Nadere regelgeving:
- Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968
- Uitvoeringsbeschikking
omzetbelasting 1968
- Uitvoeringsbesluit
belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
- Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
WET van 28 juni 1968, houdende vervanging
van de bestaande omzetbelasting door een omzetbelasting volgens het
stelsel van heffing over de toegevoegde waarde
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de richtlijnen van de Raad
van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de harmonisatie van
de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting (Publikatieblad
van de Europese Gemeenschappen van 14 april 1967) aanleiding zijn de
bestaande omzetbelasting volgens het cumulatieve cascadestelsel te
vervangen door een omzetbelasting volgens het stelsel van heffing over
de toegevoegde waarde;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Onder de naam 'omzetbelasting' wordt een belasting geheven ter zake
van:
a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door
een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden
verricht;
b. intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende
titel in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer en
door rechtspersonen, andere dan ondernemers;
c. intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel, anders
dan in de zin van onderdeel b, van nieuwe vervoermiddelen in
Nederland;
d. invoer van goederen.
Artikel 1a
1.Artikel 1, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing wanneer
het verworven goed:
a. is geleverd door een ondernemer op wie de in de artikelen
282 tot en met 292 van de BTW-richtlijn 2006 bedoelde
vrijstellingsregeling van toepassing is;
b. is geleverd in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel
f;
c. is geleverd met toepassing van artikel 5a, eerste lid; of
d. is geleverd met toepassing van een van de in de artikelen
312 tot en met 325 en 333 tot en met 340 van de BTW-richtlijn 2006
bedoelde bijzondere regelingen.
2.Artikel 1, aanhef en onderdeel b, is voorts niet van toepassing
op intracommunautaire verwervingen van goederen, andere dan nieuwe
vervoermiddelen en accijnsgoederen, door:
a. ondernemers die op grond van artikel 27, eerste lid, geen
omzetbelasting verschuldigd zijn;
b. ondernemers die uitsluitend leveringen van goederen of
diensten verrichten waarvoor geen recht op aftrek van belasting
bestaat; en
c. rechtspersonen, andere dan ondernemers;
voor zover het totaal van de vergoedingen ter zake van deze
verwervingen in het lopende kalenderjaar niet meer bedraagt dan € 10
000 , mits het totaal van de vergoedingen ter zake van dergelijke
verwervingen in het voorafgaande kalenderjaar niet meer heeft bedragen
dan € 10 000 .
3.De in het tweede lid bedoelde ondernemers en rechtspersonen
kunnen aan de inspecteur verzoeken om dat lid op hen niet van
toepassing te doen zijn. Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks
tot wederopzegging door belanghebbende doch ten minste voor twee
kalenderjaren. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar
vatbare beschikking. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden
gesteld inzake de toepassing van dit lid.
Artikel 2
Op de belasting, verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en
diensten, wordt in aftrek gebracht de belasting ter zake van de aan de
ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, ter
zake van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van
goederen en ter zake van invoer van voor hem bestemde goederen.
Artikel 2a
1. In deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan
onder:
a. BTW-richtlijn 2006: richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad
van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het
gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde
waarde (PbEU L 347);
b. lid-staat: een lid-staat van de Europese Gemeenschap;
c. Gemeenschap: het geheel van de grondgebieden van de
lid-staten zoals die gebieden zijn omschreven in artikel 5, onder
2, van de BTW-richtlijn 2006, met dien verstande dat ook het
Vorstendom Monaco en het eiland Man worden behandeld als gebied
van de Franse Republiek respectievelijk het Verenigd Koninkrijk
van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en dat ook de zones
Akrotiri en Dhekelia van Cyprus, die onder de soevereiniteit van
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
vallen, worden behandeld als gebied van de Republiek Cyprus;
d. derde-land: elk ander grondgebied dan dat van de
Gemeenschap;
e. accijnsgoederen: bier, wijn, tussenprodukten, overige
alcoholhoudende produkten, minerale oliën en tabaksprodukten als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de accijns, kolen als bedoeld
in artikel 32, onderdeel a, van de Wet belastingen op
milieugrondslag, alsmede aardgas als bedoeld in artikel 47, eerste
lid, onderdeel m, van de Wet belastingen op milieugrondslag in
verbinding met artikel 48, tweede lid, van die wet, maar met
uitzondering van gas dat wordt geleverd via een op het grondgebied
van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een
dergelijk systeem aangesloten net;
f. nieuwe vervoermiddelen: voor het personen- of
goederenvervoer bestemde schepen met een lengte van meer dan 7,5
m, luchtvaartuigen met een totaal opstijggewicht van meer dan 1550
kg en landvoertuigen die zijn uitgerust met een motor van meer dan
48 cc cilinderinhoud of met een vermogen van meer dan 7,2 kW, met
uitzondering van zeeschepen en luchtvaartuigen als bedoeld in de
bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a, post 3, wanneer op
het tijdstip van de levering:
1°. na het tijdstip van eerste ingebruikneming van het
landvoertuig niet meer dan zes maanden, dan wel van het schip
of luchtvaartuig niet meer dan drie maanden, zijn verstreken;
of
2°. het vervoermiddel, als het een landvoertuig betreft
ten hoogste 6000 km heeft afgelegd, als het een schip betreft
ten hoogste 100 uren heeft gevaren, dan wel als het een
luchtvaartuig betreft ten hoogste 40 uren heeft gevlogen;
g. btw-identificatienummer: het nummer dat ingevolge artikel
214 van de BTW-richtlijn 2006 door een lid-staat aan een
ondernemer of aan een rechtspersoon, andere dan ondernemer, is
toegekend;
h. intracommunautair goederenvervoer: het vervoer van goederen
waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het
grondgebied van twee verschillende lidstaten zijn gelegen;
i. plaats van vertrek: de plaats waar het goederenvervoer
daadwerkelijk aanvangt, zonder rekening te houden met de trajecten
die worden afgelegd om zich naar de plaats te begeven waar de
goederen zich bevinden;
j. plaats van aankomst: de plaats waar het goederenvervoer
daadwerkelijk eindigt;
k. wederverkoper: de ondernemer wiens activiteiten geheel of
ten dele bestaan uit de wederverkoop van gebruikte goederen,
kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten;
l. gebruikte goederen: alle roerende lichamelijke zaken die, in
de staat waarin zij verkeren of na herstelling daarvan, opnieuw
kunnen worden gebruikt, andere dan nieuwe vervoermiddelen die
worden verzonden of vervoerd van een lid-staat naar een andere
lid-staat, en andere dan bij ministeriële regeling aan te wijzen
edele metalen en edelstenen;
m. kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en
antiquiteiten: de bij ministeriële regeling aan te wijzen
goederen;
n. gedeelte van een binnen de Gemeenschap verricht
passagiersvervoer: het gedeelte van een vervoer dat, zonder
tussenstop buiten de Gemeenschap, plaatsvindt tussen de plaats van
vertrek en de plaats van aankomst van het vervoer van passagiers;
in geval het een heen- en terugreis betreft, wordt de terugreis
als een afzonderlijk vervoer beschouwd;
o. plaats van vertrek van een vervoer van passagiers: het
eerste punt in de Gemeenschap waar passagiers aan boord kunnen
komen, eventueel na een tussenstop buiten de Gemeenschap;
p. plaats van aankomst van een vervoer van passagiers: het
laatste punt in de Gemeenschap waar passagiers die binnen de
Gemeenschap aan boord zijn gekomen van boord kunnen gaan,
eventueel vóór een tussenstop buiten de gemeenschap;
q. elektronische diensten: langs elektronische weg verrichte
diensten, met name de in bijlage II van de BTW-richtlijn 2006
beschreven diensten;
r. telecommunicatiediensten: diensten waarmee de transmissie,
uitzending of ontvangst van signalen, geschriften, beelden en
geluiden of informatie van allerlei aard per draad, via
radiofrequente straling, langs optische weg of met behulp van
andere elektromagnetische middelen mogelijk wordt gemaakt, met
inbegrip van de daarmee samenhangende overdracht en verlening van
rechten op het gebruik van infrastructuur voor de transmissie,
uitzending of ontvangst, waaronder het bieden van toegang tot
wereldwijde informatienetten;
s. normale waarde:
1°. het volledige bedrag, de omzetbelasting niet daaronder
begrepen, dat de afnemer van goederen of diensten, om de
desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te
verkrijgen, in dezelfde handelsfase als waarin de goederen
worden geleverd of de diensten worden verricht, op het
tijdstip van die levering of van die verrichting en bij vrije
mededinging daarvoor zou moeten betalen aan een zelfstandige
leverancier of dienstverrichter in Nederland;
2°. indien geen vergelijkbare levering of verrichting als
bedoeld onder 1° voorhanden is:
– met betrekking tot goederen: een waarde die niet lager
is dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke
goederen of, indien er geen aankoopprijs is, dan de kostprijs,
berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht;
– met betrekking tot diensten: een waarde die niet lager
is dan de door de ondernemer voor het verrichten van de dienst
gemaakte uitgaven.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
wijze waarop moet worden aangetoond of een vervoermiddel als nieuw
aangemerkt dient te worden.
