WET van 28 juli 1958, houdende nieuwe
regelen nopens de geneesmiddelenvoorziening en de uitoefening der
artsenijbereidkunst
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Wet
van 1 Juni 1865 (Staatsblad no. 61) regelende de uitoefening der
artsenijbereidkunst door een nieuwe regeling nopens de
geneesmiddelenvoorziening en de uitoefening der artsenijbereidkunst te
vervangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid en
Milieuhygiëne;
b. hoofdinspecteur: de bevoegde hoofdinspecteur van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid;
c. inspecteur: de bevoegde regionale inspecteur van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid;
d. substantie: stof van menselijke, dierlijke, plantaardige of
chemische oorsprong, daaronder begrepen dieren, planten, delen van
dieren of planten, alsmede micro-organismen;
e. geneesmiddel: substantie of samenstelling van substanties, welke
is bestemd te worden gebruikt of op enigerlei wijze wordt aangeduid of
aanbevolen als zijnde geschikt voor:
1°. het genezen, lenigen of voorkomen van enige aandoening,
ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij de mens,
2°. het herstellen, verbeteren of wijzigen van het functioneren
van organen bij de mens,
3°. het stellen van een medische diagnose door toediening aan of
aanwending bij de mens;
f. farmaceutische vorm: vorm welke met het oog op de toediening of
aanwending van een geneesmiddel wordt gebezigd;
g. speciale benaming: benaming, welke niet of niet uitsluitend een
soortnaam of wetenschappelijke benaming is;
h. farmaceutische specialité: geneesmiddel in een farmaceutische
vorm, dat in de handel wordt gebracht onder een speciale benaming en
in een standaardverpakking;
i. farmaceutisch preparaat: geneesmiddel in een farmaceutische vorm
dat in de handel wordt gebracht, niet onder een speciale benaming of
niet in een standaardverpakking;
j. artsenijbereidkunst:
1°. bereiden van geneesmiddelen, daaronder begrepen het in een
farmaceutische vorm brengen, alsmede het verpakken en het
etiketteren van de verpakking;
2°. afleveren van geneesmiddelen;
k. apotheek: lokaal dat, of bij elkaar behorende lokalen en
bewaarplaatsen, welke door een apotheker of een apotheekhoudend arts
wordt of worden gebruikt voor of in verband met de uitoefening van de
artsenijbereidkunst;
l. recept: schriftelijke aanwijzing nopens de bereiding of de
aflevering van een geneesmiddel, afgegeven door een arts, een tandarts
of een verloskundige ten behoeve van een of meer met name genoemde dan
wel met cijfers of letters aangeduide personen; met een recept wordt
gelijkgesteld een afschrift, dat voldoet aan de voorschriften
krachtens artikel 26 gegeven;
m. gevestigde apotheker: apotheker, ingeschreven in het register
der gevestigde apothekers, bedoeld in artikel 14;
n. tweede apotheker: apotheker, ingeschreven in het register der
tweede apothekers, bedoeld in artikel 14;
o. ziekenhuis: inrichting, waarin personen worden opgenomen voor
het ondergaan van een genees-, heel- of verloskundig onderzoek of van
een genees-, heel- of verloskundige behandeling;
p. geneesmiddel voor onderzoek: een middel als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder o, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek
met mensen.
2. Deze wet is op bloedproducten in de zin van de Wet inzake
bloedvoorziening slechts van toepassing voor zover die bloedproducten
overeenkomstig de regelgeving van de Europese Unie als geneesmiddel
worden aangemerkt en met betrekking daartoe bindende regels zijn
vastgesteld ter uitvoering van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de artikelen 2,
eerste lid, onder d , 3 en 8, geheel of gedeeltelijk niet van
toepassing worden verklaard in bij die maatregel te bepalen gevallen of
ten aanzien van bij die maatregel aangewezen geneesmiddelen, indien deze
toepassing in het belang van de volksgezondheid niet nodig wordt geacht.
4. Indien een geneesmiddel mede bestaat uit andere dan
bloedproducten, in de zin van de Wet inzake bloedvoorziening, maar die
daarin geen therapeutische functie hebben, is niet de Wet inzake
bloedvoorziening maar de onderhavige wet van toepassing op dat
geneesmiddel.
Artikel 2
1. Tot uitoefening der artsenijbereidkunst zijn bevoegd:
a. apothekers;
b. apotheekhoudende artsen, voor zoveel hun dat is toegestaan
krachtens de artikelen 6 en 10;
c. apothekers-assistenten, gedurende de uitoefening hunner
werkzaamheden in een apotheek, mits onder toezicht van een apotheker
of van een apotheekhoudend arts;
d. in Nederland gevestigde personen, rechtspersonen daaronder
begrepen, aan wie door Onze Minister vergunning is verleend, hetzij
tot het bereiden van geneesmiddelen en het afleveren daarvan, hetzij
uitsluitend tot het afleveren van geneesmiddelen. De vergunninghouder
mag geneesmiddelen uitsluitend afleveren aan in Nederland gevestigde
personen, rechtspersonen daaronder begrepen, die ingevolge deze wet
geneesmiddelen mogen afleveren, alsmede aan ziekenhuizen en aan bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van personen of
instellingen met inachtneming van de bij of krachtens die maatregel
gegeven voorschriften; hij mag niet over de toonbank verkopen noch
open winkel houden. In het belang van de geneesmiddelenvoorziening kan
een vergunning onder beperkingen worden verleend, kunnen aan de
vergunning voorschriften worden verbonden en kunnen de aan een
vergunning verbonden voorschriften worden gewijzigd. Onze Minister kan
een vergunning weigeren, indien het belang van de volksgezondheid
zulks vordert, en een vergunning intrekken, indien de vergunninghouder
handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven
voorschriften, met de beperkingen waaronder de vergunning is verleend
of met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
e. de in Nederland gevestigde personen, rechtspersonen daaronder
begrepen, bedoeld in artikel 2f, voor zover hun dat krachtens dat
artikel is toegestaan.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt onverminderd het bepaalde
in artikel 4.
3. Aan personen, die niet bevoegd zijn tot uitoefening der
artsenijbereidkunst, is het bereiden of het afleveren van geneesmiddelen
verboden.
4. Tot het bereiden en afleveren van geneesmiddelen voor
onderzoek zijn bevoegd:
a. de apothekers die staan ingeschreven in het register van
gevestigde apothekers, en
b. de in het eerste lid, onder d, eerste zin, bedoelde personen,
rechtspersonen daaronder begrepen, die bevoegd zijn tot het bereiden
en afleveren van geneesmiddelen,
indien Onze Minister daartoe vergunning heeft verleend.
