Nadere regelgeving:
- Besluit maatschappelijke
ondersteuning
- Regeling pleegzorg
- Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg
WET van 22 april 2004, houdende regeling
van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet
op de jeugdzorg)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is een
wettelijke aanspraak op jeugdzorg voor zover daarop geen aanspraak
bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, te vestigen, een
samenhangend aanbod van jeugdzorg te realiseren, dat aansluit op de
behoefte, de toegang tot de jeugdzorg alsmede de bekostiging van de
jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat opnieuw te
regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
aanbieder van zorg: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon,
die andere zorg verleent dan die, waarop ingevolge deze wet
aanspraak bestaat;
accommodatie: een accommodatie als bedoeld in artikel 29k,
eerste lid;
bureau jeugdzorg: een bureau als bedoeld in artikel 4;
cliënt: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die
de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden;
eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 70;
experiment: het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van
nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of
hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus
jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak
bestaat;
hulpverleningsplan: het plan, bedoeld in artikel 24, tweede
lid;
inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 47;
jeugdige: een persoon die:
1º. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt,
2º. de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten
aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van
Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot
en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of
3º. de meerderjarigheidsleeftijd doch niet de leeftijd van
drieëntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie voortzetting
van jeugdzorg, die was aangevangen of waarvan de aanvraag,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, was ingediend vóór het
bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is of
voor wie, na beëindiging van jeugdzorg die was aangevangen
vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, binnen
een termijn van een half jaar hervatting van jeugdzorg
noodzakelijk is;
jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders,
stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun
gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei- of opvoedingsproblemen
of dreigende zodanige problemen;
kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige
bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of
seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van
wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van
onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige
schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de
minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel;
landelijk beleidskader: het landelijke beleidskader jeugdzorg,
bedoeld in artikel 34, eerste lid;
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen: het bureau,
genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen;
machtiging: een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste
lid;
Onze Ministers: Onze Minister voor Jeugd en Gezin en Onze
Minister van Justitie tezamen;
ouderbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 69;
pleegouder: degene die in het kader van jeugdzorg een jeugdige
die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin
verzorgt en opvoedt;
provinciaal beleidskader: het provinciale beleidskader
jeugdzorg, bedoeld in artikel 31, eerste lid;
steunfunctie: een aanbod van ondersteunende werkzaamheden ten
behoeve van de stichting en van jeugdzorg waarop ingevolge deze
wet aanspraak bestaat;
stichting: een stichting die een bureau jeugdzorg in stand
houdt;
uitvoeringsprogramma: het provinciale programma, bedoeld in
artikel 32, eerste lid;
vertrouwenspersoon: een persoon werkzaam bij een rechtspersoon
als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die, onafhankelijk van het
bestuur en van personen in dienst van de stichting of de
zorgaanbieder, cliënten van het door de stichting in stand
gehouden bureau jeugdzorg of van de zorgaanbieder op hun verzoek
ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de
stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden
samenhangend met de geboden jeugdzorg;
verwerken van persoonsgegevens: verwerking van persoonsgegevens
als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet bescherming
persoonsgegevens;
voortgangsrapportage: de voortgangsrapportage jeugdzorg,
bedoeld in artikel 36, eerste lid;
zorgaanbieder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die
jeugdzorg verleent, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
zorgeenheid: een organisatie-eenheid, waarbinnen een
zorgaanbieder een afgebakend geheel aan jeugdzorg verleent;
zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
2. Het begrip jeugdige, bedoeld in het eerste lid, is niet van
toepassing op de hoofdstukken IA enIVA.
3. Deze wet is van toepassing op in Nederland verblijvende
jeugdigen.
Artikel 2
Indien een provinciebestuur de bevoegdheden inzake de uitvoering van
zijn taken in het kader van de jeugdzorg heeft overgedragen aan het
bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam,
onderscheidenlijk ‘s-Gravenhage deel uit maakt, wordt dat bestuur voor
de toepassing van deze wet gelijkgesteld met het provinciebestuur.
Hoofdstuk Ia. Landelijke verwijsindex
§ 1. Algemeen
Artikel 2a
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. jeugdige: persoon die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft
bereikt;
b. burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in
artikel 1, onder d, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer;
c. hulp, zorg of bijsturing: werkzaamheden die een
meldingsbevoegde op grond van de voor hem geldende regelgeving ten
behoeve van een jeugdige verricht.
Artikel 2b
1. Meldingsbevoegde is een functionaris die werkzaam is voor een
instantie die:
a. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorie van instanties die werkzaam is in een of meer
van de domeinen jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg,
onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, of
politie en justitie,
b. afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met het
college van burgemeester en wethouders, en
c. de functionaris als zodanig heeft aangewezen.
2. Meldingsbevoegde is voorts een functionaris die niet werkzaam is
voor een instantie en die:
a. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorie van functionarissen die werkzaam is in een of
meer van de in het eerste lid, onder a, genoemde domeinen, en
b. afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met het
college van burgemeester en wethouders.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de functionaris, bedoeld in het eerste en tweede lid, en
de instanties, bedoeld in het eerste lid, onder a. Deze regels kunnen
verschillen per categorie van instanties of functionarissen.
Artikel 2c
Met het oog op de goede uitvoering van dit hoofdstuk kan bij algemene
maatregel van bestuur onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aan te
geven leeftijdscategorieën van jeugdigen.
§ 2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid
Artikel 2d
1. Er is een verwijsindex risicojongeren, zijnde een landelijk
elektronisch systeem, waarin persoonsgegevens in de zin van artikel 1,
onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens alsmede andere
gegevens worden verwerkt.
2. De verwijsindex heeft tot doel vroegtijdige en onderlinge
afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen, opdat zij
jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om
daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een
gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te
beperken of weg te nemen.
3. De verwijsindex wordt uitsluitend gebruikt voor het in het
tweede lid aangegeven doel.
Artikel 2e
1. Onze Minister voor Jeugd en Gezin draagt zorg voor de inrichting
en het beheer van de verwijsindex.
2. Onze Minister voor Jeugd en Gezin is de verantwoordelijke in de
zin van artikel 1, onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens
voor de verwijsindex.
3. In afwijking van het tweede lid, is voor de toepassing van de
artikelen 34 tot en met 40 en 43 van de Wet bescherming
persoonsgegevens de verantwoordelijke het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente die afspraken als bedoeld in artikel 2g
heeft gemaakt met de instantie waarvoor de meldingsbevoegde die de
jeugdige heeft gemeld werkzaam is of, indien die niet werkzaam is voor
een instantie, de meldingsbevoegde.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de inrichting en het beheer van de verwijsindex.
Daartoe behoren in elk geval regels omtrent de beveiliging van
persoonsgegevens en de beschikbaarheid van de voorzieningen, bedoeld
in artikel 2f.
Artikel 2f
1. Van de verwijsindex maken deel uit:
a. voorzieningen waarmee de verwijsindex met het oog op het
verwerken van een melding het burgerservicenummer van de betrokken
jeugdige kan opvragen of verifiëren;
b. voorzieningen waarmee een jeugdige aan de verwijsindex kan
worden gemeld of eruit kan worden verwijderd;
c. voorzieningen waarmee bij twee of meer meldingen van
dezelfde jeugdige een signaal wordt gezonden naar de
meldingsbevoegden die de betrokken jeugdige hebben gemeld en naar
degene die belast is met de taken, bedoeld inartikel 2h;
d. een logboek dat registreert welke meldingsbevoegde wanneer
een jeugdige aan de verwijsindex heeft gemeld, hem daaruit heeft
verwijderd of een signaal heeft ontvangen;
e. voorzieningen waarmee verhuisbewegingen van aan de
verwijsindex gemelde jeugdigen worden geregistreerd en doorgegeven
aan de meldingsbevoegde die de jeugdige heeft gemeld en, indien de
jeugdige naar een andere gemeente is verhuisd, aan de regievoerder
van de gemeente waarnaar de jeugdige is verhuisd;
f. voorzieningen waarmee ten behoeve van:
1°. het toezicht op de naleving inzage kan worden gegeven
in de verwijsindex;
2°. beleidsinformatie en het toezicht op de naleving
rapportages over het gebruik van de verwijsindex kunnen worden
samengesteld en opgevraagd, bestaande uit niet tot specifieke
jeugdigen of specifieke meldingsbevoegden herleidbare
gegevens;
g. voorzieningen waarmee aan de jeugdige bij de uitoefening van
de artikelen 35 tot en met 40 van de Wet bescherming
persoonsgegevens inzage kan worden verleend in een hem betreffende
melding in de verwijsindex.
2. Bij de verwijsindex is een historisch meldingenarchief gevoegd
waarin uit de verwijsindex verwijderde meldingen worden opgenomen. Het
historisch meldingenarchief heeft tot doel de verdere verlening van
hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van een jeugdige te ondersteunen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een
effectief gebruik van de verwijsindex noodzakelijke andere
voorzieningen worden aangewezen die aan de verwijsindex worden
toegevoegd.
§ 3. Afspraken over het gebruik van de verwijsindex
Artikel 2g
1. Het college van burgemeester en wethouders bevordert het gebruik
van de verwijsindex. Daartoe maakt het college afspraken met de binnen
hun gemeente werkzame instanties en functionarissen, voor zover zij
behoren tot een categorie die is aangewezen bij de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in artikel 2b. Het college organiseert voorts de
aansluiting van die instanties en functionarissen op de verwijsindex.
2. De afspraken betreffen in elk geval de wijze waarop het college
samenwerkt met die instanties en functionarissen, en die instanties en
functionarissen onderling samenwerken bij het verlenen van hulp, zorg
of bijsturing ten behoeve van jeugdigen, alsmede het beheer en de
nakoming van die afspraken. De afspraken worden in een convenant
vastgelegd.
3. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen regels
worden gesteld omtrent het beheer en de nakoming van de afspraken en
kunnen voorts regels worden gesteld omtrent andere in de afspraken op
te nemen onderwerpen. Voor zover dat uit hoofde van hun functie of
taak noodzakelijk is, kan in de afspraken onderscheid worden gemaakt
tussen daarbij aangewezen categorieën van meldingsbevoegden.
4. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent het gebruik van, de aansluiting en de
organisatie van de aansluiting op de verwijsindex. Daarbij kan
onderscheid gemaakt worden tussen daarbij aangewezen categorieën van
gemeenten en van meldingsbevoegden.
Artikel 2h
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor
dat wordt nagegaan of de meldingsbevoegden die een jeugdige aan de
verwijsindex hebben gemeld en vervolgens daaruit een signaal hebben
ontvangen, met elkaar contact hebben opgenomen.
2. Degene die belast is met de taken, bedoeld in het eerste lid,
heeft uitsluitend ten behoeve daarvan toegang tot de verwijsindex.
Artikel 2i
1. Instanties kunnen met het oog op een effectief gebruik van de
verwijsindex een binnen hun instantie werkzame coördinator aanwijzen.
De coördinator heeft als taak de contactgegevens van de
meldingsbevoegden te beheren en zo nodig, aan te passen en de signalen
uit de verwijsindex te beheren.
2. Een coördinator heeft uitsluitend ten behoeve van de taak,
bedoeld in het eerste lid, toegang tot de verwijsindex.
§ 4. Melding aan de verwijsindex
Artikel 2j
Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn
wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond
van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige
melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat
de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de
noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar
volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd:
a. de jeugdige staat bloot aan geestelijk, lichamelijk of
seksueel geweld, enige andere vernederende behandeling, of
verwaarlozing;
b. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd
normaliter voorkomende psychische problemen, waaronder verslaving
aan alcohol, drugs of kansspelen;
c. de jeugdige heeft meer dan bij zijn leeftijd normaliter
voorkomende ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen;
d. de jeugdige is minderjarig en moeder of zwanger;
e. de jeugdige verzuimt veelvuldig van school of andere
onderwijsinstelling, dan wel verlaat die voortijdig of dreigt die
voortijdig te verlaten;
f. de jeugdige is niet gemotiveerd om door legale arbeid in zijn
levensonderhoud te voorzien;
g. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd
normaliter voorkomende financiële problemen;
h. de jeugdige heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;
i. de jeugdige is een gevaar voor anderen door lichamelijk of
geestelijk geweld of ander intimiderend gedrag;
j. de jeugdige laat zich in met activiteiten die strafbaar zijn
gesteld;
k. de ouders of andere verzorgers van de jeugdige schieten
ernstig tekort in de verzorging of opvoeding van de jeugdige;
l. de jeugdige staat bloot aan risico’s die in bepaalde
etnische groepen onevenredig vaak voorkomen.
Artikel 2k
1. Een melding wordt in de verwijsindex gekoppeld aan het
burgerservicenummer van de jeugdige, met als doel te waarborgen dat de
melding betrekking heeft op die jeugdige.
2. Indien de melding afkomstig is van een meldingsbevoegde die op
grond van een wettelijke bepaling reeds bevoegd is het
burgerservicenummer van de jeugdige te gebruiken, biedt hij de melding
met dat nummer aan de verwijsindex aan.
3. In andere gevallen biedt de meldingsbevoegde de melding aan de
verwijsindex aan met behulp van de voorzieningen, bedoeld in artikel
2f, eerste lid, onder a, zonder dat hij kennis kan nemen van het
burgerservicenummer van de betrokken jeugdige.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over het aanbieden van een melding aan de
verwijsindex, bedoeld in het tweede en derde lid, en overigens over de
wijze van melding.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden een
persoonsidentificerend nummer en andere identificerende gegevens
aangewezen die gebruikt worden om jeugdigen die niet beschikken over
een burgerservicenummer te melden aan de verwijsindex. Bij of
krachtens de maatregel worden voorts regels gesteld over de wijze
waarop deze gegevens worden aangeboden aan de verwijsindex.
