Nadere regelgeving:
- Besluit aanstellingskeuringen
- Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen
WET van 5 juli 1997, houdende regels tot
versterking van de rechtspositie van hen die een medische keuring
ondergaan (Wet op de medische keuringen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
rechtspositie van degenen die een medische keuring ondergaan in verband
met een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de
Ziektewet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als
dienstbetrekking wordt aangemerkt, een burgerrechtelijke pensioen- of
levensverzekering of een verzekering wegens arbeidsongeschiktheid naar
burgerlijk recht, te versterken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. keuring: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en
het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of
wijzigen van:
1°. een burgerrechtelijke
arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt
aangemerkt,
2°. een aanstelling in openbare dienst,
3°. een burgerrechtelijke pensioen- of
levensverzekering,
4°. een pensioenovereenkomst als bedoeld
in artikel 1 van de Pensioenwet, dan wel een pensioenregeling ten
aanzien waarvan artikel 3 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling toepassing heeft gevonden of de
pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet
op het notarisambt,
5°. een verzekering wegens
arbeidsongeschiktheid naar burgerlijk recht, of
6°. een verzekering als bedoeld in artikel
4, vijfde lid, met betrekking tot een in Nederland gelegen risico;
b. keurling: een persoon die een keuring ondergaat;
c. keuringvrager: de (aanstaande) werkgever of (aanstaande)
verzekeraar die een keuring van een (aspirant-) werknemer of (aspirant-)
verzekerde vergt;
d. keurend arts: de geneeskundige die de keuring verricht en de
keuringvrager zijn gevolgtrekking mededeelt dan wel de geneeskundig
adviseur van zijn bevindingen op de hoogte stelt;
e. geneeskundig adviseur: de persoon die aan de keuringvrager in
diens opdracht op basis van de keuring van de keurend arts de
mededeling, bedoeld in het derde lid van artikel 10, doet;
f. vragengrens: het over drie jaren gerekend totaal te verzekeren
bedrag waar beneden de in artikel 5 genoemde vragen niet mogen
worden gesteld en het in artikel 6 genoemde onderzoek niet mag
worden verricht.
Artikel 2
1. Keuringen worden naar hun aard, inhoud en omvang beperkt tot
het doel waarvoor zij worden verricht.
2. Keuringsgegevens mogen slechts worden gebruikt voor het doel
waarvoor zij zijn verkregen.
Artikel 3
1. Bij een keuring worden geen vragen gesteld en geen medische
onderzoeken verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de
persoonlijke levenssfeer van de keurling.
2. In ieder geval mogen geen onderdeel van een medisch onderzoek
bij een keuring uitmaken:
a. onderzoek waarvan het te verwachten belang voor de keuringvrager
niet opweegt tegen de risico's daarvan voor de keurling, waaronder
begrepen onderzoek specifiek gericht op het verkrijgen van kennis over
de kans op een ernstige ziekte waarvoor geen geneeswijze voorhanden
is, dan wel waarvan de ontwikkeling niet door medisch ingrijpen kan
worden voorkomen of in evenwicht gehouden, of van kennis over een
aanwezige, niet behandelbare ernstige ziekte welke naar verwachting
eerst na langere tijd manifest zal worden;
b. onderzoek dat anderszins voor de keurling een onevenredig zware
belasting met zich meebrengt.
Artikel 4
1. Keuringen in verband met het aangaan en wijzigen van een
burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt
aangemerkt, of in verband met een aanstelling in openbare dienst
worden slechts verricht indien aan de vervulling van de functie,
waarop de arbeidsverhouding of aanstelling in openbare dienst
betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de medische
geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor
de functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en
veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de
desbetreffende arbeid.
2. Een keuring in verband met het aangaan van een
burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt,
of in verband met een aanstelling in openbare dienst wordt eerst
verricht nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de
aspirant-werknemer of aspirant-ambtenaar hebben plaats gevonden en de
werkgever op grond daarvan voornemens is de keurling aan te stellen.
Indien tot de beoordelingen bedoeld in de eerste volzin een onderzoek
naar de antecedenten van de aspirant-werknemer of aspirant-ambtenaar
behoort dan wel een veiligheidsonderzoek als bedoeld in de Wet
veiligheidsonderzoeken moet worden ingesteld, kan op verzoek van de
keurling de keuring in verband met het aangaan van een burgerrechtelijke
arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt,
of in verband met een aanstelling in openbare dienst voorafgaand aan
zodanig onderzoek worden verricht. De keuring in verband met het aangaan
van een aanstelling als militair ambtenaar of politie-ambtenaar kan
steeds worden verricht voorafgaande aan een met betrekking tot hem in te
stellen antecedentenonderzoek of veiligheidsonderzoek.
