Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 23 januari 1997 tot uitvoering
van Richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad van de Europese Unie van 22
september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of
van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire
dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (Wet op de
Europese ondernemingsraden)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
uitvoering te geven aan de Richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad van de
Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling van een
Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of
concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging
van de werknemers;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. betrokken staat: een lid-staat van de Europese Unie of een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte;
b. richtlijn: de richtlijn nr. 2009/38/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake de
instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure
in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter
informatie en raadpleging van de werknemers (PbEU 2009, L 122);
c. een communautaire onderneming: een onderneming, die sinds
twee jaar in ten minste twee betrokken staten elk gemiddeld ten
minste 150 werknemers en in de betrokken staten samen gemiddeld
ten minste 1000 werknemers heeft, tenzij zij behoort tot een
communautaire groep;
d. een communautaire groep: het geheel van ondernemingen
bestaande uit een moederonderneming als bedoeld in artikel 2 en de
onderneming of ondernemingen waarover zij de zeggenschap uitoefent
en waarvan:
1°. ten minste twee ondernemingen in verschillende
betrokken staten zijn gevestigd en
2°. sinds twee jaar ten minste een onderneming gemiddeld
ten minste 150 werknemers in een betrokken staat en een andere
onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een andere
betrokken staat heeft en
3°. alle ondernemingen tezamen sinds twee jaar gemiddeld
ten minste 1000 werknemers in de betrokken staten hebben;
e. grensoverschrijdende aangelegenheden: aangelegenheden die
voor de gehele communautaire onderneming of voor de gehele
communautaire groep van belang zijn, of voor ten minste twee
ondernemingen of vestigingen van een communautaire onderneming of
een communautaire groep in twee verschillende betrokken staten;
f. hoofdbestuur: in het geval van een communautaire
onderneming: het bestuur van deze onderneming; in het geval van
een communautaire groep: het bestuur van de moederonderneming,
bedoeld in artikel 2;
g. informatieverstrekking: het verstrekken van gegevens over
grensoverschrijdende aangelegenheden door het hoofdbestuur of een
ander passender bestuursniveau aan werknemersvertegenwoordigers,
op een zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige
inhoud dat werknemersvertegenwoordigers zich een grondig oordeel
kunnen vormen over de gevolgen en, desgewenst, raadpleging met het
hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau kunnen
voorbereiden;
h. raadpleging: het instellen van een dialoog en de
uitwisseling van standpunten over voorgestelde maatregelen tussen
het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau en
werknemersvertegenwoordigers, op een zodanig tijdstip, op een
zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat
werknemersvertegenwoordigers in staat zijn op basis van de
verstrekte informatie over voorgestelde maatregelen ten aanzien
van grensoverschrijdende aangelegenheden waarmee de raadpleging
verband houdt, binnen een redelijke termijn advies uit te brengen,
waarmee rekening kan worden gehouden bij het nemen van het
besluit.
2. Indien een communautaire onderneming haar woonplaats of zetel
buiten de betrokken staten heeft, wordt als hoofdbestuur aangemerkt:
a. een daartoe door de communautaire onderneming aangewezen
persoon, belast met de feitelijke leiding van een van haar
vestigingen binnen een betrokken staat, dan wel, bij gebreke van
zodanige aanwijzing:
b. degene of degenen die zijn belast met de feitelijke leiding
van de vestiging die het grootste aantal werknemers heeft in één
betrokken staat.
3. Indien de moederonderneming, bedoeld in artikel 2, haar
woonplaats of zetel buiten de betrokken staten heeft, kan zij als haar
vertegenwoordiger aanwijzen het bestuur van een groepsonderneming met
woonplaats of zetel binnen de betrokken staten. Bij gebreke van zulk
een aanwijzing wordt het bestuur van de groepsonderneming met
woonplaats of zetel binnen de betrokken staten die het grootste aantal
werknemers heeft in één betrokken staat, als zodanig aangemerkt.
4. Handelen of nalaten door het hoofdbestuur, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel e onderscheidenlijk het derde lid, wordt toegerekend
aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die de communautaire
onderneming of de moederonderneming onderscheidenlijk de in het derde
lid bedoelde groepsonderneming in stand houdt.
Artikel 2
1. In deze wet wordt onder moederonderneming verstaan: de
onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect een
overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming en
die zelf geen onderneming is waarover door een andere onderneming
direct of indirect een overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend.
Een onderneming wordt, tenzij het tegendeel blijkt, vermoed
moederonderneming te zijn, indien zij:
a. meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van
het leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere
onderneming kan benoemen, of
b. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene
vergadering van de andere onderneming kan uitoefenen of
c. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere
onderneming verschaft.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder de rechten
van de moederonderneming ten aanzien van het kapitaal, het stemrecht
en de benoeming mede begrepen:
a. de overeenkomstige rechten van andere ondernemingen waarop
zij overheersende zeggenschap uitoefent;
b. de overeenkomstige rechten van personen of organen die
handelen onder eigen naam doch voor rekening van de
moederonderneming of van een of meer van haar groepsondernemingen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de rechten ten
aanzien van het kapitaal en het stemrecht niet toegerekend aan een
onderneming, indien zij deze voor rekening van anderen houdt.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden stemrechten,
verbonden aan verpande aandelen, toegerekend aan de pandhouder, indien
hij mag bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend. Zijn de aandelen
evenwel verpand voor een lening die de pandhouder heeft verstrekt in
de gewone uitoefening van zijn bedrijf, dan worden de stemrechten hem
slechts toegerekend, indien hij deze in eigen belang heeft
uitgeoefend.