Hoofdstuk II. Heffing ter zake van leveringen en diensten
Afdeling 1. Belastbaar feit
Artikel 3
1. Leveringen van goederen zijn:
a. de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over
een goed te beschikken;
b. de afgifte van goederen ingevolge een overeenkomst van
huurkoop;
c. de oplevering van onroerende zaken door degene die de zaken
heeft vervaardigd, met uitzondering van andere onbebouwde
terreinen dan bouwterreinen als bedoeld in artikel 11, vierde lid;
d. de rechtsovergang van goederen tegen betaling van een
vergoeding ingevolge een vordering door of namens de overheid;
e. [vervallen;]
f. de rechtsovergang van goederen welke het onderwerp uitmaken
van een overeenkomst tot het aanbrengen van die goederen aan een
ander goed.
2. Als levering van goederen wordt mede aangemerkt de vestiging,
overdracht, wijziging, afstand en opzegging van rechten waaraan
onroerende zaken zijn onderworpen, met uitzondering van hypotheek en
grondrente, tenzij de vergoeding, vermeerderd met de omzetbelasting,
minder bedraagt dan de waarde in het economische verkeer van die
rechten. De waarde in het economische verkeer bedraagt ten minste de
kostprijs, met inbegrip van de omzetbelasting, van de onroerende zaak
waarop het recht betrekking heeft, zoals die zou ontstaan bij de
voortbrenging door een onafhankelijke derde op het tijdstip van de
handeling.
3. Met een levering onder bezwarende titel als bedoeld in artikel
1, onderdeel a, worden gelijkgesteld:
a. het door een ondernemer aan zijn bedrijf onttrekken van een
goed dat hij voor eigen privé-doeleinden of voor
privé-doeleinden van zijn personeel bestemt, dat hij om niet
verstrekt of, meer in het algemeen, dat hij voor andere dan
bedrijfsdoeleinden bestemt, ingeval met betrekking tot dat goed of
de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek
van de belasting is ontstaan;
b. het door een ondernemer voor bedrijfsdoeleinden bestemmen
van in het eigen bedrijf vervaardigde goederen in de gevallen
waarin, indien de goederen van een ondernemer zouden zijn
betrokken, hij geen recht zou hebben op volledige aftrek van de op
die goederen drukkende belasting;
c. het onder zich hebben van goederen door een ondernemer of
zijn rechthebbenden wanneer hij de uitoefening van zijn bedrijf
beëindigt, ingeval bij de aanschaffing van die goederen of bij de
bestemming ervan overeenkomstig het bepaalde in onderdeel b, recht
op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.
4. Indien door meer dan één persoon overeenkomsten worden
gesloten met een verplichting tot levering van een zelfde goed dat
vervolgens door de eerste persoon rechtstreeks aan de laatste afnemer
wordt afgeleverd, wordt dat goed geacht door ieder van die personen te
zijn geleverd.
5. Goederen welke over een veiling worden verhandeld, worden geacht
aan en vervolgens door de houder van de veiling te zijn geleverd.
6. Goederen welke worden geleverd door tussenkomst van een
commissionair of dergelijke ondernemer die overeenkomsten sluit op
eigen naam maar op order en voor rekening van een ander, worden geacht
aan en vervolgens door die ondernemer te zijn geleverd.
7. Goederen zijn alle voor menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten, alsmede electriciteit, gas, warmte of koude en
dergelijke.
8. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, worden
onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als
geschenken van geringe waarde of als monster, niet als een levering
onder bezwarende titel beschouwd.
9. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, worden met in
het eigen bedrijf vervaardigde goederen gelijkgesteld goederen welke
in opdracht zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van stoffen,
waaronder grond is begrepen. Van de toepassing van het derde lid,
onderdeel b, worden uitgezonderd andere onbebouwde terreinen dan
bouwterreinen als bedoeld in artikel 11, vierde lid.
Artikel 3a
1. Met een levering van een goed onder bezwarende titel als bedoeld
in artikel 1, onderdeel a, wordt gelijkgesteld de overbrenging door
een ondernemer van een eigen goed van zijn bedrijf naar een andere
lid-staat.
2. Overbrenging van een goed naar een andere lid-staat is het
verzenden of vervoeren van het goed voor bedrijfsdoeleinden, door of
voor rekening van de ondernemer, voor zover het goed niet:
a. door de ondernemer wordt geleverd in de zin van artikel 3,
eerste lid, onderdeel f, of wordt geleverd met toepassing van
artikel 5a, eerste lid;
b. door de ondernemer wordt geleverd met toepassing van artikel
5, eerste lid, onderdeel c;
c. door de ondernemer wordt geleverd met toepassing van artikel
9, tweede lid, onderdeel b;
d. [vervallen;]
e. wordt gebruikt ten behoeve van een aan de ondernemer
verleende dienst, bestaande in deskundigenonderzoeken of
werkzaamheden met betrekking tot dat goed, die feitelijk
plaatsvinden in de lid-staat van aankomst van de verzending of het
vervoer, mits dat goed na de deskundigenonderzoeken of
werkzaamheden wordt verzonden naar de ondernemer in de lid-staat
waarvandaan het oorspronkelijk is verzonden of vervoerd;
f. tijdelijk wordt gebruikt in de lid-staat van aankomst van de
verzending of het vervoer ten behoeve van een door de ondernemer
verrichte dienst;
g. voor een periode van ten hoogste 24 maanden wordt gebruikt
in de lid-staat van aankomst van de verzending of het vervoer,
wanneer de invoer van hetzelfde goed uit een derde-land met het
oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling
voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van rechten bij
invoer; of
h. bestaat in gas dat via een op het grondgebied van de
Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk
systeem aangesloten net wordt geleverd onder de voorwaarden van
artikel 5b, in warmte of koude dat via warmte- of koudenetten
onder die voorwaarden wordt geleverd dan wel in elektriciteit die
wordt geleverd onder die voorwaarden.
3. In geval ten aanzien van een goed als bedoeld in het tweede lid,
aanhef, en onderdelen a tot en met h, op enig tijdstip niet meer wordt
voldaan aan de in het van toepassing zijnde onderdeel gestelde
voorwaarden, wordt het goed geacht op dat tijdstip te zijn
overgebracht naar een andere lid-staat.
Artikel 4
1.Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van
goederen in de zin van artikel 3.
2.Met een dienst verricht onder bezwarende titel als bedoeld in
artikel 1, onderdeel a, worden gelijkgesteld:
a. het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor
privé-doeleinden van de ondernemer of van zijn personeel, of,
meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer
voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de
belasting is ontstaan;
b. het om niet verrichten van diensten door de ondernemer voor
eigen privé-doeleinden of voor privé-doeleinden van zijn
personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan
bedrijfsdoeleinden.
3.Ter voorkoming van ernstige verstoring van
concurrentieverhoudingen worden voorts met een dienst verricht onder
bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, gelijkgesteld
de bij ministeriële regeling aan te wijzen verrichtingen door
ondernemers binnen hun bedrijf, in gevallen waarin die ondernemers,
indien zij die verrichtingen door andere ondernemers zouden laten
doen, de belasting niet of niet geheel in aftrek zouden kunnen
brengen.
4.Diensten welke worden verleend door tussenkomst van een
commissionair of dergelijke ondernemer die overeenkomsten sluit op
eigen naam maar op order en voor rekening van een ander, worden geacht
aan en vervolgens door die ondernemer te zijn verleend.
Afdeling 1a. Plaats van levering
Artikel 5
1.De plaats waar een levering wordt verricht, is:
a. ingeval het goed in verband met de levering, anders dan in
de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel f, wordt verzonden of
vervoerd, de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt;
b. in andere gevallen de plaats waar het goed zich bevindt op
het tijdstip van de levering;
c. in afwijking van onderdeel b, in geval van een levering van
goederen aan boord van een schip, vliegtuig of trein en tijdens
het gedeelte van een binnen de Gemeenschap verricht
passagiersvervoer, de plaats van vertrek van het vervoer van
passagiers.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, worden, in de
gevallen waarin de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer
van de goederen in een derde-land ligt, de plaats waar de levering
wordt verricht alsmede de plaats waar eventuele volgende leveringen
worden verricht, geacht in de lid-staat van invoer van de goederen te
liggen, voor zover de goederen door de leverancier of in diens
opdracht worden ingevoerd.
Artikel 5a
1.In afwijking van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt de
levering van goederen, andere dan nieuwe vervoermiddelen en andere dan
goederen die worden geleverd met toepassing van een van de in de
artikelen 312 tot en met 325 en 333 tot en met 340 van de
BTW-richtlijn 2006 bedoelde bijzondere regelingen, die, direct of
indirect, door of voor rekening van de ondernemer die de levering
verricht worden verzonden of vervoerd uit een andere lid-staat dan die
van aankomst van de verzending of het vervoer, verricht op de plaats
van aankomst van de verzending of het vervoer.
2.Het eerste lid is alleen van toepassing op de levering van
goederen aan afnemers als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder a, van
de BTW-richtlijn 2006.
3.Indien de in het eerste lid bedoelde goederen worden verzonden of
vervoerd uit een derde-land en door de ondernemer die de levering
verricht worden ingevoerd in een andere lid-staat dan die van aankomst
van de verzending of het vervoer, worden deze goederen geacht te zijn
verzonden of vervoerd vanuit de lid-staat van invoer. Artikel 5,
tweede lid, is niet van toepassing.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op leveringen van goederen,
andere dan accijnsgoederen, die worden verzonden of vervoerd naar
eenzelfde lid-staat, voor zover het totaal van de vergoedingen ter
zake van deze leveringen in het lopende kalenderjaar niet meer beloopt
dan het bedrag dat hiervoor bij ministeriële regeling voor die
lid-staat is aangewezen, mits het totaal van de vergoedingen ter zake
van dergelijke leveringen in het voorafgaande kalenderjaar niet meer
heeft belopen dan dit bedrag. Voor goederen die worden verzonden of
vervoerd naar Nederland geldt een drempelbedrag van € 100 000.
