Nadere regelgeving:
- Besluit op de
lijkbezorging
WET van 7 maart 1991, houdende nieuwe
bepalingen inzake de lijkbezorging
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
wettelijke bepalingen inzake de lijkbezorging vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Lijkbezorging geschiedt door begraving, crematie of op andere bij of
krachtens de wet voorziene wijze.
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. lijk: het lichaam van een overledene of doodgeborene;
b. doodgeborene: de na een zwangerschapsduur van ten minste 24
weken levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht.
2. Deze wet is niet van toepassing op een menselijke vrucht die na
een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken
a. levenloos ter wereld is gekomen dan wel
b. binnen 24 uur na de geboorte is overleden.
Hoofdstuk II. Algemene voorschriften voor de lijkbezorging
§ 1. Lijkschouwing en identificatie
Artikel 3
Lijkschouwing geschiedt, zo spoedig mogelijk na het overlijden, door
de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.
Artikel 4
Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen
schouwen van lijken. Zij benoemen een of meer gemeentelijke
lijkschouwers.
Artikel 5
Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een
daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke
lijkschouwer.
Artikel 6
1.Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien
hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de
moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de
geneeskunst heeft verricht en indien tussen dezen en hem bloed- of
aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een
geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
2.De behandelende arts treedt niet op als lijkschouwer indien
tussen hem en de overledene of de moeder van de doodgeborene bloed- of
aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een
geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
Artikel 7
1. Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van
overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden
ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.
2. Indien het overlijden het gevolg was van de toepassing van
levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in
artikel 293, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 294, tweede lid,
tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 306,
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 307, tweede lid, tweede volzin,
van het Wetboek van Strafrecht BES, geeft de behandelende arts geen
verklaring van overlijden af en doet hij van de oorzaak van dit
overlijden onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan
de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers.
Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de
inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de
Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
3. Indien de behandelende arts in andere gevallen dan die bedoeld
in het tweede lid meent niet tot afgifte van een verklaring van
overlijden te kunnen overgaan, doet hij hiervan onverwijld door
invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke
lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers.
Artikel 8
1. Op de kist of op een ander omhulsel van het lijk wordt een
registratienummer aangebracht, dat correspondeert met het nummer,
vermeld op een bijgevoegd document dat tevens de namen, de data van
geboorte en overlijden van de overledene dan wel de geslachtsnaam van
de doodgeborene bevat, nadat is vastgesteld dat het document
betrekking heeft op het lijk.
2. Tot begraving of crematie wordt niet overgegaan dan nadat de
houder van de begraafplaats of van het crematorium de overeenkomst
heeft vastgesteld tussen het op de kist of het omhulsel vermelde
registratienummer en het nummer, vermeld op het document, bedoeld in
het eerste lid.
3. Indien er reden is om aan te nemen dat de gegevens op het
document dan wel op de kist of het omhulsel niet juist zijn, vindt zo
mogelijk de identificatie van het lijk plaats door twee personen die
de overledene bij leven hebben gekend, in tegenwoordigheid van de
houder van de begraafplaats of het crematorium.
Artikel 9
1.De vorm en de inrichting van de modellen van de verklaring van
overlijden, af te geven door de behandelende arts en door de
gemeentelijke lijkschouwer, worden geregeld bij algemene maatregel van
bestuur.
2.De vorm en de inrichting van de modellen van de mededeling en het
verslag, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de mededeling bedoeld
in artikel 7, derde lid en van de formulieren bedoeld in artikel 10,
eerste en tweede lid, worden geregeld bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 10
1.Indien de gemeentelijke lijkschouwer meent niet tot afgifte van
een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, brengt hij door
invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de officier van
justitie en waarschuwt hij onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke
stand.
2.Onverminderd het eerste lid brengt de gemeentelijke lijkschouwer,
indien sprake is van een mededeling als bedoeld in artikel 7, tweede
lid, door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de
regionale toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Hij zendt het
beredeneerd verslag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, mee.
Artikel 10a
1. Indien de schouwing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, een
minderjarige betreft en is verricht door de behandelende arts, geeft
deze een verklaring van overlijden slechts af na overleg met de
gemeentelijke lijkschouwer.
2. De gemeentelijke lijkschouwer kan, na de minderjarige te hebben
geschouwd, in afwijking van artikel 10, eerste lid, zorg dragen voor
een nader onderzoek naar de doodsoorzaak. Een nader onderzoek vindt
niet plaats, indien de lijkschouwer vermoedt dat het overlijden het
gevolg is van een strafbaar feit.
3. De behandelende arts en andere betrokken hulpverleners
verstrekken de gemeentelijke lijkschouwer die het nader onderzoek
leidt, op diens verzoek terstond de informatie dan wel inzage in of
afschrift van bescheiden over de overleden minderjarige, die hij
noodzakelijk acht in het kader van het nader onderzoek. De
lijkschouwer gebruikt de informatie uitsluitend met het doel de
doodsoorzaak vast te stellen.
4. Na het onderzoek geeft de lijkschouwer een verklaring van
overlijden af dan wel brengt hij door invulling van een formulier
onverwijld verslag uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij
onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand.
§ 2. Verlof tot begraving of crematie
Artikel 11
Geen begraving of crematie van een lijk geschiedt zonder schriftelijk
verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat kosteloos wordt
afgegeven. Het formulier voor dit verlof wordt door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld.
Artikel 11a
Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan een menselijke vrucht als
bedoeld in dat artikel worden begraven of gecremeerd mits een verklaring
van de behandelende arts wordt overgelegd, waaruit blijkt dat het een
menselijke vrucht als bedoeld indat artikelbetreft.