Artikel 2l
1. Naast het burgerservicenummer van de jeugdige worden in de
verwijsindex bij een melding uitsluitend de volgende gegevens
opgeslagen:
a. de identificatiegegevens en contactgegevens van de
meldingsbevoegde die de melding doet, en, in voorkomend geval, van
de coördinator, bedoeld in artikel 2i;
b. de datum en het tijdstip van de melding, en
c. de datum waarop de melding op grond van artikel 2n, tweede
lid, onder a, uit de verwijsindex zal worden verwijderd.
2. Een signaal uit de verwijsindex bevat uitsluitend de gegevens,
genoemd in het eerste lid, onder a.
Artikel 2m
Ten behoeve van de doeleinden, bedoeld in artikel 2d, worden
persoonsgegevens betreffende de gezondheid, alsmede strafrechtelijke
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt
uitsluitend plaats teneinde meldingsbevoegden uit de domeinen
jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg en politie en justitie in staat te
stellen een jeugdige aan de verwijsindex te melden alsmede andere
meldingsbevoegden in staat te stellen van deze melding kennis te nemen.
Artikel 2n
1. Een meldingsbevoegde verwijdert een door hem gedane melding uit
de verwijsindex indien naar zijn oordeel:
a. die melding niet terecht is gedaan;
b. het eerder gesignaleerde risico niet meer aanwezig is.
2. Een melding wordt voorts in elk geval uit de verwijsindex
verwijderd:
a. ten hoogste twee jaar nadat zij is gedaan;
b. met ingang van de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt;
c. zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige.
Artikel 2o
1. Een overeenkomstig artikel 2n, eerste lid, onder b, en tweede
lid, onder a, uit de verwijsindex verwijderde melding wordt gedurende
vijf jaren opgenomen in een historisch meldingenarchief, met dien
verstande dat die opname wordt vernietigd met ingang van de dag dat de
jeugdige 23 jaar wordt of zo spoedig mogelijk na het overlijden van de
jeugdige. Meldingen die uit de verwijsindex zijn verwijderd met
toepassing van artikel 2n, eerste lid, onder a, of het tweede lid,
onder b of c, of de artikelen 36 of 40 van de Wet bescherming
persoonsgegevens, worden niet in het historisch meldingenarchief
opgenomen.
2. Een in het historisch meldingenarchief opgenomen melding wordt
uitsluitend en eenmalig aangeboden aan een meldingsbevoegde op het
moment dat hij een jeugdige aan de verwijsindex meldt.
3. Artikelen 2e en 2f, eerste lid, aanhef, juncto onder f en g,
zijn van overeenkomstige toepassing op het historisch
meldingenarchief. Van het historisch meldingenarchief maakt een
voorziening deel uit waarmee een jeugdige uit het historisch
meldingenarchief kan worden verwijderd.
§ 5. Aanvullende bepalingen inzake informatieverstrekking aan en
rechten van de betrokkene
Artikel 2p
1. Indien een melding betrekking heeft op een jeugdige die jonger
is dan twaalf jaren wordt de mededeling, bedoeld in artikel 34 van de
Wet bescherming persoonsgegevens gedaan aan zijn wettelijk
vertegenwoordiger. Indien de jeugdige de leeftijd van twaalf, maar nog
niet die van zestien jaren heeft bereikt, wordt de mededeling zowel
aan de jeugdige als zijn wettelijk vertegenwoordiger gedaan. Het
college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen
omtrent de mededeling.
2. Indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaren wordt een verzoek
als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van de Wet bescherming
persoonsgegevens of een aantekening van verzet als bedoeld in artikel
40 van die wet gedaan door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Indien de
jeugdige de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren
heeft bereikt, wordt het verzoek of de aantekening van verzet gedaan
door de jeugdige en zijn wettelijk vertegenwoordiger gezamenlijk.
Artikel 2q
1. Een meldingsbevoegde die een jeugdige aan de verwijsindex heeft
gemeld, brengt aan het college van burgemeester en wethouders een
advies uit over een door die jeugdige aan hen gedaan verzoek als
bedoeld in de artikelen 35 of 36 van de Wet bescherming
persoonsgegevens, of over een bij hen aangetekend verzet als bedoeld
in artikel 40 van die wet.
2. De meldingsbevoegde verstrekt het college overigens alle
inlichtingen die nodig zijn met het oog op de uitvoering door het
college van de in het eerste lid genoemde artikelen en artikel 43 van
de Wet bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk II. Aanspraken op jeugdzorg
Artikel 3
1. Cliënten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende
vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de
jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet
bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling
wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet 2000.
2. Gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige
voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft,
dragen ervoor zorg dat cliënten hun aanspraak op jeugdzorg als
bedoeld in het eerste lid, tot gelding kunnen brengen.
3. Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze
wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige
duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die
cliënt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt
gelijk gesteld een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel
261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een
beslissing van Onze Minister van Justitie in het kader van artikel
77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover hij de
veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de rechter als
bedoeld in artikel 77wa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht,
en een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 12,
derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, bij
welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak
bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld.
4. Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing
in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan
nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is
verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het
besluit. Indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn gelijk
aan de duur van de machtiging.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor
gevallen waarin het besluit, bedoeld in het derde lid, niet afgewacht
kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van het derde lid.
6. Een cliënt kan zijn aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet
uitsluitend tot gelding brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel
van de provincie subsidie ontvangt.
7. In afwijking van het zesde lid kan een cliënt zijn aanspraak op
jeugdzorg ingevolge deze wet tot gelding brengen bij een
zorgaanbieder, die tot dat doel door een andere provincie dan die
jegens welke de cliënt aanspraak heeft, wordt gesubsidieerd, indien
de cliënt op jeugdzorg is aangewezen die slechts kan worden geboden
door een zorgaanbieder wiens aanbod gericht is op jeugdzorg die
zodanig gespecialiseerd is of vanuit een zodanige levensbeschouwelijke
achtergrond wordt geboden, dat gezien de omvang van de doelgroep niet
verwacht mag worden dat iedere provincie subsidie verstrekt voor deze
zorg. Gedeputeerde staten van een provincie die geen zorgaanbieder als
bedoeld in de eerste volzin subsidie verstrekken, voldoen aan de
verplichting van het tweede lid door het aangaan van een schriftelijke
overeenkomst met de provincie die aan die zorgaanbieders subsidie
verstrekt. Deze overeenkomst legt in ieder geval vast op welke wijze
de kosten worden verrekend.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in
afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de aanspraken ingevolge
deze wet, zo nodig in afwijking van artikel 11 van de Vreemdelingenwet
2000, voor bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te
geven categorieën rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen
worden beperkt, gelet op de aard, de plaats of de verwachte duur van
hun verblijf.
9. In afwijking van het eerste lid, kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van artikel 10
van de Vreemdelingenwet 2000, de aanspraken ingevolge deze wet geheel
of gedeeltelijk worden uitgebreid tot bij of krachtens die algemene
maatregel van bestuur aan te geven categorieën niet rechtmatig in
Nederland verblijvende vreemdelingen. Een zodanige aanspraak geeft een
vreemdeling geen recht op rechtmatig verblijf.
Hoofdstuk III. De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4
1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in de provincie
één bureau jeugdzorg werkzaam is, dat in stand wordt gehouden door
een stichting als bedoeld in artikel 285 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek die door de provincie wordt gesubsidieerd.
2. De stichting heeft als doel het in stand houden van een bureau
jeugdzorg dat de in deze wet aan de stichting opgedragen taken
vervult. De stichting kan naast het in stand houden van een bureau
jeugdzorg slechts ten doel hebben het verlenen van jeugdzorg, niet
zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het geven van
voorlichting en advies over opgroei- en opvoedingsvragen en vragen van
jeugdigen over hun juridische positie voor zover gedeputeerde staten
toestemming hebben verleend. Gedeputeerde staten verlenen geen
toestemming dan na overleg met het betrokken college van burgemeester
en wethouders.
3. Indien het bestuur van de stichting wordt gevormd door de
leiding van het bureau jeugdzorg, voorzien de statuten in een raad van
toezicht, die tot taak heeft toezicht te houden op het beleid van het
bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. De raad van
toezicht heeft de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan
van de leden van het bestuur.
4. De bestuursleden en de leden van de raad van toezicht van de
stichting, alsmede de leiding van het bureau vervullen geen functie
bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zorg aanbiedt als
bedoeld in artikel 5, tweede lid. Zij hebben evenmin een functie die
betrekking heeft op die zorg bij de desbetreffende provincie, een
gemeente binnen die provincie of een zorgverzekeraar. De stichting
voorziet in waarborgen voor een onafhankelijke taakuitoefening door de
personen die de in artikel 5 genoemde taken uitvoeren.
5. Gedeputeerde staten kunnen, indien de juiste uitvoering van de
in de wet aan de stichting opgedragen taken in gevaar komt ten gevolge
van handelen of nalaten van het bestuur of van leden van de raad van
toezicht, bestuursleden of leden van de raad van toezicht van de
stichting schorsen of ontslaan, of tijdelijk voorzien in de leiding
van het bureau jeugdzorg.
Paragraaf 2. Taken
Artikel 5
1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig
heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische
problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet
zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige
belemmeren.
2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen
of een cliënt is aangewezen op:
a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,
b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen
waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel
ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel
d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat,
c. [Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]
3. De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op
verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.
4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het
eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling
van een jeugdige dient en aansluit bij de behoefte van de cliënt.
Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en
wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam
verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode.
Artikel 6
1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld
dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, geeft zij daarbij in ieder geval:
a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van
de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;
b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en
het met die zorg beoogde doel;
c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in
het besluit voorziene zorg is aangevangen;
d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn
gebracht;
e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.
2. In het besluit geeft de stichting aan of coördinatie van de
zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan
uitvoeren.
3. Door het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid,
onder c, of indien een aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in
het eerste lid, onder d, tot gelding is gebracht, vervalt de
aanspraak.
4. De aanspraak vervalt voorts indien de stichting een besluit
neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt niet langer is
aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het
eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van
totstandkoming daarvan, alsmede omtrent het vierde lid.
Artikel 7
1. Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is
aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, ligt een
aanvraag van een cliënt ten grondslag.
2. Indien de zorg betrekking heeft op een ander dan de aanvrager,
behoeft de aanvraag de instemming van de cliënt waarop de aanvraag
betrekking heeft.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die
jonger is dan twaalf jaren of ouder dan twaalf jaren en niet in staat
is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, is niet de
instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke
vertegenwoordiger.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die de
leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt,
behoeft de aanvraag de instemming van de minderjarige en diens
wettelijke vertegenwoordiger. Indien de wettelijke vertegenwoordiger
weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de stichting in afwijking
van de eerste volzin, een besluit nemen indien de zorg voor de
minderjarige noodzakelijk is en de minderjarige de zorg weloverwogen
blijft wensen.
5. In afwijking van het tweede lid kan de stichting op een aanvraag
van de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige, die ouder is
dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, en die weigert in te stemmen met de aanvraag, een besluit
nemen, indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is.
6. In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit
nemen zonder een aanvraag daartoe, indien:
a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de
taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d;
b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van
een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie
of de raad voor de kinderbescherming;
c. het besluit strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een
pleegouder en een machtiging wordt verzocht.
Artikel 8
1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg
als bedoeld in artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een
jeugdige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting ten
behoeve van de cliënt schriftelijk vast welke zorg zij noodzakelijk
acht. Zij geeft daarbij in ieder geval:
a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van
de cliënt en de mogelijke oorzaken daarvan;
b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor de
jeugdige kunnen veroorzaken;
c. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg;
d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen.
2. Bij de vastlegging geeft de stichting aan of coördinatie van de
zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan
uitvoeren.
Artikel 9
1. De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken
voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen
dient te worden.
2. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een maatregel met
betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te
worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.
Artikel 10
1. De stichting heeft bovendien tot taak:
a. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en
onverminderd artikel 302, tweede lid, en artikel 241, zevende lid,
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefenen van de voogdij
en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek of de voorlopige voogdij op grond van andere wetten;
b. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en
onverminderd artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, uitoefenen van de taak, genoemd in artikel 257
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
c. het geven van de in artikel 77f, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht bedoelde aanwijzingen, dan wel het uitvoeren van de
taken, bedoeld in artikel 77j, vierde en vijfde lid, 77o, eerste
lid, 77s, achtste lid, 77w, derde en zesde lid, en 77aa, tweede en
derde lid, van het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493,
eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de daarop
aansluitende nazorg, alsmede het geven van begeleiding als bedoeld
in artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
d. het, met uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht
houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en
trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, alsmede de overige taken die bij of
krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen.
e. het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling;
f. het actief bijstaan van een cliënt en het zo nodig
motiveren van een cliënt tot het tot gelding brengen van zijn
aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
g. het, met uitsluiting van anderen, bevorderen dat degenen bij
wie een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
tot gelding wordt gebracht, een samenhangend hulpverleningsplan
tot stand brengen dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in
artikel 6, eerste lid;
h. het volgen van de verleende zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, en het bijstaan van de cliënt bij vragen omtrent de
inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg;
i. het adviseren van de cliënt omtrent zorg die na
beëindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig
is en het bijstaan van de cliënt bij het verkrijgen van deze
zorg;
j. het in gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
bijstaan van een cliënt bij het verkrijgen van zorg, zo nodig
motiveren van een cliënt tot het gebruik maken van zorg, en
volgen van deze zorg.
