Nadere regelgeving:
- Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990
- Regeling
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
- Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
- Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
- Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
- Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en
winstdelingsregelingen
WET van 16 december 1964,
houdende vervanging van het Besluit op de Loonbelasting 1940
door een nieuwe wettelijke regeling
WIJ JULIANA, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
Besluit op de Loonbelasting 1940 door een meer
overzichtelijke en op verschillende punten herziene
wettelijke regeling te vervangen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
Onder de naam 'loonbelasting' wordt
van werknemers of hun inhoudingsplichtige, van artiesten, van
beroepssporters, van buitenlandse gezelschappen en van bij of
krachtens deze wet aan te wijzen andere personen een directe
belasting geheven.
Artikel 2
1. Werknemer is de natuurlijke
persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of
in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat of van een
inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van
hemzelf of van een ander, dan wel uit een bestaande
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van een
ander.
2. Degene die van een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon loon geniet uit een
dienstbetrekking tot een niet-inhoudingsplichtige dan wel loon in
de vorm van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van
uitkeringsgerechtigden, wordt geacht tot die rechtspersoon in
dienstbetrekking te staan.
3. Tenzij werkzaamheden zijn of
worden verricht in een functie van bestuurder of commissaris van
een in Nederland gevestigd lichaam, dan wel in dienstbetrekking
bij de Staat der Nederlanden of in het kader van een uitzending op
grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is,
is het eerste lid niet van toepassing op personen die niet in
Nederland wonen, met betrekking tot een geheel buiten Nederland
vervulde dienstbetrekking. Voor werkzaamheden die zijn of worden
verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het
internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in
Nederland is gevestigd, is de eerste volzin slechts van toepassing
indien wordt voldaan aan de in het vierde lid gestelde
voorwaarden.
4. Het eerste lid is eveneens niet
van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met
betrekking tot een nagenoeg geheel buiten Nederland vervulde
dienstbetrekking, anders dan de dienstbetrekkingen die in het
derde lid, eerste volzin, zijn genoemd, indien:
a. het loon is onderworpen aan
een belasting naar het inkomen die door of vanwege de
Nederlandse Antillen, Aruba of een andere mogendheid wordt
geheven, en
b. het loon niet op grond van
een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond
van enige andere regel van interregionaal of internationaal
recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het
inkomen is onderworpen.
5. Het eerste lid is eveneens niet
van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met
betrekking tot een gedeeltelijk, maar niet nagenoeg geheel buiten
Nederland vervulde dienstbetrekking, anders dan de
dienstbetrekkingen die in het derde lid, eerste volzin, zijn
genoemd, voorzover het loon uit die dienstbetrekking met
inachtneming van verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij
is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen
die door of vanwege de Nederlandse Antillen, Aruba of een andere
mogendheid wordt geheven.
6. Het eerste lid is eveneens niet
van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend
vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke
waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1 500 per
kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die
niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een
privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat niet is
onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan wel voor een
sportorganisatie. Het desbetreffende lichaam is gehouden volgens
ministeriële regeling te stellen regels opgave te doen van
gegevens waarvan de kennisneming voor de uitvoering van de Wet
werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, van belang is.
7. Krachtens wettelijk vruchtgenot
aan een kind ontleend loon wordt geacht door het kind te zijn
genoten.
8. Loon in de vorm van periodieke
uitkeringen welke van publiekrechtelijke aard zijn, kan in het
kalenderjaar waarin de verstrekking van die uitkeringen aanvangt
dan wel eindigt volgens bij ministeriële regeling te stellen
regels worden geacht niet te zijn genoten door de werknemer doch
door zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel 3
1.Als dienstbetrekking wordt
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die, anders dan in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep, en anders dan als thuiswerker,
ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld
in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene, die de in onderdeel
a bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk
bijstaat;
c. degene, die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en
die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor
die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een
voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij
doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
d. degene, die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en
een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde
bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen
van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid
is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee
andere personen laat bijstaan;
e. degene, die werkzaam is om
vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen
degene, die als leerling van een instelling van onderwijs
praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een
bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een
beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het
ontvangen van onderricht;
f. het kind van 15 jaar of
ouder dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder, tenzij
die onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met
het kind en het kind daaruit als ondernemer als bedoeld in
artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 winst uit
onderneming geniet;
g. de commissaris van een
lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
h. degene, die in de zin van
artikel 4 van de Ziektewet (Stb. 1987, 88) als bestuurder
werkzaam is ten behoeve van een coöperatie.
2.Het eerste lid, onderdelen a en
b, vindt geen toepassing indien de in onderdeel a bedoelde
overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon
ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
Artikel 4
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regelen worden gesteld, ingevolge welke eveneens
als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die als thuiswerker
arbeid verricht;
b. degene, die de onder a
bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid
bijstaat;
c. degene, die een tak van sport
op topniveau beoefent en ter zake daarvan een
inkomensvoorziening of een kostenvergoeding geniet.
d. degene, die arbeid verricht
ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner als
bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, een
aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
e. degene, die tegen beloning
persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet
reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking
wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden
gesteld;
f. degene die uit een
arbeidsverhouding die niet op grond van een andere bepaling als
dienstbetrekking wordt beschouwd een beloning geniet, mits
diegene vooraf aan de inspecteur meldt, door middel van een
gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde
inhoudingsplichtige, dat zijn arbeidsverhouding als
dienstbetrekking moet worden beschouwd.
Artikel 5
1.Als dienstbetrekking wordt niet
beschouwd de arbeidsverhouding van degene die uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het
huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in
dienstbetrekking staat, indien hij de diensten doorgaans op minder
dan vier dagen per week verricht.
2.Onder het verrichten van diensten
ten behoeve van een huishouden wordt voor de toepassing van dit
artikel mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat
huishouden.
Artikel 5a
1.Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder artiest:
degene die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus
of anderszins als artiest optreedt, tenzij:
a. hij in Nederland woont, en:
1°. bij een beschikking
als bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting
2001 is verklaard dat de voordelen die hij geniet uit zijn
optreden worden aangemerkt als winst uit onderneming, of
2°. bij een beschikking
als bedoeld in artikel 3.157 van de Wet inkomstenbelasting
2001 is verklaard dat de werkzaamheden die hij verricht in
het kader van zijn optreden, worden aangemerkt als
werkzaamheden uitsluitend verricht voor rekening en risico
van de onderneming van een in Nederland gevestigde
vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft; of
b. hij inwoner is van de
Nederlandse Antillen, Aruba of een land waarmee de Staat der
Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting
heeft gesloten; of
c. hij het optreden
rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijke persoon ten
behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
2.Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
beroepssporter: degene die ingevolge een overeenkomst van korte
duur als beroep een tak van sport beoefent, tenzij:
a. hij in Nederland woont, of
b. hij inwoner is van de
Nederlandse Antillen, Aruba of een land waarmee de Staat der
Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting
heeft gesloten; of
c. hij de sportbeoefening
rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijke persoon ten
behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
3.Ingeval een artiest of
beroepssporter optreedt of als beroep een tak van sport beoefent
in het kader van een dienstbetrekking tot een in Nederland
gevestigde inhoudingsplichtige, is hij voor de toepassing van deze
wet en de daarop berustende bepalingen werknemer.
4.Ingeval een niet in Nederland
wonende artiest of beroepssporter optreedt of als beroep een tak
van sport beoefent in het kader van een dienstbetrekking tot een
inhoudingsplichtige die niet in Nederland is gevestigd, vindt de
heffing van loonbelasting plaats ingevolge de regelingen zoals die
gelden voor artiesten en beroepssporters.
Artikel 5b
1.Voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
buitenlands gezelschap: een groep van hoofdzakelijk niet in
Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen
waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge
een overeenkomst van korte duur als artiest in Nederland optreden
of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen, tenzij:
1°. het optreden of de
sportbeoefening rechtstreeks is overeengekomen met een
natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden, of
2°. volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels aannemelijk wordt gemaakt dat het
gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn
dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der
Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting
heeft gesloten of inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in
Nederland of op de Nederlandse Antillen of Aruba.
2.De rechten die een buitenlands
gezelschap heeft en de verplichtingen die daarop rusten, komen toe
aan elk lid van het gezelschap en rusten op elk lid van het
gezelschap. Een lid kan zich doen vertegenwoordigen door een lid
dat als leider van het gezelschap fungeert.
3.Ingeval een lid van een
buitenlands gezelschap optreedt of als beroep een tak van sport
beoefent in het kader van een dienstbetrekking tot een
inhoudingsplichtige die niet in Nederland is gevestigd, vindt de
heffing van loonbelasting plaats ingevolge de regelingen zoals die
gelden voor het buitenlandse gezelschap.
Artikel 6
1.Inhoudingsplichtige is:
a. degene, tot wie een of meer
personen in dienstbetrekking staan;
b. degene, die aan een of meer
personen loon uit een vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of
tot een ander verstrekt;
c. degene, die ingevolge een
aanspraak die niet tot het loon behoort, aan een of meer
personen uitkeringen of verstrekkingen uit een
dienstbetrekking tot een ander doet.
2.Wie niet in Nederland woont of
gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd voor
zover hij:
a. in Nederland een vaste
inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf, beroep of
andere bezigheid of een in Nederland wonende of gevestigde
vaste vertegenwoordiger heeft, dan wel
b. een of meer personen in
dienst heeft van wie het loon is onderworpen aan de
inkomstenbelasting, met betrekking tot deze personen de
loonadministratie in Nederland houdt en zich voor deze
personen als inhoudingsplichtige bij de inspecteur heeft
gemeld.
3.Voor de toepassing van het tweede
lid, onderdeel a, wordt als een vaste inrichting in ieder geval
aangemerkt:
a. het verrichten van
werkzaamheden in het kader van een onderneming gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen, indien die
werkzaamheden plaatsvinden in, op of boven het
Noordzeewinningsgebied, waarbij onder Noordzeewinningsgebied
wordt verstaan de territoriale zee van Nederland alsmede het
buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van
de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het
Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het
internationale recht ten behoeve van de exploratie en de
exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag
uitoefenen;
b. het verrichten van
werkzaamheden die gericht zijn op het verlenen van tussenkomst
ten behoeve van degenen die tegen beloning persoonlijke arbeid
in Nederland verrichten en een derde ten behoeve van wie die
arbeid wordt verricht.
4.Diplomatieke, consulaire en
andere vertegenwoordigers van andere Mogendheden en de hun
toegevoegde ambtenaren, alsmede bij ministeriële regeling aan te
wijzen internationale organisaties en vertegenwoordigers en
functionarissen daarvan, worden niet als inhoudingsplichtigen
beschouwd.
5.Ingeval artikel 19b toepassing
vindt, is in afwijking van het eerste lid voor de aanspraak die
ingevolge dat artikel als loon wordt aangemerkt,
inhoudingsplichtige degene die als verzekeraar van die aanspraak
optreedt.
Artikel 6a
Als inhoudingsplichtige van een
persoon wordt niet beschouwd degene die beschikt over een afschrift
van een aan hem getoonde beschikking als bedoeld in artikel 3.156 of
3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001 waaruit blijkt dat de
voordelen die die persoon geniet, worden aangemerkt als winst uit
een onderneming of de werkzaamheden die die persoon verricht, worden
aangemerkt als werkzaamheden verricht voor rekening en risico van
een vennootschap waarin die persoon een aanmerkelijk belang heeft,
mits:
a. de werkzaamheden die in de
beschikking zijn aangeduid overeenkomen met de werkzaamheden die
die persoon voor hem verricht;
b. de werkzaamheden die die
persoon voor hem verricht:
1°. vallen in het tijdvak
waarvoor de beschikking geldt, of
2°. vallen in het
kalenderjaar aansluitend op het tijdvak waarvoor de
beschikking geldt en worden verricht op basis van een
overeenkomst die is aangegaan:
a. vóór 1 november van
het kalenderjaar waarin het tijdvak is gelegen waarvoor
de beschikking geldt, en
b. ingeval voor het
aansluitende kalenderjaar reeds een beschikking is
aangevraagd, voor de dagtekening van de voor dat
kalenderjaar geldende beschikking, en
c. hij de identiteit van die
persoon heeft vastgesteld aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van
de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard en het nummer
daarvan in zijn administratie heeft opgenomen en een afschrift
daarvan er bij bewaart.
Artikel 7
Als degene, tot wie de
dienstbetrekking bestaat, wordt beschouwd:
1°. in de gevallen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder:
a en b. de aanbesteder;
c en d. degene, met wie de
overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e. degene, bij wie de
werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten;
f. de ouder;
g. het lichaam;
h. de coöperatie;
2°. in de gevallen, bedoeld in
artikel 4, onder:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie de
inkomensvoorziening of kostenvergoeding is overeengekomen;
d: het lichaam;
e en f: degene, die bij de in
artikel 4 bedoelde algemene maatregel van bestuur als
inhoudingsplichtige is aangewezen.
Artikel 8
Bij ministeriële regeling kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, een ander dan de persoon bedoeld in artikel 6 of
artikel 7 worden aangewezen als inhoudingsplichtige met betrekking
tot:
a. degene, die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn
bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten
tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een
opdrachtgever van die ander;
b. degene, die een thuiswerker
als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene, die als beroep een tak
van sport beoefent.
Artikel 8a
1.Ten aanzien van een artiest,
beroepssporter of buitenlands gezelschap is inhoudingsplichtige:
a. voorzover de gage wordt
ontvangen van degene met wie het optreden of de
sportbeoefening is overeengekomen: degene met wie het optreden
of de sportbeoefening is overeengekomen;
b. voorzover de gage wordt
ontvangen van een derde: deze derde.
2.Wie niet in Nederland woont of
gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd
voorzover hij in Nederland een vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf, beroep of andere bezigheid heeft,
dan wel een in Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger. Hierbij wordt mede als vaste inrichting
aangemerkt het in Nederland verrichten of doen verrichten van
werkzaamheden die gericht zijn op het in Nederland laten optreden
van artiesten, beroepssporters of buitenlandse gezelschappen.
3.Bij ministeriële regeling kan,
in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de inhoudingsplicht worden verlegd naar een
andere persoon dan voortvloeit uit de toepassing van het eerste of
tweede lid.
Hoofdstuk II. Voorwerp van de
belasting
Artikel 9
1.De belasting wordt geheven over
het belastbare loon.
2.Belastbaar loon is het
gezamenlijke bedrag aan loon.
Artikel 10
1.Loon is al hetgeen uit een
dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.
2.Tot het loon behoren aanspraken
om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer
uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
3.Onder aanspraken worden mede
verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.
4.Tot het loon behoren uitkeringen
en verstrekkingen ingevolge een tot het loon behorende aanspraak
voor zover de aanspraak in afwijking van hetgeen bij of krachtens
deze wet is bepaald, bij de bepaling van de verschuldigde
belasting niet als loon in aanmerking is genomen.
5.Onverminderd de omstandigheid dat
de inhoudingsplichtige ingevolge artikel 32ba, artikel 32bb of
artikel 32bc de aldaar bedoelde belasting is verschuldigd en de
bedragen die worden ingehouden als bijdrage ingevolge een in
artikel 32ba bedoelde regeling tot het loon behoren, behoren tot
het loon:
a. uitkeringen en
verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende
aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding in
de zin van artikel 32ba;
b. vertrekvergoedingen als
bedoeld in artikel 32bb, met uitzondering van
vertrekvergoedingen als bedoeld in artikel 32bb, vijfde of
zesde lid;
c. uitkeringen en
verstrekkingen uit een als vertrekvergoeding in de zin van
artikel 32bb in aanmerking genomen aanspraak als bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel g;
d. hetgeen wordt genoten ter
zake van de uitoefening of vervreemding van een
aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 32bb, vijfde lid;
e. uitkeringen en
verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende
aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in
artikel 32bc.
Artikel 10a
1.Ingeval in het kader van een
dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer
een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort niet de waarde
van dat recht tot het loon doch hetgeen door de werknemer ter zake
van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten.
2.Het loon dat ingevolge het eerste
lid in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het bedrag
dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in rekening
is gebracht, maar niet verder dan tot nihil.
3.Indien zulks plaatsvindt in het
kader van een aandelenfusie, een splitsing van een rechtspersoon,
een fusie van een rechtspersoon of een overname van 50% of meer
van de aandelen in de inhoudingsplichtige of een met de
inhoudingsplichtige verbonden vennootschap wordt als uitoefening
of vervreemding van een aandelenoptierecht niet beschouwd:
a. het wijzigen van de
voorwaarden van het optierecht terzake van het aandeel waarop
het optierecht ziet, of
b. het vervangen van het
optierecht door een ander aandelenoptierecht waarbij dat
andere optierecht ziet op een ander aandeel, tenzij
aannemelijk is dat het wijzigen of het vervangen van het
aandelenoptierecht, in meer dan betekenende mate plaatsvindt
om belastingheffing ter zake van het recht uit te stellen of
te ontgaan.
4.Onder vervreemding wordt mede
begrepen het formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid
worden, het brengen in het vermogen van een onderneming, alsmede
het ontvangen van een schadeloosstelling als bedoeld in artikel
334p, eerste lid, of artikel 320, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. De overgang onder algemene titel van een
aandelenoptierecht wordt niet als een vervreemding aangemerkt.