Artikel 12
Verlof tot begraving of tot crematie wordt niet verleend, zolang niet
is overgelegd een verklaring van overlijden, afgegeven door de
behandelende arts of een gemeentelijke lijkschouwer, dan wel een
verklaring waaruit blijkt van geen bezwaar van de officier van justitie
tegen begraving of crematie. Indien de officier van justitie in de
gevallen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, meent niet tot de afgifte
van een verklaring van geen bezwaar tegen begraving of crematie te
kunnen overgaan, stelt hij de gemeentelijke lijkschouwer en de regionale
toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, hiervan onverwijld
in kennis.
Artikel 12a
1. Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld
in artikel 12, doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de
onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de
statistiek.
2. Indien een lijk wordt begraven, gecremeerd, ontleed, gebalsemd
of aan een andere conserverende bewerking wordt onderworpen krachtens
een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 12, wordt de
opgave gedaan door een arts, aangewezen door de officier van justitie.
3. De opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt op een
door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vast te
stellen formulier en wordt zo spoedig mogelijk in een gesloten
enveloppe gezonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Aan deze
enveloppe is een strook bevestigd, welke de identiteit van de
overledene vermeldt. De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt de
enveloppe ongeopend, voor zover mogelijk voorzien van het nummer van
de overlijdensakte, onder achterhouding van de strook met inachtneming
van door Onze in dit lid genoemde Minister te stellen termijnen, aan
de geneeskundige hoofdinspecteur van de volksgezondheid. Onze in dit
lid genoemde Minister kan bepalen dat deze enveloppen rechtstreeks
zullen worden gezonden aan de medisch ambtenaar van het Centraal
Bureau voor de Statistiek.
Artikel 13
1. De ingevolge artikel 12 overgelegde stukken worden bij de akte
van overlijden gevoegd.
2. Bij gebreke van een akte worden de overgelegde stukken bewaard
door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van begraving
of crematie.
Artikel 14
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als bevoegde
officier van justitie en als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand aangemerkt die van de plaats, waar betreffende de overledene of
doodgeborene ingevolge aangifte een akte in het register van
overlijden is ingeschreven.
2. Bij gebreke van een akte zijn bevoegd de officier van justitie
en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van begraving
of crematie.
Artikel 15
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur afwijkingen toestaan
van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3 van dit hoofdstuk ten
aanzien van lijken, die Nederland worden binnengebracht.
§ 3. Termijn
Artikel 16
Begraving of crematie geschiedt niet eerder dan 36 uren na het
overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden.
Artikel 17
1. Na een arts te hebben gehoord kan de burgemeester der gemeente,
waar het lijk zich bevindt, voor de begraving of crematie daarvan een
andere termijn stellen. Begraving of crematie binnen 36 uur na het
overlijden staat hij echter niet toe dan in overeenstemming met de
officier van justitie.
2. Van het besluit van de burgemeester staat binnen 24 uur beroep
open op Onze Commissaris in de provincie, die daarop onmiddellijk
beslist. De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
§ 4. Voorziening in de lijkbezorging
Artikel 18
1. In de lijkbezorging wordt voorzien door degene, die het in
artikel 11 bedoelde verlof aanvraagt, dan wel door degene, die
redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden. De
lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke
wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan
worden.
2. Onder lijkbezorging wordt voor de toepassing van deze paragraaf
begrepen het geven van bestemming aan de as van een gecremeerd lijk.
Artikel 19
1.Een meerderjarige, of hij, die de leeftijd van zestien jaar heeft
bereikt, kan, ook indien hij niet bekwaam is een uiterste wil te
maken, hetzij bij notariële akte, hetzij bij een eigenhandig
geschreven, gedagtekende en ondertekende verklaring beschikkingen na
dode maken ter bezorging van zijn lijk.
2.Een in algemene bewoordingen gestelde herroeping van uiterste
wilsbeschikkingen wordt geacht geen herroeping in te houden van een
vroeger te kennen gegeven wens, als bedoeld in het eerste lid.
§ 5. Overheidszorg
Artikel 20
Ingeval niemand maatregelen neemt tot lijkschouwing of lijkbezorging
overeenkomstig de wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn
berusting heeft, de burgemeester en wel uiterlijk op de derde dag na het
overlijden.
Artikel 21
1. Indien niemand voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging
overeenkomstig de wet, draagt de burgemeester daarvoor zorg. Aan
hoofdstuk V wordt in dat geval geen toepassing gegeven, tenzij de
overledene zijn lijk uitdrukkelijk tot ontleding heeft bestemd.
2. Indien de toepassing van het voorgaand lid wordt verhinderd,
doordat het lijk zich in een woning bevindt en de afgifte van het lijk
of de toegang tot de woning wordt geweigerd, heeft de burgemeester of
een ambtenaar van politie toegang tot die woning zonder toestemming
van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van
hun taak nodig is.
3. Indien de identiteit van het lijk niet kan worden vastgesteld,
draagt de burgemeester er, uitsluitend ten behoeve van de
identificatie en opsporing van vermiste personen, zorg voor dat door
of onder verantwoordelijkheid van een arts daarvan lichaamsmateriaal
wordt afgenomen.
4. Zo nodig kan tevens door of onder verantwoordelijkheid van een
arts onderzoek in het lichaam worden verricht of een gebitsstatus
worden opgemaakt of kunnen door een daartoe bevoegde ambtenaar van
politie afdrukken van lichaamsdelen worden afgenomen.
5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien het de
burgemeester bekend is dat daarin genoemde handelingen reeds in
opdracht van de officier van justitie hebben plaatsgevonden.