2. De stichting neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid,
onder c, bedoelde taken de aanwijzingen van de raad voor de
kinderbescherming in acht. Bij de uitoefening van de in het eerste
lid, onder d, bedoelde taken neemt de stichting de aanwijzingen van
Onze Minister van Justitie, van de selectiefunctionaris, bedoeld in
artikel 1, onder aa, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, dan wel van de directeur, bedoeld in artikel 1,
onder i, van die wet, in acht.
3. De stichting heeft binnen de door de provincie bij de
subsidiëring gestelde grenzen voorts tot taak:
a. het advies geven aan en, het bijdragen aan de
deskundigheidsbevordering van en het onderhouden van contacten met
algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het
onderwijs, ter versterking van deze algemene voorzieningen en ter
bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij
jeugdigen die tot zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
zouden kunnen leiden;
b. het verlenen van ambulante jeugdzorg anders dan jeugdzorg
als bedoeld in artikel 5, tweede lid , nadat de stichting heeft
vastgesteld dat de cliënt niet is aangewezen op zorg als bedoeld
in artikel 5, tweede lid;
c. het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van
jeugdigen over door hen telefonisch voorgelegde vragen of
problemen.
Artikel 11
1. Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling
houdt, onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, de
uitoefening van de volgende taken in:
a. het naar aanleiding van een melding van kindermishandeling
of een vermoeden daarvan, onderzoeken of sprake is van
kindermishandeling;
b. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de
melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding
geeft;
c. het binnen het bureau jeugdzorg overdragen van een zaak ten
behoeve van de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid,
bedoelde taak;
d. het in kennis stellen van andere justitiële autoriteiten
van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang
van de minderjarige dan wel de ernst van de situatie waarop de
melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft;
e. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft
gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn
ondernomen.
2. Het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling houdt
bovendien in het verstrekken van advies aan een persoon die een
vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die door hem in
verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen
daarbij.
Artikel 12
De stichting heeft verder tot taak aan het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de
aanvang, de wijziging en de beëindiging van jeugdzorg waarvoor een
ouderbijdrage verschuldigd is. Deze mededeling bevat de gegevens die
nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. De mededeling wordt
gedaan met gebruikmaking van een door Onze Ministers vastgesteld
formulier.
Paragraaf 3. Kwaliteit
Artikel 13
1. De stichting legt de wijze waarop het bureau jeugdzorg de in de
wet aan haar opgedragen taken uitvoert schriftelijk vast. Daarbij
wordt in ieder geval aangegeven hoe de werkzaamheden in verband met
deze taken zijn afgezonderd van de werkzaamheden, bedoeld in artikel
4, tweede lid, tweede volzin. Tevens wordt daarbij geregeld op welke
wijze wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens, waaronder bijzondere
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens, die door het bureau worden verwerkt, slechts worden
verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld of voor zover het
verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt
toegezien.
2. De stichting draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering door
het bureau jeugdzorg van de in deze wet aan de stichting opgedragen
taken hetgeen in ieder geval een doeltreffende, doelmatige en
cliëntgerichte uitvoering inhoudt.
3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel
10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de
taken worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de
behoeften van de cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na
overleg met de cliënt.
4. De stichting organiseert de uitvoering van deze taken op
zodanige wijze en voorziet het bureau jeugdzorg daartoe zowel
kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en
draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een
en ander leidt, of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde
uitoefening van deze taken.
5. Het uitvoeren van het vierde lid omvat mede de systematische
bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de uitvoering
van de taken.
6. Ter uitvoering van het vijfde lid draagt de stichting zorg voor:
a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van
gegevens betreffende de kwaliteit van de uitvoering van de taken;
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op
systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering
van het vierde lid leidt tot een verantwoorde uitvoering van de
taken;
c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder
b, zonodig veranderen van de wijze waarop het vierde lid wordt
uitgevoerd.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de deskundigheden waarover de stichting moet
beschikken en kunnen regels worden gesteld over de deskundigheid
waarover bij de stichting werkzame personen moeten beschikken om een
verantwoorde uitvoering van de taken te kunnen realiseren. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld
omtrent de samenwerking van de stichting met de raad voor de
kinderbescherming en de werkwijze van de stichting bij de uitoefening
van de in de artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, genoemde
taken. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
bovendien regels gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken
van de identiteit van de persoon die de kindermishandeling of een
vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in
het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de andere onderwerpen, genoemd in het vierde lid, en
omtrent het eerste lid. Deze regels kunnen voor de verschillende taken
verschillend zijn.
8. De stichting wijst ten aanzien van een cliënt een
contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliënt
gedurende de gehele periode waarin de stichting een van haar
wettelijke taken ten aanzien van de cliënt uitoefent. De
contactpersoon bevordert de continuïteit in de taakuitvoering van het
bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt en is de persoon die de
cliënt in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10,
derde lid, onder b, verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de
taakuitvoering ten aanzien van de cliënt in volgende gevallen
dezelfde contactpersoon aan.
Artikel 14
1. De stichting legt jaarlijks vóór 1 juni een verslag ter
openbare inzage, waarin zij verantwoording aflegt van het beleid dat
zij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter uitvoering van
artikel 13, tweede, vierde en vijfde lid en van de regels gesteld
krachtens artikel 13, zevende lid, alsmede van de kwaliteit van de
uitvoering van haar taken.
2. In dat verslag geeft zij daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze zij cliënten bij haar kwaliteitsbeleid heeft
betrokken;
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de stichting
kwaliteitsbeoordeling heeft plaats gevonden en het resultaat
daarvan;
c. welk gevolg zij heeft gegeven aan klachten en meldingen over
de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.
3. De stichting zendt een afschrift van het verslag aan
gedeputeerde staten van de betrokken provincie, de raad voor de
kinderbescherming en aan de inspectie, alsmede aan de
cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid.
Artikel 15
De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van de
godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond
van de cliënt.
Artikel 16
1. Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de stichting
deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende
mate of op onjuiste wijze naleeft, kunnen zij de stichting een
schriftelijke aanwijzing geven.
2. In de aanwijzing geven gedeputeerde staten met redenen omkleed
aan op welke punten deze wet of de daarop berustende bepalingen niet
of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede
de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de stichting er aan
moet voldoen.
4. Gedeputeerde staten doen van een aanwijzing mededeling aan de
inspectie.
5. Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor een
ernstige aantasting van de belangen van de cliënten redelijkerwijs
geen uitstel kan lijden, kan de ingevolge artikel 47 met het toezicht
belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven, waarvan afschrift
wordt gezonden aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het
bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door
gedeputeerde staten kan worden verlengd.
6. De stichting is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan
de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen.
7. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van de uit een krachtens het eerste
onderscheidenlijk vijfde lid gegeven aanwijzing, onderscheidenlijk
bevel, voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 17 [Vervallen per 01-10-2012]
Hoofdstuk IV. Zorgaanbod
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 18
1. Een zorgaanbieder is een in de Europese Economische Ruimte
gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die zich
blijkens zijn statuten ten doel stelt het bieden van een of meer
vormen van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.
2. Een zorgaanbieder kan, in afwijking van het eerste lid, een
natuurlijke persoon zijn, voor zover het een beroepsbeoefenaar betreft
die is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
Artikel 19
Een zorgaanbieder bij wie een cliënt zijn aanspraak op jeugdzorg tot
gelding kan brengen verleent hem deze zorg waarop deze aanspraak heeft,
tenzij de zorgaanbieder de cliënt kan aantonen dat het verlenen van die
zorg niet binnen de grenzen van de aan de zorgaanbieder verleende
subsidie mogelijk is.
Artikel 20
Een zorgaanbieder en een aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, onder b en c, doen aan de stichting die heeft
vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg, mededeling van de
aanvang en de beëindiging van de zorg. Zij houden de stichting op de
hoogte van de voortgang van de zorg, verschaffen de stichting de
gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg en werken mee aan
deze evaluatie.
Artikel 21
1. Indien het een zorgaanbieder bekend is geworden dat een persoon
die bij hem werkzaam is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt
aan kindermishandeling, doet die zorgaanbieder hiervan onverwijld
melding aan de stichting in verband met de uitoefening van de taak,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e.
2. Indien een persoon die werkzaam is bij een zorgaanbieder bekend
is geworden dat een bij die zorgaanbieder werkzame andere persoon zich
mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, stelt
hij die zorgaanbieder daarvan onverwijld in kennis.
Paragraaf 2. Pleegzorg
Artikel 22
1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, draagt er voor zorg dat
de verzorging en opvoeding van een jeugdige door een pleegouder
geschiedt op basis van een pleegcontract tussen hem en de pleegouder,
dat voldoet aan daaraan door Onze Ministers te stellen eisen.
2. Bij ministeriële regeling worden eisen gesteld met betrekking
tot pleegouders.
Artikel 23
1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, verstrekt aan een
pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie
voor de opvoeding en verzorging van de in het gezin van de pleegouder
geplaatste jeugdige, bestaande uit een door Onze Ministers vast te
stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieën
verschillend kan zijn.
2. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent op het basisbedrag
te verlenen toeslagen of op het basisbedrag toe te passen kortingen.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben betrekking op:
a. het basisbedrag en het bedrag van de toeslagen en kortingen
en de omstandigheden waaronder deze worden verleend of toegepast;
b. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden
verleend en de kortingen worden toegepast.
Paragraaf 3. Kwaliteit
Artikel 24
1. Een zorgaanbieder, niet zijnde een alleen werkende zorgaanbieder
als bedoeld in artikel 18, tweede lid, verleent verantwoorde zorg.
Onder verantwoorde zorg wordt verstaan: zorg van goed niveau, die in
ieder geval doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend
en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt.
2. Tot verantwoorde zorg behoort in ieder geval dat de zorg die
wordt verleend, is gebaseerd op een hulpverleningsplan dat is afgeleid
van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid.
3. Een zorgaanbieder en een aanbieder van zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, plegen, in verband met het
tweede lid, overleg met de stichting omtrent de inhoud van het
hulpverleningsplan. Indien aan een cliënt door meer dan één
zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, onder b, c of d, zorg wordt geboden, werken zij zodanig samen dat
aan de cliënt samenhangende zorg wordt geboden en plegen zij
gezamenlijk over het hulpverleningsplan overleg met de stichting.
Tijdens het overleg wordt vastgesteld welke zorgaanbieder of aanbieder
van zorg als bedoeld in artikel 5 tweede lid, onder b, c of d, belast
is met de coördinatie van de totstandkoming van het
hulpverleningsplan en de uitvoering daarvan. In het hulpverleningsplan
wordt opgenomen welke aanbieder belast is met de coördinatie van de
zorg.
4. Voor zover het betreft cliënten ten aanzien van wie de
stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder
a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het
hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op
elkaar te doen aansluiten.
5. Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt
vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft
waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht, of onderdelen
van het hulpverleningsplan als bedoeld in de artikelen 29o tot en met
29r. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het
hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het
hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de zorg,
doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te
staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is
aangewezen, zal verlenen.
6. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens
instemming, de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger
vereist, indien hij:
a. jonger is dan twaalf jaren, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat
kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
terzake, danwel
c. ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt, en de stichting een besluit heeft
genomen met toepassing van artikel 7, vijfde lid.
7. Indien de cliënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar
nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de instemming
van de wettelijke vertegenwoordiger vereist tenzij de stichting een
besluit heeft genomen met toepassing van artikel 7, vierde lid, tweede
volzin.
Artikel 25
1. De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze,
voorziet de zorgeenheid zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van
personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of
redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de opleidingseisen te stellen aan het personeel
werkzaam bij de zorgaanbieder.
3. Voor zover het betreft een zorgaanbieder die jeugdzorg biedt die
verblijf van cliënten gedurende ten minste een etmaal met zich
meebrengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de
zorgeenheid geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk
aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliënten.
Artikel 26
1. Het uitvoeren van artikel 25 omvat mede de systematische
bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg.
2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de zorgaanbieder,
afgestemd op de aard en omvang van de zorgeenheid, zorg voor:
a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van
gegevens betreffende de kwaliteit van de zorg;
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op
systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering
van artikel 25 leidt tot een verantwoorde zorgverlening;
c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder
b, zonodig veranderen van de wijze waarop artikel 25 wordt
uitgevoerd.
Artikel 27
1. De zorgaanbieder legt jaarlijks vóór 1 juni per zorgeenheid
een verslag ter openbare inzage, waarin hij verantwoording aflegt van
het beleid dat hij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter
uitvoering van de artikelen 24 tot en met 26 en van de kwaliteit van
de zorg die hij in dat jaar heeft verleend.
2. In dat verslag geeft de zorgaanbieder daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze hij cliënten bij zijn kwaliteitsbeleid heeft
betrokken;
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de
zorgeenheid kwaliteitsbeoordeling heeft plaats gevonden en het
resultaat daarvan;
c. welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over
de kwaliteit van de verleende zorg;
d. het aantal malen dat hij een beslissing heeft genomen tot
toepassing van de artikelen 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q,
derde lid, 29r, derde lid, en 29t, onder vermelding van de duur
daarvan, alsmede een overzicht van de omstandigheden die daartoe
aanleiding gaven, alsmede het aantal klachten dat op grond van
artikel 29w is ingediend en de aard van de beslissingen die op de
klachten zijn genomen.
3. De zorgaanbieder zendt een afschrift van het verslag aan
gedeputeerde staten van de betrokken provincie en aan de inspectie,
alsmede aan de cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde
lid.
Artikel 28
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van
de zorg, verleend in een bij de maatregel aangewezen categorie van
zorgaanbod, dit vereist, regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van de artikelen 25 en 26.
2. Indien uitvoering van de artikelen 25 en 26 overeenkomstig de op
grond van het eerste lid gestelde regels niet blijkt te leiden tot
verantwoorde zorg, kunnen bij algemene maatregel van bestuur tevens
nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 24.
