Nadere regelgeving:
- Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990
- Regeling
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
- Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
- Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling loonbelasting
2011
- Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en
winstdelingsregelingen
WET van 16 december 1964,
houdende vervanging van het Besluit op de Loonbelasting 1940
door een nieuwe wettelijke regeling
WIJ JULIANA, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
Besluit op de Loonbelasting 1940 door een meer
overzichtelijke en op verschillende punten herziene
wettelijke regeling te vervangen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
Onder de naam 'loonbelasting' wordt
van werknemers of hun inhoudingsplichtige, van artiesten, van
beroepssporters, van buitenlandse gezelschappen en van bij of
krachtens deze wet aan te wijzen andere personen een directe
belasting geheven.
Artikel 2
1. Werknemer is de natuurlijke
persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of
in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat of van een
inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van
hemzelf of van een ander, dan wel uit een bestaande
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van een
ander.
2. Degene die van een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon loon geniet uit een
dienstbetrekking tot een niet-inhoudingsplichtige dan wel loon in
de vorm van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van
uitkeringsgerechtigden, wordt geacht tot die rechtspersoon in
dienstbetrekking te staan.
3. Tenzij werkzaamheden zijn of
worden verricht in een functie van bestuurder of commissaris van
een in Nederland gevestigd lichaam, dan wel in dienstbetrekking
bij de Staat der Nederlanden of in het kader van een uitzending op
grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is,
is het eerste lid niet van toepassing op personen die niet in
Nederland wonen, met betrekking tot een geheel buiten Nederland
vervulde dienstbetrekking. Voor werkzaamheden die zijn of worden
verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het
internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in
Nederland is gevestigd, is de eerste volzin slechts van toepassing
indien wordt voldaan aan de in het vierde lid gestelde
voorwaarden.
4. Het eerste lid is eveneens niet
van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met
betrekking tot een nagenoeg geheel buiten Nederland vervulde
dienstbetrekking, anders dan de dienstbetrekkingen die in het
derde lid, eerste volzin, zijn genoemd, indien:
a. het loon is onderworpen aan
een belasting naar het inkomen die door of vanwege Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden of een andere
mogendheid wordt geheven, en
b. het loon niet op grond van
een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond
van enige andere regel van interregionaal of internationaal
recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het
inkomen is onderworpen.
5. Het eerste lid is eveneens niet
van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met
betrekking tot een gedeeltelijk, maar niet nagenoeg geheel buiten
Nederland vervulde dienstbetrekking, anders dan de
dienstbetrekkingen die in het derde lid, eerste volzin, zijn
genoemd, voorzover het loon uit die dienstbetrekking met
inachtneming van verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij
is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen
die door of vanwege Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden
of een andere mogendheid wordt geheven.
6. Het eerste lid is eveneens niet
van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend
vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke
waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1 500 per
kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die
niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut
beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig
aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de
vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld. Het
desbetreffende lichaam is gehouden volgens ministeriële regeling
te stellen regels opgave te doen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, van
belang is.
7. Krachtens wettelijk vruchtgenot
aan een kind ontleend loon wordt geacht door het kind te zijn
genoten.
8. Loon in de vorm van periodieke
uitkeringen welke van publiekrechtelijke aard zijn, kan in het
kalenderjaar waarin de verstrekking van die uitkeringen aanvangt
dan wel eindigt volgens bij ministeriële regeling te stellen
regels worden geacht niet te zijn genoten door de werknemer doch
door zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel 3
1. Als dienstbetrekking wordt
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die, anders dan in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep, en anders dan als thuiswerker,
ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld
in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene, die de in onderdeel
a bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk
bijstaat;
c. degene, die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en
die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor
die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een
voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij
doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
d. degene, die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en
een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde
bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen
van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid
is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee
andere personen laat bijstaan;
e. degene, die werkzaam is om
vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen
degene, die als leerling van een instelling van onderwijs
praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een
bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een
beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het
ontvangen van onderricht;
f. het kind van 15 jaar of
ouder dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder, tenzij
die onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met
het kind en het kind daaruit als ondernemer als bedoeld in
artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 winst uit
onderneming geniet;
g. de commissaris van een
lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
h. degene, die in de zin van
artikel 4 van de Ziektewet (Stb. 1987, 88) als bestuurder
werkzaam is ten behoeve van een coöperatie;
i. de bestuurder van een
vennootschap als bedoeld in artikel 132, derde lid, van boek 2
van het Burgerlijk Wetboek.
2. Het eerste lid, onderdelen a en
b, vindt geen toepassing indien de in onderdeel a bedoelde
overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon
ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
Artikel 4
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regelen worden gesteld, ingevolge welke eveneens
als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die als thuiswerker
arbeid verricht;
b. degene, die de onder a
bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid
bijstaat;
c. degene, die een tak van sport
op topniveau beoefent en ter zake daarvan een
inkomensvoorziening of een kostenvergoeding geniet;
d. degene, die arbeid verricht
ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner als
bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, een
aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
e. degene, die tegen beloning
persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet
reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking
wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden
gesteld;
f. degene die uit een
arbeidsverhouding die niet op grond van een andere bepaling als
dienstbetrekking wordt beschouwd een beloning geniet, mits
diegene vooraf aan de inspecteur meldt, door middel van een
gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde
inhoudingsplichtige, dat zijn arbeidsverhouding als
dienstbetrekking moet worden beschouwd.
Artikel 5
1. Als dienstbetrekking wordt niet
beschouwd de arbeidsverhouding van degene die uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het
huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in
dienstbetrekking staat, indien hij de diensten doorgaans op minder
dan vier dagen per week verricht.
2. Onder het verrichten van
diensten ten behoeve van een huishouden wordt voor de toepassing
van dit artikel mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden
van dat huishouden.
Artikel 5a
1. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder artiest:
degene die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus
of anderszins als artiest optreedt, tenzij:
a. hij in Nederland woont, en:
1°. bij een beschikking
als bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting
2001 is verklaard dat de voordelen die hij geniet uit zijn
optreden worden aangemerkt als winst uit onderneming, of
2°. bij een beschikking
als bedoeld in artikel 3.157 van de Wet inkomstenbelasting
2001 is verklaard dat de werkzaamheden die hij verricht in
het kader van zijn optreden, worden aangemerkt als
werkzaamheden uitsluitend verricht voor rekening en risico
van de onderneming van een in Nederland gevestigde
vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft; of
b. hij inwoner is van Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden of een land waarmee de
Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten; of
c. hij het optreden
rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijke persoon ten
behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
2. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
beroepssporter: degene die ingevolge een overeenkomst van korte
duur als beroep een tak van sport beoefent, tenzij:
a. hij in Nederland woont, of
b. hij inwoner is van Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden of een land waarmee de
Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten; of
c. hij de sportbeoefening
rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijke persoon ten
behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
3. Ingeval een artiest of
beroepssporter optreedt of als beroep een tak van sport beoefent
in het kader van een dienstbetrekking tot een in Nederland
gevestigde inhoudingsplichtige, is hij voor de toepassing van deze
wet en de daarop berustende bepalingen werknemer.
4. Ingeval een niet in Nederland
wonende artiest of beroepssporter optreedt of als beroep een tak
van sport beoefent in het kader van een dienstbetrekking tot een
inhoudingsplichtige die niet in Nederland is gevestigd, vindt de
heffing van loonbelasting plaats ingevolge de regelingen zoals die
gelden voor artiesten en beroepssporters.
Artikel 5b
1. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
buitenlands gezelschap: een groep van hoofdzakelijk niet in
Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen
waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge
een overeenkomst van korte duur als artiest in Nederland optreden
of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen, tenzij:
1°. het optreden of de
sportbeoefening rechtstreeks is overeengekomen met een
natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden, of
2°. volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels aannemelijk wordt gemaakt dat het
gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn
dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der
Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting
heeft gesloten of inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in
Nederland of op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES
eilanden.
2. De rechten die een buitenlands
gezelschap heeft en de verplichtingen die daarop rusten, komen toe
aan elk lid van het gezelschap en rusten op elk lid van het
gezelschap. Een lid kan zich doen vertegenwoordigen door een lid
dat als leider van het gezelschap fungeert.
3. Ingeval een lid van een
buitenlands gezelschap optreedt of als beroep een tak van sport
beoefent in het kader van een dienstbetrekking tot een
inhoudingsplichtige die niet in Nederland is gevestigd, vindt de
heffing van loonbelasting plaats ingevolge de regelingen zoals die
gelden voor het buitenlandse gezelschap.
Artikel 6
1. Inhoudingsplichtige is:
a. degene, tot wie een of meer
personen in dienstbetrekking staan;
b. degene, die aan een of meer
personen loon uit een vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of
tot een ander verstrekt;
c. degene, die ingevolge een
aanspraak die niet tot het loon behoort, aan een of meer
personen uitkeringen of verstrekkingen uit een
dienstbetrekking tot een ander doet.
2. Wie niet in Nederland woont of
gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd voor
zover hij:
a. in Nederland een vaste
inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf, beroep of
andere bezigheid of een in Nederland wonende of gevestigde
vaste vertegenwoordiger heeft, dan wel
b. een of meer personen in
dienst heeft van wie het loon is onderworpen aan de
inkomstenbelasting, met betrekking tot deze personen de
loonadministratie in Nederland houdt en zich voor deze
personen als inhoudingsplichtige bij de inspecteur heeft
gemeld.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid, onderdeel a, wordt als een vaste inrichting in ieder
geval aangemerkt:
a. het verrichten van
werkzaamheden in het kader van een onderneming gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen, indien die
werkzaamheden plaatsvinden in, op of boven het
Noordzeewinningsgebied, waarbij onder Noordzeewinningsgebied
wordt verstaan de territoriale zee van Nederland alsmede het
buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van
de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het
Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het
internationale recht ten behoeve van de exploratie en de
exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag
uitoefenen;
b. het verrichten van
werkzaamheden die gericht zijn op het verlenen van tussenkomst
ten behoeve van degenen die tegen beloning persoonlijke arbeid
in Nederland verrichten en een derde ten behoeve van wie die
arbeid wordt verricht.
4. Diplomatieke, consulaire en
andere vertegenwoordigers van andere Mogendheden en de hun
toegevoegde ambtenaren, alsmede bij ministeriële regeling aan te
wijzen internationale organisaties en vertegenwoordigers en
functionarissen daarvan, worden niet als inhoudingsplichtigen
beschouwd.
5. Ingeval artikel 19b toepassing
vindt, is in afwijking van het eerste lid voor de aanspraak die
ingevolge dat artikel als loon wordt aangemerkt,
inhoudingsplichtige degene die als verzekeraar van die aanspraak
optreedt.
6. Een in Nederland gevestigd
onderdeel van een concern waartoe ook een onderdeel behoort dat op
grond van het derde lid, onderdeel b, als inhoudingsplichtige
wordt aangemerkt, kan op gezamenlijk verzoek van deze
concernonderdelen, in afwijking in zoverre van het eerste, tweede
en derde lid, door de inspecteur, die daarbij voorwaarden kan
stellen, worden aangewezen als inhoudingsplichtige voor een of
meer personen die bij het niet in Nederland gevestigde
concernonderdeel in dienst zijn. De aanwijzing en de daarbij
gestelde voorwaarden kunnen, al dan niet op verzoek, worden
gewijzigd of ingetrokken. Aanwijzing, wijziging of intrekking
vinden plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 6a
Als inhoudingsplichtige van een
persoon wordt niet beschouwd degene die beschikt over een afschrift
van een aan hem getoonde beschikking als bedoeld in artikel 3.156 of
3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001 waaruit blijkt dat de
voordelen die die persoon geniet, worden aangemerkt als winst uit
een onderneming of de werkzaamheden die die persoon verricht, worden
aangemerkt als werkzaamheden verricht voor rekening en risico van
een vennootschap waarin die persoon een aanmerkelijk belang heeft,
mits:
a. de werkzaamheden die in de
beschikking zijn aangeduid overeenkomen met de werkzaamheden die
die persoon voor hem verricht;
b. de werkzaamheden die die
persoon voor hem verricht:
1°. vallen in het tijdvak
waarvoor de beschikking geldt, of
2°. vallen in het
kalenderjaar aansluitend op het tijdvak waarvoor de
beschikking geldt en worden verricht op basis van een
overeenkomst die is aangegaan:
a. vóór 1 november van
het kalenderjaar waarin het tijdvak is gelegen waarvoor
de beschikking geldt, en
b. ingeval voor het
aansluitende kalenderjaar reeds een beschikking is
aangevraagd, voor de dagtekening van de voor dat
kalenderjaar geldende beschikking, en
c. hij de identiteit van die
persoon heeft vastgesteld aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van
de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard en het nummer
daarvan in zijn administratie heeft opgenomen en een afschrift
daarvan er bij bewaart.
Artikel 7
Als degene, tot wie de
dienstbetrekking bestaat, wordt beschouwd:
1°. in de gevallen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder:
a en b. de aanbesteder;
c en d. degene, met wie de
overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e. degene, bij wie de
werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten;
f. de ouder;
g. het lichaam;
h. de coöperatie;
2°. in de gevallen, bedoeld in
artikel 4, onder:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie de
inkomensvoorziening of kostenvergoeding is overeengekomen;
d: het lichaam;
e en f: degene, die bij de in
artikel 4 bedoelde algemene maatregel van bestuur als
inhoudingsplichtige is aangewezen.
Artikel 8
Bij ministeriële regeling kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, een ander dan de persoon bedoeld in artikel 6 of
artikel 7 worden aangewezen als inhoudingsplichtige met betrekking
tot:
a. degene, die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten
tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een
opdrachtgever van die ander;
b. degene, die een thuiswerker
als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene, die als beroep een tak
van sport beoefent.
Artikel 8a
1. Ten aanzien van een artiest,
beroepssporter of buitenlands gezelschap is inhoudingsplichtige:
a. voorzover de gage wordt
ontvangen van degene met wie het optreden of de
sportbeoefening is overeengekomen: degene met wie het optreden
of de sportbeoefening is overeengekomen;
b. voorzover de gage wordt
ontvangen van een derde: deze derde.
2. Wie niet in Nederland woont of
gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd
voorzover hij in Nederland een vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf, beroep of andere bezigheid heeft,
dan wel een in Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger. Hierbij wordt mede als vaste inrichting
aangemerkt het in Nederland verrichten of doen verrichten van
werkzaamheden die gericht zijn op het in Nederland laten optreden
van artiesten, beroepssporters of buitenlandse gezelschappen.
3. Bij ministeriële regeling kan,
in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de inhoudingsplicht worden verlegd naar een
andere persoon dan voortvloeit uit de toepassing van het eerste of
tweede lid.
Hoofdstuk II. Voorwerp van de
belasting
Artikel 9
1. De belasting wordt geheven over
het belastbare loon.
2. Belastbaar loon is het
gezamenlijke bedrag aan loon.
Artikel 10
1. Loon is al hetgeen uit een
dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten,
daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het
kader van de dienstbetrekking.
2. Tot het loon behoren aanspraken
om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer
uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
3. Onder aanspraken worden mede
verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.
4. Tot het loon behoren uitkeringen
en verstrekkingen ingevolge een tot het loon behorende aanspraak
voor zover de aanspraak in afwijking van hetgeen bij of krachtens
deze wet is bepaald, bij de bepaling van de verschuldigde
belasting niet als loon in aanmerking is genomen.
5. Onverminderd de omstandigheid
dat de inhoudingsplichtige ingevolge artikel 32ba,artikel 32bb of
artikel 32bc de aldaar bedoelde belasting is verschuldigd en de
bedragen die worden ingehouden als bijdrage ingevolge een in
artikel 32ba bedoelde regeling tot het loon behoren, behoren tot
het loon:
a. uitkeringen en
verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende
aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding in
de zin van artikel 32ba;
b. vertrekvergoedingen als
bedoeld in artikel 32bb, met uitzondering van
vertrekvergoedingen als bedoeld in artikel 32bb, vijfde of
zesde lid;
c. uitkeringen en
verstrekkingen uit een als vertrekvergoeding in de zin van
artikel 32bbin aanmerking genomen aanspraak als bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel g, waaronder begrepen de
stamrechtspaarrekening en het stamrechtbeleggingsrecht,
bedoeld in artikel 11a;
d. hetgeen wordt genoten ter
zake van de uitoefening of vervreemding van een
aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 32bb, vijfde lid;
e. uitkeringen en
verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende
aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in
artikel 32bc.
Artikel 10a
1. Ingeval in het kader van een
dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer
een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort niet de waarde
van dat recht tot het loon doch hetgeen door de werknemer ter zake
van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten.
2. Het loon dat ingevolge het
eerste lid in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het
bedrag dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in
rekening is gebracht, maar niet verder dan tot nihil.
3. Indien zulks plaatsvindt in het
kader van een aandelenfusie, een splitsing van een rechtspersoon,
een fusie van een rechtspersoon of een overname van 50% of meer
van de aandelen in de inhoudingsplichtige of een met de
inhoudingsplichtige verbonden vennootschap wordt als uitoefening
of vervreemding van een aandelenoptierecht niet beschouwd:
a. het wijzigen van de
voorwaarden van het optierecht terzake van het aandeel waarop
het optierecht ziet, of
b. het vervangen van het
optierecht door een ander aandelenoptierecht waarbij dat
andere optierecht ziet op een ander aandeel, tenzij
aannemelijk is dat het wijzigen of het vervangen van het
aandelenoptierecht, in meer dan betekenende mate plaatsvindt
om belastingheffing ter zake van het recht uit te stellen of
te ontgaan.
4. Onder vervreemding wordt mede
begrepen het formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid
worden, het brengen in het vermogen van een onderneming, alsmede
het ontvangen van een schadeloosstelling als bedoeld in artikel
334p, eerste lid, of artikel 320, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. De overgang onder algemene titel van een
aandelenoptierecht wordt niet als een vervreemding aangemerkt.
5. Ingeval bij vervreemding van een
aandelenoptierecht de tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij
een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt
als genoten bedrag aangemerkt de waarde in het economische verkeer
welke ten tijde van de vervreemding aan het recht kan worden
toegekend.
6. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een aandelenoptierecht verstaan een recht om
een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te
verwerven in de inhoudingsplichtige vennootschap of in een met de
inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, of een daarmee gelijk
te stellen recht.
7. Voor de toepassing van deze wet
wordt onder een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap
verstaan:
a. een vennootschap waarin de
inhoudingsplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang
heeft;
b. een vennootschap die voor
ten minste een derde gedeelte belang heeft in de
inhoudingsplichtige;
c. een vennootschap waarin een
derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl
deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang
heeft in de inhoudingsplichtige.
8. Voor de toepassing van dit
artikel wordt, indien een inhoudingsplichtige vennootschap of een
met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap is
betrokken bij een splitsing of een fusie op de voet van artikel
334a onderscheidenlijk artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, onder die vennootschap mede verstaan de verkrijgende
vennootschap in de zin van die artikelen alsmede de vennootschap
die vóór de splitsing onderscheidenlijk fusie werd aangemerkt
als een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden
vennootschap.
Artikel 11
1. Tot het loon behoren niet:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. aanspraken ingevolge een
pensioenregeling, een en ander volgens de in of krachtens
hoofdstuk IIB gestelde normeringen en beperkingen;
d. aanspraken ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel
32ba;
e. aanspraken ingevolge de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
f. aanspraken, die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel
e;
g. aanspraken op periodieke
uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon,
mits:
1°. deze aanspraken
voorzien in aan de werknemer of gewezen werknemer
toekomende periodieke uitkeringen die niet later ingaan
dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, bereikt of in periodieke
uitkeringen die bij zijn overlijden ingaan en toekomen aan
zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met
wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of
heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in
de rechte lijn bestaat, of aan zijn kinderen of
pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben
bereikt;
2°. voor deze aanspraken
als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, of de
natuurlijke persoon tot wie de werknemer in
dienstbetrekking staat of heeft gestaan; en
3°. deze aanspraken niet
zijn opgekomen ingevolge artikel 10a of artikel 19b;
h. aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
i. [vervallen;]
j. bedragen die worden
ingehouden:
1°. als bijdrage ingevolge
een pensioenregeling;
2°. als bijdrage voor
aanspraken die ingevolge de onderdelen f en h niet tot het
loon behoren;
3°. in plaats van
bijdragen als bedoeld onder 2°;
k. uitkeringen en
verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband
met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van
persoonlijke zaken;
l. bij ministeriële regeling
aan te wijzen voorzieningen voor militaire oorlogs- of
dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit;
m. eenmalige uitkeringen en
verstrekkingen ter zake van overlijden van de werknemer, zijn
partner in het kalenderjaar of in het voorafgaande
kalenderjaar – in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of zijn kinderen en pleegkinderen,
voorzover deze uitkeringen en verstrekkingen niet overtreffen
driemaal het loon over een maand bepaald met inachtneming van
bij ministeriële regeling te stellen regels, alsmede
aanspraken op de hiervoor bedoelde uitkeringen en
verstrekkingen;
n. uitkeringen en
verstrekkingen, andere dan die ter zake van ziekte,
invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden, die de
werknemer ontvangt uit een fonds tot welks middelen de
inhoudingsplichtige gedurende de laatstverlopen vijf
kalenderjaren evenveel of minder heeft bijgedragen dan de bij
het fonds betrokken werknemers, tenzij die uitkeringen en
verstrekkingen geschieden ingevolge een aanspraak die niet tot
het loon behoort;
o. een uitkering of
verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van
een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of
verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van
een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde
daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is
voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;
p. [vervallen;]
q. [vervallen;]
r. aanspraken:
1°. op vakantieverlof en
compensatieverlof, voorzover deze aanspraken aan het einde
van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de
arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig
weken;
2°. op bij ministeriële
regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;
3°. op verlof tijdens
rust- en feestdagen.
s. hetgeen wordt genoten ter
zake van het verrichten van arbeid in de onderneming van de
partner van de werknemer, indien bij het bepalen van de winst
uit die onderneming de kosten en lasten die verband houden met
de vergoeding voor die arbeid op grond van artikel 3.16,
vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aftrek
komen.
2. Bij of krachtens ministeriële
regeling kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, worden bepaald dat eveneens niet tot het
loon behoren andere aanspraken dan bedoeld in het eerste lid,
indien zulks tot vergemakkelijking van de heffing van de belasting
kan leiden.
3. Voorzover de aanspraken op
vakantieverlof en compensatieverlof aan het einde van het
kalenderjaar in totaal de in het eerste lid, onderdeel r, onder
1°, opgenomen begrenzingen overschrijden, wordt het meerdere
geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het
einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het
kalenderjaar eindigt.
4. Voor aanspraken op periodieke
uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, waarvan de
uitkeringen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de
gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, is de grootte van de
kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang.
Artikel 11a
1. Met aanspraken op periodieke
uitkeringen die dienen ter vervanging van gederfd of te derven
loon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, worden
gelijkgesteld de bedragen die ter vervanging van gederfd of te
derven loon door de inhoudingsplichtige zijn overgemaakt naar een
door de werknemer bij een bank als omschreven in het tweede lid
aangehouden geblokkeerde rekening (stamrechtspaarrekening) of die
ter vervanging van gederfd of te derven loon door de
inhoudingsplichtige ten behoeve van de werknemer zijn overgemaakt
naar een beheerder van een beleggingsinstelling als omschreven in
dat lid, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van
deelneming in die instelling (stamrechtbeleggingsrecht), waarbij:
a. de met de overgemaakte
bedragen behaalde rendementen worden bijgeboekt op de
stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk worden aangewend ter
verkrijging van stamrechtbeleggingsrechten, en
b. het tegoed van de
stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het
stamrechtbeleggingsrecht, uitsluitend kan worden aangewend ter
verkrijging van een aanspraak op periodieke uitkeringen als
bedoeld inartikel 11, eerste lid, onderdeel g, dan wel
overeenkomstig de in het derde en vierde lid opgenomen
voorwaarden uitsluitend kan worden uitgekeerd in termijnen.
Met betrekking tot de door een
inhoudingsplichtige overgemaakte bedragen in vorenbedoelde zin, is
artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, niet van
toepassing.
2. Een bank of beheerder als
bedoeld in het eerste lid is:
a. een financiële onderneming
die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van bank mag uitoefenen, mits deze onderneming de
verplichting ingevolge de stamrechtspaarrekening voor de
heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het
binnenlandse ondernemingsvermogen;
b. een financiële onderneming
aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet op het
financieel toezicht om in Nederland het bedrijf van
beleggingsinstelling uit te oefenen, en die is gevestigd in
Nederland;
c. een onderneming of
instelling die bevoegd als bank of als beheerder van een
beleggingsinstelling optreedt, anders dan bedoeld in onderdeel
a onderscheidenlijk onderdeel b, die door Onze Minister, onder
door hem bij algemene maatregel van bestuur te stellen
voorwaarden, is aangewezen en die zich tegenover Onze Minister
heeft verplicht:
1°. te voldoen aan
voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van
inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en
2°. zekerheid te stellen
voor de invordering van de belasting die is verschuldigd
door de toepassing van artikel 19b, achtste lid, dan wel
de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid
te stellen.
3. Voor zover het tegoed van de
stamrechtspaarrekening onderscheidenlijk de waarde van het
stamrechtbeleggingsrecht, niet is aangewend ter verkrijging van
een aanspraak op periodieke uitkeringen als bedoeld inartikel 11,
eerste lid, onderdeel g, dient het tegoed van de rekening,
onderscheidenlijk de waarde van het recht in termijnen met een
gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar te worden
uitgekeerd, waarbij de omvang van de termijnen vergelijkbaar is
met die bij vorenbedoelde periodieke uitkeringen. Voorts geldt
daarbij:
a. bij in leven zijn van de
werknemer of gewezen werknemer:
1°. dat de aan hem
toekomende uitkeringen niet later ingaan dan in het jaar
waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet,
bereikt;
2°. dat de periode tussen
de eerste en de laatste uitkering ten minste het bij
ministeriële regeling vastgestelde aantal jaren bedraagt;
b. bij overlijden van de
werknemer of gewezen werknemer terwijl ingevolge onderdeel a
nog geen uitkeringen hebben plaatsgevonden:
1°. dat de uitkeringen
direct ingaan en worden uitgekeerd aan een of meer in de
overeenkomst betreffende de stamrechtspaarrekening,
onderscheidenlijk het stamrechtbeleggingsrecht, genoemde
personen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, onder 1°;
2°. dat de periode tussen
de eerste en de laatste uitkering ten minste het bij
ministeriële regeling vastgestelde aantal jaren bedraagt,
doch, ingeval de uitkeringen toekomen aan zijn kinderen of
pleegkinderen die ten tijde van het ontvangen van de
eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, het aantal jaren
nimmer meer bedraagt dan het aantal jaren dat de
gerechtigde jonger is dan 30 jaar.
4. Indien ingevolge het derde lid,
onderdelen a en b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de
uitkeringen overlijdt voor ontvangst van de laatste uitkering,
gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op de in
de overeenkomst betreffende de stamrechtspaarrekening,
onderscheidenlijk het stamrechtbeleggingsrecht, genoemde personen,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°.
5. Indien de gerechtigde tot de
uitkeringen overlijdt en het recht op de uitkeringen niet kan
overgaan op personen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, onder 1°, wordt op het onmiddellijk aan het
overlijden voorafgaande tijdstip het tegoed van de
stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het
stamrechtbeleggingsrecht, aangemerkt als loon uit een vroegere
dienstbetrekking van die gerechtigde tot de uitkeringen.
Artikel 11b
Tot het loon behoren voorts mede
niet:
a. een premie als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Wet werk en
bijstand, mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen
vergoeding is verstrekt als bedoeld in artikel 31, tweede lid,
onderdeel k, van de Wet werk en bijstand;
b. een bij ministeriële
regeling, zonodig onder het stellen van voorwaarden, aan te
wijzen premie die naar aard en strekking overeenkomt met een
premie als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 11c
Bij de bepaling van de omvang van het
loon wordt geen rekening gehouden met de omstandigheid dat met
toepassing van artikel 34, tweede lid, of artikel 41 van de Wet
financiering sociale verzekeringen bedragen op de werknemer worden
verhaald of met de omstandigheid dat met toepassing van artikel 59,
zevende lid, van die wet de op de voet van hoofdstuk 3 van die wet
verschuldigde premies worden nageheven van de werknemer.
Artikel 11d
Bij de bepaling van de omvang van het
loon wordt geen rekening gehouden met de ter zake van het loon
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de
Zorgverzekeringswet.
Artikel 12
Bij ministeriële regeling kunnen, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels worden gesteld met betrekking tot het bedrag
aan fooien en dergelijke prestaties van derden, dat in bepaalde
gevallen of groepen van gevallen geacht wordt te zijn genoten.
Daarbij kan worden bepaald, dat een bedrag aan fooien en dergelijke
prestaties van derden niet tot het loon behoort.
Artikel 12a
1. Ten aanzien van de werknemer die
arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn
partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in een
kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op
€ 43 000 dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van
soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang
geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon
gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon. Indien aannemelijk is
dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een
aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer
een hoger loon gebruikelijk is, wordt het loon gesteld op een
zodanig bedrag dat het niet meer in belangrijke mate afwijkt van
hetgeen gebruikelijk is, met dien verstande dat – indien bij het
lichaam of daarmee verbonden lichamen ook andere werknemers in
dienst zijn – het niet lager wordt gesteld dan het hoogste loon
van de overige werknemers. Ingeval aannemelijk is dat het loon,
gelet op wat gebruikelijk is in het economische verkeer waarbij
een aanmerkelijk belang geen rol speelt, op een lager bedrag
behoort te worden gesteld dan het hoogste loon van de overige
werknemers wordt het, in afwijking in zoverre van de vorige
volzin, op een zodanig bedrag gesteld dat het niet meer in
belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. Het loon
wordt nimmer op een lager bedrag gesteld dan het bedrag ingevolge
de eerste volzin.
2. Indienartikel 32d van toepassing
is op het door een of meer lichamen verschuldigde loon, wordt het
eerste lid toegepast alsof de ten behoeve van deze andere lichamen
verrichte arbeid is verricht ten behoeve van de
inhoudingsplichtige die ingevolge artikel 32d geacht wordt het
loon te verstrekken.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het bij toepassing van het eerste en tweede lid
vast te stellen loon voor de arbeid in het lichaam, bedoeld in het
eerste lid, en – als het lichaam tot een concern behoort – de
tot hetzelfde concern behorende andere lichamen, in het
kalenderjaar niet hoger is dan€ 5000.
4. Voor de toepassing van dit
artikel wordt verstaan onder:
a. partner: een in artikel
3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 aangeduide persoon;
b. een aanmerkelijk belang: een
aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting
2001.
5. Het in het eerste lid vermelde
bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële
regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door
het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de
tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en vervolgens de nodig geachte afronding
aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke
afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van
het niet-afgeronde bedrag.
Artikel 13
1. Niet in geld genoten loon wordt
in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat
ingeval door een derde, niet zijnde een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap, ter zake van het niet in geld genoten loon
een bedrag aan de inhoudingsplichtige in rekening wordt gebracht,
het door de derde in rekening gebrachte bedrag in aanmerking wordt
genomen.
2. Met betrekking tot niet in geld
genoten loon in de vorm van verstrekkingen van branche-eigen
producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van
het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden
vennootschap, wordt, in zoverre in afwijking van het eerste lid,
ingeval voor de aanschaf van deze producten in het economische
verkeer aan een derde, onder voor het overige overeenkomstige
omstandigheden, een bedrag in rekening zou worden gebracht, het
aan deze derde in rekening te brengen bedrag in aanmerking
genomen.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, nadere regels worden gesteld op grond waarvan de
waarde van het volgende niet in geld genoten loon op een lager
bedrag kan worden gesteld dan het ingevolge de vorige leden in
aanmerking te nemen bedrag:
a. voorzieningen die geheel of
gedeeltelijk gebruikt of verbruikt worden op een bij die
ministeriële regeling aan te wijzen werkplek;
b. het genot van een in het
kader van de dienstbetrekking ter beschikking gesteld recht op
vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is
beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van
woon-werkverkeer (openbaarvervoerkaart) of recht op
vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen
voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk
buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart);
c. rente van
personeelsleningen;
d. het genot van een in het
kader van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning.
4. De waarde van regelmatig bij het
loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken uit een publiekrechtelijke regeling of
collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesteld op 99% van de
nominale waarde van die bonnen of aanspraken.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, nadere regels worden gesteld met betrekking tot
de waardering van aanspraken.
6. De ingevolge de vorige leden in
aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat de
werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande
dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
Artikel 13bis
1. Indien ook voor
privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het
voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:
a. 25% van de waarde van de
auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het
eerst in gebruik is genomen;
b. 35% van de waarde van de
auto indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in
gebruik is genomen.
De auto wordt in ieder geval geacht
ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij
blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500
kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
2. Indien de auto wordt aangedreven
door een motor met compressieontsteking, wordt het voordeel,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, op kalenderjaarbasis
verlaagd met:
a. 11% van de waarde van de
auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 88 gram per
kilometer, en
b. 5% van de waarde van de auto
indien de CO2-uitstoot hoger is dan 88 gram per kilometer,
maar niet hoger is dan 112 gram per kilometer.
In afwijking van de eerste volzin
wordt het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot
1 januari 2014 op kalenderjaarbasis verlaagd met 25% van de waarde
van de auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 50 gram per
kilometer.
3. Indien de auto niet wordt
aangedreven door een motor met compressieontsteking, wordt het
voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, op
kalenderjaarbasis verlaagd met:
a. 11% van de waarde van de
auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 95 gram per
kilometer, en
b. 5% van de waarde van de auto
indien de CO2-uitstoot hoger is dan 95 gram per kilometer,
maar niet hoger is dan 124 gram per kilometer.
In afwijking van de eerste volzin
wordt het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot
1 januari 2014 op kalenderjaarbasis verlaagd met 25% van de waarde
van de auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 50 gram per
kilometer.
4. Indien uit een rittenregistratie
of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet
meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt,
wordt het voordeel gesteld op nihil.
5. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto
verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3
van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of
inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te
zijn voor vervoer van goederen en met uitzondering van de
bestelauto die buiten de werktijd niet gebruikt kan worden of de
bestelauto waarvoor een verbod op privé-gebruik geldt. Van een
dergelijk verbod op privé-gebruik is sprake indien:
a. het verbod schriftelijk is
vastgelegd;
b. de inhoudingsplichtige de
vastlegging van het verbod bij de loonadministratie bewaart;
c. de inhoudingsplichtige
voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod, en
d. de inhoudingsplichtige een
passende sanctie oplegt indien het verbod wordt overtreden.
6. Voor de toepassing van dit
artikel is de CO2-uitstoot van een auto, de CO2-uitstoot gemeten
overeenkomstig bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van
de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van
Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de
Raad betreffende de type goedkeuring van motorvoertuigen met
betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen
(Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en
onderhoudsinformatie (PbEU 2008, L 199). Indien de meting mede met
LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot
van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort gehanteerd.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet
voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins
laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan
500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
8. Voor de toepassing van dit
artikel wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs
in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de
artikelen 9 tot en met 9c van genoemde wet. In afwijking in
zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer
dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen,
gesteld op de waarde in het economische verkeer.
9. Het voordeel wordt in aanmerking
genomen voorzover het uitgaat boven de vergoeding die de werknemer
voor het gebruik voor privé-doeleinden is verschuldigd.
10. Voor de toepassing van dit
artikel wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden
plaats te vinden.
11. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de loontijdvakken
waarin het in het eerste lid bedoelde voordeel in aanmerking wordt
genomen.
12. Indien de werknemer een
verklaring van de inspecteur overlegt waarin is vastgelegd dat de
werknemer aan de inspecteur heeft medegedeeld dat de hem ter
beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan
500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (verklaring
geen privé-gebruik), laat de inhoudingsplichtige inhouding van
belasting over het in het eerste lid bedoelde voordeel achterwege.