5. Tot het uitsluitend afleveren van geneesmiddelen voor
onderzoek zijn bevoegd de in het eerste lid, onder d, eerste zin,
bedoelde personen, rechtspersonen daaronder begrepen, die bevoegd zijn
tot het uitsluitend afleveren van geneesmiddelen die uit een andere
staat dan een lidstaat van de Europese Unie zijn betrokken, indien Onze
Minister daartoe vergunning heeft verleend.
6. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister
geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of af te leveren.
Artikel 2a [Vervallen per 01-12-1997]
Artikel 2b [Vervallen per 01-12-1997]
Artikel 2c [Vervallen per 01-12-1997]
Artikel 2d [Vervallen per 01-12-1997]
Artikel 2e [Vervallen per 01-12-1997]
Artikel 2f
1. Bevoegd, uitsluitend tot het aan
particuliere verbruikers anders dan op recept afleveren van
farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten die blijkens de
standaardverpakking waarin zij zich bevinden kennelijk bestemd zijn om
in die verpakking aan zodanige verbruikers te worden afgeleverd, zijn:
a. personen, aan wie ingevolge artikel 2 van het Vestigingsbesluit
kleinhandel in drogisterij-artikelen 1961 (Stb. 21) vergunning
is verleend, voor zover die vergunning voor wat betreft de verkoop van
geneesmiddelen haar geldigheid niet vóór 1 januari 1978 heeft
verloren;
b. personen, aan wie ingevolge artikel 15 van de Vestigingswet
Bedrijven 1954 (Stb. 1964, 66) een in tijdsduur onbeperkte
ontheffing is verleend van het verbod de kleinhandel in
drogisterij-artikelen zonder vergunning uit te oefenen, voor zover die
ontheffing voor wat betreft de verkoop van geneesmiddelen haar
geldigheid niet vóór 1 januari 1978 heeft verloren;
c. personen, aan wie ingevolge artikel 15 van de Vestigingswet
Bedrijven 1954 een in tijdsduur beperkte ontheffing is verleend van
het verbod de kleinhandel in drogisterij-artikelen zonder vergunning
uit te oefenen, voor zover die ontheffing voor wat betreft de verkoop
van geneesmiddelen haar geldigheid niet vóór 31 december 1977 heeft
verloren;
d. personen, aan wie ingevolge artikel 4 van het Vestigingsbesluit
levensmiddelenbedrijven 1961 (Stb. 1967, 353) vergunning is
verleend, voor zover die vergunning voor wat betreft de verkoop van
geneesmiddelen haar geldigheid niet vóór 1 januari 1978 heeft
verloren;
e. personen, aan wie ingevolge artikel 15 van de Vestigingswet
Bedrijven 1954 een in tijdsduur onbeperkte ontheffing is verleend van
het verbod het kruideniersbedrijf zonder vergunning uit te oefenen,
voor zover die ontheffing voor wat betreft de verkoop van
geneesmiddelen haar geldigheid niet vóór 1 januari 1978 heeft
verloren;
f. andere personen, aan wie door Onze Minister daartoe vergunning
is verleend.
2. De in het eerste lid, onder f, bedoelde vergunning
wordt slechts verleend aan;
a. personen die in het bezit zijn van een bewijsstuk van
vakbekwaamheid als bedoeld in het besluit, genoemd in het eerste lid,
onder a, dan wel van een bewijsstuk van vakbekwaamheid, hetwelk
uiterlijk op 31 december van het vijftiende kalenderjaar na 31
december 1977 is afgegeven door of namens de Stichting Pharmaceutische
Kleinhandelsconventie op grond van het met gunstig gevolg afleggen van
een examen, afgenomen overeenkomstig een door Onze Minister
goedgekeurd examenreglement;
b. personen die de aflevering van geneesmiddelen doen geschieden
onder de onmiddellijke leiding van een persoon die in het bezit is van
een bewijsstuk van vakbekwaamheid als bedoeld onder a;
c. personen die naar het oordeel van Onze Minister, indien
plaatselijke of regionale omstandigheden daartoe aanleiding geven,
daarvoor in aanmerking komen, zulks na overleg met burgemeester en
wethouders van die gemeente.
3. De bevoegdheid van de personen, bedoeld in het eerste lid,
onder d en e, geldt uitsluitend voor de aflevering van de
geneesmiddelen genoemd in het Vestigingsbesluit levensmiddelenbedrijven
1961.
4. Ten aanzien van de bevoegdheid van de personen, bedoeld in het
eerste lid, onder b, gelden dezelfde beperkingen als die
waaronder de in dat artikelonderdeel genoemde ontheffing is verleend.
5. De bevoegdheid van de personen, bedoeld in het eerste lid,
onder c, geldt slechts tot de datum, genoemd in de in dat
artikelonderdeel genoemde ontheffing.
6. De ingevolge het tweede lid, onder c, verleende
bevoegdheid geldt uitsluitend voor door Onze Minister aan te wijzen
geneesmiddelen.
Deze aanwijzing wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 2g
1. De personen, die krachtens artikel 2f, eerste lid,
onder a of b , bevoegd zijn tot het afleveren van
geneesmiddelen, zijn, met het oog op het toezicht op de uitvoering van
deze wet, verplicht hiervan Onze Minister vóór 1 juli 1978 per
aangetekende brief in kennis te stellen, onder vermelding van naam en
adres, alsmede van het perceel, bedoeld in artikel 2h, eerste
lid.
2. De personen die aan de in het eerste lid bedoelde verplichting
niet hebben voldaan, mogen na 30 juni 1978 van hun bevoegdheid geen
gebruik maken alvorens zij een kennisgeving als in dat lid bedoeld
hebben gedaan.
Artikel 2h
1. De aflevering van geneesmiddelen door de in artikel 2f,
eerste lid, bedoelde personen mag uitsluitend geschieden in het
verkooplokaal van een perceel, aangegeven in een vóór 1 januari 1978
verleende vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk in het
verkooplokaal van een perceel door Onze Minister aan te geven in een
door hem verleende vergunning als bedoeld in voornoemd artikellid,
onder f.
2. Boven of terzijde van de buitendeur van het perceel, waarin
zich het verkooplokaal bevindt van de in artikel 2f, eerste lid,
onder a, b of f , bedoelde personen, moet een door Onze
Minister vastgesteld kenteken zijn aangebracht.
