WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taak
en de bestuursstructuur van de Nederlandse organisatie voor
zuiver-wetenschappelijk onderzoek te wijzigen;
dat het in verband daarmede noodzakelijk is de regeling van deze
organisatie, vervat in de Wet op het Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (Stb.
1950, K5), te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
b. organisatie: de organisatie, genoemd in artikel 2, eerste lid;
c. reglement: het reglement, bedoeld in artikel 16.
Artikel 2. Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO)
1. Er is een organisatie, genaamd Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek.
2. De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid; zij is gevestigd
te 's-Gravenhage.
Artikel 3. Taken NWO
1. De organisatie heeft tot taak het bevorderen van de
kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en
stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk
onderzoek.
2. De organisatie voert haar taak uit in het bijzonder door het
toewijzen van middelen.
3. De organisatie bevordert de overdracht van kennis van de
resultaten van door haar geïnitieerd en gestimuleerd onderzoek ten
behoeve van de maatschappij.
4. De organisatie richt zich bij het uitvoeren van haar taak in
hoofdzaak op het universitaire onderzoek. Daarbij let zij op het aspect
van coördinatie en bevordert deze waar nodig.
Hoofdstuk II. Het bestuur en de inrichting van de organisatie
§ 1. Het algemeen bestuur
Artikel 4. Taak algemeen bestuur
Aan het algemeen bestuur behoort de bevoegdheid tot regeling en
bestuur van de organisatie, voor zover die niet bij of krachtens deze
wet aan de gebiedsbesturen is opgedragen.
Artikel 5. Verantwoordings- en inlichtingenplicht algemeen bestuur
Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan Onze
Minister. Het verstrekt aan Onze Minister de gevraagde inlichtingen.
Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur
1. Het algemeen bestuur bestaat uit een voorzitter en ten
hoogste zes overige leden. Het aantal leden wordt bij koninklijk
besluit bepaald.
2. De voorzitter en de overige leden van het algemeen bestuur
worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister,
het algemeen bestuur gehoord. De benoeming geschiedt voor een termijn
van vijf jaren. De leden kunnen éénmaal opnieuw worden benoemd.
3. Onze Minister stelt de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen en de universiteiten, genoemd in de bijlage bij de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gezamenlijk, in de
gelegenheid van hun gevoelens te doen blijken over de voordrachten,
bedoeld in het tweede lid.
4. De voorzitter en de overige leden van het algemeen bestuur
kunnen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, het
algemeen bestuur gehoord, om zwaarwichtige redenen worden geschorst en
tussentijds ontslagen.
5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met
dat van een gebiedsbestuur. Een lid van het personeel kan niet worden
benoemd tot lid van het algemeen bestuur.
Artikel 7. Vertegenwoordiging NWO
1. De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de
organisatie in en buiten rechte.
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een vice-voorzitter
aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze
vervangt.
Artikel 8. Algemeen directeur NWO
1. Het algemeen bestuur wordt bijgestaan door een algemeen
directeur.
2. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de algemeen
directeur.
3. De algemeen directeur is belast met de leiding van het bureau
van de organisatie.
4. Het algemeen bestuur stelt de taakomschrijving van de algemeen
directeur vast, de gebiedsbesturen gehoord.
Artikel 8a. Rechtspositie leden algemeen bestuur
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden vastgesteld voor de rechtspositie van de voorzitter en de andere
leden van het algemeen bestuur.
§ 2. De gebiedsbesturen
Artikel 9. Taken gebiedsbesturen
1. Bij reglement wordt vastgesteld voor welke
wetenschapsgebieden er gebiedsbesturen zijn.
2. Een gebiedsbestuur is, met inachtneming van door het algemeen
bestuur te geven richtlijnen, het instellingsplan, bedoeld in artikel
18, eerste lid, en de door Onze Minister goedgekeurde begroting, belast
met het toewijzen van middelen ten behoeve van onderzoeksprojecten en
onderzoekprogramma's.
3. Een gebiedsbestuur adviseert het algemeen bestuur desgevraagd
of uit eigen beweging.
4. Bij reglement wordt bepaald welke de verdere bevoegdheden van
de onderscheiden gebiedsbesturen zijn.
