Nadere regelgeving:
- Besluit bekostiging WEC
- Besluit
bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
- Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair onderwijs
- Besluit leerlinggebonden financiering
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Bwoo)
- Besluit
ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs (Bza)
- Kaderbesluit rechtspositie PO
- Onderwijskundig besluit WEC
WET van 15 december 1982, houdende
Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van
een ononderbroken ontwikkeling van de kinderen voor wie vaststaat dat
overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering
aangewezen is, gewenst is wettelijke voorzieningen voor het speciaal
onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
Onze minister:
Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
inspectie of inspecteur:
de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, voor zover
belast met taken op het gebied van het speciaal onderwijs en voortgezet
speciaal onderwijs;
school:
een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs
of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
2, tweede lid onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, dan wel een instelling
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8,
eerste lid tweede volzin, tenzij het tegendeel blijkt;
basisschool:
een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair
onderwijs;
speciale school voor basisonderwijs:
een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op het primair onderwijs;
school voor voortgezet onderwijs:
een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op het voortgezet onderwijs;
instelling:
instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin;
openbare school:
a. een door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid in
stand gehouden school;
b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50 in
stand gehouden school; dan wel
c. een door een stichting als bedoeld in artikel 28 of artikel 51 in
stand gehouden school;
bijzondere school:
door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon,
niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 51, in stand gehouden
school;
openbare rechtspersoon:
een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in
artikel 50;
bevoegd gezag van volgens deze wet bekostigde scholen voor wat betreft:
a. een openbare school:
1°. het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet
anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van
door hem te stellen regelen;
2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling
bevoegde orgaan;
3°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 50; dan wel
4°. de stichting, bedoeld in artikel 28 of artikel 51;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 57;
c. een samenwerkingsschool: de stichting, bedoeld in artikel 28j;
persoonsgebonden nummer:
het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze minister
uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 42a, vierde lid;
sociaal-fiscaalnummer:
het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder k, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
ouders:
ouders, voogden of verzorgers;
schooljaar:
het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
personeel:
a. de benoemde directeur, het personeel benoemd in een functie voor het
geven van onderwijs, het personeel benoemd in een andere functie dan het
geven van onderwijs, het personeel dat is benoemd voor het verrichten
van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan een
school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, waaronder
begrepen de leden van het bestuur van die scholen die zijn benoemd door
een raad van toezicht als bedoeld in artikel 28i, derde lid, voor zover
die leden mede zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst of een
akte van aanstelling;
b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld,
tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 33, 33a, 34, 37, 38,
55, 56, eerste en tweede lid, 62, eerste tot en met vierde lid, 63 tot
en met 65, 69, 132 en 133, voor zover niet anders is bepaald, en de
toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
schoolplan:
een schoolplan als bedoeld in artikel 21. Onder schoolplan wordt tevens
verstaan instellingsplan, tenzij het tegendeel blijkt;
commissie voor de indicatiestelling:
een commissie als bedoeld in artikel 28c;
schoolbegeleiding:
activiteiten ten behoeve van de schoolorganisatie of het onderwijs aan
een school die dienen tot begeleiding, ontwikkeling, advisering,
informatieverstrekking en evaluatie, alsmede activiteiten tot
bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen;
basisregister onderwijs:
basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het
onderwijstoezicht.
Artikel 2. Doelgroep; indeling (v.)s.o.
1. Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is
bestemd voor kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een
orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is.
2. Het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt
verdeeld in onderwijs aan:
a. dove kinderen;
b. slechthorende kinderen;
c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot
de onder a of b bedoelde kinderen;
d. visueel gehandicapte kinderen;
e. [vervallen;]
f. lichamelijk gehandicapte kinderen;
g. [vervallen;]
h. langdurig zieke kinderen
1°. met een lichamelijke handicap
2°. anders dan met een lichamelijke handicap;
i. [vervallen;]
j. zeer moeilijk lerende kinderen;
k. zeer moeilijk opvoedbare kinderen;
l. [vervallen;]
m. kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten;
n. meervoudig gehandicapte kinderen;
3. Onder pedologische instituten worden verstaan instituten die een
binding bezitten met een Nederlandse universiteit of de
wetenschappelijke begeleiding van het onderwijs verzorgen aan scholen
voor speciaal onderwijs.
4. Met betrekking tot de onderwijssoorten, genoemd in het tweede lid,
worden de volgende clusters onderscheiden:
a. cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,
b. cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en
kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig
gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,
c. cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een
lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer
moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met
een van deze handicaps en
d. cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in
scholen verbonden aan pedologische instituten.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor wat betreft het
onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen voor de clusters, bedoeld
in het vierde lid onder a, b of c, bepaald welke combinaties van
handicaps kunnen voorkomen.
6. Een krachtens het vijfde lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Hij
treedt in werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen
die termijn door of namens de kamer de wens te kennen wordt gegeven dat
het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt
geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3 volzinnen zijn niet van
toepassing, voor zover het ontwerp van een algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is voorgelegd
en door of namens de kamer te kennen is gegeven dat van de procedure,
bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 3. Bevoegdheid schoolonderwijs
1. Speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs mag, onverminderd
het derde en vierde lid, slechts worden gegeven door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van:
1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat ten aanzien
van dat onderwijs of ten aanzien van een of meer bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen onderdelen daarvan of vakken als bedoeld in de
artikelen 13, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, en 14, eerste tot en
met derde en vijfde lid, is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn
vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, of krachtens artikel 36,
eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien
van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of
3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 162e, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is
uitgesloten.
2. Het onderwijs in de onderwijsactiviteiten zintuiglijke oefening en
lichamelijke oefening in groepen bestemd voor leerlingen vanaf 7 jaar in
het speciaal onderwijs kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b.
1°, uitsluitend worden gegeven door degene die:
a. beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift
waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn
vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, en
b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen
getuigschrift dat specifiek is gericht op de bekwaamheid tot het geven
van dat onderwijs, of onderwijs volgt ter verkrijging van een dergelijk
getuigschrift, in welk laatste geval betrokkene het onderwijs in deze
onderwijsactiviteiten mag geven gedurende ten hoogste twee
aaneengesloten schooljaren, gerekend vanaf het moment waarop betrokkene
het onderwijs ter verkrijging van dit getuigschrift voor de eerste maal
volgt.
3. Onze minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten
Nederland behaald bewijsstuk waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de
bevoegdheid tot het geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal
onderwijs verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.
4. Onze minister kan met betrekking tot een vak waarvoor geen
lerarenopleiding bestaat en ook anderszins niet aan de hand van enig
bewijsstuk kan worden aangetoond dat betrokkene voldoet aan de
bekwaamheidseisen, verklaren dat een leraar wordt geacht te voldoen aan
de bekwaamheidseisen tot het geven van voortgezet speciaal onderwijs in
dat vak.
5. Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan ten aanzien van degene
die hem vervangt voor ten hoogste twaalf maanden worden afgeweken van de
eisen, gesteld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de
periode van twaalf maanden is verstreken vanaf de dag dat perioden van
vervanging als bedoeld in dit lid elkaar met tussenpozen van niet meer
dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van twaalf maanden,
deze tussenpozen inbegrepen, is overschreden. Indien in een vacature
niet terstond kan worden voorzien door de benoeming of tewerkstelling
zonder benoeming van een leraar die aan de genoemde eisen voldoet, is
het bepaalde in de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Deze
termijn van een jaar kan met ten hoogste twee jaren worden verlengd
indien het bevoegd gezag en de betrokkene schriftelijk verklaren dat
betrokkene verplicht is zich in te spannen binnen twee jaren alsnog te
voldoen aan de eisen gesteld in het eerste lid, onderdeel b. Het bevoegd
gezag kan onder de voorwaarden, genoemd in de vorige volzin, een
verlenging van nog eens twee jaren geven indien het dat noodzakelijk
oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs op de
school. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met
betrekking tot de toepassing van dit lid.
6. Onverminderd het vijfde lid kan ten aanzien van studenten die een
duale opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.7 van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek leidend tot een
getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onder b.1°, en aan die
opleiding ten minste 180 studiepunten hebben behaald, worden afgeweken
van de eisen in het eerste lid onder b, met dien verstande dat het
tijdelijk dienstverband van de student een periode beslaat die
overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden. De vorige
volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van studenten die
ten minste 166 doch nog geen 180 studiepunten hebben behaald, indien
door de desbetreffende hogeschool wordt verklaard dat de student
beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare en tevens voor het
dienstverband relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing
van de vorige volzin vervalt ten aanzien van die student die niet binnen
vier weken na aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten
beschikt. De in artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst vermeldt
tevens de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken student
werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.
Artikel 3a. Bevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden
1. Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 32a,
derde lid, mogen slechts worden verricht door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
ingevolge de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven krachtens de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de Wet educatie en
beroepsonderwijs, waaruit blijkt dat is voldaan aan de in artikel 32a,
derde lid, bedoelde bekwaamheidseisen of
c. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hem te
verrichten werkzaamheden, of
d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn
bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van deze werkzaamheden.
2. De onderwijsondersteunende functionaris die niet voldoet aan de eisen
van het eerste lid, onder b, c of d, mag voor zover het werkzaamheden
betreft waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen
zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor
een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de eerste volzin wordt
uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in
ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is
zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de
bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag beschikt
over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de eerste
volzin.
3. Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel
7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs die in het kader van die opleiding
onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van
artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de
duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b
tot en met d.
Artikel 4. Kosten van leerlingenvervoer
1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en
wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan
wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de
leerling op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders
noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een
nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende
leden.
2. De regeling maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder
onderwijs.
3. De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de
ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam
is, van de leerling berustende keuze van een school.
4. De regeling voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een
wijze die voor de leerling passend is. De regeling bepaalt op welke
wijze burgemeester en wethouders terzake advies van deskundigen
inwinnen.
5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de
afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de
leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de
ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam
is, van de leerling, en gemeten langs de kortste voor de leerling
voldoende begaanbare en veilige weg, tenzij vervoer met betrekking tot
een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich
zou brengen en de ouders onderscheidenlijk de leerling met het vervoer
naar die school instemmen. Indien de ouders dan wel, indien de leerling
meerderjarig en handelingsbekwaam is, de leerling, kiezen
respectievelijk kiest voor de school die op grond van artikel 28c,
negende lid, door de commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd,
wordt voor de toepassing van dit artikel de geadviseerde school
aangemerkt als dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.
De tweede volzin is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats
heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum waaraan de
commissie voor de indicatiestelling, die het advies, bedoeld in die
volzin, heeft gegeven, is verbonden.
6. De regeling bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden
burgemeester en wethouders aan in de gemeente wonende ouders van
leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal
onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of
pleeggezin verblijven, op aanvraag bekostiging verstrekken ten behoeve
van de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer.
7. De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede
lid, en onverminderd het bepaalde in het vierde lid voor leerlingen die
wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op
ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, bepalen dat geen
aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de voor
de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten
langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
8. De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede
lid, bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde
leeftijd, de aanspraak op bekostiging wordt beperkt tot de kosten van
openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden
verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de
regeling erin te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde
in het vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer
ontbreekt en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van
vervoer in redelijkheid niet kan worden verlangd en voor die leerlingen
die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op
ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen.
9. De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van bekostiging in
geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
10. De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere
gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders, dan wel, indien
de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, ten gunste van de
leerling van de inhoud van de regeling af te wijken.
Artikel 4a. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
1. Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon zich mogelijk
schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als
bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een
minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld
in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet
op het onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden
geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de
desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als
bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige leerling van de
school, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de
vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd
gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de
betrokken leerling, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de
school met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk
schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het
eerste lid jegens een minderjarige leerling van de school, stelt het
personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 5a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 6. Uitgaven uit de openbare kas
Ten laste van een andere openbare kas dan van Rijk en gemeente worden
geen scholen in stand gehouden, noch uitgaven voor een school gedaan.
Gemeenten doen geen uitgaven voor een niet door de gemeente in stand
gehouden school dan krachtens de wet.
Artikel 7. Reikwijdte wet
1. Deze wet is niet van toepassing op scholen die uitsluitend bestemd
zijn voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben.
2. Bij twijfel of op een school het eerste lid van toepassing is,
besluit de Kroon, de Raad van State gehoord.
Titel II. Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder
onderwijs
Afdeling 1. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor
bekostiging van het bijzonder onderwijs
§ 1. Onderwijs
Artikel 8. Scholen en afdelingen voor (v.)s.o.; instellingen
1. Het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdelen
a tot en met c en f tot en met n, wordt gegeven in scholen voor speciaal
onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, verdeeld als aangegeven in
die onderdelen. Het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef
en onderdeel d, en het onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen
die naast een handicap als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel
d, een handicap hebben als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a
tot en met c, f en h tot en met m, wordt gegeven in instellingen voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte
kinderen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald aan welke soorten
van scholen afdelingen kunnen worden verbonden en voor welke kinderen
deze zijn bestemd.
3. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, wordt
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is
niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer
te kennen is gegeven dat van de procedure bedoeld in de eerste 3
volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 8a. Onderzoek en ondersteuning t.b.v. leerlingen in
basisonderwijs en voortgezet onderwijs
1. Een school, niet zijnde een instelling, heeft, naast het geven van
onderwijs, tot taak op verzoek van het regionaal expertisecentrum
waaraan de school deelneemt onderzoek te verrichten in het kader van
artikel 28c, vierde lid, laatste volzin en het ondersteunen van een
school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het
voortgezet onderwijs, waarbij een leerling is ingeschreven voor wie op
basis van de beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling
een leerlinggebonden budget beschikbaar is en die toelaatbaar is
verklaard tot een onderwijssoort als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
die door de eerstbedoelde school wordt verzorgd of tot een
onderwijssoort die behoort tot hetzelfde cluster als de onderwijssoort
die door de eerstbedoelde school wordt verzorgd dan wel toelaatbaar is
verklaard tot het cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d,
waartoe de eerstbedoelde school behoort.
2. Onder het ondersteunen van een school, bedoeld in het eerste lid,
wordt in elk geval begrepen het doen van aanbevelingen over de
begeleiding van de individuele leerling tijdens zijn verblijf op de
school die wordt ondersteund, teneinde een optimale ontwikkeling van de
in de leerling aanwezige mogelijkheden te bewerkstelligen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden onderwijssoorten aangewezen
waaraan bekostiging kan worden toegekend ten behoeve van de begeleiding
van
a. leerlingen, die zijn geplaatst op een basisschool of speciale school
voor basisonderwijs of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor
voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd gezag
zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs
of het voortgezet speciaal onderwijs en
b. leerlingen, die in het direct voorafgaande schooljaar waren
toegelaten tot een school, niet zijnde een instelling, en die zonder dat
voor hen nog een leerlinggebonden budget beschikbaar is, zijn
teruggeplaatst naar een basisschool of speciale school voor
basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs dan wel een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid onder a en b, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 9. Taakstelling instellingen
De taken van een instelling zijn:
a. het geven van speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aan
kinderen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, of aan
meervoudig gehandicapte kinderen als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
tweede volzin;
b. het begeleiden door een aan een instelling verbonden leraar van een
leerling die zonder deze begeleiding zou zijn aangewezen op het
onderwijs dat de instelling verzorgt, alsmede de ondersteuning van een
onderwijsinstelling waarop die leerling is geplaatst door een leraar,
orthopedagoog, psycholoog of logopedist van de instelling en
c. het verrichten van algemene ondersteuningsactiviteiten ten behoeve
van de bevordering van een optimale schoolloopbaan van visueel
gehandicapte leerlingen.
Artikel 9a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 9b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 9c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 10 [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 11. Uitgangspunten en doelstelling onderwijs
1. Het onderwijs wordt afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de
leerling. Het wordt zodanig ingericht dat de leerling een ononderbroken
ontwikkelingsproces kan doorlopen. Zo mogelijk brengt het kinderen tot
het volgen van gewoon onderwijs in basisscholen of scholen voor
voortgezet onderwijs.
2. Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en de
verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het
verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke
vaardigheden. Het onderwijs wordt bovendien zodanig ingericht dat
daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan
het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van
de Nederlandse taal.
3. Het onderwijs:
a. gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme
samenleving,
b. is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale
integratie, en
c. is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken
met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten.
4. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen in de
leeftijd van 4 tot en met 12 jaar in een tijdvak van 8 schooljaren ten
minste 7520 uren onderwijs ontvangen, met dien verstande dat de
leerlingen in de eerste 4 schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en
in de laatste 4 schooljaren ten minste 3760 uren onderwijs ontvangen.
Het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar omvat ten minste 880 uren
per schooljaar en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste 1000 uren
per schooljaar. Aan de leerlingen in de laatste 6 schooljaren wordt ten
hoogste 7 weken van het schooljaar 4 dagen per week onderwijs gegeven,
die evenwichtig zijn verdeeld over het schooljaar, bij een schoolweek
van in beginsel niet minder dan 5 dagen onderwijs.
5. De onderwijsactiviteiten worden evenwichtig over de dag verdeeld.
6. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen die in verband
met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op
adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.
Artikel 11a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 12. Afwijking van minimum aantal uren onderwijs
De inspecteur kan op verzoek van het bevoegd gezag ermee instemmen dat
wordt afgeweken van artikel 11, vierde lid, eerste twee volzinnen.
Artikel 13. Inhoud s.o.
1. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid en in artikel 15 omvat het
speciaal onderwijs, waar mogelijk in samenhang:
a. zintuiglijke oefening;
b. lichamelijke oefening;
c. Nederlandse taal;
d. rekenen en wiskunde;
e. enkele kennisgebieden;
f. expressie-activiteiten;
g. bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer;
h. bevordering van gezond gedrag.
2. Het onderwijs kan mede Engelse taal en huishoudelijke activiteiten
omvatten.
3. Bij de kennisgebieden wordt in elk geval aandacht besteed aan:
a. aardrijkskunde;
b. geschiedenis;
c. de natuur, waaronder biologie;
d. maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting;
e. geestelijke stromingen.
4. Bij de expressie-activiteiten wordt waar mogelijk aandacht besteed
aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek,
handvaardigheid, spel en beweging.
5. Speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen en meervoudig
gehandicapte kinderen voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de
handicaps is omvat, waar mogelijk in samenhang;
a. zintuiglijke oefening;
b. lichamelijke oefening;
c. bevordering van de sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het
verkeer;
d. bevordering van gezond gedrag;
e. expressie-activiteiten, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed
aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek,
handvaardigheid, spel en beweging;
f. een of meer kennisgebieden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
besteed aan de natuur.
6. Op de scholen in de provincie Fryslân kan het speciaal onderwijs
mede onderwijs in de Friese taal omvatten.
7. Ten aanzien van de onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste tot
en met het zesde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur
kerndoelen vastgesteld, die voor de onderwijssoorten, bedoeld in artikel
2, tweede lid, kunnen verschillen. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat
nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit
wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens de kamer de
wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel
van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3
volzinnen zijn niet van toepassing, voor zover het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur voordien aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal is voorgelegd en door of namens de kamer te kennen is
gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan
worden afgeweken.
8. Voor de school geldt de eis dat zij tenminste de kerndoelen bij haar
onderwijsactiviteiten als aan het eind van het speciaal onderwijs te
bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van
kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en
vaardigheden. Indien voor een leerling de eerste volzin niet kan worden
toegepast, wordt in het handelingsplan, bedoeld in artikel 41a,
aangegeven wat daarvan de reden is en welke vervangende onderwijsdoelen
worden gehanteerd.
9. Indien een bevoegd gezag van een bijzondere school dringend
bedenkingen heeft tegen de krachtens het zevende lid vastgestelde
kerndoelen, kan het bevoegd gezag eigen kerndoelen voor de school
vaststellen. Deze kerndoelen zijn van gelijk niveau als de kerndoelen,
bedoeld in het zevende lid. Het bevoegd gezag zendt de vastgestelde
kerndoelen aan de inspecteur.
10. Bij de verzorging van het onderwijs op basis van de kerndoelen voor
Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, neemt het bevoegd gezag, met
inachtneming van artikel 11, eerste lid, de referentieniveaus
Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet referentieniveaus
Nederlandse taal en rekenen, als uitgangspunt.
Artikel 14. Inhoud v.s.o.
1. Voortgezet speciaal onderwijs omvat, waar mogelijk in samenhang, in
elk geval:
a. Nederlandse taal;
b. geschiedenis, waaronder staatsinrichting;
c. aardrijkskunde;
d. maatschappijleer;
e. wiskunde en rekenen;
f. muziek;
g. tekenen;
h. handvaardigheid;
i. lichamelijke oefening.
2. Voortgezet speciaal onderwijs omvat voorts ten minste 2 van de vakken
die gegeven worden in het voorbereidend beroepsonderwijs, het algemeen
voortgezet onderwijs en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
anders dan de vakken bedoeld in het eerste lid.
3. Op de scholen in de provincie Fryslân kan het voortgezet speciaal
onderwijs mede onderwijs in de Friese taal omvatten.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen per schoolsoort
voorschriften worden gegeven omtrent:
a. het maximum aantal vakken bedoeld in het tweede lid, waarin onderwijs
wordt gegeven;
b. de combinatie van vakken waarin onderwijs wordt gegeven.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke vakken het
voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen omvat.
Artikel 15. Inhoud onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen
Onze minister bepaalt op voorstel van het bevoegd gezag per school,
welke onderdelen genoemd in de artikelen 13, eerste tot en met vijfde
lid, en 14, het speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het voortgezet
speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen omvat.
Artikel 16. Afwijking artikelen 13 en 14
Onze minister kan in bijzondere gevallen op verzoek van het bevoegd
gezag toestaan dat wordt afgeweken van de voorschriften van of krachtens
artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 14, eerste tot en
met vierde lid. De toestemming wordt verleend voor een bepaald tijdvak;
aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 17. Stage
1. Het onderwijs kan een stage omvatten. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de stage.
2. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, wordt
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is
niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer
te kennen is gegeven dat van de procedure bedoeld in de eerste 3
volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 18. Friese taal of streektaal
1. Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Daar waar naast de
Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is,
kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal bij het onderwijs
worden gebruikt.
2. Voor de opvang in en de aansluiting bij het Nederlandse onderwijs van
leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond kan de taal
van het land van oorsprong mede als voertaal bij het onderwijs worden
gebruikt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde
gedragscode.
Artikel 18a. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
1. Bij het geven van onderwijs aan een leerling die is opgenomen in een
ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd
gezag van een school worden ondersteund.
2. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid,
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien
de leerling is opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst, indien de leerling is opgenomen in een
ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de
leerling in verband met ziekte thuis verblijft.
3. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming
tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en
de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van
onderwijs aan de leerling betreffen.
Artikel 18b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 19. Kwaliteit onderwijs
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de
school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in
elk geval verstaan: de zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het
betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel,
en het uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in artikel 21,
beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke opdrachten
voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het schoolplan
opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden gerealiseerd.
Artikel 19a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 19b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 19c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 19d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 20. Rapportage vorderingen van leerlingen
Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan
hun ouders dan wel aan de leerlingen zelf indien zij meerderjarig en
handelingsbekwaam zijn.
Artikel 21. Schoolplan
1. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking
tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd,
en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid
en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid ten
aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke
bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving
gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op
zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de
activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het
bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden
geconfronteerd. In het schoolplan wordt aangegeven op welke wijze
invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de
identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool. Het
schoolplan kan op een of meer scholen voor speciaal onderwijs, voor
voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, en instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs en een of meer scholen voor ander onderwijs van hetzelfde
bevoegd gezag betrekking hebben.
2. Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de
wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd
gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in
een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de bijzondere
voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen of groepen leerlingen.
3. Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot
uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met
betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de
uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld
in artikel 30 van de wet.
4. Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval:
a. de wijze waarop het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt
gerealiseerd,
b. de wijze waarop het bevoegd gezag vaststelt welke maatregelen ter
verbetering van de kwaliteit nodig zijn, en
c. maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn
bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 21a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 21b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 22. Schoolgids
1. De schoolgids bevat voor ouders en leerlingen informatie over de
werkwijze van de school en bevat in elk geval informatie over:
a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het
onderwijsleerproces worden bereikt, met dien verstande dat bij algemene
maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven met betrekking
tot de wijze waarop
1°. de resultaten worden beschreven die met het onderwijsleerproces
worden bereikt, en
2°. de context wordt vermeld waarin de onder 1° bedoelde resultaten
dienen te worden geplaatst.
b. de bijzondere voorzieningen voor leerlingen of groepen leerlingen,
c. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut,
d. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 40, eerste lid, waarbij
wordt vermeld dat deze vrijwillig is,
e. de rechten en plichten van de ouders, de leerlingen en het bevoegd
gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in
artikel 23, en de gronden voor vrijstelling van het onderwijs, bedoeld
in artikel 46, tweede lid,
f. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 21, eerste
lid, omschreven bijdragen,
g. het regionaal expertisecentrum waarbij het bevoegd gezag van de
school is aangesloten,
h. het beleid met betrekking tot de veiligheid, en
i. het verzuimbeleid;
i. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter
onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een
samenwerkingsschool.
2. Het bevoegd gezag reikt de schoolgids uit aan de ouders dan wel de
meerderjarige en handelingsbekwame leerling bij de inschrijving en
jaarlijks na de vaststelling van de schoolgids.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onder
a, wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een der
kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 23. Klachtenregeling
1. Ouders en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen en
beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder
discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van
beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel. Een zodanige
klacht kan eveneens worden ingediend door:
a. leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs of voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs, die de leeftijd van 13 jaren hebben
bereikt,
b. leerlingen van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs.
2. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de behandeling van
klachten. Deze regeling vermeldt in ieder geval:
a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt,
b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht,
c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen en
d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld
in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn
wordt gehandeld.
3. Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op grond
van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging
van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling,
niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of heeft
opengestaan.
4. Deze regeling
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een
klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een
voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam
is voor of bij het bevoegd gezag en
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt
deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks
betrekking heeft.
5. De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:
a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en
b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
6. De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van
de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen,
schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het
bevoegd gezag.
7. Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst van het in het
zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of
hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar
aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij
afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet het bevoegd
gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de
klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd
gezag zijn standpunt bekend zal maken.
8. Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij
de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke
karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot
geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
9. Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een
plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de
klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 24. Uitvoering deel van schoolplan op school voor ander
onderwijs
1. Een deel van een schoolplan kan voor zover het betrekking heeft op
speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, worden uitgevoerd
door een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs, een
school voor voortgezet onderwijs of een instelling voor educatie en
beroepsonderwijs.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de uitvoering van het eerste lid alsmede omtrent de aard en de
eisen aan de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 24a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 25 [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 26. Meetellen tijd op school voor b.o. of v.o.; zomervakantie
1. Indien een leerling gedurende een deel van de week onderwijs ontvangt
op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een
school voor voortgezet onderwijs, telt de tijd gedurende welke de
leerling dit onderwijs ontvangt, mee voor het aantal uren onderwijs dat
de leerling ten minste moet ontvangen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen begin en eind van de zomervakantie
worden vastgesteld die niet voor alle scholen gelijk behoeven te zijn.
Bij die ministeriële regeling kan tevens worden bepaald dat zij op
bepaalde scholen niet van toepassing is.
Artikel 27. Vaststelling schoolplan en schoolgids
1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar het
schoolplan vast.
2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve van
het eerstvolgende schooljaar.
3. Het bevoegd gezag zendt het schoolplan dan wel de wijzigingen daarvan
en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling aan de inspecteur.
Artikel 28. Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen
1. De instandhouding van een of meer openbare en een of meer bijzondere
scholen kan worden opgedragen of overgedragen aan een stichting die met
dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht. De besluitvorming van de
zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
2. Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van
openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in
afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder
onderwijs.
3. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de
opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het
bevoegd gezag uit.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de openbare school en niet zonder
benoeming is tewerkgesteld, wordt benoemd krachtens een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de
gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar openbaar onderwijs
wordt gegeven, gevestigd is,
e. de wijze waarop de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is, toezicht op het bestuur
van die school uitoefent,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,
met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de
overheid in het bestuur is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs
betreft.
6. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is. Instemming kan slechts
worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het
bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
7. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente
waarin de school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is,
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt bekendgemaakt.
8. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school
is gelegen, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van
het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs
betreft.
Artikel 28a. Samenwerkingsverbanden
1. Het bevoegd gezag van een of meer scholen voor speciaal onderwijs of
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4,
bedoeld in artikel 2, vierde lid, is voor elke vestiging van die school
of scholen voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd,
aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a,
tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs of bij een landelijk
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van die
wet. Artikel 18a, vierde lid, en artikel 163c, derde lid, van die wet
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het bevoegd gezag van een of meer scholen voor voortgezet speciaal
onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot
cluster 3 en 4, bedoeld in artikel 2, vierde lid, is voor elke vestiging
van die school of scholen voor zover daaraan voortgezet speciaal
onderwijs wordt verzorgd, aangesloten bij een samenwerkingsverband als
bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs of bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in
artikel 17a, zestiende lid, van die wet. Artikel 17a, vierde lid, en
artikel 103h, derde lid, van die wet zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, kan het bevoegd gezag
deelnemen aan een samenwerkingsverband op grond van artikel 18a, vijfde
lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 17a, vijfde lid, van
de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 28b. Regionaal expertisecentrum
1. Het bevoegd gezag is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een
regionaal expertisecentrum. Een regionaal expertisecentrum omvat alle
scholen van alle soorten die tot hetzelfde cluster of dezelfde clusters,
bedoeld in artikel 2, vierde lid, behoren en die zijn gelegen in het
gebied, bedoeld in het tweede lid, waarin het regionaal expertisecentrum
werkzaam is. In bijzondere omstandigheden kan Onze minister toestaan dat
een regionaal expertisecentrum niet alle scholen omvat van alle soorten
die tot hetzelfde cluster dan wel dezelfde clusters, bedoeld in artikel
2, vierde lid, behoren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden per cluster als bedoeld in
artikel 2, vierde lid, aaneengesloten gebieden vastgesteld waarvan de
grenzen overeenkomen met de grenzen van gemeenten.
3. Het bevoegd gezag kan per school slechts deelnemen aan 1 regionaal
expertisecentrum.
4. Bevoegde gezagsorganen van scholen waaraan onderwijs wordt gegeven
van de soorten die behoren tot hetzelfde cluster en die zijn gelegen
binnen hetzelfde gebied worden niet uitgesloten van deelname aan het in
dat gebied werkzame regionaal expertisecentrum.
5. Het bevoegd gezag dat respectievelijk de bevoegde gezagsorganen die
aangesloten willen zijn, geven het regionaal expertisecentrum vorm door
een rechtspersoon op te richten, waarin uitsluitend wordt deelgenomen
door die bevoegde gezagsorganen die bij het regionaal expertisecentrum
zijn aangesloten.
6. Het regionaal expertisecentrum heeft in elk geval tot taak:
a. het instandhouden van een commissie voor de indicatiestelling;
b. het coördineren van de ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, eerste
en tweede lid, die door de scholen waarvoor het regionaal
expertisecentrum werkzaam is, wordt verleend aan scholen als bedoeld in
laatstgenoemd artikel en met inachtneming van de wensen van die scholen;
c. het ondersteunen van de ouders bij het indienen van een verzoek als
bedoeld in artikel 28c, eerste lid;
d. het coördineren van de in het kader van de laatste volzin van het
vierde lid van artikel 28c noodzakelijke onderzoeksactiviteiten;
e. het ondersteunen van de ouders van een leerling bij het zoeken naar
een school en het ondersteunen van ouders van een leerling voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is bij het zoeken naar een school
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het
voortgezet onderwijs en
f. het coördineren van de inzet van de bekostiging ten behoeve van de
begeleiding van leerlingen, bedoeld in artikel 8a, derde lid onder a, na
overleg met de samenwerkingsverbanden, bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs, in het gebied waarin
het regionaal expertisecentrum werkzaam is.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met
betrekking tot de samenstelling van de commissie voor de
indicatiestelling.
8. De regionale expertisecentra die behoren tot hetzelfde cluster als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, stellen gezamenlijk een
adviescommissie overeenkomstig artikel 7:13 van de Algemene wet
bestuursrecht in, die adviseert met betrekking tot een bij de commissie
voor de indicatiestelling ingediend bezwaarschrift betreffende een
beslissing op grond van artikel 28c, eerste en tweede lid, betreffende
een beslissing van die commissie die samenhangt met de toepassing van
het derde lid van genoemd artikel, betreffende een beslissing van die
commissie op grond van artikel 70b, eerste en tweede lid, van de Wet op
het primair onderwijs en betreffende een beslissing van die commissie op
grond van artikel 77b, eerste en tweede lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs.
9. Het regionaal expertisecentrum kan een of meer scholen in stand
houden indien het bevoegd gezag dan wel de bevoegde gezagsorganen de
instandhouding van die school of die scholen overdraagt dan wel
overdragen aan het regionaal expertisecentrum. Indien als gevolg van
toepassing van de eerste volzin het regionaal expertisecentrum alle
scholen in stand houdt van alle soorten die tot hetzelfde cluster of
dezelfde clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, behoren, behoudens
voor zover toepassing is gegeven aan de derde volzin van het eerste lid,
en die zijn gelegen in het gebied, bedoeld in het tweede lid, waarin het
regionaal expertisecentrum werkzaam is, is op het regionaal
expertisecentrum tevens bevoegd gezag de eerste volzin van het eerste
lid niet van toepassing zolang het regionaal expertisecentrum tevens
bevoegd gezag zijn taken als regionaal expertisecentrum blijft
vervullen.
10. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 23, 32, 33, 37, 38, 62,
63, 64 en 65 is van overeenkomstige toepassing op het regionaal
expertisecentrum en het personeel daarvan.
Artikel 28c. Taken commissie voor de indicatiestelling
1. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt op verzoek van de
ouders van een leerling, die zijn woonplaats heeft in het gebied van het
regionaal expertisecentrum, of een leerling op basis van de in het
achtste lid bedoelde criteria:
a. in aanmerking komt voor een leerlinggebonden budget indien de
leerling wordt dan wel is ingeschreven bij een school als bedoeld in de
Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs
alsmede
b. toelaatbaar is tot een van de onderwijssoorten in een cluster als
bedoeld in artikel 2, vierde lid onder b of c, waarvoor de commissie
voor de indicatiestelling werkzaam is en zo ja, tot welke
onderwijssoort, dan wel toelaatbaar is tot het cluster, bedoeld in
artikel 2, vierde lid onder d, waarvoor de commissie voor de
indicatiestelling werkzaam is.
2. Het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in
het eerste lid onder a en b, heeft betrekking op een bij algemene
maatregel van bestuur per onderwijssoort bepaald aantal schooljaren,
waarbij kan worden bepaald dat van dat aantal wordt afgeweken op grond
van leerlingkenmerken. Indien het oordeel in de loop van een schooljaar
wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende
schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode. Voor
het verstrijken van de periode, bedoeld in de eerste volzin, in
voorkomende gevallen verlengd overeenkomstig de tweede volzin,
beoordeelt de commissie voor de indicatiestelling op verzoek van de
ouders of de leerling nog voldoet aan de criteria, bedoeld in het
achtste lid.
3. Indien de commissie voor de indicatiestelling op basis van de
beschikbare informatie nog niet tot een oordeel over de toelaatbaarheid
kan komen, kan de commissie het bevoegd gezag van een school verzoeken
te adviseren over de toelaatbaarheid van een leerling tot een van de
onderwijssoorten in een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid
onder b of c, dan wel tot het cluster als bedoeld in artikel 2, vierde
lid onder d, waarvoor de commissie voor de indicatiestelling werkzaam
is. Teneinde dit advies mogelijk te maken wordt de leerling gedurende
een periode van korter dan een schooljaar toegelaten tot een school
waarvan het bevoegd gezag zich tot advisering bereid heeft verklaard in
voorkomend geval onder handhaving van zijn inschrijving bij de school,
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel de Wet op het
voortgezet onderwijs. Voor de afloop van de in de vorige volzin bedoelde
periode zendt het bevoegd gezag het advies, vergezeld van een verslag
van de bevindingen aan de commissie voor de indicatiestelling. Indien de
commissie voor de indicatiestelling niet binnen de in de tweede volzin
genoemde periode, een beslissing heeft genomen, wordt de termijn,
genoemd in de tweede volzin met 6 weken verlengd.
4. Het verzoek, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt bij de
commissie voor de indicatiestelling ingediend onder overlegging van een
volledig ingevuld aanmeldingsformulier dat door die commissie wordt
verstrekt. Het aanmeldingsformulier bevat in elk geval de adresgegevens
van de leerling en zijn ouders, de naam en de geboortedatum van de
leerling, de onderwijssoort waarvoor indicatie wordt gevraagd, en indien
eerder een indicatie is verkregen, de onderwijssoort dan wel het
cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder d, waartoe de leerling
toelaatbaar was verklaard. Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald welke gegevens en verklaringen bij het aanmeldingsformulier
dienen te worden gevoegd en de wijze waarop zij dienen te worden
aangeleverd. In voorkomend geval informeert de commissie voor de
indicatiestelling de ouders welke gegevens en verklaringen ontbreken en
op welke wijze zij zijn te verkrijgen.
5. De commissie voor de indicatiestelling zendt een afschrift van het
aanmeldingsformulier en een weergave van de gegevens en verklaringen,
bedoeld in het vierde lid, tezamen met een afschrift van het oordeel aan
de inspectie.
6. Het regionaal expertisecentrum ziet erop toe dat de in het vijfde lid
bedoelde gegevens en verklaringen slechts worden gebruikt ten behoeve
van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en het toezicht daarop
door de inspectie.
7. De gegevens en verklaringen worden bij het regionaal expertisecentrum
bewaard tot drie jaar na afloop van de periode waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten binnen het
cluster of tot het cluster waartoe het regionaal expertisecentrum
behoort dan wel tot drie jaar na de beoordeling door de commissie voor
de indicatiestelling indien de leerling niet toelaatbaar is verklaard
tot een van de onderwijssoorten binnen het cluster of tot het cluster
waartoe het regionaal expertisecentrum behoort. Het regionaal
expertisecentrum draagt er zorg voor dat de gegevens en verklaringen
worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor het
regionaal expertisecentrum en de met het onderzoek belaste
functionarissen.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met
betrekking tot de door de commissie voor de indicatiestelling in acht te
nemen criteria voor het in aanmerking komen voor een leerlinggebonden
budget alsmede het toelaatbaar verklaren tot een onderwijssoort in een
cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder b of c, en tot het
cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, waarbij onderscheid
kan worden gemaakt tussen toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs en
het voortgezet speciaal onderwijs.
9. Met betrekking tot een leerling die toelaatbaar is verklaard tot het
cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, geeft de commissie
voor de indicatiestelling de ouders tevens een advies over de te kiezen
school binnen het gebied van het regionaal expertisecentrum.
10. Een beslissing van de commissie voor de indicatiestelling als
bedoeld in het eerste en het tweede lid en een beslissing van bedoelde
commissie die samenhangt met de toepassing van het derde lid, wordt
aangemerkt als een beschikking van een bestuursorgaan als bedoeld in
artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze
beschikking is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4 onder e, van de
Algemene wet bestuursrecht.
11. Indien de commissie voor de indicatiestelling zich bij haar
beoordeling niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in het achtste lid,
kan Onze minister bepalen dat de commissie voor de indicatiestelling
niet langer bevoegd is tot het geven van beoordelingen op grond van dit
artikel.
12. Indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat de grond voor
ontneming van de bevoegdheid, bedoeld in het elfde lid, niet langer
aanwezig is, kan Onze minister besluiten de bevoegdheid opnieuw aan de
commissie voor de indicatiestelling toe te kennen.
Artikel 28d. Ministeriële commissie voor de indicatiestelling
1. Indien een commissie voor de indicatiestelling op grond van artikel
28c, elfde lid, de bevoegdheid, bedoeld in dat lid, is ontnomen, wordt
het verzoek, bedoeld in artikel 28c, eerste en tweede lid, artikel 70b
van de Wet op het primair onderwijs en artikel 77b van de Wet op het
voortgezet onderwijs ingediend bij en beoordeeld door een door Onze
minister ingestelde commissie voor de indicatiestelling.
2. Onder een leerling die in aanmerking komt voor een leerlinggebonden
budget en die toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten
in een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder b of c, dan
wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, wordt
tevens verstaan de leerling ten aanzien van wie die beoordeling door de
ministeriële commissie is gegeven.
3. Artikel 28c is van overeenkomstige toepassing op de ministeriële
commissie voor de indicatiestelling.
Artikel 28e [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 28f. Inwerkingtreding algemene maatregel van bestuur op grond
van de artikelen 28b en28c
Een krachtens de artikelen 28b en28c vastgestelde algemene maatregel van
bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Hij
treedt in werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen
die termijn door of namens de kamer de wens te kennen wordt gegeven dat
het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt
geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3 volzinnen zijn niet van
toepassing, voor zover het ontwerp van een algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is voorgelegd
en door of namens de kamer te kennen is gegeven dat van de procedure,
bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 28g. Scheiding toezicht en bestuur
1. Het bevoegd gezag draagt mede in verband met de verplichting, bedoeld
inartikel 19, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding
tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, en met een
rechtmatig bestuur en beheer.
2. De benoeming in de functies van het toezicht op het bestuur, bedoeld
in het eerste lid, geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte
profielen. Bij de benoeming van de leden van de raad van toezicht wordt
de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 van de Wet
medezeggenschap op scholen, in de gelegenheid gesteld een bindende
voordracht te doen voor een lid.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een regionaal
expertisecentrum.
Artikel 28h. Intern toezicht
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de functies van bestuur en
intern toezicht op het bestuur in functionele of organieke zin zijn
gescheiden.
2. Een intern toezichthouder of een lid van het interne toezichthoudend
orgaan functioneert onafhankelijk van het bestuur.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een regionaal
expertisecentrum.
Artikel 28i. Inhoud intern toezicht
1. De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt
toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de
bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. De
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan is ten minste belast met:
a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en, indien van
toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school;
b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke
verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 157,
eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code;
c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en
rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school
verkregen op grond van deze wet;
d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan, en
e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de
taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met
d, in het jaarverslag.
2. De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne
toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en
onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Indien sprake is van meer
dan een toezichthouder of van een toezichthoudend orgaan is de eerste
volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de combinatie
van de toezichthouders of de samenstelling van het toezichthoudend
orgaan.
3. Indien het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van
toezicht, zijn het eerste lid en het tweede lid van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een raad van toezicht. Een raad van toezicht
is tevens belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van
het bestuur, alsmede de toepassing van de artikelen 29, vijfde lid,
33,33a, 34, 37, 38, 56, 62, 63 en de daarmee verband houdende wettelijke
bepalingen op leden van het bestuur die mede tot het personeel behoren.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een regionaal
expertisecentrum.
Artikel 28j. Samenwerkingsschool
1. Een rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, en een
rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, kunnen de
instandhouding van hun school overdragen aan een stichting waarvan het
statutaire doel in ieder geval is het in stand houden van een
samenwerkingsschool, onverminderd de artikelen 28, derde lid, 50, derde
lid, en 51, vijfde lid. Een samenwerkingsschool is een school waarin
zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden.
Deartikelen 52 en 58 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien
daardoor de continuïteit van het openbaar of het bijzonder onderwijs
gehandhaafd kan blijven en met totstandkoming van een
samenwerkingsschool wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van de artikelen 147 en 148 wordt opgeheven of
niet meer voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd gezag van de
betreffende school toont dat aan op basis van een prognose van de
ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die school
binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of niet meer
te worden bekostigd.
3. Een samenwerkingsschool is toegankelijk voor alle leerlingen zonder
onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de samenwerkingsschool, en niet is
tewerkgesteld zonder benoeming, wordt benoemd krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De rechtspersoon die de instandhouding van de bijzondere school heeft
overgedragen, of zijn rechtsopvolger, dan wel een daartoe aangewezen
rechtspersoon houdt toezicht op de identiteit, voor zover het betreft
het bijzonder onderwijs in de samenwerkingsschool, overeenkomstig
hetgeen is bepaald in de statuten van de stichting die de
samenwerkingsschool in stand houdt.
6. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. het doel van de stichting, waarin in elk geval is opgenomen het geven
van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs binnen een
samenwerkingsschool,
b. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting, met dien verstande dat in de statuten wordt voorzien in een
evenwichtige zeggenschapsverdeling wat betreft openbaar onderwijs
onderscheidenlijk bijzonder onderwijs dat wordt gegeven binnen de
samenwerkingsschool,
c. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat:
1° het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool in stand
houdt, wordt benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid, en
2° dat het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool in stand
houdt, niet bestaat uit personen die deel uitmaken van het
gemeentebestuur van de gemeente en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid,
d. de wijze waarop door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid, toezicht op het bestuur van de samenwerkingsschool wordt
uitgeoefend, waaronder voor wat betreft het openbaar onderwijs in ieder
geval wordt begrepen een jaarlijks door het bestuur van de stichting aan
de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd
is, uit te brengen verslag waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan het beleid ten aanzien van het openbaar onderwijs in de
samenwerkingsschool,
e. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
f. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
g. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
7. Overdracht, opheffing of fusie van de samenwerkingsschool en
wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in
stand houdt, is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van
de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid.
8. De voorschriften van deze wet en van andere wetten die het speciaal
onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreffen, alsmede de daarop
gebaseerde regelingen, voor zover die voorschriften en regelingen
betrekking hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige
toepassing op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid,
tenzij het tegendeel blijkt. De Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing voor zover het beslissingen betreft van de rechtspersoon die
de samenwerkingsschool in stand houdt.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om
de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het
openbaar onderwijs betreft. De bedoelde maatregelen kunnen tevens worden
getroffen door de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, voor zover
het bijzonder onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt
beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, gezamenlijk genomen
besluit.
10. Een geschil tussen een bestuursorgaan van de gemeente en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, omtrent het toezicht op de
samenwerkingsschool en omtrent de uitlegging van de statuten van de
stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, wordt voorgelegd
aan een geschillencommissie, bestaande uit een of meer door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon in onderling overleg aangewezen deskundigen.
§ 2. Personeel
Artikel 29. Directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel
1. Aan elke school is een directeur verbonden, bij wie onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijskundige,
organisatorische en huishoudelijke leiding berust. De functie van
directeur kan minder dan een volledige formatieplaats omvatten. De
directeur van een school kan tevens met de leiding worden belast van een
andere school waar de functie van directeur vacant is. De directeur van
een school kan tevens directeur zijn van een andere school of van een
school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
2. Aan een school zijn een of meer leraren verbonden.
3. Een of meer leraren kunnen tevens tot adjunct-directeur worden
benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Indien geen
adjunct-directeur wordt benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming,
wijst het bevoegd gezag een leraar aan als plaatsvervanger van de
directeur.
4. Voor zover het betreft de functie van directeur en adjunct-directeur,
wordt in geval van samenvoeging van scholen de overblijvende school
gelijkgesteld met een nieuwe school. De directeur, onderscheidenlijk de
adjunct-directeur of adjunct-directeuren, kan slechts een van de
directeuren onderscheidenlijk kunnen slechts een of meer van de
adjunct-directeuren van de samen te voegen scholen zijn, tenzij geen van
de betrokkenen de desbetreffende functie wenst te aanvaarden.
5. Het bevoegd gezag kan tevens personeel, dat werkzaamheden verricht
ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld
in de Wet op het primair onderwijs, benoemen of te werk stellen zonder
benoeming waaronder begrepen leden van het bestuur van die scholen voor
zover het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van toezicht
als bedoeld in artikel 28i, derde lid.
6. Aan een school kan onderwijsondersteunend personeel zijn verbonden.
7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
rechtspositionele gevolgen zijn verbonden aan functies die zowel
onderwijsgevende als onderwijsondersteunende taken omvatten.
8. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot
de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school.
Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, stelt het bevoegd gezag
tevens jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van dat
personeel. Zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de
eerste en tweede volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie,
bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de
school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van
bestuur te geven nadere voorschriften, en in voorkomend geval functies
en taken van het in het vijfde lid bedoelde personeel.
Artikel 30. Document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in
de schoolleiding
1. Het bevoegd gezag stelt ten behoeve van de directie van elk van zijn
scholen, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in
de directie sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding vast.
2. Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald
tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand
waarvan door het bevoegd gezag een beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding wordt gevoerd, opdat
in de directie van elke school van het bevoegd gezag vrouwen en mannen
naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige
vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen
voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door
de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover
jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document
vermeldt tevens de maatregelen die het bevoegd gezag heeft genomen en
zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te
realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten
van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de
schoolleiding gedurende de periode waarvoor het document geldt,
onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.
3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
document in het gebouw van de school ter inzage wordt gelegd op een voor
het personeel, de ouders en de leerlingen toegankelijke plaats, alsmede
dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de school.
Artikel 30a. Overdracht taken en bevoegdheden
1. Het bestuur kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en
bevoegdheden overdragen aan de directeur van de school of indien
toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid
bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met
betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs.
2. De directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan
artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor
zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en
de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs kan hem bij
wettelijk voorschrift opgedragen of door het bevoegd gezag overgedragen
taken en bevoegdheden overdragen aan de adjunct-directeur.
Artikel 30b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 31. Vaststelling managementstatuut
1. Het bevoegd gezag stel na overleg met de directeur en indien
toepassing is gegeven aanartikel 29, vijfde lid, met het in dat
artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met
managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in
de Wet op het primair onderwijs, een managementstatuut vast. In het
managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de
bevoegdheden van de directeur en indien toepassing is gegeven aan
artikel 29, vijfde lid, van de bevoegdheden van het in dat artikellid
bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met
betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs, met betrekking tot de toedeling, bestemming en
aanwending van de bekostiging.
2. Het managementstatuut bevat tevens de aanduiding van de andere aan
het bevoegd gezag bij wettelijk voorschrift toegekende taken en
bevoegdheden, waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de directeur
van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde
lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast
met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld
in de Wet op het primair onderwijs deze in naam van het bevoegd gezag
kan uitoefenen. Het managementstatuut bevat voorts instructies ten
aanzien van deze taken en bevoegdheden.
3. In het managementstatuut worden tevens vastgelegd:
a. de taken en bevoegdheden die het bestuur overdraagt aan de directeur
van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde
lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast
met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld
in de Wet op het primair onderwijs, indien toepassing is gegeven
aanartikel 30a, eerste lid;
b. de taken en bevoegdheden die de directeur van de school of indien
toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid
bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met
betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs overdraagt aan de adjunct-directeur, indien toepassing
is gegeven aan artikel 30a, tweede lid; en
c. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken en
bevoegdheden.
4. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
managementstatuut in het gebouw van de school ter inzage beschikbaar is
op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een
exemplaar van het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo
spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie.
Artikel 32. Vereisten benoeming of tewerkstelling personeel
1. Directeuren, adjunct-directeuren en leraren worden door het bevoegd
gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.
2. Tot directeur of adjunct-directeur kan slechts worden benoemd of
tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van:
1°. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens,
2°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, en
b. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van
artikel 32a, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het
bezit is van:
1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat aan die eisen
is voldaan, of
2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien
van de in artikel 32a, tweede lid, bedoelde werkzaamheden die betrokkene
zal verrichten, of
3°. een bewijsstuk dat hij volgens bij algemene maatregel van bestuur
te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van de werkzaamheden waarop de benoeming of de tewerkstelling
zonder benoeming is gericht.
3. De directeur of adjunct-directeur die niet voldoet aan de eisen van
het tweede lid, onder b, mag voor zover het werkzaamheden betreft
waarvoor op grond van artikel 32a, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor een
periode van ten hoogste twee jaren.
4. De directeur of adjunct-directeur die op grond van artikel 3 bevoegd
is tot het geven van onderwijs of die op grond van artikel 3a bevoegd is
tot het verrichten van de daar bedoelde onderwijsondersteunende
werkzaamheden, kan tevens worden belast met het geven van onderwijs
respectievelijk met het verrichten van die onderwijsondersteunende
werkzaamheden.
5. Om te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming tot
leraar dient betrokkene te voldoen aan artikel 3, eerste lid, of op
grond van het derde of vierde lid van dat artikel bevoegd te zijn tot
het geven van onderwijs.
6. De onderwijsondersteunend functionaris die wordt belast met
werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid,
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, dient te voldoen aan artikel 3a,
eerste lid, onverminderd het tweede tot en met vierde lid van dat
artikel.
7. De onderwijsondersteunend functionaris die wordt belast met andere
werkzaamheden dan die waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid,
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, dient:
a. in het bezit te zijn van de verklaring, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onder a, en
b. te voldoen aan de overige vereisten voor de te vervullen functie.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de vereisten, bedoeld in het zevende lid, onder b.
9. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, onder a.1°, artikel 3,
eerste lid, onder a, en artikel 3a, eerste lid, onder a, die in verband
met de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming wordt overgelegd,
mag op het tijdstip van overlegging niet ouder zijn dan een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen periode.
10. Indien betrokkene in het bezit is van een geschiktheidsverklaring
als bedoeld in artikel 162e vindt de benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten
schooljaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet
onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste
twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het
bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor
de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of
tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van benoeming
of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring.
11. Directeuren en adjunct-directeuren die zijn benoemd of tewerkgesteld
zonder benoeming voordat de Wet op de beroepen in het onderwijs in
werking is getreden en bij hun benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming niet beschikten over een getuigschrift als bedoeld in het
tweede lid, onder a.2°, zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding
van die wet benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming als directeur
respectievelijk adjunct-directeur indien zij in elk geval voldoen aan de
vereisten van het tweede lid, onder a.1° en c. Het derde lid is niet
van toepassing op deze directeuren en adjunct-directeuren.
Artikel 32a. Bekwaamheidseisen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor leraren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband
houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die
onderwijskundige leiding omvatten, en kunnen ook voor andere
werkzaamheden van leidinggevende aard bekwaamheidseisen worden
vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende
werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het
onderwijsleerproces.
4. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het
handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen
en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval
eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
6. Onze minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt
van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als
bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de
in het eerste, tweede of derde lid voorgeschreven bekwaamheidseisen en
kan een representatief geachte beroepsorganisatie in de gelegenheid
stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van
het tweede lid kunnen worden vastgesteld. Onze minister stelt deze
organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de
gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of
wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een
voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in
hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van
bevoegde gezagsorganen en ouders van de leerlingen.
Artikel 32b. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een
functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid
en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge
vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de
inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 32c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 32d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 32e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 33. Rechtspositieregeling personeel
1. Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde voorschriften als bedoeld in het tweede en vierde lid
regelt het bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie van
het personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school zorg
voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor het
personeel, bedoeld in artikel 32, voorschriften vastgesteld betreffende:
a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het bevoegd gezag
in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, en
b. vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire
dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere
rechten en verplichtingen, dan wel de voorwaarden waaronder het bevoegd
gezag een of meer onderdelen van in dit onderdeel bedoelde rechten en
verplichtingen zelf regelt of voor de regeling daarvan zorg draagt.
3. Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid
wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen omtrent
aanstelling, benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag
van het personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van
de openbare scholen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor
werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen
van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.
Artikel 33a. Benoeming, schorsing en ontslag
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel. Van een
benoeming in vaste dienst en in tijdelijke dienst voor langer dan een
half jaar, alsmede van een ontslag uit een zodanige betrekking, doet het
bevoegd gezag terstond mededeling aan de inspecteur.
Artikel 34. Benoeming in algemene dienst
1. Het bevoegd gezag benoemt de directeur en de adjunct-directeur, de
leraren en het onderwijsondersteunend personeel in algemene dienst van
het bevoegd gezag.
2. Onder benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt in dit
artikel en in de artikelen 56 en 62 verstaan een benoeming ten behoeve
van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand
gehouden scholen. Indien het betreft een bevoegd gezag dat twee of meer
scholen in stand houdt en aan deze scholen niet aan eenzelfde categorie
van kinderen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderwijs wordt gegeven,
geschiedt voor zover het een leraar betreft, de in het eerste lid
bedoelde benoeming, in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin,
uitsluitend ten behoeve van het uitoefenen van een gelijksoortige
functie aan een gelijksoortige school.
Artikel 35 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 36. Verplichting tot bieden van stagemogelijkheden
1. Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn
voor een functie in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs of het
voortgezet speciaal onderwijs gelegenheid te bieden de als onderdeel van
hun opleiding vereiste ervaring in de school te verkrijgen.
2. De verplichting bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. studenten die op een opleidingsinstituut voor onderwijzend personeel
zijn ingeschreven;
b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder
a, dan een derde van het aantal leraren in dat jaar.
3. Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school
ontzeggen, indien deze in strijd handelt met de grondslag en
doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de
toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of
uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van het betrokken
opleidingsinstituut en aan de inspectie.
4. De directeur regelt in overeenstemming met het opleidingsinstituut en
het onderwijzend personeel de werkzaamheden in verband met de
begeleiding door dit personeel van de studenten in de school.
5. Onze minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere
omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting
verlenen. De ontheffing geldt voor 1 schooljaar.
6. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid, zijn
toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie belast met het toezicht
op de opleidingsinstituten voor onderwijzend personeel en voor de
directeuren en de door deze aan te wijzen leraren van die
opleidingsinstituten, een en ander voor zover zulks voor de uitoefening
van het toezicht op de praktische vorming noodzakelijk is.
Artikel 37. Landelijk georganiseerd overleg
Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het
personeel bedoeld in artikel 32, wordt volgens bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in
aanmerking komende personeelsorganisaties en, voor zover zij daarbij
belang hebben, organisaties van gemeente- en schoolbesturen. De algemene
maatregel van bestuur bepaalt tevens de gevallen waarin in dat overleg
overeenstemming met de personeelsorganisaties dient te worden bereikt.
Artikel 37a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 38. Georganiseerd overleg bij scholen
Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 33 te treffen
regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor
de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende
school, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de
daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.
In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in
de eerste volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de
inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen
het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie
bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden
aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende
kracht.
Artikel 38a. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het
beroep
1. Degene die beschikt over een in artikel 162e bedoelde
geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt of
tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die
werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 162j, eerste lid onder a,
sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat
met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en
begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel
162f, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst
blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan
worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende
vervangende voorziening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid,
waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit
van het daarin bepaalde.
3. Tevens worden bij algemene maatregel van bestuur bijzondere zonodig
van deze wet afwijkende voorschriften gegeven voor gevallen waarin men
voor dezelfde werkzaamheden wenst te worden benoemd of tewerkgesteld
zonder benoeming aan scholen die niet uitgaan van hetzelfde bevoegd
gezag.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede en derde
lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
§ 3. Leerlingen
Artikel 39. Toelatingsleeftijd
1. De leeftijd waarop het kind tot het speciaal onderwijs mag worden
toegelaten is 4 jaar. Indien een kind toelaatbaar is verklaard tot een
van de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a of b,
kan het worden toegelaten als het de leeftijd van 3 jaar heeft bereikt.
2. Onverminderd artikel 40, derde lid, kan de inspecteur in het belang
van het kind toestaan dat een kind eerder wordt toegelaten dan in het
eerste lid is bepaald.
3. De leeftijd waarop de leerling het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs moet verlaten, is 20 jaar.
4. Onverminderd artikel 40, derde lid en achtste lid, kan de inspecteur
voor een leerling in het voortgezet speciaal onderwijs ontheffing
verlenen van het bepaalde in het derde lid, indien het voortgezet
verblijf op de school wenselijk is ter voltooiing van zijn opleiding of
van een op verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid gerichte behandeling.
Hij kan zich ten behoeve van zijn beslissing een rapport over de
leerling, opgesteld door de in artikel 40b dan wel artikel 41, tweede
lid, bedoelde commissie, doen voorleggen. De commissie kan daartoe de
betrokken leerling aan een onderzoek onderwerpen. De ontheffing wordt
telkens voor de tijd van ten hoogste 1 jaar verleend.
Artikel 39a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 39b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 39c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 40. Toelating en verwijdering leerlingen
1. De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust
bij het bevoegd gezag, met inachtneming van het tweede tot en met het
achtste lid en artikel 40b, 41 en 42, 42a. De toelating mag niet
afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders.
2. Tot de school wordt uitsluitend als leerling toegelaten degene
waarvan de ouders aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en
handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke
bepaling als Nederlander wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste schooldag waarop
het speciaal onderwijs, dan wel het voortgezet speciaal onderwijs
begint, waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste schooldag waarop het
speciaal onderwijs, dan wel het voortgezet speciaal onderwijs begint,
waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gewenst en op die dag
rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000, of
d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd
onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen
voor speciaal onderwijs, dan wel voortgezet speciaal onderwijs is
toegelaten tot een school, welk onderwijs nog steeds wordt gevolgd en
nog niet is voltooid.
3. Een leerling wordt niet tot een school toegelaten dan nadat een
commissie voor de indicatiestelling heeft verklaard dat de leerling
toelaatbaar is tot een van de onderwijssoorten die door de school worden
verzorgd dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder
d, waartoe de school behoort. De eerste volzin is niet van toepassing
ten aanzien van leerlingen die worden toegelaten op basis van de
bekostiging, bedoeld in artikel 117, vijfde of zevende lid, met dien
verstande dat voor leerlingen die worden toegelaten op basis van
bekostiging als bedoeld in artikel 117, zevende lid, in de administratie
van de school een verklaring aanwezig moet zijn van de residentiële
instelling dat de leerling in die instelling is geplaatst.
4. Het derde lid, eerste volzin, is niet van toepassing indien met
instemming van de ouders het bevoegd gezag van een school in overleg met
het bevoegd gezag van een basisschool, een speciale school voor
basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs waarbij een
leerling is ingeschreven, de leerling toelaat gedurende een periode van
korter dan een schooljaar ter oriëntatie of een orthopedagogische en
orthodidactische benadering nodig is. De leerling blijft gedurende die
periode ingeschreven bij de basisschool, de speciale school voor
basisonderwijs of de school voor voortgezet onderwijs.
5. De toelating tot een school wordt niet geweigerd op de grond dat de
leerling niet is aangewezen op het onderwijs van de school indien een
commissie voor de indicatiestelling heeft verklaard dat de leerling
toelaatbaar is tot een van de onderwijssoorten die door de school worden
verzorgd dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder
d, waartoe de school behoort. De toelating van een leerling mag ook niet
geweigerd worden op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de
leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs
van de school zullen respecteren dan wel onderschrijven.
6. Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de
betrokken leraar of leraren. Definitieve verwijdering van een leerling
waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan
nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een basisschool,
een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een school voor voortgezet
onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van
de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten. Indien
aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige
school of instelling waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van
de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
7. Indien na de toelating tot de school blijkt dat deze op welke grond
dan ook niet in overeenstemming met het tweede lid heeft plaatsgevonden,
wordt de leerling onmiddellijk verwijderd.
8. Tenzij een commissie voor de indicatiestelling een leerling voor een
aansluitende periode toelaatbaar heeft verklaard tot een van de
onderwijssoorten die door de school worden verzorgd dan wel tot het
cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, waartoe de school
behoort, wordt een leerling na afloop van de periode gedurende welke hij
toelaatbaar is verklaard tot de desbetreffende onderwijssoort dan wel
het desbetreffende cluster, met inachtneming van de tweede en derde
volzin van het zesde lid, verwijderd.
9. Indien tegen een besluit van het bevoegd gezag van een openbare
school ingevolge het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde,
zevende of achtste lid, bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in
afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4
weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
van het bezwaarschrift is verstreken.
10. Het bevoegd gezag van een openbare school besluit niet op het
bezwaarschrift, tenzij het bezwaarschrift is gericht tegen een besluit
ingevolge het tweede, zevende of achtste lid dan na overleg met de
inspecteur en desgewenst met andere deskundigen.
11. Het derde, het vijfde en het achtste lid zijn niet van toepassing op
een leerling van een instelling.
Artikel 40a [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 40b. Commissie voor de begeleiding
1. Het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, of de
bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen, niet zijnde
instellingen, die hetzelfde regionaal expertisecentrum in stand houden,
stelt onderscheidenlijk stellen een commissie voor de begeleiding in,
die zodanig is samengesteld dat zij adequaat kan adviseren vanuit
zowelonderwijskundig als pedagogisch, psychologisch en medisch oogpunt,
rekening houdend met de handicap van de leerling.
2. De commissie voor de begeleiding heeft tot taak een voorstel te doen
voor het handelingsplan, bedoeld in artikel 41a, en de uitvoering van
het handelingsplan te evalueren alsmede te adviseren over terugplaatsing
of overplaatsing van de leerling naar het basisonderwijs of het
voortgezet onderwijs.
Artikel 41. Commissie van onderzoek
1. Tot een instelling mogen slechts die kinderen worden toegelaten voor
wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische
benadering aangewezen is en die voor het op die instelling gegeven
onderwijs in aanmerking komen.
2. Het bevoegd gezag van een instelling of de bevoegde gezagsorganen van
twee of meer instellingen stelt onderscheidenlijk stellen een commissie
in die tot taak heeft:
a. te beoordelen of het kind voor het onderwijs op de instelling
waarvoor toelating werd verzocht, in aanmerking komt,
b. het doen van aanbevelingen omtrent het begeleiden van de individuele
leerling tijdens zijn verblijf op de instelling, teneinde een optimale
ontwikkeling van de in de leerling aanwezige mogelijkheden te
bewerkstelligen, en
c. als onderdeel van de onder b genoemde taak, aan het eind van elk
schooljaar te adviseren omtrent terugplaatsing of overplaatsing van de
leerling naar het basisonderwijs, een andere vorm van speciaal
onderwijs, het voortgezet onderwijs of een vorm van voortgezet speciaal
onderwijs.
De commissie kan bij het uitoefenen van haar taak gebruik maken van
bestaande onderzoeksgegevens, indien dergelijke gegevens aan haar worden
verstrekt. De commissie wordt geleid door de directeur van de instelling
waarvoor toelating werd verzocht. De commissie bestaat naast de
directeur van de instelling ten minste uit:
1°. een academisch gevormd psycholoog of pedagoog die zich heeft
gespecialiseerd in de jeugd- en kinderpsychologische richting,
onderscheidenlijk in de orthopedagogische richting,
2°. een maatschappelijk deskundige die in het bezit is van het diploma
maatschappelijk werker van een sociale academie of van een door Onze
minister aangewezen diploma en
3°. een arts die vertrouwd is met het onderzoek van kinderen voor wie
het op de instelling gegeven onderwijs is bestemd.
3. In verband met de beoordeling van kinderen met een niet-Nederlandse
culturele achtergrond kan de commissie een deskundige op het gebied van
de taal en cultuur van het land van oorsprong inschakelen.
4. Geen kind wordt tot een instelling toegelaten dan na onderzoek door
een commissie als bedoeld in het tweede lid. De inspecteur is bevoegd
het onderzoek bij te wonen.
5. De onderscheiden functionarissen van de commissie brengen hun
bevindingen naar aanleiding van hun onderzoek van het kind door middel
van een onderzoeksrapport ter kennis van de commissie.
6. Van het in het vierde lid bedoelde onderzoek maakt de commissie een
gemeenschappelijk rapport waarin naast het eindoordeel, de
onderzoeksrapporten bedoeld in het vijfde lid, en de eventuele overige
aan de commissie verstrekte documenten worden opgenomen, alsmede de
bevindingen van de onderscheiden functionarissen naar aanleiding van het
overleg in de commissie tot uitdrukking worden gebracht.
7. De directeur bespreekt de conclusies van het rapport met de ouders,
dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de
leerling. De ouders van een minderjarige of handelingsonbekwame
leerling, de leerling die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en de
inspecteur krijgen desgewenst inzage in het rapport.
8. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat het gemeenschappelijk rapport
slechts wordt gebruikt ten behoeve van het verblijf van de betrokken
leerling op de instelling. Van het bepaalde in de vorige volzin kan voor
wat betreft het rapport worden afgeweken voor zover door de ouders, dan
wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de
leerling schriftelijk toestemming is verleend.
9. Het gemeenschappelijk rapport wordt in de instelling bewaard tot ten
minste 3 jaar na het tijdstip waarop de leerling de instelling heeft
verlaten. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het
gemeenschappelijk rapport wordt bewaard op een plaats die uitsluitend
toegankelijk is voor het bevoegd gezag en de met het onderzoek belaste
functionarissen.
Artikel 41a. Handelingsplan
1. Op voorstel van de commissie voor de begeleiding en in
overeenstemming met de ouders stelt het bevoegd gezag van een school
voor een leerling die toelaatbaar is verklaard tot een bepaalde
onderwijssoort in een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder
b of c, of tot het cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d,
en stelt het bevoegd gezag van een instelling voor elke leerling, voor
elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van een
leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo
spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.
2. In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste schooljaar
van de periode gedurende welke de leerling door een commissie voor de
indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een bepaalde
onderwijssoort in een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder
b of c, of het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, wordt
aangegeven dat de voortzetting van de toelating afhankelijk is van een
nieuwe beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling.
3. Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders geëvalueerd.
4. Het eerste lid en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van een leerling die is ingeschreven op basis van de
bekostiging, bedoeld in artikel 117, zevende lid, en een leerling van
een instelling.
Artikel 42. Beoordeling toelating door inspectie
1. Indien de inspecteur van oordeel is dat op een school een leerling is
geplaatst die daar ingevolge artikel 40 dan wel artikel 41, eerste lid,
niet had mogen worden toegelaten, verzoekt hij het bevoegd gezag deze
leerling te verwijderen.
2. Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek als
bedoeld in het eerste lid, roept de inspecteur de beslissing van Onze
minister in.
3. Indien de inspecteur van oordeel is dat het in artikel 41, vierde
lid, bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in
overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan
te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming
leidt, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
Artikel 42a. Te verstrekken gegevens bij toelating
1. Onverminderd bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften
met betrekking tot de in- en uitschrijving van leerlingen, vindt
toelating van een leerling als bedoeld in artikel 40 slechts plaats
nadat door de ouders of, indien de leerling meerderjarig en
handelingsbekwaam is, door de leerling de gegevens betreffende de
geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het
persoonsgebonden nummer van de leerling zijn overgelegd. Indien door de
ouders of, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, door
de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer
van de leerling kan worden overgelegd, vindt de toelating plaats met
inachtneming van het derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel
van een van overheidswege verstrekt document of een door een andere
school of een school voor ander onderwijs verstrekt bewijs van
uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3. Indien door de ouders of, indien de leerling meerderjarig en
handelingsbekwaam is, door de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat
geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd,
meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating
aan Onze minister de beschikbare gegevens van de leerling, bedoeld in
het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig,
het leerlingadministratienummer.
4. Onze minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het
burgerservicenummer van de leerling, dan wel, indien is gebleken dat hem
niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het
onderwijsnummer van de leerling. Het onderwijsnummer is een door Onze
minister uitgegeven en aan de leerling toegekend persoonsgebonden
nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde
gegevens op in de leerlingenadministratie van de school. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere gegevens in de
leerlingenadministratie worden opgenomen.
6. Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het
bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn
burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit burgerservicenummer
terstond als persoonsgebonden nummer op in de leerlingenadministratie
van de school in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag
meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze minister onder opgave
van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de leerling.
Artikel 43. Onderwijskundig rapport
1. Over iedere leerling die de school verlaat, stelt de directeur, na
overleg met het onderwijzend personeel en de commissie voor de
begeleiding, bedoeld in artikel 40b, dan wel de commissie, bedoeld in
artikel 41, tweede lid, ten behoeve van de ontvangende school of school
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet
onderwijs of de Wet educatie en beroepsonderwijs een onderwijskundig
rapport op. De commissie kan daartoe de leerling aan een onderzoek
onderwerpen. Afschrift van dit rapport wordt verstrekt aan de ouders van
een minderjarige of handelingsonbekwame leerling en aan de leerling die
meerderjarig en handelingsbekwaam is. Desgewenst wordt tevens een
afschrift verstrekt aan de leerling die de leeftijd van 16 jaar en nog
niet die van 18 jaar heeft bereikt. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere voorschriften omtrent dit rapport gegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 44 [Vervallen per 01-08-1999]
Artikel 45 [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 46. Verplichte deelname leerlingen aan het onderwijs
1. De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde
onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten
voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.
2. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders, dan wel, indien de
leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de leerling, een leerling
vrijstellen van bepaalde onderwijsactiviteiten. Een vrijstelling kan
slechts worden verleend, op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden.
Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke
onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die
waarvan vrijstelling is verleend.
Artikel 47. Eindexamen aan school voor regulier onderwijs
Op verzoek van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en
handelingsbekwaam is, op verzoek van de leerling, kan aan leerlingen die
voortgezet speciaal onderwijs volgen gelegenheid worden gegeven
eindexamen af te leggen aan een school voor regulier onderwijs.
Artikel 47a. Melding in verband met voortijdig schoolverlaten
niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats
heeft van de gegevens van degene
a. op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is en die de
leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt,
b. die niet in het bezit is van een diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs als
bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het
voortgezet onderwijs dan wel een diploma van een opleiding als bedoeld
in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, en
c. die
1°. het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten periode
van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen
kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, of
2°. bij de school wordt in- of uitgeschreven of van de school wordt
verwijderd.
2. Op verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, vindt de opgave, bedoeld in
het eerste lid, plaats aan burgemeester en wethouders van de
contactgemeente, bedoeld in artikel 162b, derde lid.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 47b. Melding verzuim niet-leerplichtigen [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan de Informatie Beheer
Groep van de gegevens van degene die voldoet aan artikel 47a, eerste
lid, onderdelen a en b, en die het onderwijs aan de school gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd
gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt.
2. De Informatie Beheer Groep neemt de op grond van dit artikel door het
bevoegd gezag verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief
verzuim.
3. De Informatie Beheer Groep bericht burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na
ontvangst van de opgave, bedoeld in het eerste lid, dat een zodanige
opgave heeft plaatsgevonden.
4. De Informatie Beheer Groep verstrekt uit het meldingsregister
relatief verzuim aan het betrokken bevoegd gezag en aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats
heeft de ter zake van die betrokkene geregistreerde gegevens.
5. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon-
of verblijfplaats heeft melden aan de Informatie Beheer Groep telkens de
status van de behandeling van de ter zake van de betrokkene gedane
opgave, bedoeld in het eerste lid.
6. De Informatie Beheer Groep neemt de op grond van dit artikel door
burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in het
meldingsregister relatief verzuim.
7. Het betrokken bevoegd gezag en burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, zijn bevoegd
het meldingsregister relatief verzuim te raadplegen voor zover het
betreft de ter zake van die betrokkene geregistreerde gegevens.
8. Het bevoegd gezag kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
verstrekken aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon-of verblijfplaats heeft.
9. Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het
persoonsgebonden nummer van de betrokkene gebruikt.
10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het
eerste en vijfde lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de
gegevens die op grond van het eerste en vijfde lid worden verstrekt.
11. De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid kunnen
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van gegevens over ras,
politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een
vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met
het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het
verzuim.
§ 4. Ouders
Artikel 48. Ondersteunende werkzaamheden ouders
Het bevoegd gezag stelt de ouders van de leerlingen in de gelegenheid
ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs
te verrichten. De ouders zijn daarbij gehouden de aanwijzingen op te
volgen van de directeur en het overige onderwijzend personeel, die
verantwoordelijk blijven voor de gang van zaken.
Artikel 48a. Informeren ouders bij zeer zwakke school
1. Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel
11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het
inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het
oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school, informeert
het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover
door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie
opgestelde samenvatting van het inspectierapport welke samenvatting
gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het
bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt
binnen vier weken na de vaststelling van het inspectierapport.
2. Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig voldoet aan de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, zendt Onze minister de
samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, in de
vijfde week na vaststelling van het inspectie rapport aan de ouders van
de leerlingen.
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 49. Karakter openbaar onderwijs
1. Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de
leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving
en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die
waarden.
2. Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder
onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.
3. Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders
godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 50. Instandhouding openbare school door een openbare
rechtspersoon
1. Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon
instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen in de gemeente
in stand te houden, al dan niet te zamen met openbare scholen als
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als
bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Een openbare
rechtspersoon kan ook worden ingesteld door meer dan een gemeente ten
behoeve van het in stand houden van openbare scholen in die gemeenten
door het vaststellen van een voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in
het vierde lid, gelijkluidende verordening, in welk geval de openbare
rechtspersoon niet eerder tot stand komt dan nadat alle daartoe
strekkende verordeningen in werking zijn getreden.
2. De gemeenteraad of gemeenteraden maken het voornemen tot een besluit
als bedoeld in het eerste lid bekend.
3. De openbare rechtspersoon oefent met uitzondering van de
besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en
bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Hij bezit rechtspersoonlijkheid.
4. De verordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in
een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden
benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op
bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn
ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de
jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het
bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden, en
g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt,
met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de
overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in
onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het
algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de
gemeente.
5. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt openbaar gemaakt.
6. De vergaderingen van het bestuur van de openbare rechtspersoon zijn
openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de
verordening.
7. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de
begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de
maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen.
8. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet
bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de
openbare rechtspersoon te ontbinden.
9. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het vierde lid niet
van toepassing en voorziet de verordening, bedoeld in het eerste lid,
onverminderd artikel 28i, in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht
van de openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de
raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden
en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
e. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, met dien verstande dat in de regeling een overheersende
invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het
vijfde, zesde en achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 51. Instandhouding openbare school door een stichting
1. Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de
gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel
stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet
te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs of openbare scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs.
2. De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in
het eerste lid bekend.
3. Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht
door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
4. Het statutaire doel van de stichting is uitsluitend het geven van
openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 49.
5. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de
opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het
bevoegd gezag uit.
6. Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in
een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden
benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op
bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn
ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de
jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het
bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden,
met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de
overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in
onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het
algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de
gemeente.
7. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.
8. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt openbaar gemaakt.
9. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
10. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de
begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de
maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen.
11. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet
bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de
stichting te ontbinden.
12. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet
van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 28i, in
ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht
van de stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de
raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden
en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van
toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 52. Bestuursoverdracht openbare scholen
1. De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de
instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon
die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht
geschiedt bij notariële akte.
2. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de
rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken
over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld
in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt
overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde
voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school
aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
4. Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de
verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en
verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van
bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar
burgerlijk recht is vereist.
Artikel 53. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school,
binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs te ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden, worden
ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren
onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 11, vierde lid, ten minste
moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen,
voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.
Artikel 54. Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs
Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door
kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van
godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door
volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke
grondslag.
Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt
gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring
van de aanwijzende instantie:
a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 32a, eerste
lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 55. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door
Gedeputeerde Staten
In afwijking van artikel 33, derde lid, zijn Gedeputeerde Staten van de
desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing
op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een
directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend
personeel van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van
de gemeente die de school in stand houdt.
Artikel 56. Akte van aanstelling; horen directeur bij aanstelling
personeel
1. Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag
getekende akte van aanstelling. De akte van aanstelling bevat in elk
geval:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de omvang van de betrekking;
f. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst
geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de
duur van de aanstelling;
g. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het
salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst
van het bevoegd gezag;
i. voor de personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis
nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent
geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet reeds
uit anderen hoofde is verzekerd.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de geschiktheidsverklaringen,
van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van
aanstelling van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.
3. De aanstelling van de adjunct-directeur en de leraren geschiedt, de
directeur gehoord.
4. Het eerste lid, aanhef en onder i, alsmede het tweede en derde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld
zonder aanstelling.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen
van het bijzonder onderwijs
Artikel 57. Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon
Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen
het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van
winst te beogen.
Artikel 58. Bestuursoverdracht
1. De rechtspersoon die de school in stand houdt, kan de instandhouding
van de school overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan
artikel 57. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
2. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de
rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen, alsmede de roerende zaken
over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in
artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt
overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde
voorwaarden als vermeld in de akte van benoeming, benoemt met ingang van
de datum van overdracht.
4. Door de overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt
de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten
en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de
school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar
burgerlijk recht is vereist.
5. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een school in stand houdt,
wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende
rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke verkrijgende
rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat. In het laatste
geval zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 59. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Onverminderd de artikelen 13 tot en met 16 kunnen de
onderwijsactiviteiten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs omvatten. Van de tijd daaraan te besteden, worden ten
hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs
dat de leerlingen krachtens artikel 11, vierde lid, ten minste moeten
ontvangen. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school
verbonden leraar.
Artikel 59a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 59b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 59c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 60. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige
gezindheid of levensbeschouwing
1. Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen
gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de
toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige
gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing,
indien de school uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.
2. Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet
worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs te volgen.
Artikel 60a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 60b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 61. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en
verwijdering en bezwaarprocedure
1. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van
artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het bevoegd
gezag deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door
toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in
dat artikellid.
2. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school hetzij weigert een
leerling toe te laten, hetzij een leerling verwijdert, op grond van
artikel 40, eerste lid en zesde lid, deelt het deze beslissing,
schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking
aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het
derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een
bijzondere school op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid,
beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de
leerling, onverminderd het zesde lid van dat artikel.
3. Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de
ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken
tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na
ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag
de ouders.
4. Het bevoegd gezag beslist niet eerder op de bezwaren dan:
a. na overleg met de inspecteur en desgewenst met andere deskundigen,
b. nadat de ouders kennis hebben kunnen nemen van de op de beslissing
betrekking hebbende adviezen of rapporten, en
c. de ouders opnieuw zijn gehoord.
Artikel 62. Akte van benoeming
1. De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud
als zijn vastgesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 33, tweede lid, onder a en b, voor zover deze geen
rechtstreekse aanspraak op het Rijk geven.
2. Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag en
hemzelf getekende akte van benoeming. De akte van benoeming bevat in elk
geval:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de benoeming;
d. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd;
e. de omvang van de betrekking;
f. de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst
geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de
duur van de benoeming;
g. de op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde schaal en het
salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst
van het bevoegd gezag;
i. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis
nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent
geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit
anderen hoofde is verzekerd.
3. De akte van benoeming bevat bepalingen inzake gronden voor schorsing,
ontslag en disciplinaire maatregelen.
4. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de geschiktheidsverklaringen,
van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van
benoeming van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.
5. Het tweede lid, aanhef en onder i, en het vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder
benoeming.
Artikel 63. Beroepsrecht personeel
1. Het bevoegd gezag is aangesloten bij een commissie van beroep. Het
personeel kan bij die commissie beroep instellen tegen een beslissing
van het bevoegd gezag inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel;
b. schorsing;
c. het direct of indirect onthouden van promotie;
d. het verminderen van de omvang van de betrekking;
e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, is bereikt;
f. de beslissing van het bevoegd gezag ten aanzien van een personeelslid
op basis waarvan op termijn vermindering van diens betrekkingsomvang kan
plaatsvinden;
g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie
voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing
op termijn kan leiden tot ontslag, vermindering van de betrekkingsomvang
of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een
personeelslid werkzaamheden zal verrichten.
2. Een beslissing als bedoeld in het vorige lid, aanhef, wordt
schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld. Daarbij wordt tevens vermeld
de beroepstermijn en het adres van de commissie waar het beroep kan
worden ingesteld.
3. Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.
Artikel 64. Beroepstermijn
1. Het beroep bedoeld in artikel 63, wordt schriftelijk ingesteld binnen
6 weken, nadat de beslissing aan betrokkene is medegedeeld. Bij
overschrijding van deze termijn ten gevolge van omstandigheden die de
betrokkene niet kunnen worden verweten, laat de commissie
niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege.
2. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen
verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van beslissingen
die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.
Artikel 65. Commissie van beroep personeel
1. Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over ten
minste 50 bijzondere scholen. Onze minister kan dit aantal lager
stellen.
2. Tot scholen bedoeld in het eerste lid, kunnen ook scholen voor
basisonderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs behoren.
3. De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden,
waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden worden gekozen door het
bevoegd gezag en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel
van de aangesloten scholen. Deze 4 leden kiezen het vijfde lid, tevens
voorzitter, en diens plaatsvervanger.
4. De leden en plaatsvervangende leden mogen niet behoren tot het
bevoegd gezag of het personeel van een aangesloten school of tot de
inspectie van het onderwijs.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de samenstelling en de werkwijze van de commissie van
beroep.
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare
kassen bekostigd onderwijs
Afdeling 1. Fusietoets
Artikel 66. Begripsbepalingen
1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. fusie: een bestuurlijke of institutionele fusie,
b. institutionele fusie: een fusie waarbij een school ontstaat door
samenvoeging van twee of meer scholen,
c. bestuurlijke fusie: een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de
instandhouding van een school, een school als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs dan wel de Wet op het voortgezet onderwijs overdragen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op het instellen
van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, eerste lid,
eerste volzin of de instandhouding van een of meer openbare scholen door
een stichting als bedoeld in artikel 51, eerste lid.
Artikel 66a. Goedkeuring
Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is
verleend door Onze minister.
Artikel 66b. Aanvraag en fusie-effectrapportage
1. De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk dienen
een aanvraag in bij Onze minister voor het verkrijgen van de
goedkeuring, bedoeld in artikel 66a. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde
fusie-effectrapportage, en
b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie door de
medezeggenschapsraden dan wel de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraden, dan wel
c. de bindende uitspraak van de geschillencommissie, bedoeld in artikel
32, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen, dan wel de
bindende uitspraak van de ondernemingskamer, bedoeld in artikel 36,
derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen.
2. De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. de motieven voor de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de
effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en
scholen in het voedingsgebied, de onderwijskundige en bestuurlijke
diversiteit van het onderwijsaanbod in het voedingsgebied,
f. de kosten en baten van de fusie,
g. de gevolgen van de fusie voor het personeel en leerlingen, waaronder
begrepen de gevolgen voor de voorzieningen,
h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd,
i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd, en
j. een advies van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten
over de wenselijkheid van de voorgestelde fusie.
3. Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de
fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 66c. Toets
1. Onze minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de
fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, in het
bijzonder ten aanzien van de evenwichtige spreiding van de
onderwijsvoorzieningen binnen het voedingsgebied, op significante wijze
wordt belemmerd.
2. Onze minister verleent slechts goedkeuring aan een bestuurlijke fusie
als bedoeld in artikel 17, indien daardoor de continuïteit van het
openbaar of het bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven en met de
bestuurlijke fusie wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van de artikelen 147 en 148 wordt opgeheven of
niet meer voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd gezag van de
betreffende school toont dat aan op basis van een prognose van de
ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die school
binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of niet meer
te worden bekostigd.
3. Onze minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in
het eerste en tweede lid, adviseren door een onafhankelijke
adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld
in de eerste volzin.
4. Onze minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 66d. Toetstermijn en verlenging
1. Onze minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in
artikel 66b.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste met 13 weken
worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken bedoeld
in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Artikel 67. Schoolwijken
1. De gemeenteraad is bevoegd uitsluitend in het belang van een
doelmatige spreiding van de leerlingen over de openbare scholen, het
grondgebied van de gemeente in schoolwijken te verdelen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt voor ten minste 3
schooljaren, met dien verstande dat tussentijdse wijziging mogelijk is
in geval van veranderingen in het scholenbestand. Burgemeester en
wethouders zenden binnen 4 weken nadat het besluit is genomen afschrift
daarvan aan gedeputeerde staten.
3. De toelating tot een openbare school geschiedt in overeenstemming met
de vastgestelde schoolwijken, tenzij door de ouders van de leerling, dan
wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, door de
leerling, schriftelijk aan het bevoegd gezag te kennen wordt gegeven dat
toelating in een andere schoolwijk wordt gewenst.
Artikel 68. Overlegorgaan s.o. – b.o. en overlegorgaan v.s.o. – v.o.
1. Vertegenwoordigers van het speciaal onderwijs en het basisonderwijs
kunnen ten behoeve van de scholen die zij vertegenwoordigen een
overlegorgaan oprichten met het doel de samenwerking tussen die scholen
te bevorderen ten aanzien van de toelating van leerlingen en de
inrichting van het onderwijs.
2. Met betrekking tot het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
artikel 2 en het voortgezet onderwijs is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
3. Aan de vertegenwoordiging van de aan het overleg deelnemende scholen
zal in ieder geval een vertegenwoordiging van de ouders en van de
leraren deelnemen.
Artikel 69. Centrale dienst
1. Op het personeel van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die
a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan niet met een
of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op
het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling,
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, uitsluitend ten doel
stelt om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit
's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter
verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het
leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van
werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding,
c. niet het maken van winst beoogt,
d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde
gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder begrepen de
bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid,
of artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs, en
e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit
artikel werkzaam te willen zijn,
zijn van toepassing de in artikel 33 bedoelde voorschriften en regels.
Voor de toepassing van de eerste volzin, onder b, wordt onder het geven
van onderwijs niet begrepen het onderwijs dat wordt gegeven door
personeel dat is benoemd of aangesteld op bekostiging voor
zorgvoorzieningen als bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel
132, van de Wet op het primair onderwijs.
2. Onder bevoegd gezag en bevoegde gezagsorganen in het eerste lid
onderdeel a wordt mede verstaan burgemeester en wethouders.
3. Het bestuur van de rechtspersoon is aangesloten bij een commissie van
beroep als bedoeld in artikel 63. De leden en plaatsvervangende leden
van een commissie van beroep mogen niet behoren tot het bestuur of het
personeel van de rechtspersoon.
4. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen delen
Onze minister mede dat zij het bestuur vormen van een rechtspersoon in
de zin van dit artikel. Voorts verschaffen zij Onze minister en de door
hem aangewezen personen desgevraagd alle inlichtingen omtrent de
rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het eerste lid onder a
bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze minister mededelen dat zij
erin toestemmen dat de gevraagde inlichtingen rechtstreeks door het
bestuur van de rechtspersoon zelf aan Onze minister en de door hem
aangewezen personen worden verschaft.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag dat deel uitmaakt van
het bestuur van de rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de
in de voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.
6. De artikelen 37, 38, 63 en 64 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het personeel van de rechtspersoon met dien verstande dat
een geschillencommissie haar werkzaamheden uitstrekt over ten minste
vijf rechtspersonen als bedoeld in dit artikel.
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 70. Grondslag bekostiging
1. De openbare en de bijzondere scholen worden door het Rijk bekostigd
volgens de bepalingen van deze titel met uitzondering van afdeling 3.
Geen bekostiging vindt plaats indien groepen van leerlingen van
verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag
gezamenlijk onderwijs ontvangen. De bedragen die de gemeente krachtens
deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt, blijven ten
laste van de gemeente.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven ter uitvoering van het eerste lid. Deze algemene maatregel van
bestuur bevat in elk geval een regeling omtrent de termijnen binnen
welke besluiten moeten worden genomen.
3. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, bevat
tevens:
a. een regeling omtrent de betaling van de bedragen van de bekostiging
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
voortvloeiende uit het gebruik door een school van voorzieningen die
voor meer dan een school of voor andere doeleinden zijn bestemd;
b. een financiële regeling tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen
die personeel in dienst hebben dat niet door het Rijk wordt bekostigd
ter zake van een korting op de bekostiging ter compensatie van de kosten
van de voor dat personeel geldende rechtspositionele voorzieningen, voor
zover deze ten laste van 's Rijks kas komen.
4. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, wordt
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is
niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer
te kennen is gegeven dat van de procedure bedoeld in de eerste 3
volzinnen, kan worden afgeweken.
5. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de bekostiging van scholen.
Artikel 71. Aanvullende middelen
Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende
middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van
het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve
daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering
van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan
het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het
verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van
de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 71a. Bekostiging regionaal expertisecentrum
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met
betrekking tot de bekostiging van een regionaal expertisecentrum, welke
regels per cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid, verschillend
kunnen zijn.
2. Grondslag voor de bekostiging van een regionaal expertisecentrum is
naast een vaste voet, het aantal scholen dat deelneemt aan dat regionaal
expertisecentrum en het aantal leerlingen ten behoeve van wie in de
periode van 12 maanden direct voorafgaand aan 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar op grond van artikel 28c, eerste lid, dan wel op
grond van artikel 70b, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs
dan wel op grond van artikel 77b, eerste lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs een bevestigende beoordeling is gegeven, verhoogd
met een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld percentage, dat
afhankelijk is van het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid,
waartoe het regionaal expertisecentrum behoort.
3. Op de bekostiging van het regionaal expertisecentrum worden de
uitgaven in mindering gebracht die Onze minister doet voor een ten
behoeve van dat regionaal expertisecentrum ingestelde ministeriële
commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28d.
Artikel 71b. Scholengemeenschap
1. In een scholengemeenschap zijn tot één school verenigd scholen van
de soort die tot hetzelfde cluster of dezelfde clusters, bedoeld in
artikel 2, vierde lid onder b, c en d, behoren.
2. De bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften die gelden voor de
onderwijssoort waartoe een deel van de scholengemeenschap behoort, zijn
van overeenkomstige toepassing op dat deel van de scholengemeenschap.
3. Deartikelen 28j, tweede lid, en 75 tot en met 88 zijn niet van
toepassing indien twee of meer scholen worden verenigd tot een
scholengemeenschap.
4. De directeur, onderscheidenlijk de adjunct-directeur of
adjunct-directeuren, kan slechts een van de directeuren
onderscheidenlijk kunnen slechts een of meer van de adjunct-directeuren
van de scholen zijn die tot de scholengemeenschap worden verenigd,
tenzij geen van de betrokkenen de desbetreffende functie wenst te
aanvaarden.
Artikel 71c. Bekostiging leerlingen residentiële instellingen
1. Het bevoegd gezag dat op zijn school niet zijnde een instelling,
onderwijs verzorgt aan leerlingen van een residentiële instelling wordt
in aanmerking gebracht voor bekostiging op grond van artikel 112 en
artikel 117, zevende lid, indien het bevoegd gezag met die residentiële
instelling een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten.
2. Onder een residentiële instelling als bedoeld in het eerste lid,
wordt verstaan een instelling voor gehandicaptenzorg, jeugdhulpverlening
of jeugdgezondheidszorg dan wel een justitiële jeugdinrichting, waarbij
behandeling of opvang en onderwijs vanuit één plan noodzakelijk is
vanwege de aard of de duur van de behandeling of opvang.
3. Het bevoegd gezag doet Onze minister binnen een maand na de
totstandkoming van de overeenkomst dan wel beëindiging ervan een
afschrift toekomen van de overeenkomst dan wel deelt de datum waarop de
overeenkomst is beëindigd mee.
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 72a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 72b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 73. Instandhouding openbare scholen door een stichting of een
openbare rechtspersoon
1. Voor de toepassing van deze titel zijn de voorschriften die
betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing
op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als
bedoeld in artikel 51 of een openbare rechtspersoon als bedoeld in
artikel 50, tenzij het tegendeel blijkt.
2. Indien een openbare school in stand wordt gehouden door een stichting
of een openbare rechtspersoon, wordt deze aangemerkt als een door de
gemeente in stand gehouden openbare school voor de toepassing van
afdeling 2 en afdeling 8.
Artikel 73a. Afwijking van de reguliere bekostiging
1. Onze minister kan op aanvraag van een bevoegd gezag besluiten dat,
met het oog op de ontwikkeling door scholen van instrumenten voor
planning en beheer, de artikelen 120, tweede en derde lid, 124, 143 en
144 niet van toepassing zijn op de bekostiging van de scholen van dat
bevoegd gezag. Voor een dergelijk besluit komen ten hoogste tien
bevoegde gezagsorganen in aanmerking. Onze minister kan een tijdstip
vaststellen voor welke de aanvragen moeten worden ingediend.
2. Onze minister bepaalt bij zijn besluit welke regelen en voorwaarden
voor de bekostiging zullen gelden in plaats van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen, genoemd in het eerste lid, alsmede de wijze van
bekostiging. Onze minister kan aan het besluit voorschriften verbinden
omtrent het afleggen van rekening en verantwoording van het financieel
beheer, alsmede, zo nodig in afwijking van het bepaalde krachtens
artikel 168, tweede volzin, omtrent de inrichting van de boekhouding.
3. Onze minister stelt, na overleg met de aanvrager, een ontwerp op van
het besluit en zendt dit ontwerp aan de aanvrager. Indien de aanvrager
zijn aanvraag niet binnen twee weken na verzending van het ontwerp van
het besluit door Onze minister heeft ingetrokken, besluit Onze minister
overeenkomstig het ontwerp.
4. Voor zover nodig neemt Onze minister, na overleg met de gemeente of
gemeenten die het aangaat, een besluit omtrent toepassing van de
overschrijdingsregeling, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 142,
door de gemeente of gemeenten waar een of meer scholen waarop een
besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, gevestigd zijn.
Onze minister kan daarbij afwijken van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 136 tot en met 142.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van
ten hoogste vier jaren.
6. Indien voor het einde van de geldigheidsduur van het besluit een
voorstel van wet tot invoering van lumpsumbekostiging voor de personeels-
en exploitatiekosten van scholen als bedoeld in deze wet bij de
Staten-Generaal wordt ingediend, kan de minister het besluit, bedoeld in
het eerste lid, na overleg met het bevoegd gezag, zodanig aanpassen en
in afwijking van het vijfde lid verlengen, dat een goede overgang wordt
gewaarborgd naar het bekostigingssysteem dat geldt op het moment waarop
de periode eindigt waarop het besluit betrekking heeft.
Artikel 74. Begripsbepaling van «school»
In deze titel wordt onder «school» verstaan een school of afdeling als
bedoeld in artikel 8, tenzij het tegendeel blijkt.
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
Artikel 75. Tijdelijke afwijking
1. De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen
datum niet van toepassing.
2. Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze minister op verzoek van
het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school
voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een
uitzonderlijke bevolkingstoename,
b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een
reeds bekostigde school,
c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een
gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een
gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met
onderwijs van een of meer andere richtingen,
f. sprake is van voor bekostiging in aanmerking brengen van een
samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 28j,
g. sprake is van stichting van scholen die overeenkomen met de scholen
waaruit een opgeheven samenwerkingsschool is ontstaan, of
h. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor
speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs.
3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is met redenen omkleed en
gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid.
Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a
tot en met e, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de
school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van
het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze
minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h,
willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij
toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het
eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door
provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe
scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als
bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze minister het verzoek
slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en
derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door
provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe
scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de
leerlingaantallen als bedoeld in artikel 147 en artikel 148 worden
toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede
lid, onder g, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de
school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op
grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door
provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe
scholen zou worden opgenomen.
4. Een school die is opgenomen in een door Onze minister goedgekeurd of
vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en
1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is
opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het
onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
Artikel 76. Bekostiging na beslissing in beroep
Indien beroep is ingesteld in verband met de plannen van nieuwe scholen
voor de jaren 1986 tot en met 1994 en op grond van de artikelen 79,
derde lid, 80, derde lid, 83, vijfde lid, 84, achtste lid, en 86, vierde
lid, de uitspraak zou hebben geleid tot opneming van een school in het
eerstvolgende plan, brengt Onze Minister deze school voor bekostiging in
aanmerking in het eerste jaar van de planperiode waarop dat plan
betrekking zou hebben gehad. Zodra de bekostiging van een school een
aanvang kan nemen, beslist Onze Minister bij beschikking met ingang van
welk tijdstip dit kan geschieden. De bekostiging kan na een beschikking
van Onze minister als bedoeld in de vorige volzin, slechts aanvangen per
1 augustus van een schooljaar.
Artikel 76a. Plan regionaal expertisecentrum voor nevenvestigingen en
verbrede toelating
1. Indien een bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling,
wenst over te gaan tot het inrichten van een nevenvestiging of tot het
toelaten van leerlingen, die door een commissie voor de
indicatiestelling toelaatbaar zijn verklaard tot een andere
onderwijssoort dan de onderwijssoort die door de school wordt verzorgd,
dient het bevoegd gezag voor 1 februari een daarop betrekking hebbend
verzoek tot opneming in het in het derde lid bedoelde plan in bij het
regionaal expertisecentrum.
2. [Vervallen.]
3. Voor 1 augustus volgend op de in het eerste lid genoemde datum stelt
het regionaal expertisecentrum op basis van de in het eerste lid
bedoelde verzoeken een plan vast met betrekking tot de vestiging van
nevenvestigingen en tot het toelaten van leerlingen tot scholen van een
andere onderwijssoort dan waarvoor de leerlingen toelaatbaar zijn
verklaard.
4. Het regionaal expertisecentrum neemt een verzoek slechts in het plan
op, indien het daarover overeenstemming heeft bereikt:
a. voor zover het een nevenvestiging betreft: met de bevoegde
gezagsorganen die deelnemen aan het regionaal expertisecentrum, alle
aangrenzende regionale expertisecentra van hetzelfde cluster en de
gemeente waar die nevenvestiging zal worden gevestigd, en
b. voor zover het betreft het toelaten van leerlingen, die door een
commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar zijn verklaard tot een
andere onderwijssoort dan de onderwijssoort die door de school wordt
verzorgd: met de bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan het regionaal
expertisecentrum, alle aangrenzende regionale expertisecentra van
hetzelfde cluster, en, voor zover het betreft toelating van leerlingen
die toelaatbaar zijn verklaard tot een onderwijssoort van een ander
cluster, met de bevoegde gezagsorganen van de regionale expertisecentra
van het andere cluster waarvan de gebieden grenzen aan, of geheel of
gedeeltelijk samenvallen met, het gebied van het regionaal
expertisecentrum.
