Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 18 maart 1993, houdende regelen
inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van
fonogrammen of van eerste vastleggingen van films en omroeporganisaties
en wijziging van de Auteurswet 1912
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het
voornemen toe te treden tot het in 1961 te Rome gesloten Internationaal
Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten
van fonogrammen en omroeporganisaties (Trb. 1986, 182) en de in
1971 te Genève gesloten Overeenkomst ter bescherming van producenten
van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen (Trb.
1986, 183) wenselijk is regelen te treffen inzake de bescherming van
uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en
omroeporganisaties en dat het voorts in verband hiermee wenselijk is de
Auteurswet 1912 te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. uitvoerende kunstenaar: de toneelspeler, zanger, musicus,
danser en iedere andere persoon die een werk van letterkunde,
wetenschap of kunst of een uiting van folklore opvoert, zingt,
voordraagt of op enige andere wijze uitvoert, alsmede de artiest,
die een variété- of circusnummer of een poppenspel uitvoert;
b. opnemen: geluiden, beelden of een combinatie daarvan voor de
eerste maal vastleggen op enig voorwerp dat geschikt is om deze te
reproduceren of openbaar te maken;
c. fonogram: iedere opname van uitsluitend geluiden van een
uitvoering of andere geluiden;
d. producent van fonogrammen: de natuurlijke of rechtspersoon die
een fonogram voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen;
e. omroeporganisatie: een instelling, die in overeenstemming met
de wetgeving van het land waar de uitzending plaatsvindt, programma’s
verzorgt en onder haar verantwoordelijkheid uitzendt of doet
uitzenden;
f. reproduceren: de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame,
volledige of gedeeltelijke reproductie van een opname of een
reproductie daarvan, met welke middelen en in welke vorm ook; onder
reproduceren wordt niet verstaan de tijdelijke reproductie die van
voorbijgaande of incidentele aard is, en die een integraal en
essentieel onderdeel vormt van een technisch procédé dat wordt
toegepast met als enig doel de doorgifte in een netwerk tussen
derden door een tussenpersoon of een rechtmatig gebruik mogelijk te
maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezit;
g. uitzenden: het verspreiden van programma’s door middel van
een omroepzender als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008 of
een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008;
h. heruitzenden: het door een instelling gelijktijdig uitzenden
van een programma dat door een andere instelling of
omroeporganisatie wordt uitgezonden;
i. programma: een uitgezonden radio- of televisieprogramma, of -programma-onderdeel;
j. verhuren: het voor een beperkte tijd en tegen een direct of
indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter
beschikking stellen;
k. uitlenen: het voor een beperkte tijd en zonder direct of
indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter
beschikking stellen door voor het publiek toegankelijke
instellingen;
l. uitvoering: de activiteit van de uitvoerend kunstenaar als
zodanig;
m. beschikbaar stellen voor het publiek: op grond van deze wet
beschermd materiaal per draad of draadloos voor leden van het
publiek beschikbaar stellen op zodanige wijze dat zij daartoe op een
door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben;
n. technische voorzieningen: technologie, inrichtingen of
onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het
voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van het op grond
van deze wet beschermd materiaal, die door de uitvoerend kunstenaar,
producent van fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van
films of omroeporganisatie niet zijn toegestaan; technische
voorzieningen worden geacht «doeltreffend» te zijn indien het
gebruik van op grond van deze wet beschermd materiaal door de
uitvoerend kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van
eerste vastleggingen van films of omroeporganisatie, of hun
rechtverkrijgenden, wordt beheerst door middel van toegangscontrole
of door toepassing van een beschermingsprocédé zoals encryptie,
vervorming of andere transformatie van op grond van deze wet
beschermd materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde
bescherming bereikt;
o. informatie betreffende het beheer van rechten: alle door de
uitvoerende kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van
eerste vastleggingen van films, of omroeporganisaties, en hun
rechtverkrijgenden verstrekte informatie, welke is verbonden met een
reproductie van op grond van deze wet beschermd materiaal of bij de
openbaarmaking dan wel het in het verkeer brengen daarvan is bekend
gemaakt, die dient ter identificatie van dat materiaal, of
informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het op
grond van deze wet beschermd materiaal alsmede de cijfers of codes
waarin die informatie is vervat.
Artikel 1a
Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor de houder van een
naburig recht gehouden degene die op of in het op grond van deze wet
beschermde materiaal als zodanig is aangeduid, of bij gebreke van een
dergelijke aanduiding, degene die bij de openbaarmaking of het in het
verkeer brengen van dit materiaal als uitvoerende kunstenaar, producent
van fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van films, of
omroeporganisatie, daarvan is bekend gemaakt door degene die het
materiaal openbaar maakt of in het verkeer brengt.
Hoofdstuk 2. Inhoud van de naburige rechten
Artikel 2
1. De uitvoerende kunstenaar heeft het uitsluitend recht om
toestemming te verlenen voor een of meer van de volgende handelingen:
a. het opnemen van een uitvoering;
b. het reproduceren van een opname van een uitvoering;
c. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in
het verkeer brengen van een opname van een uitvoering of van een
reproduktie daarvan dan wel het voor die doeleinden invoeren,
aanbieden of in voorraad hebben;
d. het uitzenden, het heruitzenden, het beschikbaar stellen
voor het publiek of het op een andere wijze openbaar maken van een
uitvoering of een opname van een uitvoering of een reproductie
daarvan.
2. Is een opname van een uitvoering of een reproduktie daarvan door
de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met
zijn toestemming voor de eerste maal in een van de lid-staten van de
Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 in het
verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger
van die opname of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend
recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onder c, genoemde
handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van
de in dat lid bedoelde opname van een uitvoering of een reproduktie
daarvan toegestaan, mits degene die de uitlening verricht of doet
verrichten een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de
aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke
Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor
uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn voor het uitlenen
ten behoeve van de bij deze bibliotheken ingeschreven blinden en
slechtzienden vrijgesteld van betaling van de in het derde lid
bedoelde vergoeding.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd
indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het
uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke
vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde
rechtspersonen.