6. Een lijk als bedoeld in het derde lid wordt begraven.
Artikel 22
De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de
burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden
aangebracht, komen ten laste van de gemeente. Voor zover zij door de bij
de lijken gevonden, niet klaarblijkelijk aan anderen toebehorende
goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, kan de gemeente die kosten
verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de
bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I
van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht
zouden zijn geweest, dan wel de reder indien en voor zover kosten van de
lijkbezorging op grond van artikel 416 Wetboek van Koophandel voor diens
rekening komen. paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand is voor zover
mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22a
1.Indien een lijk is besmet met een infectueus of giftig agens of
een infectueuze of giftige stof, of een gegrond vermoeden daarvan
bestaat, waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan
ontstaan, kan de burgemeester, na advies van de gemeentelijke
gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke
gezondheid, maatregelen treffen om dit gevaar af te wenden.
2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in het eerste
lid zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid.
Hoofdstuk III. Begraving
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 23
1. Begraving geschiedt op een begraafplaats.
2. Begraving geschiedt in een algemeen graf, waarbij de houder van
de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt begraven, dan wel in een
particulier graf, zijnde een graf waarop een uitsluitend recht is
gevestigd, waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven.
Artikel 24
De begraafplaatsen worden onderscheiden in gemeentelijke en
bijzondere.
Artikel 25
Het is verboden een begraafplaats, die niet op de voet van het
bepaalde bij of krachtens deze wet is aangelegd of in gebruik genomen,
als zodanig ter beschikking te stellen of te gebruiken.
Artikel 26
Geen toegang of ingang van een graf of grafkelder mag zich bevinden
of worden aangelegd in een kerk of een ander gesloten gebouw, dat niet
uitsluitend tot begraven bestemd is.
Artikel 27
1.De houder van een begraafplaats houdt een register van alle daar
begraven lijken, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij
begraven zijn.
2.Het in het eerste lid bedoelde register is openbaar.
3.Het register van een bijzondere begraafplaats wordt bij opheffing
van die begraafplaats overgebracht naar het archief van de gemeente
waarin die begraafplaats was gelegen.
Artikel 27a
Ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het
verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf doet de
houder van de begraafplaats daarvan schriftelijk mededeling aan de
belanghebbende bij dat graf wiens adres hem bekend is.
Artikel 28
1. Een uitsluitend recht op een graf, welke vorm aan dit recht ook
wordt gegeven, kan uitsluitend schriftelijk worden gevestigd. Het
recht kan voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd van ten
minste tien jaar worden verleend.
Het voor bepaalde tijd verleende recht wordt op verzoek, mits
gedaan binnen twee jaar voor het verstrijken van de termijn, telkens
verlengd, met dien verstande dat de houder van de begraafplaats kan
bepalen dat een periode van verlenging niet korter is dan vijf jaar en
niet langer is dan twintig jaar. Het uitsluitend recht op een graf is
geen registergoed.
2. Binnen een jaar na de aanvang van de termijn waarin verlenging
van het recht kan worden verzocht doet de houder van de begraafplaats
aan de rechthebbende wiens adres hem bekend is, schriftelijk
mededeling van het verstrijken van de termijn en van het bepaalde in
het eerste lid.
3. Indien niet binnen drie maanden na verzending van de mededeling,
bedoeld in het tweede lid, om verlenging van het recht is verzocht,
maakt de houder van de begraafplaats de mededeling bekend bij het graf
en bij de ingang van de begraafplaats, tot het einde van de periode
waarvoor het recht was gevestigd.
4. In geval van kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor zover de
plicht tot onderhoud niet bij hem ligt, deze verwaarlozing vastleggen
in een schriftelijke verklaring, die hij toezendt aan de
rechthebbende, die binnen één jaar na ontvangst in het onderhoud
voorziet.
5. Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in het vierde
lid, niet bevestigd wordt, maakt de houder van de begraafplaats de
verklaring bekend bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats,
gedurende een periode van vijf jaar dan wel totdat in die periode in
het onderhoud is voorzien.
6. Indien toepassing is gegeven aan het vierde of vijfde lid en
niet alsnog in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het
recht op het graf op het moment dat de periode van één dan wel vijf
jaar, bedoeld in het vierde respectievelijk vijfde lid, is verstreken.
7. Indien het recht op het graf nog geen tien jaar is gevestigd op
het moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is verstreken,
blijft de bekendmaking in stand totdat de periode van tien jaar is
verstreken dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien.
Indien niet voordien in het onderhoud van het graf is voorzien,
vervalt het recht op het graf zodra de termijn van tien jaar is
verstreken.
Artikel 29
1. Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de
burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het
een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op
het graf.
2. Aan de vergunning verbindt de burgemeester de nodige
voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en
bestemming van het lijk.
3. Een opgegraven lijk mag worden gecremeerd, wanneer het verzoek
daartoe gedaan wordt door de in artikel 18 bedoelde persoon. De
paragrafen 1, 2 en 3 van hoofdstuk II zijn ten aanzien van de crematie
niet van toepassing.
4. Crematie binnen een jaar na de begraving vindt slechts plaats
met schriftelijk verlof van de officier van justitie van de plaats van
opgraving.
Artikel 30
Artikel 29 is niet van toepassing bij een opgraving ingevolge een
bevel van een gerechtelijke autoriteit met het oog op een
strafrechtelijk onderzoek.
Artikel 31
1. Artikel 29 geldt evenmin bij het ruimen van graven, voorzover
dit geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dit
artikel.
2. Het ruimen geschiedt niet dan op last van de houder van de
begraafplaats en na verloop van tien jaar nadat in het graf
laatstelijk een lijk is geplaatst, en, indien het een particulier graf
betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.
3. De overblijfselen der lijken worden op een begraafplaats ter
aarde besteld of, met overeenkomstige toepassing van het gestelde in
artikel 29, derde lid, in een crematorium gecremeerd.
4. Gedeputeerde staten kunnen besluiten de in het tweede lid
genoemde termijn te verlengen. Het besluit treedt terstond in werking.
