opgelegd, onverminderd de
oplegging, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, van de
maatregelen, elders in wettelijke bepalingen voorzien.
3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt hij,
die een voorschrift, gesteld krachtens artikel 15, tweede lid, van de
Distributiewet, overtreedt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee
maanden of geldboete van de eerste categorie.
4.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt hij die een
voorschrift overtreedt, gesteld bij of krachtens de artikelen 2 en 3,
eerste lid, van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, dan wel de
artikelen 2, eerste en derde lid, 3 en 4 van de Uitvoeringswet verdrag
biologische wapens, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht
jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het feit opzettelijk
is begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van
het Wetboek van Strafrecht, dan wel met het oogmerk om een terroristisch
misdrijf als bedoeld in artikel 83 van dat wetboek voor te bereiden of
gemakkelijk te maken.
Artikel 7
De bijkomende straffen zijn:
a. ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 28, eerste lid, onder
1°, 2°, 4° en 5° van het Wetboek van Strafrecht, voor een tijd, de
duur der vrijheidsstraf ten minste zes maanden en ten hoogste zes jaren
te boven gaande, of, in geval van veroordeling tot geldboete als enige
hoofdstraf, voor een tijd van ten minste zes maanden en ten hoogste zes
jaren;
b. [vervallen;]
c. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de
veroordeelde, waarin het economische delict is begaan, voor een tijd van
ten hoogste een jaar;
d. verbeurdverklaring van de voorwerpen, genoemd in artikel 33a van het
Wetboek van Strafrecht;
e. verbeurdverklaring van voorwerpen, behorende tot de onderneming van
de veroordeelde, waarin het economische delict is begaan, voor zover zij
soortgelijk zijn aan en met betrekking tot het delict verband houden met
die, genoemd in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht;
f. gehele of gedeeltelijke ontzetting van bepaalde rechten of gehele of
gedeeltelijke ontzegging van bepaalde voordelen, welke rechten of
voordelen de veroordeelde in verband met zijn onderneming van
overheidswege zijn of zouden kunnen worden toegekend, voor een tijd van
ten hoogste twee jaren;
g. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 8
Maatregelen zijn:
a. de maatregelen voorzien in Titel IIA van het Eerste Boek van het
Wetboek van Strafrecht;
b. onderbewindstelling van de onderneming van de veroordeelde, waarin
het economisch delict is begaan, in geval van misdrijf voor een tijd van
ten hoogste drie jaren en in geval van overtreding voor een tijd van ten
hoogste twee jaren;
c. het opleggen van de verplichting tot verrichting van hetgeen
wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk
is verricht en verrichting van prestaties tot het goedmaken van een en
ander, alles op kosten van de veroordeelde, voor zover de rechter niet
anders bepaalt.
Artikel 9
De maatregelen vermeld in artikel 8, onder b en c, kunnen te zamen met
straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.
Artikel 10
1.Bij de uitspraak, waarbij een bijkomende straf of een maatregel, als
vermeld in artikel 8, wordt opgelegd, worden, voor zoveel nodig, alle
bijzonderheden en gevolgen naar behoefte geregeld, daaronder begrepen
bij onderbewindstelling de benoeming van een of meer bewindvoerders. Bij
oplegging van een bijkomende straf als vermeld in artikel 7, onder c,
kan bovendien worden bevolen, dat de veroordeelde
hem van overheidswege ten behoeve van zijn onderneming verstrekte
bescheiden inlevert;
in zijn onderneming aanwezige voorraden onder toezicht verkoopt;
en zijn medewerking verleent bij inventarisatie van die voorraden.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van
Strafvordering kan de rechter die de bijkomende straf of maatregel heeft
opgelegd, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie of
op verzoek van de veroordeelde bij latere beslissing alsnog een regeling
geven als vorenbedoeld, dan wel in de reeds gegeven regeling wijziging
brengen of terzake een aanvullende regeling geven. De behandeling van de
zaak vindt plaats met gesloten deuren; de uitspraak geschiedt in het
openbaar. De beslissing is met redenen omkleed; zij is niet aan enig
rechtsmiddel onderworpen.
