Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling
Belastingdienst 2003
- Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de
heffing van belastingen
WET van 24 april 1986, op de
internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing beter af te stemmen
op verplichtingen van internationaal en interregionaal recht op het
gebied van het verlenen van bijstand door Nederland aan andere staten
bij de heffing van belastingen teneinde te bevorderen dat
belastingschulden op het juiste bedrag kunnen worden vastgesteld en dat
het ontgaan en ontwijken van belastingen wordt bestreden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. De bepalingen van deze wet strekken tot uitvoering van
richtlijnen van de Raad van de Europese Unie en andere regelingen van
internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van
wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten
daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband
houden.
2. Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse
bijstand op het gebied van:
a. de omzetbelasting in het kader van Verordening (EU) nr.
904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de
administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het
gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2010, L
268);
b. de accijnzen in het kader van verordening (EG) nr. 2073/2004
van de Raad van de Europese Unie van 16 november 2004 betreffende
de administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen (PbEU
L 359).
Bij toepassing van die verordeningen zijn de artikelen 8, tweede
lid, en 11 van deze wet van overeenkomstige toepassing.
3. Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse
bijstand op het gebied van rechten bij invoer en rechten bij uitvoer
met inbegrip van de belasting bij invoer, genoemd in artikel 22 van de
Wet op de omzetbelasting 1968, en van accijns bij invoer, genoemd in
artikel 62 van de Wet op de accijns.
Artikel 2
1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. Nederland: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk;
b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
c. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
d. staat: een lidstaat, een Mogendheid of een bestuurlijke
eenheid waarmee in de relatie met Nederland een wederkerige
regeling bestaat die voorziet in wederzijdse bijstand bij de
heffing van belastingen, alsmede Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
e. bevoegde functionaris: de functionaris van de
rijksbelastingdienst die als zodanig bij ministeriële regeling is
aangewezen;
f. bevoegde autoriteit: de door een staat tot het uitwisselen
van inlichtingen aangewezen persoon of instantie;
g. richtlijn 2003/48/EG: richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad
van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing
op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (Pb EU L
157).
2. Een wijziging van richtlijn 2003/48/EG gaat voor de toepassing
van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 2. Inkomsten uit spaargelden
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 4a. Definities
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. rentebetaling: rente, uitbetaald of bijgeschreven op een
rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al
dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een
winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van
overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte
premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als
rentebetaling aangemerkt;
b. uiteindelijk gerechtigde: elke natuurlijke persoon die een
rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling
wordt bewerkstelligd;
c. marktdeelnemer: ieder lichaam als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen dat rentebetalingen verricht of iedere
natuurlijke persoon die in het kader van de uitoefening van zijn
onderneming of beroep rentebetalingen verricht;
d. uitbetalende instantie: de marktdeelnemer die rente
uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke
gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze
marktdeelnemer de debiteur is van de rentedragende schuldvordering
dan wel de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk
gerechtigde is belast met het uitbetalen van de rente of het
bewerkstelligen van de rentebetaling;
e. icbe: een instelling voor collectieve belegging in effecten
waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig de algemene
vereisten van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen
voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L
302).
2. Waar een uiteindelijke gerechtigde woont, of waar een
marktdeelnemer of een uitbetalende instantie woont of is gevestigd,
wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
3. Voor de toepassing van deze afdeling of bepalingen daarvan
kunnen bij ministeriële regeling Mogendheden, bedoeld in artikel 17,
tweede lid, onderdeel i, van de richtlijn 2003/48/EG, en afhankelijke
en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid,
onderdeel ii, van die richtlijn, worden gelijkgesteld met een
lidstaat.