7. Ten aanzien van het in het eerste lid, onder d, bepaalde wordt
onder openbaar maken mede verstaan de uitvoering die plaatsvindt in
besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of
daaraan gelijk te stellen kring en voor het bijwonen daarvan geen
betaling, in welke vorm ook, geschiedt.
8. Onder het openbaar maken van een uitvoering wordt niet begrepen
de uitvoering welke uitsluitend gebruikt wordt voor het onderwijs dat
vanwege de overheid of vanwege een rechtspersoon zonder winstoogmerk
wordt gegeven, voorzover deze uitvoering deel uitmaakt van het
schoolwerkplan, leerplan of instellingswerkplan of dient tot een
wetenschappelijk doel.
9. Als afzonderlijke openbaarmaking wordt niet beschouwd de
heruitzending van een programma door hetzelfde organisme dat dat
programma oorspronkelijk uitzendt.
Artikel 2a
1. Indien een uitvoerende kunstenaar het verhuurrecht, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder c, met betrekking tot een op een fonogram
opgenomen uitvoering heeft overgedragen aan de producent daarvan, is
de producent de uitvoerende kunstenaar een billijke vergoeding
verschuldigd voor de verhuur.
2. Van het in het eerste lid bedoelde recht op een billijke
vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
Artikel 3
De werkgever is bevoegd de rechten van de uitvoerende kunstenaar,
bedoeld in artikel 2, te exploiteren, voor zover dit tussen partijen is
overeengekomen dan wel voortvloeit uit de aard van de tussen hen
gesloten arbeidsovereenkomst, de gewoonte of de eisen van redelijkheid
en billijkheid. Tenzij anders is overeengekomen of uit de aard van de
overeenkomst, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid
anders voortvloeit, is de werkgever aan de uitvoerende kunstenaar of
zijn rechtverkrijgende een billijke vergoeding verschuldigd voor iedere
vorm van exploitatie van diens rechten. De werkgever eerbiedigt de in
artikel 5 bedoelde rechten van de uitvoerende kunstenaar.
Artikel 4
Op de uitvoering van een uitvoerende kunstenaar, die bestemd is als
bijdrage voor de totstandkoming van een filmwerk als bedoeld in artikel
45a van de Auteurswet, zijn de artikelen 45a tot en met 45g van
voornoemde wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1. De uitvoerende kunstenaar heeft, zelfs nadat hij zijn in artikel
2 bedoelde recht heeft overgedragen:
a. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de
uitvoering zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding
als uitvoerende kunstenaar tenzij het verzet zou zijn in strijd
met de redelijkheid;
b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de
uitvoering onder een andere naam dan de zijne, alsmede tegen het
aanbrengen van enige wijziging in de wijze waarop hij is
aangeduid, voorzover deze naam of aanduiding in verband met de
uitvoering is vermeld of openbaar is gemaakt;
c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in
de uitvoering, tenzij deze wijziging van zodanige aard is dat het
verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid;
d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming,
verminking of andere aantasting van de uitvoering, die nadeel zou
kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de uitvoerende
kunstenaar of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.
2. De in het voorgaande lid genoemde rechten komen na het
overlijden van de uitvoerende kunstenaar tot aan het vervallen van
zijn in artikel 2 bedoelde recht toe aan de door hem bij uiterste
wilsbeschikking aangewezene.
3. Van de in het eerste lid onder a-c genoemde rechten kan
schriftelijk afstand worden gedaan.
Artikel 6
1. De producent van fonogrammen heeft het uitsluitend recht om
toestemming te verlenen voor
a. het reproduceren van een door hem vervaardigd fonogram;
b. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in
het verkeer brengen van een door hem vervaardigd fonogram of van
een reproduktie daarvan dan wel het voor die doeleinden invoeren,
aanbieden of in voorraad hebben;
c. het uitzenden, het heruitzenden, het beschikbaar stellen
voor het publiek of het op een andere wijze openbaar maken van een
door hem vervaardigd fonogram of een reproductie daarvan. Artikel
2, zevende tot en met het negende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Is een fonogram of een reproduktie daarvan door de houder van
het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met zijn
toestemming voor de eerste maal in een van de lid-staten van de
Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van van 2 mei 1992 in het
verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger
van dat fonogram of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend
recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onder b, genoemde
handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van
het in dat lid bedoelde fonogram of een reproduktie daarvan
toegestaan, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten
een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de
aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke
Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor
uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden zijn voor het uitlenen
ten behoeve van de bij deze bibliotheken ingeschreven blinden en
slechtzienden vrijgesteld van betaling van de in het derde lid
bedoelde vergoeding.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd
indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het
uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke
vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde
rechtspersonen.
Artikel 7
1. Een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram of een
reproduktie daarvan kan zonder toestemming van de producent van het
fonogram en de uitvoerende kunstenaar of hun rechtverkrijgenden worden
uitgezonden, heruitgezonden of op een andere wijze openbaar gemaakt,
mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald. Het in het eerste
volzin bepaalde is niet van toepassing op het beschikbaar stellen voor
het publiek van een dergelijk fonogram.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een voor
commerciële doeleinden uitgebracht fonogram mede begrepen een
fonogram dat beschikbaar wordt gesteld voor het publiek.
3. Bij gebreke van overeenstemming over de hoogte van de billijke
vergoeding is de rechtbank Den Haag in eerste aanleg bij uitsluiting
bevoegd om op vordering van de meest gerede partij de hoogte van de
vergoeding vast te stellen.
4. De vergoeding komt toe aan zowel de uitvoerende kunstenaar als
de producent of hun rechtverkrijgenden en wordt tussen hen gelijkelijk
verdeeld.
Artikel 7a
1. De producent van de eerste vastleggingen van films heeft het
uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor:
a. het reproduceren van een door hem vervaardigde eerste
vastlegging van een film of van een reproduktie daarvan;
b. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in
het verkeer brengen van een door hem vervaardigde eerste
vastlegging van een film of een reproduktie daarvan, dan wel het
voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben;
c. het beschikbaar stellen voor het publiek van een door hem
vervaardigde eerste vastlegging van een film of een reproductie
daarvan.