De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de
inhoudingsplichtige weet dat de in de eerste volzin bedoelde
mededeling niet juist is.
13. De werknemer kan een verzoek om
een verklaring geen privé-gebruik bij de inspecteur indienen. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
14. De inspecteur kan de verklaring
geen privé-gebruik, al dan niet op verzoek van de werknemer, bij
voor bezwaar vatbare beschikking intrekken, waarbij de intrekking
voor zover nodig terugwerkende kracht kan hebben. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen de werknemer
om intrekking moet verzoeken.
15. In geval van een verklaring
geen privé-gebruik kan de inspecteur de werknemer op enig moment
verzoeken te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor
niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
16. Indien de verklaring geen
privé-gebruik wordt ingetrokken of indien de werknemer niet doet
blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500
kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt de
verschuldigde belasting, voorzover nodig in afwijking van artikel
20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
nageheven van de werknemer. In afwijking van de eerste volzin
wordt nageheven van de inhoudingsplichtige ingeval de
inhoudingsplichtige wist dat de mededeling, bedoeld in het
twaalfde lid, eerste volzin, niet juist was.
17. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
verklaring geen privé-gebruik.
18. Indien een bestelauto als
bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 door de werknemer
uitsluitend zakelijk wordt gebruikt, kan de werknemer door
tussenkomst van de inhoudingsplichtige met betrekking tot deze
auto aan de inspecteur een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik
afgeven (verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto). De
ontvangst van die verklaring wordt door de inspecteur bevestigd.
Indien een verklaring als bedoeld in de eerste volzin is
afgegeven, laat de inhoudingsplichtige inhouding van belasting
over het in het eerste lid bedoelde voordeel achterwege. De vorige
volzin is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige weet
dat de in die volzin genoemde verklaring niet juist is.
19. De werknemer kan de verklaring
uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto intrekken. De mededeling
van de intrekking wordt door de inspecteur bevestigd.
20. In geval van een verklaring
uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto kan de inspecteur bij het
vermoeden van een rit voor privédoeleinden, de
inhoudingsplichtige en de werknemer verzoeken te doen blijken dat
de betreffende rit zakelijk was. Slagen inhoudingsplichtige en de
werknemer niet in dit bewijs, dan wordt de bestelauto geacht op
kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor
privédoeleinden te worden gebruikt en wordt de verschuldigde
belasting, voor zover nodig in afwijking van artikel 20, tweede
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, nageheven van de
werknemer. In afwijking van de tweede volzin wordt nageheven van
de inhoudingsplichtige ingeval hij wist dat de verklaring niet
juist was of ingeval hij niet aanstonds heeft medegedeeld dat de
werknemer ten onrechte de verklaring nog niet heeft ingetrokken.
21. Indien de werknemer de
verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto heeft
ingetrokken voordat hij de bestelauto ook voor privédoeleinden
heeft gebruikt, wordt de bestelauto tot het moment van de
intrekking geacht wel voor privédoeleinden ter beschikking te
zijn gesteld, maar niet voor privédoeleinden te zijn gebruikt.
22. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald:
a. op welke wijze de verklaring
uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt afgegeven en
ingetrokken;
b. in welke gevallen de
werknemer de verklaring in ieder geval moet intrekken;
c. in welke gevallen de
inhoudingsplichtige de inspecteur schriftelijk moet mededelen
dat de werknemer de verklaring ten onrechte niet heeft
ingetrokken en welke gegevens de inhoudingsplichtige bij deze
mededeling moet verstrekken;
d. op welke wijze de inspecteur
naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in onderdeel c
bekendmaakt dat de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik
bestelauto geacht wordt te zijn ingetrokken;
e. vanaf welk moment de
verklaring bij toepassing van onderdeel d geacht wordt te zijn
ingetrokken.
23. Na een vervanging van de
CO2-uitstootgrenzen in het tweede of derde lid, blijft met
betrekking tot een auto:
a. waarvan het kenteken na 30
juni 2012 voor het eerst op naam is gesteld: voor een periode
van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand
volgend op die waarin het kenteken van de auto voor het eerst
op naam is gesteld, de verlaging van toepassing ingevolge de
begrenzingen die golden op de datum van de eerste
tenaamstelling, en voor direct daarop volgende periodes van
telkens 60 maanden, de verlaging ingevolge de begrenzingen
zoals die golden op de laatste dag van de direct daaraan
voorafgaande periode van 60 maanden;
b. waarvan het kenteken voor
het eerst op naam is gesteld vóór 1 juli 2012 en die de
werknemer al vóór en vanaf 1 juli 2012 onafgebroken ter
beschikking is gesteld: de op 30 juni 2012 geldende verlaging
ingevolge de op die datum geldende begrenzingen van
toepassing;
c. waarvan het kenteken op naam
van de eigenaar is gesteld vóór 1 juli 2012 en die de
werknemer op of na 1 juli 2012 voor het eerst ter beschikking
is gesteld: de op 30 juni 2012 geldende verlaging ingevolge de
op die datum geldende begrenzingen van toepassing;
d. waarvan het kenteken voor
het eerst op naam is gesteld vóór 1 juli 2012 en die op naam
van de eigenaar is gesteld op of na 1 juli 2012: voor een
periode van 60 maanden te rekenen vanaf 1 juli 2012, de
verlaging van toepassing ingevolge de begrenzingen zoals die
golden op 30 juni 2012, en voor direct daaropvolgende periodes
van telkens 60 maanden, de verlaging ingevolge de begrenzingen
zoals die golden op de laatste dag van de direct daaraan
voorafgaande periode van 60 maanden.
24. In afwijking van het
drieëntwintigste lid, onderdeel d, heeft de eigendomsoverdracht
van een auto die aan een werknemer ter beschikking is gesteld geen
gevolgen voor de verlaging, zolang de terbeschikkingstelling van
die auto aan de betreffende werknemer voortduurt.
25. In afwijking van het
drieëntwintigste lid blijft na vervanging van de
CO2-uitstootgrenzen in het tweede of derde lid, met betrekking tot
een auto waarvan het kenteken voor het eerst op naam is gesteld op
of na 1 januari 2012 en die een CO2-uitstoot heeft van niet hoger
dan 50 gram per kilometer voor een periode van 60 maanden te
rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin het
kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld, de
verlaging van toepassing ingevolge de begrenzingen die golden op
de datum van de eerste tenaamstelling, en voor direct
daaropvolgende periodes van telkens 60 maanden, de verlaging
ingevolge de begrenzingen zoals die gelden op de laatste dag van
de direct daaraan voorafgaande periode van 60 maanden.
26. In afwijking van het
drieëntwintigste lid wordt het voordeel, bedoeld in het eerste
lid, eerste volzin, met betrekking tot een auto waarvan het
kenteken vóór 1 januari 2012 voor het eerst op naam is gesteld
en die een CO2-uitstoot heeft van 0 gram per kilometer, tot 1
januari 2017 verlaagd met 25% van de waarde van de auto en daarna
met het hoogste percentage aan verlaging dat op dat tijdstip in
het tweede of derde lid van dit artikel wordt genoemd.
27. In afwijking van het
drieëntwintigste lid wordt het voordeel, bedoeld in het eerste
lid, eerste volzin, met betrekking tot een auto waarvan het
kenteken vóór 1 januari 2012 voor het eerst op naam is gesteld
en die een CO2-uitstoot heeft van hoger dan 0 gram per kilometer,
maar niet hoger dan 50 gram per kilometer, van 1 januari 2012 tot
1 januari 2017 verlaagd met 25% van de waarde van de auto, en
geldt voor direct daaropvolgende periodes van telkens 60 maanden
een verlaging ingevolge de begrenzingen van het tweede of derde
lid van dit artikel zoals die gelden op de laatste dag van de
direct daaraan voorafgaande periode van 60 maanden.
28. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een auto
waarvan de datum van de eerste tenaamstelling van het kenteken
niet overeenkomt met de datum van eerste toelating op de weg van
die auto.
Artikel 13a
1. Loon wordt beschouwd te zijn
genoten op het tijdstip waarop het:
a. betaald of verrekend wordt,
ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend
wordt, dan wel
b. vorderbaar en tevens inbaar
wordt.
2. Indien is overeengekomen dat het
loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal
worden genoten, wordt daarmee voor de toepassing van het eerste
lid geen rekening gehouden.
3. Voor zover ingevolge artikel 12a
het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, wordt het
meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar
of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het
kalenderjaar eindigt.
4. In afwijking van het eerste lid:
a. wordt loon dat ingevolge
artikel 27bis is begrepen in de laatste aangifte van het
kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het
kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in
de loop van het kalenderjaar eindigt;
b. worden vergoedingen ter zake
van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder
woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig,
schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, voor zover
deze€ 0,19 per kilometer te boven gaan en voor zover deze
niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, geacht te zijn
genoten bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde
van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het
kalenderjaar eindigt, indien in het kalenderjaar ook
vergoedingen ter zake van de hiervoor bedoelde wijze van
vervoer zijn of naar verwachting zullen worden berekend naar
een bedrag van minder dan € 0,19 per kilometer.
5. Het vierde lid, onderdeel b, is
niet van toepassing op vergoedingen ter zake van vervoer in het
kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, per
openbaar vervoer indien deze vergoedingen zijn vastgesteld op
basis van de werkelijke kosten.
6. Voor de toepassing van het
vierde lid, onderdeel b, wordt onder vervoer vanwege de
inhoudingsplichtige verstaan:
1°. vanwege de
inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;
2°. het reizen per openbaar
vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte
en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.
7. In afwijking van het eerste lid
wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door
hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het
kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak
waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat
eerdere tijdvak te zijn genoten.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk IIA [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 15a [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 15b [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 15c [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 15d [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 16a [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 16b [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 16c [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 17a [Vervallen per
01-01-2011]
Hoofdstuk IIB. Pensioenregelingen
Artikel 18
1. Onder pensioenregeling wordt
verstaan een regeling:
a. die uitsluitend of, met het
oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, nagenoeg
uitsluitend ten doel heeft het treffen van:
1°. een levenslange
inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en
gewezen werknemers (ouderdomspensioen);
2°. een
inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun
echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel van degenen
met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren
of hebben gevoerd en met wie geen bloed- of
aanverwantschap in de eerste graad bestaat
(partnerpensioen);
3°. een
inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun
kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog
niet hebben bereikt (wezenpensioen);
4°. een
inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die
langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven
hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet
worden geacht (arbeidsongeschiktheidspensioen), en
b. waarin is bepaald dat de
aanspraken ingevolge de regeling niet kunnen worden afgekocht,
vervreemd of prijsgegeven, dan wel formeel of feitelijk
voorwerp van zekerheid kunnen worden, anders dan in de
gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioenwet;
c. waarvan als verzekeraar
optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid;
een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of
krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen.
2. Onder pensioenregeling wordt
mede verstaan een regeling die:
a. het ouderdomspensioen na het
bereiken van veertig deelnemingsjaren aanvult
(40-deelnemingsjarenpensioen);
b. het partnerpensioen dan wel
het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van
uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het
verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen
over het pensioen voor en na de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet (nabestaandenoverbruggingspensioen).
3. Ingeval een regeling voldoet aan
de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen
de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen, is de
regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft
binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen. De
inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste
moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te
stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen
die begrenzingen. Bij toepassing van de eerste volzin geeft de
inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de
regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij
ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot
het loon van de werknemer behoort. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 18a
1. Een op een eindloonstelsel
gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan
2 percent van het pensioengevend loon.
2. Een op een middelloonstelsel
gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan
2,25 percent van het pensioengevend loon.
3. Een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt
tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35
jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het
pensioengevend loon op dat tijdstip. De beschikbare premie wordt
ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende
uitgangspunten:
a. de beschikbare premie wordt
actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste
vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de
klasse;
b. als loopbaanontwikkeling
wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar
gedurende de jaren voor het bereiken van de 35-jarige
leeftijd, van twee percent per jaar gedurende de tien
daaropvolgende jaren, van een percent per jaar gedurende de
tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige
jaren;
c. bij de berekening wordt een
rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent
en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld.
4. Een ouderdomspensioen gaat niet
later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen:
1°. ingeval de
dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling
vastgestelde ingangsdatum: de vastgestelde ingangsdatum, dan
wel op het vroegste van de tijdstippen, bedoeld onder 3°, 4°
en 5°;
2°. ingeval de
dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling
vastgestelde ingangsdatum: het tijdstip waarop de
dienstbetrekking eindigt;
3°. ingeval het
ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt
te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: het tijdstip
waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
4°. ingeval het
ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt
te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of
gewezen werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft
bereikt: het tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt;
5°. het tijdstip waarop de
werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, van de Algemene Ouderdomswet bereikt.
5. Ingeval het ouderdomspensioen
later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde
ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd
overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel, met inbegrip
van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde
actuariële grondslagen, doch niet verder dan tot 100 percent van
het pensioengevend loon.
6. Indien het ouderdomspensioen
eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt
het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de
pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming
van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
7. Een ouderdomspensioen gaat niet
uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip
van ingang.
8.
a. De in deze wet met
betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima
worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een
bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of
ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat
jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag
als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en
vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
vakantietoeslag. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat een lager bedrag in aanmerking
kan worden genomen dan het in de eerste volzin bedoelde bedrag
indien een lager percentage per dienstjaar wordt toegepast dan
de in het eerste tot en met derde lid bedoelde percentages.
b. Voor het partnerpensioen kan
het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 70% in aanmerking
worden genomen.
c. Voor het wezenpensioen kan
het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14% en voor volle
wezen voor 28% in aanmerking worden genomen.
9. Met betrekking tot een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld
in het derde lid vindt, in afwijking van het vierde lid, onder 3°
en 4°, de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde
begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het
eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het
pensioen. Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt
overschreden, zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering
ineens. De uitkering ineens dan wel, indien uitkering niet
plaatsvindt, het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd, wordt
aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de
werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het
pensioen. Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is
voor de Algemene Ouderdomswet wordt, in afwijking van de artikelen
20a, 20b en 26, de verschuldigde belasting over de uitkering
onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd,
gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de
Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een
persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens
in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer.
10. Ingeval de werknemer voor het
tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands
belastingplichtige te zijn, wordt in het negende lid voor het
tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van
het pensioen steeds gelezen: het tijdstip onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands
belastingplichtige te zijn.
Artikel 18b
1. Een op een eindloonstelsel
gebaseerd partnerpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 1,4 percent van het pensioengevend loon
of bereikbare pensioengevend loon.
2. Een op een middelloonstelsel
gebaseerd partnerpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 1,58 percent van het pensioengevend loon
of bereikbaar pensioengevend loon.
3. Voor een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd partnerpensioen is artikel
18a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Ingeval in de pensioenregeling
is rekening gehouden met:
1°. een bepaalde partner,
wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die partner;
2°. een onbepaalde partner,
wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer
en de partner van ten hoogste drie jaren.
5. Voor de toepassing van dit
artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet
in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou
ingaan, ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon
in aanmerking genomen. Onder ontbrekende dienstjaren worden
verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer
tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. Onder
bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend
loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde
loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.
6. Een partnerpensioen gaat in
onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen
werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
7. Een partnerpensioen gaat niet
uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar
pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.
8. Voor de toepassing van het
zevende lid is artikel 18a, negende lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 18c
1. Een op een eindloonstelsel
gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 0,28 percent van het pensioengevend loon
of bereikbaar pensioengevend loon.
2. Een op een middelloonstelsel
gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 0,32 percent van het pensioengevend loon
of bereikbaar pensioengevend loon.
3. Voor een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Een wezenpensioen gaat in
onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen
werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
5. Een wezenpensioen gaat op het
tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het
pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.
6. Voor volle wezen worden de in de
vorige leden genoemde percentages verdubbeld.
7. Voor de toepassing van het
vijfde en het zesde lid is artikel 18a, negende lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 18d
1. In afwijking in zoverre van de
artikelen 18a, 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen, een
partnerpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van:
a. aanpassing van het pensioen
aan loon- of prijsontwikkeling;
b. variatie in de hoogte van de
uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt
dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van
variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt
vastgesteld;
c. waardeoverdracht van
pensioenaanspraken;
d. gehele of gedeeltelijke
onderlinge ruil van partnerpensioen, wezenpensioen en
ouderdomspensioen, mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum
van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde
actuariële grondslagen.
2. Door ruil als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, ontstane verlies aan pensioen kan niet
worden gecompenseerd en het partnerpensioen en het wezenpensioen
kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent
onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend
loon.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel b, blijft in de jaren tussen de ingangsdatum
van het pensioen en het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, van de uitkering buiten aanmerking een bedrag dat
gelijk is aan tweemaal de voor die jaren geldende uitkeringen voor
gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9,
eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene
Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag. De eerste volzin
is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd.
Artikel 18e
1. Een 40-deelnemingsjarenpensioen
is een levenslang pensioen dat:
a. ingaat op hetzelfde tijdstip
als het ouderdomspensioen;
b. met inbegrip van het
ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 70% van het
pensioengevend loon ingeval het ouderdomspensioen ingaat bij
het bereiken van de 63-jarige leeftijd;
c. niet eerder wordt opgebouwd
dan vanaf het tijdstip waarop de werknemer 40 deelnemingsjaren
heeft bereikt.
2. Ingeval het
40-deelnemingsjarenpensioen later ingaat dan bij het bereiken van
de 63-jarige leeftijd mag het 40-deelnemingsjarenpensioen na het
bereiken van die leeftijd met inachtneming van algemeen aanvaarde
actuariële grondslagen worden verhoogd.
3. Ingeval het
40-deelnemingsjarenpensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van
de 63-jarige leeftijd wordt het 40-deelnemingsjarenpensioen met
inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen
herrekend ten opzichte van die leeftijd.
4. De artikelen 18a, negende lid,
en 18d zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
door de overeenkomstige toepassing van artikel 18d, eerste lid,
onderdeel d, een 40-deelnemingsjarenpensioen met inbegrip van het
ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 100% van het laatste
pensioengevend loon.