5.Ingeval bij vervreemding van een
aandelenoptierecht de tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij
een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt
als genoten bedrag aangemerkt de waarde in het economische verkeer
welke ten tijde van de vervreemding aan het recht kan worden
toegekend.
6.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een aandelenoptierecht verstaan een recht om
een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te
verwerven in de inhoudingsplichtige vennootschap of in een met de
inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, of een daarmee gelijk
te stellen recht.
7.Voor de toepassing van deze wet
wordt onder een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap
verstaan:
a. een vennootschap waarin de
inhoudingsplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang
heeft;
b. een vennootschap die voor
ten minste een derde gedeelte belang heeft in de
inhoudingsplichtige;
c. een vennootschap waarin een
derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl
deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang
heeft in de inhoudingsplichtige.
8.Voor de toepassing van dit
artikel wordt, indien een inhoudingsplichtige vennootschap of een
met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap is
betrokken bij een splitsing of een fusie op de voet van artikel
334a onderscheidenlijk artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, onder die vennootschap mede verstaan de verkrijgende
vennootschap in de zin van die artikelen alsmede de vennootschap
die vóór de splitsing onderscheidenlijk fusie werd aangemerkt
als een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden
vennootschap.
Artikel 11
1. Tot het loon behoren niet:
a. vergoedingen die naar
algemene maatschappelijke opvattingen niet als
beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in
of krachtens hoofdstuk IIA gestelde normeringen en beperkingen
(vrije vergoedingen);
b. verstrekkingen die naar
algemene maatschappelijke opvattingen niet als
beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in
of krachtens de artikelen 17 en 17a gestelde normeringen en
beperkingen (vrije verstrekkingen);
c. aanspraken ingevolge een
pensioenregeling, een en ander volgens de in of krachtens
hoofdstuk IIB gestelde normeringen en beperkingen;
d. aanspraken ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel
32ba;
e. aanspraken ingevolge de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
f. aanspraken, die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel
e;
g. aanspraken op periodieke
uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon,
mits:
1°. deze aanspraken
voorzien in aan de werknemer of gewezen werknemer
toekomende periodieke uitkeringen die niet later ingaan
dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt
of in periodieke uitkeringen die bij zijn overlijden
ingaan en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen
echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie
geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat,
of aan zijn kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van
30 jaar nog niet hebben bereikt;
2°. voor deze aanspraken
als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, of de
natuurlijke persoon tot wie de werknemer in
dienstbetrekking staat of heeft gestaan; en
3°. deze aanspraken niet
zijn opgekomen ingevolge artikel 10a of artikel 19b;
h. aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
i. aanspraken op de in
onderdeel m bedoelde uitkeringen en verstrekkingen alsmede
vergoedingen en verstrekkingen ter zake van op de werknemer
drukkende uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie
met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning;
j. bedragen die worden
ingehouden:
1°. als bijdrage ingevolge
een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde
uittreding, met dien verstande dat bij een regeling voor
vervroegde uittreding de helft van deze bijdragen in
aanmerking wordt genomen;
2°. als premie bedoeld in
hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
3°. als bijdrage voor
aanspraken die ingevolge de onderdelen f en h niet tot het
loon behoren;
4°. in de plaats van
premies en bijdragen als bedoeld onder 2° en 3°;
5°. als bijdragen
ingevolge een levensloopregeling, volgens de bij of
krachtens hoofdstuk IIC gestelde normeringen en
beperkingen;
k. uitkeringen en
verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband
met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van
persoonlijke zaken;
l. [vervallen;]
m. eenmalige uitkeringen en
verstrekkingen ter zake van overlijden van de werknemer, zijn
partner in het kalenderjaar of in het voorafgaande
kalenderjaar – in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of zijn kinderen en pleegkinderen,
voorzover deze uitkeringen en verstrekkingen niet overtreffen
driemaal het loon over een maand bepaald met inachtneming van
bij ministeriële regeling te stellen regels;
n. uitkeringen en
verstrekkingen, andere dan die ter zake van ziekte,
invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden, die de
werknemer ontvangt uit een fonds tot welks middelen de
inhoudingsplichtige gedurende de laatstverlopen vijf
kalenderjaren evenveel of minder heeft bijgedragen dan de bij
het fonds betrokken werknemers, tenzij die uitkeringen en
verstrekkingen geschieden ingevolge een aanspraak die niet tot
het loon behoort;
o. een uitkering of
verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van
een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of
verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van
een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde
daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is
voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;
p. [vervallen;]
q. verstrekking en
terbeschikkingstelling van inrichting van de werkruimte in de
woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of
woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, de
aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, alsmede
vergoedingen van de kosten daarvan, voorzover de waarde in het
economische verkeer van die inrichting in het kalenderjaar en
de vier voorafgaande kalenderjaren niet meer bedraagt dan €
1815 en niet aannemelijk is dat zij niet mede dient ter
vervulling van de dienstbetrekking, mits:
1°. de werknemer krachtens
een schriftelijk vastgelegde regeling van de
inhoudingsplichtige dan wel van de inhoudingsplichtige en
een of meer andere inhoudingsplichtigen ten minste eenmaal
per week, gedurende de gebruikelijke werktijd en zonder
dat tevens wordt gereisd naar een buiten de woning gelegen
arbeidsplaats, in die werkruimte ter vervulling van de
dienstbetrekking pleegt te werken met behulp van
telematica; en
2°. de inrichting voldoet
aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; een
en ander met inachtneming van bij ministeriële regeling
te stellen nadere regels;
r. aanspraken:
1°. op vakantieverlof en
compensatieverlof, voorzover deze aanspraken aan het einde
van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de
arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig
weken;
2°. op bij ministeriële
regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;
3°. op verlof tijdens
rust- en feestdagen;
4°. ingevolge een
levensloopregeling;
s. hetgeen wordt genoten ter
zake van het verrichten van arbeid in de onderneming van de
partner van de werknemer, indien bij het bepalen van de winst
uit die onderneming de kosten en lasten die verband houden met
de vergoeding voor die arbeid op grond van artikel 3.16,
vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aftrek
komen;
t. verstrekking van een recht
op vervoer voorzover dat betrekking heeft op een periode van
ten hoogste 24 maanden, waarbij de financiering van dit
vervoer vanwege dreigende verkeershinder door wegwerkzaamheden
grotendeels door de overheid plaatsvindt.
2. Bij of krachtens ministeriële
regeling kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, worden bepaald dat eveneens niet tot het
loon behoren andere aanspraken dan bedoeld in het eerste lid,
indien zulks tot vergemakkelijking van de heffing van de belasting
kan leiden.
3. Voorzover de aanspraken op
vakantieverlof en compensatieverlof en de aanspraken ingevolge een
levensloopregeling aan het einde van het kalenderjaar in totaal de
in het eerste lid, onderdeel r, onder 1°, en de in artikel 19g,
eerste lid, onderdeel b, opgenomen begrenzingen overschrijden,
wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het
kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de
loop van het kalenderjaar eindigt.
4. Voor aanspraken op periodieke
uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, waarvan de
uitkeringen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de
gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, is de grootte van de
kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang.
Artikel 11a
1. Met aanspraken op periodieke
uitkeringen die dienen ter vervanging van gederfd of te derven
loon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, worden
gelijkgesteld de bedragen die ter vervanging van gederfd of te
derven loon door de inhoudingsplichtige zijn overgemaakt naar een
door de werknemer bij een kredietinstelling als omschreven in het
tweede lid aangehouden geblokkeerde rekening (stamrechtspaarrekening)
of die ter vervanging van gederfd of te derven loon door de
inhoudingsplichtige ten behoeve van de werknemer zijn overgemaakt
naar een beheerder van een beleggingsinstelling als omschreven in
dat lid, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van
deelneming in die instelling (stamrechtbeleggingsrecht), waarbij:
a. de met de overgemaakte
bedragen behaalde rendementen worden bijgeboekt op de
stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk worden aangewend ter
verkrijging van stamrechtbeleggingsrechten, en
b. het tegoed van de
stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het
stamrechtbeleggingsrecht, uitsluitend kan worden aangewend ter
verkrijging van een aanspraak op periodieke uitkeringen als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, dan wel
overeenkomstig de in het derde en vierde lid opgenomen
voorwaarden uitsluitend kan worden uitgekeerd in termijnen.
Met betrekking tot de door een
inhoudingsplichtige overgemaakte bedragen in vorenbedoelde zin, is
artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 20, niet van
toepassing.
2. Een kredietinstelling of
beheerder als bedoeld in het eerste lid is:
a. een financiële onderneming
die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van bank mag uitoefenen, mits deze onderneming de
verplichting ingevolge de stamrechtspaarrekening voor de
heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het
binnenlandse ondernemingsvermogen;
b. een financiële onderneming
aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet op het
financieel toezicht om in Nederland het bedrijf van
beleggingsinstelling uit te oefenen, en die is gevestigd in
Nederland;
c. een onderneming of
instelling die bevoegd als kredietinstelling of als beheerder
van een beleggingsinstelling optreedt, anders dan bedoeld in
onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, die door Onze
Minister, onder door hem bij algemene maatregel van bestuur te
stellen voorwaarden, is aangewezen en die zich tegenover Onze
Minister heeft verplicht:
1°. te voldoen aan
voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van
inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en
2°. zekerheid te stellen
voor de invordering van de belasting die is verschuldigd
door de toepassing van artikel 19b, achtste lid, dan wel
de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid
te stellen.
3. Voor zover het tegoed van de
stamrechtspaarrekening onderscheidenlijk de waarde van het
stamrechtbeleggingsrecht, niet is aangewend ter verkrijging van
een aanspraak op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, onderdeel g, dient het tegoed van de rekening,
onderscheidenlijk de waarde van het recht in termijnen met een
gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar te worden
uitgekeerd, waarbij de omvang van de termijnen vergelijkbaar is
met die bij vorenbedoelde periodieke uitkeringen. Voorts geldt
daarbij:
a. bij in leven zijn van de
werknemer of gewezen werknemer:
1°. dat de aan hem
toekomende uitkeringen niet later ingaan dan in het jaar
waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;
2°. dat de periode tussen
de eerste en de laatste uitkering ten minste het bij
ministeriële regeling vastgestelde aantal jaren bedraagt;
b. bij overlijden van de
werknemer of gewezen werknemer terwijl ingevolge onderdeel a
nog geen uitkeringen hebben plaatsgevonden:
1°. dat de uitkeringen
direct ingaan en worden uitgekeerd aan een of meer in de
overeenkomst betreffende de stamrechtspaarrekening,
onderscheidenlijk het stamrechtbeleggingsrecht, genoemde
personen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, onder 1°;
2°. dat de periode tussen
de eerste en de laatste uitkering ten minste het bij
ministeriële regeling vastgestelde aantal jaren bedraagt,
doch, ingeval de uitkeringen toekomen aan zijn kinderen of
pleegkinderen die ten tijde van het ontvangen van de
eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, het aantal jaren
nimmer meer bedraagt dan het aantal jaren dat de
gerechtigde jonger is dan 30 jaar.
4. Indien ingevolge het derde lid,
onderdelen a en b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de
uitkeringen overlijdt voor ontvangst van de laatste uitkering,
gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op de in
de overeenkomst betreffende de stamrechtspaarrekening,
onderscheidenlijk het stamrechtbeleggingsrecht, genoemde personen,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°.
5. Indien de gerechtigde tot de
uitkeringen overlijdt en het recht op de uitkeringen niet kan
overgaan op personen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, onder 1°, wordt op het onmiddellijk aan het
overlijden voorafgaande tijdstip het tegoed van de
stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het
stamrechtbeleggingsrecht, aangemerkt als loon uit een vroegere
dienstbetrekking van die gerechtigde tot de uitkeringen.
Artikel 11b
Tot het loon behoren voorts mede
niet:
a. een premie als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Wet werk en
bijstand, mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen
vergoeding is verstrekt als bedoeld in artikel 31, tweede lid,
onderdeel k, van de Wet werk en bijstand;
b. een vergoeding als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel k, van de Wet werk en
bijstand.
Artikel 11c
Bij de bepaling van de omvang van het
loon wordt geen rekening gehouden met de omstandigheid dat met
toepassing van artikel 34, tweede lid, of artikel 41 van de Wet
financiering sociale verzekeringen bedragen op de werknemer worden
verhaald.
Artikel 11d
[Door vernummering vervallen.]
Artikel 12
Bij ministeriële regeling kunnen, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels worden gesteld met betrekking tot het bedrag
aan fooien en dergelijke prestaties van derden, dat in bepaalde
gevallen of groepen van gevallen geacht wordt te zijn genoten.
Daarbij kan worden bepaald, dat een bedrag aan fooien en dergelijke
prestaties van derden niet tot het loon behoort.
Artikel 12a
1. Ten aanzien van de werknemer die
arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn
partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in een
kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op
€ 41 000 dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van
soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang
geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon
gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon. Indien aannemelijk is
dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een
aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer
een hoger loon gebruikelijk is, wordt het loon gesteld op een
zodanig bedrag dat het niet meer in belangrijke mate afwijkt van
hetgeen gebruikelijk is, met dien verstande dat – indien bij het
lichaam of daarmee verbonden lichamen ook andere werknemers in
dienst zijn – het niet lager wordt gesteld dan het hoogste loon
van de overige werknemers. Ingeval aannemelijk is dat het loon,
gelet op wat gebruikelijk is in het economische verkeer waarbij
een aanmerkelijk belang geen rol speelt, op een lager bedrag
behoort te worden gesteld dan het hoogste loon van de overige
werknemers wordt het, in afwijking in zoverre van de vorige
volzin, op een zodanig bedrag gesteld dat het niet meer in
belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. Het loon
wordt nimmer op een lager bedrag gesteld dan het bedrag ingevolge
de eerste volzin.
2. Indien artikel 32d van
toepassing is op het door een of meer lichamen verschuldigde loon,
wordt het eerste lid toegepast alsof de ten behoeve van deze
andere lichamen verrichte arbeid is verricht ten behoeve van de
inhoudingsplichtige die ingevolge artikel 32d geacht wordt het
loon te verstrekken.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het bij toepassing van het eerste en tweede lid
vast te stellen loon voor de arbeid in het lichaam, bedoeld in het
eerste lid, en – als het lichaam tot een concern behoort – de
tot hetzelfde concern behorende andere lichamen, in het
kalenderjaar niet hoger is dan € 5000.
4. Voor de toepassing van dit
artikel wordt verstaan onder:
a. partner: een in artikel
3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 5°, van
de Wet inkomstenbelasting 2001 aangeduide persoon;
b. een aanmerkelijk belang: een
aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting
2001.
5. Het in het eerste lid vermelde
bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële
regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door
het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de
tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en vervolgens de nodig geachte afronding
aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke
afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van
het niet-afgeronde bedrag.
Artikel 13
1. Niet in geld genoten loon wordt
in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat
voorzover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik
daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het
bedrag van de besparing.
2. De waarde van regelmatig bij het
loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken uit een publiekrechtelijke regeling of
collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesteld op 99% van de
nominale waarde van die bonnen of aanspraken.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels worden gesteld met betrekking tot de
waardering van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon.
4. De ingevolge de vorige leden in
aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat de
werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande
dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
Artikel 13a
1.Loon wordt beschouwd te zijn
genoten op het tijdstip waarop het:
a. betaald of verrekend wordt,
ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend
wordt, dan wel
b. vorderbaar en tevens inbaar
wordt.
2.Indien is overeengekomen dat het
loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal
worden genoten, wordt daarmee voor de toepassing van het eerste
lid geen rekening gehouden.
3.Voor zover ingevolge artikel 12a
het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, wordt het
meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar
of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het
kalenderjaar eindigt.
4.In afwijking van het eerste lid
wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste
aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het
einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo
deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.
Artikel 13bis
1. Indien ook voor
privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het
voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:
a. 25% van de waarde van de
auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het
eerst in gebruik is genomen;
b. 35% van de waarde van de
auto indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in
gebruik is genomen.
De auto wordt in ieder geval geacht
ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij
blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500
kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
2. Indien de auto wordt aangedreven
door een motor met compressieontsteking, wordt het voordeel,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, op kalenderjaarbasis
verlaagd met:
a. 11% van de waarde van de
auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 95 gram per
kilometer, en
b. 5% van de waarde van de auto
indien de CO2-uitstoot hoger is dan 95 gram per kilometer,
maar niet hoger is dan 116 gram per kilometer.
3. Indien de auto niet wordt
aangedreven door een motor met compressieontsteking, wordt het
voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, op
kalenderjaarbasis verlaagd met:
a. 11% van de waarde van de
auto indien de CO2-uitstoot niet hoger is dan 110 gram per
kilometer, en
b. 5% van de waarde van de auto
indien de CO2-uitstoot hoger is dan 110 gram per kilometer,
maar niet hoger is dan 140 gram per kilometer.
In afwijking van de eerste volzin
wordt het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot
1 januari 2015 op kalenderjaarbasis verlaagd met 25% van de waarde
van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is.
4. Indien uit een rittenregistratie
of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet
meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt,
wordt het voordeel gesteld op nihil.
