| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE KAMERS VAN KOOPHANDEL EN
FABRIEKEN 1997
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit heffingen kamers van koophandel en fabrieken
- Regeling bijdragen en vergoedingen kamers van koophandel
WET van 24 december 1997, houdende regels
omtrent de kamers van koophandel en fabrieken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regels te stellen omtrent de instelling, het bestuur, de taken en de
financiering van de kamers van koophandel en fabrieken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. SER: Sociaal-Economische Raad;
c. kamer: kamer van koophandel en fabrieken;
d. hoofdvestigingskamer: de kamer waarbij de onderneming op grond
van artikel 18, zesde lid, van de Handelsregisterwet 2007
ingeschreven is of behoort te zijn;
e. nevenvestigingskamer: de kamer in het gebied waarvan een
nevenvestiging van de onderneming gelegen is, niet zijnde de
hoofdvestigingskamer;
f. samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband bedoeld in
artikel 22a;
g. overlegorganisatie: een privaatrechtelijke rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid, die niet bedrijfsmatig werkzaam is,
blijkens zijn statuten met betrekking tot meerdere bedrijfstakken
tot doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers of
werknemers en door de SER voor meerdere kamers als organisatie als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, is aangewezen.
Hoofdstuk 2. Instelling van de kamers
Artikel 2
1. Over het gehele land zijn er kamers van koophandel en fabrieken
die tot doel hebben de bevordering van de economische belangen van
handel, industrie, ambacht en dienstverlening in hun gebied.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de kamers
ingesteld en opgeheven en wordt voor elke kamer het gebied
vastgesteld.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van de gevolgen van de instelling,
opheffing en gebiedsindeling van de kamers, waarbij zonodig voor de
duur van ten hoogste vier jaren kan worden afgeweken van het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 8, 9, 10, 11, 17, 36, 45, 45a, 47, 48,
49, 51 en 52 en artikel 49 van de Handelsregisterwet 200..
4. Alvorens Onze Minister een voordracht voor een besluit als
bedoeld in het tweede of derde lid doet, stelt hij de kamers, waarvan
het gebied bij het in overweging zijnde besluit betrokken is, in de
gelegenheid van hun inzicht te doen blijken.
Artikel 3
1. De kamers bezitten rechtspersoonlijkheid.
2. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met
uitzondering van de artikelen 12, eerste lid, 13, tweede en derde lid,
en 14, tweede lid.
Artikel 4
De bepalingen van deze wet zijn tevens van toepassing op instellingen
die door de kamers met de uitvoering van een deel van hun taken als
bedoeld in de artikelen 23 tot en met 29 worden belast.
Hoofdstuk 3. Bestuur van de kamers
Paragraaf 1. Inrichting van het bestuur
Artikel 5
1.Het bestuur van een kamer bestaat uit een algemeen bestuur en een
voorzitter.
2.Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de kamer.
Artikel 6
1. Het algemeen bestuur benoemt al dan niet uit zijn midden een
voorzitter. De uit het midden van het algemeen bestuur benoemde
voorzitter is lid van het algemeen bestuur en heeft stemrecht. De niet
uit het midden van het algemeen bestuur benoemde voorzitter is lid van
het algemeen bestuur en heeft geen stemrecht. Voor de toepassing van
artikel 7 wordt de niet uit het midden van het algemeen bestuur
benoemde voorzitter niet als lid van het algemeen bestuur aangemerkt.
2. Het algemeen bestuur benoemt uit zijn midden een
plaatsvervangend voorzitter.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde benoemingen geschieden
voor een door het algemeen bestuur te bepalen termijn, die de
zittingsduur van het algemeen bestuur niet overschrijdt.
4. Het algemeen bestuur kan een voorzitter of plaatsvervangend
voorzitter schorsen of ontslaan.
5. Onze Minister kan in bijzondere omstandigheden een voorzitter of
plaatsvervangend voorzitter schorsen of ontslaan, gehoord het algemeen
bestuur.
Paragraaf 2. Samenstelling van het algemeen bestuur
Artikel 7
1.Het algemeen bestuur bestaat voor eenderde deel uit leden
afkomstig uit de kring van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf,
voor eenderde deel uit leden afkomstig uit de kring van overige
ondernemers en voor eenderde deel uit leden afkomstig uit de kring van
werknemers.