5. Geen moederonderneming is een onderneming als bedoeld in artikel
3, vijfde lid, onder a. of c. van Verordening (EG) 139/2004 van de
Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van
ondernemingen (PbEG 2004 L 24).
6. Het recht dat op een onderneming van toepassing is, bepaalt of
die onderneming een moederonderneming is als bedoeld in het eerste
lid. Indien dat recht niet het recht van een betrokken staat is, wordt
dat bepaald door het recht dat van toepassing is op de
groepsonderneming, waarvan het bestuur de moederonderneming
vertegenwoordigt krachtens artikel 1, derde lid.
7. Indien meer ondernemingen van een groep aan een of meer criteria
van het eerste lid voldoen,
a. wordt de onderneming die voldoet aan het criterium, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a aangemerkt als moederonderneming,
waarbij het benoemingsrecht met betrekking tot het leidinggevend
orgaan voorrang heeft;
b. heeft, indien toepassing van onderdeel a niet leidt tot
aanmerking van één onderneming als moederonderneming, het
criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorrang boven
dat, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
een en ander onverminderd het bewijs dat een andere onderneming een
overheersende invloed kan uitoefenen.
Artikel 3
1. In deze wet wordt, voor zover het in Nederland werkzame personen
betreft, onder werknemer verstaan: degene die krachtens een
arbeidsovereenkomst werkzaam is in de communautaire onderneming of de
communautaire groep, en voor zover het in de overige betrokken staten
werkzame personen betreft: hetgeen het recht van die betrokken staat
daaronder verstaat.
2. Voor de toepassing van de artikelen 4, achtste tot en met tiende
lid, 7, 8, tweede lid, en 11, derde lid, onderdeel e, zesde en achtste
lid, wordt onder vertegenwoordigers van werknemers verstaan: hetgeen
daaronder wordt verstaan krachtens het recht van de betrokken staat
waarin die werknemers werkzaam zijn; voor Nederland zijn dat
ondernemingsraden.
Artikel 4
1. Ten aanzien van de in Nederland werkzame werknemers die lid zijn
van een bijzondere onderhandelingsgroep of van een Europese
ondernemingsraad dan wel optreden als vertegenwoordigers bij een
andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers,
gelden het tweede tot en met het zevende lid.
2. Deze werknemers behouden hun aanspraak op loon voor de tijd
gedurende welke zij niet de bedongen arbeid hebben verricht ten
gevolge van het bijwonen van een vergadering van de bijzondere
onderhandelingsgroep of van de Europese ondernemingsraad, dan wel van
een vergadering in het kader van de andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging.
3. Voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling
van hun taak, wordt hun in werktijd en met behoud van loon de
gelegenheid geboden tot onderling beraad en overleg met andere
personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun
functie zijn betrokken en om scholing en vorming te ontvangen. Aan hen
worden voorzieningen ter beschikking gesteld, die zij in de
uitoefening van hun taak redelijkerwijs nodig hebben.
4. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en
bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van
alle aangelegenheden ten aanzien waarvan hun geheimhouding is opgelegd
of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het
vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Deze verplichting geldt ook
voor personen die een functie als bedoeld in het eerste lid vervullen
zonder werknemer te zijn.
5. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover hem die
wordt benaderd voor overleg of als deskundige als bedoeld in de
artikelen 12 en 20, mits het hoofdbestuur of degene die de
geheimhouding heeft opgelegd, vooraf daarvoor toestemming heeft
gegeven en de betrokken persoon schriftelijk heeft verklaard dat hij
zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding
verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon de
geheimhoudingsplicht van toepassing.
6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van
de in het eerste lid bedoelde functie, noch door beëindiging van de
werkzaamheden van de betrokkene in de onderneming.
7. De werkgever draagt er zorg voor, dat degenen die kandidaat
staan of gestaan hebben voor een functie als bedoeld in het eerste
lid, alsmede degenen die deze functie vervullen of hebben vervuld,
niet uit hoofde hiervan worden benadeeld in hun positie in de
onderneming.
8. Onverminderd enige op hen rustende verplichting tot
geheimhouding informeren de werknemers, die lid zijn van een Europese
ondernemingsraad dan wel optreden als vertegenwoordigers bij een
andere procedure van informatieverstrekking en raadpleging van
werknemers, de werknemersvertegenwoordigers binnen de communautaire
onderneming of groep, of, als die er niet zijn, alle werknemers over
de inhoud en de resultaten van de informatie- en raadplegingsprocedure
die overeenkomstig deze wet heeft plaatsgevonden.