5. Voor de toepassing van dit
artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto
verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3
van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of
inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te
zijn voor vervoer van goederen en met uitzondering van de
bestelauto die buiten de werktijd niet gebruikt kan worden of de
bestelauto waarvoor een verbod op privé-gebruik geldt. Van een
dergelijk verbod op privé-gebruik is sprake indien:
a. het verbod schriftelijk is
vastgelegd;
b. de inhoudingsplichtige de
vastlegging van het verbod bij de loonadministratie bewaart;
c. de inhoudingsplichtige
voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod, en
d. de inhoudingsplichtige een
passende sanctie oplegt indien het verbod wordt overtreden.
6. Voor de toepassing van dit
artikel is de CO2-uitstoot van een auto, de CO2-uitstoot gemeten
overeenkomstig richtlijn 80/1268/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het
brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375). Indien de
meting mede met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd, wordt
de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort
gehanteerd.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet
voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins
laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan
500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
8. Voor de toepassing van dit
artikel wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs
in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de
artikelen 9 tot en met 9c van genoemde wet. In afwijking in
zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer
dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen,
gesteld op de waarde in het economische verkeer.
9. Het voordeel wordt in aanmerking
genomen voorzover het uitgaat boven de vergoeding die de werknemer
voor het gebruik voor privé-doeleinden is verschuldigd.
10. Voor de toepassing van dit
artikel wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden
plaats te vinden.
11. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de loontijdvakken
waarin het in het eerste lid bedoelde voordeel in aanmerking wordt
genomen.
12. Indien de werknemer een
verklaring van de inspecteur overlegt waarin is vastgelegd dat de
werknemer aan de inspecteur heeft medegedeeld dat de hem ter
beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan
500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (verklaring
geen privé-gebruik), laat de inhoudingsplichtige inhouding van
belasting over het in het eerste lid bedoelde voordeel achterwege.
De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de
inhoudingsplichtige weet dat de in de eerste volzin bedoelde
mededeling niet juist is.
13. De werknemer kan een verzoek om
een verklaring geen privé-gebruik bij de inspecteur indienen. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
14. De inspecteur kan de verklaring
geen privé-gebruik, al dan niet op verzoek van de werknemer, bij
voor bezwaar vatbare beschikking intrekken, waarbij de intrekking
voor zover nodig terugwerkende kracht kan hebben. De werknemer is
gehouden een verzoek tot intrekking te doen zodra de auto op
kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor
privé-doeleinden wordt gebruikt.
15. In geval van een verklaring
geen privé-gebruik kan de inspecteur de werknemer op enig moment
verzoeken te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor
niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
16. Indien de verklaring geen
privé-gebruik wordt ingetrokken of indien de werknemer niet doet
blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500
kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt de
verschuldigde belasting, voorzover nodig in afwijking van artikel
20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
nageheven van de werknemer. In afwijking van de eerste volzin
wordt nageheven van de inhoudingsplichtige ingeval de
inhoudingsplichtige wist dat de mededeling, bedoeld in het
twaalfde lid, eerste volzin, niet juist was.
17. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
verklaring geen privé-gebruik.
18. De in het tweede en derde lid
vermelde CO2-uitstootgrenzen worden na afloop van iedere periode
van vier kalenderjaren van rechtswege vervangen door de grenzen
die krachtens artikel 10.7a van de Wet inkomstenbelasting 2001
worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 3.20 van die
wet vermelde grenzen.
19. Na vervanging van de
CO2-uitstootgrenzen in het tweede en derde lid op grond van het
achttiende lid, blijven met betrekking tot auto’s die volgens
het kentekenbewijs een datum van eerste toelating hebben van voor
deze vervanging, de tot deze vervanging voor deze auto’s
geldende begrenzingen van toepassing.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk IIA. Vrije vergoedingen en
verstrekkingen
Artikel 15
Vrije vergoedingen zijn:
a. vergoedingen voorzover zij
geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten,
lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking;
b. andere vergoedingen voorzover
zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als
beloningsvoordeel worden ervaren.
Artikel 15a
1.Tot de vrije vergoedingen behoren
vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van:
a. consumpties tijdens de
werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd;
ab. maaltijden waarbij het
zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is;
b. werkkleding, met
inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels;
c. vakliteratuur;
d. representatie ter
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, daaronder
begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten, giften,
relatiegeschenken en vermaak, met inbegrip van de
desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf;
e. cursussen, congressen,
seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke ter
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, met inbegrip
van de desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf;
f. muziekinstrumenten,
geluidsapparatuur, gereedschap, tekstverwerkers, schrijf- en
rekenmachines, alsmede beeldapparatuur, ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, met dien verstande dat bij
zaken met een kostprijs van € 450 of meer met een meerjarig
belang de afschrijving in aanmerking wordt genomen;
g. verhuizing, ter omvang van
de kosten van het overbrengen van de inboedel vermeerderd met
€ 7750;
h. op de werknemer drukkende
uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het
oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, met
uitzondering van vergoedingen:
1°. die verband houden met
een werk- of studeerruimte, daaronder begrepen de
inrichting;
2°. van binnenlandse
reizen voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het
bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid,
onderdeel a;
i. een recht op reizen per
openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast
traject ten behoeve van woon-werkverkeer, voorzover is voldaan
aan bij ministeriële regeling te stellen regels die mede
betrekking kunnen hebben op de mate waarin de vergoeding tot
de vrije vergoedingen behoort;
j. extra kosten van tijdelijk
verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale
kosten), met dien verstande dat voor bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een
inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking
worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder
daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van
kosten van verblijf buiten het land van herkomst – voor van
buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers
gedurende ten hoogste tien jaar – ten minste worden
beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten
hoogste 30 percent van het loon en de vergoeding voor
extraterritoriale kosten, alsmede tot het bedrag van de
daarbij aan te wijzen schoolgelden;
k. vaste vergoedingen ter zake
van vervoer die worden berekend op basis van ten hoogste €
0,19 per kilometer alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen
per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist
ingeval hij dat in het kalenderjaar ten minste op 128 dagen
doet en het vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig
of schip of met een ter beschikking gesteld vervoermiddel.
2.Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel g, kunnen bij ministeriële regeling regels worden
gesteld voor de beoordeling of in ieder geval in het kader van de
dienstbetrekking wordt verhuisd.
3.Als uitgaven voor het volgen van
een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen
uit werk en woning worden mede aangemerkt uitgaven ter zake van
het volgen van een procedure erkenning verworven competenties
waarvoor een verklaring is afgegeven door een bij ministeriële
regeling aangewezen instantie.
4.Indien de werknemer een
vierdaagse, een driedaagse, een tweedaagse of een eendaagse
werkweek heeft, worden de in het eerste lid, onderdeel k, genoemde
aantallen dagen vermenigvuldigd met viervijfde, drievijfde,
tweevijfde of een vijfde.
5.De in het eerste lid, onderdeel
k, genoemde aantallen dagen worden naar tijdsgelang herrekend bij:
a. de aanvang of het einde van
de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar;
b. een wijziging van de
reisafstand in de loop van het kalenderjaar;
c. het beëindigen van de
vergoeding in de loop van het kalenderjaar.
Artikel 15b
1.Tot de vrije vergoedingen behoren
niet vergoedingen ter zake van:
a. vervoer, waar onder
woon-werkverkeer, indien dat vervoer niet plaatsvindt per
taxi, luchtvaartuig, schip of ter beschikking gesteld
vervoermiddel, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan €
0,19 per kilometer en geen vergoeding is als bedoeld in
artikel 15a, eerste lid, onderdeel k;
b. [vervallen;]
c. onregelmatige diensten of
continudiensten voorzover de vergoeding betrekking heeft op
voeding, verlichting of verwarming in de woning, een duurzaam
aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van
artikel 1 van de Woningwet, de aanhorigheden daaronder
begrepen, van de werknemer;
d. bedrijfsfitness voorzover
niet is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen
regels;
e. werkruimte, de inrichting
daaronder begrepen, in de woning, een duurzaam aan een plaats
gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de
Woningwet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de
werknemer voorzover niet is voldaan aan bij ministeriële
regeling te stellen regels die mede betrekking hebben op de
mate waarin de vergoeding niet tot de vrije vergoedingen wordt
gerekend;
f. telefoon, internet en
dergelijke communicatiemiddelen – niet zijnde computers en
dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur –, tenzij
het zakelijke gebruik van meer dan bijkomstig belang is;
g. persoonlijke verzorging,
behoudens voorzover de werknemer optreedt als artiest of
presentator of als beroep een tak van sport beoefent;
h. personeelsverenigingen en
dergelijke, behoudens voorzover is voldaan aan bij
ministeriële regeling te stellen regels;
ha. personeelsreizen,
personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele
personeelsvoorzieningen, behoudens voorzover is voldaan aan
bij ministeriële regeling te stellen regels;
i. huisvesting buiten de
woonplaats ter zake van de dienstbetrekking voorzover de
vergoeding betrekking heeft op een periode van meer dan twee
jaar;
j. [vervallen;]
k. verschuldigde loonbelasting
en bij wijze van inhouding verschuldigde premie voor de
volksverzekeringen;
l. premies voor buitenlandse
verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de
volksverzekeringen, tenzij de werknemer premieplichtig is voor
de volksverzekeringen;
m. geldboeten opgelegd door een
Nederlandse strafrechter en geldsommen betaald aan de Staat
ter voorkoming van strafvervolging in Nederland of ter
voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot
gratieverlening, bestuurlijke boeten, geldboeten opgelegd op
basis van bij wet geregeld tuchtrecht, alsmede kosten als
bedoeld in artikel 234, zesde lid, en artikel 235, derde lid,
van de Gemeentewet;
n. misdrijven ter zake waarvan
de werknemer door een Nederlandse strafrechter bij
onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, daaronder begrepen
de misdrijven die zijn betrokken bij de bepaling van de hoogte
van de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar
Ministerie heeft verklaard te zullen afzien van vervolging;
o. misdrijven terzake waarvan
jegens de werknemer een onherroepelijk geworden
strafbeschikking is uitgevaardigd;
p. wapens en munitie, tenzij
terzake een erkenning, consent, vergunning, verlof of
ontheffing is verleend krachtens de Wet wapens en munitie;
q. dieren en categorieën van
dieren als bedoeld in de krachtens de artikelen 73 en 107 van
de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vastgestelde
Regeling agressieve dieren, tenzij terzake een dierenpaspoort
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van die
regeling is afgegeven;
r. parkeergelegenheid in of bij
de woning van de werknemer;
s. computers en dergelijke
apparatuur en bijbehorende apparatuur, die
1°. niet geheel en niet
nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden, of
2°. geheel of nagenoeg
geheel zakelijk gebruikt worden en een meerjarig belang en
een kostprijs hebben van € 450 of meer, voorzover de
vergoeding meer bedraagt dan de afschrijving.
2.Onder bestuurlijke boete als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel m, wordt verstaan: een door
een Nederlands bestuursorgaan bij beschikking opgelegde
onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die
is gericht op bestraffing van degene die een gedraging in strijd
met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
pleegt of medepleegt.
3.Vrije vergoedingen die verband
houden met een misdrijf, verstrekt in het loontijdvak waarin de
veroordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel o,
onherroepelijk is geworden dan wel waarin aan de gestelde
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel p, is voldaan,
in de daaraan voorafgaande loontijdvakken van het jaar of in een
of meer van de vijf daaraan voorafgaande jaren, worden op het
tijdstip van het onherroepelijk worden van de veroordeling,
respectievelijk het voldoen aan de gestelde voorwaarden, alsnog
als loon in aanmerking genomen.
Artikel 15c
Bij ministeriële regeling, in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kan, in aanvulling op de artikelen 15, 15a en 15b
en zonodig onder het aanbrengen van normeringen en beperkingen en
het stellen van voorwaarden, worden bepaald dat vergoedingen die
naar algemene maatschappelijke opvattingen wel of niet als loon
worden ervaren, niet respectievelijk wel tot de vrije vergoedingen
worden gerekend.
Artikel 15d
Vaste vergoedingen zijn geen vrije
vergoedingen voorzover niet is voldaan aan bij ministeriële
regeling te stellen regels.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 16a
1.Als vrije vergoeding ter zake van
vervoer per openbaar vervoer geldt ten hoogste de prijs van de
vervoerbewijzen voor de per openbaar vervoer afgelegde
reisafstand, indien de werknemer de vervoerbewijzen ter vergoeding
overhandigt of zo spoedig mogelijk zal overhandigen aan de
inhoudingsplichtige.
2.Het eerste lid is slechts van
toepassing indien de vergoeding niet als vrije vergoeding in de
zin van artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking wordt
genomen.
Artikel 16b [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 16c [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 17
1.Vrije verstrekkingen zijn:
a. verstrekkingen voorzover zij
geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten,
lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking;
b. andere verstrekkingen
voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet
als beloningsvoordeel worden ervaren.
2.De artikelen 15a tot en met
16aHYPERLINK \l "HoofdstukIIA/Artikel16c" zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Bijdragen van de werknemer aan
vrije verstrekkingen komen niet in mindering op het loon.
Artikel 17a
1.Tot de vrije verstrekkingen
behoren verstrekkingen, in redelijkheid, ter zake van:
a. woon-werkverkeer in de vorm
van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige;
b. parkeergelegenheid bij de
plaats van werkzaamheden, indien er geen sprake is van
parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b, eerste lid,
onderdeel r;
c. algemeen erkende feestdagen
en het Sint-Nicolaasfeest, een jubileum van de
inhoudingsplichtige, een dienstjubileum en de verjaardag en
andere persoonlijke feestdagen van de werknemer, alsmede het
einde van de dienstbetrekking, mits de verstrekkingen een in
hoofdzaak ideële waarde hebben.
2.Onder vervoer vanwege de
inhoudingsplichtige wordt verstaan:
1°. vanwege de
inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;
2°. het reizen per openbaar
vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte
en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.
Hoofdstuk IIB. Pensioenregelingen
Artikel 18
1.Onder pensioenregeling wordt
verstaan een regeling:
a. die uitsluitend of, met het
oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, nagenoeg
uitsluitend ten doel heeft het treffen van:
1°. een levenslange
inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en
gewezen werknemers (ouderdomspensioen);
2°. een
inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun
echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel van degenen
met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren
of hebben gevoerd en met wie geen bloed- of
aanverwantschap in de eerste graad bestaat
(partnerpensioen);
3°. een
inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun
kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog
niet hebben bereikt (wezenpensioen);
4°. een
inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die
langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven
hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet
worden geacht (arbeidsongeschiktheidspensioen), en
b. waarin is bepaald dat de
aanspraken ingevolge de regeling niet kunnen worden afgekocht,
vervreemd of prijsgegeven, dan wel formeel of feitelijk
voorwerp van zekerheid kunnen worden, anders dan in de
gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioenwet;
c. waarvan als verzekeraar
optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid;
een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of
krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen.
2.Onder pensioenregeling wordt mede
verstaan een regeling die:
a. het ouderdomspensioen na het
bereiken van veertig deelnemingsjaren aanvult
(40-deelnemingsjarenpensioen);
b. het partnerpensioen dan wel
het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van
uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het
verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen
over het pensioen voor en na de 65-jarige leeftijd (nabestaandenoverbruggingspensioen).
3.Ingeval een regeling voldoet aan
de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen
de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen, is de
regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft
binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen. De
inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste
moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te
stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen
die begrenzingen. Bij toepassing van de eerste volzin geeft de
inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de
regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij
ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot
het loon van de werknemer behoort. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 18a
1. Een op een eindloonstelsel
gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan
2 percent van het pensioengevend loon.
2. Een op een middelloonstelsel
gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan
2,25 percent van het pensioengevend loon.
3. Een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt
tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35
jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het
pensioengevend loon op dat tijdstip. De beschikbare premie wordt
ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende
uitgangspunten:
a. de beschikbare premie wordt
actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste
vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de
klasse;
b. als loopbaanontwikkeling
wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar
gedurende de jaren voor het bereiken van de 35-jarige
leeftijd, van twee percent per jaar gedurende de tien
daaropvolgende jaren, van een percent per jaar gedurende de
tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige
jaren;
c. bij de berekening wordt een
rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent
en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld.
4. Een ouderdomspensioen gaat niet
later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen:
1°. ingeval de
dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling
vastgestelde ingangsdatum: de vastgestelde ingangsdatum, dan
wel op het vroegste van de tijdstippen, bedoeld onder 3°, 4°
en 5°;
2°. ingeval de
dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling
vastgestelde ingangsdatum: het tijdstip waarop de
dienstbetrekking eindigt;
3°. ingeval het
ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt
te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de
65-jarige leeftijd heeft bereikt: het tijdstip waarop hij de
65-jarige leeftijd bereikt;
4°. ingeval het
ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt
te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of
gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt: het
tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt;
5°. het tijdstip waarop de
werknemer de 70-jarige leeftijd bereikt.
5. Ingeval het ouderdomspensioen
later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde
ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd
overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel, met inbegrip
van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde
actuariële grondslagen, doch niet verder dan tot 100 percent van
het pensioengevend loon.
6. Indien het ouderdomspensioen
eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt
het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de
pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming
van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
7. Een ouderdomspensioen gaat niet
uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip
van ingang.