2. Is een eerste vastlegging van een film of een reproduktie
daarvan door de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het
eerste lid, of met zijn toestemming voor de eerste maal in een van de
lid-staten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992
in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de
verkrijger van die eerste vastlegging of die reproduktie niet in
strijd met dit uitsluitend recht door ten aanzien daarvan de in het
eerste lid, onder b, genoemde handelingen, met uitzondering van
verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van
de in dat lid bedoelde eerste vastlegging of een reproduktie daarvan
toegestaan, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten
een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de
aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke
Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor
uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn voor het uitlenen
ten behoeve van de bij deze bibliotheken ingeschreven blinden en
slechtzienden vrijgesteld van betaling van de in het derde lid
bedoelde vergoeding.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd
indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het
uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke
vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde
rechtspersonen.
Artikel 8
1. Een omroeporganisatie heeft het uitsluitend recht om toestemming
te verlenen voor een of meer van de volgende handelingen:
a. het heruitzenden van programma's;
b. het opnemen van programma’s en het reproduceren van een
dergelijke opname;
c. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in
het verkeer brengen van een opname van een uitzending of van een
reproduktie daarvan dan wel het voor die doeleinden invoeren,
aanbieden of in voorraad hebben;
d. het openbaarmaken van programma's, indien deze
openbaarmaking geschiedt in voor het publiek toegankelijke
plaatsen tegen betaling van entreegeld, ongeacht welke technische
hulpmiddelen daarbij worden gebruikt;
e. het beschikbaar stellen voor het publiek of op andere wijze
openbaar maken van opnamen van programma's of reproducties
daarvan, ongeacht welke technische hulpmiddelen daarbij worden
gebruikt. Artikel 2, zevende tot en met negende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Is een opname van een uitzending of een reproduktie daarvan door
de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met
zijn toestemming voor de eerste maal in een van de lid-staten van de
Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 in het
verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger
van die opname of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend
recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onder c, genoemde
handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van
de in dat lid bedoelde opname van een uitzending of een reproduktie
daarvan toegestaan mits degene die de uitlening verricht of doet
verrichten een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de
aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke
Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor
uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn voor het uitlenen
ten behoeve van de bij deze bibliotheken ingeschreven blinden en
slechtzienden vrijgesteld van betaling van de in het derde lid
bedoelde vergoeding.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd
indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het
uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke
vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde
rechtspersonen.
Artikel 9
De rechten die deze wet verleent gaan over bij erfopvolging. Deze
rechten zijn, met uitzondering van die welke genoemd zijn in het eerste
lid van artikel 5, vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht.
Levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, geschiedt door
een daartoe bestemde akte. De overdracht omvat alleen die bevoegdheden
waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of strekking van de
titel noodzakelijk voortvloeit. Ten aanzien van het verlenen van
toestemming als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 is het bepaalde in
de derde en vierde volzin van dit artikel van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9a
De rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, zijn niet van
toepassing op een door of vanwege de openbare macht in het verkeer
gebrachte opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van
een film, opnamen van een programma, en een reproductie daarvan en
openbaar gemaakte uitvoering, opname van een uitvoering, fonogram,
eerste vastlegging van een film, programma, opname van een programma, en
een reproductie daarvan, waarvan de openbare macht de rechthebbende is,
tenzij de rechten hetzij in het algemeen bij de wet, besluit of
verordening, hetzij in een bepaald geval blijkens mededeling op of in
het op grond van deze wet beschermde materiaal zelf dan wel bij het in
het verkeer brengen of openbaar maken daarvan uitdrukkelijk zijn
voorbehouden.
Artikel 10
Als inbreuk op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8,
wordt niet beschouwd:
a. het overnemen van op grond van deze wet beschermd materiaal
over actuele economische, politieke, godsdienstige of
levensbeschouwelijke onderwerpen, die in een radio- of
televisieprogramma of ander medium dat eenzelfde functie vervult,
zijn openbaar gemaakt of in het verkeer gebracht, indien het
overnemen geschiedt in een radio- of televisieprogramma of ander
medium dat eenzelfde functie vervult; artikel 15, eerste lid, onder
3° en 4°, van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten
aanzien van een uitvoering dientartikel 5 in acht te worden genomen;
b. het citeren in een aankondiging, beoordeling, polemiek of
wetenschappelijke verhandeling of een uiting met een vergelijkbaar
doel; artikel 15a, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, van de
Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een
uitvoering dientartikel 5 in acht te worden genomen;
c. het door middel van een besloten netwerk beschikbaar stellen
van een opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van
een film of opname van een programma, of een reproductie daarvan,
dat onderdeel uitmaakt van verzamelingen van voor het publiek
toegankelijke bibliotheken en musea of archieven die niet het
behalen van een direct of indirect economisch of commercieel
voordeel nastreven, door middel van daarvoor bestemde terminals in
de gebouwen van die instellingen aan individuele leden van het
publiek voor onderzoek of privé-studie, tenzij anders is
overeengekomen;
d. de verslaggeving in het openbaar in een film-, radio- of
televisiereportage over actuele gebeurtenissen, voorzover zulks voor
het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis die het
onderwerp van de reportage uitmaakt gerechtvaardigd is en mits
slechts gebruik wordt gemaakt van korte fragmenten; artikel 16a van
de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing;
e. het reproduceren van op grond van deze wet beschermd
materiaal, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect
commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie
of gebruik van een natuurlijke persoon die de reproductie
vervaardigt; de artikelen 16c, tweede tot en met zevende lid, 16d
tot en met 16ga, 17d en 35c van de Auteurswet zijn van
overeenkomstige toepassing;
f. de reproductie van een opname van een uitvoering, fonogram,
eerste vastlegging van een film of opname van een programma, of een
reproductie daarvan, door voor het publiek toegankelijke
bibliotheken, onderwijsinstellingen of musea of door archieven die
niet het behalen van een direct of indirect economisch of
commercieel voordeel nastreven, indien het reproduceren geschiedt
met als enig doel een opname van een uitvoering, fonogram, eerste
vastlegging van een film of opname van een programma, of een
reproductie daarvan, voor de instelling te behouden bij aantoonbare
dreiging van verval dan wel raadpleegbaar te houden als de
technologie waarmee het toegankelijk kan worden gemaakt in onbruik
raakt; artikel 16n, tweede lid, onder 1° en 2°, van de Auteurswet
is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een uitvoering
dientartikel 5 in acht te worden genomen;
g. de tijdelijke vastlegging door een omroeporganisatie die
bevoegd is tot de openbaarmaking door uitzending van een radio- of
televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium dat
eenzelfde functie vervult, met haar eigen middelen en uitsluitend
voor uitzending van haar eigen programma’s; ten aanzien van een
uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen; artikel 17b,
eerste en derde lid, van de Auteurswet is van overeenkomstige
toepassing;
h. de incidentele verwerking van op grond van deze wet beschermd
materiaal als onderdeel van ondergeschikte betekenis in ander
materiaal;
i. de reproductie, het openbaar maken of het in het verkeer
brengen van op grond van deze wet beschermd materiaal voor zover dat
uitsluitend voor mensen met een handicap bestemd is, met de handicap
direct verband houdt, van niet commerciële aard is en wegens die
handicap noodzakelijk is; de artikelen 15i, tweede lid, en 16g van
de Auteurswet zijn van overeenkomstige toepassing;
j. een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in
overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het
maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is; en
k. het overnemen van op grond van deze wet beschermd materiaal
ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, de openbare
veiligheid of om het goede verloop van een bestuurlijke,
parlementaire of gerechtelijke procedure of de berichtgeving
daarover te waarborgen.