5. Een gebiedsbestuur is verantwoording verschuldigd aan het
algemeen bestuur. Het verstrekt aan het algemeen bestuur de gevraagde
inlichtingen.
Artikel 10. Samenstelling gebiedsbesturen
1. Een gebiedsbestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste
acht overige leden. Het aantal leden wordt door het algemeen bestuur
bepaald.
2. De voorzitter en de overige leden van een gebiedsbestuur
worden benoemd door het algemeen bestuur, op voordracht van het zittende
gebiedsbestuur. De benoeming geschiedt voor een termijn van drie jaren.
De leden kunnen tweemaal opnieuw worden benoemd.
3. De voorzitter en de overige leden van een gebiedsbestuur
kunnen door het algemeen bestuur, het desbetreffende gebiedsbestuur
gehoord, worden geschorst en tussentijds ontslagen.
4. Het lidmaatschap van een gebiedsbestuur is onverenigbaar met
dat van het algemeen bestuur of van enig ander gebiedsbestuur. Een lid
van het personeel kan niet worden benoemd tot lid van een
gebiedsbestuur.
Het algemeen bestuur voert het personeelsbeleid en personeelsbeheer,
daar onder begrepen de bevoegdheid tot het in dienst nemen, schorsen en
ontslaan van het personeel.
Artikel 14. Rechtspositie personeel
Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald,
is op het personeel van de organisatie het bij of krachtens artikel 4.5.
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bepaalde
van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Het reglement
Artikel 15. Inhoud reglement
Het bestuur en de inrichting van de organisatie alsmede de
bestuurlijke betrekkingen van de organisatie tot de
onderzoekorganisaties voor zover daaraan krachtens deze wet middelen
worden toegewezen, worden nader bij reglement geregeld.
Artikel 16. Vaststelling en goedkeuring reglement
1. Het reglement wordt vastgesteld door het algemeen bestuur.
2. Het reglement of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring
van Onze Minister.
3. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het
recht of op de grond dat het reglement naar het oordeel van Onze
Minister een goede taakuitoefening door de organisatie kan belemmeren.
Hoofdstuk III. Planning, financiële bepalingen, verslag en rekening
§ 1. Wetenschapsbudget
Artikel 16a. Wetenschapbudget
1. Onze Minister stelt het wetenschapsbudget vast. Het
wetenschapsbudget heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier
jaren.
2. Onze Minister agendeert, in overeenstemming met het gevoelen
van de raad van ministers, in het wetenschapsbudget beleidsonderwerpen
op het terrein van het fundamenteel en toegepast onderzoek.
Artikel 17. Vaststelling wetenschapbudget
1. Het wetenschapsbudget wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar
na het tijdstip van vaststelling van het vorige wetenschapsbudget. Na
overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal kan het
wetenschapsbudget uiterlijk zes maanden na het tijdstip, bedoeld in de
eerste volzin, worden vastgesteld.
2. Onze Minister biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het
tijdstip waarop het wetenschapsbudget moet zijn vastgesteld, een ontwerp
daarvan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.
3. Over de wijze waarop het vastgestelde wetenschapsbudget wordt
openbaar gemaakt, doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.
§ 2. Planning
Artikel 18. Meerjarig instellingsplan
1. Het algemeen bestuur stelt, rekening houdend met voorstellen
van de gebiedsbesturen, een instellingsplan vast uiterlijk vier jaar
na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan. Het algemeen
bestuur zendt het plan na vaststelling onverwijld aan Onze Minister.
2. In het instellingsplan wordt tevens rekening gehouden met het
wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a, de instellingsplannen van
universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen, een
en ander voorzover die naar het oordeel van het algemeen bestuur van
belang zijn voor de uitvoering van de taken van de organisatie.
3. Het instellingsplan omvat in elk geval:
a. doelstellingen van de organisatie op middellange termijn;
b. hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen
prioriteiten;
c. financiële, personele, materiële en organisatorische
voorwaarden die moeten worden vervuld.
4. Onze Minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan
binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het algemeen
bestuur. Onze Minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift
toekomen aan de beide Kamers van de Staten-Generaal.