9. Iedere in Nederland werkzame werknemer of
werknemersvertegenwoordiger kan van de werkgever verlangen dat deze
hem gegevens verstrekt die benodigd zijn voor de opening van
onderhandelingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid. Deze gegevens
bevatten in ieder geval een overzicht van het aantal werknemers dat
bij de communautaire onderneming of groep werkzaam is en de verdeling
van deze werknemers over de verschillende betrokken staten.
10. De werkgever van een in Nederland werkzame werknemer die is
aangewezen of gekozen als lid van een bijzondere onderhandelingsgroep
of van een Europese ondernemingsraad doet van die verkiezing of
aanwijzing mededeling aan het hoofdbestuur.
Artikel 5
1. Iedere belanghebbende kan de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam verzoeken te bepalen dat gevolg dient te
worden gegeven aan hetgeen is bepaald bij deze wet, met uitzondering
van artikel 4, voor zo ver het tweede lid niet anders bepaalt, of bij
een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 11 of 24. Een bijzondere
onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een Europese
ondernemingsraad, ingesteld krachtens deze wet, kunnen niet in de
proceskosten van deze procedure worden veroordeeld.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een
Europese ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam verzoeken om:
a. krachtens artikel 4, vierde en vijfde lid, 11, zevende lid
of 19, zesde lid, opgelegde geheimhouding op te heffen op de grond
dat degene die de geheimhouding heeft opgelegd bij afweging van de
betrokken belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van
geheimhouding had kunnen besluiten;
b. degene die informatie heeft geweigerd krachtensartikel 11,
zevende lid, of 19, zesde lid, te verplichten tot het verstrekken
van informatie op de grond dat deze bij afweging van de betrokken
belangen niet in redelijkheid tot het weigeren van informatie had
kunnen besluiten.
Hoofdstuk 2. Informatieverstrekking en raadpleging van werknemers in
Nederlandse communautaire ondernemingen en groepen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 6
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een communautaire onderneming
en een moederonderneming met woonplaats of zetel in Nederland.
2. Ingeval een communautaire onderneming of moederonderneming haar
woonplaats of zetel buiten de betrokken staten heeft, is dit hoofdstuk
van toepassing, indien de in artikel 1, tweede en derde lid, bedoelde
vestiging onderscheidenlijk groepsonderneming woonplaats of zetel
heeft in Nederland.
Artikel 7
1. Een communautaire onderneming of de moederonderneming verstrekt
aan werknemers of hun vertegenwoordigers gegevens die benodigd zijn
voor de opening van onderhandelingen als bedoeld in artikel 8, eerste
lid. Deze gegevens bevatten in ieder geval een overzicht van het
aantal werknemers dat bij de communautaire onderneming of groep
werkzaam is en de verdeling van deze werknemers over de verschillende
betrokken staten.
2. Indien na de instelling van de bijzondere onderhandelingsgroep
belangrijke wijzigingen optreden in de gegevens, bedoeld in het eerste
lid, verstrekt een communautaire onderneming of moederonderneming zo
spoedig mogelijk na deze wijziging een gewijzigd overzicht aan de
bijzondere onderhandelingsgroep en, indien die situatie zich voordoet,
aan de werknemers of hun vertegenwoordigers van een communautaire
onderneming of groep uit een betrokken staat die nog niet in de
bijzondere onderhandelingsgroep zijn vertegenwoordigd.
Paragraaf 2. Overeenkomsten omtrent informatieverstrekking en
raadpleging
Artikel 8
1. Het hoofdbestuur kan een bijzondere onderhandelingsgroep
oprichten teneinde daarmee in onderhandeling te treden over een
overeenkomst tot instelling van een Europese ondernemingsraad, al dan
niet overeenkomstig paragraaf 3, of tot een regeling waarbij op een
andere wijze wordt voorzien in het verstrekken van inlichtingen aan en
het raadplegen van werknemers of hun vertegenwoordigers over
grensoverschrijdende aangelegenheden.
2. Het hoofdbestuur is verplicht tot instelling van een bijzondere
onderhandelingsgroep als bedoeld in het eerste lid, indien van ten
minste 100 werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit
tenminste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee
verschillende betrokken staten een schriftelijk verzoek daartoe is
ontvangen. Indien een verzoek daartoe is ontvangen door een tot de
communautaire onderneming of groep behorende vestiging of onderneming,
draagt het hoofdbestuur er zorg voor dat het verzoek onverwijld naar
hem wordt doorgezonden en dat van de doorzending mededeling wordt
gedaan aan de verzoekers.
3. De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt, indien de
bijzondere onderhandelingsgroep een besluit heeft genomen als bedoeld
in artikel 11, tweede lid, niet gedurende twee jaar na het nemen van
dat besluit, tenzij het hoofdbestuur en de bijzondere
onderhandelingsgroep anders zijn overeengekomen.
