Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 28 Wiv 2002
- Regeling aanwijzing risicolanden
WET van 7 februari 2002, houdende regels
met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede
wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is nieuwe
regels te stellen betreffende de diensten die belast zijn met het
verrichten van onderzoeken en het bevorderen van maatregelen in het
belang van de staatsveiligheid alsmede van andere gewichtige belangen
van de staat, de verwerking van gegevens door deze diensten, de inzage
in de door deze diensten verwerkte gegevens, het toezicht en de
behandeling van klachten, alsmede in verband daarmee enkele wetten te
wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. dienst: de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;
b. coördinator: de functionaris, bedoeld in artikel 4;
c. Onze betrokken Minister:
1°. ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
2°. ten aanzien van de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst: Onze Minister van Defensie;
3°. ten aanzien van de coördinator: Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken;
d. gegevens: persoonsgegevens en andere gegevens;
e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een
identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke
persoon;
f. gegevensverwerking of verwerking van gegevens: elke handeling
of elk geheel van handelingen met betrekking tot gegevens, waaronder
in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren,
bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken
door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van
terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen,
alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;
g. commissie van toezicht: de commissie, bedoeld in artikel 64.
Artikel 2
De diensten en de coördinator verrichten hun taak in gebondenheid
aan de wet en in ondergeschiktheid aan Onze betrokken Minister.
Hoofdstuk 2. De diensten en de coördinatie tussen de diensten
Paragraaf 2.1. De coördinatie van de taakuitvoering door de diensten
Artikel 3
Onze betrokken Ministers plegen regelmatig onderling overleg over hun
beleid betreffende de diensten en de coördinatie van dat beleid. Andere
dan Onze betrokken Ministers worden voor deelname aan het overleg
uitgenodigd, indien dit, gelet op de door hen te behartigen belangen,
noodzakelijk is.
Artikel 4
1. Er is een coördinator van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten.
2. De coördinator wordt op gemeenschappelijke voordracht van Onze
betrokken Ministers bij koninklijk besluit benoemd.
3. De coördinator heeft tot taak om overeenkomstig de aanwijzingen
van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in
overeenstemming met Onze overige betrokken Ministers:
a. het in artikel 3 bedoelde overleg voor te bereiden;
b. de uitvoering van de taken van de diensten te coördineren.
4. De coördinator stelt Onze betrokken Ministers in kennis van al
hetgeen van belang kan zijn.
5. Op de verwerking van gegevens door de coördinator is hoofdstuk
3 met uitzondering van paragraaf 3.2.2, alsmede hoofdstuk 4 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
De hoofden van de diensten verlenen de coördinator medewerking voor
de uitoefening van zijn taak. Zij verschaffen hem daartoe alle nodige
inlichtingen.
Paragraaf 2.2. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
Artikel 6
1. Er is een Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
2. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het
belang van de nationale veiligheid tot taak:
a. het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties
en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun
activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij
een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische
rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige
belangen van de staat;
b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de
Wet veiligheidsonderzoeken;
c. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder
a genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter
beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding door de
nationale veiligheid wordt geboden en van die onderdelen van de
overheidsdienst en van het bedrijfsleven die naar het oordeel van
Onze ter zake verantwoordelijke Ministers van vitaal belang zijn
voor de instandhouding van het maatschappelijk leven;
d. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen ten
aanzien van onderwerpen die door Onze Minister-President, Minister
van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze betrokken
Ministers zijn aangewezen;
e. het opstellen van dreigings- en risicoanalyses op verzoek
van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
Onze Minister van Justitie gezamenlijk ten behoeve van de
beveiliging van de personen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid,
onderdeel b, en 38, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet
1993 en de bewaking en de beveiliging van de objecten en de
diensten die zijn aangewezen op grond van artikel 15a van die wet.
Artikel 6a
1. De dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede
lid, onderdeel e, worden opgesteld naar aanleiding van gegevens die
worden verstrekt door:
a. de personen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, onderdeel
b, en 38, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 1993;
b. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen
van de personen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, onderdeel
b, en 38, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 1993;
c. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen
van de objecten of de diensten, die zijn aangewezen op grond van
artikel 15a van de Politiewet 1993;
d. de diensten;
e. de politie; of
f. het openbaar ministerie.
2. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is slechts
bevoegd gegevens te verzamelen ten behoeve van het opstellen van de
dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede lid,
onderdeel e, indien de gegevens die op grond van het eerste lid zijn
verstrekt dat noodzakelijk maken.
Paragraaf 2.3. De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
Artikel 7
1. Er is een Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
2. De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het
belang van de nationale veiligheid tot taak:
a. het verrichten van onderzoek:
1°. omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere
mogendheden, ten behoeve van een juiste opbouw en een
doeltreffend gebruik van de krijgsmacht;
2°. naar factoren die van invloed zijn of kunnen zijn op
de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde
voor zover de krijgsmacht daarbij is betrokken of naar
verwachting betrokken kan worden;
b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de
Wet veiligheidsonderzoeken;
c. het verrichten van onderzoek dat nodig is voor het treffen
van maatregelen:
1°. ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de
veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden;
2°. ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie
en concentratie der strijdkrachten;
3°. ten behoeve van een ongestoorde voorbereiding en inzet
van de krijgsmacht als bedoeld in onderdeel a, onder 2°.
d. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder
c genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter
beveiliging van gegevens betreffende de krijgsmacht waarvan de
geheimhouding is geboden;
e. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen, ten
aanzien van onderwerpen met een militaire relevantie die door Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in
overeenstemming met Onze betrokken Ministers, zijn aangewezen;
f. het opstellen van dreigingsanalyses op verzoek van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze
Minister van Justitie gezamenlijk ten behoeve van de beveiliging
van de personen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, onderdeel
b, en 38, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 1993 en de
bewaking en de beveiliging van de objecten en de diensten die zijn
aangewezen op grond van artikel 15a van die wet, voor zover het
betreft personen, objecten en diensten met een militaire
relevantie.
Artikel 7a
1. De dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid,
onderdeel f, worden opgesteld naar aanleiding van gegevens die worden
verstrekt door:
a. de personen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, onderdeel
b, en 38, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 1993;
b. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen
van de personen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, onderdeel
b, en 38, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 1993;
c. degenen die belast zijn met de behartiging van de belangen
van de objecten of de diensten, die zijn aangewezen op grond van
artikel 15a van de Politiewet 1993;
d. de diensten;
e. de politie; of
f. het openbaar ministerie.
2. De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is slechts
bevoegd gegevens te verzamelen ten behoeve van het opstellen van de
dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel f,
indien de gegevens die op grond van het eerste lid zijn verstrekt dat
noodzakelijk maken.
Paragraaf 2.4. Verslaglegging omtrent de taakuitvoering door de
diensten
Artikel 8
1. Onze betrokken Ministers brengen jaarlijks voor 1 mei
gelijktijdig aan beide kamers der Staten-Generaal een openbaar verslag
uit van de wijze waarop de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst hun taken in het
afgelopen kalenderjaar hebben verricht.
2. In het verslag wordt in ieder geval volledig overzicht gegeven
van:
a. de aandachtsgebieden waarop de dienst zijn activiteiten in
het afgelopen jaar heeft gericht;
b. de aandachtsgebieden waarop de dienst zijn activiteiten in
het lopende jaar in ieder geval zal richten.
3. In het openbare jaarverslag blijft vermelding achterwege van in
ieder geval de gegevens die zicht geven op:
a. door de dienst aangewende middelen in concrete
aangelegenheden;
b. door de dienst aangewende geheime bronnen;
c. het actuele kennisniveau van de dienst.
4. Onze betrokken Minister kan de gegevens, bedoeld in het derde
lid, vertrouwelijk meedelen aan een of beide kamers der
Staten-Generaal.
5. Onverminderd de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
informeren Onze betrokken Ministers uit eigen beweging beide kamers
der Staten-Generaal, indien daartoe aanleiding bestaat. Het derde en
het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2.5. Bijzondere bepalingen betreffende de functionarissen
die ten behoeve van de diensten werkzaam zijn
Artikel 9
1. De ambtenaren van de diensten bezitten geen bevoegdheid tot het
opsporen van strafbare feiten.
2. De in artikel 60 bedoelde ambtenaren oefenen bij het verrichten
van de daar bedoelde werkzaamheden geen bevoegdheden tot het opsporen
van strafbare feiten uit.
Artikel 10
1. Het is de ambtenaar van een dienst verboden, anders dan in de
uitoefening van zijn functie, te reizen naar dan wel te verblijven in:
a. een land waar feitelijk een gewapend conflict bestaat;
b. door Onze betrokken Ministers gezamenlijk bij ministeriële
regeling aangewezen landen waarin het verblijf door een ambtenaar
van een dienst een bijzonder risico voor de nationale veiligheid
kan opleveren.
2. Onze betrokken Minister kan ontheffing van het in het eerste lid
bedoelde verbod verlenen, indien dringende persoonlijke of andere
belangen van de betrokken ambtenaar dat vereisen en de veiligheid of
andere gewichtige belangen van de staat zich daartegen niet verzetten.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
coördinator, de aan hem ondergeschikte ambtenaren en de krachtens
artikel 60, tweede lid, aangewezen ambtenaren.
Paragraaf 2.6. Nadere regels met betrekking tot organisatie,
werkwijze en beheer van de diensten
Artikel 11
Onze betrokken Minister kan ten aanzien van de organisatie, de
werkwijze en het beheer van een dienst nadere regels stellen.
Hoofdstuk 3. De verwerking van gegevens door de diensten
Paragraaf 3.1. Algemene bepalingen
Artikel 12
1. De diensten zijn bevoegd tot het verwerken van gegevens met
inachtneming van de eisen die daaraan bij of krachtens deze wet of de
Wet veiligheidsonderzoeken zijn gesteld.
2. De verwerking van gegevens vindt slechts plaats voor een bepaald
doel en slechts voor zover dat noodzakelijk is voor een goede
uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken.
3. De verwerking van gegevens geschiedt in overeenstemming met de
wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze.
4. De gegevens die in het kader van de taakuitvoering van de
diensten worden verwerkt, zijn voorzien van een aanduiding omtrent de
mate van betrouwbaarheid dan wel een verwijzing naar het document of
de bron waaraan de gegevens zijn ontleend.