2.Het aantal leden van het algemeen bestuur bedraagt ten hoogste
vierentwintig.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
over de criteria ter bepaling van het in het tweede lid bedoelde
aantal.
Artikel 8
1.De leden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij
treden tegelijk af en kunnen ten hoogste tweemaal worden herbenoemd.
2.Degene die lid is geworden ter vervulling van een tussentijds
opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens
plaats hij is getreden, had moeten aftreden.
Artikel 9
1.Tot lid van het algemeen bestuur van een kamer kunnen alleen
worden benoemd degenen, die:
a. nauw betrokken zijn bij een onderneming in het gebied van de
kamer;
b. niet in staat van faillissement verkeren of anderszins de
beschikking of het beheer over hun goederen verloren hebben;
c. voorafgaand aan de benoeming niet meer dan acht jaren hebben
deel genomen aan het bestuur van een kamer;
d. niet reeds, voor dezelfde zittingsperiode, benoemd zijn tot
lid van het algemeen bestuur van een andere kamer en
e. niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het
kiesrecht in de zin van de Kieswet zijn ontzet.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen eisen worden gesteld met
betrekking tot de benoembaarheid tot lid van het algemeen bestuur.
3.De in het tweede lid bedoelde regeling bevat in ieder geval een
benoemingscode, op grond waarvan de benoemingsgerechtigde organisaties
hun leden in het algemeen bestuur benoemen.
4.De in het tweede lid bedoelde regeling en iedere wijziging
hiervan treden niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 10
1.De SER bepaalt, met inachtneming van de bij of krachtens artikel
7 gestelde regels, voor iedere kamer en voor iedere zittingsperiode
afzonderlijk, de takken van handel, industrie, ambacht en
dienstverlening waarvoor leden zitting hebben in de kamer, alsmede het
aantal leden dat voor elk van de aangewezen takken in de kamer zitting
heeft.
2.Voordat de SER een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt,
stelt hij het algemeen bestuur in de gelegenheid van zijn inzicht
daaromtrent te doen blijken.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid alsmede van het
openstellen van de in het tweede lid bedoelde gelegenheid doet de SER
openbare kennisgeving.
Artikel 11
1. De leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door
organisaties van ondernemers en van werknemers die daartoe, met
inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 7 en 10 bepaalde,
voor iedere kamer en iedere zittingsperiode afzonderlijk door de SER
zijn aangewezen.
2. Voor aanwijzing komen uitsluitend in aanmerking organisaties die
naar het oordeel van de SER van voldoende betekenis zijn voor de
ondernemers of de werknemers in het gebied van de kamer.
3. Bij de aanwijzing van een organisatie bepaalt de SER het aantal
leden dat die organisatie benoemt, alsmede voor welke tak elk te
benoemen lid zitting heeft. De SER kan bepalen dat de benoeming van
één of meer leden zal geschieden door twee of meer aangewezen
organisaties gezamenlijk.
4. Voordat de SER de organisaties aanwijst stelt hij het algemeen
bestuur van de betrokken kamer in de gelegenheid van zijn inzicht
omtrent de aanwijzing te doen blijken.
5. Onze Minister kan in bijzondere omstandigheden een lid schorsen
of ontslaan, gehoord de organisatie die het betreffende lid heeft
benoemd.
6. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het algemeen
bestuur en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
Artikel 11a
1. Een voorzitter meldt het voornemen tot het aanvaarden van een
andere functie anders dan uit hoofde van zijn functie aan Onze
Minister.
2. Andere functies van een lid anders dan uit hoofde van zijn
functie worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt door het ter
inzage leggen van een opgave van deze nevenfuncties bij de betreffende
kamer.
Paragraaf 3. Samenstelling van het dagelijks bestuur
Artikel 12
1. Een kamer kan naast een algemeen bestuur een dagelijks bestuur
hebben.
2. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van
het dagelijks bestuur.