Artikel 9
1. De bijzondere onderhandelingsgroep bestaat uit een zodanig
aantal vertegenwoordigers van de werknemers van de communautaire
onderneming of groep dat is gewaarborgd dat per betrokken staat een
lid wordt gekozen of aangewezen voor elke 10%, of een deel daarvan,
van de werknemers die in de betrokken staat werkzaam zijn, berekend
over het totale aantal werknemers dat bij de communautaire onderneming
of groep in alle betrokken staten tezamen werkzaam is.
2. Elk lid wordt gekozen of aangewezen overeenkomstig het recht van
de betrokken staat waarin hij werkzaam is.
3. Het aantal leden van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
zetelverdeling wordt in overeenstemming gehouden met het eerste lid.
Indien het aantal leden uit een betrokken staat wijzigt zonder dat met
betrekking tot die zetels een nieuwe verkiezing of aanwijzing heeft
plaatsgevonden, hebben de voor die betrokken staat zitting hebbende
leden voor de toepassing van artikel 13 samen zoveel stemmen als
overeenkomt met het aantal leden dat voor die betrokken staat
krachtens het eerste lid is vastgesteld en vertegenwoordigen zij samen
de in die betrokken staat werkzame werknemers van de communautaire
onderneming of groep in een door hen te bepalen verhouding, dan wel,
indien daarover geen overeenstemming wordt bereikt, naar verhouding
van het aantal werknemers dat zij vertegenwoordigden voor de
wijziging.
Artikel 10
1.Met betrekking tot de Nederlandse vestigingen en ondernemingen
worden de leden van de bijzondere onderhandelingsgroep aangewezen, dan
wel wordt hun aanwijzing ingetrokken, door de bij die vestigingen of
ondernemingen ingestelde ondernemingsraden.
2.Indien met betrekking tot ondernemingsraden als bedoeld in het
eerste lid een of meer centrale ondernemingsraden zijn ingesteld,
geschiedt de aanwijzing of intrekking door die raad of raden.
3.Indien geen centrale ondernemingsraad is ingesteld, maar wel een
of meer groepsondernemingsraden, geschiedt de aanwijzing of intrekking
door die raad of raden.
4.Indien niet alle ondernemingsraden of groepsondernemingsraden
zijn vertegenwoordigd in een centrale ondernemingsraad of
groepsondernemingsraad, geschiedt de aanwijzing of intrekking door de
centrale onderscheidenlijk groepsondernemingsraad of raden en de
niet-vertegenwoordigde ondernemingsraden gezamenlijk.
5.Indien er geen enkele ondernemingsraad is ingesteld, worden de
leden van de bijzondere onderhandelingsgroep gekozen door de
gezamenlijke in Nederland werkzame werknemers van de communautaire
onderneming of groep. De verkiezing geschiedt bij geheime
schriftelijke stemming, waarbij elke werknemer één stem heeft. Ten
behoeve van de verkiezing is een vereniging van werknemers, die
bedoelde werknemers onder haar leden telt, krachtens haar statuten ten
doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en
als zodanig binnen de betrokken onderneming of groep werkzaam is en
voorts in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, bevoegd een
kandidatenlijst in te dienen, mits zij met haar leden binnen de
onderneming of groep over de samenstelling van de kandidatenlijst
overleg heeft gepleegd.
6.Bij de toepassing van het eerste tot en met vierde lid worden
werknemers van Nederlandse vestigingen of ondernemingen die niet in
een ondernemingsraad, groepsondernemingsraad of centrale
ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn in de gelegenheid gesteld zich
over de als lid van de bijzondere onderhandelingsgroep aan te wijzen
personen uit te spreken.
7.Personen die behoren tot het varend personeel in de koopvaardij,
kunnen niet als lid van een bijzondere onderhandelingsgroep worden
aangewezen of verkozen.
Artikel 11
1. Na de oprichting van de bijzondere onderhandelingsgroep belegt
het hoofdbestuur met deze een vergadering teneinde te onderhandelen
over een overeenkomst als bedoeld in artikel 8, eerste lid. Het stelt
de groep in de gelegenheid om bijeen te komen voor en na deze
vergadering.
2. Zolang een overeenkomst als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
niet tot stand is gekomen, kan de bijzondere onderhandelingsgroep
besluiten om geen onderhandelingen aan te gaan, dan wel reeds lopende
onderhandelingen af te breken.
3. Indien het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep
overeenkomen een Europese ondernemingsraad in te stellen, dan wordt
bij overeenkomst tevens het reglement van de raad vastgesteld. Tenzij
het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep anders
overeenkomen, regelt het reglement tenminste de volgende
aangelegenheden:
a. voor welke vestigingen of ondernemingen van de communautaire
onderneming of groep de Europese ondernemingsraad is ingesteld;
b. de omvang en samenstelling van de raad, waarbij werknemers
zoveel mogelijk evenwichtig vertegenwoordigd worden, en de
zittingsduur van zijn leden;
c. het werkterrein en de bevoegdheden van de raad;
d. de wijze waarop de raad wordt ingelicht en geraadpleegd;
e. de wijze waarop de informatieverstrekking en raadpleging van
de raad en de informatieverstrekking en raadpleging van de
vertegenwoordigers van werknemers, bedoeld in artikel 3, tweede
lid, aan elkaar worden gekoppeld, rekening houdend met hun
bevoegdheden;
f. de frequentie, duur en plaats van de vergaderingen van de
raad;
g. de financiële en materiële middelen waarover de raad kan
beschikken;
h. indien binnen de raad een beperkt comité wordt ingesteld:
de samenstelling, de aanwijzingsprocedure, de taakomschrijving en
het reglement daarvan.