Artikel 13
1. De verwerking van persoonsgegevens door de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op
personen:
a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een
gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de
veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat;
b. die toestemming hebben verleend voor een
veiligheidsonderzoek;
c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het
onderzoek betreffende andere landen;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst
gegevens zijn ingewonnen;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een
goede taakuitvoering door de dienst;
f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst;
g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het
opstellen van de dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel
6, tweede lid, onderdeel e.
2. De verwerking van persoonsgegevens door de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op
personen:
a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een
gevaar vormen voor de veiligheid of de paraatheid van de
krijgsmacht;
b. die toestemming hebben verleend voor een
veiligheidsonderzoek;
c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het
onderzoek betreffende andere landen;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst
gegevens zijn ingewonnen;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een
goede taakuitvoering door de dienst;
f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst;
g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van een
onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, sub
2°;
h. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het
opstellen van de dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede
lid, onderdeel f;
i. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het
opstellen van een analyse door de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst, in opdracht van onze minister van Defensie, van
potentiële dreigingen tegen een bij de krijgsmacht werkzaam
persoon of een bij de krijgsmacht in gebruik zijnd object, welke
niet ingevolge de artikelen 6, derde lid, onderdeel b, en 38,
eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 15a van de
Politiewet 1993 is aangewezen.
3. De verwerking van persoonsgegevens wegens iemands godsdienst of
levensovertuiging, ras, gezondheid en seksuele leven vindt niet
plaats.
4. De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op de
in het derde lid bedoelde kenmerken vindt slechts plaats in aanvulling
op de verwerking van andere gegevens en slechts voor zover dat voor
het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is.
Artikel 14
1. De artikelen 12, 13, eerste, derde en vierde lid, zijn tevens
van toepassing op de verwerking van gegevens ten behoeve van de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst door de ambtenaren,
bedoeld in artikel 60.
2. De verwerking van gegevens, bedoeld in het eerste lid, ten
behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst blijft
strikt gescheiden van de verwerking van gegevens door de
desbetreffende ambtenaren ten behoeve van andere doeleinden. Het hoofd
van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan daaromtrent
nadere aanwijzingen geven.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
draagt zorg voor de archiefbescheiden die verband houden met de
gegevensverwerking ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst door de ambtenaren, bedoeld in artikel 60, voor
zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een
rijksarchiefbewaarplaats.
Artikel 15
De hoofden van de diensten dragen zorg voor:
a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;
b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen
waaruit gegevens afkomstig zijn;
c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens
worden verzameld.
Artikel 16
De hoofden van de diensten dragen voorts zorg voor:
a. de nodige voorzieningen ter bevordering van de juistheid en de
volledigheid van de gegevens die worden verwerkt;
b. de nodige voorzieningen van technische en organisatorische
aard ter beveiliging van de gegevensverwerking tegen verlies of
aantasting van gegevens alsmede tegen onbevoegde gegevensverwerking;
c. de aanwijzing van personen die bij uitsluiting van anderen
bevoegd zijn tot de bij de aanwijzing vermelde werkzaamheden in het
kader van de verwerking van gegevens.
Paragraaf 3.2. De verzameling van gegevens
Paragraaf 3.2.1. Algemeen
Artikel 17
1. De diensten zijn bevoegd zich bij de uitvoering van hun taak,
dan wel ter ondersteuning van een goede taakuitvoering, voor het
verzamelen van gegevens te wenden tot:
a. bestuursorganen, ambtenaren en voorts een ieder die geacht
wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken;
b. de verantwoordelijke voor een gegevensverwerking.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is
de daarmee belaste ambtenaar verplicht zich ten opzichte van de
verantwoordelijke voor een gegevensverwerking te legitimeren aan de
hand van een daartoe door het betrokken hoofd van een dienst verstrekt
legitimatiebewijs.
3. De bij of krachtens de wet geldende voorschriften voor de
verantwoordelijke voor een gegevensverwerking betreffende de
verstrekking van zodanige gegevens zijn niet van toepassing op
verstrekkingen gedaan ingevolge een verzoek als bedoeld in het eerste
lid, aanhef en onder b.
Paragraaf 3.2.2. Bijzondere bevoegdheden van de diensten
Artikel 18
Een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf mag slechts worden
uitgeoefend, voor zover dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van
de taken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a en d, en de taken,
bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, c, en e.
Artikel 19
1.De uitoefening door een dienst van een bevoegdheid als bedoeld in
deze paragraaf is slechts toegestaan, indien, voor zover bij deze
paragraaf niet anders is bepaald, Onze betrokken Minister of namens
deze het betrokken hoofd van een dienst daartoe toestemming heeft
gegeven.
2.Het hoofd van een dienst kan aan hem ondergeschikte ambtenaren
bij schriftelijk besluit aanwijzen die de toestemming, bedoeld in het
eerste lid, namens hem verlenen. Onze betrokken Minister wordt een
afschrift van het besluit gezonden.
3.De toestemming wordt, voor zover bij of krachtens de wet niet
anders is bepaald, verleend voor een periode van ten hoogste drie
maanden en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden
verlengd voor eenzelfde periode.
Artikel 20
1. De diensten zijn bevoegd tot:
a. het observeren en in het kader daarvan vastleggen van
gegevens betreffende gedragingen van natuurlijke personen of
gegevens betreffende zaken, al dan niet met behulp van observatie-
en registratiemiddelen;
b. het volgen en in het kader daarvan vastleggen van gegevens
betreffende natuurlijke personen of zaken, al dan niet met behulp
van volgmiddelen, plaatsbepalingsapparatuur en
registratiemiddelen.
2. De toepassing van observatie- en registratiemiddelen als bedoeld
in het eerste lid, onder a, alsmede het aanbrengen van volgmiddelen,
plaatsbepalingsapparatuur en registratiemiddelen als bedoeld in het
eerste lid, onder b, door de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst is, voor zover het gaat om de toepassing dan wel het
aanbrengen daarvan in besloten plaatsen die niet in gebruik zijn van
het Ministerie van Defensie slechts toegestaan, indien de toestemming
daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, voor zover van
toepassing, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst.
3. De toepassing van observatie- en registratiemiddelen, bedoeld in
het eerste lid, onder a, binnen woningen is slechts toegestaan, indien
daarvoor door Onze betrokken Minister schriftelijk toestemming is
verleend aan het hoofd van de dienst. In het geval, bedoeld in het
tweede lid, wordt, voor zover het woningen betreft, de toestemming
verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties.
4. Het verzoek om toestemming als bedoeld in het derde lid wordt
gedaan door het hoofd van de dienst en bevat ten minste:
a. het adres van de woning waarbinnen het middel dient te
worden toegepast;
b. een omschrijving van het soort middel dat wordt toegepast;
c. de reden waarom de toepassing van het desbetreffende middel
noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 21
1. De diensten zijn bevoegd tot:
a. de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder
dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder
verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn
belast met:
1°. het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en
organisaties die voor de taakuitvoering van een dienst van
belang kunnen zijn;
2°. het bevorderen of het treffen van maatregelen ter
bescherming van door een dienst te behartigen belangen.
b. het oprichten en de inzet van rechtspersonen ter
ondersteuning van operationele activiteiten.
2. Onze betrokken Minister kan daarvoor in aanmerking komende
bestuursorganen schriftelijk opdragen die medewerking te verlenen die
noodzakelijk is om een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, van een aan te nemen identiteit te voorzien. De voor
het bestuursorgaan geldende wettelijke voorschriften ter zake van de
van deze verlangde werkzaamheden, blijven voor zover deze in de weg
staan aan het verrichten van die werkzaamheden buiten toepassing.
3. De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan
bij instructie van de dienst tevens worden belast met het verrichten
van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt
verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar
feit wordt gepleegd. Een instructie als bedoeld in de eerste volzin
wordt slechts gegeven, indien een goede taakuitvoering van de dienst
dan wel de veiligheid van de betrokken natuurlijke persoon daartoe
noodzaakt.
4. De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a, mag
bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon
niet brengen tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van
strafbare feiten, dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
5. Bij de instructie, bedoeld in het derde lid, wordt aan de
desbetreffende persoon aangegeven:
a. onder welke omstandigheden deze ter uitvoering van de
instructie handelingen mag verrichten die tot gevolg kunnen hebben
dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar
feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd;
b. de wijze waarop aan de instructie uitvoering dient te worden
gegeven, waaronder begrepen de aard van de handelingen, die door
de desbetreffende persoon daarbij zullen mogen worden verricht,
voor zover deze bij het geven van de instructie zijn te voorzien.
6. De instructie aan de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste
lid, onder a, wordt schriftelijk vastgelegd.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht
van Onze betrokken Ministers en Onze Minister van Justitie
gezamenlijk, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de voorwaarden waaronder en de gevallen waarin ter
uitvoering van een instructie door een natuurlijke persoon als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, handelingen mogen worden
verricht die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt
verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een
strafbaar feit wordt gepleegd;
b. de wijze waarop de uitoefening van de desbetreffende
bevoegdheid wordt gecontroleerd.
8. Met betrekking tot het oprichten van rechtspersonen als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, blijft artikel 34, eerste en tweede
lid, van de Comptabiliteitswet 2001 buiten toepassing.
Artikel 22
1. De diensten zijn bevoegd tot het, al dan niet met behulp van een
technisch hulpmiddel:
a. doorzoeken van besloten plaatsen;
b. doorzoeken van gesloten voorwerpen;
c. verrichten van onderzoek aan voorwerpen gericht op het
vaststellen van de identiteit van een persoon.
2. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst buiten plaatsen
in gebruik van het Ministerie van Defensie, is slechts toegestaan
indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, voor
zover van toepassing, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst.
3. Indien dit noodzakelijk is voor het onderzoek van een dienst,
kan een bij de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, aangetroffen voorwerp voor een beperkte tijd door de
desbetreffende dienst worden meegenomen, voor zover onderzoek van het
desbetreffende voorwerp ter plaatse van de doorzoeking onmogelijk is
en de daarmee beoogde verzameling van gegevens niet op een andere,
minder ingrijpende wijze kan worden bewerkstelligd. De desbetreffende
voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij het
belang van een goede taakuitoefening van de dienst zich daartegen
verzet of met terugplaatsing geen redelijk belang wordt gediend.