5. Binnen 2 weken na de vaststelling van het plan, wordt het plan
tezamen met de gegevens waaruit de in het vierde lid bedoelde
overeenstemming blijkt, ter goedkeuring aan Onze minister gezonden.
6. Onze minister beslist voor 1 december daaropvolgend. Indien Onze
minister de inrichting van een nevenvestiging goedkeurt, vangt de
bekostiging van die nevenvestiging aan op 1 augustus volgend op de
goedkeuring. Voor de bekostiging wordt de nevenvestiging aangemerkt als
deel van de school die de nevenvestiging in stand houdt. Indien Onze
minister de toelating goedkeurt van leerlingen die toelaatbaar zijn
verklaard tot een andere onderwijssoort, is die toelating mogelijk vanaf
1 augustus volgend op de goedkeuring.
7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor scholen waarbij,
ingevolge een goedkeuring van Onze minister, leerlingen zijn
ingeschreven die door een commissie voor de indicatiestelling
toelaatbaar zijn verklaard tot een andere onderwijssoort, de bekostiging
met betrekking tot die leerlingen vastgesteld.
Artikel 76b. Nevenvestiging instellingen
1. Indien een bevoegd gezag van een instelling wenst over te gaan tot
het inrichten van een nevenvestiging en het daarover overeenstemming
heeft bereikt met de andere instellingen en de gemeente waar die
nevenvestiging zal worden gevestigd, dient het bevoegd gezag voor 1
februari een daarop betrekking hebbend verzoek met de gegevens waaruit
de bedoelde overeenstemming blijkt, in bij Onze minister.
2. Onze minister beslist voor 1 april daaropvolgend. Indien Onze
minister de inrichting van een nevenvestiging goedkeurt, vangt de
bekostiging van die nevenvestiging aan op 1 augustus volgend op de
goedkeuring. Voor de bekostiging wordt de nevenvestiging aangemerkt als
deel van de instelling die de nevenvestiging in stand houdt.
Artikel 77. Plan van nieuwe scholen
De bekostiging van een school kan slechts een aanvang nemen, indien zij
voorkomt op een plan van nieuwe scholen, vastgesteld volgens de
bepalingen van deze afdeling.
Artikel 78. Vaststelling plan door provinciale staten
1. Provinciale staten stellen op voordracht van gedeputeerde staten, al
dan niet in samenwerking met provinciale staten van een of meer andere
provincies, jaarlijks voor 1 augustus een plan van nieuwe scholen in de
provincie van vestiging vast voor de scholen voor slechthorende
kinderen, voor lichamelijk gehandicapte kinderen, scholen voor langdurig
zieke kinderen, scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen, scholen
voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen en scholen voor meervoudig
gehandicapte kinderen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar
van vaststelling voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking
dienen te worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een
evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen in de betrokken provincie.
Het plan behoeft de goedkeuring van Onze minister.
2. Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken
bedoeld in artikel 81. Tevens bezien provinciale staten bij de
vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan
openbaar onderwijs. Provinciale staten betrekken bij de vaststelling van
het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen.
3. Het plan vermeldt van elke school of het betreft:
a. een school voor speciaal onderwijs;
b. een school voor voortgezet speciaal onderwijs;
c. een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
d. een afdeling.
Het plan vermeldt tevens de schoolsoort, de plaats van vestiging en de
te verwachten omvang, alsmede welke scholen in het eerste jaar van de
planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de
overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen.
4. Bij de goedkeuring van Onze minister van het plan treden voor de
toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht
gedeputeerde staten in de plaats van het bevoegd gezag van de bijzondere
scholen.
Artikel 79. Scholen uit voorgaand plan
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de
scholen uit het voorafgaande plan opgenomen die:
a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht;
b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het
onderwijs nog niet is aangevangen.
2. Uit het voorafgaande plan wordt een school niet opgenomen:
a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten
vervallen;
b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in
het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor
bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op
grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd
is;
c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden
hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren
en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden
hebben geleid.
3. Indien beroep is ingesteld tegen een besluit krachtens het tweede
lid, onderdeel c, en de uitspraak strekt tot opneming van een school in
het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de
uitspraak vast te stellen plan.
Artikel 80. Achterwege blijven vaststelling plan
1. De vaststelling van een plan blijft achterwege, indien:
a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der
ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,
b. provinciale staten besluiten dat vermeerdering van het aantal
openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk is en
c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in
aanmerking komen.
2. Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft de goedkeuring
van Onze minister. Het wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de
betrokken planperiode aan Onze minister gezonden. Artikel 84, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een besluit van de minister, houdende weigering van de
goedkeuring onherroepelijk is geworden, nemen provinciale staten de
openbare school op in het eerste na een zodanig besluit vast te stellen
plan.
4. Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het
eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken
planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.
Artikel 81. Verzoek om opneming in plan van scholen
1. Een verzoek om opneming in het plan wordt voor 1 februari van het
jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend
door de gemeenteraad of door ouders, indien het een openbare school
betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school
betreft.
2. Elk verzoek is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
b. de beschrijving van het voedingsgebied,
c. de aanduiding van de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven,
d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en
e. indien het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft,
een opgave van de handicaps van de leerlingen waarvoor de school is
bestemd.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
Artikel 82. Overleg tussen gedeputeerde staten en aanvrager
Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat een andere school dan
gevraagd wordt, dan wel een andere plaats van vestiging meer in
overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen
in de provincie, treden zij, alvorens het plan ter vaststelling voor te
dragen, in overleg met de aanvrager.
Artikel 82a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 83. Opneming school in plan
1. In het plan worden in elk geval opgenomen de scholen waarvan
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling
voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens
statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste het volgende
aantal leerlingen:
a. de school voor speciaal onderwijs: 60 leerlingen;
b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 42 leerlingen;
c. de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 81
leerlingen;
d. de afdeling: 15 leerlingen.
Tot het totaal aantal leerlingen bedoeld onder c, behoren ten minste 21
leerlingen die in aanmerking komen voor het volgen van voortgezet
speciaal onderwijs.
2. In het plan kunnen scholen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs
kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de
desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens
statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste het volgende
aantal leerlingen:
a. de school voor speciaal onderwijs: 40 leerlingen;
b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 32 leerlingen;
c. de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 55
leerlingen;
d. de afdeling: 10 leerlingen.
Tot het aantal leerlingen bedoeld onder c behoren ten minste 14
leerlingen die in aanmerking komen voor het volgen van voortgezet
speciaal onderwijs.
3. Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid worden niet in
aanmerking genomen:
a. de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte
beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school waar het verlangde
onderwijs wordt gegeven, tenzij deze school uitsluitend voor interne
leerlingen is bestemd;
b. leerlingen die in een andere provincie woonachtig zijn en bij de
vaststelling van een plan in die provincie in aanmerking worden genomen.
4. Tegen een besluit van provinciale staten om een verzoek tot opneming
in het plan van een bijzondere of een openbare school niet in te
willigen, kan iedere belanghebbende administratief beroep instellen bij
Onze minister.
5. Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een
uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar
aanleiding daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor
bekostiging in aanmerking brengen van de school, nemen provinciale
staten de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of
het besluit vast te stellen plan.
Artikel 84. Goedkeuring plan door minister
1. Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet
zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door
gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan
alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter
goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken
na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de
provinciale griffie.
2. Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan
Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken
en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
3. Onze minister besluit met inachtneming van het beroepschrift bedoeld
in artikel 83, vierde lid, voor 1 december van het jaar voorafgaande aan
de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan
provinciale staten gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 december
heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.
4. Onze minister onthoudt zijn goedkeuring indien en voor zover:
a. provinciale staten ten onrechte vermeerdering van het aantal openbare
scholen in de planperiode niet noodzakelijk hebben geacht;
b. opneming van een school in het plan niet noodzakelijk is omdat de
opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen toereikend is
dan wel niet in overeenstemming is met het tot stand brengen van een
evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat de school zal worden bezocht door het in artikel
83, eerste lid, bedoelde aantal leerlingen;
c. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses;
d. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet
is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt in het eerste
jaar van de planperiode.
5. Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a
draagt Onze minister provinciale staten op alsnog een openbare school in
het plan op te nemen.
6. Bij onthouding van goedkeuring op grond van het vierde lid onder d
draagt Onze minister provinciale staten op de bekostiging van de school
in het eerste jaar van de planperiode in het plan op te nemen.
7. Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een
school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister dit besluit
binnen 2 weken mee aan de indiener van het verzoek om opneming van de
betrokken school in het plan.
8. Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het
zevende lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het
besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een
school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste
na de uitspraak vast te stellen plan.
9. Zodra het plan onherroepelijk is vastgesteld, dragen gedeputeerde
staten zorg voor bekendmaking in de Staatscourant en het provinciaal
blad.
10. Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een
aanvang kan nemen, besluit Onze minister bij beschikking, met ingang van
welk tijdstip dit kan geschieden.
Artikel 85. Verplichting tot stichting openbare school
Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht
tot stichting van de daarop geplaatste scholen voor openbaar onderwijs.
Artikel 86. Vaststelling plan door minister
1. Onze minister stelt jaarlijks voor 1 oktober een plan van nieuwe
scholen vast voor de scholen voor dove kinderen, scholen voor kinderen
met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen verbonden aan pedologische
instituten en instellingen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het
jaar van de vaststelling, voor bekostiging uit de openbare kassen in
aanmerking zullen worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot
een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
2. Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken
bedoeld in artikel 81. Tevens beziet Onze minister bij de vaststelling
van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar
onderwijs. Onze minister betrekt bij de vaststelling van het plan de
opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen. Indien
verzoeken niet zijn ingewilligd, maakt Onze minister dit besluit binnen
2 weken bekend aan de indieners van het verzoek om opneming van de
betrokken school in het plan.
3. Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde in de artikelen
78, derde lid, 79, 80, eerste en vierde lid, 81, 82 en 85, alsmede,
behoudens voor instellingen, het bepaalde artikel 83, eerste en tweede
lid, en artikel 83, derde lid onder a, van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor «provinciale staten» of «gedeputeerde
staten» telkens wordt gelezen: Onze minister. In het plan worden in elk
geval opgenomen de instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende
schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens
zullen worden bezocht door ten minste 300 leerlingen, dan wel dat zij
blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200
leerlingen en begeleiding als bedoeld in artikel 9, onder b, zullen
verstrekken aan ten minste 100 leerlingen. In het plan kunnen
instellingen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende
schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens
zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen. Bij de toepassing
van de vorige twee volzinnen worden voor de bepaling van het aantal
leerlingen dat een instelling zal bezoeken niet in aanmerking genomen de
leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar
zal zijn op een andere instelling, tenzij deze uitsluitend voor interne
leerlingen is bestemd.
4. Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het
derde lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het
besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een
school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste
na de uitspraak vast te stellen plan.
5. Het plan wordt binnen 4 weken na de vaststelling bekendgemaakt in de
Staatscourant.
6. Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang
kan nemen, beslist Onze minister bij beschikking, met ingang van welk
tijdstip dit kan geschieden.
Artikel 87. Bekostiging van op plan voorkomende scholen
1. Scholen die gedurende 3 achtereenvolgende jaren in het plan zijn
opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, worden
in het daaropvolgende jaar voor bekostiging in aanmerking gebracht.
2. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, derde lid, of
artikel 84, achtste lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen,
vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het
eerste jaar van het plan waarin de school was opgenomen. Ten aanzien van
een school die ingevolge artikel 83, vierde lid, of artikel 86, vierde
lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd
in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan
waarvoor het verzoek werd ingediend.
Artikel 88. Nadere voorschriften voor uitvoering afdeling 2
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
gegeven voor de uitvoering van deze afdeling.
2. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, wordt
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is
niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer
te kennen is gegeven dat van de procedure bedoeld in de eerste 3
volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 88a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88i [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88j [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88k [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88l [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88m [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 88n [Vervallen per 01-08-1998]
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 89. Voorziening in huisvesting door de gemeente
1. De gemeenteraad draagt onderscheidenlijk burgemeester en wethouders
dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en
ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg
voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de
gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Hij behandelt
onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de door de gemeente in stand
gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen
op gelijke voet.
2. Voor de toepassing van deze afdeling worden onder een niet door de
gemeente in stand gehouden school mede begrepen een op het grondgebied
van de gemeente gelegen nevenvestiging als bedoeld in artikel 76a en
artikel 76b en een op het grondgebied van de gemeente gelegen
nevenvestiging van een instelling, genoemd in artikel X van de Wet van
31 mei 1995 (Stb. 319), waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van
een andere gemeente is gelegen.
Artikel 90. Voorzieningen in de huisvesting
1. Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de
huisvesting begrepen:
a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde
voorzieningen, bestaande uit:
1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan,
verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan,
terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en
meubilair,
2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs, dan
wel een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
b. voorzieningen, bestaande uit:
1°. aanpassingen met uitzondering van het aanbrengen van een
invalidentoilet en het toegankelijk maken van het gebouw voor
gehandicapten, en
2°. vervanging binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en
sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor
de centrale verwarming alsmede onderhoud aan de buitenzijde van het
gebouw met uitzondering van het buitenschilderwerk;
c. herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en
vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en
meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per
gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de
huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per
schoolsoort verschillend worden vastgesteld.
Artikel 91. Vaststelling door burgemeester en wethouders van
bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks ten behoeve van het
eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een
bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de
huisvesting voor:
a. scholen,
b. basisscholen,
c. speciale scholen voor basisonderwijs, en
d. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend
beroepsonderwijs.
2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs
kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde
scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 92. Indiening aanvraag
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag
voor opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel
93, in bij burgemeester en wethouders.
2. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van voorzieningen als
bedoeld in artikel 90 bekostiging verstrekken ter zake van de kosten van
bouwvoorbereiding.
3. Burgemeester en wethouders stellen vast, voor welk tijdstip de
aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de
gemeente in stand gehouden scholen.
Artikel 92a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 92b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93. Programma huisvestingsvoorzieningen
1. Burgemeester en wethouders stellen, na overleg met de bevoegde
gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in
de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied
van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een programma als
bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op
scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onderdelen a tot en met
d.
2. Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in
artikel 90, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor
bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de
gemeente in stand gehouden scholen en voorzieningen die nodig zijn voor
door de gemeente in stand gehouden scholen.
3. Burgemeester en wethouders nemen uitsluitend voorzieningen in de
huisvesting in het programma op, voor zover:
a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van
vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden
gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar
kunnen worden gerealiseerd, en
b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 98, van
toepassing is.
4. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 91, niet
toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die
uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde
wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 100,
eerste lid, onderdeel c.
5. De beschikking van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de
gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst
omvatten.
6. Burgemeester en wethouders kunnen aan de opneming in het programma
voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of
buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
7. Burgemeester en wethouders nemen bij de vaststelling van het
programma de criteria, bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel c,
in acht.
8. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treden
burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de
wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt,
delen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat zij niet
kunnen instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van
uitvoering.
9. Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kunnen burgemeester en
wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de
vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot
de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek
wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit
eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen
waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken
uitgebracht aan burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend
gemaakt tezamen met het programma.
Artikel 93a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93e.1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93e.2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 94. Overzicht
Burgemeester en wethouders stellen gelijktijdig met het programma,
bedoeld in artikel 93, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied
van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een overzicht vast
van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel die nodig zijn, die
niet op het programma zijn opgenomen.
Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet
zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht
heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid,
onderdelen a tot en met d.
Artikel 95. Geen vaststelling van programma en overzicht
Burgemeester en wethouders stellen geen programma als bedoeld in artikel
93 en geen overzicht als bedoeld in artikel 94 vast, indien geen
voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend
voor scholen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onderdelen a tot en
met d.
Artikel 96. Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het
programma, bedoeld in artikel 93, is opgenomen, maar die gelet op de
voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag
om bekostiging van die voorziening in bij burgemeester en wethouders.
2. De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel
een andere voorziening dan gewenst omvatten. Burgemeester en wethouders
wijzen de aanvraag af, indien:
a. het besluit over de voorziening kan worden genomen bij de
vaststelling van het eerstvolgende programma, of
b. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 98, eerste lid,
onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.
Artikel 97. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op
bekostiging
1. Burgemeester en wethouders beslissen bij beschikking met ingang van
welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het
programma, bedoeld in artikel 93, de bekostiging van een voorziening die
in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen,
onverminderd het bepaalde in artikel 99.
2. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet
binnen een in de verordening op basis van artikel 100 te bepalen termijn
na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de
voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 98. Weigeringsgronden
1. Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:
a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 90,
b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard
en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt,
voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen,
bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel b,
c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige
ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 100,
eerste lid, onderdelen c en d,
d. op andere wijze dan wordt gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan
huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke
afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel
medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking
gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 91, niet toereikend is
voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a tot en met d, van dat artikel, of
f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot
en met d niet noodzakelijk is.
2. Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien
de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk
onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de
voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door
schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
Artikel 99. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
omstandigheden
Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 93, zijn
opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip
dat daarvoor op grond van artikel 97, eerste lid, is vastgesteld,
a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en
b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte
van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 100. Gemeentelijke regeling
1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met
betrekking tot:
a. de voorzieningen die ingevolge artikel 90 voor bekostiging in
aanmerking kunnen worden gebracht,
b. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,
c. de urgentiecriteria,
d. de prognosecriteria,
e. de termijn bedoeld in artikel 97,
f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van
ruimten voor het onderwijs,
g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of
nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van
artikel 108, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te
maken staat van onderhoud, en
h. de gegevens bedoeld in artikel 110.
2. De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de
redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de
gemeente stelt.
3. De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de bedragen
worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting.
4. Burgemeester en wethouders betalen volgens door hen te stellen regels
de bedragen aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde normen.
5. De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel
een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming
gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de
niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te
wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure
vast.
6. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de
Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling
of wijziging van de gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid
van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan
indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen
beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover
advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht
aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met de
verordening of de wijziging daarvan.
Artikel 101. Bouwheerschap
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond
van de artikelen 93 en 96 kan worden overgegaan, tot stand te brengen
met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het
met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze
voorziening tot stand brengt.
2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door
de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden
gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij
burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.
3. Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid,
niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geven burgemeester
en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 102. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door de
gemeente in stand gehouden school
Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de
huisvesting, met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente
deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de
desbetreffende begrotingen de instemming van burgemeester en wethouders.
Artikel 102a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102a1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102a2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102i [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102j [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 102k [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 103. Totstandbrenging voorziening voor een niet door de gemeente
in stand gehouden school
De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door
de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen
burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat
over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.
Artikel 103a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 104. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de
roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te
gebruiken en te onderhouden.
2. Vervreemding door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in
stand gehouden school anders dan op grond van artikel 52 of artikel 58,
van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt
genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van
een niet door de gemeente in stand gehouden school van zodanige gebouwen
en terreinen, is zonder toestemming van burgemeester en wethouders
nietig.
3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van
opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke
voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd
gezag van de betrokken school.
Artikel 104a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 104b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105. Vorderingsrecht
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gedeelte van een gebouw
of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig
zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als
huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas
bekostigd onderwijs niet zijnde speciaal onderwijs en voortgezet
speciaal onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of
recreatieve doeleinden te bestemmen. Het voorgenomen gebruik dient zich
te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.
Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van het
onderwijs in lichamelijke oefening of expressie-activiteiten, dan wel
ten behoeve van watergewenning of bewegingstherapie een gebouw of
terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten
van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde
school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor
ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde speciaal
onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, of voor educatie als bedoeld
in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele,
maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.
2. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de
gemeente in stand gehouden school, plegen burgemeester en wethouders
vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook
met het bevoegd gezag van die school of nevenvestiging waarvoor de
huisvesting is bestemd.
Artikel 106. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1. Voor zover artikel 105 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag
een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van
uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele,
maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor
uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een
gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover
het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin
van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand
gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en
wethouders vereist.
2. De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:
a. indien burgemeester en wethouders gebruik maken van hun bevoegdheid
op grond van artikel 105 zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of
b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor
gebruik door de eigen school.
3. Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet
indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan
de in het gebouw gevestigde school.
4. Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is artikel
230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
5. Het zonder toestemming van burgemeester en wethouders verhuren van
een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school alsmede elk met dit artikel strijdig
beding opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot
schoolgebouwen, is nietig.
Artikel 106a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106i [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106j [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106k [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 107. Voorziening niet ten laste van de gemeente
Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens
de artikelen 106 of 108 door het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school, komen niet ten laste van de gemeente.
Artikel 107a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 108. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de
gemeente in stand gehouden school
1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en
terrein, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag
blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of
terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor
de school te gebruiken.
2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het eerste lid desgevraagd besluiten dat het bevoegd
gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw
of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan,
voor de school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt gedaan
door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school.
Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten de
wederpartij.
3. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan,
blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld
mededeling aan burgemeester en wethouders.
4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het
tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit
onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als
bedoeld in artikel E 24 van de Overgangswet ISOVSO, ingeschreven in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de
eigendom.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw,
kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het
gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer
voor het onderwijs nodig zal zijn.
6. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het vijfde lid desgevraagd besluiten dat een gedeelte van
het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet
meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt
gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de
school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten
de wederpartij.
7. Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het zesde lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het
zesde lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met
toestemming van burgemeester en wethouders verhuren.
8. De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een
tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan
dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3
jaren.
9. Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
Artikel 108a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 108b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 109. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door
de gemeente in stand gehouden school
In afwijking van deze afdeling kan de gemeenteraad besluiten dat
jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt
gehouden. De gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het
bevoegd gezag.
Artikel 110. Informatieverstrekking aan burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag van een niet door de desbetreffende gemeente in stand
gehouden school is gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de
gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders voor een
adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk
achten.
Artikel 110a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110b [Vervallen per 01-08-1998]
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Artikel 111. Vaststelling programma's van eisen
1. Bij ministeriële regeling worden voor de scholen, niet zijnde
instellingen, eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober programma's van
eisen vastgesteld die de grondslag vormen voor de bekostiging van de
voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De programma's van eisen gelden
voor de vijf jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient
plaats te vinden. De programma's van eisen kunnen per schoolsoort,
verdeeld als aangegeven in artikel 2, tweede lid, worden vastgesteld, al
naar gelang het scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet
speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, dan wel afdelingen betreft. Elk programma van eisen omvat:
a. een omschrijving van de in aanmerking genomen componenten waaruit de
voorzieningen zijn opgebouwd,
b. de daarvoor noodzakelijk geachte bedragen en
c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen vergoeding
wordt berekend.
2. De programma's van eisen voldoen aan de redelijke behoeften van een
in normale omstandigheden verkerende school, onverminderd het vierde tot
en met negende lid, en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten
die op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
90, tweede lid, worden voorgeschreven.
3. Programma's van eisen worden vastgesteld voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van onderscheidenlijk:
a. de scholen, daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in
lichamelijke oefening, en
b. de ruimten voor watergewenning of bewegingstherapie.
4. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de
overeenkomstig het zesde lid, aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus
vastgestelde bedragen zijn de definitieve bedragen, geldend voor het
jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden.
5. Onze minister kan bij de vaststelling van de ministeriële regeling,
bedoeld in het vierde lid, wijzigingen in de programma's van eisen
aanbrengen indien de toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige
ontwikkelingen dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts
toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling, bedoeld in
het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt vastgesteld.
6. De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de
bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede
jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld,
aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële
consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar
verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde
jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te
passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële
consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar
verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand
aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar
waarvoor de bedragen worden vastgesteld.
7. De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid,
worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en
vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in de Staatscourant, onder
gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De
ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn
verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die
termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de
ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven dan wel met de Tweede
Kamer overleg is gevoerd.
8. Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen
wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan,
bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 111a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 111b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 112. Onderverdeling programma's van eisen
1. De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder a,
worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent:
a. onderhoud,
b. energie- en waterverbruik,
c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter
zake van onroerende zaken,
d. middelen, en
e. administratie, beheer en bestuur.
2. De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder b,
worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent de voorzieningen
zoals onderscheiden in het eerste lid onder a, b en c, alsmede d voor
zover het betreft onderhoud, vervanging en vernieuwing van
onderwijsleerpakket en onderhoud meubilair.
3. Bij de programma's van eisen, bedoeld in het tweede lid, wordt
onderscheid gemaakt in vaste en variabele kosten.
Artikel 113. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding
1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het
verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële
instandhouding.
2. Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 120 wordt
toegekend, kan Onze minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die
bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging
voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
3. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede
lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval
worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling
vastgesteld.
Artikel 114. Vaststelling totaalbedrag voor instelling
1. Eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober stelt Onze minister voor elke
instelling een totaalbedrag vast voor de materiële voorzieningen ten
behoeve van de instandhouding voor het jaar volgend op dat van de
vaststelling.
2. In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven,
welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:
a. administratie, beheer en bestuur en
b. de materiële instandhouding van watergewenning en bewegingstherapie.
3. In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven, welk
deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:
a. de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder a,
b en c, van een schoolgebouw waarvan de gemeente eigenaar is, en
b. een schoolbad waarvan de gemeente eigenaar is.
4. Het totaalbedrag voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding voor het tweede tot en met het vijfde jaar volgend op het
jaar van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door
het totaalbedrag dat gold voor het aan het desbetreffende jaar
voorafgaande jaar, aan te passen aan de prijsmutatie van de netto
materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische
Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in
laatstgenoemd jaar en het prijsniveau in het jaar waarvoor het
totaalbedrag geldt.