Artikel 4b. Uitbreiding definitie rentebetaling
1.Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder rentebetaling
mede verstaan:
a. de rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment
van de verkoop, de terugbetaling of de aflossing van de
schuldvordering;
b. inkomsten uit rentebetalingen indien deze rechtstreeks of
via een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4d, worden
uitgekeerd door een collectieve beleggingsinstelling;
c. inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop,
terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming
in een collectieve beleggingsinstelling, indien een dergelijke
instelling rechtstreeks of via een andere dergelijke instelling
meer dan 25% van zijn vermogen belegt in schuldvorderingen.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder collectieve
beleggingsinstelling verstaan:
a. een icbe, of een daarmee vergelijkbare instelling voor
collectieve belegging gevestigd in een van de Mogendheden of
afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17,
tweede lid, van de richtlijn 2003/48/EG, waarbij voor de Zwitserse
Bondsstaat als vergelijkbare instelling voor collectieve belegging
uitsluitend wordt aangemerkt een Zwitsers beleggingsfonds als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, onder (iv), en
onderdeel d, onder (iv), van de overeenkomst van 26 oktober 2004
tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (Pb EU
2004, L 385) waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke
strekking als die welke zijn vervat inrichtlijn 2003/48/EG;
b. een entiteit die gebruik maakt van de keuzemogelijkheid van
artikel 4e, of een overeenkomstige keuzemogelijkheid in de
lidstaat van vestiging;
c. een instelling voor collectieve belegging die niet is
gevestigd in een van de lidstaten, dan wel in een van de
Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in
artikel 17, tweede lid, van de richtlijn 2003/48/EG.
3.De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden
slechts als rentebetaling aangemerkt voorzover deze rechtstreeks of
middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen als bedoeld in artikel
4a, eerste lid, onderdeel a, en dit artikel, eerste lid, onderdeel a.
4.Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing
van het eerste lid, onderdelen b en c, geen informatie heeft over het
deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, bedoeld in
die onderdelen, wordt het volledige bedrag aan inkomsten als
rentebetaling aangemerkt.
5.De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden,
indien deze afkomstig zijn van een in Nederland gevestigde collectieve
beleggingsinstelling niet als rentebetaling aangemerkt indien blijkt
dat de beleggingen in schuldvorderingen rechtstreeks of via een andere
dergelijke instelling of entiteit niet meer dan 15% van het vermogen
van de desbetreffende instelling of entiteit uitmaken.
6.De percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en het
vijfde lid, worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals
die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken collectieve
beleggings-instelling is neergelegd, en bij het ontbreken daarvan op
basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille
van de instelling.
7.Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing
van het eerste lid, onderdeel c, geen informatie heeft over het
percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen, wordt
dat percentage geacht meer dan 25% te bedragen.
8.Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing
van het eerste lid, onderdeel c, het bedrag van de door de
uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen,
worden die inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of
terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.
Artikel 4c. Tijdelijk uitgezonderde schuldvorderingen
1. Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als
schuldvorderingen aangemerkt binnenlandse en internationale obligaties
en andere verhandelbare schuldinstrumenten:
a. die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of
waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is
goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van richtlijn
nr. 80/390/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling
van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat
gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de
officiële notering aan een effectenbeurs (PbEG L 100) of door de
verantwoordelijke autoriteiten in landen buiten de Europese Unie;
b. die clausules bevatten inzake gross-up en vroegtijdige
aflossing, en
c. waarvoor geldt dat de uitbetalende instantie van de emittent:
1°. gevestigd is in een lidstaat die bronbelasting
inhoudt, en
2°. de rente rechtstreeks betaalt aan een uiteindelijke
gerechtigde die zijn woonplaats in een andere lidstaat heeft.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op of na 1 maart
2002 een aanvullende emissie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden van
de daar bedoelde verhandelbare schuldinstrumenten.
3. Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van
een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat
is uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als
overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol is erkend bij een
internationaal verdrag als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn
2003/48/EG, wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument,
bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies,
aangemerkt als een schuldvordering.
4. Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van
een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat
is uitgegeven door een emittent die niet valt onder het bepaalde in
het derde lid, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een
schuldvordering.
Artikel 4d. Uitbreiding definitie uitbetalende instantie
1.Voor de toepassing van deze afdeling wordt een in een lidstaat
gevestigde entiteit waaraan rente wordt uitbetaald of ten aanzien van
wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de
uiteindelijk gerechtigde op het moment van het verrichten of het
bewerkstelligen van die rentebetaling eveneens als uitbetalende
instantie aangemerkt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op
basis van een door de in het eerste lid bedoelde entiteit overgelegd
officieel bewijskrachtig document redenen heeft om aan te nemen dat
deze entiteit:
a. een rechtspersoon is, niet zijnde een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 4, lid 5, van de richtlijn 2003/48/EG, of
b. een entiteit is waarvan de winst wordt belast volgens de
algemene belastingregels voor ondernemingen, of
c. een icbe is.