4. Van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, mag,
voor zover het woningen betreft, slechts gebruik worden gemaakt,
indien daarvoor door Onze betrokken Minister schriftelijk toestemming
is verleend aan het hoofd van de dienst. Uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, door de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst met betrekking tot woningen buiten
plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie, is slechts
toegestaan, indien de toestemming daarvoor is verleend in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
5. De toestemming, bedoeld in het vierde lid, wordt verleend voor
een periode van ten hoogste drie dagen. De Algemene termijnenwet is
niet van toepassing.
6. Het verzoek om toestemming als bedoeld in het vierde lid wordt
gedaan door het hoofd van de dienst en bevat ten minste:
a. het adres van de woning die dient te worden doorzocht, en
b. de reden waarom de woning dient te worden doorzocht.
Artikel 23
1. De diensten zijn bevoegd tot het openen van brieven en andere
geadresseerde zendingen, zonder goedvinden van de afzender of de
geadresseerde, indien de rechtbank te Den Haag daartoe, op verzoek van
het hoofd van de dienst, een last heeft afgegeven.
2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, door het hoofd van de
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van brieven
en andere geadresseerde zendingen, waarvan het adres van de afzender
of de geadresseerde niet overeenstemt met een adres van een plaats in
gebruik van het Ministerie van Defensie, wordt gedaan in
overeenstemming met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst.
4. Het verzoek om een last, bedoeld in het eerste lid, bevat ten
minste:
a. de naam en het adres van de persoon of instelling, van wie
dan wel waarvan brieven of andere geadresseerde zendingen aan deze
gericht dan wel van deze afkomstig, dienen te worden geopend;
b. de reden waarom de brieven of andere geadresseerde zendingen
dienen te worden geopend.
5. Een last wordt slechts afgegeven, indien dat noodzakelijk is
voor een goede uitoefening van de aan de dienst opgedragen taak.
6. Een last, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven:
a. per brief of andere geadresseerde zending, indien deze reeds
in het bezit van de dienst is;
b. voor een daarbij te bepalen periode van ten hoogste drie
maanden, indien het betreft het openen van brieven of andere
geadresseerde zendingen die aan een in de last vermelde instelling
van post dan wel vervoer zijn of worden toevertrouwd.
7. De instelling van post dan wel vervoer, bedoeld in het zesde
lid, onder b, is gehouden de brieven en andere geadresseerde
zendingen, waarop de last betrekking heeft, tegen ontvangstbewijs uit
te leveren aan een door het hoofd van de dienst daartoe aangewezen
ambtenaar van de dienst.
8. De ambtenaar is gehouden zich jegens de instelling van post dan
wel vervoer te legitimeren aan de hand van een door het hoofd van de
dienst verstrekt legitimatiebewijs.
9. De diensten dragen zorg dat een door een instelling van post of
vervoer uitgeleverde brief of andere geadresseerde zending na
onderzoek daarvan, onverwijld aan de desbetreffende instelling ter
verzending terug wordt gegeven.
Artikel 24
1. De diensten zijn bevoegd tot het al dan niet met gebruikmaking
van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse
hoedanigheid, binnendringen in een geautomatiseerd werk. Tot de
bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de
bevoegdheid:
a. tot het doorbreken van enige beveiliging;
b. tot het aanbrengen van technische voorzieningen teneinde
versleuteling van gegevens opgeslagen of verwerkt in het
geautomatiseerde werk ongedaan te maken;
c. de gegevens opgeslagen of verwerkt in het geautomatiseerde
werk over te nemen.
2. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst buiten plaatsen
in gebruik van het Ministerie van Defensie is slechts toegestaan,
indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, voor
zover van toepassing, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst.
3. Een ieder die kennis draagt ter zake van het ongedaan maken van
de versleuteling van de gegevens opgeslagen of verwerkt in het
geautomatiseerde werk als bedoeld in het eerste lid, is verplicht het
hoofd van de dienst op diens schriftelijk verzoek alle noodzakelijke
medewerking te verlenen om deze versleuteling ongedaan te maken.
Artikel 25
1. De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel
gericht aftappen, ontvangen, opnemen en afluisteren van elke vorm van
gesprek, telecommunicatie of gegevensoverdracht door middel van een
geautomatiseerd werk, ongeacht waar een en ander plaatsvindt. Tot de
bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de
bevoegdheid om versleuteling van de gesprekken, telecommunicatie of
gegevensoverdracht ongedaan te maken.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid mag slechts worden
uitgeoefend, indien door Onze betrokken Minister daarvoor op een
daartoe strekkend verzoek toestemming is verleend aan het hoofd van de
dienst.
3. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst met betrekking
tot gesprekken, telecommunicatie of gegevensoverdracht door middel van
een geautomatiseerd werk, voor zover deze niet plaatsvindt op of met
plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie, is slechts
toegestaan, indien de toestemming daarvoor is verleend in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
4. Het verzoek om toestemming, bedoeld in het tweede en derde lid,
wordt gedaan door het hoofd van de dienst en bevat ten minste:
a. een aanduiding van de bevoegdheid die de dienst wenst uit te
oefenen en, voor zover van toepassing, het nummer, bedoeld in
artikel 1.1, onder bb, van de Telecommunicatiewet;
b. gegevens betreffende de identiteit van de persoon dan wel de
organisatie ten aanzien van wie onderscheidenlijk waarvan de
uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid wordt verlangd;
c. de reden waarom uitoefening van de desbetreffende
bevoegdheid wordt verlangd.
5. Indien bij het verzoek om toestemming het nummer, bedoeld in het
vierde lid, onder a, nog niet bekend is, wordt de toestemming slechts
verleend onder de voorwaarde dat de bevoegdheid slechts mag worden
uitgeoefend, zodra het desbetreffende nummer bekend is. De diensten
zijn bevoegd tot het gebruik van een technisch hulpmiddel waarmee het
nummer, bedoeld in de eerste volzin, kan worden verkregen. De
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de tweede volzin, door de
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst buiten plaatsen in
gebruik van het Ministerie van Defensie geschiedt in overeenstemming
met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6. Indien bij het verzoek om toestemming de gegevens, bedoeld in
het vierde lid, onder b, nog niet bekend zijn, wordt toestemming
slechts verleend onder de voorwaarde de desbetreffende gegevens zo
spoedig mogelijk aan te vullen.
7. Een ieder die kennis draagt ter zake van het ongedaan maken van
de versleuteling van gesprekken, telecommunicatie of
gegevensoverdracht als bedoeld in het eerste lid, is verplicht het
hoofd van de dienst op diens schriftelijk verzoek alle noodzakelijke
medewerking te verlenen om deze versleuteling ongedaan te maken.
8. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van het gericht
ontvangen en opnemen van niet-kabelgebonden telecommunicatie die zijn
oorsprong of bestemming in andere landen heeft, aan de hand van een
technisch kenmerk. Voor zover deze telecommunicatie betrekking heeft
op militair berichtenverkeer is geen toestemming vereist als bedoeld
in de artikelen 19 en 25, tweede lid.
Artikel 26
1.De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel
ontvangen en opnemen van niet-kabelgebonden telecommunicatie die zijn
oorsprong of bestemming in andere landen heeft, aan de hand van een
technisch kenmerk ter verkenning van de communicatie. De diensten zijn
bevoegd om van daarbij ontvangen gegevens kennis te nemen. Tot de
bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de
bevoegdheid om versleuteling van de telecommunicatie ongedaan te
maken.
2.Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.
3.Zodra door toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, de identiteit van de persoon of organisatie van wie
onderscheidenlijk waarvan de telecommunicatie afkomstig is, is
vastgesteld, kan daarvan aantekening worden gemaakt indien zulks
noodzakelijk is voor de goede taakuitvoering door de dienst.
4.Zodra door toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, de identiteit van de persoon of de organisatie van wie
onderscheidenlijk waarvan de telecommunicatie afkomstig is, is
vastgesteld, wordt binnen twee dagen een verzoek om toestemming als
bedoeld in artikel 25, tweede lid, ingediend, indien het ontvangen en
opnemen van de telecommunicatie van de desbetreffende persoon of
organisatie noodzakelijk is voor een goede taakuitvoering door de
dienst. Tot het moment van verlening van de toestemming, bedoeld in
artikel 25, tweede lid, wordt van de opgenomen telecommunicatie niet
verder kennisgenomen.
5.Indien het ontvangen en opnemen van de telecommunicatie van de
desbetreffende persoon of organisatie niet noodzakelijk is voor een
goede taakuitvoering door de dienst, worden de ingevolge het eerste
lid ontvangen en opgenomen gegevens terstond vernietigd.
Artikel 27
1.De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel
ongericht ontvangen en opnemen van niet-kabelgebonden
telecommunicatie. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin,
behoort tevens de bevoegdheid om versleuteling van de telecommunicatie
ongedaan te maken.
2.Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.
3.De gegevens die door de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld
in het eerste lid, zijn verzameld, kunnen door de diensten worden
geselecteerd aan de hand van:
a. gegevens betreffende de identiteit van een persoon dan wel
een organisatie;
b. een nummer als bedoeld in artikel 1.1, onder bb, van de
Telecommunicatiewet, dan wel enig technisch kenmerk;
c. aan een nader omschreven onderwerp gerelateerde trefwoorden.
4.De toestemming voor de selectie, bedoeld in het derde lid, onder
a en b, wordt door Onze betrokken Minister op een daartoe strekkend
verzoek verleend aan het hoofd van de dienst voor een periode van ten
hoogste drie maanden en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek
worden verlengd. Het verzoek tot het verlenen van toestemming bevat
ten minste:
a. de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a dan wel b,
aan de hand waarvan de selectie zal plaatsvinden;
b. de reden waarom de selectie zal worden toegepast.
5.De toestemming voor de selectie aan de hand van trefwoorden,
bedoeld in het derde lid, onder c, wordt door Onze betrokken Minister
op een daartoe strekkend verzoek verleend aan het hoofd van de dienst
voor een periode van ten hoogste een jaar en kan telkens op een
daartoe strekkend verzoek worden verlengd. Het verzoek tot het
verlenen van toestemming bevat ten minste:
a. een nauwkeurige omschrijving van het onderwerp;
b. de reden waarom de selectie dient te worden toegepast.