Bij andere beoordelingen dan de medische keuring mogen geen vragen
worden gesteld noch anderszins inlichtingen worden ingewonnen over de
gezondheidstoestand van de keurling en over diens ziekteverzuim in het
verleden.
3. Geen keuring vindt plaats voor deelneming aan een
pensioenregeling ten aanzien waarvan artikel 5 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling toepassing heeft gevonden of de pensioenregeling
waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt
dan wel voor de deelneming aan een pensioenregeling als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet. Indien de pensioenvoorziening
keuzemogelijkheden biedt voor een individuele deelnemer kan, in
afwijking van de eerste volzin, indien het een deelnemer betreft met een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die een wijziging wenst ten
aanzien van een eerder gemaakte keuze, wel een keuring plaatsvinden.
4. Voor zover niet ondergebracht bij een pensioenvoorziening dan
wel pensioenregeling, als bedoeld in het derde lid, vindt geen keuring
plaats voor deelneming aan een aanvullende
arbeidsongeschiktheidsverzekering die aan de burgerrechtelijke
arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt,
of in verband met een aanstelling in openbare dienst is verbonden.
5. Voorzover sprake is van een arbeidsverhouding die bij of
krachtens de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking
wordt aangemerkt of van een aanstelling in openbare dienst, vindt geen
keuring plaats in verband met een door de werkgever te sluiten of
gesloten verzekering ter dekking van het risico van doorbetaling van
loon als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, of van de betaling van een uitkering als bedoeld in
artikel 83 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel
betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 75a
van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Geen uitsluiting of vermindering van rechten op grond van
ziekten, aandoeningen of gebreken wordt bedongen door de verzekeraar bij
de deelneming aan een voorziening dan wel regeling als bedoeld in het
derde lid en bij het aangaan of wijzigen van een verzekering als bedoeld
in het vierde en vijfde lid, voorzover ingevolge deze leden een
keuringsverbod geldt.
Artikel 5
1. Bij een keuring in verband met het aangaan of wijzigen van
een verzekering mogen geen vragen worden gesteld over in artikel 3,
tweede lid, onderdeel a, genoemde ziekten, voor zover die op
erfelijkheid betrekking hebben, bij de bloedverwanten van de
aspirant-verzekerde en, tenzij de ziekte manifest is, bij de
aspirant-verzekerde zelf en over onderzoek bij de aspirant-verzekerde
en bij diens bloedverwanten gericht op de erfelijke aanleg voor ziekte
en de resultaten van dergelijk onderzoek, indien de te sluiten
verzekering de vragengrens niet overschrijdt. Bij de behandeling van
de aanvrage voor het aangaan of wijzigen van een verzekering en bij
een keuring in dat verband mogen geen uit andere hoofde reeds bij de
keuringvrager, de keurend arts of geneeskundig adviseur aanwezige
erfelijke gegevens over de aspirantverzekerde en diens bloedverwanten
worden gebruikt.
2. Voor
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, voor zover niet vallende onder
artikel 4, vierde lid, bedraagt de vragengrens € 36.249,–
voor het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid en € 24.159,–
voor het tweede jaar en de daaropvolgende jaren van
arbeidsongeschiktheid. Voor levensverzekeringen bedraagt de vragengrens
€ 181.198,–.
Bedoelde bedragen worden elke drie jaar bij ministeriële regeling
aangepast aan het consumentenprijsindexcijfer.
Artikel 6
In afwijking van artikel 3 mag bij het aangaan of wijzigen van een
verzekering als bedoeld in artikel 5, een medisch onderzoek naar Aids of
seropositiviteit voor Aids worden verricht:
a. indien de te sluiten verzekering de vragengrens, bedoeld in
artikel 5, tweede lid, overschrijdt, of
b. indien de te sluiten verzekering de vragengrens, bedoeld in
artikel 5, tweede lid, niet overschrijdt, maar het antwoord van de
keurling op de in het licht van de artikelen 2 en 3, eerste lid,
gerechtvaardigde vragen daartoe aanleiding geeft.