Artikel 4e. Icbe na keuze
1.De entiteit die op grond van artikel 4d als uitbetalende
instantie wordt aangemerkt, wordt, indien deze daarvoor kiest, voor de
toepassing van deze afdeling mede als icbe aangemerkt. Een in
Nederland gevestigde entiteit maakt de keuze, bedoeld in de eerste
volzin, kenbaar aan de bevoegde functionaris. De bevoegde functionaris
bevestigt bij beschikking indien is voldaan aan de voorwaarden voor de
keuze.
2.Omtrent de keuzemogelijkheid in het eerste lid kunnen bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
3.De entiteit die de in het eerste lid bedoelde keuze heeft
gemaakt, overhandigt aan de marktdeelnemer een afschrift van de door
de bevoegde functionaris afgegeven beschikking.
Artikel 4f. Inperking definitie uiteindelijk gerechtigde
1.Een natuurlijk persoon wordt niet aangemerkt als uiteindelijk
gerechtigde indien hij aantoont dat de rentebetaling niet te zijner
gunste is ontvangen of is bewerkstelligd, maar dat hij:
a. handelt als een uitbetalende instantie als bedoeld in
artikel 4a, eerste lid, onderdeel d, of
b. handelt namens een rechtspersoon, of
c. handelt namens een entiteit waarvan de winst wordt belast
volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, of
d. handelt namens een icbe, of
e. handelt namens een uitbetalende instantie als bedoeld in
artikel 4den hij aan de marktdeelnemer die de rentebetaling
verricht de naam en het adres van deze uitbetalende instantie
bekendmaakt, of
f. handelt namens een andere natuurlijke persoon die de
uiteindelijk gerechtigde is, en hij aan de uitbetalende instantie
met inachtneming van artikel 4g de identiteit van die uiteindelijk
gerechtigde bekendmaakt.
2.Het eerste lid, onderdeel e, is slechts van toepassing indien
blijkt dat de daar bedoelde marktdeelnemer de hem bekendgemaakte
informatie op zijn beurt doorgeeft aan de bevoegde autoriteit van de
lidstaat waar hij woont of is gevestigd.
3.De uitbetalende instantie is gehouden redelijke maatregelen te
nemen om met inachtneming van artikel 4g de identiteit van de
uiteindelijk gerechtigde vast te stellen indien zij beschikt over
gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een
rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt
bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon
niet valt onder het eerste lid, onderdelen a, b, c, d of e.
Artikel 4g. Identificatie door Nederlandse uitbetalende instantie
1. Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1
januari 2004, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende
instantie de identiteit vast van de in een andere lidstaat wonende
uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam en adres, aan de
hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering
van de in Nederland geldende wettelijke voorschriften waaronder de Wet
ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
2. Voor contractuele betrekkingen die zijn of worden aangegaan op
of na 1 januari 2004 of voor transacties die bij het ontbreken van
contractuele betrekkingen zijn of worden verricht op of na die datum,
bepaalt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie
met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid de identiteit
van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde,
bestaande uit diens naam, adres, en, indien dat bestaat, diens door de
fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer.
3. De identiteit, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald op basis
van het paspoort of de officiële identiteitskaart van de uiteindelijk
gerechtigde. Indien het adres niet is vermeld in het paspoort of in de
officiële identiteitskaart, wordt het adres bepaald op basis van enig
ander bewijskrachtig document dat door de uiteindelijk gerechtigde
wordt overgelegd. Indien het fiscaal identificatienummer niet is
vermeld in het paspoort, in de officiële identiteitskaart of in enig
ander bewijskrachtig document dat door de uiteindelijk gerechtigde
wordt overgelegd, wordt diens naam en adres aangevuld met de
vermelding van diens geboorteplaats en geboortedatum zoals vermeld in
het paspoort of de officiële identiteitskaart.