3. Buiten de voorzitter bestaat het dagelijks bestuur uit een door
het algemeen bestuur uit zijn midden te benoemen aantal overige leden
dat ten minste twee en ten hoogste zes bedraagt.
4. De zittingsduur van het dagelijks bestuur is gelijk aan de
zittingsduur van het algemeen bestuur.
5. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks
bestuur schorsen of ontslaan.
Paragraaf 4. Bezoldiging van het bestuur
Artikel 13
Bij regeling van Onze Minister worden regels vastgesteld ten aanzien
van de aan het lidmaatschap van het algemeen of dagelijks bestuur en de
aan het voorzitterschap verbonden schadeloosstelling.
Paragraaf 5. Het personeel
Artikel 14
1. Het personeel van een kamer bestaat uit een directeur en het
overige personeel.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de bezoldiging van het personeel.
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 4. Bevoegdheden en werkwijze van het bestuur
Artikel 16
Het algemeen bestuur draagt zorg voor de uitvoering van de taken van
de kamer.
Artikel 17
Het algemeen bestuur stelt een bestuursreglement vast. Daarin worden
in elk geval regels gesteld omtrent de wijze waarop beslissingen van het
algemeen en dagelijks bestuur worden voorbereid, genomen en uitgevoerd,
wordt geregeld welke bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, 37, eerste lid, 45, eerste lid, 47,
eerste lid, 51, derde lid, en 52, tweede lid, het algemeen bestuur
overdraagt aan het dagelijks bestuur en worden regels gesteld omtrent de
taak en bevoegdheden van de directeur.
Artikel 18
1.Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al
hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter overweging en
beslissing moet worden gebracht.
2.Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de
besluiten van het algemeen bestuur.
Artikel 19
De voorzitter vertegenwoordigt de kamer in en buiten rechte.
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 21
1.De vergaderingen van het algemeen bestuur worden in het openbaar
gehouden.
2.De deuren worden gesloten wanneer ten minste een vijfde van de
aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.
3.Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren
zal worden vergaderd.
Artikel 22
In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten
over:
a. de vaststelling van de begroting, van de jaarrekening, van het
activiteitenplan en van het jaarverslag;
b. een besluit als bedoeld in artikel 35, eerste lid, en artikel
37, eerste lid;
c. de ontheffing uit zijn functie onderscheidenlijk het ontslag
van een al dan niet uit het midden van het algemeen bestuur benoemde
voorzitter of
d. de benoeming en de ontheffing uit hun functie van de leden van
het dagelijks bestuur.
Hoofdstuk 4A. Het samenwerkingsverband
Artikel 22a
De vereniging met de naam Kamer van Koophandel Nederland wordt
aangemerkt als samenwerkingsverband in de zin van deze wet.
Artikel 22b
Behalve de in deze wet opgedragen taken kunnen bij algemene maatregel
van bestuur aan het samenwerkingsverband coördinerende en faciliterende
taken worden opgedragen met betrekking tot het verkeer tussen de kamers
onderling of tussen Onze Minister en de kamers.
Hoofdstuk 5. Taken van de kamers en voorwaarden voor de
taakuitoefening
Paragraaf 1. Taken
Artikel 23
Een kamer heeft tot taak desgevraagd inlichtingen van algemene aard
te verstrekken ten aanzien van het oprichten en drijven van een
onderneming in haar gebied.
Artikel 24
Een kamer heeft tot taak:
a. gerichte voorlichting te geven op juridisch en economisch
terrein ten aanzien van een in haar gebied gevestigde of nog te
vestigen onderneming; en
b. voorlichting te geven over aangelegenheden op juridisch en
economisch terrein aan groepen van personen die in haar gebied een
onderneming drijven of overwegen een onderneming op te richten.
Artikel 25
1.Een kamer heeft tot taak het stimuleren van economische
ontwikkelingen in haar gebied door middel van het bevorderen van
onderzoeken, overleg- en samenwerkingsvormen en het desgevraagd of uit
eigen beweging adviseren van openbare lichamen over aangelegenheden
die de economische belangen van handel, industrie, ambacht en
dienstverlening in haar gebied raken.