3. De aflevering van geneesmiddelen door de in artikel 2f,
eerste lid, onder a, b, c en f , bedoelde personen mag
uitsluitend geschieden onder de onmiddellijke leiding van de persoon die
blijkens de in genoemde artikelonderdelen bedoelde vergunning
onderscheidenlijk ontheffing daarmee is belast.
Artikel 2i
1. De bevoegdheid van de personen, bedoeld in artikel 2f,
eerste lid, onder a, b en f, kan door Onze Minister worden ontnomen
indien niet wordt voldaan aan artikel 2h, eerste of tweede lid, of aan
de met betrekking tot het verkooplokaal krachtens artikel 26, onder f,
gestelde eisen.
2. Een vergunning verleend aan een persoon, bedoeld in artikel
2f, tweede lid, onder c, wordt door Onze Minister ingetrokken indien
naar zijn oordeel de grond voor de verlening daarvan is komen te
vervallen.
3. Indien een persoon als bedoeld in artikel 2f, eerste lid, zijn
bevoegdheid tot het afleveren van geneesmiddelen heeft verloren, mag in
het desbetreffende verkooplokaal de aflevering van geneesmiddelen worden
voortgezet gedurende zes maanden, gerekend vanaf de datum waarop die
bevoegdheid is verloren gegaan.
Artikel 2j
Bij algemene maatregel van bestuur kan het tijdvak, genoemd in
artikel 2f, tweede lid, onder a, éénmaal worden verlengd met een bij
die maatregel vermeld tijdvak van ten minste vijf en ten hoogste
vijftien jaren, indien dit in het belang van de
geneesmiddelenvoorziening nodig wordt geacht. De voordracht tot zodanige
maatregel wordt Ons gedaan in het tiende kalenderjaar na 31 december
1977.
Artikel 3
1. Het College ter beoordeling van geneesmiddelen, genoemd in
artikel 29, eerste lid, houdt van farmaceutische specialités en van
farmaceutische preparaten, welke mogen worden bereid en afgeleverd,
registers bij. Een aanvraag tot inschrijving in het register van
farmaceutische specialités of van farmaceutische preparaten wordt bij
het College schriftelijk ingediend door de in Nederland gevestigde
fabrikant of importeur, dan wel in geval een ander in Nederland
gevestigd persoon, rechtspersoon daaronder begrepen, dan de fabrikant
of importeur voor het in Nederland in de handel brengen van een
farmaceutische specialité of een farmaceutisch preparaat
verantwoordelijk zal zijn, door deze laatste. Het College schrijft in
het desbetreffende register slechts farmaceutische specialités,
onderscheidenlijk farmaceutische preparaten in, indien:
a. na onderzoek van de door de aanvrager overgelegde gegevens
blijkt dat zij:
1°. bij gebruik overeenkomstig het door de aanvrager opgegeven
voorschrift naar redelijkerwijs mag worden aangenomen de gestelde
werking, waaronder begrepen de werkzaamheid ten aanzien van de
opgegeven indicaties, bezitten en niet schadelijk zijn voor de
gezondheid;
2°. de opgegeven kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling
bezitten;
b. is voldaan aan de voorschriften, gegeven krachtens artikel 26,
onder f.
2. Behoudens in geval van doorhaling, geldt een inschrijving voor
een tijdvak van vijf jaren, te rekenen vanaf de dagtekening van de
brief, bedoeld in de eerste volzin van het vierde lid, en wordt
telkenmale met een gelijk tijdvak verlengd indien degeen, te wiens name
de farmaceutische specialité of het farmaceutisch preparaat in het
desbetreffende register staat ingeschreven, het College binnen drie
maanden vóór het verstrijken van dat tijdvak zulks per aangetekend
schrijven heeft verzocht.
3. Een inschrijving wordt door het College geschorst of
doorgehaald met inachtneming van de voorschriften, gegeven krachtens
artikel 26, onder f.
4. Het is verboden:
a. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische
preparaten, dan wel geregistreerde farmaceutische specialités en
farmaceutische preparaten, waarvan de inschrijving is geschorst, te
bereiden, te verkopen, af te leveren, in te voeren of te verhandelen;
b. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische
preparaten ter aflevering in voorraad te hebben.
5. Het vierde lid is niet van toepassing op ongeregistreerde
geneesmiddelen voor onderzoek voor de bereiding of aflevering waarvan
door Onze Minister vergunning is verleend.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing
ten aanzien van farmaceutische preparaten, welke door de personen
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a in hun apotheek zijn bereid en
door hen uitsluitend worden afgeleverd aan personen die deze
geneesmiddelen voor eigen gebruik of ter uitoefening van de geneeskunst
aanwenden.
7. Ter uitvoering van een krachtens het Verdrag tot oprichting
van de Europese Economische Gemeenschap, de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, of krachtens het Verdrag tot instelling van
de Benelux Economische Unie tot stand gekomen bindende regeling inzake
het in de handel brengen van geneesmiddelen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur regelen worden gesteld, waarbij kan worden
afgeweken van de voorgaande bepalingen van dit artikel.
8. Het is verboden een farmaceutische specialité of een
farmaceutisch preparaat aan te prijzen op een wijze welke misleidend is
ten aanzien van de werking van het geneesmiddel, waaronder begrepen de
werkzaamheid ten aanzien van de indicaties welke in het register,
bedoeld in het eerste lid, zijn ingeschreven.
Artikel 3a
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang
van de volksgezondheid zulks vordert, worden bepaald dat daarbij
aangewezen geneesmiddelen slechts mogen worden afgeleverd na vrijgifte
van de partij, waartoe die geneesmiddelen behoren, door een bij die
maatregel aangewezen bestuursorgaan. Een partij wordt vrijgegeven
indien uit het onderzoek van die partij blijkt dat de tot die partij
behorende geneesmiddelen voldoen aan de bij of krachtens de wet
gestelde eisen. Voor elke uitgifte is een vergoeding verschuldigd
volgens een door Onze Minister vastgesteld tarief.
2. Een verzoek om vrijgifte van een partij dient vergezeld te
gaan van de op die partij betrekking hebbende bereidings- en
onderzoeksprotocollen. Indien de in het eerste lid bedoelde instantie
zulks met het oog op de beoordeling van de deugdelijkheid van de
desbetreffende partij noodzakelijk acht, is zij bevoegd nadere
schriftelijke inlichtingen en monsters van die partij te verlangen.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend, aan de
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en de aan de ontheffing
verbonden voorschriften, alsmede de beperkingen waaronder de ontheffing
is verleend, kunnen worden gewijzigd of ingetrokken.