8.
a. De in deze wet met
betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima
worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een
bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of
ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat
jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag
als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en zesde
lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
vakantietoeslag. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat een lager bedrag in aanmerking
kan worden genomen dan het in de eerste volzin bedoelde bedrag
indien een lager percentage per dienstjaar wordt toegepast dan
de in het eerste tot en met derde lid bedoelde percentages.
b. Voor het partnerpensioen kan
het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 70% in aanmerking
worden genomen.
c. Voor het wezenpensioen kan
het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14% en voor volle
wezen voor 28% in aanmerking worden genomen.
9. Met betrekking tot een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld
in het derde lid vindt, in afwijking van het vierde lid, onder 3°
en 4°, de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde
begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het
eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het
pensioen. Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt
overschreden, zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering
ineens. De uitkering ineens dan wel, indien uitkering niet
plaatsvindt, het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd, wordt
aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de
werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het
pensioen. Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is
voor de Algemene Ouderdomswet wordt, in afwijking van de artikelen
20a, 20b en 26, de verschuldigde belasting over de uitkering
onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd,
gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de
Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een
persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens
in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer.
10. Ingeval de werknemer voor het
tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands
belastingplichtige te zijn, wordt in het negende lid voor het
tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van
het pensioen steeds gelezen: het tijdstip onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands
belastingplichtige te zijn.
Artikel 18b
1.Een op een eindloonstelsel
gebaseerd partnerpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 1,4 percent van het pensioengevend loon
of bereikbare pensioengevend loon.
2.Een op een middelloonstelsel
gebaseerd partnerpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 1,58 percent van het pensioengevend loon
of bereikbaar pensioengevend loon.
3.Voor een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd partnerpensioen is artikel
18a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.Ingeval in de pensioenregeling is
rekening gehouden met:
1°. een bepaalde partner,
wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die partner;
2°. een onbepaalde partner,
wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer
en de partner van ten hoogste drie jaren.
5.Voor de toepassing van dit
artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet
in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou
ingaan, ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon
in aanmerking genomen. Onder ontbrekende dienstjaren worden
verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer
tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. Onder
bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend
loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde
loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.
6.Een partnerpensioen gaat in
onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen
werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
7.Een partnerpensioen gaat niet uit
boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar
pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.
8.Voor de toepassing van het
zevende lid is artikel 18a, negende lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 18c
1.Een op een eindloonstelsel
gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 0,28 percent van het pensioengevend loon
of bereikbaar pensioengevend loon.
2.Een op een middelloonstelsel
gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend
dienstjaar niet meer dan 0,32 percent van het pensioengevend loon
of bereikbaar pensioengevend loon.
3.Voor een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.Een wezenpensioen gaat in
onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen
werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
5.Een wezenpensioen gaat op het
tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het
pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.
6.Voor volle wezen worden de in de
vorige leden genoemde percentages verdubbeld.
7.Voor de toepassing van het vijfde
en het zesde lid is artikel 18a, negende lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 18d
1.In afwijking in zoverre van de
artikelen 18a, 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen, een
partnerpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van:
a. aanpassing van het pensioen
aan loon- of prijsontwikkeling;
b. variatie in de hoogte van de
uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt
dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van
variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt
vastgesteld;
c. waardeoverdracht van
pensioenaanspraken;
d. gehele of gedeeltelijke
onderlinge ruil van partnerpensioen, wezenpensioen en
ouderdomspensioen, mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum
van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde
actuariële grondslagen.
2.Door ruil als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, ontstane verlies aan pensioen kan niet
worden gecompenseerd en het partnerpensioen en het wezenpensioen
kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent
onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend
loon.
3.Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel b, blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van
het pensioen en het bereiken van de 65-jarige leeftijd, van de
uitkering buiten aanmerking een bedrag dat gelijk is aan tweemaal
de voor die jaren geldende uitkeringen voor gehuwde personen
zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, en zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
vakantietoeslag. De eerste volzin is onverminderd van toepassing
bij dienstbetrekkingen in deeltijd.
Artikel 18e
1.Een 40-deelnemingsjarenpensioen
is een levenslang pensioen dat:
a. ingaat op hetzelfde tijdstip
als het ouderdomspensioen;
b. met inbegrip van het
ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 70% van het
pensioengevend loon ingeval het ouderdomspensioen ingaat bij
het bereiken van de 63-jarige leeftijd;
c. niet eerder wordt opgebouwd
dan vanaf het tijdstip waarop de werknemer 40 deelnemingsjaren
heeft bereikt.
2.Ingeval het
40-deelnemingsjarenpensioen later ingaat dan bij het bereiken van
de 63-jarige leeftijd mag het 40-deelnemingsjarenpensioen na het
bereiken van die leeftijd met inachtneming van algemeen aanvaarde
actuariële grondslagen worden verhoogd.
3.Ingeval het
40-deelnemingsjarenpensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van
de 63-jarige leeftijd wordt het 40-deelnemingsjarenpensioen met
inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen
herrekend ten opzichte van die leeftijd.
4.De artikelen 18a, negende lid, en
18d zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
door de overeenkomstige toepassing van artikel 18d, eerste lid,
onderdeel d, een 40-deelnemingsjarenpensioen met inbegrip van het
ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 100% van het laatste
pensioengevend loon.
5.Het in het eerste lid opgenomen
maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 65-jarige
leeftijd opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt
gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als
omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en zesde lid,
van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.
Artikel 18f
Een nabestaandenoverbruggingspensioen
is een pensioen dat:
a. ingaat onmiddellijk na het
overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel
onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij
het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
b. toekomt aan degene voor wie
een regeling voor partnerpensioen of wezenpensioen is getroffen
of had kunnen worden getroffen;
c. niet meer bedraagt dan het
gezamenlijke bedrag van 8/7 maal de nominale uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, en het verschil in verschuldigde premie voor
de volksverzekeringen over het partnerpensioen voor en na de
65-jarige leeftijd.
Artikel 18g
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel
deelnemingsjaren, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c en 18e.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
pensioengevend loon, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d en
18e, ter zake van:
a. de loonbestanddelen die
daarin worden opgenomen;
b. de loonbestanddelen waarover
de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het
eindloonstelsel dient plaats te vinden;
c. de situatie waarin de
werknemer aan het eind van zijn loopbaan terugtreedt naar een
lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn
daaraan voorafgaande functie;
d. de situatie waarin het loon
wordt verlaagd in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid
van de werknemer.
Artikel 18h
1. In afwijking in zoverre van het
overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling
waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdelen d of e, als verzekeraar optreedt, een
pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met
18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen
in collectieve regelingen gangbaar is.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als
bedoeld in het eerste lid gangbaar is. In afwijking daarvan kan
worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid, aangegeven in
artikel 18a, eerste lid, onverkort van toepassing is.
Artikel 18i [Vervallen per
01-01-2005]
Artikel 19
Met betrekking tot diensttijd waarin
het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen
gebruikelijk is, kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen
aanspraken op een pensioenregeling ontstaan als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 19a
1. Als verzekeraar van een pensioen
als bedoeld in artikel 18 kan optreden:
a. een lichaam dat ingevolge
artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting;
b. een verzekeraar als bedoeld
in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, mits
deze de pensioenverplichting voor de heffing van de
vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen;
c. een niet in Nederland
gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het
levensverzekeringsbedrijf uitoefent, mits het pensioen de
voortzetting is van een pensioen dat reeds was verzekerd bij
die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen
werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een
dienstbetrekking vervulde;
d. een ander lichaam dan
bedoeld in de onderdelen a , b en c , dat in Nederland is
gevestigd, de pensioenverplichting voor de heffing van de
vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid
gestelde voorwaarden;
e. een ander lichaam dan
bedoeld in de onderdelen a, b, c en d, dat:
1°. in een andere lidstaat
van de Europese Unie is gevestigd of in een bij
ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
2°. de
pensioenverplichting rekent tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen van de onder 1° bedoelde lidstaat
onderscheidenlijk staat;
3°. aannemelijk maakt dat
het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst
die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële
heffing;
4°. voldoet aan de in het
tweede lid gestelde voorwaarden;
5°. door de inspecteur,
onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, is
aangewezen en zich tegenover de inspecteur heeft verplicht
te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het
verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de
regeling en de winstbepaling van het lichaam, en
6°. ingevolge een
overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid heeft
aanvaard voor de belasting die wordt verschuldigd door
toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83, eerste of
tweede lid, of artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid,
of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001.
f. een pensioenfonds of lichaam
dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan
bedoeld in de onderdelen a, b en c, dat door Onze Minister,
onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en dat
zich tegenover Onze Minister heeft verplicht:
1°. te voldoen aan
voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van
inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en
2°. zekerheid te stellen
voor de invordering van de belasting die is verschuldigd
door toepassing van artikel 19b, ofwel artikel 3.83,
eerste of tweede lid, artikel 3.136, derde, vierde of
vijfde lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, dan wel de werknemer of gewezen
werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen.
2. Het lichaam, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen d en e, kan slechts als verzekeraar van een
pensioen optreden ter uitvoering van een pensioenovereenkomst die
door dat lichaam is gesloten met een directeur-grootaandeelhouder,
dan wel ter uitvoering van een in dat lichaam ondergebrachte
pensioenovereenkomst van een directeur-grootaandeelhouder en diens
werkgever, waarbij het begrip directeur-grootaandeelhouder wordt
opgevat overeenkomstig artikel 1 van de Pensioenwet. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de toepassing van de eerste volzin.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste
lid, onderdelen e en f, bedoelde aanwijzing.
Artikel 19b
1. Ingeval op enig tijdstip:
a. een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;
b. een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel
of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve
van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid,
van de Invorderingswet 1990, wordt;
c. een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam
als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan
wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt
prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor
verwezenlijking vatbaar is;
d. de zekerheidstelling wordt
beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich
op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft
verplicht deze zekerheid te stellen;
wordt op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een
vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer
dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de
aanspraak.
2. Ingeval een verplichting
ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op
een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling
geacht te worden afgekocht. De eerste volzin is niet van
toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling
geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar als bedoeld
in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, mits deze
overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de
artikelen 70 tot en met 91 van de Pensioenwet. Met betrekking tot
een verplichting die is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, wordt onder een
overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan
herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader
van scheiding van tafel en bed, echtscheiding of beëindiging van
samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling geheel of
gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot
onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in
een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of
gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen
partner, waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de
toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van
de aanspraak op een pensioenregeling van de werknemer of gewezen
werknemer.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde
uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel
66, 67 of 68 van de Pensioenwet.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing bij een vervreemding als bedoeld in artikel 57, vijfde
lid, van de Pensioenwet alsmede bij een vermindering als bedoeld
in artikel 134, eerste lid, van die wet.
6. Onze Minister kan, zo nodig
onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat het tweede lid,
eerste volzin, niet van toepassing is indien de verplichting
ingevolge een pensioenregeling overgaat op een niet in Nederland
gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf
uitoefent , anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid,
onderdeel f, zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een
pensioenregeling in het kader van de aanvaarding van een
dienstbetrekking buiten Nederland. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de
verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds
van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding
van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland.
7. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel a, wordt een aanspraak op een
pensioenregeling mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval
op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden
gesteld ingevolge het zesde lid of artikel 19d.
8. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op
periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, en stamrechtspaarrekeningen en
stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a.
Artikel 19c
1.Op verzoek van de
inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van
de artikelen 18 tot en met 18h. Het verzoek wordt gedaan voordat
de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.
2.Indien een zodanig verzoek is
gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de
regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling –
onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling
– wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige
pensioenregeling is, wordt de regeling geacht met terugwerkende
kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te
zijn. De vorige volzin is niet van toepassing op
pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h.
Artikel 19d
Onze Minister kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afwijkingen
toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde
door regelingen of groepen van regelingen, niet zijnde een regeling
als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, aan te wijzen als
pensioenregeling indien het een regeling betreft:
a. die op bepaalde onderdelen
niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of
krachtens dit hoofdstuk bepaalde, mits het belang van de
afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op
andere onderdelen;
b. voor gemoedsbezwaarden met een
ontheffing als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering
sociale verzekeringen, die dient ter vervanging van een
pensioenregeling;
c. voor een tijdelijk in
Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet
aan artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, mits de opbouw van het pensioen
ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet
en het pensioen reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of
lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen c of
f, in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde
of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde.
Zo nodig kunnen aanvullende
voorwaarden worden gesteld.
Artikel 19e [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 19f
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van
dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende
pensioenstelsels.
Hoofdstuk IIC. Levensloopregeling
Artikel 19g
1. Onder levensloopregeling wordt
verstaan een regeling die:
a. ten doel heeft het treffen
van een voorziening in geld uitsluitend voor een periode van
extra verlof;
b. inhoudt dat een voorziening
in geld kan worden opgebouwd, met dien verstande dat in het
kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met
12 percent van het loon van het jaar en voorzover de totale
aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het
kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra
verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan.
2. Over de ingevolge een
levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten
behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat, tezamen met het
daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon, niet uitgaat
boven het laatstgenoten loon.
3. Het ingevolge een
levensloopregeling ingehouden loon wordt overgemaakt naar een
geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling, als premie
gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van
een levensloopregeling, dan wel overgemaakt naar de beheerder van
een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer
geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling.
4. Als kredietinstelling,
onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een
beleggingsinstelling als bedoeld in het derde lid kunnen optreden:
a. financiële ondernemingen
die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van bank mogen uitoefenen, mits zij de
verplichtingen ingevolge de levensloopregeling voor de heffing
van de vennootschapsbelasting rekenen tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen;
b. financiële ondernemingen
die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van verzekeraar mogen uitoefenen, mits zij de
verplichtingen ingevolge de levensloopregeling rekenen tot het
binnenlandse ondernemingsvermogen;
c. financiële ondernemingen
aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet op het
financieel toezicht om in Nederland het bedrijf van
beleggingsinstelling uit te oefenen, en die zijn gevestigd in
Nederland;
d. een ander lichaam dan
bedoeld in de onderdelen a, b en c dat voldoet aan door onze
Minister te stellen voorwaarden.
5. Een werknemer kan in een
kalenderjaar niet zowel een voorziening ingevolge een
levensloopregeling opbouwen als sparen ingevolge een
spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32.
6. Indien op enig tijdstip:
a. een levensloopregeling niet
langer als zodanig is aan te merken, of
b. een aanspraak ingevolge een
levensloopregeling wordt afgekocht of vervreemd, of
c. de inhoudingsplichtige aan
de werknemer een bijdrage ten behoeve van de
levensloopregeling verstrekt, terwijl hij niet in dezelfde
mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in
dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage verstrekt, of de
bijdrage onder voorwaarden verstrekt met betrekking tot het
moment van beschikken over de opgebouwde voorziening, wordt op
het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak
ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit een
vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen
werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de
gerechtigde tot de aanspraak.
7. Het zesde lid is niet van
toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een
levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of
krachtens hoofdstuk IIB gestelde begrenzingen.
8. De ingevolge de
levensloopregeling opgebouwde voorziening wordt op de dag
voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de 65-jarige leeftijd
heeft bereikt, maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan
van het ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere
dienstbetrekking van de werknemer.
9. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Hoofdstuk III. Tarief
Artikel 20
1.De over een loontijdvak van een
jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het
kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd
met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting.
2.Het bedrag van de heffingskorting
voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de
verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar.
Artikel 20a
1. De belasting over een
loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de
navolgende tabel (tarieftabel).
|
Bij een
belastbaar loon van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon
dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 18 218 |
– |
2,30% |
|
€ 18 218 |
€ 32 738 |
€ 419 |
10,80% |
|
€ 32 738 |
€ 54 367 |
€ 1 987 |
42% |
|
€ 54 367 |
– |
€ 11 071 |
52% |
2. De in het eerste lid vermelde
bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van
rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1
van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter
vervanging van de in artikel 2.10 van die wet vermelde bedragen.
Artikel 20b
1. In afwijking van artikel 20a,
eerste lid, wordt indien de werknemer vóór 1 januari 1946 is
geboren, de belasting over een loontijdvak van een jaar bepaald
aan de hand van de volgende tabel (tarieftabel voor werknemers
geboren vóór 1 januari 1946).
|
Bij een
belastbaar loon van meer dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon
dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 18 218 |
– |
2,30% |
|
€ 18 218 |
€ 32 738 |
€ 419 |
10,80% |
|
€ 32 738 |
€ 54 367 |
€ 1 987 |
42% |
|
€ 54 367 |
– |
€ 11 071 |
52% |
2. De in het eerste lid vermelde
bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van
rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1
van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter
vervanging van de in artikel 2.10a van die wet vermelde
bedragen.
Artikel 21
In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. belastingtarief eerste schijf:
het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in
artikel 20a opgenomen percentage;
b. gecombineerd
heffingspercentage: de som van het belastingtarief eerste schijf
en de volgens artikel 11 van de Wet financiering sociale
verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene
ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten.
Artikel 21a
De heffingskorting voor de
loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat
tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als
het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde
heffingspercentage.
Artikel 21b
Bij de toepassing van artikel 21a op
het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de
ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting betrekking heeft,
wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het
volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde
premiepercentage.
Artikel 21c
De standaardloonheffingskorting is
het gezamenlijke bedrag van:
a. de algemene heffingskorting
(artikel 22);
b. de arbeidskorting (artikel
22a);
c. de jonggehandicaptenkorting
(artikel 22aa);
d. de ouderenkorting (artikel
22b);
e. de alleenstaande
ouderenkorting (artikel 22c) en
f. de levensloopverlofkorting
(artikel 22ca).