4. Indien het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep
een andere procedure van informatieverstrekking en raadpleging van
werknemers of hun vertegenwoordigers dan de instelling van een
Europese ondernemingsraad overeenkomen, wordt bij overeenkomst tevens
vastgelegd op welke wijze dit zal gebeuren. Daarbij wordt tenminste
voorzien in het navolgende:
a. voor welke vestigingen of ondernemingen van de communautaire
onderneming of groep de procedure geldt;
b. hoe de werknemers of hun vertegenwoordigers worden ingelicht
en geraadpleegd over grensoverschrijdende aangelegenheden die
belangrijke gevolgen voor de werknemers hebben;
c. de wijze waarop de werknemers of hun vertegenwoordigers over
de in onderdeel b bedoelde aangelegenheden kunnen vergaderen;
d. de financiële en materiële middelen die voor de uitvoering
van de procedure ter beschikking worden gesteld.
5. Het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep kunnen
overeenkomen dat voor delen van de communautaire onderneming of groep
afzonderlijke Europese ondernemingsraden zullen worden ingesteld, dan
wel afzonderlijke procedures zullen gelden. Eveneens kunnen zij
overeenkomen dat voor een of meer delen van de communautaire
onderneming of groep een of meer Europese ondernemingsraden worden
ingesteld en voor andere delen een of meer procedures zullen gelden.
6. De overeenkomst tussen het hoofdbestuur en de bijzondere
onderhandelingsgroep houdt bepalingen in omtrent de datum van
inwerkingtreding, de duur van de overeenkomst, de wijze waarop de
overeenkomst kan worden gewijzigd of opgezegd, de gevallen waarin en
wijze waarop wordt onderhandeld over een nieuwe overeenkomst en de
wijze waarop de overeenkomst wordt aangepast aan wijzigingen in de
structuur of grootte van de communautaire onderneming of groep en in
de aantallen werknemers die in de betrokken staten werkzaam zijn.
Indien deze bepalingen niet inhouden, dat werknemers of hun
vertegenwoordigers van ondernemingen of vestigingen, die na het
sluiten van de overeenkomst tot de communautaire onderneming of groep
zijn gaan behoren, binnen twee jaar worden betrokken bij de
vernieuwing of aanpassing daarvan dan wel niet binnen twee jaar worden
vertegenwoordigd in de Europese ondernemingsraad of bij de andere
procedure van informatieverstrekking en raadpleging, is het
hoofdbestuur verplicht om een nieuw samengestelde bijzondere
onderhandelingsgroep in te stellen indien tenminste 100 zodanige
werknemers of hun vertegenwoordigers daarom verzoeken.
7. Het hoofdbestuur behoeft geen informatie te verstrekken, voor
zover dat in redelijkheid het functioneren van de communautaire
onderneming of de groep ernstig zou belemmeren dan wel schaden. Het
hoofdbestuur kan terzake van de informatieverstrekking geheimhouding
opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat; zoveel mogelijk
vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt
meegedeeld, welke grond bestaat voor het opleggen van de
geheimhouding, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens
onder de geheimhouding vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of
er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht
behoeft te worden genomen.
8. Indien de overeenkomst geen regels bevat als bedoeld in het
derde lid, onderdeel e, vangt, in het geval er beslissingen worden
overwogen, die waarschijnlijk belangrijke wijzigingen in de
arbeidsorganisatie of de arbeidsovereenkomsten met zich brengen, de
informatieverstrekking en raadpleging van de raad en de
informatieverstrekking en raadpleging van de vertegenwoordigers van
werknemers, bedoeld in artikel 3, tweede lid, zoveel mogelijk
gelijktijdig aan.
9. Het hoofdbestuur staat in voor de naleving van rechten en
verplichtingen, opgenomen in de overeenkomst.
Artikel 12
1. De bijzondere onderhandelingsgroep kan zich in de
onderhandelingen doen bijstaan door een of meer deskundigen van haar
keuze, waaronder vertegenwoordigers van bevoegde en erkende
werknemersorganisaties op communautair niveau als bedoeld in artikel
154 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze
deskundigen kunnen op verzoek van de bijzondere onderhandelingsgroep
als adviseur aanwezig zijn in de vergaderingen, bedoeld in artikel 11,
eerste lid.
2. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de bijzondere onderhandelingsgroep komen
ten laste van de communautaire onderneming of de moederonderneming.
Voor de kosten van het raadplegen van een of meer deskundigen of van
het voeren van rechtsgedingen geldt dit slechts, indien de
communautaire onderneming of de moederonderneming vooraf van de te
maken kosten in kennis is gesteld.