5.Ondernemers die leveringen verrichten als bedoeld in het vierde
lid kunnen aan de inspecteur verzoeken om dat lid op hen niet van
toepassing te doen zijn. Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks
tot wederopzegging door belanghebbende doch ten minste voor twee
kalenderjaren. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar
vatbare beschikking. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden
gesteld inzake de toepassing van dit lid.
Artikel 5b
1. Ingeval de levering van gas via een op het grondgebied van de
Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem
aangesloten net, van warmte of koude via warmte- of koudenetten of van
elektriciteit wordt verricht aan een ondernemer die wederverkoper is,
wordt die levering, in afwijking vanartikel 5, verricht op de plaats
waar deze ondernemer is gevestigd of een vaste inrichting heeft
waarvoor de goederen worden geleverd, dan wel, bij het ontbreken
hiervan, op de plaats waar zijn woonplaats of zijn gebruikelijke
verblijfplaats is.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in afwijking van
artikel 2a, eerste lid, onderdeel k, onder een wederverkoper verstaan
een ondernemer wiens hoofdactiviteit op het gebied van de aankoop van
gas, warmte of koude of elektriciteit bestaat in het opnieuw verkopen
van die producten en wiens eigen verbruik van die producten
verwaarloosbaar is.
3. In afwijking van artikel 5 wordt de levering van gas via een op
het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op
een dergelijk systeem aangesloten net, van warmte of koude via warmte-
of koudenetten of van elektriciteit in andere gevallen dan bedoeld in
het eerste lid verricht op de plaats waar de afnemer het werkelijke
gebruik en verbruik van de goederen heeft. Ingeval het gas, de warmte,
de koude of de elektriciteit geheel of ten dele niet daadwerkelijk
door de afnemer wordt verbruikt, worden deze niet-verbruikte goederen
geacht te zijn gebruikt en verbruikt op de plaats waar hij de zetel
van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd
waarvoor de goederen worden geleverd. Bij gebreke van een dergelijke
zetel of vaste inrichting wordt de afnemer geacht de goederen te
hebben gebruikt en verbruikt in zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats.
Afdeling 1b. Plaats van een dienst
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 6
1. De plaats van een dienst, verricht voor een als zodanig
handelende ondernemer, is de plaats waar die ondernemer de zetel van
zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel
verricht voor een vaste inrichting van de ondernemer op een andere
plaats dan die waar hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft
gevestigd, dan geldt als plaats van dienst de plaats waar deze vaste
inrichting zich bevindt. Bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste
inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of
gebruikelijke verblijfplaats van de ondernemer die deze diensten
afneemt.
2. De plaats van een dienst, verricht voor een andere dan
ondernemer, is de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn
bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel
verricht vanuit een vaste inrichting van de dienstverrichter, op een
andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening
heeft gevestigd, dan geldt als plaats van dienst de plaats waar deze
vaste inrichting zich bevindt. Bij gebreke van een dergelijke zetel of
vaste inrichting, geldt als plaats van de diensten de woonplaats of de
gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter.
Paragraaf 2. Bijzondere bepalingen
Artikel 6a
De plaats van een dienst die voor andere dan ondernemers wordt
verricht door een tussenpersoon die in naam en voor rekening van derden
handelt, is de plaats waar de onderliggende handeling overeenkomstig de
bepalingen van deze wet wordt verricht.
Artikel 6b
De plaats van een dienst die betrekking heeft op een onroerende zaak,
met inbegrip van diensten van experts en makelaars in onroerende zaken,
het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met
een soortgelijke functie, zoals vakantiekampen of locaties die zijn
ontwikkeld voor gebruik als kampeerterreinen, het verlenen van
gebruiksrechten op een onroerende zaak, alsmede van diensten die erop
gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden of te
coördineren, zoals de diensten verricht door architecten en door
bureaus die toezicht houden op de uitvoering van het werk, is de plaats
waar de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 6c
1. De plaats van personenvervoerdiensten is de plaats waar het
vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden.
2. De plaats van andere goederenvervoerdiensten voor andere dan
ondernemers dan het intracommunautaire goederenvervoer, is de plaats
waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde
afstanden.
3. De plaats van intracommunautaire goederenvervoerdiensten voor
andere dan ondernemers, is de plaats van vertrek.
Artikel 6d
De plaats van een voor een ondernemer verrichte dienst bestaande in
het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve,
wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke
evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en met de
toegangverlening samenhangende diensten, is de plaats waar deze
evenementen daadwerkelijk plaatsvinden.
Artikel 6e
1. De plaats van voor een andere dan ondernemer verrichte diensten
en van daarmee samenhangende diensten, in verband met culturele,
artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids-
of soortgelijke activiteiten, zoals beurzen en tentoonstellingen,
inclusief de dienstverrichtingen van de organisatoren van dergelijke
activiteiten, is de plaats waar die activiteiten daadwerkelijk
plaatsvinden.
2. De plaats van de volgende diensten die voor andere dan
ondernemers worden verricht, is de plaats waar die diensten
daadwerkelijk worden verricht:
a. activiteiten die met vervoer samenhangen, zoals laden,
lossen, intern vervoer en soortgelijke activiteiten;
b. deskundigenonderzoeken en werkzaamheden met betrekking tot
roerende lichamelijke zaken.
Artikel 6f
1. De plaats van restaurant- en cateringdiensten is de plaats waar
die diensten materieel worden verricht.
2. De plaats van restaurant- en cateringdiensten die materieel
worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens
het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer, is
de plaats van vertrek van het passagiersvervoer.
Artikel 6g
1. De plaats van dienst van kortdurende verhuur van een
vervoermiddel is de plaats waar dat vervoermiddel daadwerkelijk ter
beschikking van de afnemer wordt gesteld.
2. De plaats van andere dan kortdurende verhuur van een
vervoermiddel aan een andere dan ondernemer is de plaats waar de
afnemer gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft.
3. In afwijking van het tweede lid is de plaats van andere dan
kortdurende verhuur van een pleziervaartuig aan een andere dan
ondernemer de plaats waar het pleziervaartuig effectief ter
beschikking van de afnemer wordt gesteld, indien deze dienst
daadwerkelijk door de dienstverrichter wordt verricht vanuit de zetel
van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting aldaar.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «kortdurende
verhuur» verstaan: het ononderbroken bezit of gebruik van het
vervoermiddel gedurende een periode van ten hoogste dertig dagen, en
voor schepen ten hoogste negentig dagen.
Artikel 6h
1. De plaats van elektronische diensten, die worden verricht voor
een andere dan ondernemer die in een lidstaat gevestigd is of daar
zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft, door een
ondernemer die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening buiten de
Gemeenschap heeft gevestigd of daar over een vaste inrichting beschikt
van waaruit de dienst wordt verricht, of, bij gebreke van een
dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats buiten de Gemeenschap heeft, is de plaats waar de
andere dan ondernemer gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft.
2. Het feit dat de dienstverrichter en de afnemer langs
elektronische weg berichten uitwisselen, betekent op zich niet dat de
verrichte dienst een elektronische dienst is.
Artikel 6i
1. De plaats van de volgende diensten, verricht voor een andere dan
ondernemer die buiten de Gemeenschap gevestigd is of aldaar zijn
woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft, is de plaats waar
deze persoon gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft:
a. de overdracht en het verlenen van auteursrechten, octrooien,
licentierechten, handelsmerken en soortgelijke rechten;
b. diensten op het gebied van de reclame;
c. diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs,
adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke
diensten, alsmede gegevensverwerking en informatieverschaffing;
d. de verplichting om een beroepsactiviteit of een in dit
artikel vermeld recht geheel of gedeeltelijk niet uit te oefenen;
e. bank-,financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip
van herverzekeringsverrichtingen en met uitzondering van de
verhuur van safeloketten;
f. het beschikbaar stellen van personeel;
g. de verhuur van roerende lichamelijke zaken, met uitzondering
van alle vervoermiddelen;
h. het bieden van toegang tot een op het grondgebied van de
Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk
systeem aangesloten net, tot warmte- of koudenetten of tot het
elektriciteitssysteem, alsmede het verrichten van transmissie- of
distributiediensten via deze systemen of netten en het verrichten
van andere daarmee rechtstreeks verbonden diensten;
i. telecommunicatiediensten;
j. radio- en televisieomroepdiensten;
k. elektronische diensten.
2. Het feit dat de dienstverrichter en de afnemer langs
elektronische weg berichten uitwisselen, betekent op zich niet dat de
verrichte dienst een elektronische dienst is.