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in geval
de partij, waartoe de geneesmiddelen behoren, reeds is onderzocht door
de bevoegde instantie van een andere lid-staat van de Europese
Gemeenschappen en die instantie heeft verklaard dat de desbetreffende
partij in overeenstemming is met de goedgekeurde specificaties.
Artikel 4
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt, voor zover het
belang van de volksgezondheid zulks vordert, bepaald welke
geneesmiddelen slechts mogen worden afgeleverd:
a. door hen, die ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, b
en c , tot uitoefening der artsenijbereidkunst bevoegd zijn en
door de inspecteur ingevolge artikel 14 zijn ingeschreven, mits de
aflevering geschiedt in de apotheek, waarvoor zij zijn ingeschreven;
b. [vervallen;]
c. door in Nederland gevestigde personen, rechtspersonen daaronder
begrepen, aan wie daartoe door Onze Minister vergunning is verleend.
De vergunninghouder mag de in de aanhef bedoelde geneesmiddelen
uitsluitend afleveren aan in Nederland gevestigde personen,
rechtspersonen daaronder begrepen, die zodanige geneesmiddelen
ingevolge deze wet mogen afleveren, alsmede aan ziekenhuizen en aan
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van
personen of instellingen met inachtneming van de bij of krachtens die
maatregel gegeven voorschriften; hij mag niet over de toonbank
verkopen, noch open winkel houden. Het bepaalde in de laatste drie
volzinnen van artikel 2, eerste lid, onder d , is van
toepassing.
2. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, wordt algemeen bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
De voordracht tot die algemene maatregel van bestuur wordt Ons niet
gedaan, dan nadat één maand sinds die bekendmaking is verstreken.
3. Het College ter beoordeling van geneesmiddelen, genoemd in
artikel 29, eerste lid, besluit bij de inschrijving in het in artikel 3,
eerste lid, bedoelde register tevens, welke geneesmiddelen, indien het
belang van de volksgezondheid zulks vordert, uitsluitend door de in het
eerste lid, onder a, bedoelde personen, en uitsluitend op recept
mogen worden afgeleverd. Bij ministeriële regeling worden de criteria
vastgesteld die door het College bij het besluit in acht worden genomen.
Tevens wordt bij ministeriële regeling bepaald in welke bijzondere
omstandigheden een geneesmiddel waarop de eerste volzin toepassing heeft
gevonden, zonder recept kan worden afgeleverd. Van het besluit van het
College wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Ieder jaar zendt
het College aan Onze Minister naar de stand per 1 april van dat jaar een
lijst van alle geneesmiddelen waarop de eerste volzin toepassing heeft
gevonden. De geneesmiddelen ten aanzien waarvan de eerste volzin
toepassing heeft gevonden mogen anders dan op recept slechts worden
afgeleverd door de personen, bedoeld in het eerste lid, onder c,
met inachtneming van hetgeen in dat artikel-onderdeel is bepaald.
4. Het is verboden de in het eerste en derde lid bedoelde
geneesmiddelen op of in voor het publiek toegankelijke verkoopplaatsen
andere dan apotheken, alsmede in de bij deze verkoopplaatsen behorende
werk- en bergplaatsen, in verkoopautomaten en op of aan de openbare weg
zich bevindende verkoopgelegenheden, aanwezig te hebben.
5. Indien het belang der volksgezondheid zulks vordert, is Onze
Minister bevoegd ten aanzien van door hem aangewezen substanties:
a. regelen te stellen voor de bereiding, de vervaardiging, de
winning, de teelt, de verwerking, de bewerking, de verpakking, de
deugdelijkheid, de bewaring, het vervoer, de aflevering en het
toezicht daarop;
b. te bepalen, dat zij niet mogen worden ingevoerd, dan wel dat zij
niet mogen worden ingevoerd anders dan met inachtneming van bij zijn
beschikking gestelde voorwaarden;
c. te bepalen, dat zij niet mogen worden afgeleverd, dan wel dat
zij gedurende een bij zijn beschikking aangewezen tijdvak van ten
hoogste twaalf maanden niet mogen worden afgeleverd dan met
inachtneming van de bij zijn beschikking gestelde voorwaarden.
6. Kosten van onderzoek en toezicht ten behoeve van de naleving
der voorschriften, welke door Onze Minister krachtens het vorige lid
zijn gegeven, worden gedragen door hen, die de substanties, in dat lid
bedoeld, bereiden, vervaardigen, winnen, telen, verwerken, bewerken,
verpakken, afleveren of invoeren, volgens regelen door Onze Minister
vast te stellen.
Artikel 4A [Vervallen per 01-11-1976]
Artikel 5
Voor elke vergunning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder
d, en
in artikel 4, eerste lid, onder c, wordt een jaarlijkse vergoeding
geheven volgens een tarief, overeenkomstig door Onze Minister vast te
stellen regelen. Voor een vergunning voor het bereiden en afleveren van
geneesmiddelen voor onderzoek dan wel voor het uitsluitend afleveren
daarvan kan een jaarlijkse vergoeding worden geheven. De hoogte van de
vergoeding wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Hoofdstuk II. Aflevering van geneesmiddelen
§ 1. Aflevering door artsen
Artikel 6
1. De arts die zich voor het uitoefenen van de geneeskundige
praktijk vestigt, is, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde
lid en het bepaalde in artikel 7, eerste lid, daarnevens bevoegd tot
uitoefening der artsenijbereidkunst in een uitsluitend aan hem
toebehorende apotheek ten behoeve van de tot zijn geneeskundige
praktijk behorende personen, indien zijn vestiging niet geschiedt in
een gemeente, waar een apotheker is gevestigd, of in één der aan
zodanige gemeente grenzende gemeenten. Deze bevoegdheid geldt voor elk
gebied liggende buiten de gemeenten, waar een apotheker gevestigd is
op het tijdstip dat de arts zich vestigt en de aan zodanige gemeenten
grenzende gemeenten.
2. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid geldt niet voor:
1°. het bereiden van farmaceutische specialités;
2°. het bereiden of afleveren van geneesmiddelen, welke bestemd
zijn voor personen, die hun woonplaats in de zin van het Burgerlijk
Wetboek niet hebben in het gebied, waarvoor de bevoegdheid geldt; deze
uitzondering geldt niet ten aanzien van personen, die kennelijk
tijdelijk in het gebied verblijf houden, zolang dat verblijf duurt.