Artikel 13
1.Ieder lid van de bijzondere onderhandelingsgroep heeft,
onverminderd artikel 9, derde lid, één stem. De bijzondere
onderhandelingsgroep besluit bij volstrekte meerderheid van het aantal
uitgebrachte stemmen.
2.Een besluit als bedoeld in artikel 11, tweede lid, behoeft een
meerderheid van twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
3.Een besluit tot het aangaan van een overeenkomst als bedoeld in
artikel 11, eerste lid, behoeft tenminste zoveel stemmen als
overeenkomt met de meerderheid van het aantal stemmen dat kan worden
uitgebracht wanneer de bijzondere onderhandelingsgroep voltallig
vergadert.
Artikel 14
1. Het hoofdbestuur draagt er zorg voor dat binnen de communautaire
onderneming of groep de samenstelling van de bijzondere
onderhandelingsgroep alsmede het tijdstip waarop een vergadering als
bedoeld in artikel 11 zal worden gehouden, wordt bekendgemaakt.
2. Het hoofdbestuur stelt tevens de bevoegde en erkende werknemers-
en werkgeversorganisaties op communautair niveau als bedoeld in
artikel 154 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie,
in kennis van de samenstelling van de bijzondere onderhandelingsgroep,
alsmede van het begin van de onderhandelingen, bedoeld in artikel 8,
eerste lid.
Artikel 14a
1. Indien de structuur van de communautaire onderneming of groep,
ingrijpend wordt gewijzigd en in de toepasselijke overeenkomsten
daarover geen of strijdige bepalingen zijn opgenomen start het
hoofdbestuur op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van ten
minste 100 werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit ten
minste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee
verschillende betrokken staten de inartikel 8, eerste lid, bedoelde
onderhandelingen en richt daartoe een bijzondere onderhandelingsgroep
op.
2. Behalve de overeenkomstig artikel 9 gekozen of aangewezen leden
van de bijzondere onderhandelingsgroep, zijn ten minste drie leden van
de bestaande Europese ondernemingsraad of van elk van de bestaande
Europese ondernemingsraden lid van de bijzondere onderhandelingsgroep.
3. Tijdens de onderhandelingen, bedoeld in het eerste lid, blijven
de bestaande Europese ondernemingsraad of -raden functioneren in
overeenstemming met de toepasselijke overeenkomst of overeenkomsten,
danwel blijft een andere procedure van informatieverstrekking en
raadpleging van werknemers van toepassing, indien die is
overeengekomen.
Paragraaf 3. Subsidiaire bepalingen over informatieverstrekking en
raadpleging buiten overeenkomst
Artikel 15
Het hoofdbestuur is verplicht overeenkomstig deze paragraaf een
Europese ondernemingsraad in te stellen indien:
a. het hoofdbestuur er blijk van heeft gegeven niet binnen zes
maanden na de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, te zullen onderhandelen met een bijzondere
onderhandelingsgroep;
b. het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep geen
overeenkomst als bedoeld in artikel 8, eerste lid hebben gesloten
binnen drie jaar na de ontvangst van een verzoek als bedoeld in
artikel 8, tweede lid, dan wel, indien het hoofdbestuur de
bijzondere onderhandelingsgroep eigener beweging heeft ingesteld,
binnen drie jaar na de datum van de instelling, tenzij een besluit
als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van kracht is.
Artikel 16
1. De Europese ondernemingsraad bestaat uit een zodanig aantal
vertegenwoordigers van de werknemers van de communautaire onderneming
of groep dat is gewaarborgd dat per betrokken staat een lid wordt
gekozen of aangewezen voor elke 10%, of een deel daarvan, van de
werknemers die in de betrokken staat werkzaam zijn, berekend over het
totale aantal werknemers dat bij de communautaire onderneming of groep
in alle betrokken staten tezamen werkzaam is.
2. Elk lid wordt gekozen of aangewezen overeenkomstig het recht van
de betrokken staat waar hij werkzaam is.
3. Het aantal leden van Europese ondernemingsraad en de
zetelverdeling wordt in overeenstemming gehouden met het eerste lid.
Indien het aantal leden uit een betrokken staat wijzigt zonder dat met
betrekking tot die zetels een nieuwe verkiezing of aanwijzing heeft
plaatsgevonden, hebben de voor die betrokken staat zitting hebbende
leden voor de toepassing van de relevante bepalingen inzake de
stemverhoudingen binnen de Europese ondernemingsraad samen zoveel
stemmen als overeenkomt met het aantal leden dat voor die betrokken
staat krachtens het eerste lid is vastgesteld en vertegenwoordigen zij
samen de in die betrokken staat werkzame werknemers van de
communautaire onderneming of groep in een door hen te bepalen
verhouding, dan wel, indien daarover geen overeenstemming wordt
bereikt, naar verhouding van het aantal werknemers dat zij
vertegenwoordigden voor de wijziging.