3.Wij behouden Ons voor, nadere voorschriften te geven ter uitvoering
van dit artikel.
Artikel 11
1.Voor zover de rechter niet anders bepaalt, heeft een bewindvoerder,
krachtens het voorgaande artikel of artikel 29 benoemd, dezelfde rechten
en verplichtingen als de bewindvoerder, bedoeld in artikel 409 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, en kan zonder zijn machtiging geen ander
persoon enige daad van beheer in de onderneming verrichten.
2.De beschikking tot onderbewindstelling wordt door de griffier van het
gerecht in feitelijke aanleg, dat de beschikking heeft gegeven, openbaar
gemaakt in de
Nederlandse Staatscourant en in één of meer door de
rechter aan te wijzen nieuwsbladen. De beschikking tot
onderbewindstelling wordt in het handelsregister ingeschreven met
toepassing van het krachtens de Handelsregisterwet 2007 bepaalde.
Artikel 12 [Vervallen per 01-05-1983]
Artikel 13
1.Het recht tot uitvoering van verbeurdverklaring vervalt niet door de
dood van de veroordeelde.
2.De in artikel 8 onder b vermelde maatregel vervalt door de dood van de
veroordeelde.
Artikel 14
De tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van kosten,
andere dan die van openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak,
geschiedt op de wijze van de tenuitvoerlegging ener veroordeling tot
geldboete, met dien verstande, dat geen vervangende vrijheidsstraf wordt
toegepast.
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 16
1.Indien aannemelijk is dat iemand die, alvorens in zijn zaak een
onherroepelijke uitspraak is gedaan, is overleden, zich heeft schuldig
gemaakt aan een economisch delict, kan de rechter bij beschikking op de
vordering van het openbaar ministerie:
a. de verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen
uitspreken; artikel 10 vindt overeenkomstige toepassing;
b. ten laste van de boedel van de overledene de in artikel 8, onder c
vermelde maatregel opleggen.
2.De beschikking wordt door de griffier openbaar gemaakt in de
Nederlandse Staatscourant en in een of meer door de rechter aan te
wijzen nieuwsbladen, terwijl bovendien een afschrift van de beschikking
aan het sterfhuis wordt betekend.
3.Elke belanghebbende kan binnen drie maanden na de in het vorige lid
bedoelde openbaarmaking of betekening een bezwaarschrift ter griffie
indienen.
4.De officier van justitie wordt gehoord; de belanghebbende wordt
gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.
5.De rechter geeft een met redenen omklede beslissing; deze is niet aan
enig rechtsmiddel onderworpen.
6.Het in het eerste lid, in de aanhef en onder a, in het derde, het
vierde en in het vijfde lid, bepaalde geldt mede, indien aannemelijk is,
dat een onbekende zich schuldig heeft gemaakt aan een economisch delict.
De beschikking wordt door de griffier openbaar gemaakt in de
Nederlandse Staatscourant en in één of meer door de rechter aan te wijzen
nieuwsbladen.
Titel III. Van de opsporing
Artikel 17
1.Met de opsporing van economische delicten zijn belast:
1°. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren;
2°. de door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze
andere Ministers, wie het aangaat, aangewezen ambtenaren;
3°. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.
2.Alle met de opsporing van economische delicten belaste ambtenaren zijn
tevens belast met de opsporing van de economische delicten, genoemd in
de artikelen 26, 33 en 34.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de
beëdiging van de opsporingsambtenaren, voor zover daarin niet reeds is
voorzien.
4.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder 2°, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 18
1.De opsporingsambtenaren zijn in het belang van de opsporing bevoegd
tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij kunnen
daartoe hun uitlevering vorderen.
2.Voor inbeslagneming van voorwerpen ter verbeurdverklaring uit hoofde
van artikel 7, onder e, behoeven zij evenwel de machtiging van de
officier van justitie.