5. Ten minste twee maanden voordat een graf van een onbekende wordt
geruimd, geeft de houder de burgemeester daarvan kennis. De
burgemeester is bevoegd, uitsluitend ten behoeve van de identificatie
van de onbekende en opsporing van vermiste personen, van de
overblijfselen van de onbekende door of onder verantwoordelijkheid van
een arts lichaamsmateriaal af te doen nemen of een gebitsstatus te
doen opmaken. Indien de burgemeester van die bevoegdheid gebruik
maakt, wordt de ruiming opgeschort, ten minste tot het moment dat de
uitslag van de poging tot identificatie bekend is, waarna een
nabestaande in de lijkbezorging voorziet dan wel de ruiming kan worden
voltooid.
Artikel 32
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de wijze van begraven, de inrichting van het graf, de afstand
van de graven onderling, het ruimen van de graven, het verwijderen van
grafmonumenten en de teraardebestelling van de overblijfselen der
lijken.
Artikel 32a
Gedurende de periode dat een graf niet geruimd mag worden, is artikel
20, eerste lid, aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk
Wetboek niet van toepassing op hetgeen op dat graf is geplaatst of op
het gebouw of werk waarin het graf zich bevindt, dan wel, indien is
begraven in een grafkelder, op hetgeen daarin of daarop is geplaatst.
§ 2. Gemeentelijke begraafplaatsen
Artikel 33
Een gemeente heeft voor zich of met een of meer andere gemeenten
tezamen tenminste een gemeentelijke begraafplaats, tenzij gedeputeerde
staten van deze verplichting tijdelijk ontheffing hebben verleend.
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 35
Tenminste elke dag welke geen zondag of algemeen erkende feestdag is,
wordt gelegenheid tot begraven gegeven gedurende een redelijke tijd, bij
gemeentelijke verordening te bepalen.
Artikel 36
1.Een gemeente behoeft voor het aanleggen of uitbreiden van een
begraafplaats op het grondgebied ener andere gemeente toestemming van
de raad van deze laatste.
2.De verordenende bevoegdheid met betrekking tot die begraafplaats
wordt door de terzake bevoegde gemeenteraad uitgeoefend in
overeenstemming met die van de andere gemeente.
3.Wordt zodanige overeenstemming niet verkregen dan stellen
gedeputeerde staten de verordeningen vast. Liggen de gemeenten in
verschillende provinciën, dan geschiedt deze vaststelling door Ons,
gedeputeerde staten der betrokken provinciën gehoord.
§ 3. Bijzondere begraafplaatsen
Artikel 37
1.Een bijzondere begraafplaats kan slechts worden aangelegd en in
stand gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een
privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon.
2.Onder kerkgenootschap wordt mede verstaan een onderdeel daarvan
of een rechtspersoon, in het leven geroepen door een of meer
kerkgenootschappen of onderdelen daarvan.
Artikel 38
Een kerkgenootschap is gerechtigd tot het hebben van één of meer
kerkelijke begraafplaatsen tot een zodanige uitgestrektheid, als
overeenkomt met een redelijk deel van de grond, welke in de gemeente
voor begraafplaatsen bestemd is. De gemeenteraad kan aan een
kerkgenootschap op zijn verzoek toestaan, meer of grotere
begraafplaatsen te hebben, onverminderd het recht van de andere
kerkgenootschappen, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 39
1.Voor zover een kerkgenootschap geen gebruik maakt van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 38 wordt op zijn verzoek door
burgemeester en wethouders een deel van de gemeentelijke begraafplaats
te zijner beschikking gesteld.
2.De gemeente blijft belast met het beheer, het onderhoud en de
administratie. Over de inrichting, de afscheiding en het gebruik van
genoemd deel der begraafplaats, alsmede over de toepassing van de
artikelen 35, 43 en 44, wordt overleg gepleegd met het
kerkgenootschap.
Artikel 40
1. Voor het aanleggen of uitbreiden van de bijzondere begraafplaats
wordt slechts de grond gebruikt, die daartoe door de gemeenteraad is
aangewezen.
2. Burgemeester en wethouders kunnen maatregelen voorschrijven,
welke nodig zijn teneinde de grond geschikt te maken om als
begraafplaats te dienen.
3. Indien het kerkgenootschap geen eigenaar van de benodigde grond
is, dragen burgemeester en wethouders desgevraagd zorg, dat het
kerkgenootschap de grond, mede gelet op de staat, waarin deze
ingevolge het tweede lid moet verkeren, op redelijke voorwaarden in
eigendom kan verwerven. Kunnen burgemeester en wethouders en het
kerkgenootschap niet tot overeenstemming komen, dan bepalen
gedeputeerde staten op verzoek van een van hen of beide de
voorwaarden.
Artikel 41
Voor het in gebruik nemen van de bijzondere begraafplaats of van een
deel daarvan is de toestemming van burgemeester en wethouders nodig.
Deze toestemming wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke
voorschriften is voldaan.
Artikel 42
1.Van de besluiten van de gemeenteraad, onderscheidenlijk van
burgemeester en wethouders, genomen ingevolge deze paragraaf, staat
voor belanghebbenden beroep bij gedeputeerde staten open. De uitspraak
van gedeputeerde staten kan door Ons worden geschorst en vernietigd
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
2.Indien de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders, nalatig blijven een besluit te nemen, bepalen gedeputeerde
staten op verzoek een termijn, binnen welke zulks alsnog dient te
geschieden. Is zulk een besluit voor afloop van deze termijn niet
genomen, dan worden de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders, geacht afwijzend te hebben beschikt.
§ 4. Sluiting en opheffing van begraafplaatsen
Artikel 43
1.Een begraafplaats kan worden gesloten.
2.Voor een gemeentelijke begraafplaats nemen burgemeester en
wethouders het besluit daartoe.
3.Van de sluiting van een andere begraafplaats wordt terstond
mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders.