6.Op de vaststelling van de aan de onderwerpen gerelateerde
trefwoorden is artikel 19 van toepassing, met dien verstande dat in
het derde lid van dat artikel voor «drie maanden» wordt gelezen: een
jaar.
7.Van een verleende toestemming als bedoeld in het vijfde lid wordt
met opgave van het onderwerp alsmede de reden van selectie,
vertrouwelijk mededeling gedaan aan een of beide kamers der
Staten-Generaal alsmede aan de commissie van toezicht.
8.Voor zover de selectie, bedoeld in het derde lid, geschiedt door
de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van
telecommunicatie die haar oorsprong en bestemming in Nederland vindt,
wordt de toestemming daarvoor verleend in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
9.Gegevens die zijn verzameld door uitoefening van de bevoegdheid,
bedoeld in het eerste lid, mogen, voor zover zij niet zijn
geselecteerd, voor een periode van ten hoogste een jaar worden bewaard
ten behoeve van een nadere selectie, met dien verstande dat deze:
a. slechts mag plaatsvinden in het kader van een onderzoek door
een dienst op grond van een reden als bedoeld in het vierde lid,
onder b, dan wel met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in
het vijfde lid, onder a, waarvoor op het moment van het ontvangen
en opnemen van de desbetreffende gegevens toestemming was
verleend, en
b. voor de goede uitoefening van het desbetreffende onderzoek
dringend wordt gevorderd.
10.Het negende lid is van overeenkomstige toepassing op gegevens
waarvan de versleuteling nog niet ongedaan is gemaakt, met dien
verstande dat de periode, bedoeld in het negende lid, pas aanvangt met
ingang van het moment waarop de versleuteling ongedaan is gemaakt.
Artikel 28
1. De diensten zijn bevoegd zich te wenden tot de aanbieders van
openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten in de zin van de Telecommunicatiewet met het
verzoek gegevens te verstrekken over een gebruiker en het
telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. Het verzoek
kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel
van bestuur zijn aangewezen en kan zowel gegevens betreffen die ten
tijde van het verzoek zijn verwerkt als gegevens die na het tijdstip
van het verzoek worden verwerkt.
2. Onder een gebruiker van telecommunicatie wordt in dit artikel
verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder
een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van een
openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van een openbare
telecommunicatiedienst, alsmede de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst.
3. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, eerste volzin, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel
19.
4. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan door het hoofd van de
desbetreffende dienst en bevat:
a. het nummer, bedoeld in artikel 1.1, onder t, van de
Telecommunicatiewet, of
b. gegevens betreffende de naam, alsmede de woon- of
verblijfplaats van de persoon dan wel de vestigingsplaats van de
organisatie van wie onderscheidenlijk waaraan het nummer, bedoeld
onder a, toebehoort, en
c. de gegevens die verstrekt dienen te worden, alsmede
d. de periode waarover de gegevens moeten worden verstrekt.
5. Voor zover het verzoek wordt gedaan door het hoofd van de
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van een
gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die
gebruiker en die gebruiker zich niet bevindt op een plaats in gebruik
bij het Ministerie van Defensie, geschiedt dit in overeenstemming met
het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
6. Op de verstrekking van gegevens ingevolge een verzoek als
bedoeld in het eerste lid is artikel 17, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
1. De diensten zijn bevoegd zich te wenden tot de aanbieders van
openbare telecommunicatienetwerken en openbare
telecommunicatiediensten in de zin van de Telecommunicatiewet met het
verzoek gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode,
woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van
telecommunicatie.
2. Onder een gebruiker van telecommunicatie wordt in dit artikel
verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder
een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van een
openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van een openbare
telecommunicatiedienst, alsmede de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst.
3. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, eerste volzin, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel
19.
4. Het verzoek wordt gedaan door of namens het hoofd van de
desbetreffende dienst.
5. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder
niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van artikel 25
of artikel 28 kan de dienst verzoeken dat de aanbieder de verzochte
gegevens achterhaalt en verstrekt. De diensten zijn bevoegd tot het
gebruik van een technisch hulpmiddel waarmee het nummer, bedoeld in
het eerste lid, kan worden verkregen.
6. Op de verstrekking van gegevens ingevolge een verzoek als
bedoeld in het eerste of vijfde lid is artikel 17, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
1. De diensten hebben toegang tot elke plaats, voor zover dat
redelijkerwijs nodig is om:
a. observatie- en registratiemiddelen als bedoeld in artikel
20, eerste lid, onder a, aan te brengen;
b. volgmiddelen, plaatsbepalingsapparatuur en
registratiemiddelen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder
b, aan te brengen;
c. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a,
uit te oefenen;
d. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 24, uit te oefenen;
e. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 25, uit te oefenen;
f. met betrekking tot de aldaar aanwezige
telecommunicatie-apparatuur de gegevens te verzamelen die
noodzakelijk zijn om de bevoegdheid, waarvoor overeenkomstig
artikel 25, zesde lid, toestemming is verleend, uit te kunnen
oefenen.
2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.
3. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is
slechts toegestaan door personen die daartoe door het hoofd van een
dienst zijn aangewezen.
4. De artikelen 1, eerste, tweede en derde lid, en artikel 2,
eerste lid, laatste volzin, van de Algemene wet op het binnentreden
zijn niet van toepassing. Onze betrokken Minister of namens deze het
hoofd van een dienst is bevoegd tot het geven van een machtiging als
bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. In de
gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, geldt de ingevolge
de desbetreffende artikelen gegeven toestemming met betrekking tot de
bevoegdheidsuitoefening in woningen, tevens als machtiging in de zin
van artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
Artikel 31
1. De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf
is slechts geoorloofd, indien de daarmee beoogde verzameling van
gegevens niet of niet tijdig kan geschieden door raadpleging van voor
een ieder toegankelijke informatiebronnen of van informatiebronnen
waarvoor aan de dienst een recht op kennisneming van de aldaar
berustende gegevens is verleend.
2. Indien is besloten tot het verzamelen van gegevens door
uitoefening van een of meer bevoegdheden als bedoeld in deze
paragraaf, wordt slechts die bevoegdheid uitgeoefend, die gelet op de
omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de bedreiging van
de door een dienst te beschermen belangen, mede in vergelijking met
andere beschikbare bevoegdheden voor de betrokkene het minste nadeel
oplevert.
3. De uitoefening van een bevoegdheid blijft achterwege, indien de
uitoefening ervan voor betrokkene een onevenredig nadeel in
vergelijking met het daarbij na te streven doel oplevert.
4. De uitoefening van een bevoegdheid dient evenredig te zijn aan
het daarmee beoogde doel.
Artikel 32
De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf
wordt onmiddellijk gestaakt, indien het doel waartoe de bevoegdheid is
uitgeoefend is bereikt dan wel met de uitoefening van een minder
ingrijpende bevoegdheid kan worden volstaan.
Artikel 33
Van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf
wordt een schriftelijk verslag gemaakt.
Paragraaf 3.2.3. Het uitbrengen van verslag omtrent de uitoefening
van enkele bijzondere bevoegdheden
Artikel 34
1.Onze betrokken Minister onderzoekt vijf jaar na de beëindiging
van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in de
artikelen 23, eerste lid, 25, eerste lid, 27, derde lid, onderdelen a
en b, alsmede artikel 30, eerste lid, voor zover is binnengetreden in
een woning zonder toestemming van de bewoner, en daarna telkens
eenmaal per jaar, of de persoon ten aanzien van wie één van deze
bijzondere bevoegdheden is uitgeoefend, daarvan verslag kan worden
uitgebracht. Indien dit mogelijk is, geschiedt dit zo spoedig
mogelijk.
2.Indien het uitbrengen van het verslag aan de persoon ten aanzien
van wie de bijzondere bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zijn
uitgeoefend niet mogelijk is, wordt de commissie van toezicht hiervan
op de hoogte gesteld. De mededeling aan de commissie gaat vergezeld
van de motivering waarom het verslag niet kan worden uitgebracht.
3.Het verslag is schriftelijk en omvat uitsluitend:
a. gegevens betreffende de identiteit van de betrokken persoon;
b. een aanduiding van de bijzondere bevoegdheid als bedoeld in
het eerste lid die ten aanzien van de betrokken persoon is
uitgeoefend;
c. de persoon of instantie die voor de uitoefening van de
bijzondere bevoegdheid toestemming, machtiging dan wel last heeft
verleend;
d. de datum waarop voor de bevoegdheidsuitoefening toestemming,
machtiging dan wel last is verleend;
e. de periode gedurende welke de bevoegdheidsuitoefening heeft
plaatsgevonden en, indien de uitoefening van de bevoegdheid
betrekking had op het binnentreden van een woning zonder
toestemming van de bewoner, een aanduiding van de woning waarin is
binnengetreden.
4.Voor zover de bevoegdheidsuitoefening het binnentreden van een
woning zonder toestemming van de bewoner betreft, blijft artikel 10,
tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden buiten toepassing.
5.De verplichting tot het uitbrengen van een verslag, bedoeld in
het eerste lid, vervalt op het moment dat is vastgesteld dat zulks
redelijkerwijs niet mogelijk is.
6.Het uitbrengen van een verslag aan de persoon wordt uitgesteld,
indien de desbetreffende bijzondere bevoegdheid is uitgeoefend in het
kader van een onderzoek, waaromtrent verstrekking van gegevens aan de
betrokken persoon, indien deze op het moment van onderzoek een
aanvraag als bedoeld in artikel 47 zou hebben ingediend, ingevolge
artikel 53 zou moeten worden geweigerd.
7.De verplichting tot onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
vervalt, indien het uitbrengen van een verslag omtrent de uitoefening
van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid naar redelijke
verwachting ertoe leidt, dat:
a. bronnen van een dienst, daaronder begrepen inlichtingen- en
veiligheidsdiensten van andere landen, worden onthuld;
b. betrekkingen met andere landen en met internationale
organisaties ernstig worden geschaad;
c. een specifieke toepassing van een methode van een dienst of
de identiteit van degene die de betrokken dienst behulpzaam is
geweest bij de toepassing van de methode worden onthuld.
