| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE KANSSPELBELASTING (WKB)
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbeschikking
kansspelbelasting
WET van 14 september 1961, houdende
regelen inzake de belastingheffing met betrekking tot kansspelen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
belastingheffing met betrekking tot kansspelen nader te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
1.
Onder de naam 'kansspelbelasting' wordt
een directe belasting geheven van:
a. degene die gelegenheid geeft tot deelname aan binnenlandse
casinospelen alsmede de exploitant van een binnen het Rijk geplaatste
fysieke speelautomaat, ingericht voor de beoefening van een kansspel,
dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch,
elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden
tot rechtstreekse of niet-rechtstreekse uitkering van prijzen, met
inbegrip van extra speelduur (kansspelautomatenspel);
b. degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse
kansspelen welke via het internet worden gespeeld;
c. de gerechtigden tot de prijzen van binnenlandse kansspelen, niet
zijnde casinospelen, kansspelautomatenspelen of kansspelen welke via
het internet worden gespeeld;
d. de binnen het Rijk wonende of gevestigde gerechtigden tot de
prijzen van buitenlandse kansspelen, niet zijnde kansspelen welke via
het internet worden gespeeld;
e. de binnen het Rijk wonende of gevestigde gerechtigden tot de
prijzen van buitenlandse kansspelen welke via het internet worden
gespeeld.
2. Onder exploitant als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
wordt verstaan degene die een kansspelautomaat exploiteert in de zin van
artikel 30h, tweede lid, van de Wet op de kansspelen.
Artikel 2
1. Onder kansspelen worden verstaan gelegenheden, gegeven tot
mededinging naar:
a. prijzen en premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt
door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen
overwegende invloed kunnen uitoefenen, met uitzondering van
levensverzekeringen en premieleningen;
b. prijzen en premies, uitgeloofd ten behoeve van de deelnemers aan
een prijsvraag van welke aard ook, tenzij een wetenschappelijke of
kunstzinnige prestatie wordt gevorderd, dan wel een prestatie waarmee
het algemeen maatschappelijk belang wordt gediend.
2. Kansspelen worden als binnenlands beschouwd, indien zij worden
gehouden door natuurlijke personen of door lichamen in de zin van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301), van wie een of
meer binnen het Rijk wonen of zijn gevestigd.
3. Kansspelen worden als buitenlands beschouwd, indien zij niet
vallen onder het tweede lid.
Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting
Artikel 3
1. De belasting wordt geheven:
a. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel a of b,
van toepassing is, naar het verschil tussen de in een tijdvak
ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen, dan wel, zo
een ander dan de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt,
naar hetgeen in een tijdvak ontvangen wordt voor het geven van
gelegenheid tot deelneming aan casinospelen of tot deelneming aan
binnenlandse kansspelen welke via het internet worden gespeeld;
b. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c of d,
van toepassing is, naar de prijzen;
c. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van
toepassing is, naar het positieve verschil tussen de in een
kalendermaand gewonnen prijzen en de in die kalendermaand gedane
inzetten.
2. Onder prijzen worden verstaan alle goederen waaraan in het
economische verkeer waarde kan worden toegekend, welke aan de deelnemers
van de kansspelen uit hoofde van hun deelneming toevallen.
3. Voor zover de prijzen niet in geld bestaan, worden zij in
aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische
verkeer kan worden toegekend.
Hoofdstuk III. Vrijstellingen
Artikel 4
1. Indien artikel 1, eerste lid, onderdeel c of d, van
toepassing is, is van de belasting vrijgesteld:
a. de prijs welke niet meer bedraagt dan € 454;
b. de prijs welke niet uitgaat boven de prestatie welke staat
tegenover de deelneming uit hoofde waarvan aanspraak op de prijs
bestaat.
2. Alle prijzen uit loterijen en prijsvragen welke verschuldigd
zijn door dezelfde schuldenaar en vallen op loten of onderdelen van
loten op grond van dezelfde toevallige gebeurtenis, worden voor de
toepassing van het eerste lid tezamen als één prijs beschouwd.
Hoofdstuk IV. Tarief
Artikel 5
1. De belasting bedraagt 29 percent.
2. Neemt, in het geval waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c,
van toepassing is, degene die de prijs verschuldigd is, de belasting
voor zijn rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de
prijs met 100/71 vermenigvuldigd.
Hoofdstuk V. Wijze van heffing
Artikel 5a
1. In de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel a of
b, van toepassing is, moet de in een tijdvak verschuldigd geworden
belasting op aangifte worden voldaan.
2. De belasting is verschuldigd op de laatste dag van het
tijdvak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a.
3. Indien het in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
verschil over een tijdvak negatief is, wordt het verrekend met het
positieve verschil over een volgend tijdvak. De verrekening geschiedt in
de volgorde waarin zich negatieve en positieve verschillen voordoen.
Artikel 5b
De belastingplichtige is gehouden volgens door Onze Minister te
stellen regelen een register te houden en daarin de gegevens te boeken
welke voor de heffing van de belasting van belang zijn.
Artikel 6
1. In de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c,
van toepassing is, wordt de belasting geheven door inhouding op de
prijs.
2. Inhoudingsplichtige is degene die de prijs verschuldigd is.
3. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden
op het tijdstip waarop de prijs ter beschikking is gesteld.
4. De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op
aangifte af te dragen. Overtreft de belasting de prijs voor zover deze
in geld bestaat, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op
het in het derde lid omschreven tijdstip, met dien verstande dat de
inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de
belastingplichtige. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de prijs
voor zover deze niet in geld bestaat opschorten tot voldoening van deze
vordering plaatsvindt.
Artikel 7
1. De inhoudingsplichtige is gehouden volgens door Onze
Minister te stellen regelen een register te houden en daarin de
gegevens te boeken welke voor de heffing van de belasting van belang
zijn.
2. Degene bij wie de prijs is betaalbaar gesteld, is gehouden op
verzoek van de gerechtigde tot de prijs aan hem volgens door Onze
Minister te stellen regelen, zodra de prijs is uitbetaald,
tegoedgeschreven, verrekend of afgegeven, een gedagtekende nota uit te
reiken, waaruit van de inhouding blijkt.
Artikel 8
1. In de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
van toepassing is, moet de belasting op aangifte worden voldaan.
2. De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de
prijs:
a. ontvangen of verrekend wordt, ter beschikking van de
belastingplichtige wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel
b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
Artikel 8a
1. In de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
van toepassing is, moet de belasting op aangifte worden voldaan.
2. De belasting is verschuldigd op de laatste dag van de
kalendermaand, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 9 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 10 [Vervallen per 01-06-1990]
Hoofdstuk VI. Strafbepaling
Artikel 11 [Vervallen per 14-07-1994]
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 13 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 14 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 15 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 16 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 17 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 18 [Vervallen per 31-12-1964]
Artikel 19
1. Deze wet treedt in werking met ingang
van een door Ons te bepalen tijdstip.
2. Haar bepalingen zijn van toepassing, indien de gerechtigdheid
tot de prijs op of na dat tijdstip ontstaat.
Artikel 20
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de kansspelbelasting.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 14 september 1961
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de twaalfde oktober 1961
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|
|
|