Artikel 4h. Vaststelling woonplaats door Nederlandse uitbetalende
instantie
1.Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1
januari 2004, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende
instantie de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende
uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van de informatie waarover
zij beschikt, met name ter uitvoering van de in Nederland geldende
wettelijke voorschriften waaronder de Wet ter voorkoming van witwassen
en financieren van terrorisme.
2.Voor contractuele betrekkingen die zijn of worden aangegaan op of
na 1 januari 2004 of voor transacties die bij het ontbreken van
contractuele betrekkingen zijn of worden verricht op of na die datum,
stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de
woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk
gerechtigde vast op basis van het adres dat vermeld staat in het
paspoort of op de officiële identiteitskaart of, zo nodig, op basis
van enig ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd
bewijskrachtig document, volgens de procedure, bedoeld in het volgende
lid.
3.Van de natuurlijke persoon die een door een lidstaat uitgereikt
paspoort of officiële identiteitskaart overlegt en die verklaart
ingezetene te zijn van een niet-lidstaat, wordt de woonplaats
vastgesteld op basis van een fiscale woonplaatsverklaring die is
afgegeven door de bevoegde autoriteit van de niet-lidstaat waarvan de
natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een verklaring
niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn
woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander
officieel identiteitskaart heeft uitgereikt.
4.Behoudens het bepaalde in de vorige leden wordt als woonplaats
aangemerkt de plaats waar de uiteindelijk gerechtigde zijn vaste adres
heeft.
5.Voor de toepassing van het derde lid wordt onder bevoegde
autoriteit verstaan: de bevoegde autoriteit voor de toepassing van
bilaterale of multilaterale belastingverdragen of, bij ontstentenis
daarvan, een autoriteit die bevoegd is om een fiscale
woonplaatsverklaring af te geven.
Paragraaf 2. Renseignering
Artikel 4i. Werkingssfeer
Deze afdeling is van toepassing op inkomsten uit spaargelden in de
vorm van rentebetalingen die zijn verricht door:
a. een in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie
aan een uiteindelijk gerechtigde die woont in een andere lidstaat;
b. een in Nederland wonende of gevestigde marktdeelnemer aan een
uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4d die in een andere
lidstaat woont of is gevestigd;
c. een marktdeelnemer aan een in Nederland gevestigde entiteit
die op grond van artikel 4d als uitbetalende instantie wordt
aangemerkt.
Artikel 4j. Renseignering door uitbetalende instantie
1.De uitbetalende instantie, bedoeld in artikel 4i, onderdeel a,
verstrekt de bevoegde functionaris uiterlijk binnen twee maanden na
afloop van het kalenderjaar waarin de rentebetaling heeft
plaatsgevonden de volgende gegevens:
a. de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde
zoals die overeenkomstig de artikelen 4f en 4g zijn vastgesteld;
b. de naam en het adres van de uitbetalende instantie;
c. het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij
het ontbreken daarvan, een eenduidige omschrijving van de
rentedragende schuldvordering;
d. gegevens over de rentebetaling overeenkomstig het bepaalde
in het tweede lid.
2.De gegevens die de uitbetalende instantie in ieder geval gehouden
is te verstrekken, betreffen, gespecificeerd naar de volgende
categorieën rentebetalingen:
a. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 4a,
eerste lid, onderdeel a: het bedrag van de uitbetaalde of
bijgeschreven rente;
b. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 4b,
eerste lid, onderdelen a of c: het bedrag van de rente of de
inkomsten als bedoeld in die onderdelen of het totaalbedrag van de
opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing;
c. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 4b,
eerste lid, onderdeel b: het bedrag van de inkomsten als bedoeld
in dat onderdeel of het totaalbedrag van de uitkering.
3.Voor de toepassing van het tweede lid worden per uiteindelijk
gerechtigde alle daar bedoelde rentebetalingen per categorie binnen
één kalenderjaar als één rentebetaling beschouwd.
4.Indien de uitbetalende instantie een entiteit is als bedoeld in
artikel 4d, moet deze voorts gegevens verstrekken betreffende:
a. de in één kalenderjaar aan deze entiteit uitbetaalde rente
of bewerkstelligde rentebetaling, bedoeld in artikel 4d, en
b. de gedeelten van de uitbetaalde rente of bewerkstelligde
rentebetaling die toevallen aan elke participant in deze entiteit,
voorzover de participant met inachtneming van artikel 4i,
onderdeel a, als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ter zake van de wijze van verstrekking van de in het eerste of vierde
lid bedoelde gegevens.