Artikel 44
Indien op een begraafplaats gedurende tien jaren geen begraving meer
heeft plaats gehad, kunnen burgemeester en wethouders de begraafplaats
gesloten verklaren. De begraafplaats wordt alsdan geacht met ingang van
de dag na die van de laatste begraving te zijn gesloten. Deze dag wordt
in het besluit van burgemeester en wethouders vermeld.
Artikel 45
1. Tegen een besluit tot sluiting of geslotenverklaring kunnen
belanghebbenden bij gedeputeerde staten in beroep komen.
2. Indien onherroepelijk is besloten tot sluiting dan wel
geslotenverklaring van een gemeentelijke begraafplaats, kunnen
gedeputeerde staten op verzoek van de rechthebbende op een particulier
graf waarin nog begraven kan worden, een schadeloosstelling ten laste
van de betrokken gemeente vaststellen terzake van het teniet gaan van
het recht tot begraven.
Artikel 46
1. Op een gesloten begraafplaats worden geen lijken begraven.
2. De begraafplaats blijft, onverminderd het bepaalde in de
artikelen 29-31 en 66, gedurende twintig jaren onaangeroerd liggen.
3. De grond mag, indien het een particulier graf betreft, met
toestemming van de rechthebbende, gedurende tien jaren na afloop van
de in het tweede lid genoemde termijn, of, indien toepassing is
gegeven aan artikel 31, vierde lid, na afloop van de krachtens die
bepaling gestelde termijn slechts tot bezaaiing of beplanting worden
gebruikt, mits niet dieper dan 0,5 m wordt gegraven. Gedeputeerde
staten kunnen vergunning verlenen tot uitgraving ter meerdere diepte.
4. Een particulier graf, gelegen op een gesloten begraafplaats,
wordt, voor zover in het onderhoud behoorlijk wordt voorzien,
onaangeroerd gelaten.
Artikel 47
Een begraafplaats houdt op dit te zijn, indien de grond die
bestemming heeft verloren en zich daarin geen graf bevindt.
Artikel 48
Onder begraafplaats wordt voor de toepassing van deze wet mede een
gedeelte van een begraafplaats verstaan.
Hoofdstuk IV. Crematie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 49
Crematie geschiedt in een crematorium.
Artikel 50
1. De houder van een crematorium houdt een register van alle daar
gecremeerde lijken en van de bestemming die aan de as is gegeven. Bij
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
gegevens die in het register worden vastgelegd.
2. Het in het eerste lid bedoelde register is openbaar.
3. Het register van een bijzonder crematorium wordt bij opheffing
van dit crematorium overgebracht naar het archief van de gemeente
waarin dit crematorium was gelegen.
Afdeling 2. Crematoria
Artikel 51
1.De crematoria worden onderscheiden in gemeentelijke en
bijzondere.
2.Het is verboden een crematorium, dat niet op de voet van het
bepaalde bij of krachtens deze wet gevestigd of in werking is, in
werking te brengen of te houden.
Artikel 52
Een bijzonder crematorium kan slechts worden gevestigd en in werking
gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke
rechtspersoon of een natuurlijk persoon. Artikel 37, tweede lid, is van
toepassing.
Artikel 53
Het vestigen, uitbreiden of wijzigen van een bijzonder crematorium
behoeft een vergunning van burgemeester en wethouders.
Artikel 54
Een besluit tot vestiging van een gemeentelijk crematorium dan wel
een besluit tot het verlenen van vergunning voor het vestigen van een
bijzonder crematorium wordt niet genomen, dan nadat burgemeester en
wethouders van de gemeente van vestiging het voornemen daartoe ten
minste dertig dagen tevoren ter openbare kennis hebben gebracht.
Artikel 55
1.Van een besluit, genomen ingevolge artikel 53 staat voor
belanghebbenden beroep bij gedeputeerde staten open.
2.Indien burgemeester en wethouders nalatig blijven een besluit te
nemen als bedoeld in artikel 53 bepalen gedeputeerde staten op verzoek
een termijn, binnen welke zulks alsnog dient te geschieden. Is zulk
een besluit voor afloop van deze termijn niet genomen, dan worden
burgemeester en wethouders geacht afwijzend te hebben beschikt.
Artikel 56
Ten minste elke dag welke geen zondag of algemeen erkende feestdag
is, wordt in een gemeentelijk crematorium gelegenheid gegeven tot het
houden van crematieplechtigheden gedurende een redelijke tijd, bij
gemeentelijke verordening te bepalen.
Artikel 57
Wij kunnen omtrent de inrichting van crematoria en omtrent hetgeen in
de crematoria en op hun erven in acht moet worden genomen bij algemene
maatregel van bestuur regelen stellen.
Afdeling 3. Berging, bestemming en bewaring van as
§ 1. Algemeen
Artikel 58
1. Na de crematie bergt de houder van het crematorium de as.
2. De as wordt geborgen in één of meer asbussen. Een asbus wordt
gesloten en op de bus worden de naam en de voorletters van de
overledene, alsmede een registratienummer, vermeld.
3. Een deel van de as kan op verzoek van een nabestaande op een
andere wijze worden geborgen en aan de nabestaande ter beschikking
worden gesteld.
Artikel 59
1. De houder van het crematorium draagt zorg voor de bewaring van
een asbus gedurende minimaal een maand na het bergen van de as in de
bus.
2. De houder van het crematorium draagt er vervolgens zorg voor
dat:
a. de asbus wordt bijgezet,
b. de in de asbus geborgen as wordt verstrooid,
c. de asbus ter beschikking wordt gesteld aan de nabestaande
door of namens wie de opdracht tot de crematie is gegeven, of
d. de asbus wordt verzonden naar het buitenland.
3. De houder van het crematorium kan ter uitvoering van het tweede
lid, onder a of b, de asbus ter bijzetting, onderscheidenlijk
verstrooiing, overdragen aan een houder van een ander crematorium of
van een plaats van bijzetting.