Artikel 19
1.De opsporingsambtenaren zijn in het belang van de opsporing bevoegd
inzage te vorderen van gegevens en bescheiden, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2.Zij zijn bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
3.Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn
zij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee
te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 20
De opsporingsambtenaren hebben in het belang van de opsporing toegang
tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van
hun taak nodig is.
Artikel 21
1.De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de opsporing
zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te
nemen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
2.Zij zijn bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
3.Zij nemen op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede
monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is
bepaald.
4.Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse
kan geschieden, zijn zij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd
mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.
5.De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.
6.De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis
gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de
monsterneming.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 23
1.De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de opsporing
vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving van de
voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2.Zij zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen
waarmee naar hun redelijk oordeel zaken worden vervoerd op hun lading te
onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften, bedoeld in
de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling
van hun taak nodig is.
3.Zij zijn bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te
vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met het oog op de
naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
4.Zij zijn bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden
van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig
te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem
aangewezen plaats overbrengt, voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taak nodig is.
5.De kosten van overbrenging komen ten laste van de betrokkene, indien
een strafbaar feit wordt vastgesteld.
6.De in dit artikel genoemde bevoegdheden kunnen tevens worden
uitgeoefend jegens personen, die zaken vervoeren.
Artikel 23a
1.Onder de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 18 tot en met
23, worden mede begrepen de ambtenaren, die ingevolge artikel 83 van de
Kernenergiewet, artikel 28, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet,
artikel 30, onder 3°, van de Vogelwet 1936, artikel 8, eerste lid, van
de Wet bedreigde uitheemse diersoorten, artikel 96 van de Wet inzake de
luchtverontreiniging, artikel 11.1 van de Wet luchtvaart of artikel 44
van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zijn belast met de opsporing van
strafbare feiten.
2.Bij de opsporing van overtredingen van voorschriften gesteld bij of
krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of titel 6.5 van de Wet
luchtvaart komen de bevoegdheden, genoemd in artikel 21, slechts toe aan
de krachtens artikel 44 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of
krachtens artikel 11.1 van de Wet luchtvaart aangewezen ambtenaren van
het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en van het militair Korps
controleurs gevaarlijke stoffen.
Artikel 24
1.Onze Minister van Justitie en - na overleg met deze - elk Onzer andere
Ministers, wie het aangaat, zijn bevoegd regelen te stellen omtrent de
wijze, waarop de vordering tot stilhouden, omschreven in artikel 23,
vierde lid, wordt gedaan.
2.Onze Minister van Justitie en elk Onzer andere Ministers, wie het
aangaat, zijn bevoegd te bepalen, dat ter verzekering van de richtige
opsporing van economische delicten op openbare land- en waterwegen
versperringen worden aangebracht.
Artikel 24a
1.Een ieder is verplicht aan de opsporingsambtenaren binnen de door hen
gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van de hen krachtens
deze titel toekomende bevoegdheden.
2.Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht
zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren,
voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
3.De opsporingsambtenaren zijn bevoegd op kosten van de overtreder door
feitelijk handelen op te treden tegen hetgeen in strijd met de in het
eerste lid bedoelde verplichting is of wordt gedaan, gehouden of
nagelaten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Artikel 25
Voor zover daarvan niet in deze wet of de in artikel 1 en artikel 1a
genoemde wetten en besluiten is afgeweken, gelden ten aanzien van de
opsporing van economische delicten de bepalingen van het Wetboek van
Strafvordering.
Artikel 26
Het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens enig
voorschrift van deze wet gedaan door een opsporingsambtenaar, is een
economisch delict.
Artikel 27 [Vervallen per 01-05-2004]
Titel IV. Van voorlopige maatregelen
Artikel 28
1.Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de
belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden
beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, is de officier van
justitie in alle zaken, economische delicten betreffende, met
uitzondering van die, bedoeld in artikel 6, derde lid, bevoegd, zolang
de behandeling ter terechtzitting nog niet is aangevangen, de verdachte
bij deze te betekenen kennisgeving als voorlopige maatregel te bevelen:
a. zich te onthouden van bepaalde handelingen;
b. zorg te dragen, dat in het bevel aangeduide voorwerpen, welke vatbaar
zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard worden ter plaatse, in
het bevel aangegeven.