3. Het door een arts, tandarts of verloskundige toedienen van
geneesmiddelen aan degene, die hij of zij behandelt, wordt niet geacht
aflevering van geneesmiddelen te zijn.
4. De commissies, genoemd in artikel 28, lid 1, zijn, indien zij
dit in het belang van de geneesmiddelenvoorziening noodzakelijk
oordelen, elk voor haar gebied bevoegd, aan een arts bij diens vestiging
een groter of kleiner gebied, dan in het eerste lid, tweede volzin,
genoemd, aan te wijzen of ingeval van vestiging van een arts binnen een
gemeente als bedoeld in het eerste lid op diens verzoek een vergunning
te verlenen tot uitoefening der artsenijbereidkunst in de gemeenten of
gedeelten van gemeenten, welke in de vergunning zijn aangewezen. De
vergunning kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend. Indien
de vergunning voor onbepaalde tijd is verleend kan zij worden
ingetrokken, wanneer de grond voor de verlening ervan is vervallen.
5. Aan een arts kan op zijn verzoek door de bevoegde commissie,
bedoeld in artikel 28, lid 1, in het belang der
geneesmiddelenvoorziening vergunning worden verleend de geneesmiddelen,
ten behoeve der door hem behandelde patiënten voorgeschreven, in een
apotheek van een apotheekhoudend arts met wie hij gezamenlijk de
praktijk uitoefent, te bereiden en af te leveren, mits deze patiënten
hun woonplaats in de zin van het Burgerlijk Wetboek hebben in het
gebied, waarin deze apotheekhoudend arts bevoegd is tot het uitoefenen
der artsenijbereidkunst. De vergunning vervalt op het tijdstip, waarop
de inschrijving van de apotheekhoudend arts op grond van artikel 16
vervalt of wordt ingetrokken.
6. De arts en de apotheker of apothekers die het aangaat, kunnen
tegen de beschikking ingevolge het vierde lid bij Onze Minister beroep
instellen. De werking van de beschikking wordt opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
7. De arts die het aangaat, kan tegen de weigering of de
intrekking van de vergunning ingevolge het vijfde lid bij Onze Minister
in beroep komen.
Artikel 7
1. Onze Minister is bevoegd gemeenten of gedeelten van
gemeenten, waar geen apotheker is gevestigd, aan te wijzen als een
gebied waar artsen, die zich na de datum der aanwijzing daarin
vestigen, de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunst op
grond van artikel 6 slechts hebben, zolang in dit gebied geen
apotheker is gevestigd.
2. De arts, die op het tijdstip van aanwijzing, in het eerste lid
bedoeld, reeds binnen dit gebied gevestigd is en op grond van artikel 6
de artsenijbereidkunst uitoefent, behoudt, ook wanneer zich in dat
gebied een apotheker heeft gevestigd, zijn bevoegdheid tot uitoefening
der artsenijbereidkunst, zolang hij daarvan gebruik blijft maken.
Artikel 8
1. De artsen, niet bevoegd tot uitoefening der
artsenijbereidkunst of die deze bevoegdheid niet mogen uitoefenen,
tandartsen en verloskundigen mogen geneesmiddelen aan anderen dan de
leden van hun gezin niet afleveren.
2. Een arts, die tevens apotheker is, heeft, zolang hij de
geneeskundige praktijk uitoefent, geen bevoegdheid tot uitoefening der
artsenijbereidkunst, behoudens het bepaalde in de artikelen 6 en 10.
Artikel 9
Indien de praktijk van een apotheekhoudend arts door een andere arts
wordt waargenomen, gaan tijdens de waarneming de bevoegdheden en
verplichtingen, welke de apotheekhoudende arts ingevolge deze wet heeft,
over op degene, die zijn praktijk waarneemt, voor zover niet door enig
voorschrift bij of krachtens deze wet gegeven, daarop een uitzondering
wordt gemaakt.
§ 2. Aflevering op schepen
Artikel 10
De arts, die zich als zodanig voor de dienst op een schip heeft
verbonden, is aan boord van dat schip, nadat hij krachtens artikel 14
door de inspecteur als apotheekhoudend arts op dat schip is
ingeschreven, van het tijdstip der inschrijving af tot de beëindiging
van zijn dienst aan boord, bevoegd tot de uitoefening der
artsenijbereidkunst ten behoeve van de kapitein en de opvarenden.
Artikel 11
1. De eigenaar of, in geval van rompbevrachting, de
rompbevrachter van een schip, waarop zich een arts voor de dienst
heeft verbonden, is verplicht zorg te dragen, dat tijdig voor iedere
reis de geneesmiddelen, werktuigen en verdere benodigdheden, vermeld
op een door de arts opgemaakte en door hem ondertekende lijst, in
deugdelijke staat en in voldoende hoeveelheid aan boord van het schip
aanwezig zijn in een daartoe geschikte ruimte en dat de arts de
ingevolge deze wet op hem rustende verplichtigen kan nakomen.
2. Indien de inspecteur van tekortkomingen in de verplichtingen
van de eigenaar of rompbevrachter, in het eerste lid bedoeld, niet is
gebleken en een arts ingevolge het bepaalde in artikel 10 is
ingeschreven, geeft de inspecteur van een en ander een schriftelijke
verklaring af, welke bij vertrek van het schip door de kapitein aan de
bevoegde ambtenaren van de divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer
en Waterstaat moet worden getoond.
3. Op de in het eerste lid bedoelde lijst mogen de geneesmiddelen
door Onze Minister aan te wijzen, niet ontbreken.
4. Het toedienen van de geneesmiddelen, welke ingevolge de
Schepenwet aan boord van een schip, waarop geen arts gemonsterd is,
aanwezig zijn, wordt niet geacht aflevering van geneesmiddelen te zijn.
Artikel 12
1. De kapitein maakt, telkens wanneer hij van oordeel is dat de
arts een der bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen heeft
overtreden, daarvan melding in het scheepsdagboek.
2. Hij zendt een afschrift van zijn hierop betrekking hebbende
aantekeningen, bij aankomst ter plaatse van bestemming hier te lande,
aan de inspecteur, binnen wiens ambtsgebied de plaats van bestemming is
gelegen.