4. Op verzoek van de in artikel 18 bedoelde personen kan de
officier van justitie, bedoeld in artikel 14, in bijzondere gevallen
ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 60
1.Uit het buitenland afkomstige as wordt zo nodig, in opdracht van
een nabestaande, geborgen in één of meer asbussen. Het bergen
geschiedt door de houder van een crematorium. Artikel 58, tweede en
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.De nabestaande draagt de zorg voor een asbus. Hij draagt zorg
voor de bewaring van een asbus gedurende minimaal een maand na de
invoer van de as. Artikel 59, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 61
Omtrent de berging, de bestemming en de bewaring van de as kunnen bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
§ 2. Het bijzetten van de asbus
Artikel 62
1. Een asbus kan worden bijgezet:
a. in een in het bijzonder daarvoor bestemd gedeelte van het
crematorium,
b. in of op een graf of op een afzonderlijke plaats op een
begraafplaats, of
c. in een buiten een crematorium of begraafplaats gelegen
bewaarplaats.
2. Het bijzetten geschiedt ter uitvoering van artikel 59, tweede
lid, onder a, of in opdracht van de nabestaande die de zorg voor de
asbus heeft.
3. De bijzetting van een asbus in of op een particulier graf, kan
slechts geschieden met toestemming van de rechthebbende op het graf.
Artikel 63
1. Een asbus die is bijgezet kan op verzoek van de nabestaande door
of namens wie de opdracht tot bijzetting is gegeven, door de houder
van de plaats van bijzetting aan de nabestaande ter beschikking worden
gesteld.
2. Verwijdering van de asbus kan slechts geschieden met toestemming
van de rechthebbende op de ruimte waar de asbus is bijgezet.
3. Verwijdering kan geschieden zonder toestemming van de
rechthebbende, ingevolge een bevel van een gerechtelijke autoriteit
met het oog op een strafrechtelijk onderzoek.
Artikel 64
1.Een bewaarplaats als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder c,
wordt niet in gebruik genomen dan met vergunning van burgemeester en
wethouders.
2.Tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, kunnen
belanghebbenden beroep instellen bij gedeputeerde staten.
Artikel 65
1.De houder van een plaats van bijzetting houdt een register van
alle daar bijgezette asbussen. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld omtrent de gegevens die in het register
worden vastgelegd.
2.Het in het eerste lid bedoelde register is openbaar.
3.Het register wordt bij opheffing van de plaats van bijzetting
overgebracht naar het archief van de gemeente waarin die plaats was
gelegen.
Artikel 66
1. Het ruimen van een asbus geschiedt door of in opdracht van de
houder van de plaats van bijzetting en vindt binnen tien jaar nadat de
as in de bus is geborgen niet plaats dan met toestemming van de
rechthebbende op de ruimte waar de asbus is bijgezet.
2. Het ruimen geschiedt door verstrooiing van de as.
§ 3. Het verstrooien van de as
Artikel 66a
1.De as in een asbus kan worden verstrooid.
2.Het verstrooien geschiedt:
a. ter uitvoering van artikel 59, tweede lid, onder b,
b. door of in opdracht van de nabestaande die de zorg voor de
asbus heeft, of
c. in verband met het ruimen van de asbus.
3.Het verstrooien van de as door of in opdracht van de houder van
een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting is slechts
toegestaan:
a. op een terrein dat bestemd is om permanent as op te
verstrooien;
b. in open zee.
Artikel 66b
De bestemming van een terrein om permanent as op te verstrooien door
de houder van een crematorium en de houder van een plaats van bijzetting
vindt niet plaats dan met vergunning van burgemeester en wethouders van
de gemeente waarin het terrein is gelegen.
Hoofdstuk V. Bijzondere wijzen van lijkbezorging
Artikel 67
1.Een lijk kan in het belang van de wetenschap of het
wetenschappelijk onderwijs worden ontleed.
2.Ontleding geschiedt slechts, indien de overledene zijn lijk
daartoe heeft bestemd. De artikelen 18, eerste lid, tweede volzin, en
19 zijn van toepassing.
3.Bij gebreke van een bestemming inzake lijkbezorging door de
overledene kan ontleding eveneens geschieden, indien de niet van tafel
en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere
levensgezel dan wel, bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, de
naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten
tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn,
de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders degenen die de zorg
voor het lijk op zich nemen, dit daartoe bestemmen.
Artikel 68
1. Ontleding geschiedt slechts met schriftelijk verlof van de
burgemeester. Het verlof wordt binnen drie dagen kosteloos afgegeven
en vermeldt de plaats van ontleding. De artikelen 12-15 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Van het besluit van de burgemeester staat binnen 24 uren beroep
open op Onze Commissaris in de provincie, die daarop onmiddellijk
beslist. De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 69
1.Ontleding vangt niet eerder aan dan 36 uren na het overlijden.
2.Deze handeling wordt niet verricht dan door of onder het toezicht
van een arts.
Artikel 70
Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent de
wijze, waarop met lijken van personen of van doodgeborenen, aan boord
van Nederlandse schepen op zee overleden onderscheidenlijk ter wereld
gekomen, gehandeld dient te worden. Daarbij worden de gevallen geregeld,
waarin een lijk overboord wordt gezet of aan een conserverende bewerking
wordt onderworpen.
Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen
Artikel 71
1. Een lijk wordt niet gebalsemd of onderworpen aan enige andere
conserverende bewerking die niet is gericht op gebruik van delen van
het lijk ingevolge de Wet op de orgaandonatie. In uitzonderlijke
gevallen kan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
ontheffing van dit verbod verlenen.
In de ontheffing wordt de wijze en de plaats van de lijkbezorging
vermeld. De artikelen 12-15 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het verbod, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing,
indien het lijk tot ontleding bestemd is of naar het buitenland wordt
gezonden.