Paragraaf 3. Voorkoming van niet-heffing
Artikel 6j
De hierna genoemde diensten die worden verricht door ondernemers die
buiten de Gemeenschap wonen of zijn gevestigd dan wel aldaar een vaste
inrichting hebben van waaruit de dienst wordt verricht, of die, bij
gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, hun woonplaats of
gebruikelijke verblijfplaats buiten de Gemeenschap hebben, en de plaats
van die diensten buiten de Gemeenschap is gelegen worden aangemerkt als
worden zij in Nederland verricht, wanneer het werkelijke gebruik en de
werkelijke exploitatie in Nederland plaatsvinden:
a. diensten, bestaande in de verhuur van vervoermiddelen, die
worden verricht voor andere dan ondernemers die in Nederland wonen
of zijn gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting hebben
waarvoor de diensten worden verricht;
b. diensten als bedoeld in artikel 6i, eerste lid, onderdelen a
tot en met g, die worden verricht voor in Nederland gevestigde
lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
andere dan ondernemers;
c. diensten als bedoeld in artikel 6i, eerste lid, onderdelen i
en j, die worden verricht voor andere dan ondernemers die in
Nederland gevestigd zijn of er hun woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats hebben.
Afdeling 1c. Ondernemer
Artikel 7
1. Ondernemer is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent.
2. Waar in deze wet wordt gesproken van bedrijf, wordt daaronder
mede verstaan:
a. beroep;
b. exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam
opbrengst uit te verkrijgen.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat
publiekrechtelijke lichamen die, anders dan als ondernemer, prestaties
verrichten welke uit hun aard ook door ondernemers kunnen worden
verricht, met betrekking tot die prestaties als ondernemer worden
aangemerkt.
4. Natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, die op grond van het bepaalde in dit artikel
ondernemer zijn en die in Nederland wonen of zijn gevestigd dan wel
aldaar een vaste inrichting hebben en die in financieel,
organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij
een eenheid vormen, worden, al dan niet op verzoek van één of meer
van deze natuurlijke personen of lichamen, bij voor bezwaar vatbare
beschikking van de inspecteur als één ondernemer aangemerkt en wel
met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin de
inspecteur die beschikking heeft afgegeven. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de vorming, wijziging
en beëindiging van de fiscale eenheid.
5. Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kunnen
lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen die,
anders dan als ondernemer, prestaties verrichten ten behoeve van
ondernemers, die krachtens artikel 15 ter zake belasting in aftrek
zouden hebben kunnen brengen, indien die prestaties ten behoeve van
hen door een ondernemer zouden zijn verricht, met betrekking tot die
prestaties als ondernemer worden aangemerkt.
6. Degene die, anders dan als ondernemer, een nieuw vervoermiddel
levert welk vervoermiddel wordt verzonden of vervoerd naar een andere
lid-staat, wordt met betrekking tot die levering als ondernemer
aangemerkt.
7. Voor de toepassing van de regels betreffende de plaats van
dienst in deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt:
a. een ondernemer die ook werkzaamheden of handelingen verricht
die niet als belastbare goederenleveringen of diensten in de zin
van artikel 2, lid 1, van BTW-richtlijn 2006 worden beschouwd, met
betrekking tot alle voor hem verrichte diensten als ondernemer
aangemerkt;
b. een rechtspersoon, andere dan ondernemer, die voor
btw-doeleinden is geïdentificeerd, als ondernemer aangemerkt.
Afdeling 2. Maatstaf en tarief van heffing
Artikel 8
1. De belasting wordt berekend over de vergoeding.
2. De vergoeding is het totale bedrag dat - of voor zover de
tegenprestatie niet in een geldsom bestaat, de totale waarde van de
tegenprestatie welke - ter zake van de levering of de dienst in
rekening wordt gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen.
Ingeval ter zake van de levering of de dienst meer wordt voldaan dan
hetgeen in rekening is gebracht, komt in plaats daarvan in aanmerking
hetgeen is voldaan.
3. Ten aanzien van de handelingen, bedoeld in artikel 3, derde lid,
en artikel 3a, eerste lid, wordt de vergoeding gesteld op de
aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien
er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop
deze handelingen worden uitgevoerd.
4. De vergoeding wordt gesteld op de normale waarde van de dienst
indien:
a. een auto tegen een lagere vergoeding dan de normale waarde
voor andere dan bedrijfsdoeleinden in gebruik wordt gegeven aan
een verbonden afnemer die geen volledig recht op aftrek heeft uit
hoofde van artikel 15;
b. het gaat om handelingen als bedoeld in artikel 4, derde lid.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onderdeel a, wordt onder
een verbonden afnemer verstaan een werknemer, een afnemer die een
bestuurlijke verhouding met de ondernemer heeft en een afnemer waarmee
de ondernemer een familiale band heeft.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in hoever:
a. de korting voor contante betaling, de kosten van verpakking,
de vracht- en assurantiekosten, de uitschotten van belasting en
andere met doorlopende posten gelijk te stellen bedragen niet tot
de vergoeding behoren;
b. bij met grondrente bezwaarde eigendom, rechten van erfpacht,
opstal, erfdienstbaarheid of beklemming, appartementen,
lidmaatschapsrechten en dergelijke, de daaraan verbonden lasten
tot de vergoeding behoren;
c. bij eigendom, bezwaard met een recht van erfpacht, opstal,
erfdienstbaarheid of beklemming, de vergoeding wordt verminderd
met de aan die rechten verbonden lasten;
d. bij levering anders dan met toepassing van artikel 28b of
28d, van gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen en
gebruikte bestelauto's in de zin van artikel 10 van de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de
vergoeding wordt verminderd met de op de voet van die wet geheven
belasting. Voor het vaststellen van het bedrag van die
vermindering worden regels gesteld met inachtneming van de
bepalingen van of ingevolge die wet.
6. Indien gegevens voor het bepalen van de vergoeding zijn
uitgedrukt in een andere munteenheid dan de euro, wordt de wisselkoers
vastgesteld overeenkomstig de laatst genoteerde verkoopkoers op het
tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt. In plaats van het
hiervoor bedoelde wisselkoersmechanisme mag ook gebruik gemaakt worden
van de wisselkoers die, op het tijdstip waarop de belasting
verschuldigd wordt, door de Europese Centrale Bank laatstelijk was
bekendgemaakt.
7. Ten aanzien van de handelingen, bedoeld in artikel 4, tweede
lid, wordt de vergoeding gesteld op de door de ondernemer voor het
verrichten van de diensten gemaakte uitgaven. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
door de ondernemer voor het verrichten van deze diensten gemaakte
uitgaven.
Artikel 8a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
In afwijking van artikel 8 wordt, bij toepassing van artikel 31c,
tweede lid van de Elektriciteitswet 1998, de vergoeding voor
elektriciteit die wordt geleverd aan anderen dan wederverkopers gesteld
op het verschil tussen de vergoeding die de ondernemer berekent over de
door hem geleverde elektriciteit en de vergoeding die de afnemer
berekent over de door hem aan de ondernemer geleverde elektriciteit.
Artikel 9
1. De belasting bedraagt 21 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting:
a. 6 percent voor leveringen van goederen en diensten, genoemd
in de bij deze wet behorende tabel I;
b. nihil voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in
de bij deze wet behorende tabel II, mits is voldaan aan bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2000]
Afdeling 3. Vrijstellingen
Artikel 11
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:
a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze
zijn onderworpen, met uitzondering van:
1°. de levering van een gebouw of een gedeelte van een
gebouw en het erbij behorend terrein vóór, op of uiterlijk
twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede
de levering van een bouwterrein;
2°. leveringen, andere dan die bedoeld onder 1°, aan
personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden
waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van
belasting op de voet van artikel 15 bestaat, mits de
ondernemer die de levering verricht en degene aan wie wordt
geleverd, blijkens de notariële akte van levering daarvoor
hebben gekozen of in andere gevallen gezamenlijk een verzoek
daartoe aan de inspecteur hebben gedaan en overigens voldoen
aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;
b. de verhuur (de verpachting daaronder begrepen) van
onroerende zaken, met uitzondering van:
1°. de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en
machines;
2°. de verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-,
kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar
slechts voor een korte periode verblijf houden;
3°. de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en de
verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen;
4°. de verhuur van safeloketten;
5°. de verhuur van onroerende zaken, andere dan gebouwen
en gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt, aan
personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden
waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van
de belasting op de voet van artikel 15 bestaat mits de
verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke
huurovereenkomst daarvoor hebben gekozen of in andere gevallen
gezamenlijk een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben
gedaan en overigens voldoen aan bij ministeriële regeling te
stellen voorwaarden;
onder verhuur van onroerende zaken wordt mede verstaan iedere
andere vorm waarin onroerende zaken voor gebruik, anders dan als
levering, ter beschikking worden gesteld;
c. het verzorgen en het verplegen van in een inrichting
opgenomen personen, alsmede de handelingen die daarmee nauw
samenhangen, waaronder begrepen het verstrekken van spijzen en
dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen aan die personen;
d. de diensten aan de jeugd en de jeugdleiders door
organisaties voor het algemene jeugdwerk die door de overheid als
zodanig zijn erkend;
e. de diensten door organisaties die zich de beoefening van
sport of de bevordering daarvan ten doel stellen, aan hun leden,
met uitzondering van:
1°. het verlenen van toegang tot wedstrijden,
demonstraties en dergelijke;
2°. de diensten door watersportorganisaties die voor hun
dienstverlening gebruik maken van één of meer personen die
in dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de
organisatie, voor zover deze diensten bestaan in het met
behulp van deze personen verrichten van werkzaamheden met
betrekking tot vaartuigen dan wel in het ter beschikking
stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen;
f. de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits de
ondernemer geen winst beoogt en niet een ernstige verstoring van
concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die
winst beogen;
g.