Artikel 29
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen door een
zorgaanbieder.
Hoofdstuk IVa. Gesloten jeugdzorg
Paragraaf 1. De machtiging
Artikel 29a
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op minderjarige jeugdigen
alsmede op jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben
bereikt, ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij meerderjarig
werden, een machtiging gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de
toepassing van dit hoofdstuk, in afwijking van artikel 233 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek, als minderjarigen behandeld.
2. In zaken betrekking hebbende op de toepassing van dit hoofdstuk
is een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt,
bekwaam in rechte op te treden. Hetzelfde geldt indien de minderjarige
de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan
worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Artikel 29b
1. De kinderrechter kan op verzoek een machtiging verlenen om een
jeugdige in een accommodatie, het daarbij behorende terrein daaronder
begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij
daarmee instemt.
2. Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog
niet heeft bereikt, kan slechts worden verleend indien:
a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,
b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of
c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem
uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.
3. Een machtiging kan bovendien slechts worden verleend indien naar
het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of
opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid
ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf
noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die
hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden
onttrokken.
4. Een machtiging kan voorts slechts worden verleend indien de
betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een
pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het
derde lid, voordoet.
5. De verklaring, bedoeld in het vierde lid, behoeft de instemming
van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze
Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop
kort tevoren heeft onderzocht.
6. In afwijking van het vierde lid kan de kinderrechter, ten
aanzien van een jeugdige die onder toezicht is gesteld of ten aanzien
van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten
aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, een machtiging
verlenen indien de stichting niet een besluit als bedoeld in het
vierde lid, heeft genomen, doch slechts indien de raad heeft verklaard
dat een geval als bedoeld in het derde lid, zich voordoet. Het vijfde
lid is van overeenkomstige toepassing.
7. Indien de machtiging betrekking heeft op een minderjarige die
onder toezicht is gesteld, geldt de machtiging als een machtiging als
bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
8. Indien degene die het gezag heeft over een jeugdige die met een
machtiging in een accommodatie verblijft, zijn instemming intrekt, kan
die jeugdige gedurende ten hoogste veertien dagen in de accommodatie
verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt, en zijn de paragrafen 3,
4 en 5 op hem van toepassing.
9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitwerking van het criterium, als bedoeld in het derde
lid.
Artikel 29c
1. De kinderrechter kan, indien een machtiging niet kan worden
afgewacht, op verzoek een voorlopige machtiging verlenen om een
jeugdige, met inachtneming van artikel 29b, tweede lid, in een
accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij
daarmee instemt.
2. Een voorlopige machtiging, kan slechts worden verleend indien
naar het oordeel van de kinderrechter onmiddellijke verlening van
jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of
opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar
volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan, en
die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te
voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal
onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
3. Een voorlopige machtiging kan slechts worden verleend indien de
betrokken stichting heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in
het tweede lid, voordoet.
4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, behoeft de instemming
van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze
Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop
kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk
is.
5. Artikel 29b, zesde tot en met negende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 29d
1. Een verzoek, gericht op het verkrijgen van een machtiging of een
voorlopige machtiging, wordt ingediend door de stichting van de
provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft. Indien het verzoek
betrekking heeft op een jeugdige die onder toezicht is gesteld, of ten
aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan
wel ten aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, wordt het
verzoek ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige
zijn woonplaats heeft of door de raad voor de kinderbescherming.
2. Op verzoeken als bedoeld in het eerste lid, is artikel 265,
eerste, derde en vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
alsmede de eerste afdeling van de zesde titel van Boek 3 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 29e
1. De stichting dan wel de raad voor de kinderbescherming legt bij
een verzoek als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, een afschrift van
het besluit, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 29b, vierde
lid, over.
2. In een geval als bedoeld in artikel 29b, zesde lid, legt de raad
voor de kinderbescherming bij een verzoek als bedoeld in artikel 29d,
eerste lid, de verklaring, bedoeld in artikel 29b, zesde lid, over.
3. In de gevallen, bedoeld in artikel 29c, wordt in afwijking van
het eerste en tweede lid, een verklaring van de stichting of de raad
voor de kinderbescherming overgelegd dat naar haar onderscheidenlijk
zijn oordeel een geval als bedoeld in artikel 29c, tweede lid, zich
voordoet.
Artikel 29f
1. Alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging of
voorlopige machtiging te beslissen, hoort de kinderrechter de
jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en
degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en
opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid
is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad
voor de kinderbescherming indien deze de verzoeker is.
2. De rechter geeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand
ambtshalve last tot toevoeging van een raadsman aan de jeugdige.
Artikel 29g
De griffier zendt, onverminderd artikel 805 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, een afschrift van de beschikking inzake de
machtiging aan:
a. de jeugdige indien deze de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt,
b. degene die het gezag over de jeugdige heeft,
c. degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt
en opvoedt,
d. de stichting die het verzoek heeft gedaan, en
e. de raad voor de kinderbescherming.
Artikel 29h
1. De beschikking van de rechter is bij voorraad uitvoerbaar.
2. Bij opneming van de jeugdige in een accommodatie wordt de
machtiging overgelegd.
3. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op
ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op
het verblijf. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel
29d, eerste lid, kan hij de duur verlengen met inachtneming van de
eerste volzin.
4. De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de
stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid.
5. De voorlopige machtiging geldt tot het tijdstip waarop een
beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten
hoogste vier weken.
6. De tenuitvoerlegging van de machtiging kan door de zorgaanbieder
worden geschorst, indien de tenuitvoerlegging naar het oordeel van de
zorgaanbieder niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige
zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door
anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien
blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de
jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of
daaraan door anderen wordt onttrokken.
7. De betrokken stichting doet aan de raad voor de
kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op
grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe
machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een
machtiging. De zorgaanbieder doet aan de stichting en de raad voor de
kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en
intrekking, als bedoeld in het zesde lid.
Artikel 29i
De zorgaanbieder in wiens accommodatie de machtiging ten uitvoer
wordt gelegd, doet van de opneming zo spoedig mogelijk mededeling aan
degene die het gezag over de jeugdige uitoefent, aan de betrokken
stichting en, indien de stichting niet de verzoeker was, aan degene die
het verzoek tot het verlenen van de machtiging heeft ingediend.
Artikel 29j
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het verzoekschrift, bedoeld in artikel 29d, en de
verklaring, bedoeld in artikel 29e.
Paragraaf 2. Accommodaties waarin een machtiging ten uitvoer kan
worden gelegd en bepalingen omtrent zorgaanbieders bij wie een
machtiging ten uitvoer kan worden gelegd
Artikel 29k
1. Een machtiging kan slechts worden ten uitvoer gelegd in een door
Onze Ministers daartoe aangewezen accommodatie van een zorgaanbieder.
De aanwijzing geschiedt niet dan na overleg met de provincie waarin de
accommodatie is gelegen.
2. De rechter kan, indien het een jeugdige betreft van 12 jaar of
ouder, op verzoek van de betrokken stichting of de raad voor de
kinderbescherming, in zijn beschikking inzake de machtiging bepalen
dat deze in afwijking van het eerste lid, ten uitvoer wordt gelegd in
een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. De eerste volzin wordt slechts
toegepast met betrekking tot een jeugdige die op het tijdstip waarop
een machtiging wordt verleend op basis van een veroordeling is
opgenomen in een inrichting. Toepassing geschiedt slechts met
instemming van de jeugdige of indien deze de leeftijd van zestien jaar
nog niet heeft bereikt, met instemming van de jeugdige en degene die
het gezag over hem heeft. De tenuitvoerlegging in een inrichting
geschiedt slechts voor de termijn die nodig is om een behandeling of
opleiding af te ronden. Op de tenuitvoerlegging is de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen van toepassing. Een besluit als bedoeld
in artikel 29b, vierde lid, geeft alsdan, in afwijking van artikel 3,
aanspraak op verblijf als bedoeld in artikel 14 van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 29l
1. Aangewezen kunnen worden accommodaties die geschikt zijn voor
verblijf van jeugdigen die met een machtiging zijn opgenomen.
2. De geschiktheid heeft betrekking op de voorzieningen die nodig
zijn om de veiligheid binnen de accommodatie, de maatschappelijke
veiligheid daarbuiten te waarborgen alsmede de opvoedkundige
doeleinden van de zorg te realiseren. Bij regeling van Onze Ministers
kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.
3. Een aanwijzing kan worden ingetrokken indien de accommodatie
niet langer geschikt is voor verblijf van jeugdigen die met een
machtiging zijn opgenomen of indien de accommodatie niet meer nodig is
voor de tenuitvoerlegging van machtigingen. Artikel 29k, eerste lid,
tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een aanwijzing of intrekking wordt in de Staatscourant bekend
gemaakt.
Artikel 29m
Een zorgaanbieder die aan een leerplichtige jeugdige verblijf biedt
in een accommodatie is gedurende de looptijd van de machtiging een
persoon die zich met de feitelijke verzorging van de jeugdige heeft
belast als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet.
Artikel 29n
1. Een zorgaanbieder die een accommodatie in stand houdt stelt, met
het oog op een zorgvuldige toepassing van maatregelen als bedoeld in
paragraaf 3, een regeling vast omtrent de personen die tot het treffen
daarvan bevoegd zijn en met betrekking tot de wijze waarop tot
toepassing wordt besloten.
2. Een zorgaanbieder die een accommodatie in stand houdt, stelt
huisregels vast die betrekking hebben op een ordelijke gang van zaken,
de veiligheid binnen de accommodatie en het waarborgen van een
pedagogisch klimaat.
3. De huisregels bevatten in ieder geval een regeling van de
bezoektijden, van de controle van de bezoekers en van voorwerpen die
jeugdigen in verband met de veiligheid binnen de inrichting niet in
hun bezit mogen hebben.
Paragraaf 3. Maatregelen die de vrijheid van een jeugdige aantasten
en de gevallen waarin deze kunnen worden toegepast
Artikel 29o
1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een
machtiging opgenomen jeugdige maatregelen bevatten op grond waarvan
hij tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent,
binnen de accommodatie in zijn vrijheden kan worden beperkt. Indien
het plan zodanige maatregelen bevat omschrijft het tevens de gevallen
waarin en de termijn gedurende welke de maatregelen kunnen worden
toegepast.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
a. het verbod zich op te houden op in het hulpverleningsplan
aangegeven plaatsen en zonodig de tijdstippen waarop dat verbod
geldt;
b. tijdelijke plaatsing in afzondering;
c. tijdelijke overplaatsing binnen de accommodatie of naar een
andere accommodatie die is aangewezen op grond van artikel 29k,
eerste lid;
d. het vastpakken en vasthouden.
3. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, die in het
hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen worden toegepast, voor zover
dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de
noodzakelijke jeugdzorg of voor zover dit nodig is voor de veiligheid
van de jeugdige of anderen. De maatregelen bedoeld in het tweede lid,
onder b en c, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig
is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n,
tweede lid.
4. De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede lid, onder b
en c, aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet
onder toezicht is gesteld.
Artikel 29p
1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een
machtiging opgenomen jeugdige hulpverleningsprogramma’s bevatten aan
de toepassing waarvan hij moet meewerken.
2. De hulpverleningsprogramma’s die in het hulpverleningsplan
zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die
het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is
om het met het verblijf beoogde doel te bereiken.
3. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een
machtiging opgenomen jeugdige geneeskundige behandelingsmethoden,
waaronder het toedienen van medicijnen, bevatten die hij moet gedogen.
4. De geneeskundige behandelingsmethoden die in het
hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige
of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor
zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken of
voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen.
5. De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede of vierde
lid aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet
onder toezicht is gesteld. Indien de geneeskundige behandelingsmethode
wordt toegepast ter behandeling van een stoornis van de
geestvermogens, wordt tevens melding gedaan aan het Staatstoezicht op
de volksgezondheid.
Artikel 29q
1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een
machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld
in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van het brief- en
telefoonverkeer of het gebruik van andere communicatiemiddelen
bevatten.
2. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een
machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld
in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van bezoek bevatten of bepalen
dat bezoek slechts onder toezicht kan plaatsvinden.
3. De beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen,
onverminderd artikel 263a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tegen
de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent,
worden toegepast voor zover dit nodig is om te voorkomen dat het met
het verblijf beoogde doel wordt tegengewerkt.
4. Op de beperkingen, bedoeld in het tweede lid, is artikel 42,
eerste en tweede lid, en 43, zevende lid, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29r
1. Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een
machtiging opgenomen jeugdige controlemaatregelen bevatten.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
a. onderzoek aan lichaam en kleding;
b. onderzoek van urine op aanwezigheid van
gedragsbeïnvloedende middelen;
c. onderzoek van de kamer van de jeugdige op de aanwezigheid
van voorwerpen die hij niet in zijn bezit mag hebben;
d. onderzoek van poststukken afkomstig van of bestemd voor de
jeugdigen op de aanwezigheid van voorwerpen, doch slechts in
aanwezigheid van de jeugdige.
3. De controlemaatregelen die in het hulpverleningsplan zijn
opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het
gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om
te controleren of hetgeen in het hulpverleningsplan is opgenomen,
wordt nagekomen. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, kunnen
bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving
van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, of voor zover
dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdzorg aan andere jeugdigen
wordt tegengewerkt.
4. Voorwerpen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn
worden in beslag genomen en voor de jeugdige bewaard of met zijn
toestemming vernietigd, dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand
gesteld.