3. Artikel 69 is van overeenkomstige toepassing. Indien het lijk
tot ontleding is bestemd, is alleen het tweede lid van dat artikel van
overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het eerste lid kan een lijk worden onderworpen
aan een conserverende bewerking die ten hoogste tien dagen effect
heeft.
5. Een bewerking als bedoeld in het vierde lid vindt eerst plaats
nadat is vastgesteld dat verwijdering van een of meer organen als
bedoeld in de Wet op de orgaandonatie niet zal plaatsvinden.
6. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de
opleiding en de vakbekwaamheid van degenen die de bewerking, bedoeld
in het vierde lid, uitvoeren alsmede aan de wijze van bewerking.
Artikel 72
1.Indien de overledene dit heeft toegestaan, kan zijn lijk aan
sectie worden onderworpen. Artikel 19 is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in het geval van de daar bedoelde
verklaring met eigenhandige ondertekening en dagtekening kan worden
volstaan.
2.Bij gebreke van toestemming van de overledene kan daarvoor in de
plaats treden die van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot,
de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel, bij
ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, van de naaste onmiddellijk
bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde
graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, van de aanwezige
meerderjarige erfgenamen of anders van degenen die de zorg voor het
lijk op zich nemen.
Artikel 73
1. De beperkingen, gesteld in artikel 72, zijn niet van toepassing:
a. in geval van een bevel van een gerechtelijke autoriteit in
verband met een strafrechtelijk onderzoek;
b. indien de sectie geschiedt op verzoek van de betrokken
hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;
c. indien de sectie geschiedt op verzoek van de voorzitter van
de Onderzoeksraad voor veiligheid.
2. Bij toepassing van het eerste lid wordt de persoon bedoeld in
artikel 72, tweede lid, daarvan in kennis gesteld.
Artikel 74
1. Indien een gemeentelijke lijkschouwer in het kader van het nader
onderzoek, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, sectie noodzakelijk
acht, kan hij bij gebreke van toestemming van een ouder van de
minderjarige de rechtbank verzoeken vervangende toestemming te
verlenen.
2. Bevoegd is de rechtbank van de plaats waar het ziekenhuis of
andere instelling waarin het nader onderzoek plaatsvindt, is gelegen.
3. De rechtbank verleent de toestemming, tenzij het belang om de
doodsoorzaak van minderjarigen vast te stellen niet opweegt tegen de
gevolgen die inwilliging van het verzoek voor de ouder zou hebben.
Artikel 75
Het verrichten van sectie geschiedt door een arts, nadat deze zich er
van tevoren van heeft vergewist dat het intreden van de dood door een
andere arts is vastgesteld en aan de vereisten, geldend ingevolge de
artikelen 72, 73 en74, is voldaan.
Artikel 76
1. Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood
aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een
niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk
niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of
een van zijn hulpofficieren.
2. In zodanig geval mag ontleding, conservering als bedoeld in
artikel 71, eerste en vierde lid, sectie of verwijdering van organen
uit het lijk voor orgaandonatie als bedoeld in de Wet op de
orgaandonatie niet plaatsvinden, of indien reeds aangevangen, niet
worden voortgezet, dan met toestemming van de officier van justitie.
3. Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het
eerste lid aanwezig acht, kan hij uitstel van de begraving of van de
crematie van het lijk gelasten, of de crematie verbieden. Zolang een
zodanige maatregel van kracht is, wordt het lijk niet begraven of
gecremeerd, onderscheidenlijk niet gecremeerd, en geeft de ambtenaar
van de burgerlijke stand daartoe geen verlof.
4. Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het
eerste lid aanwezig acht kan hij verbieden dat de as wordt verstrooid,
ter beschikking wordt gesteld aan een nabestaande of naar het
buitenland wordt verzonden.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt als bevoegde officier
van justitie aangemerkt die van de plaats waar het lijk het eerst is
aangetroffen.
Artikel 77
De bevoegdheden die artikel 76 aan de officier van justitie toekent,
komen mede toe aan de rechter-commissaris die onderzoekshandelingen in
de zaak verricht.
Artikel 78
Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen met betrekking
tot het vervoer van lijken uit Nederland naar het buitenland en uit het
buitenland naar Nederland.
Artikel 79
Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen betreffende de
in deze wet geregelde onderwerpen voor de territoriale zee en voor het
aan Nederland grenzende deel van het continentale plat, waarop het
Koninkrijk souvereine rechten heeft, en voor landen buiten Nederland
voor het geval aldaar door of vanwege Nederlandse militaire autoriteiten
ter uitvoering van een internationale overeenkomst handelingen, die
onderwerpen betreffende, verricht kunnen worden. In die regelen wordt
zoveel mogelijk aangesloten bij de in Nederland geldende wettelijke
bepalingen.
Hoofdstuk VII. Strafbepalingen
Artikel 80
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde
categorie wordt gestraft:
1°. het bezorgen, bewaren, wegmaken, vervoeren, vernietigen,
ontleden, balsemen of conserverend behandelen van een lijk in strijd
met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij of
krachtens de artikelen 11, 23, 25, 29, derde lid, 46, eerste lid,
49, 67, 68, 69, tweede lid, 70, 71, 76 en 78;
2°. het geven van verlof tot begraving of crematie in strijd met
de artikelen 12 en 76, derde lid;
3°. het begraven, cremeren, ontleden, balsemen of op andere
wijze conserverend behandelen van een lijk voordat dit ingevolge het
bij of krachtens de artikelen 16, 17 of 69, eerste lid, bepaalde is
toegestaan;
4°. overtreding van artikel 58, 59 of 60;
5°. het verwijderen of ruimen van een asbus in strijd met de
artikelen 63 of 66;
6°. overtreding van een verbod als bedoeld in artikel 76, vierde
lid;
7°. het verrichten van sectie of het verwijderen van delen uit
een lijk in strijd met het bepaalde bij de artikelen 72-75 en 76,
tweede lid;
8°. het verhinderen of belemmeren van een lijkschouwing dan wel
een poging daartoe.
