| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE HUURTOESLAG (Wht)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
(Vóór 1 september 2005 getiteld: Huursubsidiewet)
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
op de huurtoeslag
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
WET van 24 april 1997, houdende nieuwe
regels over het verstrekken van huursubsidies (Huursubsidiewet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet
individuele huursubsidie te herzien, ter matiging van de huurlasten van
huishoudens met lagere inkomens, ter vereenvoudiging van de wettelijke
bepalingen, alsmede ter vergroting van de doelmatigheid van de
huursubsidieverstrekking;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Definities
Artikel 1
In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan
onder:
a. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de woning is gelegen waarop de huurtoeslag betrekking
heeft;
b. huurcommissie: de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a, eerste
lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;
c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in:
1º. een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een
woonwagen, tenzij de overeenkomst van huur en verhuur een
gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van
korte duur is; of
2º. een krachtens de Huisvestingswet gevorderde en
toegewezen woning.
d. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd
voor het enkele gebruik van een woning;
e. huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een
woning;
f. onderhuurder: persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen;
g. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;
h. rekenhuur: de rekenhuur, bedoeld in artikel 5;
i. rekeninkomen: de gezamenlijke toetsingsinkomens, bedoeld in
artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die
in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de draagkracht,
bedoeld in artikel 7 van die wet;
j. woning: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige
woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden;
k. woonwagen: een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder f, van de Huisvestingswet, zonder eigen aandrijving.
Artikel 1a
1.Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen,
met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.
2.De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van
een huurtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
3.In afwijking van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in deze wet en de daarop
berustende bepalingen de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot
en geregistreerde partner uitsluitend als partner aangemerkt indien
deze in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het
adres van de huurder staat ingeschreven.
§ 2. In aanmerking te nemen bewoningssituatie en huur
Artikel 2
In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan
onder:
a. eenpersoonshuishouden: het huishouden van een huurder die,
afgezien van een eventuele onderhuurder en de tot het huishouden van
de onderhuurder behorende personen, als enige een woning bewoont, en
die jonger dan 65 jaar is op 1 januari van het berekeningsjaar;
b. meerpersoonshuishouden: het huishouden van een huurder die
samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning
bewoont, als het aandeel in het rekeninkomen, afkomstig van personen
die op 1 januari van het berekeningsjaar 65 jaar of ouder zijn, de
helft of minder bedraagt;
c. eenpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een huurder
die, afgezien van een eventuele onderhuurder en de tot het
huishouden van de onderhuurder behorende personen, als enige een
woning bewoont, en die 65 jaar of ouder is op 1 januari van het
berekeningsjaar;
d. meerpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een huurder
die samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning
bewoont, als het aandeel in het rekeninkomen, afkomstig van personen
die op 1 januari van het berekeningsjaar 65 jaar of ouder zijn, meer
dan de helft bedraagt.
Artikel 3 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 4 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 5
1. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan
onder rekenhuur: de huurprijs die de huurder per maand is
verschuldigd, of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat
gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de
artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte daarover gestelde regels, vermeerderd met:
a. een bedrag voor door de huurder verschuldigde servicekosten,
en
b. in geval van huur van een woonwagen het bedrag dat
verschuldigd is voor de huur van de standplaats.
2. Bij de toepassing van het eerste lid kan het in de aanhef van
dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in plaats van de verschuldigde
huurprijs in aanmerking worden genomen nadat, op verzoek van de
Belastingdienst/Toeslagen, de huurcommissie, dan wel de voorzitter van
de huurcommissie, aan de Belastingdienst/Toeslagen en aan de huurder
advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over
de redelijk te achten huurprijs. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen omtrent die verklaring nadere regels worden gesteld.
3. Als servicekosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. kosten voor het in bedrijf zijn van lift-, ventilatie-,
hydrofoor- en alarminstallaties, en van verlichting van door de
huurder met anderen gemeenschappelijk gebruikte ruimten, met een
maximum van € 12 per maand;
b. schoonmaakkosten van de lift en andere gemeenschappelijke
ruimten, met een maximum van € 12 per maand;
c. de kosten voor de diensten van een huismeester, met een
maximum van € 12 per maand;
d. kapitaals- en onderhoudskosten van dienstruimten en
gemeenschappelijke recreatieruimten, met een maximum van € 12
per maand.
Artikel 6 [Vervallen per 30-11-1999]
Hoofdstuk 2. Het recht op huurtoeslag
§ 1. Algemeen
Artikel 7
1.Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van
de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens
partner en de medebewoners.