Artikel 29s
1. De in de artikelen 29o tot en met 29rbedoelde onderdelen van het
hulpverleningsplan worden slechts opgenomen indien dit noodzakelijk is
voor het met de opneming en verblijf beoogde doel. Voorafgaand aan de
vaststelling of wijziging van deze onderdelen wordt overleg gevoerd
met degene die het gezag over de jeugdige heeft. Zij behoeven, in
afwijking van artikel 24, vijfde lid, tweede volzin, niet de
instemming van de jeugdige of degene die het gezag over hem heeft. Zij
behoeven de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een
bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie.
2. Een hulpverleningsplan ten aanzien van een jeugdige die met een
machtiging in een accommodatie verblijft, wordt zo vaak geëvalueerd
als in het belang van de jeugdige noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 29t
Met betrekking tot een jeugdige kunnen, anders dan ter uitvoering van
een hulpverleningsplan of ter handhaving van de huisregels, bedoeld
inartikel 29n, tweede lid, geen maatregelen, methoden of beperkingen,
genoemd in de artikelen 29o tot en met 29r, tegen zijn wil of die van
degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast dan ter
overbrugging van tijdelijke noodsituaties. De toepassing behoeft binnen
vierentwintig uur nadat deze is aangevangen de instemming van een
gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers
aangewezen categorie. De maatregelen, methoden of beperkingen worden ten
hoogste gedurende zeven opeenvolgende dagen toegepast.
Artikel 29u
1. Degene die de beslissing heeft genomen tot toepassing van de
artikelen 29o tot en met 29r of van artikel 29t, draagt er zorg voor
dat de toepassing zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de
jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die
daartoe aanleiding gaven.
2. De zorgaanbieder verstrekt aan de stichting alsmede aan de
ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, elk half
jaar een rapportage over de toepassingen, als bedoeld in het eerste
lid.
Paragraaf 4. Verlof
Artikel 29v
1. Aan een jeugdige kan, naast de mogelijkheden die het
hulpverleningsplan biedt om de accommodatie te verlaten, verlof worden
verleend indien zulks, gelet op de reden waarom de jeugdige in de
accommodatie moet verblijven, verantwoord is.
2. Aan het verlof kunnen voorwaarden worden verbonden betreffende
de zorg en het gedrag van de jeugdige.
3. Verlof wordt slechts verleend indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat de jeugdige de voorwaarden zal naleven.
4. Verlof wordt niet verleend dan nadat een gedragswetenschapper
als bedoeld in artikel 29s, eerste lid, daarmee heeft ingestemd.
5. Het verlof wordt ingetrokken indien voortzetting van het verlof,
gezien de problemen van de jeugdige, niet langer verantwoord is. Het
verlof kan worden ingetrokken indien de jeugdige zich niet aan de
voorwaarden houdt. De aan het verlof verbonden voorwaarden kunnen
worden gewijzigd.
Paragraaf 5. Klachtrecht
Artikel 29w
1. Een jeugdige of degene die het gezag over hem heeft kan binnen
redelijke termijn tegen een beslissing als bedoeld in de artikelen
29h, zesde lid, tweede volzin, 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q,
derde lid, en 29r, derde en vierde lid, de toepassing vanartikel 29t,
of een beslissing aangaande verlof als bedoeld in artikel 29v een
schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie, bedoeld in
artikel 68.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de samenstelling van de klachtencommissie bij de
behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid en de wijze
waarop deze klachten worden behandeld.
3. De klachtencommissie neemt zo spoedig mogelijk, doch in ieder
geval binnen vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop de klacht is
ontvangen, een beslissing op de klacht.
4. De beslissing van de commissie strekt tot:
a. onbevoegdverklaring van de commissie,
b. niet-ontvankelijkverklaring van de klacht,
c. ongegrondverklaring van de klacht, of
d. gegrondverklaring van de klacht.
5. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, vernietigt zij
de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk. Gehele of
gedeeltelijke vernietiging brengt vernietiging van de rechtsgevolgen
van de beslissing of het vernietigde gedeelte van de beslissing mee.
6. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij degene
die de beslissing heeft genomen opdragen een nieuwe beslissing te
nemen en voor het nemen daarvan een termijn stellen.
7. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij bepalen
dat enige tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, aan de
klager geboden is en stelt deze tegemoetkoming vast.
Artikel 29x
1. Hangende de beslissing op de klacht kan de voorzitter van een
beroepscommissie als bedoeld in artikel 1, onder n, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, op verzoek van de
jeugdige, gehoord degene die de beslissing heeft genomen, de
beslissing waartegen de klacht is gericht, schorsen.
2. De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan degene die
de beslissing heeft genomen en de klager.
Artikel 29y
Ten aanzien van een beslissing als bedoeld in artikel 29w, derde lid,
zijn de artikelen 74 tot en met 76 van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk V. Planning
Paragraaf 1. Planning door de provincies
Artikel 30
1. Gedeputeerde staten bieden provinciale staten vóór 1 oktober
van het jaar voorafgaande aan het eerste jaar waarop het betrekking
heeft, een ontwerp aan van het provinciale beleidskader jeugdzorg. Het
ontwerp wordt gelijktijdig met de aanbieding aan Onze Ministers
gezonden.
2. Alvorens het ontwerp van het provinciale beleidskader vast te
stellen, plegen gedeputeerde staten overleg met:
a. de stichting, de in de provincie werkzame zorgaanbieders en
de raad voor de kinderbescherming, teneinde de behoefte aan de
uitvoering van de taken van de stichting te kunnen vaststellen
alsmede afstemming van de door de provincie te subsidiëren
jeugdzorg op de vraag te realiseren en gegevens te verkrijgen die
nodig zijn voor de onder b tot en met d, genoemde afspraken;
b. de colleges van burgemeester en wethouders, teneinde
afspraken te maken over de inzet van de stichting met betrekking
tot de taken, genoemd in artikel 10, derde lid, alsmede over de
inzet van algemene voorzieningen voor jeugdigen bij het
vroegtijdig signaleren van problemen en het voorzien in jeugdzorg
anders dan bedoeld in artikel 5, tweede lid;
c. de in de provincie werkzame zorgverzekeraars, teneinde
afspraken te maken over de zorg waarin door de provincie,
respectievelijk de zorgverzekeraars zal worden voorzien;
d. Onze Minister van Justitie, teneinde afspraken te maken over
de capaciteit van inrichtingen als bedoeld in artikel 1, onder b,
van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen ten behoeve van
aldaar op grond van de artikelen 261 of 305, derde lid, van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek te plaatsen minderjarigen.
3. Gedeputeerde staten stellen de betrokken cliëntenorganisaties
in de gelegenheid te reageren op het ontwerp van het provinciale
beleidskader.
Artikel 31
1. Provinciale staten stellen eenmaal in de vier jaar een
provinciaal beleidskader jeugdzorg voor de komende vier kalenderjaren
vast. Het provinciale beleidskader wordt vóór 1 december van het
jaar voorafgaand aan het eerste jaar waarop het betrekking heeft,
vastgesteld.
2. Het provinciale beleidskader is in overeenstemming met het
landelijk beleidskader.
3. Het provinciale beleidskader bevat de hoofdlijnen van het beleid
ten aanzien van de stichting en de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet
aanspraak bestaat alsmede een financieel kader voor dat beleid.
4. Uitgangspunt bij de vaststelling van het provinciale
beleidskader is dat het aanbod van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet
aanspraak bestaat, aansluit bij de behoefte van cliënten en bij het
uitgangspunt dat jeugdzorg in het algemeen het meest doelmatig en het
meest doeltreffend plaatsvindt in de minst ingrijpende vorm, zo dicht
mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende
een zo kort mogelijke periode.
5. Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg bevat het
provinciale beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop de
zorgverzekeraars, de gemeenten en Onze Minister van Justitie
voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde
jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.
6. Provinciale staten bezien jaarlijks in hoeverre het provinciale
beleidskader bijstelling behoeft en zij stellen het in ieder geval bij
naar aanleiding van een wijziging van het landelijk beleidskader.
7. Afschrift van het provinciale beleidskader wordt zo spoedig
mogelijk na vaststelling gezonden aan Onze Ministers.
8. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de inrichting van
het provinciale beleidskader.
Artikel 32
1. Gedeputeerde staten stellen jaarlijks vóór 1 december het
uitvoeringsprogramma jeugdzorg vast. Gedeputeerde staten zenden het
ontwerp van het uitvoeringsprogramma jaarlijks vóór 1 oktober aan
Onze Ministers.
2. Het uitvoeringsprogramma bevat een overzicht van:
a. de in het aan het jaar van vaststelling voorafgaande
kalenderjaar door de stichting en de gesubsidieerde zorgaanbieders
geleverde activiteiten en de voor de uitvoering van die
activiteiten verstrekte subsidies;
b. de in het jaar van vaststelling, met inachtneming van het
provinciale beleidskader, door de stichting en de zorgaanbieders
te leveren activiteiten en de voor de uitvoering daarvan verleende
subsidies;
c. de in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling,
met inachtneming van het provinciale beleidskader, door de
stichting en de zorgaanbieders te leveren activiteiten en de voor
de uitvoering daarvan beschikbare subsidies.
3. Het uitvoeringsprogramma bevat tevens een overzicht van de in de
jaren waarop het programma betrekking heeft door de in artikel 30,
tweede lid, onder b tot en met d, genoemde instanties, bekostigde of
te bekostigen jeugdzorg.
4. Ten aanzien van de totstandkoming van het in het derde lid,
onder c, bedoelde onderdeel van het uitvoeringsprogramma is artikel
30, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Een tussentijdse wijziging van het provinciale beleidskader
wordt in het uitvoeringsprogramma opgenomen. Op een tussentijdse
wijziging is artikel 30 van overeenkomstige toepassing.
6. Afschrift van het uitvoeringsprogramma wordt gezonden aan Onze
Ministers.
7. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de inrichting van
het uitvoeringsprogramma.
Artikel 33 [Vervallen per 01-10-2012]
Paragraaf 2. Planning door het Rijk
Artikel 34
1. Onze Ministers stellen eenmaal in de vier jaar vóór de
indiening van de begroting van het Rijk een landelijk beleidskader
jeugdzorg voor de komende vier kalenderjaren vast.
2. Het landelijke beleidskader bevat de uitgangspunten voor het
door de provinciebesturen te voeren beleid, alsmede een raming van de
bedragen die het Rijk voornemens is aan de onderscheiden provincies te
verstrekken ten behoeve van de subsidiëring van de stichting en van
de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat. Het
landelijk beleidskader bevat voorts de uitgangspunten voor het door de
gemeentebesturen te voeren beleid inzake de signalering van risico’s
die jeugdigen als bedoeld inhoofdstuk IA in de noodzakelijke condities
voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid
daadwerkelijk bedreigen.
3. Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg, bevat het
landelijke beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop:
a. de gemeenten voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan
jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet
aanspraak bestaat, en waarop zij voornemens zijn vorm te geven aan
de samenwerking, bedoeld in artikel 2g;
b. de zorgverzekeraars voornemens zijn te voorzien in de
behoefte aan zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en
c;
c. Onze Minister van Justitie voornemens is te voorzien in de
behoefte aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder
d.
4. Bij de vaststelling van het landelijke beleidskader wordt
rekening gehouden met het door de provinciebesturen in de voorafgaande
jaren gevoerde beleid, zoals dit blijkt uit de uitvoeringsprogramma's.
5. Het landelijke beleidskader wordt gezonden aan de
provinciebesturen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
6. Jaarlijks bezien Onze Ministers in hoeverre het landelijke
beleidskader bijstelling behoeft. Onze Ministers kunnen het landelijke
beleidskader aanpassen zodra daartoe aanleiding bestaat.
Artikel 35
1. Alvorens het landelijke beleidskader vast te stellen, plegen
Onze Ministers overleg met de colleges van gedeputeerde staten en een
vertegenwoordiging van de colleges van burgemeester en wethouders en
van zorgverzekeraars.
2. Onze Ministers stellen de betrokken cliëntenorganisaties in de
gelegenheid te reageren op het ontwerp van het landelijke
beleidskader.
Artikel 36
1. Onze Ministers stellen jaarlijks vóór de indiening van de
begroting van het Rijk een voortgangsrapportage jeugdzorg vast.
2. De voortgangsrapportage van elk kalenderjaar bevat in ieder
geval een overzicht van:
a. de in het tweede, aan het jaar van vaststelling voorafgaande
kalenderjaar aan gedeputeerde staten verstrekte uitkeringen,
bedoeld in artikel 37, alsmede de wijze waarop in dat jaar deze
uitkeringen door de provincie zijn besteed;
b. de in het aan het jaar van vaststelling voorafgaande
kalenderjaar aan de provincies verstrekte uitkeringen, bedoeld in
artikel 37, alsmede de bestemming die gedeputeerde staten volgens
het op dat jaar betrekking hebbende deel van het
uitvoeringsprogramma daaraan hebben gegeven;
c. de in het jaar van vaststelling, met inachtneming van het
landelijke beleidskader, aan de provincies verleende uitkeringen,
bedoeld in artikel 37, alsmede de bestemming die gedeputeerde
staten volgens het op dat jaar betrekking hebbende deel van het
uitvoeringsprogramma daaraan hebben gegeven;
d. de voor de provincies, uitgaande van het landelijk
beleidskader, beschikbare uitkeringen, bedoeld in artikel 37, voor
het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling.
3. De voortgangsrapportage bevat tevens een overzicht van de in die
jaren uitgevoerde of uit te voeren andere vormen van jeugdzorg dan
waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat en zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, onder b, c en d.
4. Een tussentijdse wijziging van het landelijke beleidskader wordt
in de voortgangsrapportage opgenomen. Op een tussentijdse wijziging is
artikel 35 van overeenkomstige toepassing.