Artikel 22
1. Voor de werknemer is de algemene
heffingskorting van toepassing.
2. De algemene heffingskorting
bedraagt € 2044.
Artikel 22a
1. Voor de werknemer die loon uit
tegenwoordige arbeid geniet, is de arbeidskorting van toepassing.
2. De arbeidskorting wordt berekend
over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt:
a. 1,737% van dat loon met een
maximum van € 157, vermeerderd met:
b. 11,888% van dat loon
voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt
dan € 9041, waarbij de som van de bedragen berekend op de
voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 1489,
en verminderd met:
c. 1,25% van dat loon voorzover
dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 43
385, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste €56
bedraagt.
3. In afwijking van het tweede lid,
wordt:
a. ingeval de werknemer bij het
begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft
bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage en
het laatstvermelde bedrag, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, vervangen door 14,235%, onderscheidenlijk door
€ 1752;
b. ingeval de werknemer bij het
begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft
bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage en
het laatstvermelde bedrag, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, vervangen door 16,555%, onderscheidenlijk door
€ 2012;
c. ingeval de werknemer bij het
begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft
bereikt, het percentage en het laatstvermelde bedrag, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel b, vervangen door 18,884%,
onderscheidenlijk door € 2273.
4. Met loon uit tegenwoordige
arbeid worden gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens
tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
b. uitkeringen op grond van de
Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie
de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
5. Loon genoten wegens tijdelijke
arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen of
inkomensvoorzieningen op grond van:
a. de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
b. de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
d. de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
e. buitenlandse
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking
overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de
onderdelen a, b, c en d.
6. Niet als loon uit tegenwoordige
arbeid wordt aangemerkt het bedrag waarover met toepassing van
artikel 19g, tweede lid, wordt beschikt door een werknemer die bij
het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft
bereikt.
Artikel 22aa
1. Voor de werknemer die een
uitkering geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond
van die wet, is de jonggehandicaptenkorting van toepassing. De
korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer
die ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch welke uitkering ingevolge
artikel 3:48, 3:50 of 3:51 van die wet niet wordt betaald.
2. De jonggehandicaptenkorting
bedraagt € 691.
Artikel 22b
1. Voor de werknemer die de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op
jaarbasis niet meer bedraagt dan € 34 649 is de ouderenkorting
van toepassing.
2. De ouderenkorting bedraagt €
684.
Artikel 22c
1. Voor de werknemer die een
uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of
onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet geniet, is de
alleenstaande ouderenkorting van toepassing.
2. De alleenstaande ouderenkorting
bedraagt € 418.
Artikel 22ca
1. Voor de werknemer die beschikt
over een ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel
19g opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting van
toepassing. Voor de werknemer die met toepassing van artikel 19g,
zesde lid, beschikt over de opgebouwde voorziening is de
levensloopverlofkorting niet van toepassing.
2. De levensloopverlofkorting is
gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g
wordt beschikt, maar ten hoogste € 199 per kalenderjaar waarin
een voorziening in het kader van een levensloopregeling is
opgebouwd, verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting
die de werknemer in voorafgaande loontijdvakken reeds heeft
genoten.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 22d
De in de artikelen 22, 22a, 22aa,
22b, 22c en 22ca vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde
percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege
vervangen door de bedragen die, en het percentage dat, krachtens de
artikelen 10.1 en 10.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden
vastgesteld ter vervanging van de in de artikelen 8.10, 8.11, 8.16a,
8.17, 8.18 en 8.18a van die wet vermelde bedragen en de in artikel
8.11 van die wet vermelde percentages.
Artikel 23
1. Indien de werknemer over
loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet
uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan
wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de
berekening van de belasting niet wordt samengevoegd, kan de
werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een
dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend
maken.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt door de werknemer, die een uitkering of inkomensvoorziening
geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, het deel van de heffingskorting dat betrekking
heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de
inhoudingsplichtige die de uitkering of inkomensvoorziening op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
uitbetaalt.
Artikel 24
Voor de toepassing van de artikelen
21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting
is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet
worden ingehouden, met dien verstande dat voor de ouderenkorting en
de alleenstaande ouderenkorting beslissend is de toestand aan het
einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden
ingehouden.
Artikel 25
1.Loontijdvak is het tijdvak
waarover het loon wordt genoten. Het bedrag van de belasting over
een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald.
Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen, een maand op 65/3
dag, een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag
op een dag gesteld.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken
waarvoor Onze Minister dit nodig acht. In deze tabellen wordt de
heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt
dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of
belastingpercentage is vermeld. In deze tabellen kan de verwerking
van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden
gelaten en kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening
worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden
belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in
artikel 26. Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen
en afrondingen worden aangebracht.
3.De loonbelastingtabellen worden
vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die
vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding
van de tabellen. Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken
van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van
inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens
andere tabellen zouden zijn vastgesteld, worden bij ministeriële
regeling nieuwe tabellen vastgesteld, ingaande ten hoogste zes
maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van
inwerkingtreding, waarin de in de verstreken loontijdvakken
ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken
loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt.
4.In afwijking van het eerste lid
wordt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt
genoten, deel uitmaakt, als loontijdvak aangemerkt ten aanzien
van:
1°. de werknemer die doorgaans
op minder dan vijf dagen per week werkzaam is;
2°. de werknemer wiens loon
mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het
loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van
daarmee overeenkomende aanspraken, en
3°. de loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot
een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt
en die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen
heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als
loontijdvak wordt aangemerkt.
Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste volzin.
Artikel 26
1.Tantièmes, gratificaties en
andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per
jaar worden toegekend, worden belast volgens loonbelastingtabellen
voor bijzondere beloningen die bij ministeriële regeling worden
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 25, tweede
en derde lid, met dien verstande dat in deze tabellen jaarlonen en
belastingpercentages worden opgenomen en geen rekening wordt
gehouden met de arbeidskorting.
2.Indien dit niet tot een hoger
belastingbedrag leidt, mogen de in het eerste lid bedoelde
beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan het loon over
het loontijdvak waarin zij worden uitbetaald.
3.Overwerkloon mag worden belast
naar het percentage dat wordt aangewezen door de
loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen.
4.Als jaarloon geldt voor de
toepassing van dit artikel:
a. ingeval de werknemer over
het gehele voorafgaande kalenderjaar van de
inhoudingsplichtige loon heeft genoten: het in dat jaar
genoten loon;
b. ingeval de werknemer over
een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar van de
inhoudingsplichtige loon heeft genoten: het tot een jaarloon
herleide bedrag van het in dat jaar genoten loon;
c. in andere gevallen: het in
het kalenderjaar te genieten loon, indien over het gehele jaar
van de inhoudingsplichtige loon zou worden genoten.
5.Als overwerkloon gelden voor de
toepassing van dit artikel de beloningen ter zake van arbeid welke
wordt verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor de
werknemer geldende normale arbeidsduur.
6.Voor het geval de werknemer
binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van
artikel 27e van inhoudingsplichtige is gewisseld, kunnen voor de
toepassing van het vierde lid bij ministeriële regeling
aanvullende bepalingen worden gesteld.
Artikel 26a [Vervallen per
01-01-2001]
Artikel 26b
In afwijking van de artikelen 20,
20a, 20b en 26 bedraagt de belasting 52% van het loon ingeval:
a. de werknemer zijn naam, adres,
woonplaats of burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
zijn sociaal-fiscaalnummer niet aan de inhoudingsplichtige heeft
verstrekt;
b. bij een werknemer die loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking geniet, de inhoudingsplichtige
zijn identiteit niet heeft vastgesteld en opgenomen in de
loonadministratie overeenkomstig artikel 28, onderdeel e;
c. bij een werknemer die loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking geniet, vreemdeling is in de zin
van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie
werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal
recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een
geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een
geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
vreemdelingen, de inhoudingsplichtige zijn verblijfsrechtelijke
positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft
vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig
artikel 28, onderdeel e;
d. de werknemer ter zake van de
in de onderdelen a tot en met c bedoelde inlichtingen onjuiste
gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of
redelijkerwijs moet weten.
De eerste volzin, aanhef en onder
c, is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden
verrichten in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden, niet in
Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland
vervullen.
Indien de belasting ingevolge artikel
27b, eerste lid, in één bedrag met de premie voor de
volksverzekeringen wordt geheven, wordt in afwijking in zoverre van
de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting te zamen
met het bedrag van de verschuldigde premie voor de
volksverzekeringen gesteld op 52% van het loon.
Artikel 26c [Vervallen per
01-01-2001]
Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
Artikel 27
1.De belasting wordt geheven door
inhouding op het loon.
2.De inhoudingsplichtige is
verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het
loon wordt genoten.
3.De inhouding vindt plaats volgens
de op het tijdstip van inhouding voor de werknemer geldende
loonbelastingtabel.
4.Overtreft de belasting het van de
inhoudingsplichtige genoten loon in geld, dan wordt het
ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het tweede lid
omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige
bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de werknemer.
Ingeval het artikel 27b, eerste lid
toepassing vindt, is de vorige volzin van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de
belasting en de premie voor de volksverzekeringen.
5.De inhoudingsplichtige is
verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te
dragen.
Artikel 27bis
In afwijking van artikel 27 kan de
overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde
gedragslijn in de maand januari van het kalenderjaar gedane
inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer
loontijdvakken binnen het voorgaande kalenderjaar toekomt, worden
begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het voorgaande
kalenderjaar. Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft, wordt
voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het
desbetreffende loontijdvak.
Artikel 27a
1.In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de belasting
over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven
van de inhoudingsplichtige.
2.De heffing over
eindheffingsbestanddelen, met uitzondering van de aan naheffing
onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel a, geschiedt als ware de door de
inhoudingsplichtige in een tijdvak verschuldigde belasting door
hem op aangifte af te dragen belasting.
Artikel 27b
1.Indien de werknemer ook
premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing
van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één
bedrag dan wel in één percentage, met overeenkomstige toepassing
van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de
loonbelasting.
2.Voor gevallen waarin het eerste
lid toepassing vindt, worden, met overeenkomstige toepassing van
artikel 25, bij ministeriële regeling tabellen vastgesteld waarin
telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in
één bedrag dan wel in één percentage worden opgenomen.
3.Bij ministeriele regeling worden
voor daarbij aan te wijzen gevallen berekeningsvoorschriften
vastgesteld aan de hand waarvan uit de in het tweede lid bedoelde
tabellen het bedrag van de belasting wordt afgeleid.
Artikel 27c
1.Indien ten aanzien van de
werknemer ook premieplicht voor de werknemersverzekeringen
bestaat, geschiedt de heffing van de premies voor de
werknemersverzekeringen gelijktijdig met die van de belasting en
geschiedt de afdracht van die premies en de belasting op één
aangifte, een en ander met overeenkomstige toepassing van de
regels die gelden voor de heffing en de invordering van de
loonbelasting.
2.Toerekening van een betaling op
de aangifte bedoeld in het eerste lid geschiedt naar evenredigheid
aan de belasting en aan de premies voor de
werknemersverzekeringen.
Artikel 27d
1.Indien de werknemer ook
verzekeringsplichtig is in de zin van de Zorgverzekeringswet,
geschiedt de heffing van de ingevolge de Zorgverzekeringswet over
het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelijktijdig
met die van de belasting en geschiedt de afdracht van die bijdrage
en de belasting op één aangifte, een en ander met
overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de
heffing en de invordering van de loonbelasting.
2.Toerekening van een betaling op
de aangifte, bedoeld in het eerste lid, geschiedt naar
evenredigheid aan de belasting en aan de ingevolge de
Zorgverzekeringswet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.
Artikel 27da
Voorzover de belasting en de premie
voor de volksverzekeringen, de premies voor de
werknemersverzekeringen of de ingevolge de Zorgverzekeringswet
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelijktijdig worden
geheven en artikel 28b van deze wet of artikel 67b, 67c of 67f van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, wordt dat
artikel slechts eenmaal toegepast, met dien verstande dat alsdan
voor de toepassing van artikel 67f, tweede lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen wordt uitgegaan van het gezamenlijk
gelijktijdig geheven bedrag.
Artikel 27e
1.Met het oog op het beperken van
administratieve lasten van een aantal inhoudingsplichtigen die
tegelijkertijd aangiften doen, kan de inspecteur op hun verzoek,
onder door hem te stellen voorwaarden, deze inhoudingsplichtigen
aanwijzen als samenhangende groep inhoudingsplichtigen.
2.De aanwijzing kan en de daarbij
gestelde voorwaarden kunnen, al dan niet op verzoek van een of
meer inhoudingsplichtigen, worden gewijzigd of ingetrokken.
3.Aanwijzing, wijziging en
intrekking vinden plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 28
De inhoudingsplichtige is gehouden
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van de werknemer opgave te
verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing
van de belasting van belang kan zijn;
b. de in onderdeel a bedoelde
gegevens door te geven aan een andere inhoudingsplichtige;
c. een loonadministratie te
voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking
tot de bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen,
verstrekkingen en vergoedingen welke ingevolge artikel 11 niet
tot het loon behoren;
d. aan de werknemer opgave te
verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, van de
ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang
kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;
e. van de werknemer die loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de
identiteit aan de hand van een document als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de
identificatieplicht en – zo de werknemer een vreemdeling is in
de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de
categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van
internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het
hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die
wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de
Wet arbeid vreemdelingen – tevens de verblijfsrechtelijke
status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van
een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige
tewerkstellingsvergunning, alsmede van een en ander de aard, het
nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te
nemen;
f. ingeval de inspecteur hem bij
voor bezwaar vatbare beschikking daartoe heeft verplicht, voor
de datum van aanvang van de werkzaamheden van een werknemer aan
de inspecteur opgave te verstrekken van bij ministeriële
regeling te bepalen gegevens waarvan kennisneming voor de
heffing van de belasting van belang kan zijn (eerstedagsmelding),
met dien verstande dat indien de dienstbetrekking is
overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de
eerstedagsmelding wordt gedaan voor de aanvang van de
werkzaamheden.
Artikel 28bis
1.De inspecteur kan de verplichting
tot het doen van eerstedagsmeldingen slechts opleggen indien ten
aanzien van de inhoudingsplichtige in de periode van zes maanden
welke voorafgaat aan de dagtekening van de beschikking, bedoeld in
artikel 28, onderdeel f, een van de volgende gebeurtenissen zich
heeft voorgedaan:
a. een naheffingsaanslag in
verband met de toepassing van artikel 30a is opgelegd;
b. een vergrijpboete als
bedoeld in artikel 67f van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is opgelegd;
c. een boete ter zake van een
of meer beboetbare feiten als genoemd in artikel 18 van de Wet
arbeid vreemdelingen is opgelegd;
d. artikel 76 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen toepassing heeft gevonden, of
e. strafvervolging is ingesteld
en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen
ter zake van een of meer strafbare feiten als bedoeld in
artikel 19c van de Wet arbeid vreemdelingen, in artikel 47 van
de Handelsregisterwet 2007 of in de artikelen 68 en 69 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.De verplichting tot het doen van
eerstedagsmeldingen vervalt drie jaren na de dagtekening van de
beschikking waarbij die verplichting is opgelegd of zoveel eerder
als deze beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking is
ingetrokken omdat de grond, bedoeld in het eerste lid, voor het
opleggen van die verplichting is komen te vervallen. In afwijking
in zoverre van de eerste volzin vervalt de verplichting vijf jaren
na de dagtekening van de beschikking ingeval aan de
inhoudingsplichtige eerder een verplichting tot het doen van
eerstedagsmeldingen is opgelegd.
3.In de beschikking waarbij de
verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen wordt opgelegd,
wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde
gebeurtenissen grond is voor het opleggen van de verplichting.
Tevens wordt in de beschikking vermeld met ingang van welke datum
de verplichting vervalt.
Artikel 28a
1.Indien de inhoudingsplichtige met
betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die
aangifte is gedaan constateert dat hij een onjuiste of onvolledige
aangifte heeft gedaan, is hij verplicht gelijktijdig met de
eerstvolgende aangifte, of de daarop volgende aangifte door middel
van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te
verstrekken.
2.Indien de inspecteur met
betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die
aangifte is gedaan constateert dat die aangifte onjuist of
onvolledig is, kan hij de inhoudingsplichtige verplichten
gelijktijdig met een aangifte door middel van een correctiebericht
alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.
3.De inhoudingsplichtige is
gehouden de gegevens bedoeld in het eerste en tweede lid op
dezelfde wijze en in dezelfde vorm te verstrekken als van de
aangifte.
4.Bij ministeriële regeling kunnen
van de vorige leden afwijkende regels worden gesteld met
betrekking tot de verplichting voor de inhoudingsplichtige tot het
indienen van een correctiebericht, daaronder begrepen regels over
de wijze waarop en de termijn waarbinnen een correctiebericht moet
worden ingediend.