2.Ten aanzien van een bepaalde woning kan slechts aan één huurder
een huurtoeslag worden toegekend.
Artikel 7a [Vervallen per 01-09-2005]
§ 2. Eisen aan de huurder, diens partner en de medebewoners
Artikel 8
Een huurtoeslag wordt slechts toegekend aan een huurder die
meerderjarig is.
Artikel 9
1.Een huurtoeslag wordt slechts toegekend:
a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die
medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens;
b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, behoudens
eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens
huishouden.
2.In afwijking van het eerste lid kan een huurtoeslag worden
toegekend, als de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens niet aan de huurder kan worden
toegerekend.
Artikel 10 [Vervallen per 01-09-2005]
§ 3. Eisen aan de woning
Artikel 11
1.Een huurtoeslag wordt slechts toegekend voor de huur van een
woning die:
a. een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is, of
b. een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van
een woongebouw of woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten
behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een
daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom van en aan de
huurder verhuurd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die
mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is.
2.Het eerste lid onder b vindt slechts toepassing als de
onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning,
die door de Belastingdienst/Toeslagen is aangewezen. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld,
waarbij een lagere maximale rekenhuur kan worden vastgesteld dan uit
artikel 13 voortvloeit.
3.Voor de huur van een woonwagen wordt slechts een huurtoeslag
toegekend, indien deze:
a. is geplaatst op een standplaats als bedoeld in artikel 1,
eerste lid onder e, van de Huisvestingswet, of op een regionaal
woonwagencentrum dat tot stand is gekomen voor 1 oktober 1970, en
b. voldoet aan de eisen, daaraan gesteld krachtens de
Woningwet.
Artikel 12 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 13
1. Geen huurtoeslag wordt toegekend als de rekenhuur:
a. hoger is dan € 664,66 per maand als:
1º. de huurder, diens partner of een van de medebewoners
23 jaar of ouder is, dan wel de woning deelt met een kind of
pleegkind van de huurder, diens partner of een medebewoner of
2º. de huurder, diens partner of de medebewoner jonger dan
23 jaar is, en een handicap heeft
of
b. hoger is dan € 366,37 per maand in andere gevallen dan
bedoeld onder a.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. als sprake is van overschrijding van een daar genoemd bedrag
omdat voorzieningen zijn aangebracht in en rond de woning, die
noodzakelijk zijn in verband met een handicap van de huurder, van
diens partner of van een medebewoner;
b. als de woning geschikt en bestemd is voor de huisvesting van
een huishouden van ten minste acht personen, en het huishouden van
de huurder uit ten minste acht personen bestaat;
c. na overschrijding van de bedragen, genoemd in het eerste
lid, als over de maand die onmiddellijk voorafging aan die
overschrijding een huurtoeslag is toegekend en die overschrijding
niet het gevolg is van een verhuizing naar een andere woning.
3. Als een huurtoeslag wordt toegekend met toepassing van het
tweede lid, ontvangt de huurder geen huurtoeslag voor het deel van de
rekenhuur dat ligt boven het maximum dat in het eerste lid is genoemd.
4. De in het eerste lid, onder a en b, genoemde bedragen worden met
ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstigartikel 27.
§ 4. Eisen aan de financiële positie
Artikel 14
1. Het norminkomen bedraagt:
a. € 22 025 bij een eenpersoonshuishouden;
b. € 29 900 bij een meerpersoonshuishouden;
c. € 19 605,36 bij een eenpersoonsouderenhuishouden;
d. € 25 952,71 bij een meerpersoonsouderenhuishouden.
2. Het norminkomen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d,
wordt vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere
belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals dat bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, onderscheidenlijk twee
maal dat bedrag, en verder vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk€
1 462.
3. Geen huurtoeslag wordt toegekend als het rekeninkomen meer
bedraagt dan:
a. het norminkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of
b, of
b. de som van de bedragen, genoemd in het eerste lid,
onderdelen c of d, en bedoeld in het tweede lid.
4. De in het eerste lid genoemde bedragen worden met ingang van 1
januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
Artikel 15 [Vervallen per 01-09-2005]
Hoofdstuk 3. De hoogte van de huurtoeslag
§ 1. Basishuur en normhuur
Artikel 16
De basishuur is het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van
de huurder blijft. De basishuur is het overeenkomstig de artikelen 17,
18 en19 berekende bedrag van de normhuur verhoogd met € 12 [Red: per 1
januari 2013: € 22,57] .