Paragraaf 3.3. De verstrekking van gegevens
Paragraaf 3.3.1. De interne verstrekking van gegevens
Artikel 35
De verstrekking van door of ten behoeve van een dienst verwerkte
gegevens aan een binnen de dienst of ingevolge artikel 60 ten behoeve
van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst werkzame ambtenaar
vindt slechts plaats, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede
uitvoering van de aan de desbetreffende ambtenaar opgedragen taak.
Paragraaf 3.3.2. De externe verstrekking van gegevens
Paragraaf 3.3.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 36
1. De diensten zijn in het kader van een goede taakuitvoering
bevoegd om omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte
gegevens mededeling te doen aan:
a. Onze Ministers wie deze aangaan;
b. andere bestuursorganen wie deze aangaan;
c. andere personen of instanties wie deze aangaan;
d. daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en
veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in
aanmerking komende internationale beveiligings-,
verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen.
2. Een mededeling als bedoeld in het eerste lid geschiedt door Onze
betrokken Minister, indien de aard van de mededeling daartoe
aanleiding geeft.
3. Onverminderd de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan van
door de diensten verwerkte gegevens voorts slechts mededeling worden
gedaan in de gevallen voorzien bij deze wet.
Artikel 37
1. De verstrekking van gegevens kan geschieden onder de voorwaarde
dat degene aan wie de gegevens worden verstrekt, deze gegevens niet
aan anderen mag verstrekken.
2. De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval
gesteld, indien gegevens worden verstrekt aan een instantie als
bedoeld in artikel 36, eerste lid, onder d.
3. Indien gegevens zijn verstrekt onder de voorwaarde dat deze niet
aan anderen mogen worden verstrekt, kan door Onze betrokken Minister
of namens deze het hoofd van de dienst alsnog toestemming worden
verleend om deze aan andere personen of instanties te verstrekken. Aan
de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 38
1. Indien bij de verwerking van gegevens door of ten behoeve van
een dienst blijkt van gegevens die tevens van belang kunnen zijn voor
de opsporing of vervolging van strafbare feiten, kan daarvan door Onze
betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst,
onverminderd het geval dat daartoe een wettelijke verplichting
bestaat, schriftelijk mededeling worden gedaan aan het daartoe
aangewezen lid van het openbaar ministerie.
2. In spoedeisende gevallen kan de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, mondeling geschieden. Onze betrokken Minister of namens
deze het hoofd van de dienst bevestigt de desbetreffende mededeling zo
spoedig mogelijk schriftelijk.
3. Op een daartoe strekkend verzoek van het daartoe aangewezen lid
van het openbaar ministerie wordt inzage gegeven in alle aan de
mededeling ten grondslag liggende gegevens die voor de beoordeling van
de juistheid van de mededeling noodzakelijk zijn. De artikelen 85 en
86 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 38 kan voorts, indien bij
de verwerking van gegevens door of ten behoeve van een dienst daarvan
is gebleken, op grond van een dringende en gewichtige reden
schriftelijk mededeling worden gedaan van gegevens aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen personen of
instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van een publieke taak,
voor zover deze gegevens tevens van belang kunnen zijn voor de
behartiging van de aan hen in dat kader opgedragen belangen.
2. Artikel 40, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Paragraaf 3.3.2.2. Bijzondere bepalingen betreffende de externe
verstrekking van persoonsgegevens
Artikel 40
1. Persoonsgegevens worden door Onze betrokken Minister of namens
deze het hoofd van de dienst schriftelijk medegedeeld, indien de
persoon of instantie waaraan de desbetreffende mededeling wordt gedaan
naar aanleiding van die mededeling jegens de desbetreffende persoon
bevoegd is maatregelen te treffen.
2. In spoedeisende gevallen kan de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, mondeling geschieden. Onze betrokken Minister of namens
deze het hoofd van de dienst bevestigt de desbetreffende mededeling zo
spoedig mogelijk schriftelijk.
3. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst
kan aan een persoon of instantie inzage verlenen in de aan de
mededeling ten grondslag liggende gegevens, voor zover dat voor de
beoordeling van de juistheid van de mededeling noodzakelijk is. De
artikelen 85 en 86, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing op de personen en instanties waaraan inzage in de
desbetreffende gegevens is verleend.
Artikel 41
1. Verstrekking van persoonsgegevens waarvan de juistheid
redelijkerwijs niet kan worden vastgesteld of die meer dan 10 jaar
geleden zijn verwerkt, terwijl ten aanzien van de desbetreffende
persoon sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt, vindt niet
plaats.
2. In afwijking van het eerste lid kan over persoonsgegevens
slechts mededeling worden gedaan aan:
a. een dienst of een instantie, bedoeld in artikel 36, eerste
lid, onder d;
b. instanties die zijn belast met de opsporing en vervolging
van strafbare feiten;
c. andere instanties in door Onze betrokken Minister te bepalen
bijzondere gevallen.
3. Bij een mededeling als bedoeld in het tweede lid wordt de mate
van betrouwbaarheid alsmede de ouderdom van de daaraan ten grondslag
liggende gegevens vermeld. Indien met betrekking tot de desbetreffende
gegevens een verklaring als bedoeld in artikel 48, eerste lid,
voorhanden is, wordt deze gelijktijdig verstrekt.
4. Artikel 40, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42
Van de verstrekking van persoonsgegevens wordt aantekening gehouden.
Paragraaf 3.4. De verwijdering, vernietiging en overbrenging van
gegevens
Artikel 43
1. De gegevens die, gelet op het doel waarvoor zij worden verwerkt,
hun betekenis hebben verloren, worden verwijderd.
2. Indien blijkt dat gegevens onjuist zijn of ten onrechte worden
verwerkt, worden deze verbeterd onderscheidenlijk verwijderd. Onze
betrokken Minister doet daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan hen
wie hij de desbetreffende gegevens heeft verstrekt.
3. De verwijderde gegevens worden vernietigd, tenzij wettelijke
regels omtrent bewaring daaraan in de weg staan.
4. Indien met betrekking tot de voor vernietiging in aanmerking
komende gegevens een aanvraag als bedoeld in artikel 47 is gedaan,
wordt de vernietiging van de desbetreffende gegevens opgeschort tot
ten minste het moment waarop op de aanvraag onherroepelijk is beslist.
Voor zover de aanvraag om kennisneming is ingewilligd, worden de
desbetreffende gegevens niet eerder vernietigd dan nadat de betrokkene
van de desbetreffende gegevens overeenkomstig artikel 47, tweede lid,
kennis heeft kunnen nemen.
Artikel 44
1. In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Archiefwet 1995
worden slechts die archiefbescheiden, bedoeld in artikel 1, aanhef,
onderdeel c, onder 1°, 2° en 4°, van de Archiefwet 1995, naar een
archiefbewaarplaats overgebracht die ouder zijn dan twintig jaar en
waarvan door Onze betrokken Minister, na advies van de beheerder van
die archiefbewaarplaats, is vastgesteld dat daaraan geen beperkingen
aan de openbaarheid dienen te worden gesteld met het oog op het belang
van de staat of van diens bondgenoten.
2. De in het eerste lid bedoelde beperkingen hebben geen betrekking
op archiefbescheiden die ouder zijn dan vijfenzeventig jaar, tenzij
Onze betrokken Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de
Ministerraad, anders beslist.
Hoofdstuk 4. Kennisneming van door of ten behoeve van de diensten
verwerkte gegevens
Paragraaf 4.1. Algemene bepalingen
Artikel 45
Onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3
verstrekte gegevens, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve
van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de
bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 46
In dit hoofdstuk wordt onder document, bestuurlijke aangelegenheid,
intern beraad, persoonlijke beleidsopvatting, ambtelijk of gemengd
samengestelde adviescommissie verstaan, hetgeen daaronder in artikel 1
van de Wet openbaarheid van bestuur dan wel in de artikelen 1 en 12 van
de Wet openbaarheid van bestuur BES wordt verstaan.
Paragraaf 4.2. Recht op kennisneming van persoonsgegevens
Artikel 47
1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo
ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een
dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor
ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop
van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan
de aanvrager.
2. Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt
ingewilligd, stelt Onze betrokken Minister de aanvrager zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn
besluit in de gelegenheid van zijn gegevens kennis te nemen.
3. Onze betrokken Minister draagt zorg voor een deugdelijke
vaststelling van de identiteit van de aanvrager.
Artikel 48
1. Degene die ingevolge artikel 47 kennis heeft genomen van door of
ten behoeve van een dienst omtrent hem verwerkte gegevens, kan
daaromtrent een schriftelijke verklaring overleggen. Deze verklaring
wordt bij de desbetreffende gegevens gevoegd.
2. Bij de kennisneming door betrokkene van de hem betreffende
gegevens, wordt deze gewezen op het bepaalde in het eerste lid.
3. De verklaring wordt gelijktijdig met de gegevens waarop deze
betrekking heeft verwijderd en vernietigd.
Artikel 49
1. In afwijking van artikel 47 stelt het hoofd van een dienst een
persoon werkzaam bij of ten behoeve van een dienst of werkzaam geweest
bij of ten behoeve van een dienst op diens verzoek zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na het verzoek, in de
gelegenheid van zijn gegevens in de personeels- en
salarisadministratie van de desbetreffende dienst kennis te nemen.
2. Van inzage zijn uitgezonderd de gegevens die zicht kunnen geven
op bronnen die geheim moeten worden gehouden.
3. Het hoofd van een dienst kan, in afwijking van artikel 2:1,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepalen dat
kennisneming van de gegevens slechts is voorbehouden aan de betrokken
persoon persoonlijk.
4. Degene die inzage heeft genomen van de hem betreffende gegevens,
kan het hoofd van de dienst schriftelijk verzoeken deze te verbeteren,
aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist zijn,
voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend
zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift zijn verwerkt.
Het verzoek behelst de aan te brengen wijzigingen.
5. Het hoofd van een dienst bericht de verzoeker binnen zes weken
na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het vierde lid, of dan wel in
hoeverre hij daaraan voldoet.
6. Artikel 56 is niet van toepassing.
Artikel 50
1. Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met
betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve
van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd
partner, kind of ouder van de aanvrager.
2. In de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste de
volgende gegevens vermeld:
a. naam en voorletters van de overledene;
b. geboortedatum en geboorteplaats van de overledene;
c. datum van overlijden en plaats van overlijden;
d. de hoedanigheid van de overledene in relatie tot de
aanvrager.