5. Indien de miljoenennota, bedoeld in artikel 13 van de
Comptabiliteitswet 2001, niet of slechts gedeeltelijk voorziet in
prijsbijstelling in de onderscheiden hoofdstukken van de rijksbegroting
voor enig jaar, als gevolg waarvan in het voorstel van wet houdende
vaststelling van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van
hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) van de
rijksbegroting voor dat jaar geen of geen volledige prijsbijstelling kan
plaatsvinden in de desbetreffende bedragen van de bekostiging, worden de
totaalbedragen, bedoeld in het eerste en vierde lid, in overeenstemming
daarmee en in afwijking van die leden aangepast.
6. Indien de vastgestelde rijksbegroting van de uitgaven en de
ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap) voor een begrotingsjaar ten aanzien waarvan het vijfde lid
toepassing heeft gevonden, afwijkt van het desbetreffende voorstel van
wet op het onderdeel van de prijsbijstelling in de in het vijfde lid
bedoelde bedragen van de bekostiging, wordt het totaalbedrag, voor dat
jaar vastgesteld in overeenstemming met de vastgestelde rijksbegroting.
7. Het vierde tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen.
8. Indien van de overige onderwijssoorten van het speciaal onderwijs of
het voortgezet speciaal onderwijs de rijksbekostiging voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt verminderd, worden
de in het eerste tot en met vierde lid vastgestelde bedragen
dienovereenkomstig verminderd.
Artikel 115. Grondslag bekostiging voor materiële instandhouding
lichamelijke oefening
1. Burgemeester en wethouders stellen na overleg met de bevoegde
gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het
aantal klokuren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in
lichamelijke oefening, of
b. voor bekostiging voor de materiële instandhouding van een ruimte
voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
2. Het aantal klokuren, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste
vastgesteld op 2,25.
3. Burgemeester en wethouders stellen de hoogte vast van
a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, en
b. de bekostiging voor de vaste kosten van de materiële instandhouding
van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij
het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school.
4. Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, kan onderscheid worden
gemaakt naar gelang de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten
voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving
bekostiging wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.
Artikel 116. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een
schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding
waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid
onder a, b en c, betrekking hebben.
2. Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat eigenaar is van een
schoolgebouw, kan met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de
gemeente het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële
instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
3. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd
gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het
eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd
gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële
instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
4. Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd
gezag van een bijzondere school met de gemeente overeenkomen dat het
bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële
instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
5. Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële
instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112,
eerste lid onder d en e, betrekking hebben.
Artikel 116a. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij
uitputting bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 118, tiende
lid, eerste volzin, en elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs de
bekostiging voor materiële instandhouding van het samenwerkingsverband,
bedoeld in artikel 118, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs
overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt
overschreden door Onze minister in mindering gebracht op de materiële
bekostiging van alle scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 voor zover het
betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld
in de Wet op het primair onderwijs, waarvan één of meer vestigingen
zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat
in mindering wordt gebracht, wordt per school voor speciaal onderwijs of
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4
dan wel school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bepaald
op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of
vestigingen.
2. Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 89a, derde lid,
eerste volzin, en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs de
bekostiging voor de materiële instandhouding van het
samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 89a, eerste lid, van de Wet op
het voortgezet onderwijs overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die
bekostiging wordt overschreden door Onze minister in mindering gebracht
op de materiële bekostiging van alle scholen voor voortgezet speciaal
onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot
cluster 3 en 4 voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet
speciaal onderwijs, en scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied
van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt
gebracht, wordt per school voor voortgezet speciaal onderwijs of
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4
dan wel school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs,
bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende
vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.
Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten
Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel
1. Voor de bekostiging van personeel wordt per onderwijssoort een bedrag
per school, niet zijnde een instelling, en een bedrag per leerling
toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt
vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de
school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar
waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de
geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs.
2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval
verschillend worden vastgesteld voor leerlingen
a. van de verschillende onderwijssoorten, bedoeld inartikel 2;
b. in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
c. jonger dan 8 jaar; en
d. 8 jaar en ouder.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en
onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten
kan worden toegekend. In ieder geval wordt aan scholen, niet zijnde
instellingen, aanvullende bekostiging toegekend voor schoolleiding,
bestrijding van onderwijsachterstanden en groei van het aantal
leerlingen gedurende het schooljaar.
4. De instellingen ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in
het eerste lid, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen
bekostiging in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de
instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9,
onderdelen b en c. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het eerste lid,
en de eerste volzin zijn tezamen redelijkerwijs voldoende voor het
leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel
9, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs
aan de instelling. Het veertiende lid is van overeenkomstige toepassing.
5. De scholen van de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel
2, vierde lid, onderdelen b, c en d, ontvangen in aanvulling op de
bekostiging, bedoeld in het eerste en derde lid, bekostiging in verband
met het onderwijs aan leerlingen van wie de toelating is gericht op een
verblijf op de school van korter dan een schooljaar en bekostiging ten
behoeve van leerlingen als bedoeld in artikel 28c, derde lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen van de
bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, voor de onderwijssoorten in de
clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, per
onderwijssoort en voor de onderwijssoorten in het cluster, bedoeld in
artikel 2, vierde lid, onderdeel d, per cluster vastgesteld.
7. Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt
gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen
wordt tevens een bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal
leerlingen aan wie onderwijs wordt verzorgd op basis van een
samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, eerste lid.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen voor de
berekening van de bekostiging ten behoeve van de werkzaamheden en de
onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a,
vastgesteld.
9. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de werkzaamheden en de
onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel b, de
bekostiging vastgesteld.
10. Bij ministeriële regeling worden het bedrag per school en per
leerling, bedoeld in het eerste lid, de vermenigvuldigingsbedragen van
de verhoging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostigingsbedragen,
bedoeld in het derde, vijfde, zevende, achtste en negende lid,
vastgesteld.
11. Het bedrag per leerling, bedoeld in het tiende lid, is de som van:
a. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met
een bedrag, en
b. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen hoeveelheid formatie onderwijsondersteunend personeel per
leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
12. De verhoging, bedoeld in het tiende lid, is voor wat betreft het
bedrag per leerling de uitkomst van de in het elfde lid, onder a,
bedoelde hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met
een bedrag.
13. Het bedrag per school, het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging
voor wat betreft het bedrag per school, en de bekostigingsbedragen,
bedoeld in het tiende lid, zijn de uitkomst van een bij de algemene
maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie
vermenigvuldigd met een bedrag.
14. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tiende lid,
wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de
geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde
gemiddelde personeelslast van het personeel van scholen en worden nadere
regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gewogen
gemiddelde leeftijd en de geraamde gewogen gemiddelde leeftijd worden
vastgesteld. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een
bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin
rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten
van die categorie personeel.
15. De bekostiging, bedoeld in het eerste en het derde lid, voor wat
betreft schoolleiding en groei van het aantal leerlingen tijdens het
schooljaar, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van
de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige
werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
16. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, wordt aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet
in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is
niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer
te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3
volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 118. Berekening aantal leerlingen
1. Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in
artikel 117, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande
schooljaar, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar
is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, die door de school wordt verzorgd.
2. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor
het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag genomen het aantal
leerlingen op 1 oktober, volgende op de opening, dat door een commissie
voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de
onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de
school wordt verzorgd. Indien een nieuwe school ontstaat als gevolg van
beëindiging van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal
onderwijs van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
3. Voor scholen waaraan onderwijs wordt verzorgd van een van de soorten
behorend tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d,
geldt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, het aantal
leerlingen dat door de commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar
is verklaard tot dat cluster en dat op die school is ingeschreven.
4. Voor de toepassing van artikel 117 geldt in geval van samenvoeging
van scholen, het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
5. Voor de bekostiging die scholen ontvangen op grond van artikel 71c
zijn het eerste lid, het tweede lid en het derde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 119 [Vervallen per 01-08-1999]
Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten
1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het
verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.
2. In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek
van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder
door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor
personeelskosten verstrekken.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten
hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere
omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar
waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze
minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede
lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden
kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis
en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien.
4. Onze minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid
bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval
worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling
vastgesteld.
Artikel 121. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van personeel
wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur
of bij ministeriële regeling, uitkeringen aan gewezen personeel en
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
1. Aan de school wordt in verband met de kosten van vervanging van
personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel
van bestuur of bij ministeriële regeling en de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
2. De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen
en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de
artikelen 117, vierde en tiende lid, en120.
Artikel 122 [Vervallen per 23-01-2004]
Artikel 123 [Vervallen per 23-01-2004]
Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid
Artikel 124. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid
1. Bij ministeriële regeling wordt de grondslag vastgesteld voor de
omvang van de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. De
omvang van de bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede
afhankelijk van de onderwijssoort, het aantal leerlingen op de teldatum,
bedoeld in artikel 118, en de samenstelling van het leerlingenbestand.
Bij het vaststellen van de bekostiging wordt in ieder geval rekening
gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde
personeelslasten van leraren.
2. Met inachtneming van het eerste lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan
het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen bekostiging ten
behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid.
Artikel 125 [Vervallen per 23-01-2004]
Artikel 126 [Vervallen per 23-01-2004]
Afdeling 7. Wijze van bekostiging
§ 1. Huisvesting
Artikel 127. Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken
De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der
in artikel 220 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96) bedoelde belastingen
ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de
belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en
terreinen.
§ 2. Materiële instandhouding
Artikel 128. Bekostiging door Rijk aan bevoegd gezag en gemeente
1. Behoudens het tweede lid, verstrekt het Rijk jaarlijks ten behoeve
van de scholen, niet zijnde instellingen, aan het bevoegd gezag
bekostiging ten behoeve van de materiële instandhouding waarop de
programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid, betrekking
hebben, waarbij voor het bevoegd gezag geldt dat indien toepassing is
gegeven aan artikel 116, tweede lid, dan wel indien geen overeenkomst
als bedoeld in artikel 116, derde of vierde lid tot stand is gekomen,
dit bevoegd gezag de bekostiging aan de gemeente dan wel aan het
desbetreffende bevoegd gezag overdraagt voor zover deze de materiële
instandhouding verzorgt.
2. Het Rijk verstrekt jaarlijks aan de provincie Fryslân bekostiging
ten behoeve van de materiële instandhouding, voor zover het betreft het
onderwijs in de Friese taal, bedoeld in artikel 13, zesde lid. De
provincie Fryslân draagt zorg voor verdeling van de bekostiging over de
betrokken scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt
van dat onderwijs.
3. Grondslag voor de bekostiging van de in het eerste en tweede lid
bedoelde kosten zijn de voor het desbetreffende jaar vastgestelde
bedragen.
4. Grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 111, zijn:
a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 70,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de
maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt dat door
een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een
van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door
de school wordt verzorgd,
b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het
jaar waarover de bekostiging plaatsvindt dat door een commissie voor de
indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de
onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de
school wordt verzorgd, en
c. de omvang van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, zesde, zevende,
achtste, negende en tiende lid.
5. Voor nieuwe scholen zijn gedurende de periode van 1 augustus tot 1
januari volgend op de opening, grondslag voor de bekostiging ten behoeve
van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 111:
a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 70,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de
maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode dat door
een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een
van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door
de school wordt verzorgd,
b. het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode dat door een
commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van
de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de
school wordt verzorgd, en
c. de omvang van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, zesde, zevende,
negende en tiende lid.
6. Indien op 16 januari van het jaar waarover de bekostiging
plaatsvindt, aanspraak bestond op verhoging van de bekostiging bij
aanzienlijke tussentijdse toename van het aantal leerlingen per die
datum, zijn grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven
voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 111:
a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 70,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de
maatstaf van het aantal leerlingen op 16 januari van het jaar waarover
de bekostiging plaatsvindt dat door een commissie voor de
indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de
onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de
school wordt verzorgd,
b. het aantal leerlingen op 16 januari van het jaar waarover de
bekostiging plaatsvindt dat door een commissie voor de indicatiestelling
toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd, en
c. de omvang van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, zesde, zevende,
negende en tiende lid.
7. Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 januari en 1 oktober
daaropvolgend, wordt de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 111, van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de
samenvoeging plaatsvond.
8. Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 oktober en 1 januari
daaropvolgend, wordt de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 111, van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de
samenvoeging plaatsvond, en wordt de bekostiging van de uitgaven voor
die voorzieningen voor het jaar volgend op de samenvoeging, gebaseerd op
de bekostiging van de uitgaven voor die voorzieningen van alle bij de
samenvoeging betrokken scholen, zoals die golden op 1 oktober van het
jaar van samenvoeging.
9. Het Rijk vergoedt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de instellingen
het totaalbedrag, bedoeld in artikel 114, voor dat jaar. Voor zover de
gemeente eigenaar is van de voorziening, verstrekt het bevoegd gezag van
de instelling aan de gemeente de bedragen bedoeld in artikel 114, derde
lid, of zevende juncto derde lid, voor dat jaar.
Artikel 129. Verhoging bekostiging bij bijzondere omstandigheden
1. Jaarlijks voor 1 maart kan Onze minister verhoging van de bekostiging
worden gevraagd, indien op grond van bijzondere omstandigheden van de
school, niet zijnde een instelling, in dat jaar, het totale bedrag niet
voldoende is voor de noodzakelijke uitgaven van de school, niet zijnde
een instelling.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gedaan
door het bevoegd gezag voor zover het betreft de materiële
instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112,
eerste lid, betrekking hebben. In afwijking van de vorige volzin kan
ingeval artikel 116, tweede, derde of vierde lid, is toegepast, het
bevoegd gezag dat dan wel de gemeente die de materiële instandhouding
geheel of gedeeltelijk verzorgt, het verzoek indienen.
3. Onze minister wijst het verzoek in elk geval af indien:
a. in het jaar waarvoor de programma's van eisen zijn vastgesteld, het
totaal van de noodzakelijke uitgaven voor de materiële instandhouding
van de school niet ten minste 5% meer zal bedragen dan het totaal van de
uit 's Rijks kas daarvoor te verstrekken inkomsten,
b. de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van een bij algemene
maatregel van bestuur aan te geven omstandigheid of afwijking van de
omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de
bijzondere omstandigheden zouden bestaan,
c. de bijzondere omstandigheid het gevolg is van een verschil tussen het
prijsniveau in enig jaar en de op grond van artikel 111 aangepaste
bedragen, of
d. het bevoegd gezag dat of de gemeente die het verzoek heeft ingediend,
niet aantoont dat het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei
wijze had kunnen voorkomen.
4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens
die bij het verzoek zijn gevoegd.
5 . [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
6. Onze minister besluit binnen drie maanden. Indien technisch onderzoek
zulks noodzakelijk maakt, kan Onze minister deze termijn eenmaal met ten
hoogste zes maanden verdagen.
7. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde
verhoging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 130. Bekostiging door gemeente aan bevoegd gezag
1. De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte
voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de
gemeente
a. een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 115 en het
derde lid, en
b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een
overeenkomstig het tweede lid vast te stellen bekostigingsbedrag.
2. Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in
artikel 115, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat
geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke
oefening een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 115,
eerste lid onder b, en derde lid onder a, en het derde lid.
3. Het aantal groepen leerlingen wordt voor scholen, niet zijnde
instellingen, berekend overeenkomstig artikel 128, vierde lid onder a,
vijfde lid onder a, en zesde lid onder a, en de ter uitvoering daarvan
vastgestelde algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat
groepen waarvoor van rijkswege bekostiging wordt verstrekt voor de
kosten van de materiële instandhouding van een speellokaal niet in
aanmerking worden genomen. Het aantal groepen leerlingen wordt voor
instellingen berekend op een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze.
§ 3. Personeel
Artikel 131. Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten
1. Met inachtneming van de artikelen 117 en 118 verstrekt het Rijk
jaarlijks aan het bevoegd gezag een bekostigingsbedrag ten behoeve van
de personeelskosten.
2. In geval van het verstrekken van bijzondere bekostiging als bedoeld
in artikel 120verstrekt het Rijk aan het desbetreffende bevoegd gezag
het bedrag van deze bekostiging.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
gegeven met betrekking tot het betalen van het in de eerste volzin
bedoelde bedrag.
4. Op het in het eerste en tweede lid bedoelde bedrag worden op een bij
ministeriële regeling vast te stellen wijze in mindering gebracht de
inkomsten die het bevoegd gezag dan wel het regionaal expertisecentrum
direct of indirect geniet vanwege uitkeringen of toelagen waarop door
het personeel aanspraak kan worden gemaakt.
Artikel 132. Aftrekposten bekostiging
1. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 131, worden in mindering
gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop
aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan
van personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft
uitgeoefend aan een gelijksoortige school van het bevoegd gezag, voor
zover laatstbedoeld personeel
a. gebruik maakt van een krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde
regeling voor onvrijwillige taakvermindering, of
b. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder a, in het genot
is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die
ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst
is geweest van het bevoegd gezag.
Voor de toepassing van de eerste volzin wordt, indien het betreft
openbaar onderwijs, onder «school van het bevoegd gezag» verstaan elke
binnen de desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van
de binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de
hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.
2. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 131, worden eveneens in
mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere
bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat langer dan 1
jaar anders dan wegens vervanging, dan wel een benoeming met toepassing
van artikel 3, vijfde lid, tweede volzin, onafgebroken, met een
onderbreking van een week of minder, dan wel met een of meer
onderbrekingen gedurende een schoolvakantie, in een gelijksoortige
functie in tijdelijke dienst verbonden is geweest aan een school van het
bevoegd gezag.
De termijn van 1 jaar kan ingeval van een of meer ziekteperioden van
langer dan 4 weken met deze ziekteperioden worden verlengd.
3. Op de bekostiging worden eveneens in mindering gebracht de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet
van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 170, op een
daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het
ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen
van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste
volzin.
4. Het eerste lid is eveneens van toepassing, indien de benoeming heeft
plaatsgevonden in aansluiting op een benoeming in tijdelijke dienst in
dezelfde functie.
5. Met gewezen personeel dat in het genot is van wachtgeld of van een
andere ontslaguitkering als bedoeld in het eerste lid onder b, wordt
gelijk gesteld personeel aan wie op grond van het leerlingenverloop op
of na 1 februari ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk
ontslag recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen
ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode tot
uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op een
andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder dat de
vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
6. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen
vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid plaatsvindt.
7. Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële
regeling bedoeld in het zesde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek
van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging,
bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit
binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien het besluit niet
binnen 4 maanden kan worden genomen, stelt Onze minister de verzoeker
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop het
besluit wel tegemoet kan worden gezien. Uitsluitend op grond van door
het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze
minister bepalen dat het besluit, bedoeld in de eerste volzin,
betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan
de datum waarop het bevoegd gezag het in de eerste volzin bedoelde
verzoek heeft ingediend.
8. Onze minister kan projecten aanwijzen waarvoor het tweede lid niet
van toepassing is.
Artikel 133. Aftrekpost i.v.m. eigen wachtgelder
1. Artikel 132 is van overeenkomstige toepassing indien de
rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 28b en 69, personeel benoemt met
voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in artikel 132, eerste en
vijfde lid, van de rechtspersoon of van een bevoegd gezag waarvoor
diensten worden verricht, dan wel niet handelt overeenkomstig het
bepaalde in laatstgenoemde artikelleden. Van het gewezen personeel,
bedoeld in de eerste volzin, is uitgezonderd het personeel van het
bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, waarvan de
dienstbetrekking is beëindigd op een tijdstip dat meer dan twee jaar
ligt voor de aanvang van de dienstverlening.
2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt het in mindering te
brengen bedrag in gelijke mate verdeeld over de scholen waarvoor
diensten worden verricht.
3. Artikel 132 is eveneens van overeenkomstige toepassing
a. indien een bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, personeel
benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel van de rechtspersoon,
bedoeld in de artikelen 28b en 69, en
b. indien een bevoegd gezag waarvoor geen diensten meer worden verricht,
in het tijdvak van vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening
personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in
onderdeel a.
§ 4. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële
voorzieningen
Artikel 134. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare
scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
1. Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen
dan de gemeente openbare scholen in stand houden waar een bepaalde soort
speciaal onderwijs of een bepaalde soort voortgezet speciaal onderwijs
wordt gegeven dan wel dergelijke scholen ontbreken en de gemeente
uitgaven wil doen voor dat onderwijs welke niet door het Rijk worden
bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor
vast en zijn de artikelen 136 tot en met 142 voor dat onderwijs niet van
toepassing.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen
openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van
scholen naar dezelfde maatstaf.
3. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de
voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen,
niet door de gemeente in stand gehouden school kunnen worden aangevraagd
en de procedure voor het doen van een aanvraag.
4. De gemeenteraad kan besluiten dat burgemeester en wethouders de
regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met
nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen 1 week aan de bevoegde
gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen
gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt
deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de
bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft
besloten, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een aanvulling die is
bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft
geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn
ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking
heeft.
5. Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging
daarvan.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging
aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de
hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het
eerste lid, aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om,
met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten
dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de
hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de
eerste volzin in aanmerking komen voor een ofmeer van de in de regeling
genoemde voorzieningen.
7. Burgemeester en wethouders maken jaarlijks in een van overheidswege
uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op
een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de op grond van de
regeling, bedoeld in het eerste lid, toegekende voorzieningen.
Artikel 134a. Gemeentelijk beleid bij verzelfstandiging van het openbaar
onderwijs in een gemeente
1. Indien de gemeenteraad ten aanzien van een of meer door de gemeente
in stand gehouden openbare scholen besluit dat deze met ingang van een
datum die is gelegen in de periode die aanvangt met een bij koninklijk
besluit te bepalen datum en eindigt met ingang van het negende
kalenderjaar daaropvolgend, in stand zullen worden gehouden door een of
meer andere rechtspersonen dan de gemeente, kan de regeling, bedoeld in
artikel 134, eerste lid, dan wel de regeling, bedoeld in artikel 135,
eerste lid, bij effectuering van dat besluit ten aanzien van die scholen
en in afwijking van artikel 134, tweede lid, dan wel een regeling op
grond van dit artikel bij effectuering van dat besluit ten aanzien van
die scholen, erin voorzien dat door een gemeente aan een of meer andere
rechtspersonen dan de gemeente die die scholen in stand houden, een
vergoeding voor administratie, beheer en bestuur wordt toegekend als
aangegeven in het tweede lid.
2. De vergoeding, die op grond van het eerste lid kan worden toegekend,
bedraagt gedurende het eerste en het tweede kalenderjaar volgend op het
tijdstip waarop de scholen, bedoeld in het eerste lid, niet langer door
de gemeente in stand worden gehouden, maximaal 4 maal het bedrag voor
administratie, beheer en bestuur, op grond van artikel 112, eerste lid,
onderdeel e, en gedurende het derde, vierde en vijfde kalenderjaar
maximaal 3 maal dat bedrag.
3. Indien de gemeenteraad besluit scholen niet langer in stand te houden
vanaf een andere datum dan 1 januari dan geldt als het eerste
kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid, het deel van het kalenderjaar
dat volgt op de datum waarop de gemeente die scholen niet langer in
stand houdt en bedraagt de vergoeding die voor dat eerste kalenderjaar
maximaal kan worden toegekend voor administratie, beheer en bestuur een
evenredig deel van de vergoeding die op grond van het tweede lid
maximaal kan worden toegekend.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt per school uitgegaan van
het leerlingenaantal, bedoeld in artikel 128, zoals dat gold voor de
berekening van het bedrag voor administratie, beheer en bestuur voor het
kalenderjaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop door de gemeente
de desbetreffende school niet langer in stand wordt gehouden en het
prijspeil in dat kalenderjaar. De korting wegens rente-ontvangsten uit
gevormde reserves van de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112,
eerste lid, onderdelen a en d, blijft daarbij buiten beschouwing.
5. De op grond van het eerste lid toe te kennen vergoeding kan in een
kalenderjaar niet hoger zijn dan de in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar op grond van dit artikel toegekende vergoeding. De eerste
volzin is niet van toepassing ten aanzien van de vergoeding voor het
tweede kalenderjaar indien de vergoeding voor het eerste kalenderjaar is
bepaald op grond van het derde lid. Bij de toepassing van de eerste
volzin blijft het teruggestorte bedrag, bedoeld in het zevende lid,
buiten beschouwing.
6. Het bevoegd gezag dat een school als bedoeld in het eerste lid in
stand houdt die voor die tijd door de gemeente in stand werd gehouden,
legt aan die gemeente en aan de andere rechtspersonen die een of meer
niet door de gemeente in stand gehouden scholen in die gemeente in stand
houden, jaarlijks een verklaring van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over met
betrekking tot de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en
bestuur.
7. Voor zover voor een school als bedoeld in het eerste lid, de
vergoeding, bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met het bedrag op
grond van artikel 112, eerste lid, onderdeel e, in een kalenderjaar niet
volledig is aangewend voor uitgaven voor administratie, beheer en
bestuur, wordt het verschil door het bevoegd gezag, bedoeld in het zesde
lid, teruggestort in de gemeentekas.
Artikel 135. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare scholen
in stand houdt
1. Indien een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand houdt
en zij uitgaven wil doen voor het onderwijs welke niet door het Rijk
worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een
regeling vaststellen.