Artikel 7
In afwijking van artikel 3 kan, indien dit vanwege een dringend
algemeen belang noodzakelijk is, Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport ten aanzien van een zich nieuw voordoende ziekte die
valt onder artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bij ministeriële
regeling bepalen dat artikel 6 van overeenkomstige toepassing is, totdat
over deze ziekte afspraken als bedoeld in artikel 9 zijn gemaakt. Het
ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in de eerste volzin
wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt
vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 8
1. De keuringvrager legt met inachtneming van de artikelen 2,
3, 4, 5, 6 en 7 het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien
van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken
welke mogen worden verricht, schriftelijk vast.
2. Tijdig voor de aanvang van de keuring wordt aan de keurling op
begrijpelijke wijze schriftelijk informatie gegeven over doel, vragen en
onderzoeken, als bedoeld in het eerste lid, en over diens rechten bij
keuringen.
Artikel 9
Representatieve organisaties van de werkgevers, respectievelijk de
verzekeraars, representatieve organisaties van werknemers,
respectievelijk de consumenten en patiënten en de representatieve
organisatie van de artsen kunnen afspraken maken over de omschrijving
van het doel van de keuring, als bedoeld in het eerste lid van artikel
2, het verrichten van keuringen als bedoeld in het eerste lid van
artikel 4, en over de vragen en medische onderzoeken, als bedoeld in de
artikelen 3, 5, 6, 7 en 8.
Artikel 10
1. De keurend arts en de geneeskundig
adviseur oefenen hun taak uit met behoud van hun zelfstandig oordeel op
het gebied van hun deskundigheid en van hun onafhankelijkheid ten
opzichte van de keuringvrager.
2. De keurend arts en de geneeskundig adviseur zijn verplicht tot
geheimhouding van hetgeen hen over de keurling bekend is, en dragen zorg
voor een zodanige bewaring van de desbetreffende gegevens dat deze niet
voor derden toegankelijk zijn.
3. De keurend arts, respectievelijk de geneeskundig adviseur
delen aan de keuringvrager niet meer mee dan voor het doel van de
keuring strikt noodzakelijk is.
Artikel 11
De keurling heeft het recht medewerking te weigeren aan een keuring
of een onderdeel daarvan indien ten aanzien daarvan niet voldaan is aan
de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7 of 8.
Artikel 12
1. Indien aan de keuring een negatieve gevolgtrekking dan wel
een positieve gevolgtrekking onder bepaalde beperkingen wordt
verbonden, heeft de keurling het recht op herkeuring. De keurling
maakt zijn wens daartoe met redenen omkleed kenbaar binnen een week
nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is medegedeeld. De
keuringvrager treft een regeling voor herkeuring door een
onafhankelijk geneeskundige.
2. De door de keuringvrager te nemen beslissing wordt uitgesteld
totdat de uitslag van de herkeuring hem is medegedeeld.
3. De kosten van de herkeuring worden gedragen door de
keuringvrager. Deze mag echter een redelijke bijdrage van de keurling
verlangen.
Artikel 13
1. De in artikel 9 bedoelde organisaties kunnen een
onafhankelijke klachtencommissie instellen.
2. De commissie neemt klachten met betrekking tot het in of op
grond van deze wet geregelde en de afspraken bedoeld in artikel 9 in
ontvangst en doet aan de klager en degene over wie is geklaagd, haar
oordeel over de klacht toekomen.
3. De in artikel 9 bedoelde organisaties stellen het reglement
van de klachtencommissie vast.
Artikel 14
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het bepaalde in de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7,
8 en 13.
2. Indien en voor zover binnen drie jaren na de inwerkingtreding
van deze wet geen afspraken, als bedoeld in de artikelen 9 en 13, zijn
gemaakt of indien die afspraken niet voldoen aan bij of krachtens deze
wet gestelde eisen, worden bij algemene maatregel van bestuur
daaromtrent regels gesteld.
3. Een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken
na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt
vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of
door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een
der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de
algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld.
In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig
mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of
indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het
voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur
ingetrokken.
Artikel 15
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt in
overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens
telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 16
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. In het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat ten aanzien van de keuringen, bedoeld in artikel 5, de
artikelen 5, 9, 11, 12 en 13 op een later tijdstip in werking treden,
doch niet later dan drie jaren na het in het eerste lid bedoelde
tijdstip.
Artikel 17
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de medische keuringen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 juli 1997
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de eenentwintigste augustus 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|