Artikel 11
Van inbreuk op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, is
geen sprake indien de handelingen, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en
8, uitsluitend worden verricht ter toelichting bij het onderwijs, voor
zover dit door het beoogde, niet commerciële doel wordt
gerechtvaardigd; artikel 16, eerste lid, onder 1°, 2°, 4° en 5°, van
de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een
uitvoering dient artikel 5in acht genomen te worden.
Artikel 12
1. De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen door verloop
van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat
waarin de uitvoering heeft plaatsgehad. Indien echter binnen deze
termijn een opname van de uitvoering op rechtmatige wijze in het
verkeer is gebracht of is openbaar gemaakt, vervallen de rechten door
verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar,
volgend op dat waarin de opname voor het eerst op rechtmatige wijze in
het verkeer is gebracht of, indien dit eerder valt, is openbaar
gemaakt.
2. De rechten van producenten van fonogrammen vervallen door
verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar,
volgend op dat waarin het fonogram is vervaardigd. Indien binnen deze
termijn het fonogram op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht,
vervallen de rechten door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e
januari van het jaar, volgende op dat waarin het fonogram voor het
eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht. Indien het
fonogram binnen de in de vorige zin bedoelde termijn niet op
rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht maar wel openbaar is
gemaakt, vervallen de rechten 50 jaar na de datum waarop het fonogram
voor het eerst is openbaar gemaakt.
3. De rechten van omroeporganisaties vervallen door verloop van 50
jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin
een programma voor het eerst is uitgezonden, ongeacht welke technische
hulpmiddelen daarbij worden gebruikt.
4. De rechten van producenten van de eerste vastlegging van een
film vervallen door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari
van het jaar, volgend op dat waarin de eerste vastlegging heeft
plaatsgehad. Indien echter binnen deze termijn de eerste vastlegging
op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of is openbaar
gemaakt, vervallen de rechten door verloop van 50 jaren te rekenen van
de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin de eerste
vastlegging voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is
gebracht, of indien dit eerder valt, is openbaar gemaakt.
Hoofdstuk 3. De uitoefening en de handhaving van de naburige rechten
Artikel 13
De in artikel 2 bedoelde rechten kunnen, ingeval het een gezamenlijke
uitvoering door zes of meer personen betreft, uitsluitend worden
uitgeoefend door een door de aan die uitvoering deelnemende uitvoerende
kunstenaars bij meerderheid gekozen vertegenwoordiger. Het bepaalde in
de eerste zin van dit artikel is niet van toepassing op de aan de
gezamenlijke uitvoering meewerkende solist, regisseur en dirigent. De
handhaving van de in artikel 2 bedoelde rechten kan, ingeval het een
gezamenlijke uitvoering betreft, door een ieder van de aan die
uitvoering deelnemende uitvoerende kunstenaars geschieden, tenzij anders
is overeengekomen.
Artikel 14
Indien aan twee of meer producenten van fonogrammen of van eerste
vastleggingen van films of omroeporganisaties een gemeenschappelijk
recht ten aanzien van eenzelfde fonogram, eerste vastlegging van een
film of programma toekomt, kan de handhaving van dit recht door ieder
van hen geschieden, tenzij anders is overeengekomen.
Artikel 14a
1. Het recht van de uitvoerende kunstenaar en de producent van
fonogrammen om toestemming te verlenen voor het ongewijzigd en
onverkort heruitzenden van een uitvoering onderscheidenlijk een
fonogram of een reproduktie daarvan door middel van een omroepnetwerk
als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008, kan uitsluitend
worden uitgeoefend door rechtspersonen die zich ingevolge hun statuten
ten doel stellen de belangen van rechthebbenden door de uitoefening
van het aan hen toekomende hiervoor bedoelde recht te behartigen.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen zijn ook bevoegd de
belangen te behartigen van rechthebbenden die daartoe geen opdracht
hebben gegeven, indien het betreft de uitoefening van dezelfde rechten
als in de statuten vermeld. Indien meerdere rechtspersonen zich
blijkens de statuten de behartiging van de belangen van dezelfde
categorie rechthebbenden ten doel stellen, kan de rechthebbende,
bedoeld in de eerste zin van dit lid, een van hen aanwijzen als
bevoegd tot de behartiging van zijn belangen.
3. Voor rechthebbenden die geen opdracht hebben gegeven als bedoeld
in het tweede lid, gelden de rechten en verplichtingen die
voortvloeien uit een overeenkomst die een tot de uitoefening van
dezelfde rechten bevoegde rechtspersoon heeft gesloten met betrekking
tot de in het eerste lid bedoelde uitzending, onverkort.
4. Vorderingen jegens de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon
terzake van de door deze geïnde gelden vervallen door verloop van
drie jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de in het
eerste lid bedoelde heruitzending heeft plaatsgevonden.