2.Een kamer kan ten behoeve van een onderzoek, overleg- of
samenwerkingsvorm als bedoeld in het eerste lid een subsidie
verstrekken.
3.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het totale bedrag dat een kamer in een jaar op grond
van het tweede lid verstrekt.
Artikel 26
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld ten aanzien van de in de artikelen 23, 24 en 25 bedoelde taken.
Artikel 27
1.Met betrekking tot de taken als bedoeld in artikel 24 en 25 komen
de kamers jaarlijks, na overleg met Onze Minister en de
overlegorganisaties, overeen welke activiteiten door de kamers in het
eerstkomende kalenderjaar op zoveel mogelijk uniforme wijze worden
verricht.
2.Het secretariaat met betrekking tot de afspraken bedoeld in het
eerste lid wordt gevoerd door het samenwerkingsverband.
3.Het samenwerkingsverband zendt de afspraken jaarlijks vóór 15
september aan Onze Minister.
4.De afspraken behoeven de instemming van Onze Minister.
5.Onze Minister beslist binnen 6 weken na het verstrijken van de in
het derde lid genoemde termijn, of hij met de afspraken instemt.
6.De in het vijfde lid bedoelde instemming wordt geacht te zijn
gegeven, indien binnen de in dat lid genoemde termijn van 6 weken geen
bericht van instemming is verzonden of geen bericht is verzonden dat
de beslissing omtrent instemming wordt verdaagd, dan wel binnen de
termijn waarvoor de beslissing is verdaagd, geen beslissing omtrent
instemming is genomen.
7.Indien de in het derde lid bedoelde termijn is verstreken zonder
dat Onze Minister de afspraken heeft ontvangen of indien Onze Minister
niet met de afspraken heeft ingestemd, kan Onze Minister bij regeling
vaststellen welke activiteiten door de kamers in het eerstkomende
kalenderjaar op zoveel mogelijk uniforme wijze worden verricht.
8.Het samenwerkingsverband brengt jaarlijks vóór 1 april aan Onze
Minister verslag uit over de uitoefening van de activiteiten, bedoeld
in het eerste of zevende lid, in het voorgaande kalenderjaar.
Artikel 28
1.Voor zover daaromtrent geen andere regeling geldt heeft een kamer
de bevoegdheid om desgevraagd:
a. verklaringen ten dienste van handel, industrie, ambacht en
dienstverlening af te geven;
b. handtekeningen van personen die bij handel, industrie,
ambacht en dienstverlening betrokken zijn, te legaliseren;
c. een onderzoek te houden en een verklaring af te geven inzake
de toelaatbaarheid van een handelsnaam.
2.De kamers werken samen ter bevordering van de uniforme uitvoering
van de in het eerste lid bedoelde taken.
3.Bij ministeriële regeling kunnen ter implementatie van
bepalingen uit bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie of
het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, die betrekking hebben
op het afgeven van verklaringen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, nadere regels worden gesteld.
Artikel 29
Een kamer kan besluiten andere dan de in dit hoofdstuk of elders bij
of krachtens wet geregelde taken uit te oefenen, voor zover deze passen
binnen de in artikel 2, eerste lid, aangegeven doelstelling.
Paragraaf 2. Voorwaarden voor de taakuitoefening
Artikel 30
1.Een kamer oefent de in artikel 28 en 29 bedoelde werkzaamheden
uit voor zover daarin niet in voldoende mate wordt voorzien door
rechtspersonen die volgens hun statuten tot doel hebben de belangen
van ondernemers te behartigen en draagt er zorg voor dat deze
werkzaamheden niet leiden tot mededinging met ondernemingen of vrije
beroepsbeoefenaren die uit een oogpunt van een goede marktwerking
ongewenst is.
2.Een kamer draagt er voorts zorg voor dat haar werkzaamheden niet
leiden tot het verhinderen, beperken of vervalsen van de mededinging
tussen ondernemingen of vrije beroepsbeoefenaren.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op het
eerste en tweede lid regels worden gesteld die inhouden dat:
a. bepaalde werkzaamheden door de kamers niet mogen worden
verricht of
b. de kamers zich bij bepaalde werkzaamheden dienen te gedragen
overeenkomstig een in dat besluit aangegeven wijze.