1°. de volgende leveringen en diensten:
a. de diensten op het vlak van de gezondheidskundige
verzorging van de mens door beoefenaren van een medisch of
paramedisch beroep die een op dit beroep gerichte opleiding
hebben voltooid waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, voor
zover deze diensten tot het gebied van deskundigheid van dit
beroep behoren en onderdeel vormen van bedoelde opleiding;
b. diensten die door tandtechnici als zodanig worden
verricht; de leveringen van tandprothesen door tandartsen en
tandtechnici; het vervoer van zieken of gewonden met
ambulance-automobielen;
2°. de diensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, en h, van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, verleend aan personen ten behoeve van wie
in een indicatiebesluit op grond van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten is vastgelegd dat ze op de in die
onderdelen bedoelde zorg zijn aangewezen, alsmede
huishoudelijke verzorging, bedoeld in de Wet maatschappelijke
ondersteuning, verleend aan personen ten behoeve van wie
ingevolge die wet vaststaat dat ze op die verzorging zijn
aangewezen. Tot de in de vorige volzin bedoelde diensten
behoren niet de bij ministeriële regeling in verband met het
voorkomen van een ernstige verstoring van
concurrentieverhoudingen aan te wijzen diensten;
3°. de diensten door landbouwers, veehouders, tuinbouwers
en bosbouwers bestaande in het verlenen van dagbesteding,
arbeidstraining of dagopvang aan:
a. personen voor wie zij daartoe een schriftelijke
overeenkomst hebben gesloten met een instelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten of met een instelling die werkzaam is
op het terrein van sociaal en maatschappelijk werk;
b. personen met wie zij daartoe een schriftelijke
overeenkomst hebben gesloten en die beschikken over een
persoonsgebonden budget met het oog op het geldend maken van
hun aanspraken ingevolge de onder a genoemde wet;
h. de diensten door lijkbezorgers;
i. de volgende leveringen en diensten:
1°. de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen,
betreffende deviezen, bankbiljetten en munten, welke in enig
land de hoedanigheid van wettig betaalmiddel bezitten, met
uitzondering van bankbiljetten en munten, welke gewoonlijk
niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of welke een
verzamelwaarde hebben;
2°. de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen doch
uitgezonderd bewaring en beheer, inzake effecten en andere
waardepapieren met uitzondering van documenten welke goederen
vertegenwoordigen;
3°. het beheer van door beleggingsfondsen en
beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging
bijeengebrachte vermogens;
j. de volgende diensten:
1°. het verlenen van en de bemiddeling inzake krediet;
2°. de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen,
betreffende giro- en rekeningcourantverkeer, deposito's,
betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere
handelspapieren, met uitzondering van de invordering van
schuldvorderingen;
3°. het aangaan van en het bemiddelen bij borgtochten en
andere zekerheids- en garantieverbintenissen;
k. handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met
inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door
assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen;
l. de kansspelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de
Wet op de kansspelbelasting;
m. de diensten, en de daarmee gepaard gaande leveringen,
bedoeld in artikel 16 van de Postwet 2009, die worden verricht
door een verlener van de universele postdienst, bedoeld in die
wet;
n. de niet-commerciële activiteiten van openbare radio- en
televisieorganisaties;
o. het verzorgen van:
1°. onderwijs, met inbegrip van de diensten en leveringen
die daarmee nauw samenhangen, door daartoe bestemde scholen en
instellingen, als is omschreven bij of krachtens de wetten tot
regeling van het onderwijs dat krachtens wettelijk voorschrift
is onderworpen aan het toezicht door de Inspectie van het
onderwijs of aan een ander toezicht door de minister die met
de zorg voor het desbetreffende onderwijs is belast;
2°. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
onderwijs, met inbegrip van de diensten en leveringen die
daarmee nauw samenhangen, waarbij kan worden bepaald, dat de
vrijstelling slechts toepassing vindt ten aanzien van
ondernemers die met dat onderwijs geen winst beogen;
p. de voordrachten en dergelijke diensten in bij ministeriële
regeling aan te wijzen gevallen, mits tegen een vergoeding die in
hoofdzaak strekt tot dekking van kosten;
q. de diensten door componisten, schrijvers en journalisten;
r. de levering van een roerende zaak die in het bedrijf van de
ondernemer uitsluitend is gebruikt ten behoeve van vrijgestelde
prestaties of voor doeleinden als zijn bedoeld in artikel 16,
ingeval ter zake van de voorafgaande levering van die zaak geen
belasting in aftrek is gebracht;
s. de levering van menselijke organen, menselijk bloed en
moedermelk;
t. de diensten en daarmee nauw samenhangende leveringen door
werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede door organisaties
van politieke, godsdienstige, vaderlandslievende,
levensbeschouwelijke of liefdadige aard aan hun leden tegen een
statutair vastgestelde contributie; bij algemene maatregel van
bestuur kan de vrijstelling buiten toepassing worden verklaard in
gevallen waarin zij zou leiden tot een ernstige verstoring van
concurrentieverhoudingen;
u. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten
welke door zelfstandige groeperingen van personen of lichamen in
de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die prestaties
verrichten welke zijn vrijgesteld of waarvoor zij geen ondernemer
zijn, worden verleend aan hun leden en welke rechtstreeks nodig
zijn voor het verrichten van voornoemde prestaties, mits die
groeperingen van hun leden slechts terugbetaling vorderen van hun
aandeel in de gezamenlijke uitgaven en geen ernstige verstoring
van concurrentieverhoudingen optreedt;
v. leveringen en diensten van bijkomstige aard door
organisaties waarvan de prestaties overigens op grond van
onderdeel c, d, e, f, o, 1°, of t zijn vrijgesteld, voor zover
die leveringen en diensten voortvloeien uit activiteiten ter
verkrijging van financiële steun voor deze organisaties, mits de
ontvangsten ter zake van leveringen niet meer bedragen dan € 68
067 per jaar en ter zake van diensten niet meer dan € 22 689 per
jaar, met dien verstande dat voor organisaties als bedoeld in
onderdeel e, laatstgenoemd bedrag € 31 765 bedraagt. Tot de in
dit onderdeel bedoelde leveringen en diensten behoren niet de bij
ministeriële regeling in verband met het voorkomen van een
ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen aan te wijzen
leveringen of diensten;
w. opvang van kinderen in kinderopvang of gastouderopvang als
bedoeld in artikel 1.1 en peuterspeelzaalwerk als bedoeld in
artikel 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen, indien het betreft kinderopvang in een
overeenkomstig die wet geregistreerd kindercentrum,
gastouderopvang door tussenkomst van een overeenkomstig die wet
geregistreerd gastouderbureau of peuterspeelzaalwerk in een
overeenkomstig die wet geregistreerde peuterspeelzaal en overigens
wordt voldaan aan de in voormelde wet gestelde eisen, opvang van
kinderen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, onderdelen a en
b, van die wet, alsmede nader bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen vormen van kinderopvang of peuterspeelzaalwerk.
2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, e en
t, zijn slechts van toepassing, indien met de aldaar bedoelde
prestaties geen winst wordt beoogd. Onder het beogen van winst wordt
mede verstaan het behalen van exploitatieoverschotten, tenzij deze
niet worden uitgekeerd, doch worden aangewend ten dienste van de
bedoelde prestaties. De nauw samenhangende leveringen van goederen en
diensten, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onderdelen c, o, onder
1° en 2°, en t, zijn van de vrijstelling uitgesloten:
a. wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van
de vrijgestelde handelingen;
b. wanneer zij in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling
extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van
handelingen welke worden verricht in rechtstreekse mededinging met
aan de heffing van belasting onderworpen handelingen van
commerciële ondernemingen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°:
a. wordt als gebouw beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de
grond is verbonden;
b. wordt na de verbouwing van een gebouw de ingebruikneming als
eerste ingebruikneming aangemerkt, indien door die verbouwing een
vervaardigd goed is voortgebracht;
c. wordt als erbij behorend terrein beschouwd ieder terrein dat
naar maatschappelijke opvattingen behoort bij dan wel dienstbaar
is aan het gebouw.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°,
wordt als bouwterrein beschouwd onbebouwde grond:
a. waaraan bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden;
b. ten aanzien waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen
die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond;
c. in de omgeving waarvan voorzieningen worden of zijn
getroffen; of
d. ter zake waarvan een omgevingsvergunning voor een
bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;
met het oog op de bebouwing van de grond.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a, onder 2°,
en b, onder 5°, worden onder het gebruiken voor doeleinden waarvoor
een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de
voet van artikel 15 bestaat, niet begrepen de handelingen, bedoeld in
de artikelen 3, derde lid, en 4, tweede lid.
Afdeling 4. Wijze van heffing
Artikel 12
1. De belasting wordt geheven van de ondernemer die de levering of
de dienst verricht.
2. Ingeval de ondernemer die een levering als bedoeld in artikel 5b
of een dienst als bedoeld in artikel 6, eerste lid, verricht, niet in
Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft
van waaruit de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, en
aan degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt
verleend een btw-identificatienummer in Nederland is toegekend, wordt
de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of
de dienst wordt verleend.