5. Dit artikel is niet van toepassing op rechten als bedoeld in het
eerste lid die toekomen aan een omroeporganisatie met betrekking tot
haar eigen uitzendingen.
Artikel 14b
Partijen zijn verplicht de onderhandelingen over de toestemming voor
het heruitzenden, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, te goeder trouw te
voeren en niet zonder geldige reden te verhinderen of te belemmeren.
Artikel 14c
1. Indien over het heruitzenden, bedoeld in artikel 14a, eerste
lid, geen overeenstemming kan worden bereikt, kan iedere partij een
beroep doen op een of meer bemiddelaars. De bemiddelaars worden
zodanig geselecteerd dat over hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid
in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.
2. De bemiddelaars verlenen bijstand bij het voeren van de
onderhandelingen en zijn bevoegd aan de partijen voorstellen te
betekenen. Tot drie maanden na de dag van ontvangst van de voorstellen
van de bemiddelaars kan een partij zijn bezwaren tegen deze
voorstellen betekenen aan de andere partij. De voorstellen van de
bemiddelaars binden de partijen, tenzij binnen de in de vorige zin
bedoelde termijn door een van hen bezwaren zijn betekend. De
voorstellen en de bezwaren worden aan de partijen betekend
overeenkomstig het bepaalde in de zesde afdeling van de eerste titel
van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 14d
De artikelen 14b en 14c zijn van overeenkomstige toepassing op het
ongewijzigde en onverkorte heruitzenden van het programma van een
omroeporganisatie door middel van een omroepnetwerk als bedoeld in
artikel 1.1 van de Mediawet 2008.
Artikel 15
1. De betaling van de in artikel 7 bedoelde billijke vergoeding
dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie aan te
wijzen representatieve rechtspersoon die met uitsluiting van anderen
met de inning en verdeling van deze vergoeding is belast. Ten aanzien
van de vaststelling van de hoogte van de vergoeding en de inning
daarvan alsmede de uitoefening van het uitsluitend recht
vertegenwoordigt de in de vorige zin bedoelde rechtspersoon de
rechthebbenden in en buiten rechte.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersoon staat onder toezicht
van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve
beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
3. De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt
overeenkomstig een reglement dat is opgesteld door de rechtspersoon,
bedoeld in het eerste lid, en dat is goedgekeurd door het College van
Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties
auteurs- en naburige rechten.
Artikel 15a
1. De betaling van de in de artikelen 2, 6, 7a en 8 bedoelde
vergoeding dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie
in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen aan te wijzen naar hun oordeel representatieve
rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen belast is met de inning
en de verdeling van deze vergoeding. In aangelegenheden betreffende de
vaststelling van de hoogte van de vergoeding en de inning daarvan
alsmede de uitoefening van het uitsluitende recht vertegenwoordigt de
in de vorige zin bedoelde rechtspersoon de rechthebbenden in en buiten
rechte.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersoon staat onder toezicht
van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve
beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
3. De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt
overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld door de rechtspersoon,
bedoeld in het eerste lid, en dat is goedgekeurd door het College van
Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties
auteurs- en naburige rechten.
Artikel 15b
De hoogte van de in de artikelen 2, derde lid, 6, derde lid, 7a,
derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding wordt vastgesteld door
een door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen stichting waarvan
het bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen van rechthebbenden
en de ingevolge voornoemde artikelen betalingsplichtigen op evenwichtige
wijze worden behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze stichting
wordt benoemd door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het aantal
bestuursleden van deze stichting dient oneven te zijn.
Artikel 15c
Geschillen met betrekking tot de in de artikelen 2, derde lid, 6,
derde lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding worden in
eerste aanleg bij uitsluiting beslist door de rechtbank Den Haag.
Artikel 15d
Degene die tot betaling van de in de artikelen 2, derde lid, 6, derde
lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding verplicht is,
is gehouden, voor zover geen ander tijdstip is overeengekomen, vóór 1
april van ieder kalenderjaar aan de in artikel 15a, eerste lid, bedoelde
rechtspersoon opgave te doen van het aantal rechtshandelingen, bedoeld
in eerstgenoemde artikelen. Hij is voorts gehouden desgevraagd aan deze
rechtspersoon onverwijld de bescheiden of andere informatiedragers ter
inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is voor de
vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.
Artikel 15e
De rechter kan op vordering van de rechthebbende, bedoeld in
deartikelen 2, 6, 7a en 8, tussenpersonen wier diensten door derden
worden gebruikt om inbreuk op zijn naburig recht te maken, bevelen de
diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.
Artikel 15f
De voorzieningenrechter kan op vordering van de rechthebbende,
bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, tijdelijke voortzetting van de
vermeende inbreuk toestaan onder de voorwaarde dat zekerheid wordt
gesteld voor vergoeding van de door de rechthebbende geleden schade.
Onder dezelfde voorwaarden kan de rechter voortzetting van de
dienstverlening door de tussenpersoon als bedoeld in artikel
15etoestaan.
Artikel 16
1. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding
vaststellen als een forfaitair bedrag.
2. Naast schadevergoeding kan de rechthebbende, bedoeld in de
artikelen 2, 6, 7a en 8, vorderen dat degene die inbreuk op zijn recht
heeft gemaakt wordt veroordeeld de door deze tengevolge van de inbreuk
genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording
af te leggen.
3. De rechthebbende kan de in het tweede lid bedoelde vorderingen
of een van deze ook namens of mede namens een licentienemer instellen,
onverminderd de bevoegdheid van deze laatste in een al of niet namens
hem of mede namens hem door de rechthebbende ingesteld geding tussen
te komen om rechtstreeks de door hem geleden schade vergoed te krijgen
of om zich een evenredig deel van de door de gedaagde af te dragen
winst te doen toewijzen. De in het tweede lid bedoelde vorderingen of
een van deze kan een licentienemer slechts instellen als hij de
bevoegdheid daartoe heeft bedongen.