2. Artikel 134, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing.
§ 5. Overschrijdingsregeling
Artikel 136. Overschrijdingsbedrag; voorwaarde personeel buiten
overschrijding
1. Indien een gemeente ten behoeve van een of meer door haar in stand
gehouden scholen meer uitgaven doet voor het personeel en de materiële
instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, wordt met
inachtneming van de artikelen 136 tot en met 142 aan het bevoegd gezag
van de in die gemeente gevestigde niet door de gemeente in stand
gehouden scholen om de vijf jaar een overschrijdingsbedrag verstrekt.
Voor de toepassing van de eerste volzin worden ontvangsten, op grond van
artikel 128, tweede lid, tweede volzin, gelijk gesteld met ontvangsten
van het Rijk. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode
van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school in stand
houdt, wordt het overschrijdingsbedrag in afwijking van die volzin
uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat tijdstip
waarop de gemeente niet langer een school in stand houdt, verstrekt.
2. Voor de toepassing van de artikelen 136 tot en met 142 worden
uitgaven ten behoeve van een nevenvestiging aangemerkt als uitgaven ten
behoeve van de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is
verbonden. Indien ten behoeve van een school of nevenvestiging uitgaven
worden gedaan door meer dan één gemeente, worden deze uitgaven
aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier grondgebied de
hoofdvestiging is gelegen. In het geval, bedoeld in de vorige volzin,
worden de besluiten ingevolge het vierde lid en de artikelen 137 tot en
met 142 genomen door burgemeester en wethouders van laatstbedoelde
gemeente en hebben deze mede betrekking op de uitgaven van de andere
gemeente of gemeenten.
3. Voor de toepassing van de artikelen 136 tot en met 142 wordt een
nevenvestiging in een andere gemeente dan waarin de hoofdvestiging is
gelegen, aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente
van de hoofdvestiging.
4. Burgemeester en wethouders kunnen in overeenstemming met het bevoegd
gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten
dat met betrekking tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag
uitgaven die de gemeente doet ten behoeve van een door haar in stand
gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen
van de bedragen, bedoeld in de artikelen 137 en 138.
Artikel 137. Voorschot overschrijding
1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks vast in welke mate zij
ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen meer dan
wel minder uitgaven zullen doen voor het personeel en de materiële
instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd. Deze vaststelling
geschiedt voor het komende begrotingsjaar en het resterende deel van het
vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel 136, eerste lid.
2. Indien voor het komende begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden
gedaan voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het
Rijk worden bekostigd, verlenen burgemeester en wethouders in dat
begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in
stand gehouden scholen in de gemeente een voorschot op het te verwachten
overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 136, eerste lid. Indien uit
het besluit van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid,
blijkt dat de hiervoor bedoelde meer-uitgaven in de resterende jaren van
het vijfjarig tijdvak geheel of ten dele worden gecompenseerd door
minder uitgaven, wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de
hoogte van het voorschot.
3. Indien uit de jaarlijkse voorlopige vaststelling van de bedragen,
bedoeld in artikel 138, eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen
is vastgesteld bij het besluit van burgemeester en wethouders, bedoeld
in het eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan voor personeel en
materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, verlenen
burgemeester en wethouders alsnog een voorschot aan het bevoegd gezag
van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente.
Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot is de tweede volzin van
het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 138. Vaststelling overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in
percentage
1. Indien een gemeente een of meer scholen in stand houdt, stellen
burgemeester en wethouders onderscheiden per schoolsoort, alsmede al
naar gelang het speciaal onderwijs, dan wel voortgezet speciaal
onderwijs betreft, jaarlijks voorlopig vast:
a. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van personeelskosten,
b. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld
in artikel 124 en ten behoeve van schoolbegeleiding,
c. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van de materiële instandhouding,
d. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in artikel 131, in het
voorafgaande kalenderjaar,
e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die
krachtens artikel 124, tweede lid, ten behoeve van personeels- en
arbeidsmarktbeleid en die ten behoeve van schoolbegeleiding voor het
kalenderjaar zijn vastgesteld,
f. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die
krachtens artikel 111 voor de voorzieningen voor de materiële
instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,
g. het totaal van de aanvullende ontvangsten waaronder worden verstaan
de bedragen die krachtens artikel 129 voor de voorzieningen ten behoeve
van de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,
h. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van de instandhouding van een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 69,
i. het totaal van de ontvangsten, op grond van artikel 128, tweede lid,
tweede volzin, en
j. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld ten behoeve van de
door de gemeente in stand gehouden scholen.
2. Indien de gemeente een deel van de ontvangsten bedoeld in het eerste
lid onder d, of een deel van de ontvangsten, bedoeld in dat lid onder e,
f, g en i, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als
een uitgave als bedoeld in dat lid onder a, onderscheidenlijk als een
uitgave als bedoeld in dat lid onder b, c en h. Indien de gemeente ten
behoeve van de personeelskosten, de nascholingskosten, de kosten voor
materiële instandhouding of de kosten voor de instandhouding van een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 69, bedragen aan een voorziening
onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten als bedoeld in het
eerste lid onder d, e of f.
3. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder
c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en
ontvangsten voor:
a. administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 112, eerste lid
onder e,
b. de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke
oefening, en van watergewenning of bewegingstherapie, en
c. indien het een instelling betreft, de bedragen, bedoeld in artikel
114, tweede lid, en de daarmee verband houdende uitgaven.
4. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder
a, b, c en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven die worden
gedekt door ontvangsten van bedragen die door derden zijn betaald, de
uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond van een besluit als
bedoeld in artikel 134, zesde lid, tweede volzin, en de uitgaven voor de
voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente
in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel
135, eerste lid, een aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel
gedurende de periode waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan.
4a. Bij het vaststellen van de bedragen bedoeld in het eerste lid, onder
c, mogen voorzieningen die volgens de desbetreffende rijksbekostiging
een afschrijvingstermijn van ten minste 20 jaar hebben, over ten hoogste
20 jaar worden aangemerkt als jaarlijkse uitgave op grond van rente op
basis van een fictieve lening met een looptijd van ten hoogste 20 jaar
en een lineaire aflossing.
5. Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor personeelskosten
en kosten voor materiële instandhouding overdraagt aan een ander
bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, of onderdeel c. Indien door een ander
bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeelskosten en
kosten voor materiële instandhouding aan de gemeente wordt
overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f.
6. Om de vijf jaar stellen burgemeester en wethouders voorlopig vast het
totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande
vijf kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is
aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepalen
burgemeester en wethouders tevens het bedrag van de overschrijding.
Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar
als bedoeld in de eerste volzin geen school in stand houdt, stellen
burgemeester en wethouders in afwijking van die volzin zo spoedig
mogelijk na dat tijdstip voorlopig vast het totaal van de vastgestelde
uitgaven en ontvangsten in het aan dat tijdstip voorafgaande deel van de
periode van vijf jaar, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is
aangegeven.
7. Na sluiting van de rekening van de gemeente stellen burgemeester en
wethouders onderscheiden per schoolsoort, alsmede al naar gelang het
speciaal onderwijs dan wel voortgezet speciaal onderwijs betreft, de in
het eerste en zesde lid bedoelde bedragen, zo nodig gewijzigd, vast. In
het geval, bedoeld in het zesde lid, tweede volzin, drukken burgemeester
en wethouders vervolgens het bedrag van de overschrijding uit in een
percentage van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid
onder d tot en met g en i. Het percentage wordt afgerond tot twee
decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal
kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5
bedraagt.
Artikel 139. Vaststelling overschrijdingsbedrag voor een niet door de
gemeente in stand gehouden school
1. In het jaar volgend op de definitieve vaststelling, bedoeld in
artikel 138, zevende lid, wordt het overschrijdingsbedrag vastgesteld
waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school, die gedurende een of meer jaren van het desbetreffende tijdvak
in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Dit overschrijdingsbedrag
wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld in artikel 138, zevende
lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de
bedragen die krachtens de artikelen 111 en 131, dan wel indien het een
instelling betreft, krachtens de artikelen 114 en 131 voor het
desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld. Bij het vaststellen van het
totaal van de ontvangsten, bedoeld in de tweede volzin, blijven buiten
beschouwing de ontvangsten op grond van de programma's van eisen voor
administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 112, eerste lid
onder e, de ontvangsten voor de materiële instandhouding van het
onderwijs in lichamelijke oefening en van watergewenning en
bewegingstherapie dan wel, indien het een instelling betreft, de
bedragen voor de in artikel 114, tweede lid, bedoelde voorzieningen en
de ontvangsten.
2. Indien aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school een deel van de bekostiging voor personeelskosten is
overgedragen door een ander bevoegd gezag, wordt bij het vaststellen van
het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin,
dat deel aangemerkt als ontvangsten.
3. Indien de gemeente voor een niet door de gemeente in stand gehouden
school het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's
van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder a, b en c, dan wel,
indien het een instelling betreft, de bedragen, voor de in artikel 114,
derde lid onder a, bedoelde voorzieningen betrekking hebben, geheel of
gedeeltelijk verzorgt, wordt een overeenkomstig deel van de ontvangsten
in mindering gebracht op het totaal van de ontvangsten voor de betrokken
school waarover ingevolge het eerste lid het overschrijdingsbedrag wordt
vastgesteld.
4. Voor de vaststelling bedoeld in artikel 138, eerste en zevende lid,
en artikel 139, eerste lid, worden met betrekking tot een school voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs de bedragen die voor een
zodanige school zijn uitgegeven dan wel ontvangen, toegerekend aan het
speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het voortgezet speciaal onderwijs,
naar rato van het aantal leerlingen dat in het desbetreffende
kalenderjaar in aanmerking kwam voor het volgen van speciaal onderwijs,
onderscheidenlijk voortgezet speciaal onderwijs.
5. Voor de vaststelling bedoeld in artikel 138, eerste en zevende lid,
en artikel 139, eerste lid, worden met betrekking tot een school waaraan
een of meer afdelingen zijn verbonden, de bedragen die voor een zodanige
school, de afdeling of afdelingen daaronder begrepen, zijn uitgegeven
dan wel ontvangen, toegerekend aan de school, onderscheidenlijk de
afdeling of afdelingen, naar rato van het aantal leerlingen dat in het
desbetreffende kalenderjaar in aanmerking kwam voor het volgen van
onderwijs aan de school, onderscheidenlijk de desbetreffende afdeling.
6. Indien een gemeente gedurende een gedeelte van het desbetreffende
tijdvak een of meer scholen in stand houdt, wordt voor het vaststellen
van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van
het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand
gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van het desbetreffende
tijdvak.
Artikel 140 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 141. Mededeling en beroep
Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden
scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van burgemeester
en wethouders tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder
uitgaven zullen worden gedaan, bedoeld in artikel 137, eerste lid, tot
verlening van het voorschot, bedoeld in artikel 137, tweede of derde
lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het
overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 138, zesde en zevende lid.
Daarbij is opgenomen een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel
138, eerste lid onder j, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het
verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen. De
toezending geschiedt binnen 2 weken na de dag waarop burgemeester en
wethouders een besluit als bedoeld in de eerste volzin hebben genomen.
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
kan tegen een besluit als bedoeld in de eerste volzin administratief
beroep instellen bij gedeputeerde staten.
Artikel 142. Berekening aantal leerlingen
Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in
artikel 139, vierde en vijfde lid, is het aantal leerlingen op 1 oktober
voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar. Voor het kalenderjaar
waarin een nieuw opgerichte school wordt geopend, wordt als grondslag
genomen het aantal leerlingen op de laatste dag van de tweede maand
volgende op die der opening.
§ 6. Bestedingsmogelijkheden
Artikel 143. Besteding bekostiging
1. Het bevoegd gezag wendt het totaal van de in de artikelen 124, 128 en
131 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding
en de personeelskosten uitsluitend aan voor kosten voor materiële
instandhouding, personeelskosten van de school, personeelskosten in
verband met benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van personeel,
bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel mede voor die kosten van een
van de andere scholen van dat bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag kan de in de artikelen 124, 128, 131 en 166a
bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en
voor de personeelskosten mede aanwenden voor de in het eerste lid
bedoelde kosten van:
a. een regionaal expertisecentrum, een centrale dienst of een andere
school;
b. een centrale dienst of een basisschool of een speciale school voor
basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een
centrale dienst dan wel een school als bedoeld in de Wet op het
voortgezet onderwijs.
3. De verstrekte overschrijdingsbedragen worden ten behoeve van het
onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag aangewend.
4. De op grond van artikel 134 of artikel 135 verstrekte vergoeding
wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt.
§ 7. Betaling van de bekostiging
Artikel 144. Verlening en verrekening voorschotten op de bekostiging
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven voor de verlening van voorschotten op de bekostiging en voor de
verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de
vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.
Artikel 145. Verrekening van vorderingen
Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze
wet van of op het bevoegd gezag van een school met vorderingen van of op
Onze Minister krachtens een andere wet.
Afdeling 8. Aanwijzing en maatregelen
Artikel 145*. Aanwijzing
1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of
toezichthouders kan Onze minister de rechtspersoon die de school in
stand houdt een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer
maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
2. Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:
a. financieel wanbeleid,
b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de
rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een derde;
c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de
hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met
wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen
waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de
rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf of een derde, en
d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door
redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen
in de schoolorganisatie, waaronder wordt verstaan intimidatie of
bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of
toezichthouder.
3. In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke
punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen
maatregelen.
4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het bevoegd gezag aan de
aanwijzing moet voldoen.
5. Alvorens Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
geeft:
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel
15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in
artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht;
en
c. stelt Onze minister de rechtspersoon vervolgens vier weken in de
gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de aanwijzing naar voren
te brengen.
Artikel 146. Inhouding bekostiging
1. Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het
bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder tevens wordt verstaan het
niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 145, kan Onze
minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen,
geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd
gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de
reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 146a. Maatregelen
1. Indien de kwaliteit van het onderwijs of de kwaliteit van het bestuur
ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het
bevoegd gezag van een school, van een regionaal expertisecentrum of uit
eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen
treffen.
2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de
mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een
extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële
middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
3. Onze minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en
verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van
financiële middelen betreffen.
4. Het eerste tot en met het derde lid is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het
regionaal expertisecentrum, met dien verstande dat onder het bevoegd
gezag van een school, het bevoegd gezag en het bestuur van de instelling
wordt verstaan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld inartikel 28b,
vijfde lid.
Artikel 147. Einde bekostiging bijzondere school
1. De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd, indien het
aantal leerlingen vastgesteld volgens artikel 151, gedurende 2
achtereenvolgende schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen
dan het volgende aantal leerlingen:
a. de school voor speciaal onderwijs: 25 leerlingen;
b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 29 leerlingen;
c. de school of de instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs: 33 leerlingen;
d. de afdeling: 8 leerlingen.
De bekostiging van het voortgezet speciaal onderwijs van een bijzondere
school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs wordt beëindigd,
indien het aantal leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs van
de school vastgesteld volgens artikel 151, gedurende 2 achtereenvolgende
schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan 8.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eerste 5 volledige
schooljaren van de bekostiging van de school.
3. Onze minister kan op verzoek van het bevoegd gezag, burgemeester en
wethouders van de betrokken gemeente gehoord, besluiten dat, in
afwijking van het eerste lid, de bekostiging wordt voortgezet indien aan
de school behoefte bestaat. Tevens hoort Onze minister gedeputeerde
staten van de betrokken provincie voor zover het scholen betreft bedoeld
in artikel 78, eerste lid. Het verzoek wordt ingediend voor 16 oktober
van het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren,
bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
4. Het besluit van Onze minister op het verzoek, bedoeld in het derde
lid, wordt genomen voor 16 februari volgend op de datum 16 oktober
genoemd in het derde lid. Indien Onze minister niet voor 16 februari
heeft besloten, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. Een
besluit van Onze minister dat de bekostiging wordt voortgezet, geldt
telkens voor ten hoogste 3 schooljaren.
5. De beëindiging van de bekostiging geschiedt met ingang van 1
augustus van het tweede schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende
schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, tenzij door Onze
minister bij zijn afwijzing van het verzoek, bedoeld in het derde lid,
of bij een in beroep gegeven uitspraak anders is bepaald.
6. Van zijn besluit en van de uitspraak in beroep wordt door Onze
Minister mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan
gedeputeerde staten en aan burgemeester en wethouders.
7. Indien het aantal leerlingen van de betrokken school vastgesteld
volgens artikel 151 in het schooljaar volgend op de twee
achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid,
gelijk is aan of meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid voor
die school geldende aantal, wordt de bekostiging niet beëindigd op
grond van dit artikel. De procedures die in werking zijn gesteld op
grond van het derde tot en met het zesde lid, eindigen van rechtswege en
besluiten, genomen op grond van het derde tot en met het zesde lid,
vervallen.
Artikel 148. Opheffing openbare school
1. De gemeenteraad besluit, behoudens het bepaalde in het derde lid, tot
opheffing van een openbare school indien het aantal leerlingen
vastgesteld volgens artikel 151, gedurende 2 achtereenvolgende
schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan het volgende
aantal leerlingen:
a. de school voor speciaal onderwijs: 25 leerlingen;
b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 29 leerlingen;
c. de school of de instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs: 33 leerlingen;
d. de afdeling: 8 leerlingen.
De gemeenteraad besluit, behoudens het bepaalde in het derde lid, tot
beëindiging van het voortgezet speciaal onderwijs van een openbare
school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, indien het aantal
leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs van de school
vastgesteld volgens artikel 151, gedurende 2 achtereenvolgende
schooljaren in elk van die jaren minder heeft bedragen dan 8. Dit
besluit wordt genomen voor 16 oktober van het schooljaar, volgend op de
2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van dit lid.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eerste 5 volledige
schooljaren van de bekostiging van de school.
3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, besluit de gemeenteraad
tot instandhouding van de school indien deze noodzakelijk is om
voldoende te voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Dit besluit
wordt genomen voor 16 oktober van het schooljaar volgend op de 2
achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
4. De besluiten van de gemeenteraad, bedoeld in het eerste en derde lid,
worden onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten voor zover
het scholen betreft als bedoeld in artikel 78, eerste lid, en aan de
goedkeuring van Onze minister voor zover het scholen betreft als bedoeld
in artikel 86, eerste lid. Gedeputeerde staten en Onze minister
onthouden hun goedkeuring ten aanzien van besluiten op grond van het
eerste lid, indien ten gevolge van de opheffing van de school,
afhankelijk van de schoolsoort, regionaal, provinciaal dan wel landelijk
niet meer voldoende zou zijn voorzien in de behoefte aan openbaar
onderwijs. Gedeputeerde staten en Onze minister onthouden hun
goedkeuring ten aanzien van besluiten op grond van het derde lid, indien
instandhouding van de school, afhankelijk van de schoolsoort, regionaal,
provinciaal dan wel landelijk niet noodzakelijk is om voldoende te
voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs.
5. Gedeputeerde staten en Onze minister besluiten voor 16 februari
volgend op de datum 16 oktober, genoemd in het eerste lid, laatste
volzin, en derde lid, laatste volzin. Indien gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk Onze minister niet voor 16 februari hebben besloten,
wordt het desbetreffende besluit van de gemeenteraad geacht te zijn
goedgekeurd. Het onthouden van de goedkeuring van gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk Onze minister ten aanzien van het besluit van de
gemeenteraad, bedoeld in het eerste lid, dan wel de goedkeuring van
gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze minister ten aanzien van het
besluit van de gemeenteraad, bedoeld in het derde lid, geldt telkens
voor ten hoogste 3 schooljaren.
6. De besluiten van de gemeenteraad, van gedeputeerde staten en van Onze
minister, bedoeld in het eerste en het derde tot en met vijfde lid,
worden bekendgemaakt door een openbare kennisgeving binnen 2 weken na de
datum waarop het besluit is genomen.
7. De opheffing geschiedt met ingang van 1 augustus van het tweede
schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de
aanhef van het eerste lid, tenzij door gedeputeerde staten of Onze
minister bij hun, onderscheidenlijk zijn besluit, of bij een in beroep
gegeven uitspraak anders is bepaald.
8. Indien het aantal leerlingen van de betrokken school vastgesteld
volgens artikel 151 in het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende
schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gelijk is aan of
meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid voor die school
geldende aantal, wordt de school niet opgeheven op grond van dit
artikel. De procedures die in werking zijn gesteld op grond van het
vierde tot en met het zevende lid, eindigen van rechtswege en
beslissingen, genomen op grond van het vierde tot en met het zevende
lid, vervallen.
Artikel 149. Vrijwillige opheffing openbare school
1. De gemeenteraad kan besluiten tot vermindering van het aantal
openbare scholen in de gemeente. Het besluit wijst tevens de op te
heffen scholen aan en het tijdstip met ingang waarvan de opheffing
geschiedt. Opheffing van een school vindt niet plaats indien
instandhouding van die school noodzakelijk is om voldoende te voorzien
in de behoefte aan openbaar onderwijs.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen voor 16
februari voorafgaand aan het schooljaar waarin de opheffing geschiedt,
dan wel, indien het besluit meer dan een school betreft, voorafgaand aan
het schooljaar waarin de eerste van deze scholen wordt opgeheven. Het
besluit wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten,
voor zover het scholen betreft als bedoeld in artikel 78, eerste lid, en
aan de goedkeuring van Onze minister, voor zover het scholen betreft als
bedoeld in artikel 86, eerste lid. Gedeputeerde staten en Onze minister
onthouden hun goedkeuring ten aanzien van het besluit voor zover ten
gevolge van de opheffing van een school, afhankelijk van de schoolsoort,
regionaal, provinciaal dan wel landelijk niet meer voldoende zou zijn
voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs.
3. Gedeputeerde staten en Onze minister beslissen voor 16 februari
volgend op de in het tweede lid genoemde datum. Indien gedeputeerde
staten, onderscheidenlijk Onze minister, niet voor 16 februari hebben
beslist, wordt het desbetreffende besluit van de gemeenteraad geacht te
zijn goedgekeurd.
4. De besluiten van de gemeenteraad, van gedeputeerde staten en van Onze
minister, genomen op grond van dit artikel, worden bekendgemaakt door
een openbare kennisgeving binnen 2 weken na de datum waarop het besluit
is genomen.
Artikel 150. Overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken
1. Indien de bekostiging van een bijzondere school ingevolge artikel 147
wordt beëindigd of het bevoegd gezag beslist tot opheffing van de
school, eindigt het recht op het gebouw en terrein en worden alle
roerende zaken, behalve die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen
heeft aangeschaft, aan de gemeente overgedragen.
2. Artikel 108, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat in de verklaring ingevolge het eerste
lid en het besluit ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd
gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw
of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de datum
waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen.
Artikel 150a. Terugstorting
1. Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een
bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van
de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt
opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen
terug in de desbetreffende overheidskas.
2. Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste
lid, voor rekening van het bevoegd gezag.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het
eerste lid, wordt berekend.
Artikel 151. Teldatum en leerlingenaantal voor opheffing en beëindiging
bekostiging
Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in de
artikelen 147 en 148, is het aantal leerlingen op 1 oktober.
Afdeling 9 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 152 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 153 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 154 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 155 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 156 [Vervallen per 01-08-2006]
Afdeling 10. Verslaglegging en informatieverstrekking
Artikel 157. Jaarverslag
1. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum
stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast.
Op deze jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk
Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van
overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat
tenminste uit de volgende onderdelen:
a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek waarin de door het bevoegd gezag onderscheidenlijk
het regionaal expertisecentrum gehanteerde code voor goed bestuur wordt
vermeld alsmede ten minste verantwoording wordt afgelegd over de
afwijkingen van die code voor goed bestuur,
b. een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met daarbij ingevolge het derde lid vast te stellen
bijlagen,
c. overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke
onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke
onderdelen komen te vervallen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere
invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:
a. de indeling en de wijze van ordening van de gegevens per onderdeel
van het jaarverslag,
b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen
beschikbaar gesteld moeten worden,
c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de
jaarrekening, en
d. de grondslagen voor de jaarrekening.
4. De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde lid,
onder b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en
rechtmatigheid, afgegeven door een door de toezichthouder of het
toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van
de accountant bedingt de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan
dat de controle overeenkomstig een door Onze minister vast te stellen
controleprotocol plaatsvindt en dat aan Onze minister op diens verzoek
inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.
5. De code voor goed bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
bevat ten minste bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven
aan
a. een beleid dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het
personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot haar recht komt,
b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om
verstrengeling van belangen tegen te gaan, en
c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere
belanghebbenden binnen en buiten de school.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed
bestuur worden aangewezen.
Artikel 158. Informatie over bekostiging
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze
minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de
berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring
over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door
de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van
ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het
eerste lid.
3. Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en
de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven
jaren.
Artikel 159. Beleidsinhoudelijke informatie
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende
gegevens ten behoeve van het door Onze minister te voeren beleid met
betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent
desgevraagd medewerking aan door of namens Onze minister uit te voeren
onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van
ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 159a [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 160. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel 157, derde lid, artikel 158, tweede
lid, en artikel 159, tweede lid, hebben geen betrekking op het
persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens,
bedoeld in artikel 164a, tweede lid.
Artikel 161 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 162 [Vervallen per 01-08-2004]
Afdeling 10A. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
Artikel 162a. Voortijdige schoolverlater
1. Onder een voortijdige schoolverlater in de zin van deze afdeling
wordt verstaan degene op wie artikel 47a, eerste lid onder a en b, van
toepassing is en
a. die het onderwijs aan de school waaraan hij is ingeschreven gedurende
een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het
bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer
volgt, of
b. die niet meer aan een school is ingeschreven en evenmin is
ingeschreven aan een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs dan wel aan een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
2. Voor zover nodig in afwijking van het eerste lid wordt onder een
voortijdig schoolverlater niet verstaan degene die in het bezit is van
een getuigschrift van het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f
van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een diploma van een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onderdeel a, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs en werkzaam is op grond van een
aanstelling of arbeidsovereenkomst.