5. De voortgangsrapportage wordt gezonden aan de provinciebesturen
en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
6. Ten aanzien van de totstandkoming van het in het tweede lid,
onder d, bedoelde onderdeel van de voortgangsrapportage is artikel 35
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Uitkeringen en subsidies
Paragraaf 1. Uitkeringen en subsidies van het Rijk
Artikel 37
1. Onze Ministers verstrekken aan de provincies jaarlijks:
a. een uitkering ten behoeve van de door de stichting ingevolge
deze wet uit te voeren taken, ten behoeve van de
vertrouwenspersoon voor de cliënten van de stichting, ten behoeve
van de uitvoering van experimenten of de steunfunctie met
betrekking tot de stichting, en
b. een uitkering ten behoeve van de door zorgaanbieders
verleende jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,
ten behoeve van de vertrouwenspersoon voor de cliënten van de
zorgaanbieders, ten behoeve van de uitvoering van experimenten of
de steunfunctie met betrekking tot deze jeugdzorg, ten behoeve van
cliëntenorganisaties, ten behoeve van het verwerken van gegevens,
bedoeld in artikel 43, en het verstrekken van gegevens, bedoeld in
artikel 44, eerste lid.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere
dan de in het eerste lid, onder b, bedoelde activiteiten op het
terrein van de jeugdzorg worden aangewezen, waarvoor de uitkering,
bedoeld in het eerste lid, onder b, kan worden aangewend.
Artikel 38
1. Onze Ministers kunnen aan een provincie of een
privaatrechtelijke rechtspersoon subsidie verstrekken ten behoeve van
de uitvoering van een experiment of van de steunfunctie, dan wel ten
behoeve van het stimuleren van nieuw beleid.
2. De subsidie wordt verstrekt voor een bij de verlening aan te
geven periode van ten hoogste vier jaar.
3. Onze Ministers kunnen met betrekking tot deze subsidie een
subsidieplafond vaststellen. Daarbij wordt voorzien in de wijze van
verdeling.
4. Onze Minister van Justitie kan aan een rechtspersoon als bedoeld
in artikel 254, tweede lid, en aan een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van
de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister
van Justitie aan te geven kosten daaronder begrepen. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het
verlenen van deze subsidie. Deze regels kunnen betrekking hebben op de
onderwerpen genoemd in artikel 39, eerste lid.
5. Op een rechtspersoon als bedoeld in het vierde lid zijn de
artikelen 13 tot en met 16 en de hoofdstukken VII, VIII, IX, X en XII
van overeenkomstige toepassing. Waar in deze bepalingen wordt
gesproken van gedeputeerde staten wordt daarvoor gelezen Onze Minister
van Justitie.
Artikel 39
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de uitkeringen, bedoeld in artikel 37. Deze
regels kunnen betrekking hebben op:
a. het bedrag van de uitkeringen, dan wel de wijze waarop dit
bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van de uitkeringen en de besluitvorming
daarover;
c. de voorwaarden waaronder de uitkeringen worden verleend;
d. de verplichtingen van de provincies;
e. de vaststelling van de uitkeringen;
f. de intrekking of wijziging van de verlening of de
vaststelling van de uitkering;
g. de betaling of de terugvordering van de uitkeringen en het
verlenen van voorschotten.
2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten
aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 38, eerste lid. Deze
regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, genoemd in het
eerste lid.
Artikel 40
1. Een subsidie als bedoeld in artikel 38 ten laste van een
begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de
voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. De verlening van een uitkering als bedoeld in artikel 37 of een
subsidie als bedoeld in artikel 38 wordt in ieder geval geweigerd in
de gevallen, bedoeld in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht
en indien niet wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
Paragraaf 2. Subsidiëring door de provincies
Artikel 41
1. Gedeputeerde staten verstrekken aan de stichting subsidie ten
behoeve van de ingevolge deze wet uit te voeren taken en kan aan de
stichting subsidie verstrekken ten behoeve van experimenten.
2. Gedeputeerde staten verstrekken aan zorgaanbieders subsidie ten
behoeve van de uitvoering van die jeugdzorg en het verwerken van
gegevens als bedoeld in de artikelen 43 en 44. Gedeputeerde staten
kunnen aan een zorgaanbieders subsidie verstrekken ten behoeve van
experimenten.
3. Gedeputeerde staten kunnen aan een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid subsidie verstrekken voor de uitvoering van de
steunfunctie ten behoeve van de stichting of zorgaanbieders.
4. Gedeputeerde staten verstrekken aan een door hen aangewezen
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid subsidie ten behoeve van
de werkzaamheden van de vertrouwenspersoon, die de rechtspersoon ten
behoeve van hun cliënten aan een stichting en aan zorgaanbieders
beschikbaar stelt.
5. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast omtrent
de subsidiëring. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de
onderwerpen, genoemd in artikel 39.
6. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de in de
verordening, bedoeld in het vijfde lid, te stellen regels over:
a. het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit
bedrag wordt bepaald;
b. de verlening en vaststelling van subsidies;
c. de inrichting van de begroting en het financiële verslag;
d. het toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van
subsidies.
Hoofdstuk VII. Beleidsinformatie
Artikel 42
1. Onze Ministers verwerken gegevens ten behoeve van de
totstandbrenging van een samenhangend beleid ten aanzien van de zorg,
bedoeld in artikel 5, tweede lid.
2. Gedeputeerde staten verwerken gegevens ten behoeve van de
totstandbrenging van een samenhangend provinciaal beleid ten aanzien
van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid en ten behoeve van de
verwerking, bedoeld in het eerste lid.
3. De zorgverzekeraars verwerken gegevens ten behoeve van de
totstandbrenging van samenhang tussen zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onder b en c, en de overige jeugdzorg, alsmede ten behoeve
van de verwerking, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 43
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
stichtingen, de zorgaanbieders, de aanbieders van zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, onder b, c en d, ten behoeve van de verwerking,
bedoeld in artikel 42, de gegevens, bedoeld in artikel 44, zesde lid,
onder a, verwerken en op welke wijze die verwerking plaatsvindt. Onze
Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de wijze van verwerking.
Artikel 44
1. De stichtingen verstrekken ten behoeve van de verwerking,
bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, gegevens aan gedeputeerde
staten van de betrokken provincie en de betrokken zorgverzekeraars.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
raad voor de kinderbescherming en de justitiële jeugdinrichtingen,
bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel
42, eerste en tweede lid, gegevens verstrekken aan Onze Minister van
Justitie of de provincies. Bij die maatregel kan worden geregeld dat
zorgaanbieders gegevens verstrekken aan gedeputeerde staten van de
betrokken provincies ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel
42, tweede lid, en aanbieders van zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onder b, c en d, aan de betrokken zorgverzekeraars ten
behoeve van de verwerking bedoeld in artikel 42, derde lid.
3. Gedeputeerde staten verstrekken gegevens aan Onze Ministers ten
behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
zorgverzekeraars gegevens verstrekken aan Onze Ministers of
gedeputeerde staten van de betrokken provincies ten behoeve van de
verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste of tweede lid.
5. Onze Ministers verstrekken de gegevens aan de provincies en de
betrokken zorgverzekeraars ten behoeve van de verwerking, bedoeld in
artikel 42, eerste lid.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt met het
oog op de verwerking, bedoeld in artikel 42, bepaald:
a. welke gegevens worden verstrekt;
b. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt;
c. de tijdvakken waarop de gegevens die worden verstrekt,
betrekking hebben;
d. de termijnen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
7. Voor zover de gegevens, bedoeld in artikel 42, persoonsgegevens
zijn, worden de regels, bedoeld in het zesde lid, gesteld bij algemene
maatregel van bestuur.
Artikel 45
1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 42, 43 en 44, kunnen
persoonsgegevens zijn, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn
voor:
a. het doelmatig en doeltreffend functioneren van de toegang
tot de jeugdzorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid;
b. het doelmatig en doeltreffend functioneren van de
zorgaanbieders, van de aanbieders van jeugdzorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, onder b en c, en van de raad voor de
kinderbescherming;
c. de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het aanbod aan
jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid.
2. Tot de persoonsgegevens kunnen gegevens behoren betreffende
iemands etnische of culturele achtergrond of gezondheid, alsmede
strafrechtelijke gegevens.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet verwerkt
voor andere doeleinden dan bedoeld in dat lid of een daarmee
verenigbaar doel en worden verwerkt op een wijze die waarborgt dat zij
zo min mogelijk tot een persoon herleidbaar zijn.
Artikel 46
1. Bij ministeriële regeling van Onze Ministers kan worden bepaald
aan welke personen of instanties, die zijn betrokken bij de jeugdzorg,
informatie wordt verstrekt op basis van de gegevens, bedoeld in
artikel 42.
2. Deze informatie bevat geen gegevens op basis waarvan een persoon
redelijkerwijs herleidbaar is.
Hoofdstuk VIII. Toezicht
Artikel 47
1. Er is een Inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze
Minister voor Jeugd en Gezin en die tot taak heeft:
a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene
zin van de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg, waarop ingevolge
deze wet aanspraak bestaat, van de inrichtingen, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen en van de raad voor de kinderbescherming,
alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot
verbetering daarvan;
b. het toezicht op de naleving van de wet en de daarop
berustende bepalingen ten aanzien van de stichtingen en
zorgaanbieders, met uitzondering van artikel 70 en het toezicht op
de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidies;
c. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen bepaalde omtrent de
kwaliteit van de justitiële jeugdinrichtingen;
d. het toezicht op de naleving van artikel 9 van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers, voor zover het betreft
minderjarigen die onder toezicht staan van de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 254, tweede lid, of die onder voogdij staan van
de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek.
2. Met de taken, bedoeld in het eerste lid, zijn belast de
ambtenaren van de inspectie.
3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd
in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De
artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
ambtenaren, belast met de taak bedoeld in het eerste lid, onder a.
4. De ambtenaren van de inspectie nemen bij de vervulling van de
taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, de instructies van Onze
Ministers en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid,
onder b, de instructies van gedeputeerde staten van de betrokken
provincie in acht. Bij de vervulling van de taken, bedoeld in het
eerste lid, onder c en d, nemen zij de instructies van Onze Minister
van Justitie in acht.
5. De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid,
onder a, uit eigen beweging of indien het onderzoeken betreft met
betrekking tot de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg waarop ingevolge
deze wet aanspraak bestaat, op verzoek van Onze Ministers en met
betrekking tot de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de raad voor de
kinderbescherming, op verzoek van Onze Minister van Justitie.
Onderzoeken in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder
d, worden uit eigen beweging verricht of op verzoek van Onze Minister
van Justitie.
6. De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid
onder b uit eigen beweging of op verzoek van gedeputeerde staten van
de betrokken provincie.
7. De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid,
onder c, uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van
Justitie.
8. De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene
bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kan daarbij voorstellen doen
tot verbetering van de kwaliteit. De inspectie stelt het betrokken
overheidsorgaan schriftelijk op de hoogte van haar bevindingen.
9. De inspectie stelt gedeputeerde staten van haar bevindingen ten
aanzien van bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders op de hoogte indien
zij van oordeel is, dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 16,
eerste of zevende lid.
10. De inspectie stelt jaarlijks een verslag op van haar
werkzaamheden. In het verslag doet zij de voorstellen die zij in het
belang van de jeugdzorg nodig acht. Het verslag wordt gezonden aan de
provinciebesturen, Onze Ministers en de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
11. Onze Ministers kunnen regels stellen omtrent de organisatie van
de inspectie.
Artikel 48
1. De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken desgevraagd alle
inlichtingen en leggen desgevraagd alle bescheiden die voor een juiste
taakuitoefening noodzakelijk zijn te achten over aan de door
gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren die belast zijn met de
controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van de door
gedeputeerde staten verleende subsidies.
2. De stichtingen en de zorgaanbieders verlenen de in het eerste
lid bedoelde ambtenaren desgevraagd toegang tot de gebouwen waarin zij
hun werkzaamheden verrichten.
3. Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich van het geven van
inlichtingen of het overleggen van inzage verschonen, voor zover hun
geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de subsidies, bedoeld in artikel 38.
Hoofdstuk IX. Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden
Artikel 49
De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken aan de cliënt
desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden
die deze met betrekking tot de cliënt onder zich hebben.
Artikel 50
1. Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de cliënt
geweigerd, indien deze:
a. jonger dan twaalf jaren is, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat
kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
terzake.
2. Indien de cliënt jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd
van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot
een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden
desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel
inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang
van de jeugdige zich daartegen verzet.
3. Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan
eveneens worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van
een ander dan de cliënt daardoor zou worden geschaad.
4. Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden
gevraagd overeenkomstig de krachtens artikel 39 van de Wet bescherming
persoonsgegevens gestelde regels.
Artikel 51
1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken
de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliënt geen
inlichtingen over de cliënt, dan wel inzage in of afschrift van de
bescheiden dan met toestemming van de cliënt.
2. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens
toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger
vereist, indien hij:
a. jonger is dan twaalf jaren, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat
kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
terzake.
3. Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen degenen van wie
beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de
jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de
voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de
medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de
voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.
Artikel 52
1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een schriftelijke
regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van bescheiden,
alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzage
worden geregeld overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 51.
2. Deze regeling wordt aan de belanghebbenden beschikbaar gesteld.
Artikel 53
1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming
persoonsgegevens, in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of
indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in artikel 11,
eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene
die het betreft persoonsgegevens verwerken.
2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft
slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding
redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden
afgeleid dan wel sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7,
zesde lid.
3. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond
van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder
toestemming van degene die het betreft, aan een stichting inlichtingen
verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie
van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van
kindermishandeling te onderzoeken.
4. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een
stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste
lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband
met de uitvoering van de taak, genoemd in artikel 11, eerste lid.
5. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van
burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene
die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem
betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de
stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een
situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk
vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de
toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als
hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een
mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 54
1. Indien door de stichting bij de uitoefening van de taken,
genoemd in artikel 11, eerste lid, persoonsgegevens worden verkregen
bij anderen dan degene die het betreft, brengt zij de betrokkene
hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na
het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de
hoogte.
2. De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met ten
hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is
voor de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid,
en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van
kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van
kindermishandeling te onderzoeken.
3. In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming
persoonsgegevens kan een stichting de mededeling aan degene die het
betreft dat ten aanzien van hem persoonsgegevens worden verwerkt
achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een
situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk
vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.
Artikel 55
1. Onverminderd het tweede lid en artikel 56 bewaren de stichting
en de zorgaanbieder bescheiden die deze met betrekking tot een cliënt
onder zich hebben gedurende vijftien jaren, te rekenen van het
tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als
redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige hulpverlening
noodzakelijk is.
2. De stichting bewaart, voor zover deze de taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder a, b, en e, uitoefent, de bescheiden tot
het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk
gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een
en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een
bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie
van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie
waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een
minderjarige overwogen dient te worden.
Artikel 56
1. De stichtingen en de zorgaanbieders vernietigen de door hen
bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend
verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben.
2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden
betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van
aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor
zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging
verzet.
3. Het verzoek van een cliënt wordt niet ingewilligd indien deze:
a. jonger is dan twaalf jaren, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat
kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
ter zake.
4. In de gevallen bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door
een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.
Hoofdstuk X. De vertrouwenspersoon
Artikel 57
1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat cliënten van het
door de stichting in stand gehouden bureau jeugdzorg en van de
zorgaanbieders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon.
2. De stichting en de zorgaanbieders stellen vertrouwenspersonen,
werkzaam bij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 41, vierde lid, in
de gelegenheid hun taak uit te oefenen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met
betrekking tot de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en
de verplichtingen van de stichting en de zorgaanbieders.
Hoofdstuk XI. Medezeggenschap
Artikel 58
1. De stichtingen en de zorgaanbieders, niet zijnde een
zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18, tweede lid, stellen een
cliëntenraad in, die binnen het kader van hun doelstelling de
gemeenschappelijke belangen van de cliënten behartigt. De
verplichting tot het instellen van een cliëntenraad geldt voor een
zorgaanbieder ten aanzien van elke door hem in stand gehouden
zorgeenheid. Een zorgaanbieder kan deze verplichting ook nakomen door
instelling van een cliëntenraad die voor meer dan een door hem in
stand gehouden zorgeenheid werkzaam is.
2. De stichtingen en de zorgaanbieders regelen schriftelijk:
a. het aantal leden van de cliëntenraad, de wijze van
benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de
zittingsduur van de leden;
b. de materiële middelen waarover de cliëntenraad ten behoeve
van zijn werkzaamheden kan beschikken.
3. De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de
cliëntenraad:
a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de
cliënten en
b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun
gemeenschappelijke belangen te behartigen.
4. In de cliëntenraad wordt voorzien in tenminste twee plaatsen
voor jeugdigen, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet aangewezen
is.
5. De cliëntenraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip
van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.
6. De kosten van het door de cliëntenraad voeren van
rechtsgedingen als bedoeld in artikel 66, vierde lid, komen slechts
ten laste van de stichting of de zorgaanbieder indien deze van de te
maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
7. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treft
de stichting of de zorgaanbieder de voorzieningen die op grond van die
regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de
cliëntenraad. Zij treffen de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens
wanneer de cliëntenraad gedurende twee jaren niet heeft
gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de regeling
vastgestelde aantal leden.
Artikel 59
1. De stichtingen en de zorgaanbieders stellen de cliëntenraad in
ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk
voorgenomen besluit dat de stichting of een of meer der door een
zorgaanbieder in stand gehouden zorgeenheden betreft, inzake:
a. een wijziging van de doelstelling of grondslag;
b. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of
verbreken van de samenwerking met een andere zorgaanbieder;
c. de gehele of gedeeltelijke opheffing, verhuizing of
ingrijpende verbouwing van de accommodatie waarin de zorg wordt
geboden;
d. een belangrijke wijziging in de organisatie;
e. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging
van de werkzaamheden;
f. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste
zeggenschap zullen uitoefenen bij de leiding van de arbeid;
g. de begroting en de jaarrekening;
h. het algemeen beleid inzake de toelating van cliënten en de
beëindiging van de hulpverlening aan cliënten;
i. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene
beleid op het gebied van de veiligheid, de gezondheid of de
hygiëne en de geestelijke verzorging van en de maatschappelijke
bijstand aan cliënten;
j. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de
kwaliteit met betrekking tot de aspecten: te hanteren methodieken,
organisatie, professionaliteit en materiële voorzieningen;
k. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de
behandeling van klachten van cliënten en het aanwijzen van
personen die belast worden met de behandeling van klachten;
l. wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 58, tweede
lid, en de vaststelling of wijziging van andere voor cliënten
geldende regelingen;
m. recreatiemogelijkheden en ontspanningsactiviteiten voor
jeugdigen;
n. wijziging van een werkplan, voor zover het aangelegenheden
betreft die niet reeds zijn begrepen onder a tot en met k en m en
o;
o. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel
van het zorgaanbod, waarin gedurende het etmaal zorg wordt
verleend aan jeugdigen die in de regel in de zorgeenheid
verblijven.
2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het
wezenlijk van invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3. De cliëntenraad is bevoegd de zorgaanbieder ook ongevraagd te
adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen,
die voor de cliënten van belang zijn.
4. Ingeval een zorgaanbieder meer dan een cliëntenraad heeft
ingesteld en bovendien één cliëntenraad die alle door hem in stand
gehouden zorgeenheden omvat, bevat de regeling, bedoeld in artikel 58,
tweede lid, tevens een voorziening waardoor de in dit hoofdstuk
bedoelde verplichtingen en bevoegdheden slechts behoeven te worden
nagekomen jegens en kunnen worden uitgeoefend door één
cliëntenraad.
Artikel 60
1. De stichtingen en de zorgaanbieders nemen geen van een
schriftelijk uitgebracht advies afwijkend besluit dan nadat daarover,
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, ten minste eenmaal met de
cliëntenraad overleg is gepleegd.
2. De stichtingen en de zorgaanbieders doen van een besluit inzake
een onderwerp waarover de cliëntenraad schriftelijk advies heeft
uitgebracht, schriftelijk, en voor zover zij van het advies afwijken
onder opgave van redenen, mededeling aan de cliëntenraad.
Artikel 61
1. De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken de cliëntenraad
tijdig, en desgevraagd, schriftelijk alle inlichtingen en gegevens die
deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
2. Zij verstrekken de cliëntenraad voorts tenminste eenmaal per
jaar mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent het beleid
dat in het verstreken tijdvak is gevoerd en in het komende jaar zal
worden gevoerd.
Artikel 62
1. De stichtingen en de zorgaanbieders kunnen aan de cliëntenraad
schriftelijk verdergaande bevoegdheden dan de in dit hoofdstuk
genoemde bevoegdheden toekennen.
2. Zij stellen de cliëntenraad in de gelegenheid advies uit te
brengen over een voornemen een besluit te nemen als bedoeld in het
eerste lid en over het voornemen een zodanig besluit te wijzigen.
Artikel 60 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 63
1. De zorgaanbieders, indien deze een rechtspersoon is als bedoeld
in artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien in de
statuten in een regeling die waarborgt dat de cliënten invloed kunnen
uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De regeling houdt ten
minste in dat één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht
van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij deze van de
mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik heeft
onderscheidenlijk hebben gemaakt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het bestuur bestaat
uit één of meer personen die deze functie uitoefent
onderscheidenlijk uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan
een geldelijke beloning is verbonden. In dat geval is het eerste lid
van overeenkomstige toepassing op de samenstelling van het orgaan dat
belast is met het toezicht op of de goedkeuring van besluiten van het
bestuur.
Artikel 64
De stichtingen en de zorgaanbieders stellen jaarlijks een
schriftelijk verslag op over de wijze waarop door hen dit hoofdstuk is
toegepast.
Artikel 65
1. De stichtingen en de zorgaanbieders maken binnen tien dagen na
vaststelling openbaar:
a. het jaarverslag;
b. op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid,
waaronder begrepen de algemene criteria, welke bij de uitvoering
van de taken onderscheidenlijk de zorgverlening worden gehanteerd;
c. de notulen dan wel de besluitenlijst van de vergaderingen
van het bestuur dan wel in de gevallen bedoeld in artikel 63,
tweede lid, van het daar bedoelde orgaan, voor zover deze algemene
beleidszaken betreffen;
d. een regeling inzake de behandeling van klachten en van
andere voor cliënten geldende regelingen, alsmede een regeling
als bedoeld in artikel 58, tweede lid;
e. het verslag, bedoeld in artikel 64.
2. De openbaarmaking geschiedt door de stukken voor cliënten ter
inzage te leggen en hun op verzoek daarvan afschriften te verstrekken.
3. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan op de bij de
stichting of de zorgaanbieder voor het doen van mededelingen aan
cliënten gebruikelijke wijze.
4. Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief
in rekening worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs,
tenzij de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is.
Artikel 66
1. De stichtingen en de zorgaanbieders stellen in overeenstemming
met de cliëntenraad of cliëntenraden een uit drie leden bestaande
commissie van vertrouwenslieden in, waarvan één lid door henzelf
wordt aangewezen, één lid door de cliëntenraad of cliëntenraden
kan worden aangewezen en één lid door beide gezamenlijk wordt
aangewezen.
2. De vertrouwenscommissie heeft tot taak te bemiddelen en zonodig
een bindende uitspraak te doen op verzoek van de cliëntenraad, indien
de stichting of de zorgaanbieder ten aanzien van een onderwerp,
genoemd in artikel 59 eerste lid, onder k en l, waarover de
cliëntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht, een van dat
advies afwijkend besluit wenst te nemen.
3. De stichtingen en de zorgaanbieders kunnen, in afwijking van het
eerste lid, een door een of meer cliëntenorganisaties, een of meer
stichtingen of een of meer organisaties van zorgaanbieders ingestelde
commissie van vertrouwenslieden aanwijzen voor de vervulling van de in
het tweede lid bedoelde taak.
4. De cliëntenraad en iedere cliënt van de stichting of de
zorgaanbieder kan de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de woonplaats van de stichting of de
zorgaanbieder is gelegen, schriftelijk verzoeken de stichting of de
zorgaanbieder te bevelen de artikelen 58, 61, tweede lid, 63 en 65 en
het eerste lid, na te leven. Een verzoeker die niet vooraf
schriftelijk aan de stichting of de zorgaanbieder heeft verzocht te
handelen overeenkomstig hetgeen in het verzoekschrift wordt verzocht
en deze daarbij niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat
verzoek te voldoen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.
5. De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de stichting of de
zorgaanbieder de verplichting opleggen bepaalde handelingen te
verrichten of na te laten.
6. De derde titel van het eerste boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XII. Klachtrecht
Artikel 67
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. klager: degene die als zodanig is aangewezen in de regeling,
bedoeld in artikel 68 doch in ieder geval een cliënt;
b. gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van
een besluit dat gevolgen heeft voor een onder a, bedoelde persoon.
2. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op klachten als bedoeld in artikel 68, eerste lid.
Artikel 68
1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een regeling voor de
behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen
werkzame personen jegens jeugdigen of jegens hun ouders, voogden,
stiefouders, anderen die een jeugdige als behorende tot hun gezin
verzorgen en opvoeden of degenen die anders dan als ouder samen met de
ouder het gezag over de jeugdige uitoefenen. Zij brengen de regeling
op passende wijze onder de aandacht van in ieder geval degenen die als
klager zijn aangewezen.
2. De in het eerste lid bedoelde regeling:
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een uit
ten minste drie leden bestaande klachtencommissie, welke personen
niet werkzaam zijn voor of bij de stichting of de zorgaanbieder;
b. waarborgt dat de klachtencommissie binnen zes weken na
ontvangst van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en,
indien dit niet dezelfde persoon is, de stichting of de
zorgaanbieder, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt
van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet
vergezeld van aanbevelingen;
c. waarborgt dat bij afwijking van de onder b bedoelde termijn
de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet
aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet
dezelfde persoon is, de stichting of de zorgaanbieder, onder
vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar
oordeel over de klacht zal uitbrengen;
d. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door
de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of
schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is
geklaagd;
e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich
bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.
3. De stichtingen en de zorgaanbieders zien erop toe dat de
klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, haar
werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen
reglement.
4. Door of namens een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld
in het tweede lid, onder a, een klacht tegen een stichting of
zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van hen of van voor
hen werkzame personen jegens de klager.
5. De stichting of de zorgaanbieder deelt de klager en de
klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a, binnen vier
weken na ontvangst van het in het tweede lid, onder b, bedoelde
oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel
van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij
naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke.
Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet de
stichting of de zorgaanbieder daarvan met redenen omkleed mededeling
aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn
waarbinnen de stichting of de zorgaanbieder zijn standpunt aan hen
kenbaar zal maken, met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier
weken is.
6. In afwijking van het vierde lid, kan bij de klachtencommissie,
bedoeld in het tweede lid, onder a, eveneens een klacht tegen een
stichting of een zorgaanbieder worden ingediend over een gedraging van
hen of van voor hen werkzame personen, jegens een persoon, als bedoeld
in artikel 67, eerste lid, onder a, die inmiddels is overleden.