Artikel 81
Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie wordt gestraft:
1°. overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
3, 6, 7, eerste en tweede lid, 8, eerste en tweede lid, 10, 12a,
eerste en tweede lid, 20, 27, 50, 51, tweede lid, en 53;
2°. de weigering tot afgifte van een lijk als bedoeld in artikel
21, tweede lid;
3°. het ter beschikking stellen van een begraafplaats als
bedoeld in de artikelen 25 en 46, eerste lid;
4°. het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats of een
deel daarvan zonder toestemming van burgemeester en wethouders,
bedoeld in artikel 41;
5°. het gebruik maken van een begraafplaats na de sluiting,
bedoeld in artikel 43, of de geslotenverklaring, bedoeld in artikel
44, in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 46, tweede
en derde lid;
6°. het bijzetten van een asbus in strijd met of anders dan met
inachtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen
62, 64 en 65;
7°. het verstrooien van de as in strijd met artikel 66a;
8°. overtreding van het bepaalde krachtens de artikelen 32, 57
en 61, voorzover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van het
onderhavige artikel aangeduid.
Artikel 82
De ingevolge deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 83
1.De bij de inwerkingtreding van deze wet in gebruik zijnde
begraafplaatsen en crematoria worden geacht te zijn aangelegd en
opengesteld onderscheidenlijk gevestigd en in werking gesteld te zijn
overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Een op dat tijdstip reeds
verleend verlof tot vestiging, uitbreiding of wijziging van een
crematorium wordt geacht ingevolge artikel 53 te zijn verleend.
2.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende
ontheffingen, verleend op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet
op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869. Stb. 65), worden geacht te
zijn verleend overeenkomstig artikel 33, van deze wet.
3.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende
gemeentelijke verordeningen tot heffing van rechten als bedoeld in de
artikelen 20, 21, 29o en 30-35 van de Wet op de lijkbezorging (Wet van
10 april 1869, Stb. 65), worden geacht te zijn vastgesteld krachtens
artikel 229 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96).
Artikel 84
Het recht op een eigen graf, verleend vóór het in werking treden
van deze wet, wordt geacht een uitsluitend recht op een graf in de zin
van artikel 28 te zijn.
Artikel 84a
Indien ten aanzien van een graf waarop voor 1 januari 2010 een
uitsluitend recht is gevestigd, voor 1 januari 2025 een verklaring van
verwaarlozing als bedoeld in artikel 28, vierde lid, is opgesteld,
vervalt het recht, in afwijking van artikel 28, zesde lid,
a. met ingang van 1 januari 2030, mits op dat tijdstip dertig
jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf dan wel
b. op een later gelegen tijdstip waarop dertig jaar is verstreken
sinds de laatste begraving in dat graf.
Artikel 84b
Indien een graf op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel
niet ingevolge deze wet mag worden geruimd, gaat op dat tijdstip hetgeen
op dat graf is geplaatst, of het gebouw of werk waarin het graf zich
bevindt, dan wel, indien is begraven in een grafkelder, hetgeen daarin
of daarop is geplaatst, en door toepassing van artikel 20, eerste lid,
aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek voor de
oorspronkelijke rechthebbende verloren is gegaan, over op die
oorspronkelijk rechthebbende of diens rechtverkrijgenden onder algemene
titel, en is vanaf dat tijdstip artikel 32a daarop van toepassing. Er
ontstaat geen verplichting tot vergoeding van enig door deze overgang
veroorzaakt vermogensrechtelijk nadeel.
Artikel 85
1.In graven of grafkelders als bedoeld in artikel 15 van de Wet op
de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 65) kunnen het lijk van
degene, die daarvan eigenaar is ten tijde van de inwerkingtreding van
deze wet en de lijken van de leden van zijn geslacht worden begraven.
In of op zodanige graven en in zodanige grafkelders kunnen asbussen,
waarin de as van lijken bedoeld in de eerste volzin is geborgen,
worden bijgezet.
2.Op de in het eerste lid bedoelde graven en grafkelders zijn van
Hoofdstuk III toepasselijk de artikelen 26, 27, 29, 30 en 31.
Artikel 86
1.De raden der gemeenten, op welke een verplichting rust tot
betaling van een jaarlijkse schadeloosstelling in verband met het niet
meer plaats vinden van begravingen in kerken of andere gesloten
gebouwen, hebben het recht deze verplichting af te kopen tegen
betaling van een som, die het twintigvoudige van het bedrag dier
schadeloosstelling beloopt.
2.Indien de rechthebbende op de afkoopsom weigert deze te
aanvaarden of onbekend dan wel afwezig is, kunnen burgemeester en
wethouders de afkoopsom doen opnemen in de Consignatiekas.
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 87
1. Deze wet is niet van toepassing op de lijkbezorging van leden
van het Koninklijk Huis.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
ten aanzien van andere bloed- en aanverwanten van de Koning ontheffing
verlenen van bepalingen van deze wet.
Artikel 88
Een besluit waartegen ingevolge deze wet beroep openstaat of
aanhangig is treedt, zolang dit het geval is, niet in werking,
onverminderd het bepaalde in artikel 31, vierde lid.
Artikel 89
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen,
gesteld in de artikelen 20 en 68, eerste lid.
Artikel 90
De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft
ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd,
voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.
Artikel 91
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 92
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 93
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 94
De Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 65)
wordt ingetrokken.
Artikel 95
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Wet op de
lijkbezorging.
Artikel 96
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 maart 1991
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de vierde april 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|