3. Ingeval de ondernemer die de levering, niet zijnde een levering
waarop de bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a, post 6, van
toepassing is, of een dienst, andere dan bedoeld in het tweede lid,
verricht, niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste
inrichting heeft van waaruit de levering of de dienst wordt verricht,
en degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt
verleend, een ondernemer is die in Nederland woont of is gevestigd dan
wel aldaar een vaste inrichting heeft, of een in Nederland gevestigd
lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is,
wordt de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt
verricht of de dienst wordt verleend.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een ondernemer die een
vaste inrichting heeft in Nederland, geacht een niet in Nederland
gevestigde ondernemer te zijn wanneer aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
a. hij verricht in Nederland een belastbare goederenlevering of
een dienst;
b. bij het verrichten van die goederenlevering of die dienst is
de vaste inrichting in Nederland niet betrokken.
5. In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen
wordt onder bij of krachtens deze maatregel te stellen regelen de
belasting, ten einde voor de inning daarvan meer waarborgen te
scheppen, geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de
dienst wordt verleend.
Artikel 12a
Indien ten onrechte gebruik is gemaakt van de uitzondering van
artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, omdat degene aan wie de
levering is verricht de onroerende zaak niet gebruikt voor doeleinden
waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting
op de voet van artikel 15 bestaat, wordt de belasting die in verband met
die levering door degene die de levering heeft verricht op de voet van
artikel 15 in aftrek is gebracht, nageheven van degene aan wie de
levering is verricht.
Artikel 13
1. De belasting wordt verschuldigd:
a. in gevallen waarin ingevolge de artikelen 34b tot en met 35
een factuur moet worden uitgereikt, op het tijdstip van de
uitreiking of, indien deze niet tijdig plaatsvindt, het tijdstip
waarop zij uiterlijk had moeten geschieden tenzij sprake is van
een dienst waarover de belasting op grond van artikel 12, tweede
lid, verschuldigd is door de afnemer van deze dienst, in welk
geval de belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop de
dienst wordt verricht;
b. in andere gevallen op het tijdstip waarop de levering of de
dienst wordt verricht.
2. In afwijking in zover van het eerste lid wordt de belasting of
het desbetreffende gedeelte daarvan uiterlijk verschuldigd op het
tijdstip waarop de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen.
3. Bij een levering of overbrenging voor bedrijfsdoeleinden van
goederen met toepassing van de bij deze wet behorende tabel II,
onderdeel a, post 6, wordt de belasting, in afwijking van het eerste
en tweede lid, verschuldigd op het tijdstip van uitreiking van de
factuur, of op het tijdstip van het verstrijken van de in artikel 34g,
eerste volzin, bedoelde termijn indien er vóór die datum geen
factuur is uitgereikt.
4. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, wordt
de belasting ter zake van diensten als bedoeld inartikel 4, tweede
lid, verschuldigd op de laatste dag van het boekjaar waarin die
diensten worden verricht. Diensten die op die dag nog niet zijn
voltooid, worden geacht op die dag te zijn voltooid voorzover zij
betrekking hebben op dat boekjaar. Indien het boekjaar langer is dan
een jaar wordt de belasting verschuldigd op de laatste dag van het
kalenderjaar waarin de diensten worden verricht met overeenkomstige
toepassing van de tweede volzin.
5. Voor de toepassing van het eerste lid worden de diensten waarvan
de belasting op grond van artikel 12, tweede lid, verschuldigd is door
de afnemer van deze diensten en die doorlopend worden verricht
gedurende een periode langer dan één jaar geacht bij de afloop van
elk kalenderjaar te zijn voltooid zolang de dienstverrichting
doorloopt en die geen aanleiding geven tot afrekeningen of betalingen
in die periode.
6. De goederenleveringen die doorlopend worden verricht gedurende
een periode langer dan een kalendermaand, waarbij de goederen onder de
voorwaarden van de bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a, post
6, worden vervoerd naar een andere lidstaat, worden geacht bij de
afloop van elke kalendermaand te zijn voltooid zolang de
goederenlevering doorloopt.
7. Goederenleveringen en diensten, andere dan die bedoeld in het
vierde, vijfde en zesde lid, die gedurende een zekere periode
doorlopend worden verricht, worden geacht ten minste eenmaal per jaar
te zijn voltooid.
Artikel 14
1.De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op
aangifte worden voldaan.
2.In afwijking in zover van het eerste lid wordt de belasting die
verschuldigd is geworden door ondernemers als bedoeld in artikel 7,
zesde lid, niet voldaan over een tijdvak.
Artikel 15
1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek
brengt, is:
a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere
ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte
leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op
de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;
b. de belasting welke in het tijdvak van aangifte is
verschuldigd geworden ter zake van door de ondernemer verrichte
intracommunautaire verwervingen als bedoeld in artikel 17a, eerste
lid, mits de ondernemer in het bezit is van een op de
voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;
c. de belasting welke in het tijdvak van aangifte is
verschuldigd geworden:
1°. ter zake van invoer van voor de ondernemer bestemde
goederen, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te
stellen voorwaarden;
2°. op grond van artikel 12, tweede tot en met vijfde lid,
ter zake van aan de ondernemer verrichte leveringen en
verleende diensten;
3°. ter zake van het door de ondernemer bestemmen van
goederen voor bedrijfsdoeleinden;
4°. ter zake van verrichtingen als bedoeld inartikel 4,
derde lid;
5°. ter zake van handelingen en situaties als bedoeld in
artikel 17a, derde en vierde lid;
d. de belasting die is begrepen in de aankoopprijs van een
nieuw vervoermiddel dat met toepassing van onderdeel a, post 6,
van de bij deze wet behorende tabel II, wordt geleverd door:
1°. een in artikel 7, zesde lid, bedoelde ondernemer; of
2°. een wederverkoper;
een en ander voor zover de goederen en de diensten door de
ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.
Indien een verzoek om teruggaaf van belasting kan worden gedaan op
de voet van artikel 30, eerste en tweede lid, kan die belasting door
de ondernemer niet in aftrek worden gebracht. Indien een onroerende
zaak deel uitmaakt van het vermogen van het bedrijf van een ondernemer
en door de ondernemer zowel voor de activiteiten van het bedrijf als
voor zijn privégebruik of voor het privégebruik van zijn personeel,
of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt
gebruikt, is de belasting over de uitgaven in verband met deze
onroerende zaak slechts aftrekbaar, overeenkomstig de in dit artikel
vervatte beginselen, naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de
bedrijfsactiviteiten van de ondernemer. Voor het gebruik van de
onroerende zaak voor privédoeleinden van de ondernemer of van zijn
personeel, of meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden
is artikel 4, tweede lid, onderdeel a, niet van toepassing.
2. De ondernemer brengt eveneens in aftrek de belasting, bedoeld in
het eerste lid, voorzover de goederen en diensten door de ondernemer
worden gebruikt voor:
a. handelingen door de als zodanig handelende ondernemer buiten
Nederland verricht, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan wanneer
zij binnen Nederland zouden plaatsvinden;
b. handelingen die overeenkomstig de artikelen 143, onder f, g,
h en i, 144 en 146 tot en met 153 van de BTW-richtlijn 2006 zijn
vrijgesteld;
c. handelingen als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid,
onderdelen i, j en k, mits de ontvanger buiten de Gemeenschap
gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen
met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd uit de
Gemeenschap.
3. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt bij levering
van een nieuw vervoermiddel door een in het eerste lid, onderdeel d,
bedoelde ondernemer de in het eerste lid bedoelde aftrek beperkt tot
de belasting die in de aankoopprijs is begrepen of die verschuldigd is
geworden ter zake van de intracommunautaire verwerving of de invoer
van het vervoermiddel. De aftrek bedraagt ten hoogste het bedrag van
de belasting dat verschuldigd zou zijn indien op die levering het
tarief van nihil niet van toepassing zou zijn. Het recht op aftrek
ontstaat op het tijdstip waarop het vervoermiddel wordt geleverd. Bij
ministeriële regeling worden nadere regels gesteld inzake de
toepassing van dit lid en van het eerste lid, onderdeel d.
4. De aftrek van belasting vindt plaats overeenkomstig de
bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de
belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het
tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Indien op het
tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken,
blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte
in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het
gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op
dat tijdstip verschuldigd. De verschuldigd geworden belasting wordt op
de voet van artikel 14 voldaan. De te weinig afgetrokken belasting
wordt aan hem op zijn verzoek teruggegeven.
5. Geen aftrek vindt plaats van belasting welke in rekening is
gebracht ter zake van het verstrekken van spijzen en dranken voor
gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-,
restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf aan personen die daar
slechts voor een korte periode verblijf houden.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de
ondernemer mede worden gebruikt anders dan voor belaste handelingen of
anders dan voor de handelingen, bedoeld in het tweede lid. Daarbij
wordt tevens rekening gehouden met wijzigingen in het gebruik van
onroerende zaken, bedoeld in het eerste lid, laatste alinea. Voorts
kan daarbij worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de
ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt
gelaten.
7. Een herziening van de aftrek vindt niet plaats:
a. in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde
vernietiging, verlies of diefstal van goederen;
b. in geval van onttrekkingen van goederen voor het verstrekken
van geschenken van geringe waarde en van monsters, als bedoeld in
artikel 3, achtste lid.
Artikel 16
1. Bij koninklijk besluit kan de in artikel 15, eerste lid,
bedoelde aftrek in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk worden
uitgesloten, zulks ten einde te voorkomen, dat op goederen en
diensten, welke worden gebruikt voor het voeren van een zekere staat,
voor het bevredigen van behoeften van anderen dan ondernemers of ten
behoeve van prestaties als zijn bedoeld in artikel 11, de belasting
geheel of gedeeltelijk niet drukt.