Artikel 17
1. De rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, geven de
bevoegdheid om opnamen of reproducties daarvan die in strijd met die
rechten in het verkeer zijn gebracht alsmede niet geoorloofde opnamen
of reproducties, als zijn eigendom op te eisen dan wel onttrekking aan
het handelsverkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan te
vorderen. Gelijke bevoegdheid bestaat ten aanzien van roerende zaken
die geen registergoederen zijn en die rechtstreeks hebben gediend tot
de vervaardiging van de in de eerste zin bedoelde opnamen of
reproducties. Bevoegdheid tot opeising bestaat tevens ten aanzien van
gelden waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen door of als
gevolg van inbreuk op een van de in de artikelen 2, 6, 7a en 8
bedoelde rechten. Teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over
te gaan, kan de gerechtigde de afgifte van deze zaken vorderen.
2. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken die geen
registergoederen zijn, zijn van toepassing. Bij samenloop met een
ander beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel
voor.
3. Tenzij anders is overeengekomen, heeft de licentienemer het
recht de uit het eerste lid voortvloeiende bevoegdheden uit te
oefenen, voor zover deze strekken tot bescherming van de rechten
waarvan de uitoefening hem is toegestaan.
4. Gelijke bevoegdheid tot opeising, dan wel tot onttrekking aan
het handelsverkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking alsmede tot
afgifte teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan,
bestaat ten aanzien van inrichtingen, producten en onderdelen als
bedoeld in artikel 19 en reproducties als bedoeld in artikel 19a, die
geen registergoederen zijn.
5. De maatregelen bedoeld in het eerste en vierde lid worden op
kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit
beletten.
6. De rechter kan op vordering van de rechthebbende bedoeld in de
artikelen 2, 6, 7a en 8, degene die inbreuk op diens recht heeft
gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en
distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken, aan
de gerechtigde mee te delen en alle daarop betrekking hebbende
gegevens aan deze te verstrekken. Onder dezelfde voorwaarden kan dit
bevel worden gegeven aan een derde die op commerciële schaal
inbreukmakende goederen in zijn bezit heeft of gebruikt, die op
commerciële schaal diensten verleent die bij de inbreuk worden
gebruikt, of die door een van deze derden is aangewezen als zijnde
betrokken bij de productie, fabricage of distributie van deze goederen
of bij het verlenen van deze diensten. Deze derde kan zich verschonen
van het verstrekken van informatie die bewijs zou vormen van deelname
aan een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom door hem zelf
of door de andere in artikel 165, derde lid, Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering bedoelde personen.
7. Bij de beoordeling van de maatregelen die de rechthebbende,
bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en8, of diens licentienemer kan
vorderen ingevolge de bevoegdheden, genoemd in het eerste en vierde
lid, houdt de rechter rekening met de noodzakelijke evenredigheid
tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde maatregelen en met de
belangen van derden.
Artikel 18
De in artikel 17, eerste lid, bedoelde bevoegdheid kan niet worden
uitgeoefend ten aanzien van opnamen of reprodukties daarvan, die onder
personen berusten, die niet in soortgelijke zaken handel drijven en deze
uitsluitend voor eigen gebruik hebben verkregen, tenzij zij zelf inbreuk
op het desbetreffende recht hebben gemaakt.
Artikel 18a
De rechter kan op vordering van de rechthebbende, bedoeld in
deartikelen 2, 6, 7a en 8, gelasten dat op kosten van degene die inbreuk
op diens recht heeft gemaakt passende maatregelen worden getroffen tot
verspreiding van informatie over de uitspraak.
Artikel 19
1. Degene, die doeltreffende technische voorzieningen omzeilt en
dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, handelt onrechtmatig.
2. Degene die diensten verricht of inrichtingen, producten of
onderdelen vervaardigt, invoert, distribueert, verkoopt, verhuurt,
adverteert of voor commerciële doeleinden bezit die:
a) aangeboden, aangeprezen of in de handel gebracht worden met
het doel om de beschermende werking van doeltreffende technische
voorzieningen te omzeilen, of
b) slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben anders
dan het omzeilen van de beschermende werking van doeltreffende
technische voorzieningen, of
c) vooral ontworpen, vervaardigd of aangepast worden met het
doel het omzeilen van de beschermende werking van doeltreffende
technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken,
handelt onrechtmatig.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
vastgesteld die de uitvoerende kunstenaar, producent van fonogrammen,
producent van films en omroeporganisatie, of hun rechtverkrijgenden,
er toe verplichten aan de gebruiker van een uitvoering, opname van een
uitvoering, fonogram, film of programma, of een reproductie daarvan
voor doeleinden als omschreven in artikel 10, onderdelen e, f, g, i en
k, en artikel 11 de nodige middelen te verschaffen om van deze
beperkingen te profiteren, mits de gebruiker rechtmatig toegang tot
door de technische voorziening beschermde uitvoering, opname van een
uitvoering, fonogram, film of programma, of reproductie daarvan,
heeft. Het bepaalde in de voorgaande zin geldt niet ten aanzien van
uitvoeringen, opnamen van uitvoeringen, fonogrammen, films of
programma's, of reproducties daarvan, die onder contractuele
voorwaarden aan gebruikers beschikbaar worden gesteld op een door hen
individueel gekozen plaats en tijd. Artikel 17d van de Auteurswet is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19a
Degene die opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn
elektronische informatie betreffende het beheer van rechten verwijdert
of wijzigt, of van opnamen van uitvoeringen, fonogrammen, films of
programma's, of reproducties daarvan, op ongeoorloofde wijze dergelijke
informatie is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke
informatie is gewijzigd, verspreidt, ter verspreiding invoert, uitzendt
of anderszins openbaar maakt, en weet of redelijkerwijs behoort te weten
dat hij zodoende aanzet tot inbreuk op de rechten als bedoeld in de
artikelen 2, 6, 7a en 8 dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt,
vergemakkelijkt of verbergt, handelt onrechtmatig.
Artikel 20
1. Op verzoek van een of meer naar het oordeel van de Minister van
Justitie representatieve organisaties van bedrijfs- of beroepsgenoten,
die rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid zijn en die ten
doel hebben de behartiging van de belangen van personen die beroeps-
of bedrijfsmatig opnamen of reprodukties daarvan, verkopen, verhuren,
uitlenen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen dan wel voor
die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben, kan
voornoemde minister bepalen dat door hem aangewezen beroeps- of
bedrijfsgenoten verplicht zijn hun administratie te voeren op een
nader door hem aan te geven wijze.