§ 3. Aflevering in ziekenhuizen
Artikel 13
1. In dit artikel wordt verstaan onder «ziekenhuis»: een
krachtens artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen als zodanig
toegelaten instelling.
2. In een ziekenhuis met een grootte, gelijk aan of meer dan een
bij ministeriële regeling vast te stellen aantal bedden, bestemd voor
opname van patiënten, is een apotheek gevestigd waarin de bereiding en
aflevering van geneesmiddelen geschiedt door een in het register van
gevestigde apothekers, bedoeld in artikel 14, ingeschreven apotheker die
in dienst is van de rechtspersoon die het ziekenhuis in stand houdt.
3. De aflevering van geneesmiddelen ten behoeve van patiënten
die zijn opgenomen in een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als zodanig toegelaten psychiatrisch ziekenhuis,
verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting, of in een ziekenhuis
waarin geen apotheek is gevestigd, geschiedt door of onder toezicht van
een apotheker die is ingeschreven in het register bedoeld in het tweede
lid.
4. Onze Minister kan voor een bepaald ziekenhuis of voor bepaalde
groepen van ziekenhuizen, al dan niet onder het stellen van voorwaarden,
ontheffing verlenen van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot
het vestigen van een apotheek.
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende apotheken
§ 1. Van de inschrijving
Artikel 14
1. De in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c,
genoemde personen mogen geen gebruik maken van hun bevoegdheid tot
uitoefening van de artsenijbereidkunst, zolang de inspecteur binnen
wiens ambtsgebied zij zich ter uitoefening van hun beroep vestigen,
hen niet, met het oog op het toezicht op de uitvoering van deze wet,
op hun verzoek heeft ingeschreven in het register der gevestigde
apothekers, der apotheekhoudende artsen, der waarnemende apothekers,
der tweede apothekers of der apothekers-assistenten. De inschrijving
geschiedt voor een apotheek gevestigd in een bepaald aangewezen
perceel.
2. Apothekers, apotheekhoudende artsen en apothekers-assistenten
in dienstbetrekking bij de zeemacht en de landmacht behoeven voor de
uitoefening der artsenijbereidkunst uit hoofde van hun dienstbetrekking
geen inschrijving. Hetzelfde geldt voor apothekers in dienstbetrekking
bij de in artikel 2, eerste lid, onder d genoemde personen,
binnen de grenzen van de aan deze personen verleende vergunningen.
Artikel 15
1. De inschrijving wordt door de inspecteur geweigerd:
a. ingeval het een apotheker betreft: indien de aanvrager niet
ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig artikel 3,
eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg (Stb. 1993, 655) ingestelde register;
b. ingeval het een apotheekhoudende arts betreft: indien de
aanvrager niet ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig
artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg ingestelde register of hem de bevoegdheid tot
uitoefening van de artsenijbereidkunst niet toekomt;
c. ingeval het een apothekers-assistent betreft: indien de
aanvrager niet de wettelijk geregelde opleiding tot dat beroep of een
door Onze Minister daarmee gelijkgestelde buitenlandse opleiding heeft
voltooid.
2. De inspecteur is bevoegd de inschrijving te weigeren:
a. indien niet voldaan is aan de voorschriften ingevolge artikel
26, onder c , ten aanzien van het verzoek om inschrijving
gesteld;
b. indien de apotheek niet voldoet aan de eisen bij of krachtens
deze wet aan apotheken gesteld;
c. indien niet de nodige waarborgen aanwezig zijn voor de
aflevering van deugdelijke geneesmiddelen; onder deze waarborgen is
mede begrepen, dat het toezicht door de apotheker in zijn apotheek uit
te oefenen voldoende zal zijn.
3. Het bepaalde in het tweede lid, onder b en c, is
niet van toepassing op apothekers-assistenten.
Artikel 16
1. De inschrijving vervalt:
a. bij overlijden van de ingeschrevene;
b. indien de ingeschrevene aan de inspecteur te kennen geeft, dat
hij ophoudt de artsenijbereidkunst uit te oefenen in de apotheek,
waarvoor hij is ingeschreven;
c. ingeval het een apotheker betreft: indien de ingeschrevene niet
meer ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig artikel
3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg ingestelde register;
d. ingeval het een apotheekhoudende arts betreft: indien de
ingeschrevene niet meer ingeschreven staat in het desbetreffende
overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg ingestelde register, of hij zijn
bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst heeft verloren.
2. De inspecteur is bevoegd de inschrijving van een gevestigd
apotheker, een waarnemend apotheker, een tweede apotheker, of een
apotheekhoudend arts in te trekken, indien naar zijn oordeel voldoende
waarborgen voor de aflevering van deugdelijke geneesmiddelen niet
aanwezig zijn. Onder deze waarborgen is mede begrepen, dat het toezicht
door de apotheker in zijn apotheek uit te oefenen voldoende zal zijn.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de
inspecteur bevoegd de apotheek te sluiten en de toegang, de kasten en de
werktuigen te verzegelen gedurende de tijd, dat geen nieuwe inschrijving
is geschied.
Artikel 17
De apotheker zowel als de arts is verplicht, zodra hijzelf, dan wel
een in zijn apotheek werkzame apothekers-assistent ophoudt de
artsenijbereidkunst uit te oefenen in de apotheek, waarvoor hij is
ingeschreven, daarvan kennis te geven aan de inspecteur.
Artikel 18
1. De inspecteur mag zijn bevoegdheid tot sluiting ingevolge
artikel 16, derde lid, niet uitoefenen voordat de beschikking tot
weigering of intrekking van de inschrijving, bedoeld in artikel 15,
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 16, tweede lid, onherroepelijk
is geworden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien naar het oordeel
van de inspecteur een onmiddellijke sluiting in het belang van de
volksgezondheid noodzakelijk is.
§ 2. Van de uitoefening van het beroep
Artikel 19
De apotheker of de apotheekhoudend arts mag de artsenijbereidkunst
slechts in één apotheek uitoefenen, behoudens in de gevallen voorzien
in de artikelen 9 en 21.
Artikel 20
Indien in een apotheek meer dan één apotheker de
artsenijbereidkunst uitoefent, rusten alle verplichtingen, welke deze
wet de apotheker oplegt, op de gevestigde apotheker, tenzij
belanghebbenden schriftelijk anders zijn overeengekomen en de inspecteur
aan belanghebbenden schriftelijk van zijn instemming met deze
overeenkomst heeft doen blijken.