5.Een correctiebericht is geen
bezwaarschrift in de zin van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
6.Indien bij de aangifte een
correctiebericht is ingediend en het saldo van de te betalen
belasting van de aangifte en het correctiebericht positief is, is
de inhoudingsplichtige, in zoverre in afwijking van artikel 19,
eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gehouden
dit saldo aan de ontvanger te betalen. Voorzover het bedrag van
het correctiebericht in mindering wordt gebracht op de bij de
aangifte te betalen belasting, wordt heffingsrente vergoed
overeenkomstig hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met dien verstande dat het tijdvak waarover de
heffingsrente wordt berekend, eindigt op de dag van ontvangst van
het correctiebericht. De inspecteur stelt het bedrag van de
heffingsrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
7.Bij toepassing van het vorige lid
wordt een betaling zoveel mogelijk toegerekend aan het
correctiebericht.
8.Voor toepassing van de artikelen
20, 67c en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt
met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn van belasting die op
aangifte behoort te worden afgedragen gelijkgesteld het geval
waarin naar aanleiding van een ingediend correctiebericht te veel
is gesaldeerd of teruggegeven.
9.In aanvulling op artikel 20,
derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt,
indien te veel is gesaldeerd, de bevoegdheid tot naheffing door
verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de
saldering heeft plaatsgevonden.
Artikel 28b
1. Indien de inhoudingsplichtige
het correctiebericht bedoeld in artikel 28a, eerste en tweede lid,
niet, onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn
heeft ingediend, vormt dit een verzuim terzake waarvan de
inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1230 kan
opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit bedoeld in artikel 28a,
eerste lid, vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van
het kalenderjaar van de aangifte waarop het correctiebericht
betrekking had moeten hebben.
3. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit bedoeld in artikel 28a,
tweede lid, vervalt door verloop van een jaar na het einde van de
termijn waarbinnen het correctiebericht had moeten worden gedaan.
4. Aan de inhoudingsplichtige die
een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan en die alsnog de
juiste of volledige gegevens door middel van een correctiebericht
als bedoeld in artikel 28a verstrekt voordat hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid
of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 67b, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen ter zake van het feit van de
onjuiste of onvolledige aangifte niet opgelegd.
5. Artikel 67cb van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het
in het eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 28c
1. Indien de inhoudingsplichtige de
opgave, bedoeld in artikel 28, onderdeel f, niet, onjuist,
onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft
verstrekt, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem
een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1230 kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in het eerste
lid, vervalt door verloop van één jaar na het einde van het
kalenderjaar waarin de opgave, bedoeld in artikel 28, onderdeel f,
had moeten worden verstrekt.
3. Artikel 67cb van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het
in het eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 29
1.De werknemer is volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels gehouden aan de
inhoudingsplichtige opgave te verstrekken van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.
Ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
geniet, is hij voorts gehouden aan de inhoudingsplichtige ter
inzage te verstrekken, een op hem betrekking hebbend document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de
Wet op de identificatieplicht alsmede – zo hij ook een
vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet
behoort tot de categorie werknemers die op grond van
overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de
verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning
als bedoeld in die wet – een geldige verblijfsvergunning ter
vaststelling van de verblijfsrechtelijke status ter zake van het
verrichten van arbeid en is hij gehouden een afschrift van een en
ander in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten
opnemen.
2.De werknemer is echter niet
gehouden opgave te verstrekken van gegevens met betrekking tot de
heffingskorting. Indien de werknemer deze gegevens niet verstrekt,
wordt met de heffingskorting geen rekening gehouden.
3.Tot de in het eerste lid en de in
artikel 28, onderdelen a en d, bedoelde gegevens wordt mede
gerekend het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer.
Artikel 30
1.Ieder is gehouden aan de
inspecteur ter vaststelling van zijn identiteit indien zulks voor
de heffing van de loonbelasting van belang kan zijn, desgevraagd
terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage te verstrekken.
2.Voor een weigering om te voldoen
aan de in het eerste lid omschreven verplichting kan niemand zich
met vrucht beroepen op de omstandigheden dat hij uit enigerlei
hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem
bij een wettelijke bepaling is opgelegd.
Artikel 30a
Indien op enig tijdstip wordt
geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in
dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de
loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of met
betrekking tot de werknemer niet is voldaan aan de verplichting een
eerstedagsmelding te doen, wordt de werknemer voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht van de
inhoudingsplichtige gedurende ten minste zes maanden voorafgaande
aan het tijdstip van de constatering loon uit dienstbetrekking te
hebben genoten tot per loontijdvak ten minste het bedrag van het
loon dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het tijdstip van
de constatering, behoudens voorzover blijkt dat de werknemer niet
gedurende die periode tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking
heeft gestaan of dat een lager loon is genoten.
Hoofdstuk V. Heffing van de
inhoudingsplichtige
Afdeling 1. Eindheffing
Artikel 31
1. Eindheffingsbestanddelen zijn:
a. bestanddelen van het loon
waarover de verschuldigde belasting niet is betaald, in
verband waarmee aan de inhoudingsplichtige een
naheffingsaanslag wordt opgelegd, behoudens:
1°. voor zover de
inhoudingsplichtige verzoekt, onder verstrekking van de
daartoe noodzakelijke gegevens, dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken;
2°. voor zover de
inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking besluit,
mede gelet op het aantal werknemers waarop de
naheffingsaanslag betrekking heeft, dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken omdat het wel
toepassen daarvan zou kunnen leiden tot een zodanig grote
afwijking van het belastbare inkomen in de zin van de
inkomstenbelasting van een of meer werknemers dat voor hen
aanzienlijke voordelen zouden kunnen ontstaan in het kader
van de heffing van die belasting, van andere belastingen
of in het kader van andere wettelijke regelingen;
b. bij voor bezwaar vatbare
beschikking door de inspecteur aangewezen bestanddelen van het
loon met betrekking waartoe in verband met tijdelijke
knelpunten van ernstige aard in redelijkheid niet kan worden
gevergd dat de hoofdstukken I tot en met IV ten volle worden
toegepast;
c. bij ministeriële regeling
aan te wijzen uitkeringen van publiekrechtelijke aard die
buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing
van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke
regelingen;
d. bij ministeriële regeling
aan te wijzen loon dat bezwaarlijk kan worden
geïndividualiseerd, behoudens ingeval de inhoudingsplichtige
verzoekt dat loon niet als eindheffingsbestanddeel aan te
merken;
e. loon met een
bestemmingskarakter, zijnde:
1°. loon ter zake van een
voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde bestelauto
als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992, indien in verband
met de aard van het werk die bestelauto doorlopend
afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers en
in verband daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en
aan wie die bestelauto voor privé-doeleinden ter
beschikking is gesteld. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, bedraagt de
verschuldigde belasting over dit loon op jaarbasis per
bestelauto € 300. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit loon;
2°. overig bij
ministeriële regeling aan te wijzen loon;
f. loon dat in een kalenderjaar
in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een
spaarloonregeling, ingeval de werknemer reeds sedert de eerste
dag van het kalenderjaar in dienstbetrekking staat tot de
inhoudingsplichtige en deze ten aanzien van hem reeds sedert
die dag bij de inhouding van loonbelasting de algemene
heffingskorting toepast, tot ten hoogste € 613 per
kalenderjaar;
g. geschenken in natura
voorzover de waarde in het economische verkeer daarvan in het
kalenderjaar niet meer bedraagt dan € 70, behoudens ingeval
de inhoudingsplichtige verzoekt dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken;
h. niet tot de hiervoren
opgenomen bestanddelen van het loon behorende vergoedingen of
verstrekkingen voorzover deze niet meer belopen dan een bij
ministeriële regeling te bepalen bedrag per maand, behoudens
ingeval de inhoudingsplichtige verzoekt dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken.
2. Met betrekking tot
eindheffingsbestanddelen wordt het bedrag van de verschuldigde
belasting bepaald:
a. aan de hand van het
tabeltarief met betrekking tot:
1°. aan naheffing
onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a;
2°.
eindheffingsbestanddelen bij tijdelijke knelpunten van
ernstige aard als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
3°. aangewezen uitkeringen
van publiekrechtelijke aard als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c;
4°. aangewezen
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, voor zover, te bepalen bij ministeriële
regeling, de verwerving van het loon niet het gebruik of
verbruik daarvan meebrengt;
5°.
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel h;
b. aan de hand van het
enkelvoudige tarief met betrekking tot:
1°. aangewezen niet in
geld genoten eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, andere dan bedoeld in onderdeel
a, onder 4°;
2°. aangewezen
eindheffingsbestanddelen met een bestemmingskarakter als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 2°;
c. naar een tarief van:
1°. 25 percent, met
betrekking tot spaarloon als bedoeld in eerste lid,
onderdeel f;
2°. 20 percent, met
betrekking tot geschenken in natura als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel g.
3. Ingeval het tabeltarief van
toepassing is wordt het bedrag van de verschuldigde belasting
bepaald aan de hand van de voor het tijdvak waarin het loon is
genoten geldende in artikel 20a, eerste lid, of artikel 20b,
eerste lid, opgenomen tabel, waarbij wordt aangenomen dat de
inhoudingsplichtige de belasting en de bij reguliere betaling van
het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 41 van de Zorgverzekeringswet alsmede de daarover
verschuldigde premie ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet financiering
sociale verzekeringen aanstonds voor zijn rekening heeft genomen.
Voor zover bij naheffing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a, aannemelijk is dat de inhoudingsplichtige de belasting en
premie pas later voor zijn rekening heeft genomen, wordt in
zoverre van de eerste volzin afgeweken en wordt het voor de
werknemer ontstane voordeel in de eindheffing betrokken naar de
situatie ten tijde van het voor rekening van de
inhoudingsplichtige nemen, doch uiterlijk ten tijde van de
naheffing.
4. Ingeval het enkelvoudige tarief
van toepassing is wordt het bedrag van de verschuldigde belasting
bepaald aan de hand van de voor het tijdvak waarin het loon is
genoten geldende in artikel 20a, eerste lid, of artikel 20b,
eerste lid, opgenomen tabel, waarbij buiten beschouwing wordt
gelaten dat de belasting wordt geheven van de inhoudingsplichtige.
5. In afwijking in zoverre van
artikel 13, eerste lid, en onverminderd de toepassing van artikel
13, tweede lid, wordt voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel h, en het tweede lid, onderdeel a, onder 5°, de waarde
van niet in geld genoten loon gesteld op de waarde die daaraan in
het economische verkeer kan worden toegekend.
6. Voor de bepaling van de
verschuldigde belasting op de voet van het enkelvoudige tarief
wordt, voor zover artikel 13, tweede lid, geen toepassing heeft
gevonden, in afwijking in zoverre van artikel 13, eerste lid, niet
in geld genoten loon in aanmerking genomen naar de waarde welke
daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
7. Voor de bepaling van de
verschuldigde belasting op de voet van het tweede lid, onderdeel
c, wordt buiten beschouwing gelaten dat de belasting wordt geheven
van de inhoudingsplichtige.
8. Ingeval loon als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel f, wordt genoten in de vorm van
aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, of in
de vorm van aandelen in het kapitaal van de inhoudingsplichtige of
in dat van een met hem verbonden vennootschap, wordt het bedrag
genoemd in bedoeld onderdeel f verhoogd. De verhoging bedraagt het
in het eerste lid, onderdeel f, genoemde bedrag voor de toepassing
van de eerste volzin, verminderd met het niet in de vorm van
aandelenoptierechten of in de vorm van aandelen in het kapitaal
van de inhoudingsplichtige of in dat van een met hem verbonden
vennootschap, gespaarde bedrag.
9. Voorzover in hetzelfde
loontijdvak of dezelfde loontijdvakken door meer dan één
werknemer eindheffingsbestanddelen worden genoten kan, mits dat
leidt tot een beduidende vereenvoudiging van de vaststelling van
de verschuldigde belasting, de verschuldigde belasting globaal
worden vastgesteld, zodanig dat deze redelijkerwijs overeenkomt
met de verschuldigde belasting die op de voet van de vorige leden
zou zijn bepaald.
10. Ingeval de werknemer in het
kalenderjaar binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen
in de zin van artikel 27e van inhoudingsplichtige is gewisseld,
wordt er voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel f,
geacht geen wisseling van inhoudingsplichtige te hebben
plaatsgevonden.
11. De in het eerste en tweede lid
bedoelde ministeriële regelingen worden, voorzover het de premie
voor de volksverzekeringen betreft, getroffen in overleg met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 31a [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 32
1.Onder spaarloonregeling wordt
verstaan een schriftelijke regeling – niet zijnde een
pensioenregeling – die voorziet in sparen van loon (spaarloon)
dat gedurende ten minste vier jaar niet ter beschikking van de
werknemer komt, tenzij het spaarloon wordt opgenomen ter zake van
de verwerving van diens eigen woning als hoofdverblijf, de aankoop
van effecten, de voldoening van premies voor lijfrenten als
bedoeld in de artikelen 3.124, onderdeel b en 3.125, eerste lid,
onderdelen a en c van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de
voldoening van premies ingevolge bij ministeriële regeling aan te
wijzen overeenkomsten van levensverzekering waarbij een
kapitaalsuitkering is verzekerd, de door de werknemer vrijwillig
betaalde premies ingevolge een pensioenregeling, de start van een
voor eigen rekening gedreven onderneming, de opname van verlof, de
financiering van scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, de financiering van kinderopvang
waarvoor aanspraak op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk
aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van
artikel 5 van de Wet kinderopvang of bij beëindiging van diens
dienstbetrekking. Ingeval het spaarloon door de werknemer is
opgenomen bij beëindiging van diens dienstbetrekking, wordt voor
elke maand gedurende welke het spaarloon voortijdig is opgenomen
belasting geheven van de werknemer ter zake van een evenredig deel
van het spaarloon.
2.Om als spaarloonregeling te
worden aangemerkt, dient de deelname daaraan open te staan voor
ten minste driekwart van de werknemers van de inhoudingsplichtige.
3.Bij of krachtens ministeriële
regeling kunnen:
a. regelingen als
spaarloonregeling worden aangewezen indien zij niet geheel
voldoen aan de in of krachtens dit artikel gestelde vereisten;
b. regelingen als
spaarloonregeling worden uitgesloten indien zij niet
dienstbaar zijn aan de bevordering van duurzaam bezit van
werknemers in voldoend brede kring of bij herhaling niet
worden nageleefd, alsmede ingeval ter zake van de uitvoering
geen administratie wordt gevoerd waaruit duidelijk blijkt dat
aan de gestelde vereisten is voldaan;
c. regelen worden gesteld ter
verzekering van het heffen van belasting over uitbetalingen
welke in afwijking van de spaarloonregeling aan de werknemer
worden gedaan.
4.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regelen worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in
dit artikel.
Artikel 32a
1.Voor de toepassing van artikel
31, derde en vierde lid, worden bij ministeriële regeling regels
gesteld voor het bepalen van het op de eindheffingsbestanddelen
toe te passen tarief. Daarbij kunnen de gevolgen van het passeren
van tariefschijfgrenzen en maximum premielonen buiten beschouwing
blijven en kunnen voorts de noodzakelijke afrondingen en
vereenvoudigingen worden toegepast. Indien ingevolge hoofdstuk 3
van de Wet financiering sociale verzekeringen premie is
verschuldigd waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt,
wordt het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld
krachtens artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
2.Voor gevallen waarin tevens
artikel 27b, eerste lid, van toepassing is worden in de in het
eerste lid bedoelde ministeriële regeling, met overeenkomstige
toepassing van artikel 31, derde en vierde lid, tevens regels
gesteld volgens welke telkens de belasting en de premie voor de
volksverzekeringen in één bedrag dan wel in één percentage
kunnen worden afgeleid.
Artikel 32ab
1.Als eindheffingsbestanddelen als
bedoeld in artikel 31 worden mede aangemerkt bij ministeriële
regeling aan te wijzen verstrekkingen aan anderen dan eigen
werknemers, waarvoor geen inhoudingsplicht bestaat bij of
krachtens een ander artikel van deze wet, ingeval de verstrekker
schriftelijke mededeling doet aan de ontvanger van het toepassing
vinden van deze eindheffing en aannemelijk kan maken wie de
ontvanger is van de verstrekking.
2.Degene die een mededeling heeft
gedaan dat hij eindheffing toepast, wordt, zo hij dat nog niet is,
aangemerkt als inhoudingsplichtige.
3.Met betrekking tot een
eindheffingsbestanddeel als bedoeld in het eerste lid wordt het
bedrag van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 31,
tweede lid, bepaald naar een tarief van:
1°. 45 percent, met betrekking
tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische
verkeer niet meer bedraagt dan € 136;
2°. 75 percent, met betrekking
tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische
verkeer meer bedraagt dan € 136.
Artikel 32b
Ter bevordering van een goede
uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeriële regeling
nadere regels worden gesteld.
Afdeling 2. Pseudo-eindheffing
Artikel 32ba
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een
inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge
een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een
inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie
aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling
uitvoert, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel
wordt belast naar een tarief van 26%.
2. Een uitkering of een bijdrage of
een premie wordt beschouwd te zijn gedaan of voldaan op het
tijdstip waarop zij betaald of verrekend is, ter beschikking is
gesteld of rentedragend is geworden.
3. Een uitkering, een bijdrage of
een premie wordt beschouwd niet te drukken op een
inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige ter zake
bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere
inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan heeft gekregen.
4. Ingeval op enig tijdstip een
aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet
langer als zodanig is aan te merken dan wel wordt afgekocht of
vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip
de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van
de werknemer of gewezen werknemer. De waarde van de aanspraak
wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de
eerste volzin genoemde tijdstip, met dien verstande dat de waarde
ten minste wordt gesteld op het bedrag dat ter zake van de
vervreemding of afkoop wordt genoten.