2.Op de vorengenoemde bevelen is artikel 10, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.De vorengenoemde bevelen verliezen hun kracht door een tijdsverloop
van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht, totdat de rechterlijke
einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven, onherroepelijk is
geworden. Zij kunnen tussentijds door de officier van justitie bij aan
de verdachte te betekenen kennisgeving worden gewijzigd of ingetrokken
of door het gerecht, waarvoor de zaak wordt vervolgd, worden gewijzigd
of opgeheven. Het gerecht kan dit doen ambtshalve, op de voordracht van
de rechter-commissaris, met het gerechtelijk vooronderzoek belast, of op
het verzoek van de verdachte; deze wordt steeds gehoord, althans
behoorlijk opgeroepen, tenzij:
1°. het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig het
verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
2°. nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig verzoek
van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf dagen,
nadat het ter griffie is ingediend.
Artikel 29
1.Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de
belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden
beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, kan het gerecht in alle
zaken, economische delicten betreffende, met uitzondering van die,
bedoeld in artikel 6, derde lid, vóór de behandeling ter
terechtzitting, op de vordering van het openbaar ministerie, op de
voordracht van de rechter-commissaris, met het gerechtelijk
vooronderzoek belast, en, indien de zaak te zijner zitting wordt
behandeld, mede ambtshalve, als voorlopige maatregel bevelen:
a. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de
verdachte, waarin het economische delict wordt vermoed te zijn begaan;
b. onderbewindstelling van de onderneming van de verdachte, waarin het
economische delict wordt vermoed te zijn begaan;
c. gehele of gedeeltelijke ontzetting van bepaalde rechten of gehele of
gedeeltelijke ontzegging van bepaalde voordelen, welke rechten of
voordelen de verdachte in verband met zijn onderneming van overheidswege
zijn of zouden kunnen worden toegekend;
d. dat de verdachte zich onthoude van bepaalde handelingen;
e. dat de verdachte zorg drage, dat in het bevel aangeduide voorwerpen,
welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard worden ter
plaatse, in het bevel aangegeven.
2.Op de vorengenoemde bevelen is artikel 10, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.De vorengenoemde bevelen verliezen hun kracht door een tijdsverloop
van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht totdat de rechterlijke
einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven, onherroepelijk is
geworden. Zij kunnen door het gerecht, waarvoor de zaak wordt vervolgd,
eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd en worden gewijzigd
of opgeheven. Het gerecht kan dit doen ambtshalve, op de voordracht van
de rechter-commissaris, met het gerechtelijk vooronderzoek belast, op de
vordering van het openbaar ministerie en, voor wat betreft wijziging of
opheffing van de bevelen, tevens op het verzoek van de verdachte; deze
wordt steeds gehoord, althans behoorlijk opgeroepen, tenzij:
1°. het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig het
verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
2°. nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig verzoek
van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf dagen,
nadat het ter griffie is ingediend.
Artikel 30
1.Van de in de artikelen 28 en 29 bedoelde rechterlijke bevelen en
beschikkingen kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen en de
verdachte binnen veertien dagen na de betekening in beroep komen bij het
gerechtshof.
2.Het hof beslist zo spoedig mogelijk. De verdachte wordt gehoord,
althans behoorlijk opgeroepen.
Artikel 30a
1.Van de beschikking van het hof kan het openbaar ministerie binnen
veertien dagen en de verdachte binnen veertien dagen na de betekening
beroep in cassatie instellen.
2.De verdachte is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht
binnen een maand na het instellen van dat beroep bij de Hoge Raad der
Nederlanden door een advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende
zijn middelen van cassatie.
3.Artikel 57 is van overeenkomstige toepassing.