4.Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van rechtspersonen van wie de meerderheid van
de aandelen of de stemrechten in de algemene vergadering direct of
indirect in handen is van een of meer kamers, of van wie de
meerderheid van de bestuurders of van de commissarissen direct of
indirect door een of meer kamers wordt benoemd.
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 6. Financiering
Paragraaf 1. Heffing ten behoeve van wetsuitvoering
Artikel 32 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 33 [Vervallen per 01-07-2008]
Paragraaf 2. Nationale en regionale retributies
Artikel 34
1.Voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 27,
eerste of zevende lid, stelt Onze Minister bij regeling de
vergoedingen vast die verschuldigd zijn ter gehele of gedeeltelijke
financiering van de aan de uitvoering van deze activiteiten voor de
kamers verbonden kosten.
2.Het samenwerkingsverband doet met het oog op de vaststelling,
bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister jaarlijks vóór 1
november een voorstel toekomen.
3.Onze Minister stelt binnen 6 weken na het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde termijn, de in het eerste lid bedoelde
vergoedingen vast.
Artikel 35
1. Voor activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in
artikel 24 en 25, stelt een kamer ter gehele of gedeeltelijke
financiering van de aan de uitvoering van die activiteiten voor een
kamer verbonden kosten, de vergoedingen vast voor zover die
activiteiten geen deel uitmaken van de in artikel 27, eerste of
zevende lid, bedoelde activiteiten.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze waarop de hoogte van de in het eerste lid
bedoelde vergoeding wordt bepaald.
3. De in het eerste lid bedoelde besluiten worden bekendgemaakt
door terinzagelegging ten kantore van de kamer en publicatie daarvan
in een door Onze Minister aangewezen publicatieblad.
4. In afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, behoeven de vergoedingen, bedoeld in het
eerste lid, geen goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 35a
1. Indien een kamer besluit tot het uitvoeren van taken als bedoeld
in artikel 28 of 29, geschiedt zulks tegen vergoeding van de aan de
uitvoering van die taken voor de kamer verbonden kosten.
2. Vergoedingen en bijdragen die aan een kamer zijn verschuldigd
anders dan op basis van het eerste lid, worden niet aangewend ter
vergoeding van kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de in
het eerste lid genoemde taken.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van rechtspersonen van wie de meerderheid van de aandelen of
de stemrechten in de algemene vergadering in handen is van een of meer
kamers, of van wie de meerderheid van de bestuurders of van de
commissarissen door een of meer kamers wordt benoemd.
4. In afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, behoeft een vergoeding als bedoeld in
het eerste lid geen goedkeuring van Onze Minister.
Paragraaf 3. De nationale en regionale heffing
Artikel 36
1.Voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 27,
eerste of zevende lid, alsmede van de taak, bedoeld in artikel 23,
stelt Onze Minister ter financiering van de aan de uitvoering van deze
taken verbonden kosten, voor zover deze wat betreft de in artikel 24
bedoelde taak niet worden gedekt door de in artikel 34 bedoelde
vergoedingen, bij regeling een bijdrage vast welke ondernemingen voor
ieder kalenderjaar of gedeelte daarvan verschuldigd zijn.
2.Het samenwerkingsverband doet met het oog op de vaststelling,
bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister jaarlijks vóór 1
november een voorstel toekomen.
3.Onze Minister stelt binnen 6 weken na het verstrijken van de in
het tweede lid bedoelde termijn, de in het eerste lid bedoelde
bijdragen vast.
Artikel 36a
1.Voor de uitvoering van bij of krachtens andere wetten dan deze
wet geregelde taken stelt Onze Minister ter financiering van de aan de
uitvoering van die taken verbonden kosten, voor zover bij of krachtens
die wetten de financiering van de aan die uitvoering verbonden kosten
niet is geregeld, bij regeling een bijdrage vast welke ondernemingen
voor ieder kalenderjaar of gedeelte daarvan verschuldigd zijn.