5. Ingeval op grond van het vierde
lid een aanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere
dienstbetrekking van een werknemer of gewezen werknemer, wordt de
inhoudingsplichtige die de in dat lid bedoelde regeling voor
vervroegde uittreding uitvoert voor de toepassing van het eerste
lid geacht een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde
uittreding te hebben gedaan ter grootte van de aldaar bedoelde
waarde van die aanspraak, op het tijdstip waarop de daar bedoelde
aanspraak is aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
6. Onder een regeling voor
vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een
gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen
ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te
voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter
overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de
uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het
aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In
afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet
als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die
regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de
Pensioenwet of een pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk
IIB of in de artikelen 38d, 38e of 38f.
7. Op verzoek van de
inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking of een regeling een regeling voor vervroegde
uittreding is. Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan
wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 32bb
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een
inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding
als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer
bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de
werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel
wordt belast naar een tarief van 30%.
2. Dit artikel is niet van
toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer
bedraagt dan € 519 000.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder het toetsloon van een werknemer verstaan:
a. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen vóór of met het begin van het tweede
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in
dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de
inhoudingsplichtige;
b. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het tot
een jaarloon herleide bedrag van het loon dat de werknemer in
dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de
inhoudingsplichtige;
c. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het tot
een jaarloon herleide bedrag van het loon dat de werknemer in
dat voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de
inhoudingsplichtige;
d. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar
van de inhoudingsplichtige zou hebben genoten indien de
dienstbetrekking aan het begin van dat kalenderjaar was
aangevangen en niet in dat kalenderjaar was beëindigd.
4. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een door een inhoudingsplichtige aan een
werknemer toegekende vertrekvergoeding verstaan de som van het
positieve verschil tussen A en het vergelijkingsloon en het
positieve verschil tussen B en het vergelijkingsloon, waarbij
wordt verstaan onder:
A: het van de
inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is beëindigd alsmede het na dat kalenderjaar
van de inhoudingsplichtige genoten loon;
B: het van de
inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is beëindigd;
Vergelijkingsloon:
a. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen vóór of met het begin van het tweede
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de
werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de
berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt
verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de
dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar
waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
b. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het
toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het
toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar
evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal
dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
c. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het
toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het
toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar
evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal
dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het
kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
d. ingeval de dienstbetrekking
is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking
is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien
verstande dat het toetsloon voor de berekening van het
verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd
aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet heeft
bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is
beëindigd.
5. Ingeval de inhoudingsplichtige
in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd
onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met de
werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen en dat recht
niet uiterlijk bij de beëindiging van de dienstbetrekking is
uitgeoefend of vervreemd, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld
in het vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid,
de waarde van dat recht mede in aanmerking genomen, waarbij die
waarde wordt gesteld op hetgeen door de werknemer zou zijn genoten
indien hij dat recht op het tijdstip van beëindiging van de
dienstbetrekking zou hebben vervreemd of uitgeoefend.
6. Ingeval de inhoudingsplichtige
in of na het kalender jaar waarin de dienstbetrekking is
beëindigd onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar een aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, waaronder begrepen de stamrechtspaarrekening en het
stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in artikel 11a, aan de werknemer
heeft toegekend, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld in het
vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid, de
waarde van die aanspraak mede in aanmerking genomen.
7. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat
de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband
houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de
uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld
in artikel 10a, dat is toegekend in een eerder jaar dan het
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.
8. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend
op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor
zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten dan
wel zou worden genoten ingeval artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, dan wel artikel 11a, buiten toepassing zou zijn gelaten, op dat
latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste
volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip,
wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip
toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.
9. Bij het begin van het
kalenderjaar wordt het in het tweede lid genoemde bedrag bij
ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag
wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen
met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding
aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een
dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden
uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
10. Het eerste lid is niet van
toepassing op een bedrag dat ingevolge artikel 32ba, eerste lid,
wordt aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel
wordt belast.
Artikel 32bc
1. In afwijking in zoverre van het
overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een
inhoudingsplichtige ter zake van een loonstijging aan een
werknemer toegekende aanspraak ingevolge een op een
eindloonstelsel gebaseerde pensioenregeling, aangemerkt als loon
dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief
van 15%. De waarde van de ter zake van de loonstijging toegekende
aanspraak wordt hierbij gesteld op het viervoud van de verhoging
van het pensioengevend loon ten gevolge van die loonstijging.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ingeval een aanspraak ingevolge een op
een eindloonstelsel gebaseerde pensioenregeling wordt toegekend
ter zake van het verschil tussen het op het tijdstip van
toekenning geldende pensioengevend loon en het pensioengevend loon
in een eerdere dienstbetrekking van de werknemer op het tijdstip
van beëindiging van die dienstbetrekking. De waarde van de ter
zake van dit verschil toegekende aanspraak wordt hierbij gesteld
op het viervoud van dit verschil.
3. Voor de toepassing van dit
artikel blijven loonstijgingen en verschillen in pensioengevend
loon buiten beschouwing voor zover de loonstijging
onderscheidenlijk het verschil in pensioengevend loon niet leidt
tot een ingevolge een op een eindloonstelsel gebaseerde
pensioenregeling in aanmerking genomen pensioengevend loon van
meer dan € 519 000.
4. Bij het begin van het
kalenderjaar wordt het in het derde lid genoemde bedrag bij
ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag
wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen
met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding
aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een
dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden
uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij
verrekening van sociale uitkeringen
Artikel 32c
1.Ingeval een sociale uitkering
wordt verrekend met een terug te betalen sociale uitkering, wordt
de terugbetaling in afwijking van artikel 10 tot het verrekende
bedrag niet in aanmerking genomen als negatief loon en gaat de
uitkering die met de terug te betalen uitkering wordt verrekend
tot het bedrag van die verrekening niet tot het loon behoren.
Mocht na verrekening nog een aan de werknemer toekomend bedrag
resteren, dan wordt dit loon op de voet van artikel 26 belast.
2.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een sociale uitkering verstaan een uitkering
die op grond van een wettelijke bepaling inzake de sociale
zekerheid door een gemeente, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale Verzekeringsbank wordt
betaald.
Hoofdstuk VB. Belastingheffing bij
uit hoofde van een dienstbetrekking af te staan loon
Artikel 32d
1.De in Nederland wonende of
gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht met het door hem
verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer tevens
te verstrekken het loon dat de werknemer zonder toepassing van dit
artikel zou hebben genoten als werknemer van een andere
inhoudingsplichtige, indien:
a. de werknemer uit hoofde van
zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die
andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem
toekomende loon en de bijbehorende vrije vergoedingen af te
staan aan de inhoudingsplichtige, en
b. die andere
inhoudingsplichtige het bedoelde loon en de bijbehorende vrije
vergoedingen rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige
en aan de werknemer geen vrije verstrekkingen verstrekt die
niet vooraf aan de inhoudingsplichtige zijn medegedeeld. Aan
de voorwaarde in de eerste volzin, onderdeel a, dat de
werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam
is als werknemer van een andere inhoudingsplichtige is ook
voldaan indien de inhoudingsplichtige waaraan het loon wordt
afgestaan een lichaam is waarin de werknemer een aanmerkelijk
belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, de
werknemer via dit lichaam een belang heeft in de andere
inhoudingsplichtige en dit belang tezamen met zijn
werkzaamheden voor die andere inhoudingsplichtige materieel
grotendeels overeenkomt met het aandeel en de werkzaamheden
van een vennoot in een vennootschap onder firma.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een niet in Nederland
wonende werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane
loon voor de toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele
belasting niet anders zou worden behandeld dan het door deze
inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te betalen loon.
3.Het eerste en tweede lid zijn
slechts van toepassing als de inspecteur onder wie de
inhoudingsplichtige ressorteert die zonder toepassing van deze
leden belasting had moeten inhouden, op gezamenlijk verzoek van
deze inhoudingsplichtige, de inhoudingsplichtige aan wie het loon
wordt afgestaan en de werknemer bij voor bezwaar vatbare
beschikking, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare,
beschikking kan worden herroepen, heeft vastgesteld dat aan de
gestelde voorwaarden is voldaan.
4.Het derde lid is niet van
toepassing indien:
a. de werknemer een
aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 in zowel de inhoudingsplichtige die
zonder toepassing van dit artikel belasting had moeten
inhouden als in de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt
afgestaan, en
b. de inhoudingsplichtige aan
wie het loon wordt afgestaan aangifte doet in overeenstemming
met het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk VI. Aanvullende regelingen
Artikel 33
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen van werknemers
nadere, zo nodig afwijkende, regelen worden gesteld inzake de
heffing van de belasting, alsmede andere in het kader der wet
passende nadere regelen worden gegeven ter aanvulling van in de
wet geregelde onderwerpen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
aanvullende regels worden gesteld betreffende:
a. de heffing van de belasting
ingeval loon van meer dan één inhoudingsplichtige of mede
loon van een derde, dan wel over enig tijdvak meer dan één
beloning wordt genoten;
b. inhouding van geschatte
bedragen, gevolgd door periodieke afrekening.
Artikel 34
1.Ter vergemakkelijking van de
heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting
mede wordt geheven van natuurlijke personen die:
a. termijnen van lijfrente of
andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten;
b. uitkeringen genieten ter
vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of
verstrekkingen;
c. een afkoopsom genieten ter
zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.Met betrekking tot bedragen ter
zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt in
afwijking van hoofdstuk III de belasting 52% van deze bedragen.
Indien de belasting ingevolge artikel 27b, eerste lid, in één
bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven,
wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van
de verschuldigde belasting tezamen met het bedrag van de
verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52% van
de bedoelde bedragen.
Artikel 34a [Vervallen per
01-01-1997]
Hoofdstuk VIA
Artikel 34b [Vervallen per
01-01-1996]
Artikel 34c [Vervallen per
01-01-1996]
Artikel 34d [Vervallen per
01-01-1996]
Hoofdstuk VII. Belastingheffing van
artiesten en beroepssporters
Artikel 35
1.Ten aanzien van een artiest of
beroepssporter wordt de belasting geheven naar de gage.
2.Gage is al hetgeen de artiest of
beroepssporter als zodanig geniet. Tot de gage behoren
kostenvergoedingen alsmede aanspraken om na verloop van tijd of
onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te
ontvangen.
3.Tot de gage behoren niet:
a. vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van consumpties en maaltijden die
ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b,
niet tot het loon zouden hebben behoord;
b. vergoedingen die strekken
tot bestrijding van reis- en verblijfkosten – andere dan
kosten van eigen vervoer – ter behoorlijke vervulling van
het optreden dan wel de sportbeoefening, mits de artiest of
beroepssporter de bewijsstukken overhandigt aan de
inhoudingsplichtige en deze de bewijsstukken administreert en
voor controle beschikbaar houdt;
c. verstrekkingen die strekken
tot voorkoming van reis- en verblijfkosten ter behoorlijke
vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening;
d. aanspraken ingevolge de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
e. aanspraken, die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel
d;
f. aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval
en
g. bedragen die worden
ingehouden als premie ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet
financiering sociale verzekeringen en als bijdrage voor
aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met
aanspraken bedoeld in onderdeel e, alsmede bijdrage voor
aanspraken, bedoeld in onderdeel f.
4.Tot de gage behoort mede niet het
aan de artiest of beroepssporter toe te rekenen deel van hetgeen
blijkens een beschikking van de inspecteur als een niet tot de
gage behorende vergoeding kan worden aangemerkt (kostenvergoedingsbeschikking).
De kostenvergoedingsbeschikking wordt op verzoek door de
inspecteur verstrekt en is vatbaar voor bezwaar. Het verzoek wordt
voor het optreden of de sportbeoefening gedaan door de artiest, de
beroepssporter of de inhoudingsplichtige, dan wel uiterlijk een
maand na het optreden of de sportbeoefening door de
inhoudingsplichtige. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de
kostenvergoedingsbeschikking.
5.Niet in geld genoten gage wordt
in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend.
6.Gage wordt beschouwd te zijn
genoten op het tijdstip:
a. waarop zij betaald of
verrekend wordt, ter beschikking van de artiest of
beroepssporter wordt gesteld of rentedragend wordt;
b. waarop zij vorderbaar en
tevens inbaar wordt, of
c. indien dat later is dan de
tijdstippen, bedoeld in de onderdelen a en b en de
inhoudingsplichtige een kostenvergoedingsbeschikking heeft
aangevraagd: uiterlijk een maand na het optreden of de
sportbeoefening.
Artikel 35a
1.De verschuldigde belasting
bedraagt een percentage, gelijk aan het gecombineerde
heffingspercentage, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de
gage. In afwijking van de vorige volzin bedraagt de belasting ten
aanzien van de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter
20 percent van de gage.
2.Ten aanzien van niet in Nederland
wonende beroepssporters kan bij algemene maatregel van bestuur, zo
nodig onder voorwaarden, ten behoeve van uniforme heffing bij
grensoverschrijdende evenementen het in het eerste lid genoemde
percentage van 20 tijdelijk worden verlaagd, doch niet verder dan
tot 15 percent. Een krachtens de eerste volzin vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overlegd. Hij treedt in werking op een tijdstip
dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij
koninklijk besluit wordt vastgelegd, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel
van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien
het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide
Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te
nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
3.In afwijking van het eerste lid
bedraagt de verschuldigde belasting 52 percent van de gage ingeval
de artiest of beroepssporter zijn naam, adres of woonplaats niet
aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt, dan wel zijn
identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de
loonadministratie overeenkomstig artikel 35e, onderdeel e, alsmede
ingeval de artiest of beroepssporter ter zake onjuiste gegevens
heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of
redelijkerwijs moet weten.
Artikel 35b
1.De belasting wordt geheven door
inhouding op de gage.
2.De inhoudingsplichtige is
verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de gage
wordt genoten.
3.De inhoudingsplichtige is
verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
Artikel 35c [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 35d
1.De artiest of beroepssporter is
gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan
de inhoudingsplichtige:
a. opgave te doen van gegevens
waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van
belang kan zijn;
b. inzage te verlenen van een
op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de
identificatieplicht om een afschrift daarvan in de
loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten opnemen;
c. - indien hij in Nederland
woont – opgave te doen van zijn burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer.
2.Opgave van naam, adres,
woonplaats en – ingeval hij niet in Nederland woont – woonland
en geboortedatum van de artiest of beroepssporter alsmede van de
overige in dit artikel bedoelde gegevens geschiedt door middel van
de door de inspecteur verstrekte gageverklaring.
Artikel 35e
De inhoudingsplichtige is gehouden
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van de artiest of
beroepssporter opgave te verlangen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan
zijn;
b. van de in Nederland wonende
artiest opgave te verlangen van zijn burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer;
c. een loonadministratie te
voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking
tot de gage en met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen
die niet tot de gage behoren;
d. aan de in Nederland wonende
artiest, alsmede, op diens verzoek, aan de niet in Nederland
wonende artiest of beroepssporter, opgave te doen van de in een
kalenderjaar genoten gage, van de ingehouden belasting en van
andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van
de inkomstenbelasting;
e. de identiteit van de artiest
of beroepssporter vast te stellen aan de hand van een document
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º,
van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het
nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te
nemen.
Artikel 35f
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voor bepaalde groepen artiesten of
beroepssporters nadere regelen worden gesteld inzake de heffing van
de belasting, alsmede andere in het kader der wet passende nadere
regelen worden gegeven ter aanvulling van in de wet geregelde
onderwerpen.
Hoofdstuk VIIA. Belastingheffing van
buitenlandse gezelschappen
Artikel 35g
1.Ten aanzien van een buitenlands
gezelschap wordt de belasting geheven naar de gage.
2.Gage is al hetgeen ter zake van
het optreden of de sportbeoefening in Nederland wordt ontvangen
door het buitenlandse gezelschap, dan wel door het lichaam waarmee
de leden van het gezelschap een rechtsverhouding hebben op grond
waarvan het optreden of de sportbeoefening plaatsvindt. Tot de
gage behoren kostenvergoedingen alsmede aanspraken om na verloop
van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of
verstrekkingen te ontvangen.
3.Tot de gage behoren niet:
a. vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van consumpties en maaltijden die
ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b,
niet tot het loon zouden hebben behoord;
b. vergoedingen die strekken
tot bestrijding van reis- en verblijfkosten – andere dan
kosten van eigen vervoer – ter behoorlijke vervulling van
het optreden of de sportbeoefening, mits het gezelschap de
bewijsstukken aan de inhoudingsplichtige doet toekomen en deze
de bewijsstukken administreert en voor controle beschikbaar
houdt;
c. verstrekkingen die strekken
tot voorkoming van reis- en verblijfkosten ter behoorlijke
vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening;
d. aanspraken ingevolge de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
e. aanspraken, die naar aard en
strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel
d;
f. aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
g. bedragen die worden
ingehouden als premie ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet
financiering sociale verzekeringen en als bijdrage voor
aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met
aanspraken bedoeld in onderdeel e, alsmede bijdrage voor
aanspraken, bedoeld in onderdeel f;
h. uitzendrechten voor zover
die betrekking hebben op het land van vestiging van het
buitenlands gezelschap.