2. Hij die de in het vorige lid bedoelde verplichting niet nakomt,
wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Het feit is
een overtreding.
Hoofdstuk 4. Bepalingen van strafrecht
Artikel 21
Hij die opzettelijk inbreuk maakt op de rechten, bedoeld in de
artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze wet, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 22
Hij, die opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op de rechten
als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze wet een opname van
een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of een opname
van een programma, of een reproductie daarvan, is vervat,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt,
b. ter reproductie of ter verspreiding voorhanden heeft,
c. invoert, doorvoert of uitvoert, of
d. bewaart uit winstbejag,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 23
Hij, die van het plegen van de misdrijven als bedoeld in de artikelen
21 en 22, zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als
bedrijf uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 24
Hij, die een voorwerp waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat
daarin met inbreuk op de rechten als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7aen
8 van deze wet een opname van een uitvoering, fonogram, eerste
vastlegging van een film of een opname van een programma, of een
reproductie daarvan, is vervat,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt,
b. ter reproductie of ter verspreiding voorhanden heeft,
c. invoert, doorvoert of uitvoert of
d. bewaart uit winstbejag,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 25
Hij die opzettelijk in een uitvoering, in de benaming daarvan of in
de aanduiding van de uitvoerende kunstenaar wederrechtelijk enige
wijziging aanbrengt, of wel een zodanige uitvoering op enige andere
wijze, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de
uitvoerende kunstenaar of aan zijn waarde in deze hoedanigheid, aantast,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 26
De feiten strafbaar gesteld in de artikelen 21, 22, 23, 24 en 25 zijn
misdrijven.
Artikel 27
Hij die in een schriftelijke aanvrage of opgave aan de in artikel 15,
eerste lid, bedoelde rechtspersoon, dienende voor de vaststelling van
het op grond van artikel 7 van deze wet verschuldigde, opzettelijk een
onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het
feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 27a
Degene die een opgave, bedoeld in artikel 15d, opzettelijk nalaat dan
wel in een dergelijke opgave opzettelijk een onjuiste of onvolledige
mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd
als een overtreding.
Artikel 28
De opsporingsambtenaren zijn bevoegd, tot het opsporen van de bij
deze wet strafbaar gestelde feiten en ter inbeslagneming van hetgeen
daarvoor vatbaar is, elke plaats te betreden. Indien hun de toegang
wordt geweigerd, verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de
sterke arm. In woningen treden zij tegen de wil van de bewoner niet
binnen dan op vertoon van een schriftelijke bijzondere last van of in
tegenwoordigheid van een officier van justitie of een hulpofficier van
justitie. Van dit binnentreden wordt door hen binnen vierentwintig uren
procesverbaal opgemaakt.
Artikel 29
De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde tot het opsporen van
bij deze wet strafbaar gestelde feiten inzage vorderen van alle
bescheiden of andere gegevensdragers, waarvan inzage voor de vervulling
van hun taak redelijkerwijze nodig is, bij hen die in de uitoefening van
hun beroep of bedrijf opnamen of reprodukties daarvan, waarop de in de
artikelen 2, 6, 7a en 8 bedoelde rechten betrekking hebben,
reproduceren, verkopen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen
dan wel voor die doeleinden invoeren, doorvoeren, uitvoeren aanbieden of
in voorraad hebben of openbaar maken.
Artikel 30
1. De door de strafrechter verbeurd verklaarde opnamen en
reprodukties worden vernietigd; echter kan de rechter bij het vonnis
bepalen, dat zij aan de rechthebbende zullen worden afgegeven, indien
deze zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen een maand nadat de
uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Door de afgifte gaat de eigendom van de opnamen en reprodukties
op de rechthebbende over. De rechter zal kunnen gelasten, dat die
afgifte niet zal geschieden dan tegen een bepaalde door de
rechthebbende te betalen vergoeding, welke ten bate komt van de Staat.
Artikel 31 [Vervallen per 26-03-2008]
Hoofdstuk 5. Toepassingscriteria
Artikel 32
1. De voorgaande artikelen zijn op de uitvoerende kunstenaar van
toepassing ingeval:
a. hij onderdaan is van een van de lid-staten van de Europese
Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 of zijn
gewone verblijfplaats in Nederland heeft dan wel onderdaan is van
een Staat die partij is bij het Verdrag van Rome inzake de
bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van
fonogrammen en omroeporganisaties; of
b. zijn uitvoering in Nederland plaats had dan wel in een Staat
die partij is bij het Verdrag van Rome inzake de bescherming van
uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en
omroeporganisaties; of
c. zijn uitvoering is opgenomen op een fonogram als bedoeld in
het tweede lid van dit artikel; of
d. zijn uitvoering, die niet is opgenomen op een fonogram, is
openbaar gemaakt door middel van een programma van een
omroeporganisatie als bedoeld in het zesde lid van dit artikel.
2. De voorgaande artikelen zijn op de producenten van fonogrammen
van toepassing ingeval:
a. hij onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar het
recht van een van de lid-staten van de Europese Unie of van een
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in Nederland zijn zetel
of gewone verblijfplaats heeft of onderdaan is van dan wel
rechtspersoon is opgericht naar het recht van een Staat die partij
is bij het in het eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van Rome
of bij de Overeenkomst ter bescherming van producenten van
fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen;
of
b. het opnemen in Nederland plaats had dan wel in een Staat die
partij is bij het in het eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van
Rome of bij de Overeenkomst ter bescherming van producenten van
fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen;
of
c. het fonogram voor de eerste maal, of binnen dertig dagen na
de eerste uitgave in een ander land, in het verkeer is gebracht in
Nederland dan wel in een Staat die partij is bij het in het eerste
lid, onder a, bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst ter
bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd
kopiëren van hun fonogrammen.
3. Van het in het verkeer brengen als bedoeld in het tweede lid is
sprake, wanneer van op rechtmatige wijze vervaardigde reprodukties van
een fonogram een zodanig aanbod van exemplaren daarvan heeft
plaatsgevonden dat daardoor wordt voorzien in de redelijke behoeften
van het publiek.