Artikel 17
1. Het minimum-inkomensijkpunt wordt verkregen door:
a. voor een eenpersoonshuishouden: de uitkomst van 81% van het
twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar
geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand,
zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar
zal luiden:
1°. te verminderen met het werknemersaandeel in de premie,
bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen;
2°. te vermeerderen met de vergoeding ingevolge artikel
46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet over dat bedrag, en
3°. te vermeerderen met€ 572;
b. voor een meerpersoonshuishouden: de uitkomst van 108% van
het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in onderdeel a,
aanhef, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het
berekeningsjaar zal luiden, te verminderen overeenkomstig
onderdeel a, onder 1°, te vermeerderen overeenkomstig onderdeel
a, onder 2°, en te vermeerderen met€ 144;
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van het
bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a,
van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het
bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig
artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zoals dat
bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal
luiden, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Wet
mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen,
per kalenderjaar, zoals die tegemoetkoming naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar
een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te
vermeerderen met€ 2 340;
d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van twee
maal het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b,
van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het
bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig
artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, zoals dat
bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal
luiden, en twee maal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van
de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere
belastingplichtigen, per kalenderjaar, zoals die tegemoetkoming
naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te
herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat
jaarinkomen te vermeerderen met€ 2 512.
2. Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van €
196,86.
3. De normhuur, bedoeld in het tweede lid, wordt verlaagd met:
a. € 1,82 als sprake is van een eenpersoonsouderenhuishouden,
en
b. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonsouderenhuishouden.
4. Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1
januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
Artikel 18
1. Het referentie-inkomensijkpunt bedraagt:
a. voor een eenpersoonshuishouden: € 22 875;
b. voor een meerpersoonshuishouden: € 29 725;
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: € 21 550;
d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: € 28 925.
2. Voor de toepassing van het derde lid en van artikel 19, tweede
lid, worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d,
vermeerderd met€ 665 onderscheidenlijk€ 1 462.
3. Bij het referentie-inkomensijkpunt behoort een normhuur van €
400,23.
4. De normhuur, bedoeld in het tweede lid, wordt verlaagd met:
a. € 1,82 als sprake is van een eenpersoonshuishouden;
b. € 2,27 als sprake is van een eenpersoonsouderenhuishouden;
c. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonshuishouden en
d. € 4,54 als sprake is van een meerpersoonsouderenhuishouden.
5. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden met
ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
Artikel 19
1. Voor elk rekeninkomen onder of gelijk aan het
minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 17, geldt de normhuur,
bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid.
2. Voor elk rekeninkomen boven het minimum-inkomensijkpunt is, per
type huishouden als bedoeld in artikel 2, de hoogte van de normhuur de
uitkomst van de formule:
(a x Y2) + (b x Y)
in welke formule voorstelt:
a en b: de factoren, vast te stellen bij ministeriële regeling,
die, per type huishouden, worden afgeleid uit de lineaire relatie
tussen de bij het minimum-inkomensijkpunt behorende normhuurquote en
de bij het referentie-inkomensijkpunt behorende normhuurquote;
Y: het rekeninkomen.
3. De overeenkomstig het tweede lid berekende normhuur wordt naar
boven afgerond op hele eurocenten.
4. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van
elk jaar de factoren, bedoeld in het tweede lid, gewijzigd.
§ 2. Kwaliteitskortings- en aftoppingsgrens
Artikel 20
1. De kwaliteitskortingsgrens is € 366,37 per maand.
2. De aftoppingsgrens is:
a. € 524,37 per maand als het huishouden van de huurder,
afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens
huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;
b. € 561,98 per maand als het huishouden van de huurder,
afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens
huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.
3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden met
ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
§ 3. Berekening van de huurtoeslag
Artikel 21
1. De hoogte van de huurtoeslag wordt als volgt bepaald:
a. het deel van de rekenhuur boven de basishuur tot aan de
kwaliteitskortingsgrens wordt voor 100 procent gesubsidieerd;
b. het deel van de rekenhuur boven de kwaliteitskortingsgrens
tot aan de aftoppingsgrens wordt voor een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen percentage gesubsidieerd;
c. het deel van de rekenhuur boven de aftoppingsgrens wordt
voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
percentage gesubsidieerd:
1º. als de huurder, diens partner of één van de
medebewoners 65 jaar of ouder is;
2º. als het een eenpersoonshuishouden betreft, of
3º. als de huurder een woning bewoont of betrekt waarin
aanpassingen zijn aangebracht in en rond de woning, die
noodzakelijk zijn in verband met een handicap van de huurder,
diens partner of een medebewoner.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, als
de basishuur op of boven de kwaliteitskortingsgrens ligt, het deel van
de rekenhuur boven de basishuur tot aan de aftoppingsgrens voor het
percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gesubsidieerd.