2. Na het tot stand komen van een besluit, door Ons krachtens het
eerste lid genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet tot
goedkeuring van dat besluit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
gezonden.
3. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een der Kamers
der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit,
wordt Ons besluit onverwijld ingetrokken.
Artikel 16a
Ter zake van prestaties als bedoeld in artikel 3, derde lid,
onderdelen a en c, en artikel 4, tweede lid, wordt de belasting niet
verschuldigd indien het prestaties betreft als bedoeld in het op artikel
16, eerste lid, gebaseerde koninklijk besluit.
Artikel 17
Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt
dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het
verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald.
Hoofdstuk IIA. Heffing ter zake van intracommunautaire verwervingen
Afdeling 1. Belastbaar feit
Artikel 17a
1.Intracommunautaire verwerving van goederen is de verwerving van
goederen ingevolge een levering van deze goederen door een als zodanig
handelende ondernemer, welke goederen worden verzonden of vervoerd van
een lid-staat naar een andere lid-staat.
2.Wanneer door rechtspersonen, andere dan ondernemers, verworven
goederen worden verzonden of vervoerd uit een derde-land en door deze
rechtspersonen worden ingevoerd in een andere lid-staat dan die van
aankomst van de verzending of het vervoer, worden deze goederen geacht
te zijn verzonden of vervoerd vanuit de lid-staat van invoer van de
goederen.
3.Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder
bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, wordt
gelijkgesteld het beschikken voor bedrijfsdoeleinden over een goed dat
door of voor rekening van de ondernemer wordt verzonden of vervoerd
uit een andere lid-staat waar het goed is vervaardigd, gewonnen,
bewerkt, gekocht, onderworpen aan heffing van belasting ter zake van
intracommunautaire verwerving, of door hem is ingevoerd.
4.Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder
bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, wordt mede
gelijkgesteld het komen binnen Nederland van goederen die zijn
verzonden of vervoerd vanuit een andere lid-staat, waar zij ter
beschikking hebben gestaan zonder dat over deze goederen aldaar
belasting is geheven of voldaan in verband met het gebruik ervan in
het kader van het Verdrag van Londen van 19 juni 1951 tussen de
Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de
rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114 en Trb. 1953, 10,
Stb. 1953, 438), indien de invoer van die goederen niet zou zijn
vrijgesteld.
Artikel 17b
1. De plaats waar een intracommunautaire verwerving wordt verricht,
is de plaats van aankomst van de verzending of het vervoer.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt een
intracommunautaire verwerving verricht in de lid-staat die aan de
afnemer het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de
verwerving wordt verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de
belasting is geheven met toepassing van het eerste lid.
3. Het tweede lid is niet van toepassing en de intracommunautaire
verwerving van goederen wordt geacht overeenkomstig het eerste lid aan
de heffing te zijn onderworpen indien:
a. de afnemer aantoont de verwerving te hebben verricht met het
oog op een daaropvolgende levering binnen het grondgebied van de
overeenkomstig het eerste lid bepaalde lidstaat, waarvoor degene
voor wie deze levering bestemd is, overeenkomstig artikel 197 van
BTW-richtlijn 2006 is aangewezen als de tot voldoening van de
belasting gehouden persoon; en
b. de afnemer heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 37a.
Afdeling 2. Maatstaf en tarief van heffing
Artikel 17c
1.De belasting wordt berekend over de vergoeding.
2.Met betrekking tot intracommunautaire verwervingen waarbij de
ondernemer die de goederen levert verplicht is ter zake van die
levering een factuur uit te reiken is artikel 8, tweede, vijfde en
zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.Met betrekking tot hetgeen op de voet van artikel 17a, derde en
vierde lid, wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving
van goederen onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, is artikel 8, derde en zesde lid, van overeenkomstige
toepassing.
4.In afwijking van het eerste lid wordt met betrekking tot de
intracommunautaire verwervingen van accijnsgoederen, andere dan
tabaksprodukten, waarbij de voor die goederen in Nederland
verschuldigde of voldane accijns niet in de vergoeding is begrepen, de
belasting berekend over de vergoeding vermeerderd met die voor de
goederen verschuldigde of voldane accijns.
5.Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de intracommunautaire verwervingen van alcoholvrije dranken als
bedoeld in artikel 6 van de Wet op de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten, waarbij de voor
die goederen in Nederland op de voet van die wet verschuldigde of
voldane belasting niet in de vergoeding is begrepen.
Artikel 17d
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
het tarief van nihil alleen toepassing kan vinden ten aanzien van
intracommunautaire verwervingen van goederen, genoemd in de bij deze wet
behorende tabel II, onderdeel a, posten 1, 3, 4 en 5.
Afdeling 3. Vrijstellingen
Artikel 17e
Bij ministeriële regeling wordt, onder daarbij te stellen
voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting verleend voor de
intracommunautaire verwervingen van goederen waarvoor:
a. de levering in Nederland in elk geval is vrijgesteld;
b. bij invoer in elk geval een vrijstelling van toepassing zou
zijn;
c. in elk geval recht zou bestaan op volledige teruggaaf daarvan.
Afdeling 4. Wijze van heffing
Artikel 17f
De belasting wordt geheven van degene die de intracommunautaire
verwerving verricht.
Artikel 17g
1. De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip van uitreiking
van de factuur, of bij het verstrijken van de in artikel 34g, eerste
volzin, bedoelde termijn indien er vóór die datum geen factuur is
uitgereikt.
2. Een intracommunautaire verwerving van een goed wordt verricht op
het tijdstip waarop de aan de verwerving ten grondslag liggende
levering van dat goed wordt verricht.
Artikel 17h
1.De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op
aangifte worden voldaan.
2.In afwijking in zover van het eerste lid wordt de belasting die
verschuldigd is geworden ter zake van intracommunautaire verwervingen
van nieuwe vervoermiddelen door natuurlijke personen en rechtspersonen
aan wie geen btw-identificatienummer is toegekend, niet voldaan over
een tijdvak.
3.Ingeval naast de belasting die verschuldigd is ter zake van de in
het tweede lid bedoelde intracommunautaire verwerving van een nieuw
vervoermiddel, tevens belasting verschuldigd is geworden op de voet
van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen
1992, is, in afwijking van het eerste en het tweede lid, artikel 6 van
die wet van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Heffing ter zake van invoer
Afdeling 1. Belastbaar feit
Artikel 18
1.Invoer van goederen is:
a. het brengen in Nederland van goederen die niet voldoen aan
de voorwaarden van de artikelen 23 en 24 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap;
b. het brengen in Nederland vanuit een derde-land van andere
dan de in onderdeel a bedoelde goederen;
c. het in Nederland beëindigen van, dan wel het in Nederland
onttrekken van goederen aan een douaneregime;
d. de bevoorrading in Nederland van vervoermiddelen met
goederen welke niet in het vrije verkeer zijn.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder
douaneregime:
a. tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 50 van het
Communautair douanewetboek;
b. de douanebestemmingen, bedoeld in artikel 4, onderdeel 15,
onder b, c en d, van het Communautair douanewetboek;
c. de douaneregelingen, bedoeld in artikel 4, onderdeel 16,
onder b, c, d, e en, voor zover het betreft een volledige
vrijstelling van rechten bij invoer, f, van het Communautair
douanewetboek.
3.Als invoer wordt niet aangemerkt het in Nederland brengen van
goederen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarop een
douaneregime van toepassing is dan wel waarop aansluitend aan het in
Nederland brengen een douaneregime van toepassing wordt. Evenmin wordt
als invoer aangemerkt het in Nederland beëindigen van een
douaneregime voor zover dit regime wordt opgevolgd door een
douaneregime.
4.Als invoer wordt voorts niet aangemerkt het in Nederland
beëindigen van, dan wel het in Nederland onttrekken van goederen aan
de douaneregeling intern communautair douanevervoer als bedoeld in de
artikelen 163 tot en met 165 van het Communautair douanewetboek,
indien het vervoer aanvangt en eindigt in de Gemeenschap.
5.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
toepassing van dit artikel.
Afdeling 2. Maatstaf en tarief van heffing
Artikel 19
1.De belasting wordt berekend over de douanewaarde.
2.In de douanewaarde zijn begrepen:
a. de rechten bij invoer, belastingen en heffingen, met
uitzondering van de ter zake van de invoer in Nederland
verschuldigde omzetbelasting;
b. de bijkomende kosten, zoals kosten van commissie,
verpakking, vervoer en verzekering tot de plaats van bestemming.
Artikel 20
1. De belasting bedraagt 21 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting:
a. 6 percent voor de invoer van goederen, genoemd in de bij
deze wet behorende tabel I, onderdeel a;
b. nihil voor de invoer van goederen, genoemd in de bij deze
wet behorende tabel II, onderdeel a, posten 3, 4 en 5, mits is
voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
voorwaarden;
c. nihil voor de invoer van gas via een aardgassysteem of een
op een dergelijk systeem aangesloten net, van gas dat van een
gastransportschip in een aardgassysteem of een
upstreampijpleidingnet wordt ingebracht, van warmte of koude via
warmte- of koudenetten of van elektriciteit, mits de
toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.