5. Het in het eerste lid opgenomen
maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 65-jarige
leeftijd opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt
gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als
omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid,
van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.
Artikel 18f
Een nabestaandenoverbruggingspensioen
is een pensioen dat:
a. ingaat onmiddellijk na het
overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel
onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
b. toekomt aan degene voor wie
een regeling voor partnerpensioen of wezenpensioen is getroffen
of had kunnen worden getroffen;
c. niet meer bedraagt dan het
gezamenlijke bedrag van 8/7 maal de nominale uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, en het verschil in verschuldigde premie voor
de volksverzekeringen over het partnerpensioen voor en na de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet.
Artikel 18g
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel
deelnemingsjaren, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c en 18e.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
pensioengevend loon, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d
en18e, ter zake van:
a. de loonbestanddelen die
daarin worden opgenomen;
b. de loonbestanddelen waarover
de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het
eindloonstelsel dient plaats te vinden;
c. de situatie waarin de
werknemer aan het eind van zijn loopbaan terugtreedt naar een
lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn
daaraan voorafgaande functie;
d. de situatie waarin het loon
wordt verlaagd in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid
van de werknemer.
Artikel 18h
1. In afwijking in zoverre van het
overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling
waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdelen d of e, als verzekeraar optreedt, een
pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met
18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen
in collectieve regelingen gangbaar is.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als
bedoeld in het eerste lid gangbaar is.
Artikel 18i [Vervallen per
01-01-2005]
Artikel 19
Met betrekking tot diensttijd waarin
het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen
gebruikelijk is, kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen
aanspraken op een pensioenregeling ontstaan als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 19a
1. Als verzekeraar van een pensioen
als bedoeld in artikel 18 kan optreden:
a. een lichaam dat ingevolge
artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting;
b. een verzekeraar als bedoeld
in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, mits
deze de pensioenverplichting voor de heffing van de
vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen;
c. een niet in Nederland
gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het
levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits het pensioen de
voortzetting is van een pensioen dat reeds was verzekerd bij
die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen
werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een
dienstbetrekking vervulde;
d. een ander lichaam dan
bedoeld in de onderdelen a , b en c , dat in Nederland is
gevestigd, de pensioenverplichting voor de heffing van de
vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid
gestelde voorwaarden;
e. een ander lichaam dan
bedoeld in de onderdelen a, b, c en d, dat:
1°. in een andere lidstaat
van de Europese Unie is gevestigd of in een bij
ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
2°. de
pensioenverplichting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen van de onder 1° bedoelde lidstaat
onderscheidenlijk staat;
3°. aannemelijk maakt dat
het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst
die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële
heffing;
4°. voldoet aan de in het
tweede lid gestelde voorwaarden;
5°. door de inspecteur,
onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, is
aangewezen en zich tegenover de inspecteur heeft verplicht
te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het
verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de
regeling en de winstbepaling van het lichaam, en
6°. ingevolge een
overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid heeft
aanvaard voor de belasting die wordt verschuldigd door
toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83, eerste of
tweede lid, of artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid,
of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001;
f. een pensioenfonds of lichaam
dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan
bedoeld in de onderdelen a, b en c, dat door Onze Minister,
onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en dat
zich tegenover Onze Minister heeft verplicht:
1°. te voldoen aan
voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van
inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en
2°. zekerheid te stellen
voor de invordering van de belasting die is verschuldigd
door toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83,
eerste of tweede lid, artikel 3.136, derde, vierde of
vijfde lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, dan wel de werknemer of gewezen
werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen.
2. Het lichaam, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen d en e, kan slechts als verzekeraar van een
pensioen optreden ter uitvoering van een pensioenovereenkomst die
door dat lichaam is gesloten met een directeur-grootaandeelhouder,
dan wel ter uitvoering van een in dat lichaam ondergebrachte
pensioenovereenkomst van een directeur-grootaandeelhouder en diens
werkgever, waarbij het begrip directeur-grootaandeelhouder wordt
opgevat overeenkomstig artikel 1 van de Pensioenwet. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de toepassing van de eerste volzin.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste
lid, onderdelen e en f, bedoelde aanwijzing.
4. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen, alsmede voor de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen, wordt
gelijkgesteld met:
a. een verzekeraar als bedoeld
in het eerste lid, onderdelen a of b: een
premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
b. een verzekeraar als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel f: een met een
premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet vergelijkbare instelling die onder overeenkomstige
toepassing van het eerste lid, onderdeel f, door Onze Minister
is aangewezen;
c. het verzekeren van een
aanspraak ingevolge een pensioenregeling: het uitvoeren van
een pensioenregeling door een premiepensioeninstelling.
Artikel 19b
1. Ingeval op enig tijdstip:
a. een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;
b. een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel
of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve
van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid,
van de Invorderingswet 1990, wordt;
c. een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam
als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan
wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt
prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor
verwezenlijking vatbaar is;
d. de zekerheidstelling wordt
beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich
op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft
verplicht deze zekerheid te stellen;
wordt op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een
vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer
dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de
aanspraak.
2. Ingeval een verplichting
ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op
een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling
geacht te worden afgekocht. De eerste volzin is niet van
toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling
geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar als bedoeld
in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, mits deze
overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de
artikelen 70 tot en met 91 van de Pensioenwet. Met betrekking tot
een verplichting die is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, wordt onder een
overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan
herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader
van scheiding van tafel en bed, echtscheiding of beëindiging van
samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling geheel of
gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot
onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in
een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of
gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen
partner, waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de
toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van
de aanspraak op een pensioenregeling van de werknemer of gewezen
werknemer.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde
uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel
66, 67 of 68 van de Pensioenwet.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing bij een vervreemding als bedoeld in artikel 57, vijfde
lid, van de Pensioenwet alsmede bij een vermindering als bedoeld
in artikel 134, eerste lid, van die wet.
6. Onze Minister kan, zo nodig
onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat het tweede lid,
eerste volzin, niet van toepassing is indien de verplichting
ingevolge een pensioenregeling overgaat op een niet in Nederland
gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf
uitoefent , anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid,
onderdelen e en f, zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge
een pensioenregeling in het kader van de aanvaarding van een
dienstbetrekking buiten Nederland. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de
verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds
van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding
van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland.
7. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel a, wordt een aanspraak op een
pensioenregeling mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval
op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden
gesteld ingevolge het zesde lid of artikel 19d.
8. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op
periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, en stamrechtspaarrekeningen en
stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a.
9. Onze Minister kan in door hem
aangewezen gevallen bepalen dat geen sprake is van een prijsgeven
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ingeval de bij een
verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d
of e, dan wel bij een lichaam als bedoeld in artikel 36b,
ondergebrachte aanspraken ingevolge een pensioenregeling op het
ingangstijdstip van het pensioen worden verminderd in verband met
de vermogenspositie van de verzekeraar en blijkt dat is voldaan
aan de door Onze Minister te stellen voorwaarden. De in de eerste
volzin bedoelde voorwaarden kunnen mede betrekking hebben op het
bepalen van de winst van de verzekeraar voor de
vennootschapsbelasting of een daarmee vergelijkbare buitenlandse
belasting en van de omvang van de verkrijgingsprijs van een
aanmerkelijk belang in die verzekeraar voor de toepassing van de
inkomstenbelasting.
Artikel 19c
1. Op verzoek van de
inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van
de artikelen 18 tot en met 18h. Het verzoek wordt gedaan voordat
de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.
2. Indien een zodanig verzoek is
gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de
regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling –
onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling
– wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige
pensioenregeling is, wordt de regeling geacht met terugwerkende
kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te
zijn. De vorige volzin is niet van toepassing op
pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h.
Artikel 19d
Onze Minister kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afwijkingen
toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde
door regelingen of groepen van regelingen, niet zijnde een regeling
als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, aan te wijzen als
pensioenregeling indien het een regeling betreft:
a. die op bepaalde onderdelen
niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of
krachtens dit hoofdstuk bepaalde, mits het belang van de
afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op
andere onderdelen;
b. voor gemoedsbezwaarden met een
ontheffing als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering
sociale verzekeringen, die dient ter vervanging van een
pensioenregeling;
c. voor een tijdelijk in
Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet
aan artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, mits de opbouw van het pensioen
ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet
en het pensioen reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of
lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen c of
f, in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde
of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde.
Zo nodig kunnen aanvullende
voorwaarden worden gesteld.
Artikel 19e [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 19f
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van
dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende
pensioenstelsels.
Hoofdstuk IIC [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 19g [Vervallen per
01-01-2012]
Hoofdstuk III. Tarief
Artikel 20
1. De over een loontijdvak van een
jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het
kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd
met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting.
2. Het bedrag van de
heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag
van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar.
Artikel 20a
1. De belasting over een
loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de
navolgende tabel (tarieftabel).
|
Bij een
belastbaar loon van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon
dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 19 645 |
– |
5,85% |
|
€ 19 645 |
€ 33 363 |
€ 1 149 |
10,85% |
|
€ 33 363 |
€ 55 991 |
€ 2 637 |
42% |
|
€ 55 991 |
– |
€ 12 140 |
52% |
2. De in het eerste lid vermelde
bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van
rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1
van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter
vervanging van de in artikel 2.10 van die wet vermelde bedragen.
Artikel 20b
1. In afwijking van artikel 20a,
eerste lid, wordt indien de werknemer vóór 1 januari 1946 is
geboren, de belasting over een loontijdvak van een jaar bepaald
aan de hand van de volgende tabel (tarieftabel voor werknemers
geboren vóór 1 januari 1946).
|
Bij een
belastbaar loon van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon
dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 19 645 |
– |
5,85% |
|
€ 19 645 |
€ 33 555 |
€ 1 149 |
10,85% |
|
€ 33 555 |
€ 55 991 |
€ 2 658 |
42% |
|
€ 55 991 |
– |
€ 12 081 |
52% |
2. De in het eerste lid vermelde
bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van
rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1
van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter
vervanging van de in artikel 2.10a van die wet vermelde
bedragen.
Artikel 21
In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. belastingtarief eerste schijf:
het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in
artikel 20a opgenomen percentage;
b. gecombineerd
heffingspercentage: de som van het belastingtarief eerste schijf
en de volgens artikel 11 van de Wet financiering sociale
verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene
ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten.
Artikel 21a
De heffingskorting voor de
loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat
tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als
het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde
heffingspercentage.
Artikel 21b
Bij de toepassing van artikel 21a op
het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de
ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting betrekking heeft,
wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het
volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde
premiepercentage.
Artikel 21c
De standaardloonheffingskorting is
het gezamenlijke bedrag van:
a. de algemene heffingskorting
(artikel 22);
b. de arbeidskorting (artikel
22a);
c. de jonggehandicaptenkorting
(artikel 22aa);
d. de ouderenkorting (artikel
22b), en
e. de alleenstaande
ouderenkorting (artikel 22c).
Artikel 22
1. Voor de werknemer is de algemene
heffingskorting van toepassing.
2. De algemene heffingskorting
bedraagt € 2001.
Artikel 22a
1. Voor de werknemer die loon uit
tegenwoordige arbeid geniet, is de arbeidskorting van toepassing.
2. De arbeidskorting wordt berekend
over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt:
a. 1,827% van dat loon met een
maximum van € 161, vermeerderd met:
b. 16,115% van dat loon
voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt
dan € 8816, waarbij de som van de bedragen berekend op de
voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 1723,
en verminderd met:
c. 4,00% van dat loon voorzover
dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan€ 40
248, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste€
1173 bedraagt.
3. Met loon uit tegenwoordige
arbeid worden gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens
tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
b. uitkeringen op grond van de
Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie
de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
4. Met loon uit tegenwoordige
arbeid wordt gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens
tijdelijke inactiviteit als bedoeld in artikel 628 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer
met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op
grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen,
voor een tijdvak van maximaal 104 weken;
b. loon genoten als
garantieloon als bedoeld in artikel 628a van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek;
c. loon genoten wegens
tijdelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 629
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de
werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt
genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige
regelingen en hetgeen wordt genoten ingevolge de Ziektewet;
d. uitkeringen op grond van de
Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie
de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
Artikel 22aa
1. Voor de werknemer die een
uitkering geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond
van die wet, is de jonggehandicaptenkorting van toepassing. De
korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer
die ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch welke uitkering ingevolge
artikel 3:48, 3:50 of 3:51 van die wet niet wordt betaald.
2. De jonggehandicaptenkorting
bedraagt € 708.
Artikel 22b
1. Voor de werknemer die de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, is de ouderenkorting
van toepassing.
2. De ouderenkorting bedraagt €
1032 indien de werknemer een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis
niet meer bedraagt dan€ 35 450. De ouderenkorting bedraagt €
150 indien de werknemer een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis
meer bedraagt dan € 35 450.
Artikel 22c
1. Voor de werknemer die een
uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of
onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet geniet, is de
alleenstaande ouderenkorting van toepassing.
2. De alleenstaande ouderenkorting
bedraagt€ 429.
Artikel 22ca [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 22d
De in de artikelen 22, 22a, 22aa, 22b
en 22c vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages
worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen
door de bedragen die, en het percentage dat, krachtens de artikelen
10.1 en 10.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld
ter vervanging van de in de artikelen 8.10, 8.11, 8.16a, 8.17 en
8.18 van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8.11 van die wet
vermelde percentages.
Artikel 23
1. De heffingskorting voor de
loonbelasting wordt slechts toegepast ingeval de werknemer daartoe
een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de
inhoudingsplichtige heeft gedaan. Het verzoek geldt tot het
tijdstip waarop de werknemer het verzoek schriftelijk, gedagtekend
en ondertekend intrekt.
2. Indien de werknemer over
loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet
uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan
wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de
berekening van de belasting niet wordt samengevoegd, kan de
werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een
dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend
maken.
3. In afwijking van het eerste lid
wordt de belasting ingehouden:
a. met toepassing van de
heffingskorting voor de loonbelasting:
1°. indienartikel 27,
zesde lid, toepassing vindt, met betrekking tot het loon
van het in dat lid bedoelde kind;
2°. met betrekking tot het
loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking
waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet dat een in Nederland wonende werknemer die de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt
geniet, tenzij de werknemer een schriftelijk, gedagtekend
en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft
gedaan om de heffingskorting voor de loonbelasting niet
toe te passen;
b. zonder toepassing van de
heffingskorting voor de loonbelasting met betrekking tot
tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 10 van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
4. In afwijking in zoverre van het
eerste en tweede lid wordt door de werknemer, die een uitkering of
inkomensvoorziening geniet op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, het deel van de
heffingskorting dat betrekking heeft op de
jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de
inhoudingsplichtige die de uitkering of inkomensvoorziening op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
uitbetaalt.
5. De inhoudingsplichtige bewaart
het in het eerste en derde lid bedoelde verzoek ten minste vijf
jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is geëindigd.
Artikel 24
Voor de toepassing van de artikelen
21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting
is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet
worden ingehouden, met dien verstande dat voor de ouderenkorting en
de alleenstaande ouderenkorting beslissend is de toestand aan het
einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden
ingehouden.
Artikel 25
1. Loontijdvak is het tijdvak
waarover het loon wordt genoten. Het bedrag van de belasting over
een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald.
Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen, een maand op 65/3
dag, een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag
op een dag gesteld.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor
loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht. In deze
tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op
zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het
belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld. In deze
tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten
dele achterwege worden gelaten en kan bij de verwerking van de
heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende
beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere
beloningen als bedoeld in artikel 26. Bij het opstellen van deze
tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht.
3. De loonbelastingtabellen worden
vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die
vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding
van de tabellen. Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken
van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van
inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens
andere tabellen zouden zijn vastgesteld, worden bij ministeriële
regeling nieuwe tabellen vastgesteld, ingaande ten hoogste zes
maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van
inwerkingtreding, waarin de in de verstreken loontijdvakken
ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken
loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt.
4. In afwijking van het eerste lid
wordt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt
genoten, deel uitmaakt, als loontijdvak aangemerkt ten aanzien
van:
1°. de werknemer die doorgaans
op minder dan vijf dagen per week werkzaam is;
2°. de werknemer wiens loon
mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het
loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van
daarmee overeenkomende aanspraken, en
3°. de loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot
een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt
en die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen
heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als
loontijdvak wordt aangemerkt.
Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste volzin.
Artikel 26
1. Tantièmes, gratificaties en
andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per
jaar worden toegekend, worden belast volgens loonbelastingtabellen
voor bijzondere beloningen die bij ministeriële regeling worden
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 25, tweede
en derde lid, met dien verstande dat in deze tabellen jaarlonen en
belastingpercentages worden opgenomen en geen rekening wordt
gehouden met de arbeidskorting.
2. Indien dit niet tot een hoger
belastingbedrag leidt, mogen de in het eerste lid bedoelde
beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan het loon over
het loontijdvak waarin zij worden uitbetaald.
3. Overwerkloon mag worden belast
naar het percentage dat wordt aangewezen door de
loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen.
4. Als jaarloon geldt voor de
toepassing van dit artikel:
a. ingeval de werknemer over
het gehele voorafgaande kalenderjaar van de
inhoudingsplichtige loon heeft genoten: het in dat jaar
genoten loon;
b. ingeval de werknemer over
een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar van de
inhoudingsplichtige loon heeft genoten: het tot een jaarloon
herleide bedrag van het in dat jaar genoten loon;
c. in andere gevallen: het in
het kalenderjaar te genieten loon, indien over het gehele jaar
van de inhoudingsplichtige loon zou worden genoten.
5. Als overwerkloon gelden voor de
toepassing van dit artikel de beloningen ter zake van arbeid welke
wordt verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor de
werknemer geldende normale arbeidsduur.
6. Voor het geval de werknemer
binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van
artikel 27e van inhoudingsplichtige is gewisseld, kunnen voor de
toepassing van het vierde lid bij ministeriële regeling
aanvullende bepalingen worden gesteld.