Artikel 22 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 22a [Vervallen per 26-03-2004]
Hoofdstuk 4. Wijzigingen van omstandigheden
Artikel 23
Bij verhuizing van de huurder blijft het in artikel 7, eerste lid,
bedoelde recht op huurtoeslag in stand, mits hij de woning naar welke
hij verhuist huurt en vervolgens bewoont en ook overigens aan de
voorwaarden voor verkrijging van huurtoeslag wordt voldaan. Artikel 5,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 25 [Vervallen per 01-10-1998]
Artikel 26 [Vervallen per 01-09-2005]
Hoofdstuk 4A [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26a [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26b [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26c [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26d [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26e [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26f [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 26g [Vervallen per 01-09-2005]
Hoofdstuk 5. Aanpassing van bedragen
Artikel 27
1. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van
elk jaar de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid,
onderdeel a(maximale huurgrens), en 14, eerste lid (norminkomen),
gewijzigd met de factor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in het eerste en
tweede lid van laatstgenoemd artikel voor «kalenderjaar» telkens
wordt gelezen «berekeningsjaar» en dat in het tweede lid van dat
artikel voor «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens afgeleid» wordt
gelezen «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens».
2. Naast de wijziging op grond van het eerste lid kan het bedrag,
genoemd inartikel 14, eerste lid (norminkomen), bij ministeriële
regeling worden gewijzigd ter voorkoming van onbedoelde gevolgen van
maatregelen met betrekking tot de inkomens boven het
minimum-inkomensijkpunt.
3. Bij ministeriële regeling worden, met ingang van 1 januari van
elk jaar, de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid,
onderdeel b (maximale huurgrens), 17, tweede lid (bij
minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), 18, derde lid (bij
referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 20, eerste en
tweede lid (kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen), gewijzigd
met het percentage van de huurprijsontwikkeling, zoals die naar
redelijke verwachting in het tijdvak dat loopt van 1 juli van het aan
het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 juli van het
berekeningsjaar zal plaatsvinden.
4. In afwijking van het derde lid worden de bedragen, genoemd in de
artikelen 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende
normhuur), en 18, derde lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende
normhuur), bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari van elk
jaar gewijzigd met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in
artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, naar redelijke
verwachting wordt gewijzigd in het tijdvak dat loopt van 1 januari van
het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 januari van het
berekeningsjaar, indien dat percentage lager is dan het in het derde
lid bedoelde percentage.
5. Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, na overleg met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de hoogte vastgesteld
van de bedragen, zoals die met ingang van 1 januari krachtens artikel
17, eerste lid, als minimum-inkomensijkpunten gelden.
6. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van
elk jaar de bedragen, genoemd in artikel 18, eerste lid (referentie-inkomensijkpunten),
gewijzigd met het percentage, waarmee de in het berekeningsjaar
verwachte corresponderende bedragen krachtens artikel 17, eerste lid,
onderdelen a en b, en de in het berekeningsjaar verwachte
corresponderende bedragen en tegemoetkomingen krachtens de onderdelen
c en d van dat artikellid (minimum-inkomensijkpunten), afwijken van de
corresponderende bedragen en tegemoetkomingen die in het daaraan
voorafgaande berekeningsjaar gelden krachtens de in dat artikellid
genoemde wetten. Van dit percentage kan worden afgeweken, voor zover
de wijziging van de in artikel 17, eerste lid, bedoelde jaarinkomens
onbedoeld afwijkt van de wijziging welke naar verwachting plaats zal
vinden met betrekking tot de inkomens boven het
minimum-inkomensijkpunt.
7. De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid,
worden naar boven afgerond op hele eurocenten, met uitzondering van de
norminkomens, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen a en
b(maximum inkomen bij een- en meerpersoonshuishoudens), die naar boven
worden afgerond op een veelvoud van € 25. De som van de bedragen,
bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel b (maximum inkomen bij
een- en meerpersoonsouderenhuishoudens en de bedragen, bedoeld in het
vijfde en zesde lid, worden naar boven afgerond op een veelvoud van
€ 25. Bij een volgende wijziging van de norminkomens en de bedragen,
bedoeld in het zesde lid, wordt uitgegaan van de bedragen zoals die
waren, voordat zij werden afgerond.