2.Artikel 36, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 37
1. Een kamer stelt ter financiering van de kosten verbonden aan de
uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 24 en 25, voor zover
de uitvoering van deze taken niet plaatsvindt door de in artikel 27,
eerste of zevende lid, bedoelde activiteiten, een bijdrage vast welke
ondernemingen voor ieder kalenderjaar of een gedeelte daarvan
verschuldigd zijn, voor zover deze kosten niet worden gedekt door de
in artikel 35 bedoelde vergoedingen.
2. Een kamer zendt Onze Minister jaarlijks vóór 1 november een
afschrift van het besluit tot vaststelling van de in het eerste lid
bedoelde bijdrage.
3. Onze Minister beslist binnen 6 weken na het verstrijken van de
in het tweede lid bedoelde termijn, of de goedkeuring, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen,
wordt verleend.
4. Onverminderd artikel 17, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen kan de goedkeuring worden onthouden
indien Onze Minister bezwaar heeft tegen de hoogte van het in het
desbetreffende besluit vastgestelde bedrag.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze waarop de hoogte van de in het eerste lid
bedoelde bijdrage wordt bepaald.
6. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt bekendgemaakt
door terinzagelegging daarvan ten kantore van de kamer en publicatie
daarvan in een door Onze Minister aangewezen publicatieblad.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 41
1. De in de artikelen 36 en 37 bedoelde bijdragen zijn verschuldigd
door degene aan wie de onderneming toebehoort onderscheidenlijk door
de rechtspersoon. Behoort de onderneming aan meer dan één persoon
toe, dan zijn allen hoofdelijk verbonden.
2. Een kamer is bevoegd de betaling van een vergoeding of bijdrage
af te dwingen door het uitvaardigen van een dwangbevel.
Artikel 42 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 43
1.Van de heffingen, bedoeld in de artikelen 36 en 37, zijn in het
handelsregister ingeschreven ondernemingen waarin uitsluitend landbouw
of visserij wordt uitgeoefend, vrijgesteld.
2.Van de heffingen, bedoeld in de artikelen 36 en 37, zijn in het
handelsregister ingeschreven ondernemingen die uitsluitend als doel
hebben het doen van periodieke uitkeringen aan een houder of indirect
houder van aandelen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c,
onder eerste, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en het doen van
stamrechtuitkeringen als bedoeld in artikel 19b van de Wet op de
loonbelasting 1964 en uitsluitend activiteiten gericht hierop
verrichten, vrijgesteld.
Hoofdstuk 7. Financieel toezicht
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 45
1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast en zendt deze aan
Onze Minister vóór 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het
kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft.
2. Onze Minister beslist binnen 6 weken na het verstrijken van de
in het eerste lid bedoelde termijn, of de goedkeuring wordt verleend.
Artikel 45a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 45b [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 46
1.Het samenwerkingsverband maakt een overzicht waaruit blijkt op
welke wijze de door de kamers vastgestelde begrotingen in relatie
staan tot de voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in
artikel 27, eerste of zevende lid, en de voor de uitvoering van de
taak, bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 200., door het
samenwerkingsverband geraamde budgetten en zendt dat overzicht aan
Onze Minister vóór 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het
kalenderjaar waarop deze begrotingen en deze budgetten betrekking
hebben.
2.Het samenwerkingsverband maakt een overzicht waaruit blijkt op
welke wijze de door de kamers vastgestelde jaarrekeningen in relatie
staan tot de in verband met de uitvoering van de activiteiten, bedoeld
in artikel 27, eerste of zevende lid, en de voor de uitvoering van de
taak, bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 200., gemaakte
kosten en zendt dat overzicht aan Onze Minister vóór 1 juli van het
jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop deze jaarrekeningen en deze
kosten betrekking hebben.
3.De overzichten, bedoeld in het eerste en tweede lid,
onderscheiden tussen de taak, bedoeld in artikel 3 van de
Handelsregisterwet 200., de taak, bedoeld in artikel 24, en de overige
activiteiten, bedoeld in artikel 27, eerste of zevende lid.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan
de inrichting van de overzichten, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 47
1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast.
2. Onze Minister beslist binnen 6 weken na 1 juli of de
goedkeuring, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen wordt verleend.