7. De stichting en de zorgaanbieder dragen er zorg voor dat over
elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld waarin worden
aangegeven:
a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het
eerste lid;
b. de wijze waarop de stichting en de zorgaanbieder die
regeling onder de aandacht van hun cliënten hebben gebracht;
c. de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in het
tweede lid, onder a;
d. in welke mate die klachtencommissie haar werkzaamheden heeft
kunnen verrichten met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in
het tweede lid;
e. het aantal en de aard van de door die klachtencommissie
behandelde klachten;
f. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van die
klachtencommissie;
g. de aard van de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.
8. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het verslag.
9. De stichting en de zorgaanbieder zenden het verslag voor 1 juni
van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten, aan de
inspectie en aan de betrokken cliëntenorganisaties.
Hoofdstuk XIII. Bijdrage in de kosten van jeugdzorg
Artikel 69
1. De onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel
394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is
toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder van
een jeugdige en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het
gezag uitoefent over een jeugdige, zijn aan het Rijk een bijdrage
verschuldigd in de kosten van aan een jeugdige geboden jeugdzorg van
een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm die verzorging
en verblijf omvat, waarop hij ingevolge deze wet aanspraak heeft of in
de kosten van verblijf in een justitiële jeugdinrichting van een
jeugdige die met toepassing van artikel 261, vijfde lid, van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek aldaar is geplaatst.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage, die naar de leeftijd van de
jeugdige en de aard van de zorg kan verschillen.
3. Indien ten aanzien van een jeugdige meer dan één persoon de
ouderbijdrage verschuldigd is, is ieder der bijdrageplichtigen de
ouderbijdrage verschuldigd met dien verstande dat, indien de een heeft
betaald, de ander is bevrijd.
Artikel 70
1. Een jeugdige aan wie jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in
artikel 69, eerste lid, is aan de zorgaanbieder een bijdrage
verschuldigd in de kosten van de zorg.
2. De eigen bijdrage wordt vastgesteld naar het inkomen van de
jeugdige. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld omtrent het inkomen dat bij de vaststelling van de
bijdrage in aanmerking wordt genomen en omtrent de hoogte van de
bijdrage.
Artikel 71
1. Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien:
a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn
ouders wordt verzorgd en opgevoed;
b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of
ontzet;
c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute
noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken;
d. aan een minderjarige jeugdige nog jeugdzorg wordt geboden
als bedoeld in artikel 69 na schriftelijk aan het Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen kenbaar gemaakt bezwaar door degene die
het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, tenzij het een
jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van
kinderbescherming is getroffen die tot verlening van zodanige zorg
strekt of die deze noodzakelijk maakt;
e. het bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 70, tweede lid, te bepalen inkomen van de jeugdige een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag te boven
gaat.
2. Geen ouderbijdrage is verschuldigd door de ouder of stiefouder
ten aanzien van wie de rechter op de voet van de artikelen 406 en 407
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid,
onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bedrag
heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de
kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind of stiefkind.
Artikel 72
Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er
geen bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de ouder of stiefouder
die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan
de aanvang van de zorg recht op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage
verschuldigd.
Artikel 73
1. De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Landelijk
Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.
2. De eigen bijdrage wordt vastgesteld door de betrokken
zorgaanbieder. Deze is tevens met de inning belast.
Artikel 73a
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan in bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen bepalen dat de
verschuldigde ouderbijdrage, bedoeld in artikel 69, eerste lid, buiten
invordering wordt gesteld.
Artikel 74
1. De bijdrageplichtige, bedoeld in artikel 69, eerste lid, is
verplicht aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor de
vaststelling en inning van de ouderbijdrage.
2. De jeugdige, die ingevolge artikel 70, eerste lid, een eigen
bijdrage verschuldigd is, is verplicht aan de zorgaanbieder die belast
is met de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage alle
inlichtingen te geven die deze daartoe nodig heeft.
3. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk
worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de
vaststelling en de inning van de bijdrage schriftelijk te stellen,
redelijke termijn.
4. Een zorgaanbieder doet, als zich een geval als bedoeld in
artikel 71, eerste lid, onder e, voordoet, daarvan mededeling aan
degene die belast is met de vaststelling van de ouderbijdrage.
Artikel 75
Degene die belast is met de vaststelling van de eigen bijdrage deelt
de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke eigen bijdrage is
verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens
moet worden voldaan.
Artikel 76
1. Indien de eigen bijdrage voor het geheel of voor een deel niet
tijdig is betaald, kan degene die belast is met de inning, van een
bijdrageplichtige de verschuldigde bedragen, vermeerderd met de aan de
invordering verbonden kosten van aanmaning, betekening en executie,
invorderen.
2. Geen invordering geschiedt dan nadat de bijdrageplichtige
schriftelijk is aangemaand om alsnog binnen veertien dagen na
dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de
bijdrageplichtige anders door de middelen bij wet bepaald tot betaling
zal worden gedwongen.
3. Indien de bijdrageplichtige na de aanmaning in gebreke blijft,
kan de invordering geschieden bij een door het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen uit te vaardigen dwangbevel, dat meebrengt het
recht de roerende en onroerende goederen van de bijdrageplichtige
zonder vonnis aan te tasten.
4. De betekening van het dwangbevel geschiedt overeenkomstig de
regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking
tot de betekening van dagvaardingen.
5. Het dwangbevel wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de regels
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de
tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.
6. De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met
een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het
dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet
wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat
de mededeling bedoeld in artikel 75 of de aanmaning niet is ontvangen.
Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de
bijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
7. Voor de toepassing van deze wet kan degene die belast is met de
inning executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel
in afschrift mededeling te doen aan de derde beslagene. Artikel 479 g
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten
Artikel 77
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1.]
Artikel 78
[Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.]
Artikel 79
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]
Artikel 80
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.]
Artikel 81
[Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.]
Artikel 82
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.]
Artikel 83
[Wijzigt de Algemene bijstandswet.]
Artikel 84
[Wijzigt de Algemene nabestaandenwet.]
Artikel 85
[Wijzigt de Werkloosheidswet.]
Artikel 86
[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.]
Artikel 87
[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.]
Artikel 88
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.]
Artikel 89
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.]
Artikel 90
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers.]
Artikel 91
[Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.]
Artikel 92
[Wijzigt de Ziektewet.]
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 94
[Wijzigt de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering
van kinderen.]
Artikel 95
[Wijzigt de Welzijnswet 1994.]
Artikel 96
[Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.]
Artikel 97
[Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.]
Artikel 98
[Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.]
Artikel 99
[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.]
Artikel 100
[Wijzigt de Wet arbeid en zorg.]
Artikel 101
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 102
1. Elke voogdij en voorlopige voogdij, opgedragen aan een
rechtspersoon die op grond van artikel 60, eerste lid, onder a, van de
Wet op de jeugdhulpverlening aanvaard is als voogdij-instelling en die
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als de in artikel 4,
eerste lid, bedoelde stichting wordt aangemerkt, berust met ingang van
dat tijdstip bij die stichting. Een voogdij en een voorlopige voogdij,
opgedragen aan een andere rechtspersoon dan die bedoeld in de eerste
volzin, gaat van rechtswege over op de stichting in de provincie waar
de minderjarige woonplaats heeft. Overgang van de voogdijen en de
voorlopige voogdijen geschiedt niet met betrekking tot die welke de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
uitoefent.
2. Het eerste lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de taken van gezinsvoogdij-instellingen,
genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het
uitoefenen van het voorlopig toezicht, bedoeld in artikel 255 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de bevoegdheden en taken van
gezinsvoogdij-instellingen genoemd in de artikelen 77f, eerste lid,
77j, vijfde lid , 77aa, tweede en derde lid, van het Wetboek van
Strafrecht, en in de maatregel krachtens artikel 77ff, tweede lid, van
het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, een en ander zoals die bepalingen tot het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidden. Overgang met
betrekking tot de taken, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, en het uitoefenen van het voorlopig toezicht,
bedoeld in artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
geschiedt niet voor wat betreft de gezinsvoogdijen die de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
uitoefent.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de kinderrechter
op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de raad
voor de kinderbescherming, van belanghebbenden of ambtshalve, de
voogdij opdragen aan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, die
werkzaam is in de provincie waar de minderjarige verblijft ten tijde
van de inwerkingtreding van deze wet, alsmede een minderjarige onder
toezicht stellen van een zodanige stichting.
4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid kan tot zes maanden na
de inwerkingtreding van deze wet worden gedaan.
Artikel 103
1. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, ontvingen van
een voorziening van jeugdhulpverlening in de zin van de Wet op de
jeugdhulpverlening hebben, tot het tijdstip waarop de bevoegde
stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, in afwijking van artikel 3, derde lid, aanspraak op jeugdzorg te
verlenen door de betrokken voorziening van jeugdhulpverlening.
2. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak hadden
op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, behouden
deze aanspraak tot de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, of artikel 9b, vijfde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden.
3. De bevoegde stichting neemt een besluit als bedoeld in het
eerste of tweede lid, op het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder c, is verstreken, doch in ieder geval
vóór 1 januari 2006.
Artikel 104
1. Onze Ministers kunnen tot een bij koninklijk besluit vast te
stellen tijdstip, in de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
onder a, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken
subsidie aan het bureau jeugdzorg ten behoeve van de uitoefening van
de voogdij, de ondertoezichtstelling of de taken bedoeld in artikel
10, eerste lid, onder c en d waarbij de taak wordt uitgevoerd door een
persoon in dienst van een door Onze Ministers aan te wijzen
instelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Wet
op de jeugdhulpverlening met een landelijk bereik die in het jaar
voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet als
instelling met een landelijk bereik subsidie ontving, voor zover dit
nodig is om de continuïteit van de werkzaamheden van die instelling
voor hun doelgroep te garanderen.
2. Onze Ministers kunnen tot een bij koninklijk besluit vast te
stellen tijdstip, in de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
onder b, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken
subsidie aan een door Onze Ministers aan te wijzen uitvoerder van een
landelijke voorziening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Wet op de jeugdhulpverlening die in het jaar voorafgaand aan het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet als landelijke voorziening
subsidie ontving, voor zover dit nodig is om de continuïteit van hun
zorgaanbod te garanderen.
Artikel 105
Een beslissing van een stichting, de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek of een zorgaanbieder op een verzoek als bedoeld in de
artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens, alsmede een beslissing naar aanleiding van
de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 van die
wet gelden, ook voor zover de stichting, de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek of de zorgaanbieder de beslissing heeft genomen als
bestuursorgaan, voor de toepassing van Hoofdstuk 8 van die wet, als een
beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.
Artikel 106
1. Stichtingen stellen uiterlijk zes maanden na het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 58, tweede lid, een regeling vast als
bedoeld in dat artikellid.
2. Stichtingen treffen uiterlijk drie maanden nadat de in het
eerste lid bedoelde regeling is vastgesteld, de voorzieningen die op
grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de
leden van de cliëntenraad.
3. De artikelen 59 en 60 blijven buiten toepassing met betrekking
tot besluiten, genomen vóór de datum van benoeming van de leden van
de cliëntenraad.
4. De statuten van de stichting zijn uiterlijk zes maanden na het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 63 in overeenstemming met
dat artikel.
5. Stichtingen treffen de in artikel 68 bedoelde regeling binnen
zes maanden na de inwerkingtreding van dat artikel.
Artikel 107
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. In afwijking van artikel 32, eerste lid, wordt bij regeling van
Onze Ministers de inhoud van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in het
eerste lid, en van het daarop volgende uitvoeringsprogramma geregeld.
3. In afwijking van artikel 36, tweede lid, wordt bij regeling van
Onze Ministers de inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in het
eerste lid, en van de daarop volgende twee voortgangsrapportages
geregeld.
Artikel 108
1. Indien de aanvaarding van de rechtspersoon, bedoeld in artikel
302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek eindigt, gaat
met ingang van het tijdstip van de beëindiging elke voogdij die was
opgedragen aan die rechtspersoon van rechtswege over op de stichting
in de provincie waar de desbetreffende minderjarige duurzaam
verblijft.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de
aanvaarding van de in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtspersoon eindigt.
Artikel 109
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van
deze wet wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is
bekend gemaakt en aan eenieder de gelegenheid is geboden om binnen vier
weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en
bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met
de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 110
1. Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding
van de wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van deze wet in de praktijk.
2. Het verslag als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval:
a. een evaluatie van de waarde van de provincie als
verantwoordelijke bestuurslaag;
b. de aansluiting van de landelijke, provinciale en locale
jeugdzorg;
c. een evaluatie van de continuïteit van de zorg in het gezin;
d. het bestaan van wachtlijsten, en
e. een evaluatie van de werking van de bekostigingssystematiek.
Artikel 111
1. De Wet op de jeugdhulpverlening wordt ingetrokken, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de financiële
verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van die wet
verleende subsidies en uitkeringen.
2. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die
op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening zijn genomen, dan wel op
tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven,
zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van
toepassing, die golden voor de intrekking van die wet.
Artikel 112
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. [Vervallen.]
3. Tot het tijdstip waarop artikel 14 van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen in werking treedt, is plaatsing van een
jeugdige als bedoeld in artikel 14 in een justitiële jeugdinrichting
als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, slechts mogelijk indien de stichting een besluit
heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is
aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in de eerste volzin niet kan
worden afgewacht. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in die
volzin.
4. [Wijzigt deze wet]
5. Voor de toepassing van artikel 10 en van artikel 261 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek wordt tot het tijdstip, bedoeld in het
derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met
een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
6. Tot het tijdstip waarop artikel 14 van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen in werking treedt, is artikel 10, eerste
lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een
plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 113
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de jeugdzorg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 april 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de zesde juli 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|