5. Onze Minister kan zijn standpunt over het instellingsplan
gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een
nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing.
§ 3. Financiële bepalingen
Artikel 19. Financiële middelen van NWO
1. De inkomsten van de organisatie bestaan uit:
a. de bijdrage uit ’s Rijks kas;
b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de
rijksbijdrage is verleend;
c. andere inkomsten.
2. De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door
de vaststelling of nadere vaststelling bij wet van het hoofdstuk van de
rijksbegroting waarop zij is voorgesteld. De rijksbijdrage wordt betaald
in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de
betalingen door de organisatie nodig is.
3. Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader
vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze
Minister te stellen regelen.
4. Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als
bedoeld in het eerste lid onder c, buiten beschouwing.
5. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de bestemming
van saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid
onder a en b.
Artikel 20. Doelmatig beheer
Het algemeen bestuur is belast met het doelmatig beheer van de
financiën en de vermogensbestanddelen van de organisatie.
Artikel 21. Begroting
1. Het algemeen bestuur zendt jaarlijks voor 1 november aan
Onze Minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.
2. De begroting behelst een raming van de baten en lasten van de
organisatie, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een
raming van de inkomsten en uitgaven. In de begroting is een allocatie
van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het
instellingsplan, bedoeld in artikel 18. In de begroting wordt rekening
gehouden met de voorstellen van de gebiedsbesturen.
3. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een
toelichting voorzien. Uit de toelichting blijkt steeds welke
begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of
krachtens de wet aan de organisatie opgedragen taken dan wel op andere
activiteiten.
4. Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft
nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking
met de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde
jaarrekening, bedoeld in artikel 25.
Artikel 22. Goedkeuring begroting
1. Het besluit tot vaststelling van de begroting, bedoeld in
artikel 21, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2. De goedkeuring wordt verleend of onthouden aan de vastgestelde
begroting in haar geheel. De goedkeuring kan slechts worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Indien Onze Minister binnen twee maanden na ontvangst geen
toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, wordt het besluit tot
vaststelling van de begroting geacht te zijn goedgekeurd.
Artikel 23. Tussentijdse over- of onderschrijding
Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten
dan wel inkomsten en uitgaven, doet het algemeen bestuur daarvan
onverwijld mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de oorzaak
van de verschillen.
Artikel 24. Jaarverslag
Het algemeen bestuur zendt jaarlijks voor 1 juli het jaarverslag aan
Onze Minister. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het
gevoerde beleid en geeft aan in hoeverre de doelstellingen uit het
instellingsplan, bedoeld in artikel 18, zijn verwezenlijkt.
Artikel 25. Jaarrekening
1. Gelijktijdig met het jaarverslag dient het algemeen bestuur
de jaarrekening bij Onze Minister in.
2. Het besluit tot vaststelling van de jaarrekening behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
3. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met
het recht of het algemeen belang dan wel op de grond dat de jaarrekening
naar het oordeel van Onze Minister niet of niet voldoende in
overeenstemming is met het instellingsplan. Artikel 10:30 van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien Onze Minister binnen één jaar na ontvangst geen
toepassing heeft gegeven aan het tweede lid, wordt het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening geacht te zijn goedgekeurd.
Artikel 26. Inrichting jaarverslag en accountantscontrole
1. De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt
afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over
het verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door het algemeen bestuur aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het
algemeen bestuur dat aan Onze Minister desgevraagd inzicht wordt geboden
in de controlewerkzaamheden van de accountant.
3. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede
betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de
organisatie.
4. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer
en inrichting van de werkzaamheden van de organisatie voldoen aan eisen
van doelmatigheid.
5. Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij
of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de
rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de
rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister, onverminderd
artikel 25, bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden
gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de
ontvangst van de jaarrekening bekend aan het algemeen bestuur.
§ 4. Voorschriften inrichting begroting en jaarrekening
Artikel 27. Voorschriften begroting, jaarverslag en jaarrekening
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld
voor de inrichting van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening.
Hoofdstuk IV. Schorsing en vernietiging van besluiten;
taakverwaarlozingsregeling