3. In de gevallen dat blijkt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste
lid, betrekking heeft op gegevens van een persoon die nog niet is
overleden of op gegevens van een overleden persoon die niet de
hoedanigheid van echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van
de aanvrager heeft, wordt de aanvraag niet ontvankelijk verklaard.
Paragraaf 4.3. Recht op kennisneming van andere gegevens dan
persoonsgegevens
Artikel 51
1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis
kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in
de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Onze betrokken
Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de
verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk
gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.
2. Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt
ingewilligd, stelt Onze betrokken Minister de aanvrager zo spoedig
mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn
besluit in kennis van de desbetreffende gegevens.
Paragraaf 4.4. Wijze van kennisneming van gegevens
Artikel 52
1. Onze betrokken Minister stelt de aanvrager in kennis van de
desbetreffende gegevens door:
a. het geven van een kopie van het document waarin de gegevens
zijn neergelegd of door de letterlijke inhoud daarvan in andere
vorm te verstrekken,
b. inzage van de inhoud van het desbetreffende document toe te
staan,
c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud van het
desbetreffende document te geven of
d. inlichtingen uit het desbetreffende document te verschaffen.
2. Bij het kiezen tussen de vormen van inkennisstelling houdt Onze
betrokken Minister rekening met de voorkeur van de aanvrager en het
belang van de dienst.
3. Voor het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels
of samenvattingen van de inhoud daarvan kan van de aanvrager een
vergoeding worden gevraagd. De bij of krachtens artikel 12 van de Wet
openbaarheid van bestuur dan wel artikel 14 van de Wet openbaarheid
van bestuur BES gestelde regels zijn daarop van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 4.5. Weigeringsgronden en beperkingen
Artikel 53
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 47 wordt in ieder geval
afgewezen, indien:
a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek
gegevens zijn verwerkt, tenzij:
1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden
zijn verwerkt,
2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe
gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het
kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en
3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor
enig lopend onderzoek;
b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.
2. Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen,
wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen
gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.
Artikel 54
Artikel 53 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als
bedoeld in artikel 50 met dien verstande dat in artikel 53 voor «de
aanvrager» wordt gelezen: de overleden persoon.
Artikel 55
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 51 wordt afgewezen, voor
zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking
heeft:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke
personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn
medegedeeld.
2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van
verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet
opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en met
internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat, de
andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege
bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens
betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen
van de gegevens;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling
van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel derden.
3. Indien een aanvraag tot kennisneming wordt afgewezen wordt de
commissie van toezicht hiervan op de hoogte gesteld. De mededeling aan
de commissie gaat vergezeld van een motivering waarom het verzoek is
afgewezen.
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op een
aanvraag als bedoeld in artikel 47 onderscheidenlijk 50, voor zover
een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53
onderscheidenlijk 54.
Artikel 56
1. In het geval dat de aanvraag betrekking heeft op gegevens vervat
in documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, worden geen
gegevens verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke
beleidsopvattingen.
2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kunnen met het oog op een
goede en democratische bestuursvoering gegevens worden verstrekt in
niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen
heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd,
kunnen de gegevens in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
3. Met betrekking tot adviezen van een ambtelijke of gemengd
samengestelde adviescommissie kan het verstrekken van gegevens over de
daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen plaatsvinden, indien
het voornemen daartoe door het bestuursorgaan dat het rechtstreeks
aangaat aan de leden van de adviescommissie voor de aanvang van hun
werkzaamheden kenbaar is gemaakt.
Paragraaf 4.6. Beroep
Artikel 57
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van dit hoofdstuk de rechtbank te
's-Gravenhage bevoegd.
Hoofdstuk 5. Samenwerking tussen diensten en met andere instanties
Paragraaf 5.1. Samenwerking tussen diensten
Artikel 58
1. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verlenen elkaar zoveel mogelijk
medewerking.
2. De medewerking, bedoeld in het eerste lid, bestaat in ieder
geval uit:
a. de verstrekking van gegevens;
b. het verlenen van technische en andere vormen van
ondersteuning in het kader van de toepassing van bijzondere
bevoegdheden als bedoeld in paragraaf 3.2.2.
3. Een verzoek om medewerking als bedoeld in het tweede lid, onder
b, wordt ondertekend door Onze betrokken Minister en omvat een
nauwkeurige omschrijving van de verlangde werkzaamheden. Onze
betrokken Minister die om de medewerking heeft verzocht, is
verantwoordelijk voor de feitelijke uitvoering van de te verrichten
werkzaamheden.
Artikel 59
1. De hoofden van de diensten dragen zorg voor het onderhouden van
verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en
veiligheidsdiensten van andere landen.
2. In het kader van het onderhouden van verbindingen als bedoeld in
het eerste lid kunnen aan deze instanties gegevens worden verstrekt
ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor
zover:
a. deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die de
diensten hebben te behartigen, en
b. een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen
verstrekking verzet.
3. Op de verstrekking van gegevens als bedoeld in het tweede lid,
zijn de artikelen 37, 41 en 42 van overeenkomstige toepassing.
4. In het kader van het onderhouden van verbindingen als bedoeld in
het eerste lid kunnen voorts op een daartoe strekkend schriftelijk
verzoek aan deze instanties technische en andere vormen van
ondersteuning worden verleend ten behoeve van door deze instanties te
behartigen belangen, voor zover:
a. deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die de
diensten hebben te behartigen, en
b. een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen de
verlening van de desbetreffende vorm van ondersteuning verzet.
5. Een verzoek om ondersteuning als bedoeld in het vierde lid dient
ondertekend te zijn door de daartoe bevoegde autoriteit van deze
instantie en omvat een nauwkeurige omschrijving van de verlangde vorm
van ondersteuning alsmede de reden waarom de ondersteuning wenselijk
wordt geacht. De verzochte ondersteuning wordt slechts verleend,
indien daarvoor toestemming is verkregen van Onze betrokken Minister.
6. Onze betrokken Minister kan de bevoegdheid tot het verlenen van
toestemming als bedoeld in het vijfde lid uitsluitend mandateren aan
het hoofd van de dienst, voor zover het gaat om verzoeken met een
spoedeisend karakter. Van een verleende toestemming door het hoofd van
de dienst wordt Onze betrokken Minister terstond geïnformeerd.
Paragraaf 5.2. Samenwerking met andere instanties
Artikel 60
1. De korpschef van een politiekorps, de commandant van de
Koninklijke marechaussee, de directeur-generaal van de
rijksbelastingdienst van het Ministerie van Financiën verrichten
werkzaamheden ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst.
2. Onze Ministers onder wie de in het eerste lid genoemde
ambtenaren ressorteren, onderscheidenlijk de korpsbeheerders van een
regionaal politiekorps en de korpsbeheerder van het politiekorps van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba wijzen in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondergeschikten
van deze ambtenaren aan tot de feitelijke uitvoering van en het
toezicht op de aldaar bedoelde werkzaamheden.
3. De in dit artikel bedoelde werkzaamheden worden verricht onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en overeenkomstig de aanwijzingen van het hoofd
van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
4. Met betrekking tot het optreden van ambtenaren van politie ter
uitvoering van de in dit artikel bedoelde werkzaamheden blijft
hoofdstuk X van de Politiewet 1993 buiten toepassing.
Artikel 61
1. De leden van het openbaar ministerie doen, door tussenkomst van
het College van procureurs-generaal dan wel, voor zover van
toepassing, de procureur-generaal, bedoeld in de rijkswet openbare
ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens
die zij voor een dienst van belang achten, aan die dienst.
2. Steeds wanneer de vervulling van de taak van het openbaar
ministerie en van een dienst daartoe aanleiding geeft, plegen een lid
van het College van procureurs-generaal dan wel, voor zover van
toepassing, de procureur-generaal, bedoeld in de rijkswet openbare
ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba en het hoofd van de betrokken dienst overleg.
Artikel 62
De ambtenaren van politie, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst,
bevoegd inzake de douane en de ambtenaren van de Koninklijke
marechaussee doen mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens
die voor een dienst van belang kunnen zijn, aan de in artikel 60, eerste
lid, bedoelde ambtenaar aan wie zij ondergeschikt zijn. Deze zendt de
gegevens aan die dienst.
Artikel 63
1. De diensten zijn bevoegd op schriftelijk verzoek van het daartoe
bevoegde gezag tot het verlenen van technische ondersteuning aan de
met opsporing van strafbare feiten belaste instanties. Artikel 58,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onze betrokken Minister is bevoegd zich te wenden tot Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met het
schriftelijke verzoek tot het verlenen van technische ondersteuning
aan de betrokken dienst bij de uitvoering van diens taak door het
Korps Landelijke Politiediensten. Artikel 58, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Toezicht en klachtbehandeling
Paragraaf 6.1. Instelling, samenstelling en andere bijzondere
bepalingen betreffende de commissie van toezicht
Artikel 64
1. Er is een commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten.
2. De commissie van toezicht is belast met:
a. het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van
hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken
is gesteld;
b. het gevraagd en ongevraagd inlichten en adviseren van Onze
betrokken Ministers aangaande de door de commissie geconstateerde
bevindingen. Desgewenst kan de commissie onze betrokken Ministers
vragen deze inlichtingen en adviezen ter kennis van een of beide
kamers der Staten-Generaal te brengen, waarbij de werkwijze zoals
beschreven in artikel 79 van overeenkomstige toepassing is;
c. het adviseren van Onze betrokken Ministers terzake van het
onderzoeken en beoordelen van klachten;
d. het ongevraagd adviseren van Onze betrokken Ministers
terzake van de uitvoering van artikel 34.
Artikel 65
1. De commissie van toezicht bestaat uit drie leden, onder wie de
voorzitter.
2. De leden worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze betrokken Ministers gezamenlijk voor een tijdvak van zes jaar en
kunnen slechts eenmaal worden herbenoemd. Voor de benoeming van de
leden wordt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal per vacature een
voordracht van drie personen gedaan waaruit Onze betrokken Ministers
een keuze maken. Bij haar voordracht slaat de Tweede Kamer zodanig
acht als haar dienstig voorkomt op een door de vice-president van de
Raad van State, de president van de Hoge Raad der Nederlanden en de
Nationale ombudsman gezamenlijk opgemaakte aanbevelingslijst van ten
minste drie kandidaten per vacature.