4.Tot de gage behoort mede niet
hetgeen blijkens een beschikking van de inspecteur als een niet
tot de gage behorende vergoeding kan worden aangemerkt (kostenvergoedingsbeschikking).
De kostenvergoedingsbeschikking wordt op verzoek door de
inspecteur verstrekt en is vatbaar voor bezwaar. Het verzoek wordt
voor het optreden of de sportbeoefening gedaan door het gezelschap
of de inhoudingsplichtige, dan wel uiterlijk een maand na het
optreden of de sportbeoefening door de inhoudingsplichtige. Bij
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de kostenvergoedingsbeschikking.
5.Niet in geld ontvangen gage wordt
in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend.
6.Gage wordt beschouwd te zijn
ontvangen op het tijdstip:
a. waarop zij betaald of
verrekend wordt, ter beschikking van het gezelschap wordt
gesteld of rentedragend wordt;
b. waarop zij vorderbaar en
tevens inbaar wordt, of
c. indien dat later is dan de
tijdstippen, bedoeld in de onderdelen a en b en de
inhoudingsplichtige een kostenvergoedingsbeschikking heeft
aangevraagd: uiterlijk een maand na het optreden of de
sportbeoefening.
Artikel 35h
1.De verschuldigde belasting
bedraagt 20 percent van de gage.
2.Ten aanzien van buitenlandse
gezelschappen kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig
onder voorwaarden, ten behoeve van uniforme heffing bij
grensoverschrijdende evenementen het in het eerste lid genoemde
percentage van 20 tijdelijk worden verlaagd, doch niet verder dan
tot 15 percent. Een krachtens de eerste volzin vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overlegd. Hij treedt in werking op een tijdstip
dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij
koninklijk besluit wordt vastgelegd, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel
van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien
het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide
Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te
nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
3.In afwijking van het eerste lid
bedraagt de verschuldigde belasting 52 percent van de gage:
a. indien aan de
inhoudingsplichtige de naam, het adres, de woonplaats, het
woonland en de geboortedatum van de leider of
vertegenwoordiger, alsmede de namen van de leden van het
gezelschap niet zijn verstrekt;
b. indien ten aanzien van het
merendeel van de leden geen afschrift van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º,
van de Wet op de identificatieplicht aan de
inhoudingsplichtige is verstrekt of de identiteit niet is
vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie van de
inhoudingsplichtige overeenkomstig artikel 35m, onderdeel c;
c. indien het gezelschap
terzake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de
inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
Artikel 35i
1.De belasting wordt geheven door
inhouding op de gage.
2.De inhoudingsplichtige is
verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de gage
wordt ontvangen.
3.De inhoudingsplichtige is
verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
Artikel 35j [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 35k
De leden van het buitenlandse
gezelschap zijn gehouden volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels aan het gezelschap:
a. opgave te doen van gegevens
waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van
belang kan zijn;
b. inzage te verlenen van een op
hen betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de
identificatieplicht, en een afschrift daarvan te verstrekken.
Artikel 35l
1.Het buitenlandse gezelschap is
gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van de leden van het
gezelschap opgave te verlangen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan
zijn;
b. de identiteit van de leden
vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op
de identificatieplicht en een afschrift daarvan te verlangen;
c. aan de inhoudingsplichtige
opgave te doen van gegevens waarvan de kennisneming voor de
heffing van de belasting van belang kan zijn;
d. aan de inhoudingsplichtige
ten aanzien van het merendeel van de leden inzage te verlenen
van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht om
een afschrift daarvan in de loonadministratie van de
inhoudingsplichtige te laten opnemen.
2.Opgave van naam, adres,
woonplaats, woonland en geboortedatum van de leider of
vertegenwoordiger alsmede het aantal leden van het gezelschap, en
opgave van de overige in dit artikel bedoelde gegevens geschiedt
door middel van de door de inspecteur verstrekte gageverklaring.
Artikel 35m
De inhoudingsplichtige is gehouden
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
a. van het buitenlandse
gezelschap opgave te verlangen van gegevens waarvan de
kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan
zijn;
b. een loonadministratie te
voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking
tot de gage en met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen
die niet tot de gage behoren;
c. de identiteit van een zo groot
mogelijk deel, doch ten minste het merendeel van de leden van
het gezelschap vast te stellen aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van
de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en
een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.
Artikel 35n
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voor buitenlandse gezelschappen nadere regelen
worden gesteld inzake de heffing van de belasting, alsmede andere in
het kader der wet passende nadere regelen worden gegeven ter
aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 36
Artikel 10a zoals dat luidde op 31
december 2004 blijft van toepassing op vóór 1 januari 2005
overeengekomen aandelenoptierechten ter zake waarvan vóór die
datum reeds een bedrag als loon is genoten, waarbij tevens artikel
10a, derde lid, zoals dat luidt op 1 januari 2005, geldt.
Artikel 36a
1.Met betrekking tot op 31 december
2000 bestaande rechten op vakantieverlof en compensatieverlof is
artikel 10, derde lid en artikel 11, eerste lid, onderdeel r,
onder 1°, niet van toepassing.
2.De aanspraken die voor 1 januari
2006 zijn opgebouwd ingevolge een regeling voor verlofsparen
worden aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een
levensloopregeling.
Artikel 36b
Met betrekking tot bestaande
pensioenaanspraken voor welke op of na 1 januari 1995 een ander
lichaam als verzekeraar optreedt dan bedoeld in artikel 18, eerste
lid, onderdeel c, en artikel 18i, onderdeel c, zoals dat luidde op
31 december 2004, is de in die onderdelen gestelde voorwaarde inzake
de verzekeraar niet van toepassing. Onder bestaande
pensioenaanspraken worden verstaan de op 31 december 1994 bestaande
aanspraken welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat
toen luidde, zijn aan te merken als aanspraken die berusten op een
pensioenregeling.
Artikel 36c
Voor auto’s waarvoor het kenteken
is opgegeven vóór 1 juli 2006, blijft artikel 13bis, vijfde lid,
eerste volzin, zoals deze volzin op 30 juni 2006 luidde, van
toepassing.
Artikel 37
Met betrekking tot bestaande
aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of
te derven loon zijn de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder
1° en 2°, gestelde voorwaarden niet van toepassing. Onder
bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van
gederfd of te derven loon worden verstaan de op 31 december 1994
bestaande aanspraken welke naar of krachtens de tekst van artikel 11
zoals dat toen luidde, zijn aan te merken als aanspraken op
periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 38a [Vervallen per
01-01-2005]
Artikel 38b
Voor bestaande aanspraken ingevolge
een pensioenregeling als bedoeld in deze wet blijven de op het
moment van ontstaan van deze aanspraken in deze wet opgenomen
bepalingen die verband houden met deze aanspraken, van toepassing.
In afwijking in zoverre van de eerste volzin is met betrekking tot
de in de eerste volzin bedoelde aanspraken artikel 10, vierde lid,
eveneens van toepassing.
Artikel 38c
1.Voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijven
tot en met 31 december 2005 de artikelen 11, 18g, 18i, 19, 19a,
19b, 19c en 19d, zoals die luidden op 31 december 2004, van
toepassing en is artikel 32aa niet van toepassing.
2.In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijven de artikelen 11, 18g, 18i, 19, 19a, 19b, 19c en
19d, zoals die luidden op 31 december 2004, van toepassing en is
artikel 32ba niet van toepassing voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, indien
ingevolge die regeling na 31 december 2005 nog uitsluitend
uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers:
a. die voor 1 januari 2006
reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling genoten,
of
b. die voor 1 januari 2005 de
leeftijd van 55 jaar hebben bereikt en ten aanzien van wie de
uitkeringen die ingevolge deze regeling worden gedaan worden
herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de
regeling vastgestelde ingangsdatum, met dien verstande dat de
verhoging van de uitkeringen niet lager is dan 50% van de
verhoging van de uitkeringen bij een herrekening met
inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
3.Een aanspraak ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in het tweede lid
kan met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële
grondslagen worden omgezet in een aanspraak ingevolge een
ouderdomspensioenregeling, voorzover het ouderdomspensioen na de
omzetting niet meer bedraagt dan 100% van het laatstverdiende
loon.
Artikel 38d
1.Voor een op 31 december 2004
bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals
dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijft tot en met 31
december 2005 artikel 38a, zoals dit artikel luidde op 31 december
2004, van toepassing.
2.In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijft artikel 38a, zoals dit artikel luidde op 31
december 2004, van toepassing voor een op 31 december 2004
bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals
dit artikel toen luidde, indien ingevolge die prepensioenregeling
na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden
gedaan:
a. ingevolge aanspraken die
voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd, of
b. aan werknemers die voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt mits:
1°. de uitkeringen die
ingevolge die prepensioenregeling worden gedaan met
inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële
grondslagen worden herrekend ingeval de uitkeringen later
ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum,
en
2°. de
prepensioenregeling, met inachtneming van de in of
krachtens artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december
2004 luidde, gestelde normeringen en beperkingen, de
mogelijkheid van deeltijdpensioen biedt.
3.In afwijking in zoverre van
artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting
van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een
prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel
op 31 december 2004 luidde, in een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling.
Artikel 38e
1.Voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor ouderdomspensioen, als bedoeld in artikel
18a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijft tot en
met 31 december 2005 artikel 18a, zoals dit artikel luidde op 31
december 2004, van toepassing.
2.In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijft artikel 18a, zoals dit artikel luidde op 31
december 2004, van toepassing voor een werknemer die voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
3.In afwijking in zoverre van
artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting
in ouderdomspensioen van een op 31 december 2005 bestaande
aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel
18a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, voor zover deze
aanspraak is opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode
voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer
de leeftijd van 65 jaar bereikt (vroegpensioen).
Artikel 38f
1.Voor een op 31 december 2004
bestaande regeling voor overbruggingspensioen als bedoeld in
artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, blijven
tot en met 31 december 2005 de artikelen 18, 18e en 18g, zoals
deze luidden op 31 december 2004, van toepassing.
2.In afwijking in zoverre van het
eerste lid blijven de artikelen 18, 18e en 18g, zoals deze luidden
op 31 december 2004, van toepassing voor een werknemer die voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
3.In afwijking in zoverre van
artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar
opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting
van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een
overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit
artikel op 31 december 2004 luidde, in een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling.
Artikel 38g
Voor de toepassing van artikel 18e,
eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, wordt het
40-deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van:
a. een overbruggingspensioen als
bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2004
luidde;
b. uitkeringen ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i,
zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde;
c. een prepensioen als bedoeld in
artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde.
Artikel 38h
1.Een op 31 december 2004 bestaande
aanspraak die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend als gevolg van
de met ingang van 1 januari 2005 in werking getreden wijzigingen
van deze wet niet langer als een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling is aan te merken, wordt in afwijking in zoverre
van het bij deze wet bepaalde tot en met 31 december 2006 toch als
een aanspraak ingevolge een pensioenregeling aangemerkt, onder
gehoudenheid van de inhoudingsplichtige tot afdracht van de in het
tweede lid aangeduide heffing.
2.Ter zake van de in het eerste lid
bedoelde aanspraak is de inhoudingsplichtige verschuldigd een
heffing naar een tarief van 52% en over een grondslag als geduid
in het derde lid.
3.De grondslag waarover de heffing
is verschuldigd, is het positieve verschil tussen de toename van
de waarde in het economische verkeer van de aanspraak en de
toename van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak
ingeval op 1 januari 2006 de pensioenregeling reeds zodanig zou
zijn aangepast dat deze blijft binnen de begrenzingen zoals die
gelden met ingang van 1 januari 2005. De in de eerste volzin
bedoelde grondslag wordt aangemerkt als loon dat als een
eindheffingsbestanddeel wordt belast.
4.Uitkeringen en verstrekkingen uit
een aanspraak als bedoeld in het eerste lid behoren tot het loon,
onverminderd de omstandigheid dat de inhoudingsplichtige ingevolge
het eerste lid de aldaar bedoelde heffing is verschuldigd.
5.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel
waaronder regels om te komen tot een praktische benadering van de
grondslag.
Artikel 38i
1. Bij de beoordeling of binnen de
in artikel 18a gestelde begrenzingen wordt gebleven, blijven bij
een collectieve regeling buiten beschouwing:
a. op 31 december 2005
bestaande aanspraken, voorzover deze zijn opgebouwd ten
behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum
waarop de werknemer of gewezen werknemer de leeftijd van 65
jaar bereikt;
b. op 31 december 2005
bestaande aanspraken, voorzover deze zijn opgebouwd door
middel van een individuele aanvulling op de collectieve
regeling.
2. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een collectieve regeling verstaan een regeling
of een gedeelte van een regeling waaraan de werknemer verplicht
deelnam, voorzover de regeling of het gedeelte van de regeling
voor de werknemer geen keuzemogelijkheid bood met betrekking tot
de hoogte van het op te bouwen pensioen.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder een individuele aanvulling verstaan een
pensioen dat in aanvulling op een collectieve regeling is
opgebouwd.
Artikel 38j
Met betrekking tot een
pensioentoezegging als bedoeld in artikel 19 van de Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet kan als verzekeraar blijven optreden een
verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d en
e, zoals dat artikel luidde op de peildatum als bedoeld in artikel 1
van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, en blijft artikel
19b, tweede lid, derde volzin, zoals dat artikel op de genoemde
peildatum luidde, van toepassing.
Artikel 38k
Artikel 19b, eerste lid, is niet van
toepassing op een bij artikel 66 van de Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet toegestane afkoop van aanspraken.
Artikel 39
Artikel 13a, tweede lid, is niet van
toepassing op:
a. loon waarop de belasting met
toepassing van die bepaling voor 1 januari 1994 zou zijn
ingehouden;
b. loon waarvan is overeengekomen
dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk
tijdstip zal worden genoten en waarop de belasting met
toepassing van die bepaling voor 1 januari 2006 zou zijn
ingehouden.
Artikel 39a
Ingeval de inhoudingsplichtige loon
verstrekt met betrekking tot verstreken loontijdvakken binnen het
jaar 2010 is het de inhoudingsplichtige toegestaan dat loon
overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan de
desbetreffende loontijdvakken toe te rekenen, zo nodig door het
indienen van correctieberichten. Dat loon wordt voor de berekening
van de inhouding gerekend tot het loon van hetdesbetreffende
loontijdvak en wordt, in afwijking van artikel 13a van deze wet en
van artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geacht in die
tijdvakken te zijn genoten.
Artikel 39b
1. De inhoudingsplichtige of
gewezen inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels desgevraagd aan de inspecteur opgave te
verstrekken van het in een voorafgaand kalenderjaar door de
werknemer genoten loon, de ingehouden belasting en premies
volksverzekeringen, en andere gegevens welke van belang kunnen
zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting, alsmede de premies
werknemersverzekeringen, de ingehouden inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in de Zorgverzekeringswet, en gegevens als
bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
2. Indien de inhoudingsplichtige of
gewezen inhoudingsplichtige de opgave, bedoeld in het eerste lid,
niet, onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de door de
inspecteur gestelde termijn heeft verstrekt, vormt dit een verzuim
ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste €
1230 kan opleggen.
3. De bevoegdheid tot het opleggen
van een boete als bedoeld in het tweede lid vervalt door verloop
van één jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de opgave
had moeten worden verstrekt.
4. Artikel 67cb van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het
in het tweede lid genoemde bedrag.
Artikel 39c [Treedt in werking per
01-01-2011]
1. De inhoudingsplichtige kan bij
aanvang van het kalenderjaar, dan wel bij aanvang van de
inhoudingsplicht, ervoor kiezen de in artikel V, onderdelen A, B,
D, E en I van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 opgenomen
wijzigingen van artikel 10, eerste lid, artikel 11, eerste lid,
onderdelen a, b, i, m, q, s en t, hoofdstuk IIA en artikel 31,
zoals deze op 31 december 2010 luidden, en de daarmee verband
houdende wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
en van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, alsmede artikel
31a voor alle werknemers buiten beschouwing te laten voor dat
kalenderjaar onderscheidenlijk voor het vanaf de aanvang van de
inhoudingsplicht resterende gedeelte van het kalenderjaar.
2. Bij toepassing van het eerste
lid wordt artikel 15b, eerste lid, onderdeel ha, zoals dat op 31
december 2010 luidde, vanaf 1 januari 2011 als volgt gelezen:
ha. personeelsreizen,
personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele
voorzieningen, behoudens voor zover de vergoeding, volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels, niet meer bedraagt
dan € 454 per jaar;
Artikel 40
1.De bepalingen van deze wet treden
in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de
onderscheidene bepalingen verschillend kan zijn. Ingeval dit
tijdstip niet voor alle bepalingen hetzelfde is, worden door Ons
voor zoveel nodig, op de grondslag van de ingevolge artikel 39
zoals dat luidt bij de inwerkingtreding van deze wet vervallen of
ingetrokken bepalingen, regelen gegeven.
2.Deze wet kan worden aangehaald
als: Wet op de loonbelasting 1964.
Lasten en
bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële
Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 december 1964
JULIANA
De Minister van Financiën,
H.J.
Witteveen
De Staatssecretaris van
Financiën,
Van
den Berge
Uitgegeven de achttiende
december 1964
De Minister van Justitie a.i.,
E.H.
Toxopeus
|