8. De overeenkomstig het eerste tot en met zevende lid
vastgestelde, vanaf 1 januari geldende minimum-inkomensijkpunten,
referentie-inkomensijkpunten, maximale inkomensgrenzen, normhuren, de
als gevolg daarvan voor de onderscheiden typen huishouden gewijzigde
factoren, bedoeld in artikel 19, tweede lid, maximale huur-,
kwaliteitskortings- en aftoppingsgrenzen, worden elk jaar uiterlijk op
1 november daaraan voorafgaand in de Staatscourant bekendgemaakt.
9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd
in deartikelen 5, derde lid, onderdelen a, b, c, en d (maximum
service-kosten), 16 (verhoging van de normhuur), 17, eerste lid,
onderdelen c en d (ouderentoeslag bij minimum-inkomensijkpunt),
enderde lid, onderdelen a en b (verlaging van de normhuur bij
minimum-inkomensijkpunt), en 18, vierde lid, onderdelen a, b, c en
d(verlaging van de normhuur bij referentie-inkomensijkpunt), hoger of
lager worden gesteld.
Hoofdstuk 6. Hulp- en informatiepunten
Artikel 28
1.Burgemeester en wethouders bevorderen dat binnen hun gemeente een
of meer voorzieningen tot stand komen die de dienstverlening,
voortvloeiende uit de uitvoering van deze wet en van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, welke ten goede komt aan de huurders,
verbeteren.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van de taken en van de inrichting van de
voorzieningen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 29 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30a [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30aa [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30ab [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30b [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30c [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 30d [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 31 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 32 [Vervallen per 01-09-2005]
Hoofdstuk 7 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 33 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 34 [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 35 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 36 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 37 [Vervallen per 01-09-2005]
Hoofdstuk 8 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 38 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 39 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 40 [Vervallen per 27-03-2009]
Artikel 41 [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 42 [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 43 [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 44 [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 45 [Vervallen per 26-03-2004]
Hoofdstuk 9. Gemeentelijk woonlastenfonds en experimenten
Artikel 46 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 47 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 48 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 48a [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 48b [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 48c
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt op verzoek aan burgemeester en
wethouders de voor de uitvoering ten behoeve van het doen van
uitkeringen uit een bij verordening op basis van artikel 108 van de
Gemeentewet ingesteld gemeentelijk woonlastenfonds benodigde gegevens
behoudens het bepaalde in artikel 38a van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, uitsluitend ten behoeve van dat
woonlastenfonds.
Artikel 49
1.De Belastingdienst/Toeslagen kan voor de huur van nader door Onze
Minister aangewezen woningen of categorieën van woningen een
huurtoeslag toekennen in afwijking van de artikelen 1, onder c en d,
11 en 13, ten behoeve van experimenten die naar het oordeel van Onze
Minister in het belang van de volkshuisvesting zijn. Onze Minister
bepaalt hierbij vooraf de duur van het experiment.
2.De Belastingdienst/Toeslagen kan op verzoek van Onze Minister na
afsluiting van het experiment af blijven wijken van de in het eerste
lid genoemde artikelen, voor zover het de bewoners betreft die tijdens
de duur van het experiment een huurtoeslag ontvingen met toepassing
van het eerste lid en zolang een door Onze Minister op basis van het
experiment noodzakelijk geoordeelde wijziging van deze wet nog niet
van kracht is geworden en in werking is getreden.
Artikel 50
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de
artikelen 21, eerste lid, en 27, negende lid, wordt niet gedaan dan
nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd
en sedert die overlegging acht weken zijn verstreken.
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 51 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 52 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 53 [Vervallen per 01-07-1999]
Artikel 54
De Wet individuele huursubsidie wordt ingetrokken.
Artikel 55
1.Op subsidietijdvakken die zijn aangevangen onder de werking van
de Wet individuele huursubsidie blijven de daarop vóór de
inwerkingtreding van de Huursubsidiewet geldende bepalingen van
toepassing. Gedurende de eerste vijf subsidiejaren na de
inwerkingtreding van artikel 44, wordt de huursubsidie-uitgavennorm
zodanig lager vastgesteld dan uit artikel 41 voortvloeit, dat een
eventuele overschrijding van de huursubsidie-uitgavennorm die is
ontstaan gedurende het eerste subsidiejaar na inwerkingtreding van
deze wet, wordt tenietgedaan.