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 49
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent
de inrichting van en de toelichting op de begroting en de jaarrekening,
omtrent eisen met betrekking tot de hoogte en samenstelling van het
eigen vermogen en omtrent aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Artikel 49a
1.Een kamer behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister
voor:
a. het oprichten van dan wel financieel deelnemen in een
rechtspersoon;
b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren
van registergoederen, daaronder begrepen het aangaan of
beëindigen van overeenkomsten daartoe, indien de prijs van het
registergoed hoger is dan € 100 000 of indien de prijs van dat
registergoed meer bedraagt dan 10 procent van de jaaromzet van de
desbetreffende kamer;
c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur,
verhuur of pacht van registergoederen, indien de huur- of
pachtprijs van het registergoed op jaarbasis hoger is dan € 100
000 of indien die prijs meer bedraagt dan 10 procent van de
jaaromzet van de desbetreffende kamer;
d. het aangaan van overeenkomsten waarbij een kamer zich
verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling
voor schulden van derden of waarbij zij zich als borg of
hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk
maakt;
e. het doen van aangifte tot haar faillissement of het
aanvragen van surséance van betaling;
f. het beleggen van gelden;
g. het investeren in infrastructurele voorzieningen.
2.Onze Minister kan bepalen dat een kamer zijn voorafgaande
instemming behoeft voor het vormen van andere fondsen en reserveringen
dan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 49b.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van rechtspersonen van wie de meerderheid van de aandelen of
de stemrechten in de algemene vergadering direct of indirect in handen
is van een of meer kamers, of van wie de meerderheid van de
bestuurders of van de commissarissen direct of indirect door een of
meer kamers wordt benoemd.
Artikel 49b [Vervallen per 01-01-2011]
Hoofdstuk 8. Informatievoorziening, sturing en toezicht
Artikel 50
De verplichting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, geldt ook ten aanzien van rechtspersonen
van wie de meerderheid van de aandelen of de stemrechten in de algemene
vergadering direct of indirect in handen is van een of meer kamers of
van wie de meerderheid van de bestuurders of de commissarissen direct of
indirect door een of meer kamers wordt benoemd.
Artikel 51
Het algemeen bestuur stelt het activiteitenplan vast en zendt dit,
gelijktijdig met de begroting als bedoeld in artikel 45, eerste lid,
vóór 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar
waarop het activiteitenplan betrekking heeft aan Onze Minister.
Artikel 52
1. Het algemeen bestuur stelt het jaarverslag vast en zendt dit
vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het
jaarverslag betrekking heeft aan Onze Minister en aan beide kamers der
Staten-Generaal.
2. Het verslag wordt, tegen vergoeding van de kosten, voor een
ieder verkrijgbaar gesteld.
Artikel 53
1.De kamers stellen gezamenlijk een gedragscode op ter bevordering
van de integriteit van het gedrag van de bestuurders en de werkwijze
van de kamers.
2.Het besluit tot vaststelling van de gedragscode behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
3.De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 54a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 54b
De kamers werken samen ter bevordering van de uniforme uitvoering van
de verplichting, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen.
Artikel 54c [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 54d [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 54e [Vervallen per 01-01-2011]
Hoofdstuk 9. Beroep
Artikel 55
1.Tegen een op grond van deze wet genomen besluit en tegen een
ander door een kamer genomen besluit, met uitzondering van besluiten
op grond van de Wet openbaarheid van bestuur of op grond van de
bevoegdheid tot het nemen van besluiten of het verrichten van
handelingen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van
de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn
rechtverkrijgenden, kan een belanghebbende beroep instellen bij het
College van Beroep voor het bedrijfsleven.
2.Het eerste lid geldt niet ten aanzien van besluiten waartegen bij
of krachtens de wet een andere voorziening is opengesteld.
Hoofdstuk 10. Wijzigingen in andere wetten
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 63
De Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963 wordt
ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor
de verschillende hoofdstukken of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.
Artikel 64
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende hoofdstukken of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 65
[Wijzigt deze wet]
Artikel 66
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de kamers van koophandel en
fabrieken, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad
waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Het Oude Loo, 24 december 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
J. Kohnstamm
Uitgegeven de dertigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|