Artikel 17
1.Met betrekking tot de Nederlandse vestigingen en ondernemingen
worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen of
verkozen, dan wel wordt hun aanwijzing ingetrokken, overeenkomstig
artikel 10, met dien verstande dat die leden zitting hebben voor de
duur van vier jaren.
2.Alleen werknemers van de communautaire onderneming of groep
kunnen als lid worden aangewezen of verkozen. Het lidmaatschap eindigt
van rechtswege wanneer het lid ophoudt werknemer te zijn. Personen die
behoren tot het varend personeel in de koopvaardij, kunnen niet als
lid worden aangewezen of verkozen.
Artikel 18
1. De Europese ondernemingsraad kiest uit zijn midden een
voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De
voorzitter, of bij diens verhindering de plaatsvervangende voorzitter,
vertegenwoordigt de Europese ondernemingsraad in rechte.
2. De Europese ondernemingsraad kan uit zijn midden een beperkt
comité bestaande uit ten hoogste vijf leden kiezen.
3. De Europese ondernemingsraad stelt een reglement van orde vast.
Alvorens het reglement wordt vastgesteld wordt het hoofdbestuur in de
gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Indien een
beperkt comité is gekozen, worden in het reglement de bevoegdheden
van dat comité vastgesteld, alsmede de voorzieningen die noodzakelijk
zijn om zijn werkzaamheden te kunnen uitvoeren.
Artikel 19
1. De informatieverstrekking aan de Europese ondernemingsraad
betreft in ieder geval:
a. de structuur, de economische en financiële situatie, de
vermoedelijke ontwikkeling van de activiteiten, de productie en de
afzet van de communautaire onderneming of groep;
b. de stand en de vermoedelijke ontwikkeling van de
werkgelegenheid, de investeringen, wezenlijke veranderingen in de
organisatie, de invoering van nieuwe werkmethoden of
productieprocessen, de zorg voor het milieu, fusie, of inkrimping
van ondernemingen, vestigingen of belangrijke onderdelen daarvan.
2. Het hoofdbestuur informeert zo spoedig mogelijk de Europese
ondernemingsraad of het beperkte comité over alle bijzondere
omstandigheden en voorgenomen besluiten die aanzienlijke gevolgen
hebben voor de belangen van de werknemers, in het bijzonder
betreffende verplaatsing of sluiting van ondernemingen, vestigingen of
belangrijke onderdelen daarvan of collectief ontslag.
3. De raadpleging van de Europese ondernemingsraad verloopt op
zodanige wijze dat deze met het hoofdbestuur of een ander passender
bestuursniveau binnen de communautaire onderneming of groep met een
eigen beslissingsbevoegdheid inzake de te behandelen onderwerpen
bijeen kan komen en een met redenen omkleed antwoord op zijn adviezen
kan krijgen. Raadpleging betreft in ieder geval de onderwerpen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid.
4. Het hoofdbestuur en de Europese ondernemingsraad komen ten
minste één maal per kalenderjaar in vergadering bijeen. In de
vergadering wordt de Europese ondernemingsraad aan de hand van een
door het hoofdbestuur opgesteld schriftelijk rapport geïnformeerd en
geraadpleegd over de ontwikkeling van de activiteiten en de
vooruitzichten van de communautaire onderneming of groep. Het
hoofdbestuur draagt er zorg voor dat deze jaarlijkse vergadering
binnen de communautaire onderneming of groep wordt bekendgemaakt.
5. Indien de Europese ondernemingsraad of het beperkte comité dat
verzoekt, komt deze met het hoofdbestuur of een ander geschikter
bestuursniveau binnen de communautaire onderneming of groep met een
eigen beslissingsbevoegdheid inzake de te behandelen onderwerpen in
vergadering bijeen, om aan de hand van een door de communautaire
onderneming of groep opgesteld schriftelijk rapport over de in het
tweede lid genoemde omstandigheden en voorgenomen besluiten nader te
worden geïnformeerd en geraadpleegd. Voor een vergadering met het
beperkte comité worden mede uitgenodigd de leden van de Europese
ondernemingsraad die mede gekozen of aangewezen zijn door de
werknemers van de vestigingen of ondernemingen die door de betreffende
omstandigheden of voorgenomen besluiten rechtstreeks worden geraakt.
De vergadering doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van het
hoofdbestuur.
6. Het hoofdbestuur behoeft geen informatie te verstrekken, voor
zover dat in redelijkheid het functioneren van de communautaire
onderneming of groep ernstig zou belemmeren dan wel schaden. Het
hoofdbestuur kan terzake van de informatieverstrekking geheimhouding
opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat. Zoveel mogelijk
voor de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld,
welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke
schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding
vallen, hoelang deze duurt, alsmede of er personen zijn ten aanzien
van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
7. Het hoofdbestuur stelt de Europese ondernemingsraad of het
beperkt comité in de gelegenheid om bijeen te komen voor en na elke
vergadering met het hoofdbestuur.
8. Het voorzitterschap van een bijeenkomst als bedoeld in het
vierde of vijfde lid wordt, tenzij anders wordt afgesproken,
afwisselend bekleed door het hoofdbestuur en de Europese
ondernemingsraad.