2.In het eerste subsidiejaar na inwerkingtreding van deze wet wordt
in afwijking van artikel 4, eerste lid, verstaan onder rekenvermogen:
het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners op 0.00 uur
op de datum van inwerkingtreding van artikel 4, eerste lid.
3.Artikel 11 blijft buiten toepassing ten aanzien van een huurder
van onzelfstandige woonruimte, anders dan bedoeld in dat artikel,
indien die woonruimte onmiddellijk voorafgaand aan het moment dat de
Wet individuele huursubsidie werd ingetrokken, was aangewezen als
woonruimte aan de huurder waarvan een bijdrage op voet van die wet kon
worden verstrekt.
4.Artikel 13, eerste lid, is niet van toepassing op een huurder op
wie artikel 41 van de Wet individuele huursubsidie of artikel II van
de wet van 9 juni 1994 houdende wijziging van de Wet individuele
huursubsidie (Stb. 439) van toepassing was over de aan de dag van
inwerkingtreding van deze wet voorafgaande kalendermaand, zolang deze
huurder het genot van de desbetreffende woning behoudt. Artikel 13,
derde lid, is in deze gevallen van overeenkomstige toepassing.
5.Bij de toepassing van artikel 2, en bij de toepassing van artikel
7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen kan de
Belastingdienst/Toeslagen op verzoek van de huurder het op 31 december
2005 van kracht zijnde beleid toepassen dat Onze Minister heeft
getroffen op grond van artikel 9 en artikel 26, eerste lid, zoals die
artikelen onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de
Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luidden.
6.Het vijfde lid geldt uitsluitend in bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.
7.Een verrekening als bedoeld in artikel 36, derde lid, kan mede
betrekking hebben op te veel betaalde bedragen en de daarop betrekking
hebbende verhogingen op voet van de Wet individuele huursubsidie.
8.Voor de toepassing van artikel 41 voor het eerste subsidiejaar na
inwerkingtreding van deze wet, gelden de bijdragen op voet van de Wet
individuele huursubsidie over het daaraan voorafgaande jaar als
uitgaven aan huursubsidie.
Artikel 56
Indien artikel I, onder B en C, van het bij koninklijke boodschap van
26 juni 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen,
uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig
verblijf van de vreemdeling in Nederland (kamerstukken 24 233) tot wet
wordt verheven en in werking treedt:
a. met ingang van 1 juli van enig jaar, treedt artikel 10 in
werking met ingang van die datum;
b. met ingang van een andere datum dan 1 juli, treedt artikel 10
in werking met ingang van de 1 juli die volgt op die datum.
Artikel 56a [Vervallen per 26-03-2004]
Artikel 56b
In afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, aanhef,
onderscheidenlijk onderdeel b, van de Huursubsidiewet, zoals die luidden
na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel EA, van de
wet van 26 januari 2004 tot wijziging van de Huursubsidiewet en enkele
andere wetten (introductie van een nieuwe procedure voor huurders die
een aanvraag om toekenning van huursubsidie indienen) (Stb. 61), luiden
de daarin genoemde bedragen voor het tijdvak dat loopt van 1 juli 2003
tot en met 30 juni 2004: € 585,24 onderscheidenlijk€ 317,03.
Artikel 57
1.Onze Minister brengt jaarlijks verslag uit aan de Staten-Generaal
over de werking van deze wet.
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid zendt Onze Minister
binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk.
Artikel 58
1.Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli van een bij
koninklijk besluit te bepalen jaar, met uitzondering van artikel 4,
eerste lid, dat zes maanden later in werking treedt, en met
uitzondering van artikel 10, dat in werking treedt op het tijdstip,
bedoeld in artikel 56.
2.In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 39, 40, 44 en
45 in werking met ingang van de 1 juli die volgt op het bij koninklijk
besluit bepaalde jaar, bedoeld in het eerste lid.
3.Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet worden de
daarin voorkomende bedragen aangepast overeenkomstig artikel 27, met
als uitgangspunt dat de laatste aanpassing daarvan per 1 juli 1997
heeft plaatsgevonden.
4.Het derde lid blijft buiten toepassing als deze wet met ingang
van 1 juli 1997 in werking treedt.
Artikel 59
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de huurtoeslag.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 april 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D.K.J. Tommel
Uitgegeven de vijftiende mei 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|