3. Onze betrokken Ministers kunnen de Tweede Kamer verzoeken een
nieuwe voordracht te doen.
4. Aan ten minste twee van de drie leden, onder wie de voorzitter,
dient door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft,
de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad
Master op het gebied van het recht te zijn verleend, dan wel dienen
ten minste twee van de drie leden, onder wie de voorzitter, aan een
universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het
doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te
voeren te hebben verkregen.
5. Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de leden in handen van de
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, af:
a. de eed of verklaring en belofte dat zij tot het verkrijgen
van hun benoeming rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam
of onder welk voorwendsel ook, aan iemand iets hebben gegeven of
beloofd, alsmede dat zij om iets in hun ambt te doen of te laten
rechtstreeks noch middellijk van iemand enig geschenk of enige
belofte hebben aangenomen of zullen aannemen;
b. de eed of belofte van trouw aan de Grondwet.
6. De leden dienen de Nederlandse nationaliteit te bezitten.
7. De leden vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun functie of op
de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
8. De betrekkingen van de leden worden door de voorzitter openbaar
gemaakt.
Artikel 66
Aan de leden van de commissie van toezicht wordt bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, ontslag
verleend:
a. op verzoek van de betrokkene;
b. wanneer de betrokkene uit hoofde van ziekten of gebreken
blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel
65, zevende lid;
d. bij het verlies van Nederlanderschap;
e. wanneer betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg
heeft;
f. wanneer betrokkene ingevolge onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van
faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen
of wegens schulden is gegijzeld;
g. wanneer naar het oordeel van Onze betrokken Ministers
gezamenlijk, gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, betrokkene
door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te
stellen vertrouwen.
Artikel 67
1. Door Onze betrokken Ministers gezamenlijk wordt een lid van de
commissie van toezicht op non-actief gesteld, ingeval:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens
schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
2. Door Onze betrokken Ministers gezamenlijk kan een lid van de
commissie op non-actief worden gesteld, indien tegen hem een
gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld
of indien er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van
feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden
vermeld in artikel 66, onder b, zouden kunnen leiden.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, eindigt de
non-activiteit na drie maanden. Door Onze betrokken Ministers
gezamenlijk kan de non-activiteit telkens met ten hoogste drie maanden
worden verlengd. De non-activiteit wordt door Onze betrokken Ministers
gezamenlijk beëindigd zodra de grond voor non-activiteit is
vervallen.
Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur worden de bezoldiging, de
aanspraken in geval van ziekte, alsmede de overige rechten en plichten
die betrekking hebben op de rechtspositie van de leden van de commissie
van toezicht geregeld, voor zover daarin niet bij de wet is voorzien.
Artikel 69
1. De commissie van toezicht beschikt te harer ondersteuning over
een secretariaat.
2. De tot het secretariaat behorende personen worden bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, op
aanbeveling van de voorzitter van de commissie benoemd, geschorst en
ontslagen.
3. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze betrokken
Ministers gezamenlijk, kan worden bepaald in welke gevallen de tot het
secretariaat behorende personen door de voorzitter van de commissie
kunnen worden benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 70
Op de leden van de commissie van toezicht alsmede de tot het
secretariaat behorende personen is artikel 10, eerste en tweede lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de ontheffing,
bedoeld in het tweede lid, wordt verleend door Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken.
Artikel 71
De commissie van toezicht stelt voor haar werkzaamheden een reglement
van orde op. Dit reglement wordt in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 72
De vergaderingen van de commissie van toezicht zijn niet openbaar.
Paragraaf 6.2. De taakuitvoering door de commissie van toezicht
Paragraaf 6.2.1. Algemene bepalingen terzake het uitoefenen van het
toezicht
Artikel 73
1. Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de
coördinator en voorts een ieder die betrokken is bij de uitvoering
van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken verstrekken desgevraagd
aan de commissie van toezicht alle inlichtingen en verlenen haar alle
overige medewerking die zij voor een goede uitoefening van haar taak
noodzakelijk acht. De commissie van toezicht wordt desgevraagd
rechtstreekse toegang verleend tot de in het kader van de uitvoering
van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken verwerkte gegevens.
2. Bij de verstrekking van inlichtingen als bedoeld in het eerste
lid wordt, indien daartoe aanleiding bestaat, aangegeven welke
inlichtingen in het belang van de nationale veiligheid ter
uitsluitende kennisneming van de commissie van toezicht dienen te
blijven.
Artikel 74
1. De commissie van toezicht kan, indien zij dat voor een goede
uitoefening van haar taak noodzakelijk acht, de personen, bedoeld in
artikel 73, eerste lid, en andere personen als getuige of als
deskundige om inlichtingen verzoeken en deze oproepen om voor haar te
verschijnen.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en vermeldt zo veel als
mogelijk de feiten waaromtrent door de getuige of de deskundige
inlichtingen dienen te worden verstrekt. Indien de getuige of de
deskundige is opgeroepen om voor de commissie te verschijnen, vermeldt
het verzoek tevens de plaats en het tijdstip waarop deze zal worden
gehoord en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen. De
oproeping om te verschijnen geschiedt bij aangetekende brief of bij
brief met ontvangstbevestiging.
3. De getuige of de deskundige is verplicht alle inlichtingen te
verschaffen die de commissie van toezicht voor een goede
taakuitoefening noodzakelijk acht en daartoe, indien de commissie van
toezicht dat in haar verzoek heeft aangegeven, in persoon te
verschijnen. De opgeroepene kan zich laten bijstaan door een raadsman.
4. De verplichting om voor de commissie te verschijnen geldt niet
voor Onze betrokken Ministers. Wanneer een minister niet verschijnt,
laat hij zich vertegenwoordigen.
5. Indien een ambtenaar die betrokken is bij de uitvoering van deze
wet ingevolge dit artikel als getuige of als deskundige optreedt is
artikel 86, tweede lid, niet van toepassing.
6. De commissie van toezicht kan bevelen dat personen die, hoewel
wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht
voor haar worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.
7. De getuige of de deskundige kan zich van het verstrekken van
inlichtingen verschonen wegens ambts- of beroepsgeheim, doch alleen
voor zover het inlichtingen betreft waarvan de wetenschap aan hem als
zodanig is toevertrouwd.
Artikel 75
1.De commissie van toezicht kan bevelen, dat getuigen niet zullen
worden gehoord dan na het afleggen van de eed of belofte. De getuige
legt in dat geval in handen van de voorzitter van de commissie van
toezicht de eed of de belofte af, dat hij zal zeggen de gehele
waarheid en niets dan de waarheid.
2.De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste
weten te verrichten.
Artikel 76
1. De commissie van toezicht is bevoegd om, indien een goede
taakuitvoering dat noodzakelijk maakt, bepaalde werkzaamheden aan
deskundigen op te dragen.
2. De deskundige die zijn opdracht heeft aanvaard, is verplicht
zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.
Artikel 77
De commissie van toezicht dan wel een daartoe door haar aangewezen
lid is bevoegd alle plaatsen te betreden, met uitzondering van een
woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de
vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. De commissie dan wel
het aangewezen lid kan zich daarbij doen vergezellen van door de
voorzitter aangewezen personen van het secretariaat, bedoeld in artikel
69.
Paragraaf 6.2.2. De uitoefening van het toezicht
Artikel 78
1. In het kader van haar toezichthoudende taak, bedoeld in artikel
64, tweede lid, onder a, is de commissie van toezicht bevoegd tot het
verrichten van onderzoek naar de wijze waarop hetgeen bij of krachtens
deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld, is uitgevoerd.
2. De commissie van toezicht kan voorts een onderzoek als bedoeld
in het eerste lid verrichten op een daartoe strekkend verzoek van elk
van de beide kamers der Staten-Generaal.
3. Aan Onze betrokken Minister alsmede een of beide kamers der
Staten-Generaal wordt van een voorgenomen onderzoek, zo nodig
vertrouwelijk, mededeling gedaan.
Artikel 79
1. De commissie van toezicht stelt naar aanleiding van het door
haar verrichte onderzoek een toezichtsrapport op. Het toezichtsrapport
is openbaar, met uitzondering van gegevens als bedoeld in artikel 8,
derde lid.
2. Alvorens het toezichtsrapport vast te stellen, stelt de
commissie van toezicht Onze betrokken Minister in de gelegenheid
binnen een door de commissie gestelde redelijke termijn op de in het
toezichtsrapport opgenomen bevindingen te reageren.
3. Na ontvangst van de reactie van Onze betrokken Minister stelt de
commissie van toezicht het toezichtsrapport vast. Zij kan naar
aanleiding van haar bevindingen Onze betrokken Minister aanbevelingen
doen met betrekking tot eventueel te treffen maatregelen.
4. Het toezichtsrapport wordt na vaststelling door de commissie van
toezicht gezonden aan Onze betrokken Minister.
5. Onze betrokken Minister zendt het toezichtsrapport alsmede zijn
reactie daarop binnen zes weken aan de beide kamers der
Staten-Generaal. Vermelding van in ieder geval de gegevens, bedoeld in
artikel 8, derde lid, blijft daarbij achterwege. Deze gegevens kunnen
ter vertrouwelijke kennisneming aan een of beide kamers der
Staten-Generaal worden medegedeeld.
Paragraaf 6.3. Verslaglegging door de commissie van toezicht
Artikel 80
1. De commissie van toezicht brengt jaarlijks voor 1 mei een
openbaar verslag uit van haar werkzaamheden. Het verslag wordt
aangeboden aan beide kamers der Staten-Generaal en aan Onze betrokken
Ministers. Artikel 8, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Het openbare jaarverslag wordt algemeen verkrijgbaar gesteld.
Paragraaf 6.4. Overige bepalingen met betrekking tot de commissie van
toezicht
Artikel 81
1. Gegevens die door Onze betrokken Ministers, de hoofden van de
diensten, de coördinator en andere bij de uitvoering van deze wet en
de Wet veiligheidsonderzoeken betrokken ambtenaren ten behoeve van de
taakuitoefening door de commissie van toezicht daaraan zijn verstrekt
en aldaar berusten, zijn niet openbaar.
2. Verzoeken om kennisneming of openbaarmaking van deze gegevens
worden geweigerd.