§ 3. Van de waarneming
Artikel 21
1. Indien een apotheker door ziekte of afwezigheid verhinderd
is de artsenijbereidkunst in zijn apotheek uit te oefenen, dan wel de
inschrijving volgens artikel 16 is vervallen of ingetrokken, kan de
inspecteur aan een andere apotheker op diens verzoek toestaan de
artsenijbereidkunst in die apotheek als waarnemend apotheker uit te
oefenen. De inspecteur kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden.
2. Tijdens de waarneming gaan de bevoegdheden en verplichtingen,
welke de gevestigde apotheker ingevolge deze wet heeft, op de
waarnemende apotheker over, voor zover niet door enig voorschrift bij of
krachtens deze wet gegeven, daarop een uitzondering wordt gemaakt.
3. De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt door de
inspecteur verleend, indien naar zijn oordeel voldoende waarborgen
aanwezig zijn voor het nakomen van de verplichtingen in het tweede lid
bedoeld. De toestemming wordt voor een bepaalde tijd verleend en kan
telkens op aanvrage voor een bepaalde tijd worden verlengd.
4. De inspecteur is bevoegd een verleende toestemming in te
trekken, indien aan de verplichtingen in het tweede lid gesteld of aan
de voorwaarden, waaronder de toestemming is verleend, niet wordt
voldaan.
§ 4. Van het toezicht
Artikel 22
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 24
Indien de inspecteur bij zijn onderzoek blijkt, dat niet voldaan is
of wordt aan de bepalingen, bij of krachtens deze wet gesteld, doet hij,
onverminderd de bevoegdheid, bedoeld in artikel 33, eerste lid, daarvan
mededeling aan de gevestigde apotheker, de waarnemende apotheker of de
apotheekhoudend arts met vermelding van een termijn, binnen welke aan de
gestelde bepalingen moet zijn voldaan.
Artikel 25
1. De inspecteur is bevoegd de gevestigde apotheker, de
waarnemende apotheker en de apotheekhoudend arts aanwijzingen te geven
ter verbetering van de inrichting en de toestand van de apotheek en
van de wijze waarop daarin de artsenijbereidkunst wordt uitgeoefend.
2. De inspecteur is bevoegd de in het eerste lid bedoelde
aanwijzing schriftelijk te geven, waarbij hij een termijn bepaalt,
binnen welke aan de aanwijzing gevolg moet zijn gegeven.
3. De gevestigde apotheker, de waarnemende apotheker of de
apotheekhoudende arts behoeven aan de gegeven aanwijzing geen gevolg te
geven, zolang deze aanwijzing nog niet onherroepelijk is geworden. De
eerste volzin is niet van toepassing indien naar het oordeel van de
inspecteur een onmiddellijke opvolging van de aanwijzing in het belang
van de volksgezondheid noodzakelijk is.
Hoofdstuk IV. Uitvoeringsvoorschriften
Artikel 26
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven betreffende:
a. de uitoefening van de
artsenijbereidkunst, waarbij tevens
verboden kan worden, dat anderen dan gevestigde apothekers,
waarnemende apothekers, tweede apothekers, en apotheekhoudende
artsen aankondigingen bezigen, welke de indruk wekken of zouden
kunnen wekken, dat zij de artsenijbereidkunst uitoefenen;
b. de overdracht van hetgeen in een apotheek, waarin de
artsenijbereidkunst niet meer wordt uitgeoefend, aanwezig is;
c. de inschrijving der in artikel 14 genoemde personen en de
kennisgeving, bedoeld in artikel 17;
d. het toezicht op apotheken, het zonder schadeloosstelling
vernietigen of onbruikbaar maken van ondeugdelijke geneesmiddelen en
van voorwerpen ten gebruike bij de uitoefening der
artsenijbereidkunst, welke niet voldoen aan de daaraan gestelde
eisen;
e. het vaststellen van gebieden, als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, en de vestiging van een apotheker in een gebied als bedoeld in
artikel 7, eerste lid;
f. de registratie, bedoeld in artikel 3, de schorsing en de
doorhaling van die registratie, en voorts betreffende de bereiding,
de verpakking, de etikettering van de verpakking, de geschriften in
of gevoegd bij de verpakking, het verkopen, de aflevering, de
invoer, de uitvoer, de handel, het ter aflevering in voorraad hebben
en de aanprijzing van farmaceutische specialités en van
farmaceutische preparaten, alsmede betreffende de door
belanghebbenden te betalen vergoedingen voor onderzoek, registratie
en toezicht op de naleving van deze voorschriften; daarbij kunnen
een of meer van die voorschriften van toepassing worden verklaard op
enige substantie, indien dit in het belang van de volksgezondheid
nodig wordt geacht;
g. de vereisten waaraan personen moeten voldoen om voor een
vergunning, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, onder d ,
4, eerste lid, onder c , in aanmerking te komen, alsmede de
vereisten waaraan lokaliteiten moeten voldoen, waarin deze personen
de farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten
bereiden, bewaren, afleveren en controleren; de vereisten, waaraan
personen moeten voldoen, mogen slechts betrekking hebben op de
vakbekwaamheid van deze personen;
h. de aflevering en de bewaring van en het omgaan met de bij of
krachtens die voorschriften aangewezen vergiften;
i. de wijze van aanvragen van door Onze Minister krachtens deze
wet te verlenen vergunningen.
Hoofdstuk V. Organen
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 28
1. Er is in elke provincie een commissie,
Commissie voor gebiedsaanwijzing genaamd, welker leden en secretaris Wij
benoemen en ontslaan en welker taak het is de beslissingen bedoeld in
artikel 6, vierde en vijfde lid, te nemen.
2. De in het voorgaande lid genoemde commissies bestaan uit een
voorzitter, die noch apotheker, noch arts is, een pharmaceutische en een
geneeskundige inspecteur van de volksgezondheid en vier andere leden.
Van de vier andere leden worden twee benoemd op voordracht van Onze
Minister na de door hem aangewezen organisatie van apothekers en twee op
voordracht van Onze Minister na de door hem aangewezen organisatie van
artsen te hebben gehoord.
3. Wij kunnen voor elk lid van de in het eerste lid bedoelde
commissies een plaatsvervangend lid benoemen, dat slechts optreedt bij
verhindering of ontstentenis van het lid, in wiens plaats het is
aangewezen.
4. Wij geven nadere voorschriften voor de samenstelling en de
werkwijze van de in het eerste lid bedoelde commissies. Wij bepalen de
vergoeding, welke door de leden en de secretaris terzake van hun
werkzaamheden kan worden genoten.