Artikel 26a [Vervallen per
01-01-2001]
Artikel 26b
In afwijking van de artikelen 20,
20a, 20b en26 bedraagt de belasting 52% van het loon ingeval:
a. de werknemer zijn naam, adres,
woonplaats of burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
zijn sociaal-fiscaalnummer niet aan de inhoudingsplichtige heeft
verstrekt;
b. bij een werknemer die loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking geniet, de inhoudingsplichtige
zijn identiteit niet heeft vastgesteld en opgenomen in de
loonadministratie overeenkomstig artikel 28, eerste lid,
onderdeel f;
c. bij een werknemer die loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking geniet, vreemdeling is in de zin
van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie
werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal
recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een
geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een
geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
vreemdelingen, de inhoudingsplichtige zijn verblijfsrechtelijke
positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft
vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig
artikel 28, eerste lid, onderdeel f;
d. de werknemer ter zake van de
in de onderdelen a tot en met c bedoelde inlichtingen onjuiste
gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of
redelijkerwijs moet weten.
De eerste volzin, aanhef en onderdeel
c, is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden
verrichten in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden, niet in
Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland
vervullen.
Indien de belasting ingevolge artikel
27b, eerste lid, in één bedrag met de premie voor de
volksverzekeringen wordt geheven, wordt in afwijking in zoverre van
de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting te zamen
met het bedrag van de verschuldigde premie voor de
volksverzekeringen gesteld op 52% van het loon.
Artikel 26c [Vervallen per
01-01-2001]
Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
Artikel 27
1. De belasting wordt geheven door
inhouding op het loon.
2. De inhoudingsplichtige is
verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het
loon wordt genoten.
3. De inhouding vindt plaats
volgens de op het tijdstip van inhouding voor de werknemer
geldende loonbelastingtabel.
4. Overtreft de belasting het van
de inhoudingsplichtige genoten loon in geld, dan wordt het
ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het tweede lid
omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige
bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de werknemer.
Ingeval het artikel 27b, eerste lid
toepassing vindt, is de vorige volzin van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de
belasting en de premie voor de volksverzekeringen.
5. De inhoudingsplichtige is
verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te
dragen.
6. Onder bij ministeriële regeling
te stellen voorwaarden kunnen ten aanzien van een in de
onderneming van zijn ouder werkzaam kind dat behoort tot de
huishouding van die ouder en niet is verzekerd ingevolge enige
andere sociale verzekering dan een volksverzekering in de zin van
de Wet financiering sociale verzekeringen of de zorgverzekering in
de zin van de Zorgverzekeringswet, een van het tweede lid
afwijkend tijdstip van inhouding en een van het derde lid
afwijkende loonbelastingtabel worden vastgesteld.
Artikel 27bis
In afwijking van artikel 27 kan de
overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde
gedragslijn in de maand januari van het kalenderjaar gedane
inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer
loontijdvakken binnen het voorgaande kalenderjaar toekomt, worden
begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het voorgaande
kalenderjaar. Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft, wordt
voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het
desbetreffende loontijdvak.
Artikel 27a
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de belasting
over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven
van de inhoudingsplichtige.
2. De heffing over
eindheffingsbestanddelen, met uitzondering van de aan naheffing
onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel a, geschiedt als ware de door de
inhoudingsplichtige in een tijdvak verschuldigde belasting door
hem op aangifte af te dragen belasting.
Artikel 27b
1. Indien de werknemer ook
premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing
van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één
bedrag dan wel in één percentage, met overeenkomstige toepassing
van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de
loonbelasting.
2. Voor gevallen waarin het eerste
lid toepassing vindt, worden, met overeenkomstige toepassing van
artikel 25, bij ministeriële regeling tabellen vastgesteld waarin
telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in
één bedrag dan wel in één percentage worden opgenomen.
3. Bij ministeriele regeling worden
voor daarbij aan te wijzen gevallen berekeningsvoorschriften
vastgesteld aan de hand waarvan uit de in het tweede lid bedoelde
tabellen het bedrag van de belasting wordt afgeleid.
Artikel 27c
1. Indien ten aanzien van de
werknemer ook premieplicht voor de werknemersverzekeringen
bestaat, geschiedt de heffing van de premies voor de
werknemersverzekeringen gelijktijdig met die van de belasting en
geschiedt de afdracht van die premies en de belasting op één
aangifte, een en ander met overeenkomstige toepassing van de
regels die gelden voor de heffing en de invordering van de
loonbelasting.
2. Toerekening van een betaling op
de aangifte bedoeld in het eerste lid geschiedt naar evenredigheid
aan de belasting en aan de premies voor de
werknemersverzekeringen.
Artikel 27d
1. Indien de werknemer ook
verzekeringsplichtig is in de zin van de Zorgverzekeringswet,
geschiedt de heffing van de ingevolge de Zorgverzekeringswet over
het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelijktijdig
met die van de belasting en geschiedt de afdracht van die bijdrage
en de belasting op één aangifte, een en ander met
overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de
heffing en de invordering van de loonbelasting.
2. Toerekening van een betaling op
de aangifte, bedoeld in het eerste lid, geschiedt naar
evenredigheid aan de belasting en aan de ingevolge de
Zorgverzekeringswet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.
Artikel 27da
Voorzover de belasting en de premie
voor de volksverzekeringen, de premies voor de
werknemersverzekeringen of de ingevolge de Zorgverzekeringswet
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelijktijdig worden
geheven en artikel 28b van deze wet of artikel 67b, 67c of 67f van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, wordt dat
artikel slechts eenmaal toegepast, met dien verstande dat alsdan
voor de toepassing van artikel 67f, tweede lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen wordt uitgegaan van het gezamenlijk
gelijktijdig geheven bedrag.
Artikel 27e
1. Met het oog op het beperken van
administratieve lasten van een aantal inhoudingsplichtigen die
tegelijkertijd aangiften doen, kan de inspecteur op hun verzoek,
onder door hem te stellen voorwaarden, deze inhoudingsplichtigen
aanwijzen als samenhangende groep inhoudingsplichtigen.
2. De aanwijzing kan en de daarbij
gestelde voorwaarden kunnen, al dan niet op verzoek van een of
meer inhoudingsplichtigen, worden gewijzigd of ingetrokken.
3. Aanwijzing, wijziging en
intrekking vinden plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 28
1. De inhoudingsplichtige is
gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van de werknemer opgave te
verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing
van de belasting van belang kan zijn;
b. de in onderdeel a bedoelde
gegevens door te geven aan een andere inhoudingsplichtige;
c. een loonadministratie te
voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking
tot de bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en
verstrekkingen welke ingevolge artikel 11 niet tot het loon
behoren;
d. aan de inspecteur opgave te
verstrekken van de bij ministeriële regeling, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, en na overleg met het Centraal Bureau voor de
Statistiek, te bepalen gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
e. aan de werknemer opgave te
verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, van de
ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang
kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;
f. van de werknemer die loon
uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de
identiteit aan de hand van een document als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de
identificatieplicht en – zo de werknemer een vreemdeling is
in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de
categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van
internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot
het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in
die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld
in de Wet arbeid vreemdelingen – tevens de
verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van
arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan
de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning, alsmede van
een en ander de aard, het nummer en een afschrift daarvan in
de loonadministratie op te nemen;
g. ingeval de inspecteur hem
bij voor bezwaar vatbare beschikking daartoe heeft verplicht,
voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van een
werknemer aan de inspecteur opgave te verstrekken van gegevens
waarvan kennisneming voor de heffing van de belasting van
belang kan zijn (eerstedagsmelding), met dien verstande dat
indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum
waarop de werkzaamheden aanvangen, de eerstedagsmelding wordt
gedaan voor de aanvang van de werkzaamheden;
h. mededeling aan de inspecteur
te doen omtrent het einde van zijn inhoudingsplicht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van de werknemer die niet in Nederland
woont en die werkzaamheden verricht of heeft verricht in een in
artikel 2, derde lid, genoemde dienstbetrekking, indien het
heffingrecht over het loon uit die dienstbetrekking op grond van
een belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen en de
werknemer niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
Artikel 28bis
1. De inspecteur kan de
verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen slechts opleggen
indien ten aanzien van de inhoudingsplichtige in de periode van
zes maanden welke voorafgaat aan de dagtekening van de
beschikking, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, een
van de volgende gebeurtenissen zich heeft voorgedaan:
a. een naheffingsaanslag in
verband met de toepassing van artikel 30a is opgelegd;
b. een vergrijpboete als
bedoeld in artikel 67f van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is opgelegd;
c. een boete ter zake van een
of meer beboetbare feiten als genoemd in artikel 18 van de Wet
arbeid vreemdelingen is opgelegd;
d. artikel 76 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen toepassing heeft gevonden, of
e. strafvervolging is ingesteld
en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen
ter zake van een of meer strafbare feiten als bedoeld in
artikel 19c van de Wet arbeid vreemdelingen, in artikel 47 van
de Handelsregisterwet 2007 of in de artikelen 68 en 69 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. De verplichting tot het doen van
eerstedagsmeldingen vervalt drie jaren na de dagtekening van de
beschikking waarbij die verplichting is opgelegd of zoveel eerder
als deze beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking is
ingetrokken omdat de grond, bedoeld in het eerste lid, voor het
opleggen van die verplichting is komen te vervallen. In afwijking
in zoverre van de eerste volzin vervalt de verplichting vijf jaren
na de dagtekening van de beschikking ingeval aan de
inhoudingsplichtige eerder een verplichting tot het doen van
eerstedagsmeldingen is opgelegd.
3. In de beschikking waarbij de
verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen wordt opgelegd,
wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde
gebeurtenissen grond is voor het opleggen van de verplichting.
Tevens wordt in de beschikking vermeld met ingang van welke datum
de verplichting vervalt.
Artikel 28a
1. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald van welke gegevens opgave wordt verlangd in geval van een
onjuiste of onvolledige aangifte en kunnen regels worden gesteld
over de wijze waarop, de vorm waarin en de termijnen waarbinnen
die gegevens worden verstrekt.
2. De inhoudingsplichtige of
gewezen inhoudingsplichtige is gehouden, al dan niet op verzoek
van de inspecteur en al dan niet door middel van een
correctiebericht, de juiste en volledige gegevens, bedoeld in het
eerste lid, te verstrekken indien:
a. hij in het kalenderjaar met
betrekking tot een aangifte over een tijdvak in het
kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of
onvolledig is;
b. de inspecteur in het
kalenderjaar met betrekking tot een aangifte over een tijdvak
in het kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of
onvolledig is;
c. hij binnen vijf jaren na het
einde van een verstreken kalenderjaar met betrekking tot een
aangifte over een tijdvak in dat kalenderjaar constateert dat
die aangifte onjuist of onvolledig is en:
1°. die aangifte niet is
hersteld;
2°. de aangiftetermijn van
de laatste aangifte over dat kalenderjaar is verstreken;
d. de inspecteur binnen vijf
jaren na het einde van een verstreken kalenderjaar met
betrekking tot een aangifte over een tijdvak in dat
kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of
onvolledig is en:
1°. die aangifte niet is
hersteld;
2°. de aangiftetermijn van
de laatste aangifte over dat kalenderjaar is verstreken;
e. de inspecteur binnen een
halfjaar na het einde van een verstreken kalenderjaar met
betrekking tot een aangifte over een tijdvak in dat
kalenderjaar constateert dat die aangifte onjuist of
onvolledig is en:
1°. die aangifte niet is
hersteld;
2°. de aangiftetermijn van
de laatste aangifte over dat kalenderjaar is verstreken;
3°. de tekortkoming aan de
inhoudingsplichtige of gewezen inhoudingsplichtige is toe
te rekenen.
3. Een correctiebericht als bedoeld
in het tweede lid is geen bezwaarschrift in de zin van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
4. Indien bij de aangifte een
correctiebericht is ingediend en het saldo van de te betalen
belasting van de aangifte en het correctiebericht positief is, is
de inhoudingsplichtige, in zoverre in afwijking van artikel 19,
eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gehouden
dit saldo aan de ontvanger te betalen. Voorzover het bedrag van
het correctiebericht in mindering wordt gebracht op de bij de
aangifte te betalen belasting, wordt belastingrente vergoed
overeenkomstig hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen. De inspecteur stelt het bedrag van de
belastingrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5. Bij toepassing van het vorige
lid wordt een betaling zoveel mogelijk toegerekend aan het
correctiebericht.
6. Voor toepassing van de artikelen
20, 67c en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt
met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn van belasting die op
aangifte behoort te worden afgedragen gelijkgesteld het geval
waarin naar aanleiding van een ingediend correctiebericht te veel
is gesaldeerd of teruggegeven.
7. In aanvulling op artikel 20,
derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt,
indien te veel is gesaldeerd, de bevoegdheid tot naheffing door
verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de
saldering heeft plaatsgevonden.
Artikel 28b
1. Indien de inhoudingsplichtige de
correcties, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, niet, onjuist,
onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft
ingediend, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem
een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1230 kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in artikel
28a, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, vervalt door verloop
van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar van de aangifte
waarop het correctiebericht betrekking had moeten hebben.
3. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in artikel
28a, tweede lid, aanhef en onderdelen b en d, vervalt door verloop
van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen het
correctiebericht had moeten worden gedaan.
4. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in artikel
28a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, vervalt door verloop van
een jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de opgave had
moeten worden verstrekt.
5. Aan de inhoudingsplichtige die
een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan en die alsnog de
juiste of volledige gegevens door middel van een correctiebericht
als bedoeld in artikel 28a verstrekt voordat hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid
of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 67b, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen ter zake van het feit van de
onjuiste of onvolledige aangifte niet opgelegd.
6. Artikel 67cb van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het
in het eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 28c
1. Indien de inhoudingsplichtige de
opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, niet,
onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft
verstrekt, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem
een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1230 kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in het eerste
lid, vervalt door verloop van één jaar na het einde van het
kalenderjaar waarin de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid,
onderdeel g, had moeten worden verstrekt.
3. Artikel 67cb van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het
in het eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 29
1. De werknemer is volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels gehouden aan de
inhoudingsplichtige opgave te verstrekken van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.
Ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
geniet, is hij voorts gehouden aan de inhoudingsplichtige ter
inzage te verstrekken, een op hem betrekking hebbend document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de
Wet op de identificatieplicht alsmede – zo hij ook een
vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet
behoort tot de categorie werknemers die op grond van
overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de
verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning
als bedoeld in die wet – een geldige verblijfsvergunning ter
vaststelling van de verblijfsrechtelijke status ter zake van het
verrichten van arbeid en is hij gehouden een afschrift van een en
ander in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten
opnemen.
2. De werknemer is echter niet
gehouden opgave te verstrekken van gegevens met betrekking tot de
heffingskorting. Indien de werknemer deze gegevens niet verstrekt,
wordt met de heffingskorting geen rekening gehouden.
3. Tot de in het eerste lid en de
in artikel 28, eerste lid, onderdelen a en e, bedoelde gegevens
wordt mede gerekend het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer.
4. De vorige leden zijn niet van
toepassing ten aanzien van de werknemer die niet in Nederland
woont en die werkzaamheden verricht of heeft verricht in een in
artikel 2, derde lid, genoemde dienstbetrekking, indien het
heffingrecht over het loon uit die dienstbetrekking op grond van
een belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen en de
werknemer niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
Artikel 30
1. Ieder is gehouden aan de
inspecteur ter vaststelling van zijn identiteit indien zulks voor
de heffing van de loonbelasting van belang kan zijn, desgevraagd
terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage te verstrekken.
2. Voor een weigering om te voldoen
aan de in het eerste lid omschreven verplichting kan niemand zich
met vrucht beroepen op de omstandigheden dat hij uit enigerlei
hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem
bij een wettelijke bepaling is opgelegd.
Artikel 30a
Indien op enig tijdstip wordt
geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in
dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de
loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of met
betrekking tot de werknemer niet is voldaan aan de verplichting een
eerstedagsmelding te doen, wordt de werknemer voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht van de
inhoudingsplichtige gedurende ten minste zes maanden voorafgaande
aan het tijdstip van de constatering loon uit dienstbetrekking te
hebben genoten tot per loontijdvak ten minste het bedrag van het
loon dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het tijdstip van
de constatering, behoudens voorzover blijkt dat de werknemer niet
gedurende die periode tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking
heeft gestaan of dat een lager loon is genoten.
Hoofdstuk V. Heffing van de
inhoudingsplichtige
Afdeling 1. Eindheffing
Artikel 31
1. Eindheffingsbestanddelen zijn:
a. bestanddelen van het loon
waarover de verschuldigde belasting niet is betaald, in
verband waarmee aan de inhoudingsplichtige een
naheffingsaanslag wordt opgelegd, behoudens:
1°. voor zover de
inhoudingsplichtige verzoekt, onder verstrekking van de
daartoe noodzakelijke gegevens, dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken;
2°. voor zover de
inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking besluit,
mede gelet op het aantal werknemers waarop de
naheffingsaanslag betrekking heeft, dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken omdat het wel
toepassen daarvan zou kunnen leiden tot een zodanig grote
afwijking van het belastbare inkomen in de zin van de
inkomstenbelasting van een of meer werknemers dat voor hen
aanzienlijke voordelen zouden kunnen ontstaan in het kader
van de heffing van die belasting, van andere belastingen
of in het kader van andere wettelijke regelingen;
b. bij voor bezwaar vatbare
beschikking door de inspecteur aangewezen bestanddelen van het
loon met betrekking waartoe in verband met tijdelijke
knelpunten van ernstige aard in redelijkheid niet kan worden
gevergd dat de hoofdstukken I tot en met IV ten volle worden
toegepast;
c. bij ministeriële regeling
aan te wijzen uitkeringen van publiekrechtelijke aard die
buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing
van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke
regelingen;
d. loon ter zake van een voor
privé-doeleinden ter beschikking gestelde bestelauto als
bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992, indien in verband met
de aard van het werk die bestelauto doorlopend afwisselend
gebruikt wordt door twee of meer werknemers en in verband
daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die
bestelauto voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld,
met dien verstande dat in afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, de verschuldigde
belasting over dit loon op jaarbasis per bestelauto € 300
bedraagt en bij ministeriële regeling nadere regels kunnen
worden gesteld met betrekking tot dit loon;
e. [vervallen;]
f. voorzover sprake is van
tegenwoordige arbeid: door de inhoudingsplichtige aan te
wijzen vergoedingen en verstrekkingen, daaronder begrepen door
de inhoudingsplichtige aan te wijzen gedeelten van
vergoedingen en verstrekkingen, voor zover deze vergoedingen
en verstrekkingen niet in belangrijke mate hoger zijn dan in
voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk
is;
g. voorzover sprake is van
vroegere arbeid:
1°. vergoedingen ter zake
van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een
met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van
branche-eigen producten van het bedrijf van de
inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de
inhoudingsplichtige verbonden vennootschap;
2°. verstrekkingen; voor
zover deze vergoedingen en verstrekkingen ook door de
inhoudingsplichtige of door een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap worden verstrekt aan een of meer
werknemers met inkomsten uit tegenwoordige arbeid die voor
het overige in dezelfde omstandigheden verkeren;
h. toeslagen als bedoeld in
artikel 10, derde lid, van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en in artikel 21b van de
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 zoals dat
luidde tot 1 januari 1992, alsmede toeslagen als bedoeld in
artikel 19 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers
1940–1945.