Artikel 162b. Bestrijding voortijdig schoolverlaten door gemeente
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor registratie van de
gegevens die het bevoegd gezag ingevolge artikel 47a heeft gemeld.
Burgemeester en wethouders dragen bovendien zorg voor een systeem van
doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 162a
bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit
systeem. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover de
gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet
1969. Voor de uitvoering van de eerste en tweede volzin kunnen bij
ministeriële regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.
2. Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taken werken de
colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regio's. Zij maken tevens
afspraken met scholen, scholen en instellingen als bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs, instellingen als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen en
bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
3. De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit
hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onverwijld
gemeld aan Onze minister. Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente vervullen coördinerende taken met het oog op het
voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband:
a. maken zij afspraken met de in het tweede lid bedoelde scholen,
instellingen en organisaties over de inzet en verantwoordelijkheid bij
het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten;
b. dragen zij zorg voor de totstandkoming van een regionaal netwerk van
die scholen, instellingen en organisaties;
c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde
melding, registratie en doorverwijzing.
4. Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een
andere contactgemeente aanwijzen, dragen burgemeester en wethouders van
de vorige contactgemeente alle bescheiden die betrekking hebben op de
uitvoering van dit artikel over aan burgemeester en wethouders van de
opvolgende contactgemeente. De wijziging van de aanwijzing wordt
onverwijld gemeld aan Onze minister.
5. Ter tegemoetkoming in de kosten van uitvoering van het eerste tot en
met derde lid kent Onze minister binnen het raam van de door de
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen jaarlijks uiterlijk in
september ten behoeve van de activiteiten van de colleges van
burgemeester en wethouders in de regio aan de contactgemeente een
specifieke uitkering toe. Deze uitkering heeft betrekking op het daarop
volgende kalenderjaar. De contactgemeente draagt er zorg voor dat de
colleges van burgemeester en wethouders in de regio gebruik kunnen maken
van de instrumenten die met behulp van deze uitkering zijn
verwezenlijkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gegeven voor de berekening en betaling van de uitkering. De
berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal volwassen
inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar
voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt
gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die
inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering kunnen de
volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling
reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten
ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze minister hanteert het
aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt uit de
gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze
minister daarover verstrekt.
6. Het bevoegd gezag geeft aan de door burgemeester en wethouders
aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt de
gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en
bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
7. De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de in
die regio te behalen resultaten. Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio
jaarlijks een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de
bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden
toegelicht.
8. Indien burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde
bij of krachtens het eerste tot en met zevende lid niet nakomen, kan
Onze minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of
opschorten. Onze minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke
inhouding dan na overleg met burgemeester en wethouders van de
contactgemeente. Onze minister kan de uitkering wederom toekennen indien
de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.
9. Onze minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel of
gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie, bedoeld in artikel
17a van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is
besteed in overeenstemming met dit artikel.
Artikel 162c. Informatie over voortijdig schoolverlaten
1. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente zenden de in
artikel 162b, zevende lid, bedoelde effectrapportage aan Onze minister.
2. Burgemeester en wethouders zijn gehouden aan de door Onze minister
aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de
gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor het door
Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het voortijdig
schoolverlaten door niet-leerplichtigen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven
omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de
effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de
gegevens, bedoeld in het tweede lid.
Afdeling 10B. Zij-instroom in het beroep
Artikel 162d. Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger onderwijs
als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek;
b. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, met dien verstande dat voor zover het openbare instellingen
betreft, de artikelen 9.2, tweede lid, 10.9, tweede lid, en 11.1, tweede
lid, van die wet van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 162e. Geschiktheidsverklaring
1. Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in
artikel 162f voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar
en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of
tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen
aan het in artikel 162i bedoelde bekwaamheidsonderzoek, wordt een
geschiktheidsverklaring afgegeven door het instellingsbestuur onder
verantwoordelijkheid waarvan het geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd
of door het bestuur van een op grond van artikel 162h, eerste lid,
erkende instelling.
2. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de
geschiktheidsverklaring vastgesteld.
Artikel 162f. Geschiktheidsonderzoek
1. Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd gezag
dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder
benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder
verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond van
artikel 162his erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het
geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te
benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene de
aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming
met betrokkene is uitgenodigd.
2. Het geschiktheidsonderzoek omvat:
a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of
beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, van
voldoende belang zijn in verhouding tot de door deze beoogde
werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is
b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor die
werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de beoordeling of
betrokkene in de feitelijke klassituatie tot verantwoord lesgeven in
staat is, alsmede
c. de beoordeling, welke scholing en begeleiding voor betrokkene
noodzakelijk moeten worden geacht om met goed gevolg deel te kunnen
nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
3. Uit de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek blijkt dat betrokkene
in het bezit is van:
a. een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van
een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger
beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, dan wel van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, of
b. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het bestuur
van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert, gelijkwaardig
is aan een getuigschrift als bedoeld onder a.
4. Het in het tweede lid, onder b, bedoelde onderzoek is erop gericht,
vast te stellen of betrokkene in voldoende mate beschikt over kennis,
inzicht en vaardigheden om te kunnen worden belast met het geven van
onderwijs dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, in
aanmerking nemend dat betrokkene in de periode van benoeming of
tewerkstelling zonder benoeming begeleid en verder geschoold zal worden
om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
De in de eerste volzin bedoelde kennis en vaardigheden en het in die
volzin bedoelde inzicht zijn afgeleid van de in artikel 32a, eerste lid,
bedoelde bekwaamheidseisen en omvatten in het bijzonder beroepsmatige
vaardigheden.
5. Het geschiktheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarbij in
gelijke mate zijn betrokken:
a. personen die zijn belast of belast zijn geweest met het geven van
onderwijs aan een lerarenopleiding, alsmede
b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde
personeelsleden van het bevoegd gezag dat is betrokken bij het
geschiktheidsonderzoek.
6. Ten behoeve van het uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek is de
aanvrager aan de instelling die het onderzoek zal verrichten, een bij
ministeriële regeling vast te stellen bijdrage verschuldigd.
Artikel 162g. Uitvoering scholing en begeleiding
1. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die
werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 162j, eerste lid, onder a,
is partij bij de in artikel 38a, eerste lid, bedoelde overeenkomst.
2. Indien na het sluiten van die overeenkomst blijkt dat de scholing of
begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft
dat instellingsbestuur tijdig een toereikende vervangende voorziening.
Artikel 162h. Uitvoeren geschiktheidsonderzoek
1. Onze minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling, niet
zijnde een instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede
volzin, erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn
verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek.
Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten genoegen
van Onze Minister aantoont dat de instelling het geschiktheidsonderzoek
onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking
tot de toepassing van de tweede volzin, waaronder regels over de
behandeling en beoordeling van de aanvraag. Een erkende instelling heeft
tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen
op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen
over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van
artikel 162f, tweede lid, onder c.
2. Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze
minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen
van het bestuur van de instelling.
3. Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling,
bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister het
geschiktheidsonderzoek niet langer onafhankelijk, deskundig of
betrouwbaar uitvoert.
Artikel 162i. Bekwaamheidsonderzoek
Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar
voldoet aan de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen
voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld.
Artikel 162j. Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek
1. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die
opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel
32a, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze minister heeft gemeld, is
na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd
tot:
a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 162f, tweede lid,
onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband
houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of
b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van
bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het
desbetreffende getuigschrift, dan wel
c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten.
2. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die op
grond van het eerste lid, onder b, bevoegd is tot het uitvoeren van het
bekwaamheidsonderzoek, stelt de leraar die zich daartoe heeft gemeld en
voor wie de scholing en begeleiding zijn afgerond overeenkomstig de in
artikel 38a bedoelde overeenkomst, tijdig in de gelegenheid deel te
nemen aan dat onderzoek.
3. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het
bekwaamheidsonderzoek aan dat bestuur een bijdrage is verschuldigd voor
uitvoering van dat onderzoek. Bij ministeriële regeling kan voor deze
bijdrage een maximum worden vastgesteld.
Artikel 162k. Kwaliteitsbewaking; sancties
1. Het in artikel 162h en het in artikel 162j bedoelde bestuur dragen
zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.
2. Onze minister kan een instelling een of meer van de in artikel 162h
of artikel 162j, eerste lid, bedoelde bevoegdheden ontnemen indien
gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet,
dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en
krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de ontneming.
Artikel 162l. Uitvoeringsvoorschriften zij-instroom
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 162f, tweede
lid onder b, en vierde lid.
2. Tevens kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld voor de
uitvoering van deze afdeling, waaronder in elk geval voorschriften met
betrekking tot:
a. waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de
instellingen die dat onderzoek uitvoeren,
b. de scholing en begeleiding, en het bekwaamheidsonderzoek, waaronder
voorschriften ter waarborging van de kwaliteit, alsmede
c. de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en
voor afgifte van de geschiktheidsverklaring.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt
aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen
gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig
mogelijk ingediend.
Artikel 162m. Inlichtingenplicht
Het in artikel 162h en artikel 162j bedoelde bestuur verstrekken aan
Onze minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een
goede naleving van deze afdeling. Het bestuur zendt de inspectie van het
onderwijs telkens na zes maanden een overzicht van in die periode
afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan
met goed gevolg is deelgenomen.
Afdeling 11. Overige bepalingen
Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
1. Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke
bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld
of nalatigheid van het bevoegd gezag.
2. Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door
het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een
uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd
gezag ter zake tegen derden mocht hebben.
3. Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor
de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende
zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand
gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school
jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade,
voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
4. Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van
een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door
de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een
uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd
gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 164 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 164a. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling
gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer betrekking
heeft, of, indien de leerling minderjarig of handelingsonbekwaam is, met
de ouders van deze leerling.
2. Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere
leerling aan Onze minister, tezamen met de volgende gegevens van de
leerling:
a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
b. de datum van in- of uitschrijving;
c. de soort onderwijs;
d. de schoolsoort;
e. het leerjaar of de groep;
f. indien van toepassing de aanduiding dat het betreft een leerling met
een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van
het Formatiebesluit WEC;
g. het registratienummer van de school of, indien sprake is van een
nevenvestiging, het registratienummer daarvan;
h. bekostigingsindicatie;
i. de onderwijssoort dan wel het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde
lid, onder d, de begindatum van de periode waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard door een commissie voor de indicatiestelling
als bedoeld in artikel 28c, het registratienummer van het regionaal
expertisecentrum dat de indicatiestelling heeft verricht en,
1°. indien het een leerling betreft als bedoeld in artikel 8a, eerste
lid, het registratienummer van de school, bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet educatie
en beroepsonderwijs, waar de leerling is ingeschreven en de begin- en
einddatum van de ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, eerste lid;
2°. indien het een leerling betreft als bedoeld in artikel 8a, derde
lid, onderdeel b, het registratienummer van de school, bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet
educatie en beroepsonderwijs, waar de leerling is ingeschreven na afloop
van de periode gedurende welke de leerling door een commissie voor de
indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een bepaalde
onderwijssoort; en
j. indien een leerling is toegelaten met toepassing van artikel 40,
derde lid, tweede volzin, de indicatie voor het soort verblijf.
3. Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven
van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid, en kan worden
bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid,
niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling
kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze
van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid.
4. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling,
al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het
tweede en achtste lid, gebruiken in het verkeer met Onze minister ten
behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de school. De vorige
volzin is van overeenkomstige toepassing op het persoonsgebonden nummer
van een leerling als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, die is
ingeschreven bij een school als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
5. Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de
Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een
leerling in contacten met een gemeente in het kader van de Leerplichtwet
1969, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op
de naleving van die wet door de gemeente.
6. Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en
wethouders, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, het persoonsgebonden
nummer van de betrokkene.
7. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
leerling in het contact met een andere school of een school of
instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving
van die leerling en bij het overleggen van het onderwijskundig rapport,
bedoeld in artikel 43.
8. Indien de gegevens over de nationaliteit van de leerling niet zijn
opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden
deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze minister.
9. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
leerling in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het
Europees Sociaal Fonds.
10. Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een
leerling ter uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van de
Vreemdelingenwet 2000.
11. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
leerling in contacten met een school als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet educatie
en beroepsonderwijs in het kader van de ondersteuning van de school op
grond van artikel 8a, eerste lid.
Artikel 164b. Verwerking gegevens door Onze minister
1. Onze minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte
persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 164a,
tweede en achtste lid, op in het basisregister onderwijs, nadat zij deze
gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze minister
verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals zij
voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen,
aan het bevoegd gezag. Onverminderd artikel 164c, tweede lid, kan Onze
minister de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met
instemming van het bevoegd gezag wijzigen.
2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze minister alle inlichtingen die zij
nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister onderwijs
opgenomen gegevens juist en volledig zijn.
3. Indien Onze minister naar aanleiding van de toetsing, bedoeld in het
eerste lid, redenen heeft om aan te nemen dat een bevoegd gezag in
strijd handelt of heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze
wet en een onderzoek daarnaar door de inspectie nodig acht, verstrekt
Onze minister ten behoeve van dit onderzoek de persoonsgebonden nummers
en andere gegevens van leerlingen aan de inspectie. De inspectie meldt
de uitkomst van het onderzoek aan Onze minister.
4. Onze minister en de inspectie verstrekken ter uitvoering van artikel
107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen gegevens die zij op
grond van het derde lid hebben ontvangen.
Artikel 164c. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister
en inspectie
1. Gegevens uit het basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt door:
a. Onze minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
bekostiging van scholen, de begrotings- en beleidsvoorbereiding, en de
uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 48a, tweede lid;
b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het
uitoefenen van het toezicht op het speciaal onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs.
2. Voor zover de door het bevoegd gezag op grond van artikel 164a
verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze minister onjuist of
onvolledig zijn, kan Onze minister ten behoeve van de vaststelling van
de bekostiging van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze
minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het
basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot
vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.
3. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op gegevens
die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele leerlingen,
onverminderd artikel 164b, derde lid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van
het eerste en derde lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van de gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het
basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de
gegevens worden verstrekt, en de perioden waarop de gegevens betrekking
hebben.
5. In afwijking van het derde lid wordt bij algemene maatregel van
bestuur bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden Onze
minister gegevens uit het basisregister kan gebruiken tezamen met het
persoonsgebonden nummer van een leerling ten behoeve van de vaststelling
van de bekostiging van een school, alsmede welke gegevens dit gebruik
kan betreffen.
6. In afwijking van het derde lid, kan Onze minister uit het
basisregister onderwijs ten behoeve van het zenden van de samenvatting
van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen ingevolge
artikel 48a, tweede lid, het persoonsgebonden nummer van die leerlingen
gebruiken.
Artikel 164d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 164e. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het
gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de
gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige
schoolverlater als bedoeld in artikel 162a uitsluitend ten behoeve van:
a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het
toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld
in artikel 162b, eerste lid, eerste volzin;
c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar
onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 162b, eerste lid, tweede
en derde volzin;
d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 24f, derde en vierde
lid, van de Wet op het onderwijstoezicht bij de registraties, bedoeld in
de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in
onderdeel c.
Artikel 165. Schoolbegeleiding
Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een
school.
Artikel 166. Bekostiging van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke
leerlingen
1. Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor
activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij
het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 18a. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de
uitvoering van de activiteiten, bedoeld in de vorige volzin.
2. Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de
schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs
aan zieke leerlingen als bedoeld inartikel 18a in de periode 1 augustus
1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond
van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging
van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de
Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de
ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Artikel 166a. Bekostiging van schoolbegeleiding
1. Het Rijk verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een school,
bekostiging die kan worden besteed ten behoeve van schoolbegeleiding.
2. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elk schooljaar
berekend door het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar te vermenigvuldigen met een bedrag dat jaarlijks
bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
Artikel 167. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
1. Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd
gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van
het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum
bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan
het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen,
vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.
2. Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester
en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen
bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van
een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële
instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze
termijn in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd
gezag geleden schade.
3. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling
overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot
schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming
leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van
toepassing.
Artikel 168. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming;
boekhoudvoorschriften
Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de
overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te
gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene
maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.
Artikel 169. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten
vervanging en onvrijwillige taakvermindering
1. Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het regionaal
expertisecentrum is aangesloten bij een door Onze minister aan te wijzen
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt
waarborgen te bieden voor
a. de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel, en
b. de kosten voortvloeiend uit rechtspositionele verplichtingen ten
aanzien van personeel dat gebruik maakt van een krachtens artikel 33,
tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering.
2. Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het regionaal
expertisecentrum is voorts verplicht jaarlijks een door het bestuur van
de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te
voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
3. Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze
minister op verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het
regionaal expertisecentrum ontheffing verlenen op grond van bezwaren van
godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de
ontheffing slechts indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het
regionaal expertisecentrum aantoont dat een afdoende andere voorziening
is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij
afwezigheid van personeel en de gevolgen die voortvloeien uit
rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik
maakt van een krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling
voor onvrijwillige taakvermindering. Onze Minister besluit binnen zes
maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin.
Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt
Onze minister het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal
expertisecentrum daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Het bestuur van de rechtspersoon kan regels vaststellen ter
uitvoering van het eerste lid.
5. Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze minister te bepalen
bedrag betaald aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in
verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.
6. Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 169a. Gebruik burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaalnummer door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 169, kan het burgerservicenummer
of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van het
personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, en van degene die het
personeelslid tijdelijk vervangt, uitsluitend in het kader van het doel,
bedoeld in artikel 169, eerste lid, onderdeel a, gebruiken in het
verkeer met:
a. het personeelslid onderscheidenlijk degene die het personeelslid
tijdelijk vervangt,
b. het bevoegd gezag van de school, het regionaal expertisecentrum dan
wel de centrale dienst waar de in onderdeel a bedoelde personen werkzaam
zijn,
c. Onze minister,
d. de instantie, bedoeld in artikel 170, vijfde lid, of
e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de in
het eerste lid bedoelde rechtspersoon aan die rechtspersoon verstrekt
door het bevoegd gezag van de school, het regionaal expertisecentrum dan
wel de centrale dienst waar het personeelslid dat bij afwezigheid wordt
vervangen, werkzaam is.
3. Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk
is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan
geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden
ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens
in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid
van aan of door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de
burgerservicenummers of, voor zover deze ontbreken, sociaal-fiscale
nummers worden vergeleken met de burgerservicenummers of sociaal-fiscale
nummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde
instanties zijn verstrekt.
Artikel 170. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon in verband met
kosten van uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid
1. Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het regionaal
expertisecentrum is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt
waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen,
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op
grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel.
2. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum
voldoet aan de rechtspersoon jaarlijks een door het bestuur van die
rechtspersoon vast te stellen bijdrage in verband met de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
3. Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze
Minister op verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het
regionaal expertisecentrum ontheffing verlenen op grond van bezwaren van
godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de
ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het
regionaal expertisecentrum aantoont dat een afdoende andere voorziening
is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen,
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op
grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na
ontvangst van een verzoek. Indien de beschikking niet binnen zes maanden
kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis
en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien.
4. Het bestuur van de rechtspersoon stelt regels vast voor de
behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het
bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum als
bedoeld in artikel 132, derde lid. Indien het bevoegd gezag
onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum zich beroept op
overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt het
bestuur van de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van een
in de eerste volzin bedoeld verzoek.
5. Indien het bestuur van de rechtspersoon het in het vierde lid
bedoelde verzoek heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de
werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van
gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of
heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties.
6. Tegen een besluit van de rechtspersoon kan beroep worden ingesteld
door het bevoegd gezag.
7. Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 170a. Gebruik burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaalnummer door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 170
1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 170, kan het burgerservicenummer
of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van het gewezen
personeelslid, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel
170, eerste lid, gebruiken in het verkeer met:
a. het gewezen personeelslid,
b. het bevoegd gezag van de school, het regionaal expertisecentrum dan
wel de centrale dienst waar de in onderdeel a bedoelde persoon werkzaam
was,
c. Onze minister, of
d. de instantie, bedoeld in artikel 170, vijfde lid.
2. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de in
het eerste lid bedoelde rechtspersoon aan die rechtspersoon verstrekt
door het bevoegd gezag van de school, het regionaal expertisecentrum dan
wel de centrale dienst waar het gewezen personeelslid werkzaam was.
3. Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk
is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan
geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden
ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens
in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid
van door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de
burgerservicenummers of, voor zover deze ontbreken, sociaal-fiscale
nummers worden vergeleken met de burgerservicenummers of sociaal-fiscale
nummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde
instanties zijn verstrekt.
Titel V. Experimenten
Artikel 171. Ruimte voor innovatie
1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of
doelmatigheid van het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van
bestuur worden afgeweken van titel I, artikelen 1 en 2, titel II,
afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1,
2, 4 tot en met 6, afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8,
artikelen 146 tot en met 149 en 151, van de wet.
2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene
maatregel van bestuur in elk geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften
wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het
experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitvoering van een experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur
gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan
wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald.
Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het
experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat
een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen
tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in
werking treedt.
5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan
de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de
voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een
voortzetting als experiment.
6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij
algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden
afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
samenwerkingsverband van een school met een school of instelling als
bedoeld in artikel 1, een school als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die
school of instelling respectievelijk worden afgeweken van hoofdstuk I,
titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en titel IV, afdeling 4
tot en met 7 en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7, van de Wet op het
primair onderwijs, en titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III,
afdeling II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke
bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs, of de Wet op
het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften van toepassing of
van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.
8. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169
Artikel 172. Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld
in artikel 169
1. Instemming van Onze minister is vereist ten aanzien van de statuten
van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169, alsmede ten aanzien van
wijziging van die statuten.
2. Onze minister is bevoegd tot intrekking van de aanwijzing van de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 169.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. nadere taakomschrijving van de rechtspersoon;
b. de voorwaarden voor instemming door Onze minister met de statuten van
de rechtspersoon en wijziging van deze statuten; en
c. de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.
4. Krachtens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
voorschriften kan Onze minister subsidie verlenen aan de rechtspersoon
ten behoeve van:
a. bedragen die, gedurende een vooraf vastgestelde periode en tot een
vooraf vastgestelde maximale hoogte, strekken ter vervanging van de
bekostiging in verband met de kosten van vervanging, bedoeld in artikel
121, eerste lid, en de bijdrage, bedoeld in artikel 169, tweede lid,
voor zover die betrekking heeft op de kosten van vervanging van
personeel wegens voorschriften gegeven bij algemene maatregel van
bestuur of bij ministeriële regeling,
b. een bijdrage aan de kosten van de bedrijfsvoering van de
rechtspersoon, en
c. een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in
het kader van de bedrijfsgezondheidszorg.
5. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan
ten behoeve van een in dat lid bedoelde subsidie een subsidieplafond
worden vastgesteld.
6. Het bestuur van de rechtspersoon kan ten behoeve van de uitoefening
van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg
subsidie aan derden verstrekken.
7. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde
lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de
wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 173. Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld
in artikel 170; evaluatie
1. Artikel 172 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 170.
2. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de aanwijzing van de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 170, en vervolgens telkens na vijf
jaar, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van de werkzaamheden van die
rechtspersoon.
Titel VIa. Overgangs- en invoeringsbepalingen
Artikel 173a. Wet van 11 oktober 2012 (Stb. 545)
1. Per school waar voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd
informeert het bevoegd gezag uiterlijk op 1 januari voorafgaande aan het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E van de wet van
11 oktober 2012 (Stb. 545), de ouders schriftelijk welk uitstroomprofiel
als bedoeld in artikel 14 zoals luidend door artikel I, onderdeel E, van
die wet en indien aan de orde, welk onderwijs als bedoeld in artikel
14a, eerste lid, zoals luidend door artikel I, onderdeel F, van die wet
en welke schoolsoort als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs
met ingang van genoemd tijdstip wordt verzorgd.
2. Voor de leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs volgen vóór
het tijdstip van inwerkingtreding voor het voortgezet speciaal onderwijs
van artikel I, onderdeel R, van de wet van 11 oktober 2012 (Stb. 545)
stelt het bevoegd gezag vóór dat tijdstip een ontwikkelingsperspectief
vast overeenkomstig artikel 41a, eerste lid, zoals luidend door artikel
I, onderdeel R, van die wet. De eerste volzin is niet van toepassing op
leerlingen die naar verwachting vóór 1 oktober volgend op het
tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, de school verlaten.
3. Voor de leerlingen die speciaal onderwijs volgen vóór het tijdstip
van inwerkingtreding voor het speciaal onderwijs van artikel I,
onderdeel R, van de wet van 11 oktober 2012 (Stb. 545) stelt het bevoegd
gezag vóór dat tijdstip een ontwikkelingsperspectief vast
overeenkomstig artikel 41a, eerste lid, zoals luidend door artikel I,
onderdeel R, van die wet.
4. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
5. Leerlingen die speciaal onderwijs volgen die vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, eerste lid, van de wet van
11 oktober 2012 (Stb. 545) de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt,
verlaten vóór dat tijdstip van inwerkingtreding het speciaal
onderwijs.
Titel VII. Slotbepalingen
Artikel 174. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de expertisecentra.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 december 1982
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
G. van Leijenhorst
Uitgegeven de elfde januari 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|