Artikel 29
1. Er is een College ter beoordeling van geneesmiddelen,
waarvan Wij de leden en de secretaris benoemen en ontslaan en dat
belast is met de registratie van farmaceutische specialités en
farmaceutische preparaten, de schorsing en de doorhaling van die
registratie, overeenkomstig de bij of krachtens deze wet gegeven
voorschriften.
2. Wij geven nadere voorschriften voor de samenstelling en de
werkwijze van het College. Wij bepalen daarbij tevens de vergoeding,
welke door de leden en door de secretaris terzake van hun werkzaamheden
kan worden genoten.
3. De leden en de secretaris van het College, zijn verplicht tot
geheimhouding van hetgeen hun bij het verrichten van hun taak is bekend
geworden omtrent de samenstelling of de bereiding van of de handel in
farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten. Deze
verplichting geldt niet jegens de hoofdinspecteur en de inspecteurs.
Artikel 30
1. Er is een
Keuringsraad, Keuringsraad voor de aanprijzing van
geneesmiddelen genaamd, welks leden en secretaris Wij benoemen en
ontslaan en welke belast is met de beoordeling van de aanprijzing van
farmaceutische specialités volgens de bij of krachtens deze wet
gegeven voorschriften. Wij benoemen de leden op voordracht van de door
Onze Minister aangewezen organisaties en instellingen.
2. In de Keuringsraad hebben in elk geval zitting
vertegenwoordigers van één of meer organisaties van apothekers en
artsen en van één of meer organisaties van fabrikanten,
groothandelaren en kleinhandelaren in farmaceutische specialités,
alsmede van één of meer organisaties, welke zich op het gebied der
publiciteit bewegen.
3. Wij geven nadere voorschriften voor de samenstelling en de
werkwijze van de Raad. Wij bepalen daarbij tevens de vergoeding, welke
door de leden en de secretaris terzake van hun werkzaamheden kan worden
genoten.
4. Van de beslissingen van de Raad staat voor belanghebbenden
beroep open bij Onze Minister volgens bij algemene maatregel van bestuur
te stellen regelen. Onze Minister beslist niet, dan nadat hij overleg
heeft gepleegd met Onze Minister van Economische Zaken.
Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
Artikel 31
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft hij, die:
a. de in artikel 2, eerste lid, onder d onderscheidenlijk
onder e, bedoelde bevoegdheid overschrijdt;
b. één der artikelen 2g, tweede lid, 3, achtste lid, 4, derde
lid, 8, eerste lid, 11, eerste lid, 12, 13, 14, eerste lid, 17, 19,
22, 23 of 34, derde lid, overtreedt;
c. voorschriften, uitgevaardigd op grond van de artikelen 3,
zevende lid, 3a, eerste lid, 4, 5 of 26 overtreedt;
d. geen gevolg geeft aan een aanwijzing, bedoeld in artikel 25,
tweede lid;
e. niet voldoet aan de voorschriften, verbonden aan een vergunning
of ontheffing krachtens deze wet verleend.
2. De substanties en de voorwerpen, waarmede of met betrekking
tot welke het feit is gepleegd, kunnen worden verbeurd verklaard,
ongeacht of zij de veroordeelde toebehoren.
3. [Vervallen.]
4. De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 32 [Vervallen per 09-08-1967]
Artikel 33
1. Met het opsporen van de feiten,
strafbaar gesteld in deze wet, zijn, behalve de bij of krachtens artikel
141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de
hoofdinspecteur, de inspecteurs en de aan de hoofdinspecteur en de
inspecteurs toegevoegde ambtenaren alsmede de door Onze Minister
aangewezen personen.
2. Zij zijn te allen tijde bevoegd om in beslag te nemen, zomede
ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle substanties en
voorwerpen, welke tot ontdekking der waarheid kunnen dienen of welker
verbeurdverklaring, vernietiging of onbruikbaarmaking kan worden
bevolen.
3. Zij hebben bij het opsporen van de bij deze wet strafbaar
gestelde feiten toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs
voor de vervulling van hun taak nodig is.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 34
1. De geneeskundigen, die op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet als zodanig gevestigd zijn en gebruik maken van de
bevoegdheid, hun toekomende krachtens artikel 9 van de wet van 1 juni
1865 (Staatsblad No. 60) en artikel 21 van de wet van 1 juni
1865 (Staatsblad No. 61), tot bereiding en aflevering van
geneesmiddelen in de plaats, waar zij gevestigd zijn en in andere
plaatsen in welke geen apotheker gevestigd is, behouden die
voorschreven bevoegdheid zolang zij daarvan gebruik blijven maken,
echter uiterlijk zolang zij in dezelfde gemeente als geneeskundige
gevestigd blijven en met uitzondering van de bereiding van
farmaceutische specialités.
2. Apothekers en
apothekers-assistenten, die op het tijdstip van
inwerkingtreden van deze wet van hun bevoegdheid volgens de bepalingen
van de wet van 1 Juni 1865 (Staatsblad No. 61), regelende de
uitoefening der artsenijbereidkunst, gebruik maken, behouden deze
bevoegdheid tot het tijdstip, waarop zij door de inspecteur in de
registers, bedoeld in artikel 14, zijn ingeschreven, doch ten hoogste
gedurende een termijn van acht maanden.
3. De geneeskundigen, bedoeld in het eerste lid, en de apothekers
en apothekers-assistenten, bedoeld in het tweede lid, die na het
tijdstip, waarop deze wet in werking is getreden, van de bevoegdheid tot
uitoefening der artsenijbereidkunst gebruik willen maken, zijn verplicht
zich binnen zes maanden na dat tijdstip tot de inspecteur te wenden met
een verzoek om inschrijving en, voor zover het waarnemende apothekers
betreft, met een verzoek om toestemming tot waarneming.
Artikel 35 [Vervallen per 01-12-1997]
Artikel 36
1. De wet van 1 Juni 1865 (Staatsblad
No. 61), regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst, wordt
ingetrokken.
2. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
3. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
4. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 37
Deze wet kan worden aangehaald onder de naam Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening en treedt in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip. Wij kunnen het inwerkingtreden van de verschillende
onderdelen van deze wet op verschillende tijdstippen bepalen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Sainte-Maxime, 28 juli 1958.
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i.,
W. Drees
Uitgegeven de tweede september 1958
De Minister van Justitie,
Samkalden
|