Artikel 4k. Renseignering door marktdeelnemer
De marktdeelnemer, bedoeld in artikel 4i, onderdeel b, verstrekt de
bevoegde functionaris uiterlijk binnen twee maanden na afloop van het
kalenderjaar waarin de rentebetaling heeft plaatsgevonden de volgende
gegevens:
a. de naam en het adres van de uitbetalende instantie, bedoeld in
artikel 4i, onderdeel b, en
b. het totale bedrag van de rente dat aan de uitbetalende
instantie is uitbetaald of ten gunste van haar is bewerkstelligd.
Paragraaf 3. Formele bepalingen
Artikel 4l. Woonplaatsverklaring ter voorkoming van inhouding van
bronbelasting
De bevoegde functionaris verstrekt op verzoek van de uiteindelijke
gerechtigde aan deze binnen twee maanden bij beschikking een verklaring
met daarin de volgende gegevens:
a. naam, adres en burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, sociaal-fiscaalnummer van de uiteindelijke gerechtigde;
b. naam en adres van de uitbetalende instantie;
c. rekeningnummer van de uiteindelijke gerechtigde of, bij
ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van het
schuldinstrument.
Artikel 4m. Verplichtingen ten dienste van de renseignering
1.Ten behoeve van de in paragraaf 2 bedoelde renseignering zijn de
bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, met uitzondering van
artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
2.Degene die ingevolge paragraaf 2 verplicht is tot het verstrekken
van gegevens wordt, voor zoveel nodig, aangemerkt als
administratieplichtige als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen.
Artikel 4n. Bezwaar en beroep
Op het bezwaar, beroep en beroep in cassatie inzake de op de voet van
deze afdeling genomen beschikkingen is hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4o. Bestuurlijke boete
1. Indien degene die ingevolge paragraaf 2 verplicht is tot het
verstrekken van gegevens, deze niet, niet tijdig, onjuist of
onvolledig verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de
bevoegde functionaris hem een boete van ten hoogste € 4 920 kan
opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt door het
verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, bedoeld in
de artikelen 4j en 4k.
3. Bij het opleggen van een boete zijn de artikelen 67g, 67pa en
67pb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige
toepassing.
4. De bevoegde functionaris is belast met het invorderen van een
boete, waarbij de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing zijn.
5. Op het in het eerste lid genoemde bedrag is artikel 67cb van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4p. Strafrechtelijke bepaling
HOOFDSTUK IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan
een verplichting ingevolge deze afdeling, met uitzondering van artikel
4o, vierde lid.
Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen
Artikel 5
1.Op verzoek van een bevoegde autoriteit kan Onze Minister haar de
inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang
kunnen zijn bij de heffing van een in artikel 1 bedoelde belasting,
alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee
verband houden.
2.Onze Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn
en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit
tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen. Bij de kennisgeving
geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken
inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het
verzoek afkomstig is.
3.Bij een besluit als bedoeld in het tweede lid geldt, in afwijking
van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend als
belanghebbende degene tot wie de kennisgeving van het besluit is
gericht.
4.Tenzij dringende redenen daartoe aanleiding geven, wordt aan de
inwilliging van het verzoek om inlichtingen geen uitvoering gegeven
dan na tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in
het tweede lid.
5.Indien dringende redenen daartoe aanleiding geven, kan Onze
Minister, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet
bestuursrecht, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen
uitvoering geven voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig
zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de kennisgeving zo
spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier maanden na het begin
van de uitvoering.
Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen
Artikel 6
1.Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen
of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand
verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen
waaronder de verstrekking zal geschieden.
2.De in het eerste lid bedoelde aanwijzingen en voorwaarden worden
door plaatsing in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 6a
1.De bevoegde functionaris verstrekt de in artikel 4j, eerste lid,
bedoelde inlichtingen zonder voorafgaand verzoek aan de bevoegde
autoriteit van de lidstaat waar de uiteindelijk gerechtigde woont.