2. Met betrekking tot
eindheffingsbestanddelen wordt het bedrag van de verschuldigde
belasting bepaald:
a. aan de hand van het
tabeltarief met betrekking tot:
1°. aan naheffing
onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a;
2°.
eindheffingsbestanddelen bij tijdelijke knelpunten van
ernstige aard als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
3°. aangewezen uitkeringen
van publiekrechtelijke aard als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c;
b. [vervallen;]
c. aan de hand vanartikel 31a,
met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel f en onderdeel g;
d. naar een enkelvoudig tarief,
met betrekking tot toeslagen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel h, aan de hand van de voor het tijdvak waarin het
loon is genoten geldende in artikel 20a, eerste lid, of
artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel, waarbij buiten
beschouwing wordt gelaten dat de belasting wordt geheven van
de inhoudingsplichtige.
3. Ingeval het tabeltarief van
toepassing is wordt het bedrag van de verschuldigde belasting
bepaald aan de hand van de voor het tijdvak waarin het loon is
genoten geldende in artikel 20a, eerste lid, of artikel 20b,
eerste lid, opgenomen tabel, waarbij wordt aangenomen dat de
inhoudingsplichtige de belasting en de bij reguliere betaling van
het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 43 van de Zorgverzekeringswet aanstonds voor zijn rekening
heeft genomen. Voor zover bij naheffing als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, aannemelijk is dat de inhoudingsplichtige de
belasting en bijdrage pas later voor zijn rekening heeft genomen,
wordt in zoverre van de eerste volzin afgeweken en wordt het voor
de werknemer ontstane voordeel in de eindheffing betrokken naar de
situatie ten tijde van het voor rekening van de
inhoudingsplichtige nemen, doch uiterlijk ten tijde van de
naheffing.
4. Tot de vergoedingen en
verstrekkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f en
onderdeel g, behoren niet vergoedingen en verstrekkingen ter zake
of in de vorm van:
a. een ook voor
privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto als bedoeld in
artikel 13bis, behoudens voor zover het voordeel daarvan
toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen;
b. een woning, behoudens voor
zover:
1°. het voordeel daarvan
toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen,
of
2°. het huisvesting buiten
de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking betreft;
c. geldboeten opgelegd door een
Nederlandse stafrechter en geldsommen betaald aan de Staat ter
voorkoming van strafvervolging in Nederland of ter voldoening
aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot
gratieverlening, bestuurlijke boeten, geldboeten opgelegd op
basis van bij wet geregeld tuchtrecht, alsmede kosten als
bedoeld in artikel 234, vijfde lid, en artikel 235, derde lid,
van de Gemeentewet;
d. misdrijven ter zake waarvan
de werknemer door een Nederlandse strafrechter bij
onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, daaronder begrepen
misdrijven die zijn betrokken bij de bepaling van de hoogte
van de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar
Ministerie heeft verklaard te zullen afzien van vervolging;
e. misdrijven ter zake waarvan
jegens de werknemer een onherroepelijk geworden
strafbeschikking is uitgevaardigd;
f. wapens en munitie, tenzij
ter zake een erkenning, consent, vergunning, verlof of
ontheffing is verleend krachtens de Wet wapens en munitie;
g. dieren die krachtens een
onherroepelijke bestuursrechtelijke of strafrechtelijke
maatregel in verband met agressie niet mogen worden gehouden.
5. Voor de bepaling van de
verschuldigde belasting op de voet van het tweede lid, onderdeel
c, wordt buiten beschouwing gelaten dat de belasting wordt geheven
van de inhoudingsplichtige.
6. Voorzover in hetzelfde
loontijdvak of dezelfde loontijdvakken door meer dan één
werknemer eindheffingsbestanddelen worden genoten kan, mits dat
leidt tot een beduidende vereenvoudiging van de vaststelling van
de verschuldigde belasting, de verschuldigde belasting globaal
worden vastgesteld, zodanig dat deze redelijkerwijs overeenkomt
met de verschuldigde belasting die op de voet van de vorige leden
zou zijn bepaald.
7. De in het eerste lid bedoelde
ministeriële regelingen worden, voorzover het de premie voor de
volksverzekeringen betreft, getroffen in overleg met Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 31a
1. Het bedrag van de verschuldigde
belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als
bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g,
wordt per inhoudingsplichtige bepaald.
2. De verschuldigde belasting met
betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, wordt bepaald
naar een tarief van 80%, met dien verstande dat deze vergoedingen
en verstrekkingen worden verminderd, maar niet verder dan tot
nihil, met 1,5% van het loon waarover met toepassing van de
artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven, alsmede met
vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste
lid, onderdeel f en onderdeel g, ter zake of in de vorm van:
a. vervoer in het kader van de
dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer:
1°. indien het vervoer
plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer
vanwege de inhoudingsplichtige: tot de werkelijke kosten,
met dien verstande dat de vermindering niet geldt voor
vergoedingen ter zake van vervoer vanwege de
inhoudingsplichtige;
2°. indien het vervoer
plaatsvindt per openbaar vervoer, anders dan in de vorm
van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, en de
vergoedingen hoger zijn dan € 0,19 per kilometer en zijn
vastgesteld op basis van de werkelijke kosten: tot de
werkelijke kosten;
3°. in de overige
situaties: tot€ 0,19 per afgelegde kilometer;
met dien verstande dat ingeval
voor het vervoer, niet zijnde vervoer per taxi, luchtvaartuig,
schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, een vaste
vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste
128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van
werkzaamheden reist, deze vergoeding mag worden berekend alsof
de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar
die vaste plaats van werkzaamheden reist;
b. tijdelijk verblijf in het
kader van de dienstbetrekking, niet zijnde een tijdelijk
verblijf als bedoeld in onderdeel e, alsmede maaltijden met
een meer dan bijkomstig zakelijk karakter;
c. onderhoud en verbetering van
kennis en vaardigheden ter vervulling van de dienstbetrekking,
daaronder mede begrepen de inschrijving in een
beroepsregister, alsmede outplacement;
d. het volgen van een opleiding
of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en
woning, daaronder mede begrepen het volgen van een procedure
erkenning verworven competenties waarvoor een verklaring is
afgegeven door een bij ministeriële regeling aangewezen
instantie, met uitzondering van:
1°. vergoedingen en
verstrekkingen die verband houden met een werk- of
studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2°. vergoedingen van
binnenlandse reizen voor zover de vergoeding meer bedraagt
dan het bedrag dat wordt bepaald met overeenkomstige
toepassing van onderdeel a;
e. extra kosten van tijdelijk
verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de
dienstbetrekking (extraterritoriale kosten), met dien
verstande dat voor bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een
inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking
worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder
daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van
kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van
herkomst –voor van buiten Nederland in dienstbetrekking
genomen werknemers gedurende ten hoogste acht jaar – ten
minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale
kosten tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen
gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij
aan te wijzen schoolgelden;
f. verhuizing in het kader van
de dienstbetrekking, ter omvang van de kosten van het
overbrengen van de inboedel vermeerderd met € 7750, waarbij
bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld voor
de beoordeling of in ieder geval in het kader van de
dienstbetrekking wordt verhuisd.
3. In afwijking in zoverre van het
tweede lid worden vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, bij de
bepaling van de daarover verschuldigde belasting niet verminderd
met vaste vergoedingen ter zake van de in het tweede lid bedoelde
kosten ingeval aan deze vergoedingen geen onderzoek naar de
werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.
4. In afwijking in zoverre van het
tweede lid is het bij de berekening van de verschuldigde belasting
met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, toegestaan om
gedurende het kalenderjaar gebruik te maken van het door de
inhoudingsplichtige verstrekte loon over het gehele voorafgaande
kalenderjaar, met toepassing van de herleidingsregels, bedoeld in
artikel 25, eerste lid. Bij toepassing van de eerste volzin vindt
uiterlijk in het eerste aangiftetijdvak van het volgende
kalenderjaar herrekening van de verschuldigde belasting plaats op
basis van het daadwerkelijk door de inhoudingsplichtige verstrekte
loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b
belasting is geheven.
5. Ingeval de vergoedingen en
verstrekkingen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en
onderdeel g, verminderd met de vergoedingen en verstrekkingen,
bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, meer
bedragen dan 1,5% van het loon waarover met toepassing van
deartikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven, is het,
in afwijking van artikel 27a, tweede lid, toegestaan de
verschuldigde belasting eerst vast te stellen en af te dragen voor
zover de vergoedingen en verstrekkingen, bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met de
vergoedingen en verstrekkingen, bedoeld in het tweede lid,
onderdelen a tot en met f, over de in het kalenderjaar verstreken
aangiftetijdvakken meer bedragen dan 1,5% van het door de
inhoudingsplichtige over het gehele voorafgaande kalenderjaar
verstrekte loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b,
26 en 26b belasting is geheven. Bij toepassing van de eerste
volzin vindt uiterlijk in het eerste aangiftetijdvak van het
volgende kalenderjaar herrekening van de verschuldigde belasting
plaats op basis van het daadwerkelijk door de inhoudingsplichtige
verstrekte loon.
6. Voor de toepassing van het
tweede lid wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige
verstaan: vervoer als bedoeld in artikel 13a, zesde lid.
7. Voor de toepassing van dit
artikel worden vergoedingen ter zake van vervoer als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, geacht niet hoger te zijn
dan € 0,19 per afgelegde kilometer voor zover deze vergoedingen
in totaal niet meer hebben bedragen dan het aantal in het
kalenderjaar in dit kader afgelegde kilometers vermenigvuldigd met€
0,19.
8. Voor de berekening van de in het
tweede lid, onderdeel a, bedoelde vaste vergoeding ter zake van
vervoer worden de in dat onderdeel genoemde aantallen dagen:
a. vermenigvuldigd met vier
vijfde, drie vijfde, twee vijfde of een vijfde ingeval de
werknemer een vierdaagse, een driedaagse, een tweedaagse
onderscheidenlijk een eendaagse werkweek heeft;
b. naar tijdsgelang herrekend
bij:
1°. een wijziging van de
reisafstand in de loop van het kalenderjaar;
2°. het aanvangen of
beëindigen van de vergoeding in de loop van het
kalenderjaar.
9. Bij de toepassing van het tweede
lid wordt, in afwijking van artikel 13, zesde lid, de ingevolge
artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, in aanmerking te nemen
waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de
inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan
zijn werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat
de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
10. Bij de bepaling van het in het
tweede lid bedoelde loon wordt buiten beschouwing gelaten:
a. loon uit vroegere
dienstbetrekking indien de inhoudingsplichtige in meer dan
bijkomstige mate loon uit vroegere dienstbetrekking verstrekt;
b. loon ter zake waarvan de
inhoudingsplichtige uitsluitend ingevolge artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, inhoudingsplichtige is.
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 32a
1. Voor de toepassing van artikel
31, derde lid, worden bij ministeriële regeling regels gesteld
voor het bepalen van het op de eindheffingsbestanddelen toe te
passen tarief. Daarbij kunnen de gevolgen van het passeren van
tariefschijfgrenzen en maximum premielonen buiten beschouwing
blijven en kunnen voorts de noodzakelijke afrondingen en
vereenvoudigingen worden toegepast.
2. Voor gevallen waarin tevens
artikel 27b, eerste lid, van toepassing is worden in de in het
eerste lid bedoelde ministeriële regeling, met overeenkomstige
toepassing van artikel 31, derde lid, tevens regels gesteld
volgens welke telkens de belasting en de premie voor de
volksverzekeringen in één bedrag dan wel in één percentage
kunnen worden afgeleid.
Artikel 32ab
1. Als eindheffingsbestanddelen als
bedoeld inartikel 31 worden mede aangemerkt bij ministeriële
regeling aan te wijzen verstrekkingen aan anderen dan eigen
werknemers, waarvoor geen inhoudingsplicht bestaat bij of
krachtens een ander artikel van deze wet, ingeval de verstrekker
schriftelijke mededeling doet aan de ontvanger van het toepassing
vinden van deze eindheffing en aannemelijk kan maken wie de
ontvanger is van de verstrekking.
2. Degene die een mededeling heeft
gedaan dat hij eindheffing toepast, wordt, zo hij dat nog niet is,
aangemerkt als inhoudingsplichtige.
3. Met betrekking tot een
eindheffingsbestanddeel als bedoeld in het eerste lid wordt het
bedrag van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 31,
tweede lid, bepaald naar een tarief van:
1°. 45 percent, met betrekking
tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische
verkeer niet meer bedraagt dan € 136;
2°. 75 percent, met betrekking
tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische
verkeer meer bedraagt dan€ 136.
Artikel 32b
Ter bevordering van een goede
uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeriële regeling
nadere regels worden gesteld.
Afdeling 2. Pseudo-eindheffing
Artikel 32ba
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een
inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge
een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een
inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie
aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling
uitvoert, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel
wordt belast naar een tarief van 52%.
2. Een uitkering of een bijdrage of
een premie wordt beschouwd te zijn gedaan of voldaan op het
tijdstip waarop zij betaald of verrekend is, ter beschikking is
gesteld of rentedragend is geworden.
3. Een uitkering, een bijdrage of
een premie wordt beschouwd niet te drukken op een
inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige ter zake
bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere
inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan heeft gekregen.
4. Ingeval op enig tijdstip een
aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet
langer als zodanig is aan te merken dan wel wordt afgekocht of
vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip
de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van
de werknemer of gewezen werknemer. De waarde van de aanspraak
wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de
eerste volzin genoemde tijdstip, met dien verstande dat de waarde
ten minste wordt gesteld op het bedrag dat ter zake van de
vervreemding of afkoop wordt genoten.
5. Ingeval op grond van het vierde
lid een aanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere
dienstbetrekking van een werknemer of gewezen werknemer, wordt de
inhoudingsplichtige die de in dat lid bedoelde regeling voor
vervroegde uittreding uitvoert voor de toepassing van het eerste
lid geacht een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde
uittreding te hebben gedaan ter grootte van de aldaar bedoelde
waarde van die aanspraak, op het tijdstip waarop de daar bedoelde
aanspraak is aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
6. Onder een regeling voor
vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een
gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen
ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te
voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter
overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de
uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het
aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In
afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet
als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die
regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de
Pensioenwet of een pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk
IIB of in de artikelen 38d, 38eof 38f.
7. Op verzoek van de
inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking of een regeling een regeling voor vervroegde
uittreding is. Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan
wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 32bb
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een
inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding
als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer
bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de
werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel
wordt belast naar een tarief van 75%.
2. Dit artikel is niet van
toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer
bedraagt dan€ 531 000.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder het toetsloon van een werknemer verstaan:
a. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen vóór of met het begin van het tweede
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in
dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de
inhoudingsplichtige;
b. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het tot
een jaarloon herleide bedrag van het loon dat de werknemer in
dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de
inhoudingsplichtige;
c. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het tot
een jaarloon herleide bedrag van het loon dat de werknemer in
dat voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de
inhoudingsplichtige;
d. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar
van de inhoudingsplichtige zou hebben genoten indien de
dienstbetrekking aan het begin van dat kalenderjaar was
aangevangen en niet in dat kalenderjaar was beëindigd.
4. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een door een inhoudingsplichtige aan een
werknemer toegekende vertrekvergoeding verstaan de som van het
positieve verschil tussen A en het vergelijkingsloon en het
positieve verschil tussen B en het vergelijkingsloon, waarbij
wordt verstaan onder:
A: het van de
inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is beëindigd alsmede het na dat kalenderjaar
van de inhoudingsplichtige genoten loon;
B: het van de
inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is beëindigd;
Vergelijkingsloon:
a. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen vóór of met het begin van het tweede
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de
werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de
berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt
verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de
dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar
waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
b. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het
toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het
toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar
evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal
dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
c. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het
toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het
toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar
evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal
dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
d. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien
verstande dat het toetsloon voor de berekening van het
verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd
aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet heeft
bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is
beëindigd.
5. Ingeval de inhoudingsplichtige
in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd
onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met de
werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen en dat recht
niet uiterlijk bij de beëindiging van de dienstbetrekking is
uitgeoefend of vervreemd, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld
in het vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid,
de waarde van dat recht mede in aanmerking genomen, waarbij die
waarde wordt gesteld op hetgeen door de werknemer zou zijn genoten
indien hij dat recht op het tijdstip van beëindiging van de
dienstbetrekking zou hebben vervreemd of uitgeoefend.
6. Ingeval de inhoudingsplichtige
in of na het kalender jaar waarin de dienstbetrekking is
beëindigd onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar een aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, waaronder begrepen de stamrechtspaarrekening en het
stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in artikel 11a, aan de werknemer
heeft toegekend, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld in het
vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid, de
waarde van die aanspraak mede in aanmerking genomen.
7. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat
de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband
houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de
uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld
in artikel 10a, dat is toegekend in een eerder jaar dan het
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.
8. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend
op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor
zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten dan
wel zou worden genoten ingeval artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, dan wel artikel 11a, buiten toepassing zou zijn gelaten, op dat
latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste
volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip,
wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip
toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.
9. Bij het begin van het
kalenderjaar wordt het in het tweede lid genoemde bedrag bij
ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag
wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen
met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding
aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een
dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden
uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
10. Het eerste lid is niet van
toepassing op een bedrag dat ingevolge artikel 32ba, eerste lid,
wordt aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel
wordt belast.
Artikel 32bc
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een
inhoudingsplichtige ter zake van een loonstijging aan een
werknemer toegekende aanspraak ingevolge een op een
eindloonstelsel gebaseerde pensioenregeling, aangemerkt als loon
dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief
van 15%. De waarde van de ter zake van de loonstijging toegekende
aanspraak wordt hierbij gesteld op het viervoud van de verhoging
van het pensioengevend loon ten gevolge van die loonstijging.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ingeval een aanspraak ingevolge een op
een eindloonstelsel gebaseerde pensioenregeling wordt toegekend
ter zake van het verschil tussen het op het tijdstip van
toekenning geldende pensioengevend loon en het pensioengevend loon
in een eerdere dienstbetrekking van de werknemer op het tijdstip
van beëindiging van die dienstbetrekking. De waarde van de ter
zake van dit verschil toegekende aanspraak wordt hierbij gesteld
op het viervoud van dit verschil.
3. Voor de toepassing van dit
artikel blijven loonstijgingen en verschillen in pensioengevend
loon buiten beschouwing voor zover de loonstijging
onderscheidenlijk het verschil in pensioengevend loon niet leidt
tot een ingevolge een op een eindloonstelsel gebaseerde
pensioenregeling in aanmerking genomen pensioengevend loon van
meer dan € 531 000.
4. Bij het begin van het
kalenderjaar wordt het in het derde lid genoemde bedrag bij
ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag
wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen
met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding
aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een
dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden
uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
Artikel 32bd
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking waarover in het voorafgaande
kalenderjaar met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b
belasting is geheven, voor de toepassing van dit artikel
aangemerkt als op 31 maart van het kalenderjaar genoten loon dat
als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van
16%, voor zover dat loon in het voorafgaande kalenderjaar meer
bedroeg dan € 150 000.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid behoort tevens tot het loon van een werknemer het loon
dat die werknemer heeft genoten van een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap. Het eerste lid vindt in de in de vorige
volzin bedoelde gevallen toepassing bij de inhoudingsplichtige die
in het voorafgaande kalenderjaar het grootste deel van het loon
van de werknemer heeft verstrekt.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
hetgeen voor de toepassing van het eerste lid als door een
inhoudingsplichtige in het voorafgaande kalenderjaar aan een
werknemer verstrekt loon in aanmerking wordt genomen.
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij
verrekening van sociale uitkeringen
Artikel 32c
1. Ingeval een sociale uitkering
wordt verrekend met een terug te betalen sociale uitkering, wordt
de terugbetaling in afwijking van artikel 10 tot het verrekende
bedrag niet in aanmerking genomen als negatief loon en gaat de
uitkering die met de terug te betalen uitkering wordt verrekend
tot het bedrag van die verrekening niet tot het loon behoren.
Mocht na verrekening nog een aan de werknemer toekomend bedrag
resteren, dan wordt dit loon op de voet vanartikel 26 belast.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een sociale uitkering verstaan een uitkering
die op grond van een wettelijke bepaling inzake de sociale
zekerheid door een gemeente, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale Verzekeringsbank wordt
betaald.
Hoofdstuk VB. Belastingheffing bij
uit hoofde van een dienstbetrekking af te staan loon
Artikel 32d
1. De in Nederland wonende of
gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht met het door hem
verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer tevens
te verstrekken het loon dat de werknemer zonder toepassing van dit
artikel zou hebben genoten als werknemer van een andere
inhoudingsplichtige, indien:
a. de werknemer uit hoofde van
zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die
andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem
toekomende loon af te staan aan de inhoudingsplichtige, en
b. die andere
inhoudingsplichtige het bedoelde loon rechtstreeks afdraagt
aan de inhoudingsplichtige en aan de werknemer geen
verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de
inhoudingsplichtige zijn medegedeeld. Aan de voorwaarde in de
eerste volzin, onderdeel a, dat de werknemer uit hoofde van
zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van een
andere inhoudingsplichtige is ook voldaan indien de
inhoudingsplichtige waaraan het loon wordt afgestaan een
lichaam is waarin de werknemer een aanmerkelijk belang heeft
in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, de werknemer via
dit lichaam een belang heeft in de andere inhoudingsplichtige
en dit belang tezamen met zijn werkzaamheden voor die andere
inhoudingsplichtige materieel grotendeels overeenkomt met het
aandeel en de werkzaamheden van een vennoot in een
vennootschap onder firma.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een niet in Nederland
wonende werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane
loon voor de toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele
belasting niet anders zou worden behandeld dan het door deze
inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te betalen loon.
3. Het eerste en tweede lid zijn
slechts van toepassing als de inspecteur onder wie de
inhoudingsplichtige ressorteert die zonder toepassing van deze
leden belasting had moeten inhouden, op gezamenlijk verzoek van
deze inhoudingsplichtige, de inhoudingsplichtige aan wie het loon
wordt afgestaan en de werknemer bij voor bezwaar vatbare
beschikking, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare,
beschikking kan worden herroepen, heeft vastgesteld dat aan de
gestelde voorwaarden is voldaan.
4. Het derde lid is niet van
toepassing indien:
a. de werknemer een
aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 in zowel de inhoudingsplichtige die
zonder toepassing van dit artikel belasting had moeten
inhouden als in de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt
afgestaan, en
b. de inhoudingsplichtige aan
wie het loon wordt afgestaan aangifte doet in overeenstemming
met het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk VI. Aanvullende regelingen
Artikel 33
1. Ter vergemakkelijking van de
heffing van belasting kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld betreffende:
a. een rechtstreeks uit het
familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de
zin van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, ingeval hiermede rekening wordt
gehouden bij het vaststellen van de hoogte van een periodieke
uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand;
b. de voorwaarden waaronder een
vermindering met het loon van hulpen plaatsvindt van het loon
verstrekt aan:
1°. de uitvoerder van
aangenomen werk, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, indien de in dat onderdeel bedoelde
overeenkomst niet rechtstreeks is aangegaan met een
natuurlijke persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden;
2°. de thuiswerker,
bedoeld in artikel 4, onderdeel a;
c. het vaststellen van
tabelloon in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel
c;
d. het door de
inhoudingsplichtige aan het einde van het kalenderjaar
herrekenen van de belasting geheven over uitkeringen en
verstrekkingen ingevolge de Wet werk en bijstand;
e. de inhoudingsplicht ter zake
van loon dat een werknemer geniet van een derde.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen aanvullende regels worden gesteld betreffende:
a. de heffing van de belasting
ingeval loon van meer dan één inhoudingsplichtige of mede
loon van een derde, dan wel over enig tijdvak meer dan één
beloning wordt genoten;
b. inhouding van geschatte
bedragen, gevolgd door periodieke afrekening;
c. het vaststellen van
loonbelastingtabellen voor:
1°. degenen die
uitkeringen of verstrekkingen ontvangen ingevolge de Wet
werk en bijstand;
2°. uitvoerders van
aangenomen werk, hun hulpen, degenen van wie de
arbeidsverhouding op grond van artikel 4, onderdeel a, b
of e, als dienstbetrekking wordt beschouwd en bij
ministeriële regeling aangewezen sekswerkers van wie de
arbeidsverhouding bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur als dienstbetrekking wordt beschouwd.
Voor de gevallen waarin artikel
27b, eerste lid, toepassing vindt, worden deze tabellen
zodanig vastgesteld dat telkens de belasting en de premie voor
de volksverzekeringen in één percentage worden opgenomen.
Artikel 34
1. Ter vergemakkelijking van de
heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting
mede wordt geheven van natuurlijke personen die:
a. termijnen van lijfrente of
andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten;
b. uitkeringen genieten ter
vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of
verstrekkingen;
c. een afkoopsom genieten ter
zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. Met betrekking tot bedragen ter
zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt in
afwijking van hoofdstuk III de belasting 52% van deze bedragen.
Indien de belasting ingevolge artikel 27b, eerste lid, in één
bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven,
wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van
de verschuldigde belasting tezamen met het bedrag van de
verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52% van
de bedoelde bedragen.
Artikel 34a [Vervallen per
01-01-1997]
Hoofdstuk VIA
Artikel 34b [Vervallen per
01-01-1996]
Artikel 34c [Vervallen per
01-01-1996]
Artikel 34d [Vervallen per
01-01-1996]
Hoofdstuk VII. Belastingheffing van
artiesten en beroepssporters
Artikel 35
1. Ten aanzien van een artiest of
beroepssporter wordt de belasting geheven naar de gage.
2. Gage is al hetgeen de artiest of
beroepssporter als zodanig geniet. Tot de gage behoren
kostenvergoedingen alsmede aanspraken om na verloop van tijd of
onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te
ontvangen.
3. Tot de gage behoren niet:
a. vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd
die geen deel uitmaken van een maaltijd volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels, of ter zake van
maaltijden waarbij het zakelijk karakter van meer dan
bijkomstig belang is;
b. vergoedingen die strekken
tot bestrijding van reis- en verblijfkosten – andere dan
kosten van eigen vervoer – ter behoorlijke vervulling van
het optreden dan wel de sportbeoefening, mits de artiest of
beroepssporter de bewijsstukken overhandigt aan de
inhoudingsplichtige en deze de bewijsstukken administreert en
voor controle beschikbaar houdt;
c. verstrekkingen die strekken
tot voorkoming van reis- en verblijfkosten ter behoorlijke
vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening;
d. aanspraken ingevolge de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
e. aanspraken, die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel
d;
f. aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval
en
g. bedragen die worden
ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken bedoeld in onderdeel e,
alsmede bijdrage voor aanspraken, bedoeld in onderdeel f.
4. Tot de gage behoort mede niet
het aan de artiest of beroepssporter toe te rekenen deel van
hetgeen blijkens een beschikking van de inspecteur als een niet
tot de gage behorende vergoeding kan worden aangemerkt (kostenvergoedingsbeschikking).
De kostenvergoedingsbeschikking wordt op verzoek door de
inspecteur verstrekt en is vatbaar voor bezwaar. Het verzoek wordt
voor het optreden of de sportbeoefening gedaan door de artiest, de
beroepssporter of de inhoudingsplichtige, dan wel uiterlijk een
maand na het optreden of de sportbeoefening door de
inhoudingsplichtige. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de
kostenvergoedingsbeschikking.
5. Niet in geld genoten gage wordt
in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend.
6. Gage wordt beschouwd te zijn
genoten op het tijdstip:
a. waarop zij betaald of
verrekend wordt, ter beschikking van de artiest of
beroepssporter wordt gesteld of rentedragend wordt;
b. waarop zij vorderbaar en
tevens inbaar wordt, of
c. indien dat later is dan de
tijdstippen, bedoeld in de onderdelen a en b en de
inhoudingsplichtige een kostenvergoedingsbeschikking heeft
aangevraagd: uiterlijk een maand na het optreden of de
sportbeoefening.
Artikel 35a
1. De verschuldigde belasting
bedraagt een percentage, gelijk aan het gecombineerde
heffingspercentage, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de
gage. In afwijking van de vorige volzin bedraagt de belasting ten
aanzien van de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter
20 percent van de gage.
2. Ten aanzien van niet in
Nederland wonende beroepssporters kan bij algemene maatregel van
bestuur, zo nodig onder voorwaarden, ten behoeve van uniforme
heffing bij grensoverschrijdende evenementen het in het eerste lid
genoemde percentage van 20 tijdelijk worden verlaagd, doch niet
verder dan tot 15 percent. Een krachtens de eerste volzin
vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide
kamers der Staten-Generaal overlegd. Hij treedt in werking op een
tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
bij koninklijk besluit wordt vastgelegd, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel
van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien
het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide
Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te
nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
3. In afwijking van het eerste lid
bedraagt de verschuldigde belasting 52 percent van de gage ingeval
de artiest of beroepssporter zijn naam, adres of woonplaats niet
aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt, dan wel zijn
identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de
loonadministratie overeenkomstig artikel 35e, onderdeel e, alsmede
ingeval de artiest of beroepssporter ter zake onjuiste gegevens
heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of
redelijkerwijs moet weten.
Artikel 35b
1. De belasting wordt geheven door
inhouding op de gage.
2. De inhoudingsplichtige is
verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de gage
wordt genoten.
3. De inhoudingsplichtige is
verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
Artikel 35c [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 35d
1. De artiest of beroepssporter is
gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan
de inhoudingsplichtige:
a. opgave te doen van gegevens
waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van
belang kan zijn;
b. inzage te verlenen van een
op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de
identificatieplicht om een afschrift daarvan in de
loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten opnemen;
c. - indien hij in Nederland
woont – opgave te doen van zijn burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer.
2. Opgave van naam, adres,
woonplaats en – ingeval hij niet in Nederland woont – woonland
en geboortedatum van de artiest of beroepssporter alsmede van de
overige in dit artikel bedoelde gegevens geschiedt door middel van
de door de inspecteur verstrekte gageverklaring.
Artikel 35e
De inhoudingsplichtige is gehouden
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van de artiest of
beroepssporter opgave te verlangen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan
zijn;
b. van de in Nederland wonende
artiest opgave te verlangen van zijn burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer;
c. een loonadministratie te
voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking
tot de gage en met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen
die niet tot de gage behoren;
d. aan de in Nederland wonende
artiest, alsmede, op diens verzoek, aan de niet in Nederland
wonende artiest of beroepssporter, opgave te doen van de in een
kalenderjaar genoten gage, van de ingehouden belasting en van
andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van
de inkomstenbelasting;
e. de identiteit van de artiest
of beroepssporter vast te stellen aan de hand van een document
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º,
van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het
nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te
nemen.
Artikel 35f
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voor bepaalde groepen artiesten of
beroepssporters nadere regelen worden gesteld inzake de heffing van
de belasting, alsmede andere in het kader der wet passende nadere
regelen worden gegeven ter aanvulling van in de wet geregelde
onderwerpen.
Hoofdstuk VIIA. Belastingheffing van
buitenlandse gezelschappen
Artikel 35g
1. Ten aanzien van een buitenlands
gezelschap wordt de belasting geheven naar de gage.
2. Gage is al hetgeen ter zake van
het optreden of de sportbeoefening in Nederland wordt ontvangen
door het buitenlandse gezelschap, dan wel door het lichaam waarmee
de leden van het gezelschap een rechtsverhouding hebben op grond
waarvan het optreden of de sportbeoefening plaatsvindt. Tot de
gage behoren kostenvergoedingen alsmede aanspraken om na verloop
van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of
verstrekkingen te ontvangen.
3. Tot de gage behoren niet:
a. vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd
die geen deel uitmaken van een maaltijd volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels, of ter zake van
maaltijden waarbij het zakelijk karakter van meer dan
bijkomstig belang is;
b. vergoedingen die strekken
tot bestrijding van reis- en verblijfkosten – andere dan
kosten van eigen vervoer – ter behoorlijke vervulling van
het optreden of de sportbeoefening, mits het gezelschap de
bewijsstukken aan de inhoudingsplichtige doet toekomen en deze
de bewijsstukken administreert en voor controle beschikbaar
houdt;
c. verstrekkingen die strekken
tot voorkoming van reis- en verblijfkosten ter behoorlijke
vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening;
d. aanspraken ingevolge de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
e. aanspraken, die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel
d;
f. aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
g. bedragen die worden
ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken bedoeld in onderdeel e,
alsmede bijdrage voor aanspraken, bedoeld in onderdeel f;
h. uitzendrechten voor zover
die betrekking hebben op het land van vestiging van het
buitenlands gezelschap.
4. Tot de gage behoort mede niet
hetgeen blijkens een beschikking van de inspecteur als een niet
tot de gage behorende vergoeding kan worden aangemerkt (kostenvergoedingsbeschikking).
De kostenvergoedingsbeschikking wordt op verzoek door de
inspecteur verstrekt en is vatbaar voor bezwaar. Het verzoek wordt
voor het optreden of de sportbeoefening gedaan door het gezelschap
of de inhoudingsplichtige, dan wel uiterlijk een maand na het
optreden of de sportbeoefening door de inhoudingsplichtige. Bij
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de kostenvergoedingsbeschikking.
5. Niet in geld ontvangen gage
wordt in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend.
6. Gage wordt beschouwd te zijn
ontvangen op het tijdstip:
a. waarop zij betaald of
verrekend wordt, ter beschikking van het gezelschap wordt
gesteld of rentedragend wordt;
b. waarop zij vorderbaar en
tevens inbaar wordt, of
c. indien dat later is dan de
tijdstippen, bedoeld in de onderdelen a en b en de
inhoudingsplichtige een kostenvergoedingsbeschikking heeft
aangevraagd: uiterlijk een maand na het optreden of de
sportbeoefening.
Artikel 35h
1. De verschuldigde belasting
bedraagt 20 percent van de gage.