4.De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 31
De in de artikelen 28, 29, 30 en 30a bedoelde bevelen en beschikkingen
zijn dadelijk uitvoerbaar. Zij worden onverwijld aan de verdachte
betekend.
Artikel 32
1.Indien de zaak eindigt hetzij zonder oplegging van straf of maatregel,
hetzij met oplegging van een zodanige straf of maatregel, dat de
opgelegde voorlopige maatregel als onevenredig hard moet worden
beschouwd, kan het gerecht, op verzoek van de gewezen verdachte of van
zijn erfgenamen, hem of zijn erfgenamen een geldelijke tegemoetkoming
ten laste van de Staat toekennen voor de schade, welke hij ten gevolge
van de opgelegde voorlopige maatregel werkelijk heeft geleden. Tot deze
toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak
tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd
vervolgd.
2.De artikelen 89, derde en vierde lid, 90-91 en 93 van het Wetboek van
Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
3.Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek of na de
instelling van hoger beroep overleden is, geschiedt de toekenning ten
behoeve van zijn erfgenamen.
Artikel 32a
Waar in deze titel de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen van
personen, is artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Titel V. Van handelingen in strijd met straffen en maatregelen
Artikel 33
Het opzettelijk handelen of nalaten in strijd met een bijkomende straf,
als bedoeld in artikel 7, onder a, c of f, een maatregel, als vermeld in
artikel 8, een regeling, als bedoeld in artikel 10, of een voorlopige
maatregel, of het ontduiken van zodanige bijkomende straf, maatregel,
regeling of voorlopige maatregel is een economisch delict.
Artikel 34
Het opzettelijk, al dan niet door middel van een ander, onttrekken van
vermogensbestanddelen aan verhaal of tenuitvoerlegging van een krachtens
deze wet opgelegde straf, maatregel of voorlopige maatregel is een
economisch delict.
Artikel 35
1.Rechtshandelingen in strijd met het bepaalde in de artikelen 33 en 34
zijn nietig.
2.Op de nietigheid kan geen beroep worden gedaan ten nadele van hem, die
van de oplegging van de straf, de maatregel of de voorlopige maatregel
onkundig was, tenzij hij ernstige reden had het bestaan er van te
vermoeden.
3.Ten aanzien van de echtgenoot of geregistreerde partner, de bloed- of
aanverwanten tot in de derde graad en de personen in dienst van degene,
te wiens laste de straf, de maatregel of de voorlopige maatregel is
uitgesproken, wordt aangenomen, dat zij ernstige reden hebben gehad de
oplegging van de straf, de maatregel of de voorlopige maatregel te
vermoeden, behoudens tegenbewijs.
Titel VI. Van de afdoening buiten geding
Artikel 36
1.Bij toepassing van artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering kan
tevens de aanwijzing worden gegeven dat wordt verricht hetgeen
wederrechtelijk is nagelaten, tenietgedaan hetgeen wederrechtelijk is
verricht en dat prestaties tot het goedmaken van een en ander worden
verricht, alles op kosten van de verdachte, voor zover niet anders wordt
bepaald.
2.Indien de verdachte een rechtspersoon is, behoeft deze, in afwijking
van artikel 257c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering,
slechts onder bijstand van een raadsman te worden gehoord als de
strafbeschikking betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en
schadevergoedingsmaatregel bevat welke afzonderlijk of gezamenlijk meer
belopen dan € 10 000.
Artikel 37
1.Wij behouden Ons voor, op de voordracht van Onze Minister van
Justitie, gedaan na overleg met Onze andere Ministers, wie het aangaat,
aan door Ons bijzonderlijk hiertoe aangewezen lichamen of personen, met
een publieke taak belast, binnen door Ons te stellen grenzen tot
wederopzeggens toe de bevoegdheid te verlenen, die bij artikel 74 van
het Wetboek van Strafrecht aan de officier van justitie is toegekend.
2.De personen en lichamen, bekleed met de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, maken hiervan gebruik onder toezicht van en volgens
richtlijnen, te geven door het openbaar ministerie.