4. Met betrekking tot fonogrammen, waarvan de producent onderdaan
is van dan wel rechtspersoon is opgericht naar het recht van een Staat
die partij is bij het in het eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van
Rome is artikel 7 slechts van toepassing in de mate waarin en voor de
duur waarvoor deze Staat bescherming verleent ten aanzien van
fonogrammen waarvan de producent Nederlander is dan wel zijn zetel
heeft in Nederland.
5. Het recht op een billijke vergoeding, als bedoeld in artikel 7,
geldt niet voor fonogrammen waarvan de producent geen onderdaan is van
noch rechtspersoon is opgericht naar het recht van een Staat die
partij is bij het in het eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van
Rome.
6. De voorgaande artikelen zijn op omroeporganisaties van
toepassing ingeval:
a. het hoofdkantoor van de omroeporganisatie is gevestigd in
een van de lid-staten van de Europese Unie of in een staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in een Staat die partij is bij het
in het eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van Rome; of
b. de uitzending van het programma heeft plaatsgevonden in
Nederland dan wel in een Staat die partij is bij het in het eerste
lid onder a, bedoelde Verdrag van Rome; of
7. Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel is niet
van toepassing op fonogrammen waarvan de producent onderdaan is van of
rechtspersoon is opgericht naar het recht van een van de lid-staten
van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
1992.
8. De voorgaande artikelen zijn op de producent van de eerste
vastleggingen van films van toepassing ingeval:
a. hij onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar het
recht van een van de lid-staten van de Europese Unie of van een
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in Nederland zijn zetel
of gewone verblijfplaats heeft; of
b. de vastlegging in Nederland plaats had; of
c. de vastlegging voor de eerste maal, of binnen dertig dagen
na de eerste uitgave in een ander land, in het verkeer is gebracht
in Nederland.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32a
1. De voorgaande artikelen zijn van toepassing op het uitzenden van
een uitvoering, fonogram, of programma of een reproduktie daarvan door
middel van een satelliet, indien in Nederland onder controle en
verantwoordelijkheid van een omroeporganisatie de programmadragende
signalen voor ontvangst door het publiek zijn ingevoerd in een
ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de
aarde loopt. Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm
worden uitgezonden, is er sprake van een uitzending, bedoeld in de
eerste zin, indien de middelen voor het decoderen van de uitzending
door of met toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van
het publiek worden gesteld.
2. De voorgaande artikelen zijn voorts van toepassing op het
uitzenden, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de handeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in een
land dat niet tot de Europese Unie behoort of dat niet partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van
2 mei 1992;
b. het land waar de handeling, bedoeld in het eerste lid,
plaatsvindt niet het niveau van bescherming biedt, voorzien in
hoofdstuk II van richtlijn nr. 93/83/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 27 september 1993 tot coördinatie van
bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige
rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via
de kabel (PbEG L 248); en
c. hetzij de programmadragende signalen naar de satelliet
worden doorgezonden vanuit een grondstation in Nederland, hetzij
een omroeporganisatie die in Nederland haar hoofdvestiging heeft,
opdracht heeft gegeven tot de uitzending en geen gebruik wordt
gemaakt van een grondstation in een lid-staat van de Europese Unie
of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.
Artikel 33
Ten aanzien van uitvoeringen, fonogrammen of programma's, die voor
het tijdstip van in werking treden van deze wet hebben plaatsgevonden,
zijn vervaardigd onderscheidenlijk zijn uitgezonden, zijn de door deze
wet verleende rechten van toepassing voor zover het gedragingen betreft
die plaatsvinden na het tijdstip van in werking treden van deze wet.
Artikel 33a
1. Uitvoerende kunstenaars die onderdaan zijn van een staat, niet
zijnde een lid-staat van de Europese Unie of een staat die partij is
bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2
mei 1992, die geen partij is bij het Verdrag van Rome inzake de
bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen
en omroeporganisaties, en omroeporganisaties, waarvan het hoofdkantoor
is gevestigd in een staat als hiervoor bedoeld, kunnen geen beroep
doen op de door deze wet verleende rechten, indien de duur daarvan
ingevolge de nationale wetgeving reeds is verstreken.
2. Het in het eerste lid bepaalde is eveneens van toepassing op
a. producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van een
staat, niet zijnde ene lid-staat van de Europese Unie of een staat
die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van 2 mei 1992, die geen partij is bij het in
het eerste lid bedoelde Verdrag of bij de Overeenkomst ter
bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd
kopiëren van hun fonogrammen;
b. producenten van eerste vastlegging van films die onderdaan
zijn van een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie
of een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, waarvan de nationale
wetgeving in een kortere beschermingstermijn voorziet dan die
bedoeld in artikel 12, vierde lid.
Artikel 34
De voorgaande artikelen van deze wet laten een beroep op artikel 162
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek onverlet.
Hoofdstuk 6. Overgangsbepaling
Artikel 35
1. De in deze wet voorziene beschermingstermijnen zijn met ingang
van het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing
op uitvoeringen, fonogrammen, eerste vastleggingen van films of
programma's, die op 1 juli 1995 in ten minste één lid-staat van de
Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 beschermd
worden door de nationale wetgeving op het gebied van de naburige
rechten of die op die datum voldoen aan de beschermingscriteria van de
Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november
1992, PbEG 1992, L 346/61, betreffende het verhuurrecht, het
uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van
intellectuele eigendom.
2. Deze wet laat vóór inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig
verrichte exploitatiehandelingen alsmede vóór dat tijdstip verworven
rechten onverlet.
3. Hij die met betrekking tot een uitvoering, fonogram, eerste
vastlegging van een film of een programma, waarvan de
beschermingstermijn vóór inwerkingtreding van dit artikel was
verstreken en waarop met ingang van inwerkingtreding van dit artikel
deze wet weer van toepassing is, vóór 24 november 1993 rechtmatig
exploitatiehandelingen heeft verricht, is bevoegd deze
exploitatiehandelingen met ingang van inwerkingtreding van dit artikel
voort te zetten.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 36
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 37
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de naburige rechten.
Lasten en bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 maart 1993
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d’Ancona
Uitgegeven de eerste april 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|