2.De bevoegde functionaris verstrekt de in artikel 4k bedoelde
inlichtingen zonder voorafgaand verzoek aan de bevoegde autoriteit van
de lidstaat waar de uitbetalende instantie woont of is gevestigd.
Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen
Artikel 7
1.Onze Minister kan een bevoegde autoriteit uit eigen beweging
inlichtingen verstrekken die voor haar van belang kunnen zijn bij de
bepaling van een belastingschuld in de gevallen waarin:
a. vermoed wordt dat in de staat van de bevoegde autoriteit ten
onrechte een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling
van belasting zou worden verleend dan wel heffing van belasting
ten onrechte achterwege zou blijven ingeval de inlichtingen niet
zouden zijn verstrekt;
b. in Nederland een vermindering, ontheffing, teruggaaf of
vrijstelling van belasting is verleend die van invloed kan zijn op
de belastingheffing in de staat van die bevoegde autoriteit;
c. in Nederland rechtshandelingen of andere handelingen zijn
verricht met het doel de heffing van belasting in de staat van de
bevoegde autoriteit geheel of ten dele onmogelijk te maken;
d. zulks overigens naar het oordeel van Onze Minister is
geboden.
2.Onze Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn
en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit
de inlichtingen te verstrekken. Bij de kennisgeving geeft Onze
Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en
vermeldt hij de bevoegde autoriteit aan wie de inlichtingen zullen
worden verstrekt. Artikel 5, derde tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3a. Notificatie van stukken
Artikel 7a
1.Op verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat kan Onze
Minister overgaan tot de notificatie van stukken.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de
notificatie van stukken verstaan de uitreiking aan de geadresseerde in
Nederland van een door een administratieve autoriteit van een lidstaat
uitgevaardigd document, houdende een akte of beslissing, inzake de
heffing van een belasting als bedoeld in artikel 1 alsmede renten of
bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende de notificatie van stukken en de behandeling van het
verzoek daartoe.
Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
Artikel 8
1. Onze Minister laat door een ambtenaar van de
rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van
het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 5, 6 of 7.
2. Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn de bepalingen
van Hoofdstuk VIII, afdeling 2, met uitzondering van artikel 53,
tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens
en inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de
uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van
andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het
verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de
eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister
dienen te worden verstrekt.
4. Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een
onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek
zelve.
Artikel 8a
1.Onze Minister kan na overleg met een of meer bevoegde
autoriteiten overgaan tot een gelijktijdig onderzoek.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
gelijktijdig onderzoek verstaan een onderzoek als bedoeld in artikel
8, dat gelijktijdig wordt uitgevoerd met een onderzoek in een of meer
andere staten.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende het gelijktijdige onderzoek en de behandeling van een
voorstel daartoe.
Artikel 9
1.Onze Minister kan na overleg met een bevoegde autoriteit van een
staat toestaan dat een ambtenaar van de belastingadministratie van die
staat aanwezig is bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8.
2.Bij het overleg worden de voorwaarden vastgesteld waaronder Onze
Minister de in het eerste lid bedoelde toestemming kan verlenen.
3.Indien een ambtenaar van de rijksbelastingdienst een onderzoek
instelt in aanwezigheid van ambtenaren van een andere staat aan wie
Onze Minister toestemming heeft verleend als bedoeld in het eerste
lid, geeft Onze Minister, in afwijking van artikel 3:40 van de
Algemene wet bestuursrecht, aan de inwilliging van het verzoek om
inlichtingen uitvoering voordat degene van wie de inlichtingen
afkomstig zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de
kennisgeving zo spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier
maanden na het begin van de uitvoering.
Artikel 10
Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 8 wordt
ingesteld, is verplicht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst alsmede
de ambtenaar die ingevolge artikel 9 bij dit onderzoek aanwezig is, ten
behoeve van dit onderzoek toegang te verlenen.
Artikel 11
Artikel 67ca, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b tot
en met f, en hoofdstuk IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet
voldoet aan de in artikel 8 en artikel 10 bedoelde verplichtingen.