Titel VII. Van de bevoegdheid en de samenstelling der
arrondissements-rechtbanken
Artikel 38
De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij
uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden
behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank,
bedoeld in artikel 52 van Wet op de rechterlijke organisatie.
Artikel 39
1.De economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de
Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen ook zaken
betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien
de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die
strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische
delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of
meer van die economische delicten.
2.Berechting door een andere dan de economische kamer is mogelijk indien
economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare
feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is
kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen
met een of meer van die andere strafbare feiten.
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 41 [Vervallen per 31-01-1958]
Artikel 42 [Vervallen per 31-01-1958]
Artikel 43
De economische kamers kunnen ook zitting houden buiten de plaats, waar
de zetel van de rechtbank gevestigd is.
Artikel 44 [Vervallen per 18-07-1983]
Artikel 45
De bepalingen van deze titel brengen geen wijziging in de bevoegdheden
van de kinderrechter, behoudens het bepaalde in artikel 38.
Titel VIII. Van de berechting in eerste aanleg
Artikel 46
De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
Artikel 47
In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek
van Strafvordering kan voor de dagvaarding betreffende een economisch
delict worden volstaan met een korte aanduiding van het feit, dat te
laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter
plaatse het begaan zou zijn.
Artikel 48
1.Op het rechtgeding voor de economische politierechter zijn de
artikelen 367 tot en met 381, alsmede 398, onder 2°, van het Wetboek
van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat:
1°. in afwijking van artikel 376, eerste lid, indien de dagvaarding
enkel inhoudt een korte aanduiding en vermelding als bedoeld in het
vorige artikel, de officier van justitie ter terechtzitting bij de
aanvang van het onderzoek mondeling of, na voorlezing, schriftelijk
nadere opgave van het feit kan doen en alsdan tot die nadere opgave
verplicht is, indien naar het oordeel van de rechter de verdachte door
die enkele aanduiding en vermelding in zijn verdediging benadeeld zou
worden;
2°. schorsing van het onderzoek eveneens geschiedt, indien de officier
van justitie uitstel verzoekt voor het doen van nadere opgave van het
feit.
2.Het bepaalde in het eerste lid, onder 1°-2°, vindt overeenkomstige
toepassing, indien bij dagvaarding voor de meervoudige kamer is volstaan
met een korte aanduiding en vermelding als bedoeld in artikel 47.
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1976]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1976]
Titel IX. Van het hoger beroep
Artikel 51 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 52
De economische kamers van de gerechtshoven, bedoeld in artikel 64 van de
Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen uitsluitend
zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is
gewezen.
Artikel 53
1.In zaken betreffende economische delicten treedt als raadkamer een
economische kamer op.
2.De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
Artikel 54
De economische kamers kunnen ook zitting houden buiten de plaats, waar
de zetel van het hof gevestigd is.
Artikel 55 [Vervallen per 01-10-2000]
Titel X
Artikel 56 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 57 [Vervallen per 01-10-2000]
Titel XI. Van de contactambtenaren
Artikel 58
In overleg met Onze Minister van Justitie kunnen lichamen met een
publieke taak belast, hiertoe bevoegd verklaard door een Onzer andere
Ministers, wie het aangaat, ten dienste van de opsporing, vervolging en
berechting van economische delicten ambtenaren benoemen, die het contact
onderhouden met het openbaar ministerie.
Titel XII. Overgangsbepalingen
Artikel 59
Van de ambtenaren van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst zijn
degenen, die daartoe door Onze Minister van Justitie zijn aangewezen,
hulpofficier van justitie ten aanzien van het voorbereidende onderzoek
naar de overtredingen der voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet
financiële betrekkingen buitenland 1994.
Artikel 60
1.Het Besluit berechting economische delicten (Staatsblad No. E 135)
wordt ingetrokken.