3. Artikel 44 is van overeenkomstige toepassing op de
archiefbescheiden die berusten bij de commissie van toezicht, met dien
verstande dat voor Onze betrokken Minister wordt gelezen: Onze
betrokken Minister wie het aangaat.
Artikel 82
De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de
commissie van toezicht.
Paragraaf 6.5. De behandeling van klachten
Artikel 83
1. Een ieder heeft het recht bij de Nationale ombudsman een klacht
in te dienen over het optreden of het vermeende optreden van Onze
betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator, en
de voor de diensten en de coördinator werkzame personen jegens een
natuurlijke of rechtspersoon ter uitvoering van deze wet of de Wet
veiligheidsonderzoeken.
2. Alvorens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman,
stelt de klager Onze betrokken Minister wie het aangaat in kennis van
de klacht en stelt hij deze in de gelegenheid diens zienswijze daarop
te geven.
3. Onze betrokken Minister wint, alvorens zijn zienswijze als
bedoeld in het tweede lid te geven, omtrent de klacht het advies in
van de commissie van toezicht. Afdeling 9.1.3 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing. In afwijking van artikel 9:14, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze betrokken Minister
geen instructies geven aan de commissie van toezicht.
4. In klachtprocedures waarbij Onze betrokken Minister, onder zijn
verantwoordelijkheid werkzame personen of de commissie van toezicht
ingevolge artikel 9:31 van de Algemene wet bestuursrecht worden
verplicht tot het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van
stukken aan de Nationale ombudsman, blijft artikel 9:31, vijfde en
zesde lid, van die wet buiten toepassing.
5. Indien Onze betrokken Minister, onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen of de commissie van toezicht worden verplicht tot
het overleggen van stukken, kan worden volstaan met het ter inzage
geven van de desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken mag
op generlei wijze een afschrift worden vervaardigd.
Artikel 84
1. De Nationale ombudsman deelt zijn oordeel omtrent de klacht
schriftelijk en, voor zover de veiligheid dan wel andere gewichtige
belangen van de staat zich daartegen niet verzetten, met redenen
omkleed aan de klager mede.
2. De Nationale ombudsman deelt zijn oordeel omtrent de klacht
schriftelijk mede aan Onze betrokken Minister. De Nationale ombudsman
kan bij die mededeling met redenen omkleed de aanbevelingen doen die
hij dienstig oordeelt. De Nationale ombudsman kan, indien de strekking
van de aanbevelingen daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft, die
ook aan de klager mededelen.
3. Onze betrokken Minister stelt de Nationale ombudsman binnen zes
weken schriftelijk op de hoogte van de gevolgen die hij aan het
oordeel alsmede aan de aanbevelingen verbindt.
4. Onze betrokken Minister zendt het oordeel van de Nationale
ombudsman, diens aanbevelingen, alsmede de door Onze betrokken
Minister daaraan te verbinden gevolgen aan een of beide kamers der
Staten-Generaal. Vermelding van in ieder geval de gegevens, bedoeld in
artikel 8, derde lid, blijft daarbij achterwege. Deze gegevens kunnen
ter vertrouwelijke kennisneming aan een of beide kamers der
Staten-Generaal worden medegedeeld.
Hoofdstuk 7. Geheimhouding
Artikel 85
1. Onverminderd de artikelen 98 tot en met 98c van het Wetboek van
Strafrecht dan wel de artikelen 104 tot en met 104c van het Wetboek
van Strafrecht BES, is een ieder die betrokken is bij de uitvoering
van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan
hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden,
verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht. Deze
verplichting duurt voort, nadat het betrokken zijn bij de uitvoering
van deze wet is geëindigd.
2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dan wel
artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is niet
van toepassing in geval van handelen of nalaten in strijd met de in
het eerste lid omschreven verplichting.
Artikel 86
1.De verplichting tot geheimhouding van een ambtenaar die betrokken
is bij de uitvoering van deze wet, geldt niet tegenover hem aan wie de
ambtenaar middellijk of onmiddellijk ondergeschikt is, noch in zover
hij door een boven hem gestelde van die verplichting is ontslagen.
2.De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die krachtens een
wettelijke bepaling verplicht wordt als getuige of deskundige op te
treden, legt slechts een verklaring af omtrent datgene waartoe zijn
verplichting tot geheimhouding zich uitstrekt, voor zover Onze
betrokken Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk hem
daartoe schriftelijk van de verplichting hebben ontheven. Daarbij
wordt voor ambtenaren die in hun functie kennis hebben gekregen van
gegevens die krachtens artikel 36, eerste lid, onder a en b, door een
dienst zijn verstrekt als: «Onze betrokken Minister» aangemerkt:
Onze Minister onder wie de dienst ressorteert die de gegevens heeft
verstrekt.
3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval dat
het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd.
Artikel 87
1. In bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze
wet of de Wet veiligheidsonderzoeken waarbij Onze betrokken Minister
of de commissie van toezicht door de rechtbank onderscheidenlijk het
Gerecht of het Hof ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de
Algemene wet bestuursrecht onderscheidenlijk artikel 23, 28 en 29 van
de Wet administratieve rechtspraak BES wordt verplicht tot het
verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken,
blijft artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht onderscheidenlijk artikel 24, derde tot en met vijfde
lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES buiten toepassing.
Indien Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht de
rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het Hof meedeelt dat
uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen
onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming
van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of
stukken uitspraak doen. Indien Onze betrokken Minister of de commissie
van toezicht het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van
stukken weigert kan de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het
Hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die hen geraden voorkomen.
2. Indien door Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht
aan de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht of het Hof stukken
dienen te worden overgelegd, kan worden volstaan met het ter inzage
geven van de desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken mag
op generlei wijze een afschrift worden vervaardigd.
Artikel 88
Indien ten behoeve van de beslissing op een tegen een besluit van
Onze betrokken Minister ingediend bezwaarschrift, een adviescommissie
als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is
ingesteld, komt aan die commissie niet de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 7:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe, voor
zover deze betrekking heeft op de beslissing over de toepassing van
artikel 7:4, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De
uitoefening van deze bevoegdheid blijft voorbehouden aan Onze betrokken
Minister.
Hoofdstuk 7a. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 88a
Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, met inachtneming van het in dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 88b
Voor de toepassing van deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing.
Artikel 88c
1. De personen en instanties die bij of krachtens de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen BES bevoegd zijn tot het verzorgen van
telecommunicatieverkeer voor derden zijn verplicht medewerking te
verlenen aan de uitvoering van de bijzondere bevoegdheden als bedoeld
in de artikelen 25, 28 en 29 van de wet, voor zover deze betrekking
heeft op het aftappen of opnemen van telecommunicatie en het
verstrekken van gegevens omtrent een gebruiker en het
telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. Onder een
gebruiker wordt in dit kader verstaan de natuurlijke of rechtspersoon
die met de persoon of een instantie als bedoeld in de eerste volzin
een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het verzorgen van
telecommunicatieverkeer, alsmede de natuurlijke of rechtspersoon wiens
telecommunicatieverkeer het betreft.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Economische Zaken
gezamenlijk kunnen in bijzondere gevallen de personen en instanties,
bedoeld in het eerste lid, ontheffing verlenen van de verplichting tot
medewerking.
Hoofdstuk 8. Straf- , overgangs- en slotbepalingen
Artikel 89
1. Overtreding van de artikelen 23, zevende lid, 24, derde lid, en
25, zevende lid, is strafbaar.
2. Overtredingen van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten
zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover
zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.
3. Overtreding van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten
wordt gestraft
a. in geval van een misdrijf, met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie;
b. in geval van een overtreding, met hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 90
Op gegevens verwerkt door of ten behoeve van inlichtingen- en
veiligheidsdiensten die zijn opgeheven, zijn de artikelen 15, 16, 36,
41, 42, 43, 44, alsmede de hoofdstukken 4, 6 en 7 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de desbetreffende bevoegdheden en
verplichtingen toekomen aan Onze Minister bij wie de desbetreffende
gegevens berusten.
Artikel 91
De Algemene wet bestuursrecht dan wel het van toepassing zijnde
bestuursrecht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
waaronder in ieder geval het recht dat voorziet in de verplichting tot
bekendmaking van besluiten alsmede in de mogelijkheid van bezwaar en
beroep daartegen, is niet van toepassing op de voorbereiding,
totstandkoming en tenuitvoerlegging van besluiten op grond van artikel
6, tweede lid, onder d en e, artikel 7, tweede lid, onder e en f, op
grond van de hoofdstukken 3 en 5 in het kader van de uitvoering van de
taken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, c, d en e, en artikel
7, tweede lid, onder a, c, d, e en f, alsmede artikel 86, tweede lid,
eerste volzin.
Artikel 92
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 93
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 94
[Wijzigt de Ambtenarenwet]
Artikel 95
[Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken]
Artikel 96
[Wijzigt de Wet politieregister]
Artikel 97
[Wijzigt de wet van 5 april 2001 tot wijziging van bepalingen met
betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 180)]
Artikel 98
1.Op verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van
bestuur met betrekking tot door of ten behoeve van de diensten
verwerkte gegevens die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van
deze wet, blijven de bepalingen van die wet van toepassing.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het
verzoeken om informatie betreft met betrekking tot gegevens verwerkt
door de coördinator of door inlichtingen- en veiligheidsdiensten die
zijn opgeheven.
Artikel 99
Artikel 34 is niet van toepassing met betrekking tot door de diensten
uitgeoefende bijzondere bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid van
dat artikel die hebben plaatsgevonden voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel.
Artikel 100
[Wijzigt de Telecommunicatiewet]
Artikel 101
[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens]
Artikel 102
[Wijzigt de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees
Parlement]
Artikel 103
De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt ingetrokken.
Artikel 104
Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Aanwijzingsregeling
bijzondere dienst Koninklijke marechaussee op artikel 60, tweede lid,
van deze wet.
Artikel 105
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken, de nummering van de artikelen, paragrafen
en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast, brengt hij de in deze wet
voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen en hoofdstukken
daarmee in overeenstemming en vervangt hij de in deze wet voorkomende
aanduiding «19..» door het jaartal van het Staatsblad waarin deze
wet zal worden geplaatst.
Artikel 106
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad
waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Lech, 7 februari 2002
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Minister van Defensie,
F.H.G. de Grave
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de zesentwintigste maart 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|