2. Ten aanzien van buitenlandse
gezelschappen kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig
onder voorwaarden, ten behoeve van uniforme heffing bij
grensoverschrijdende evenementen het in het eerste lid genoemde
percentage van 20 tijdelijk worden verlaagd, doch niet verder dan
tot 15 percent. Een krachtens de eerste volzin vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overlegd. Hij treedt in werking op een tijdstip
dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij
koninklijk besluit wordt vastgelegd, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel
van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien
het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide
Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te
nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
3. In afwijking van het eerste lid
bedraagt de verschuldigde belasting 52 percent van de gage:
a. indien aan de
inhoudingsplichtige de naam, het adres, de woonplaats, het
woonland en de geboortedatum van de leider of
vertegenwoordiger, alsmede de namen van de leden van het
gezelschap niet zijn verstrekt;
b. indien ten aanzien van het
merendeel van de leden geen afschrift van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º,
van de Wet op de identificatieplicht aan de
inhoudingsplichtige is verstrekt of de identiteit niet is
vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie van de
inhoudingsplichtige overeenkomstig artikel 35m, onderdeel c;
c. indien het gezelschap
terzake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de
inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
Artikel 35i
1. De belasting wordt geheven door
inhouding op de gage.
2. De inhoudingsplichtige is
verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de gage
wordt ontvangen.
3. De inhoudingsplichtige is
verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
Artikel 35j [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 35k
De leden van het buitenlandse
gezelschap zijn gehouden volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels aan het gezelschap:
a. opgave te doen van gegevens
waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van
belang kan zijn;
b. inzage te verlenen van een op
hen betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de
identificatieplicht, en een afschrift daarvan te verstrekken.
Artikel 35l
1. Het buitenlandse gezelschap is
gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van de leden van het
gezelschap opgave te verlangen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan
zijn;
b. de identiteit van de leden
vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op
de identificatieplicht en een afschrift daarvan te verlangen;
c. aan de inhoudingsplichtige
opgave te doen van gegevens waarvan de kennisneming voor de
heffing van de belasting van belang kan zijn;
d. aan de inhoudingsplichtige
ten aanzien van het merendeel van de leden inzage te verlenen
van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht om
een afschrift daarvan in de loonadministratie van de
inhoudingsplichtige te laten opnemen.
2. Opgave van naam, adres,
woonplaats, woonland en geboortedatum van de leider of
vertegenwoordiger alsmede het aantal leden van het gezelschap, en
opgave van de overige in dit artikel bedoelde gegevens geschiedt
door middel van de door de inspecteur verstrekte gageverklaring.
Artikel 35m
De inhoudingsplichtige is gehouden
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van het buitenlandse
gezelschap opgave te verlangen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan
zijn;
b. een loonadministratie te
voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking
tot de gage en met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen
die niet tot de gage behoren;
c. de identiteit van een zo groot
mogelijk deel, doch ten minste het merendeel van de leden van
het gezelschap vast te stellen aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van
de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en
een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.
Artikel 35n
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voor buitenlandse gezelschappen nadere regelen
worden gesteld inzake de heffing van de belasting, alsmede andere in
het kader der wet passende nadere regelen worden gegeven ter
aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VIIB. Horizonbepaling
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 35o [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Artikel 22a, derde lid, vervalt met
ingang van 1 januari 2020.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 36
Artikel 10a zoals dat luidde op 31
december 2004 blijft van toepassing op vóór 1 januari 2005
overeengekomen aandelenoptierechten ter zake waarvan vóór die
datum reeds een bedrag als loon is genoten, waarbij tevens artikel
10a, derde lid, zoals dat luidt op 1 januari 2005, geldt.
Artikel 36a
1. Met betrekking tot op 31
december 2000 bestaande rechten op vakantieverlof en
compensatieverlof is artikel 10, derde lid en artikel 11, eerste
lid, onderdeel r, onder 1°, niet van toepassing.
2. De aanspraken die voor 1 januari
2006 zijn opgebouwd ingevolge een regeling voor verlofsparen
worden aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een
levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, zoals dat artikel
op 31 december 2011 luidde.
Artikel 36b
Met betrekking tot bestaande
pensioenaanspraken voor welke op of na 1 januari 1995 een ander
lichaam als verzekeraar optreedt dan bedoeld in artikel 18, eerste
lid, onderdeel c, en artikel 18i, onderdeel c, zoals dat luidde op
31 december 2004, is de in die onderdelen gestelde voorwaarde inzake
de verzekeraar niet van toepassing. Onder bestaande
pensioenaanspraken worden verstaan de op 31 december 1994 bestaande
aanspraken welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat
toen luidde, zijn aan te merken als aanspraken die berusten op een
pensioenregeling.
Artikel 36c
Voor auto’s waarvoor het kenteken
is opgegeven vóór 1 juli 2006, blijft artikel 13bis, vijfde lid,
eerste volzin, zoals deze volzin op 30 juni 2006 luidde, van
toepassing.
Artikel 37
Met betrekking tot bestaande
aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of
te derven loon zijn de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder
1° en 2°, gestelde voorwaarden niet van toepassing. Onder
bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van
gederfd of te derven loon worden verstaan de op 31 december 1994
bestaande aanspraken welke naar of krachtens de tekst van artikel 11
zoals dat toen luidde, zijn aan te merken als aanspraken op
periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 38a [Vervallen per
01-01-2005]
Artikel 38b
Voor bestaande aanspraken ingevolge
een pensioenregeling als bedoeld in deze wet blijven de op het
moment van ontstaan van deze aanspraken in deze wet opgenomen
bepalingen die verband houden met deze aanspraken, van toepassing.
In afwijking in zoverre van de eerste volzin is met betrekking tot
de in de eerste volzin bedoelde aanspraken artikel 10, vierde lid,
eveneens van toepassing.
Artikel 38c
1. Voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijven
tot en met 31 december 2005 de artikelen 11, 18g, 18i, 19, 19a,
19b, 19c en 19d, zoals die luidden op 31 december 2004, van
toepassing en is artikel 32aa niet van toepassing.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijven de artikelen 11, 18g, 18i, 19, 19a, 19b, 19cen
19d, zoals die luidden op 31 december 2004, van toepassing en is
artikel 32ba niet van toepassing voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, indien
ingevolge die regeling na 31 december 2005 nog uitsluitend
uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers:
a. die voor 1 januari 2006
reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling genoten,
of
b. die voor 1 januari 2005 de
leeftijd van 55 jaar hebben bereikt en ten aanzien van wie de
uitkeringen die ingevolge deze regeling worden gedaan worden
herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de
regeling vastgestelde ingangsdatum, met dien verstande dat de
verhoging van de uitkeringen niet lager is dan 50% van de
verhoging van de uitkeringen bij een herrekening met
inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
3. Een aanspraak ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in het tweede lid
kan met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële
grondslagen worden omgezet in een aanspraak ingevolge een
ouderdomspensioenregeling, voorzover het ouderdomspensioen na de
omzetting niet meer bedraagt dan 100% van het laatstverdiende
loon.
Artikel 38d
1. Voor een op 31 december 2004
bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals
dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijft tot en met 31
december 2005 artikel 38a, zoals dit artikel luidde op 31 december
2004, van toepassing.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijft artikel 38a, zoals dit artikel luidde op 31
december 2004, van toepassing voor een op 31 december 2004
bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals
dit artikel toen luidde, indien ingevolge die prepensioenregeling
na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden
gedaan:
a. ingevolge aanspraken die
voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd, of
b. aan werknemers die voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt mits:
1°. de uitkeringen die
ingevolge die prepensioenregeling worden gedaan met
inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële
grondslagen worden herrekend ingeval de uitkeringen later
ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum,
en
2°. de
prepensioenregeling, met inachtneming van de in of
krachtens artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december
2004 luidde, gestelde normeringen en beperkingen, de
mogelijkheid van deeltijdpensioen biedt.
3. In afwijking in zoverre van
artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting
van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een
prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel
op 31 december 2004 luidde, in een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling.
Artikel 38e
1. Voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor ouderdomspensioen, als bedoeld in artikel
18a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijft tot en
met 31 december 2005artikel 18a, zoals dit artikel luidde op 31
december 2004, van toepassing.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijft artikel 18a, zoals dit artikel luidde op 31
december 2004, van toepassing voor een werknemer die voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
3. In afwijking in zoverre van
artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting
in ouderdomspensioen van een op 31 december 2005 bestaande
aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel
18a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, voor zover deze
aanspraak is opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode
voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer
de leeftijd van 65 jaar bereikt (vroegpensioen).
Artikel 38f
1. Voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor overbruggingspensioen als bedoeld in
artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijven
tot en met 31 december 2005 de artikelen 18, 18e en 18g, zoals
deze luidden op 31 december 2004, van toepassing.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijven de artikelen 18, 18e en18g, zoals deze luidden
op 31 december 2004, van toepassing voor een werknemer die voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
3. In afwijking in zoverre van
artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting
van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een
overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit
artikel op 31 december 2004 luidde, in een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling.
Artikel 38g
Voor de toepassing van artikel 18e,
eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, wordt het
40-deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van:
a. een overbruggingspensioen als
bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2004
luidde;
b. uitkeringen ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i,
zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde;
c. een prepensioen als bedoeld in
artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde.
Artikel 38h
1. Een op 31 december 2004
bestaande aanspraak die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend als
gevolg van de met ingang van 1 januari 2005 in werking getreden
wijzigingen van deze wet niet langer als een aanspraak ingevolge
een pensioenregeling is aan te merken, wordt in afwijking in
zoverre van het bij deze wet bepaalde tot en met 31 december 2006
toch als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling aangemerkt,
onder gehoudenheid van de inhoudingsplichtige tot afdracht van de
in het tweede lid aangeduide heffing.
2. Ter zake van de in het eerste
lid bedoelde aanspraak is de inhoudingsplichtige verschuldigd een
heffing naar een tarief van 52% en over een grondslag als geduid
in het derde lid.
3. De grondslag waarover de heffing
is verschuldigd, is het positieve verschil tussen de toename van
de waarde in het economische verkeer van de aanspraak en de
toename van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak
ingeval op 1 januari 2006 de pensioenregeling reeds zodanig zou
zijn aangepast dat deze blijft binnen de begrenzingen zoals die
gelden met ingang van 1 januari 2005. De in de eerste volzin
bedoelde grondslag wordt aangemerkt als loon dat als een
eindheffingsbestanddeel wordt belast.
4. Uitkeringen en verstrekkingen
uit een aanspraak als bedoeld in het eerste lid behoren tot het
loon, onverminderd de omstandigheid dat de inhoudingsplichtige
ingevolge het eerste lid de aldaar bedoelde heffing is
verschuldigd.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel waaronder regels om te komen tot een praktische benadering
van de grondslag.
Artikel 38i
1. Bij de beoordeling of binnen de
in artikel 18a gestelde begrenzingen wordt gebleven, blijven bij
een collectieve regeling buiten beschouwing:
a. op 31 december 2005
bestaande aanspraken, voorzover deze zijn opgebouwd ten
behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum
waarop de werknemer of gewezen werknemer de leeftijd van 65
jaar bereikt;
b. op 31 december 2005
bestaande aanspraken, voorzover deze zijn opgebouwd door
middel van een individuele aanvulling op de collectieve
regeling.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een collectieve regeling verstaan een regeling
of een gedeelte van een regeling waaraan de werknemer verplicht
deelnam, voorzover de regeling of het gedeelte van de regeling
voor de werknemer geen keuzemogelijkheid bood met betrekking tot
de hoogte van het op te bouwen pensioen.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een individuele aanvulling verstaan een
pensioen dat in aanvulling op een collectieve regeling is
opgebouwd.
Artikel 38j
Met betrekking tot een
pensioentoezegging als bedoeld in artikel 19 van de Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet kan als verzekeraar blijven optreden een
verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d en
e, zoals dat artikel luidde op de peildatum als bedoeld in artikel 1
van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, en wordt onder een
overgang als bedoeld in artikel 19b, tweede lid, eerste volzin, mede
verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f.
Artikel 38k
Artikel 19b, eerste lid, is niet van
toepassing op een bij artikel 66 van de Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet toegestane afkoop van aanspraken.
Artikel 38l
In afwijking in zoverre van artikel
18d, eerste lid, onderdeel b, wordt de mate van variatie in de
hoogte van een pensioen dat vóór 1 januari 2013 is ingegaan ten
laatste bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd vastgesteld.
Artikel 39
Artikel 13a, tweede lid, is niet van
toepassing op:
a. loon waarop de belasting met
toepassing van die bepaling voor 1 januari 1994 zou zijn
ingehouden;
b. loon waarvan is overeengekomen
dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk
tijdstip zal worden genoten en waarop de belasting met
toepassing van die bepaling voor 1 januari 2006 zou zijn
ingehouden.
Artikel 39a [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 39b [Vervallen per
01-01-2012]
Artikel 39c
1. Ingeval de inhoudingsplichtige
daar bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel bij aanvang van
de inhoudingsplicht, voor kiest, blijven artikel 10, eerste lid,
artikel 11, eerste lid, onderdelen a, b, i, m, q, s en t, artikel
13, artikel 13a, hoofdstuk IIA, artikel 31, met uitzondering van
het eerste lid, onderdeel f, het tweede lid, onderdeel c, onder
1°, het achtste lid en het tiende lid, artikel 32a en artikel
32dzoals deze op 31 december 2010 luidden, alsmede de daarop
gebaseerde bepalingen, voor al zijn werknemers van toepassing voor
dat kalenderjaar onderscheidenlijk voor het vanaf de aanvang van
de inhoudingsplicht resterende gedeelte van het kalenderjaar, en
zijnartikel 31a en de daarop gebaseerde bepalingen niet van
toepassing voor dat kalenderjaar onderscheidenlijk voor het vanaf
de aanvang van de inhoudingsplicht resterende gedeelte van het
kalenderjaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de toepassing van de op deze wet
gebaseerde uitvoeringsbepalingen.
2. Bij toepassing van het eerste
lid wordt artikel 15b, eerste lid, onderdeel ha, zoals dat op 31
december 2010 luidde, vanaf 1 januari 2011 als volgt gelezen:
ha. personeelsreizen,
personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele
voorzieningen, behoudens voor zover de vergoeding, volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels, niet meer bedraagt
dan € 454 per jaar.
3. Bij toepassing van het eerste
lid wordt artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, zoals dat op 31
december 2010 luidde, vanaf 1 januari 2012 als volgt gelezen:
j. extra kosten van tijdelijk
verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale
kosten), met dien verstande dat voor bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die
door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in
dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden
uitgezonden, onder daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat
vergoedingen van kosten van verblijf buiten het land van
herkomst – voor van buiten Nederland in dienstbetrekking
genomen werknemers gedurende ten hoogste acht jaar – ten
minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale
kosten tot ten hoogste 30 percent van het loon en de
vergoeding voor extraterritoriale kosten, alsmede tot het
bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden;
4. Bij het begin van het
kalenderjaar worden de in de artikelen 34, 35, 51, 55 en 59 van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals deze op 31 december
2010 luidde, vermelde bedragen en percentages gewijzigd
overeenkomstig de tot en met die datum gehanteerde regels.
Artikel 39d
1. Voor de werknemer die op 31
december 2011 een aanspraak had ingevolge een levensloopregeling
als bedoeld in artikel 19g, zoals dit artikel op 31 december 2011
luidde, waarvan de waarde in het economische verkeer op die datum
€ 3000 of meer bedroeg, blijven de artikelen 11, eerste lid,
onderdeel j, onder 5°, en onderdeel r, onder 4°, en derde lid,
19g, met uitzondering van het tweede lid, 21c, onderdeel f, 22a,
zesde lid, 22ca, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 22d,
artikel 25, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 en artikel 4, zesde lid, van de Wet op de dividendbelasting
1965, zoals deze artikelen op 31 december 2011 luidden, alsmede de
daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing, met dien verstande
dat bij de toepassing van artikel 22ca, tweede lid, zoals dit
artikel op 31 december 2011 luidde, kalenderjaren die na 31
december 2011 zijn geëindigd buiten beschouwing blijven.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid wordt, indien de werknemer ineens beschikt over de
opgebouwde aanspraak, bedoeld in het eerste lid, en voor zover het
ingevolge het eerste lid als loon in aanmerking te nemen bedrag
niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer van die
aanspraak op 31 december 2011, 80 percent van het ingevolge het
eerste lid als loon in aanmerking te nemen bedrag in aanmerking
genomen. Na toepassing van de eerste volzin, is op de werknemer
het eerste lid niet meer van toepassing.
3. Een aanspraak ingevolge een
levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, zoals dit artikel
op 31 december 2011 luidde, waarvan de waarde in het economische
verkeer op die datum minder bedroeg dan € 3000, wordt met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 21c, onderdeel f, 22a,
zesde lid, 22ca, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en 22d,
zoals deze artikelen op 31 december 2011 luidden, aan het begin
van het kalenderjaar, voor 80 percent van die waarde als loon uit
tegenwoordige arbeid in aanmerking genomen.
4. Bij toepassing van dit artikel
wordt artikel 19g, achtste lid, zoals dat luidde op 31 december
2011, vanaf 1 januari 2013 als volgt gelezen:
8. De ingevolge de
levensloopregeling opgebouwde voorziening wordt op de dag
voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, maar
uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het
ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere
dienstbetrekking van de werknemer.
Artikel 39e
Voor de werknemer die uiterlijk op 31
december 2011 een vergoeding genoot waarop artikel 31a, tweede lid,
onderdeel e, zoals dat op 31 december 2011 luidde, of artikel 15a,
eerste lid, onderdeel j, zoals dat op 31 december 2010 luidde, van
toepassing was, blijft bij de toepassing van die artikelen de op 31
december 2011 geldende termijn van ten hoogste tien jaar van
toepassing.
Artikel 40
1. De bepalingen van deze wet
treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de
onderscheidene bepalingen verschillend kan zijn. Ingeval dit
tijdstip niet voor alle bepalingen hetzelfde is, worden door Ons
voor zoveel nodig, op de grondslag van de ingevolge artikel 39
zoals dat luidt bij de inwerkingtreding van deze wet vervallen of
ingetrokken bepalingen, regelen gegeven.
2. Deze wet kan worden aangehaald
als: Wet op de loonbelasting 1964.
Lasten en
bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële
Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 december 1964
JULIANA
De Minister van Financiën,
H.J.
Witteveen
De Staatssecretaris van
Financiën,
Van
den Berge
Uitgegeven de achttiende
december 1964
De Minister van Justitie a.i.,
E.H.
Toxopeus
|