2.Zaken, betreffende overtredingen van de voorschriften, genoemd in
artikel 1, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een
kantonrechter, een arrondissements-rechtbank, een gerechtshof of de Hoge
Raad der Nederlanden aanhangig, worden, onverminderd artikel 1, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht en het vierde lid van dit artikel,
afgedaan volgens de tot op dat tijdstip geldende regelen.
3.Zaken, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een
tuchtrechter voor de prijzen aanhangig, worden bij de
arrondissements-rechtbank opnieuw aanhangig gemaakt. Is echter de
behandeling door de tuchtrechter zover gevorderd, dat nog slechts een
einduitspraak behoeft te worden gedaan, dan doet de tuchtrechter
uitspraak met inachtneming van de regelen, geldende tot evengenoemd
tijdstip.
4.Voor zover zaken betreffende overtredingen van voorschriften, genoemd
in artikel 1, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet
in hoger beroep aanhangig zijn, geschiedt behandeling in hoger beroep
bij uitsluiting door het gerechtshof binnen welks rechtsgebied de
rechter bevoegd was, die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
5.Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van uitspraken van
tuchtrechters voor de prijzen treedt in de plaats van de tuchtrechter
voor de prijzen het openbaar ministerie bij de rechtbank van het
arrondissement, waarin de tuchtrechter bevoegd was.
6.De ingevolge het Besluit berechting economische delicten opgelegde
bijkomende straffen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, II, onder a en b,
van dit besluit, worden geacht te zijn bijkomende straffen, als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, onderscheidenlijk onder c en a van deze wet;
zij worden geacht te zijn opgelegd krachtens deze wet.
Artikel 61 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 62
1.Het Besluit voorlopige tuchtmaatregelen voedselvoorziening
(Staatsblad, No. F 284) wordt ingetrokken.
2.De voorlopige tuchtmaatregelen, op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet van kracht, worden gehandhaafd. Het bepaalde in de Titels
IV en V is op deze maatregelen van toepassing, met dien verstande, dat:
a. voorlopige tuchtmaatregelen, bevolen door een ambtenaar voor de
tuchtrechtspraak, worden geacht te zijn bevolen door de officier van
justitie bij de rechtbank van het arrondissement, waarin de ambtenaar
voor de tuchtrechtspraak bevoegd was;
b. voorlopige tuchtmaatregelen, bevolen door een tuchtrechter voor de
voedselvoorziening, worden geacht te zijn bevolen door de rechtbank van
het arrondissement, waarin de tuchtrechter bevoegd was;
c. voorlopige tuchtmaatregelen, bevolen door het Centraal College voor
de Tuchtrechtspraak, worden geacht te zijn bevolen door het gerechtshof
binnen welks rechtsgebied de tuchtrechter bevoegd was, die in eerste
aanleg uitspraak heeft gedaan.
Artikel 63
1.De wet van 24 Mei 1947, tot opneming van de mogelijkheid van
voorlopige maatregelen ter zake van overtreding van prijsvoorschriften
(Staatsblad No. H 156) wordt ingetrokken.
2.De voorlopige maatregelen, op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet van kracht, worden, gedurende hoogstens zes maanden nadat zij
zijn genomen, gehandhaafd. Het bepaalde in de Titels IV en V is
overigens op deze maatregelen van toepassing.
Titel XIII. Slotbepalingen
Artikel 64
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 65
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 66
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 67
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 68
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 69
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 70
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 71
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 72
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 73
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 74
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 75
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 76
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 77
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 78
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 79
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 80
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 81
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 82
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 83
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 84
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 85
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 86
[Bevat wijziging in andere regelgeving]
Artikel 87
1.Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen
tijdstip, dat voor onderscheidene groepen van economische delicten en
voor onderscheidene voorschriften verschillend kan zijn.
2.Zij kan worden aangehaald als: Wet op de economische delicten.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 22 Juni 1950
JULIANA
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
De Minister van Economische Zaken,
Van den Brink
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
J. in 't Veld
De Minister van Sociale Zaken.
A.M. Joekes
Uitgegeven de zevende Juli 1950
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
|