Artikel 20
1.De Europese ondernemingsraad en het beperkt comité kunnen zich
doen bijstaan door deskundigen van hun keuze voor zover dit voor het
verrichten van hun taken noodzakelijk is.
2.De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de Europese ondernemingsraad en het beperkt
comité komen ten laste van de communautaire onderneming of de
moederonderneming. De verplichting tot het dragen van de kosten van
door de Europese ondernemingsraad ingeschakelde deskundigen beperkt
zich tot één deskundige per agendaonderwerp, tenzij de Europese
ondernemingsraad en de communautaire onderneming of de
moederonderneming anders overeenkomen.
3.De eerste volzin van het tweede lid is eveneens van toepassing op
het voeren van rechtsgedingen, echter onder de voorwaarde dat de
communautaire onderneming of de moederonderneming vooraf van de te
maken kosten in kennis is gesteld.
Artikel 21
1. Uiterlijk vier jaar na zijn instelling besluit de Europese
ondernemingsraad, al dan niet op voorstel van het hoofdbestuur, of het
wenselijk is met het hoofdbestuur in onderhandeling te treden over het
sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 8, eerste lid.
2. De artikelen 11, derde tot en met zesde lid, en 13, eerste en
derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
de Europese ondernemingsraad hierbij in de plaats treedt van de
bijzondere onderhandelingsgroep.
Artikel 22
Het hoofdbestuur draagt er zorg voor dat binnen de communautaire
onderneming of groep de samenstelling van de Europese ondernemingsraad
alsmede het tijdstip waarop een vergadering als bedoeld in artikel 19
zal worden gehouden, wordt bekendgemaakt.
Hoofdstuk 3. Informatieverstrekking en raadpleging van werknemers in
niet-Nederlandse communautaire ondernemingen en groepen
Artikel 23
Indien ter uitvoering van de richtlijn in een andere betrokken staat
dan Nederland bij een communautaire onderneming of groep een bijzondere
onderhandelingsgroep dan wel een Europese ondernemingsraad als bedoeld
in de bijlage bij de richtlijn wordt ingesteld, zijn op de Nederlandse
vestigingen of ondernemingen van die communautaire onderneming of groep
de artikelen 10 en 17 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 24
1. Deze wet is, behoudens de artikelen 5 en 14a, niet van
toepassing ten aanzien van een communautaire onderneming of groep die
voor 5 februari 1997 partij was bij een of meer in werking getreden
overeenkomsten, mits deze overeenkomsten voorzien in een regeling
terzake van informatieverstrekking aan en raadpleging van de
werknemers over grensoverschrijdende aangelegenheden, en die gesloten
zijn met een werknemersvertegenwoordiging die de communautaire
onderneming of groep redelijkerwijs representatief mocht achten voor
de werknemers uit de betrokken staten.
2. Deze wet, zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding
van de Wet van 7 november 2011 tot wijziging van de Wet op de Europese
ondernemingsraden in verband met de uitvoering van richtlijn
2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 6 mei 2009 (PbEU 2009, L 122), houdende herschikking van richtlijn
94/45/ EG, inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of
van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire
dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers blijft,
behoudens de artikelen 5 en 14a, van toepassing op een communautaire
onderneming of groep die partij is bij een overeenkomst als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, betrekking hebbend op het hele
personeelsbestand, die in de periode van 5 juni 2009 tot 5 juni 2011
is ondertekend of herzien.
3. Artikel 11, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
communautaire onderneming of groep, die met ingang van 15 december
1999 onder de werking van deze wet zou komen te vallen uitsluitend als
gevolg van het gaan gelden van de richtlijn voor het Verenigd
Koninkrijk, maar die op die datum partij is bij een of meer in werking
getreden overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 25
1. Voor de toepassing van artikel 9 behoeft slechts rekening te
worden gehouden met die betrokken staten, waar de communautaire
onderneming of groep werknemers heeft en waarvan de wetgeving ter
uitvoering van de richtlijn in werking is getreden.
2. Indien een overeenkomst als bedoeld in artikel 8 niet een
bepaling bevat, dat werknemers of hun vertegenwoordigers van
ondernemingen of vestigingen van de communautaire onderneming of groep
in betrokken staten, waarmee overeenkomstig het eerste lid geen
rekening is gehouden bij de samenstelling van de bijzondere
onderhandelingsgroep, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de
wetgeving van die betrokken staat ter uitvoering van de richtlijn
worden betrokken bij de vernieuwing of aanpassing van die overeenkomst
dan wel binnen die termijn worden vertegenwoordigd in de Europese
ondernemingsraad of bij de andere procedure van inlichting en
raadpleging, wordt die overeenkomst herzien met inachtneming van
artikel 9.
Artikel 26 [Vervallen per 15-11-2011]
Artikel 27
Deze wet treedt in werking met ingang van 22 september 1996. Indien
het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na 21
september 1996, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Europese ondernemingsraden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 januari 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de vierde februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|