Artikel 12
Ten dienste van de heffing van de in artikel 1 bedoelde belastingen,
alsmede renten daarover of bestuursrechtelijke boeten die daarmee
verband houden, kan Onze Minister een ambtenaar van de
rijksbelastingdienst aanwijzen om aanwezig te zijn bij een onderzoek in
een andere staat, dat door of vanwege de bevoegde autoriteit van die
staat wordt ingesteld, in het kader van het verstrekken van inlichtingen
aan Nederland.
Hoofdstuk III. Begrenzing van door Nederland te verlenen bijstand;
wederkerigheid
Artikel 13
1. Onze Minister verstrekt geen inlichtingen indien de verstrekking
daarvan niet strekt tot uitvoering van richtlijnen van de Raad van de
Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en
interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de
heffing van belastingen, alsmede renten daarover en
bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
2. Onze Minister behoeft geen inlichtingen te verstrekken indien:
a. de openbare orde van de Nederlandse staat zich daartegen
verzet;
b. die inlichtingen in Nederland krachtens wettelijke
bepalingen of op grond van de administratieve praktijk niet zouden
kunnen worden verkregen voor de heffing van een in artikel 1
bedoelde belasting, alsmede voor de renten daarover of
bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden;
c. aannemelijk is dat de bevoegde autoriteit in de eigen staat
niet eerst de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van
de door haar gevraagde inlichtingen heeft benut, die zij in de
gegeven situatie had kunnen benutten zonder het beoogde resultaat
in gevaar te brengen;
d. de bevoegde autoriteit voor wie de inlichtingen zouden zijn
bestemd, niet bevoegd of in staat is Onze Minister soortgelijke
inlichtingen te verstrekken;
e. daarmee een commercieel, een industrieel of een
beroepsgeheim zou worden onthuld;
f. de verstrekking strijdig zou zijn met algemeen aanvaarde
beginselen van belastingheffing of overige begrenzingen die
voortvloeien uit de van toepassing zijnde bepalingen van
internationaal en interregionaal recht.
3. Dit artikel vindt geen toepassing ten aanzien van de
inlichtingen, bedoeld in artikel 6a.
Hoofdstuk IV. Geheimhouding; gebruik van inlichtingen
Artikel 14
1.Het bepaalde betreffende de verplichting tot geheimhouding in
artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
overeenkomstige toepassing op de inlichtingen die door een bevoegde
autoriteit zijn verstrekt, alsmede op inlichtingen die bij een
onderzoek, als is bedoeld in artikel 8, zijn verkregen.
2.Onze Minister verstrekt geen inlichtingen aan een bevoegde
autoriteit indien de wetgeving van de staat van die autoriteit geen
verplichting tot geheimhouding oplegt aan ambtenaren van de
belastingadministratie van die staat met betrekking tot hetgeen hun
wordt medegedeeld of blijkt bij de uitvoering van de belastingwetten
van die staat.
Artikel 15
1. Tenzij een bevoegde autoriteit anders bepaalt, kunnen de door
haar aan Onze Minister verstrekte inlichtingen uitsluitend worden
gebruikt voor de heffing van de in artikel 1 bedoelde belastingen,
alsmede renten daarover of bestuursrechtelijke sancties of boeten die
daarmee verband houden.
2. Uitsluitend met toestemming van de bevoegde autoriteit van een
staat kan Onze Minister de door hem van haar ontvangen inlichtingen
aan de bevoegde autoriteit van een andere staat verstrekken.
3. De in artikel 7, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977, nr.
77/799/EEG (PbEG L 336) bedoelde inlichtingen mogen door de bevoegde
autoriteit van de andere lidstaat worden gebruikt voor de vaststelling
van heffingen, rechten en belastingen die vallen onder artikel 2 van
de richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2008, nr.
2008/55/EG (PbEU L 150) betreffende de wederzijdse bijstand inzake de
invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde
bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen.
4. Onze Minister kan aan een bevoegde autoriteit toestemming
verlenen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de
heffing van de in artikel 1 bedoelde belastingen.
5. Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek een bevoegde
autoriteit toestemming verlenen de van hem ontvangen inlichtingen aan
een bevoegde autoriteit van een andere staat te verstrekken.
Hoofdstuk V. Slotbepaling
Artikel 16
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de internationale
bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 april 1986
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
H.E. Koning
Uitgegeven de twintigste mei 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|