Afdeling 3. Vrijstellingen
Artikel 21
Bij ministeriële regeling wordt, onder daarbij te stellen
voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting verleend voor:
a. de invoer van goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling van
douanerechten bestaat;
b. de invoer van goederen in de zin van artikel 18, eerste lid,
onderdeel b, indien aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer
zou bestaan indien de goederen zouden zijn ingevoerd in de zin van
artikel 18, eerste lid, onderdeel a;
c. de invoer van goederen waarvan de levering in Nederland in elk
geval is vrijgesteld;
d. de invoer van goederen die worden verzonden of vervoerd naar
een andere lid-staat wanneer degene die de goederen heeft ingevoerd
deze levert met toepassing van de bij deze wet behorende tabel II,
onderdeel a, post 6.
Artikel 21a
Voor de toepassing van artikel 21b wordt verstaan onder:
a. persoonlijke bagage van reizigers: bagage die de reiziger kan
aangeven bij de douaneautoriteiten, alsmede de bagage die hij later
aangeeft, mits hij aannemelijk kan maken dat deze bij zijn vertrek
als begeleide bagage is ingeschreven bij de maatschappij die zijn
vervoer heeft verzorgd, met dien verstande dat brandstof, andere dan
die zich in het normale reservoir van een voertuig bevindt of andere
dan een maximale hoeveelheid van tien liter per voertuig in een
draagbaar reservoir, geen persoonlijke bagage is;
b. invoer die geen handelskarakter heeft: invoer die een
incidenteel karakter heeft, waaraan blijkens de aard of de
hoeveelheid van de goederen geen commerciële overwegingen ten
grondslag liggen en die uitsluitend betrekking heeft op goederen,
bestemd voor persoonlijk gebruik van de reizigers dan wel voor het
gebruik door hun gezinsleden of bestemd om als geschenk te worden
aangeboden;
c. cigarillo’s: sigaren die per stuk niet meer wegen dan drie
gram;
d. particuliere plezierluchtvaart of plezierzeevaart: het gebruik
van een luchtvaartuig of een zeewaardig vaartuig door de eigenaar
daarvan of door de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het
gebruiksrecht daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere
dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan
voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van
diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van
overheidsinstanties.
Artikel 21b
1.Voor de invoer van goederen wordt vrijstelling verleend indien
deze invoer geen handelskarakter heeft en deze goederen deel uitmaken
van de persoonlijke bagage van reizigers komende uit derde-landen. De
vrijstelling wordt verleend voor:
a. goederen, niet zijnde goederen bedoeld in de onderdelen b
tot en met e, waarvan de totale waarde niet meer dan € 430 per
reiziger bedraagt. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt de
waarde van een afzonderlijk goed niet gesplitst;
b. de volgende tabaksproducten per reiziger tot een maximum
van:
– 200 sigaretten;
– 100 cigarillo’s;
– 50 sigaren;
– 250 gram rooktabak; of
– een proportioneel assortiment van deze producten;
c. alcohol en alcoholhoudende dranken, niet zijnde
niet-mousserende wijnen en bier, per reiziger tot een maximum van:
– 1 liter alcohol en alcoholhoudende dranken met een
alcoholgehalte van meer dan 22% vol. of niet gedenatureerde
ethylalcohol van 80% vol. en hoger;
– 2 liter alcohol en alcoholhoudende dranken met een
alcoholgehalte van maximaal 22% vol.; of een proportioneel
assortiment van deze producten;
d. een maximale hoeveelheid van 4 liter niet-mousserende wijn
en 16 liter bier per reiziger;
e. brandstof die zich in het normale reservoir van een voertuig
bevindt, alsmede per voertuig een maximale hoeveelheid van tien
liter brandstof in een draagbaar reservoir.
2.Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt
voor reizigers in de particuliere plezierluchtvaart of plezierzeevaart
beperkt tot € 300.
3.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d,
geldt niet voor reizigers jonger dan zeventien jaar.
4.De maximale hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen
b, c en d, worden voor personeel van vervoermiddelen die worden
gebruikt in het verkeer tussen de Gemeenschap en derde-landen beperkt
tot de volgende hoeveelheden:
a. voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b:
– 40 sigaretten;
– 20 cigarillo’s;
– 10 sigaren;
– 50 gram rooktabak;
b. voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c:
– 1 liter alcohol en alcoholhoudende dranken met een
alcoholgehalte van meer dan 22% vol. of niet gedenatureerde
ethylalcohol van 80% vol. en hoger;
– 1 liter alcohol en alcoholhoudende dranken met een
alcoholgehalte van maximaal 22% vol.;
c. voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d:
2 liter niet-mousserende wijn en 8 liter bier.
Afdeling 4. Wijze van heffing
Artikel 22
1.Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke
bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de
Algemene douanewet, met uitzondering van het bepaalde in artikel 868
van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, van
overeenkomstige toepassing.
2.Bij ministeriële regeling kan, onder daarbij te stellen
voorwaarden en beperkingen, kwijtschelding of teruggaaf van bij invoer
verschuldigde belasting worden verleend in de gevallen waarin
aanspraak op kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer
bestaat of zou bestaan indien de goederen in het douanegebied van de
Gemeenschap, bedoeld in artikel 3 van het Communautair douanewetboek
zouden zijn ingevoerd of, in andere gevallen, om redenen van
billijkheid.
3.Belasting waarvan krachtens het tweede lid kwijtschelding of
teruggaaf wordt verleend, komt niet voor aftrek op de voet van artikel
15 in aanmerking. Heeft de aftrek reeds plaatsgevonden, dan wordt de
ondernemer die de aftrek heeft genoten het in aftrek gebrachte bedrag
als belasting verschuldigd.
Artikel 22a
1.Op goederen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b ,
die Nederland binnenkomen uit een derde-land dat deel uitmaakt van het
douanegebied van de Gemeenschap, bedoeld in artikel 3 van het
Communautair douanewetboek zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a. de formaliteiten betreffende het in Nederland brengen zijn
dezelfde als zijn voorzien in de wettelijke bepalingen, bedoeld in
artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, ten
aanzien van goederen die in het vrije verkeer worden gebracht in
de zin van die wettelijke bepalingen;
b. indien de plaats van aankomst van de verzending of het
vervoer van de goederen zich buiten de lid-staat van binnenkomen
in de Gemeenschap bevindt, zijn de goederen binnen de Gemeenschap
in het verkeer onder de regeling voor intern communautair
douanevervoer als bedoeld in artikel 18, vierde lid, indien de
goederen bij het binnenkomen in de Gemeenschap onder die regeling
zijn gebracht;
c. indien op de goederen op het tijdstip van binnenkomen in de
Gemeenschap een van de douaneregimes als bedoeld in artikel 18,
tweede lid, zou kunnen worden toegepast indien zij zouden zijn
ingevoerd in de zin van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, kan
dit douaneregime ook op deze goederen worden toegepast.
2.Op goederen, andere dan bedoeld in artikel 18, eerste lid,
onderdeel a , die worden verzonden of vervoerd uit de Gemeenschap naar
een derde-land dat deel uitmaakt van het douanegebied van de
Gemeenschap als bedoeld in het eerste lid, aanhef, zijn de volgende
bepalingen van toepassing:
a. de formaliteiten betreffende de verzending of het vervoer
naar een derde-land zijn dezelfde als zijn voorzien in de
wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede
lid, van de Algemene douanewet, ten aanzien van goederen die
worden uitgevoerd in de zin van die wettelijke bepalingen;
b. op goederen die tijdelijk zijn uitgevoerd uit de Gemeenschap
met het oog op hun wederinvoer zijn de wettelijke bepalingen,
bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene
douanewet, ter zake van de uitvoer van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. In afwijking van artikel 22 wordt de belasting ter zake van de
invoer van goederen, bestemd voor aangewezen ondernemers en lichamen
in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, andere dan
ondernemers, geheven van die ondernemers en lichamen. Bij
ministeriële regeling worden onder daarbij te stellen voorwaarden
regels gesteld omtrent de aanwijzing. Daarbij kan worden bepaald dat
op verzoek een aanwijzing kan geschieden door de inspecteur.
2. De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de
goederen worden ingevoerd.
3. De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op
aangifte worden voldaan.
4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op verzoeken tot aanwijzing op grond van bepalingen
krachtens het eerste lid.
Hoofdstuk IV. Uitvoer van goederen
Artikel 24
1.Aan lichamen in de zin van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, andere dan ondernemers, die goederen in ongebruikte
staat uitvoeren uit de Gemeenschap of brengen onder het stelsel van
douane-entrepots op basis van artikel 98, lid 1, onder b, van het
Communautair douanewetboek in het kader van hun menslievende,
liefdadige of opvoedkundige werk buiten de Gemeenschap, wordt op
verzoek teruggaaf verleend van de voor die goederen betaalde
belasting.
2.Ten behoeve van natuurlijke personen die, anders dan als
ondernemer, goederen uitvoeren uit de Gemeenschap, kan op bij
ministeriële regeling te bepalen wijze en onder daarbij te stellen
voorwaarden en beperkingen ontheffing worden verleend van de belasting
die is verschuldigd ter zake van de levering van die goederen.
Hoofdstuk V. Bijzondere regelingen
Afdeling 1. Vermindering van belasting (kleine ondernemers)
Artikel 25
1. Indien een ondernemer een natuurlijk persoon is die in Nederland
woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft en de
door hem in een kalenderjaar verschuldigde belasting na toepassing van
de in artikel 15 bedoelde aftrek niet hoger is dan € 1883, wordt het
bedrag van de belasting verminderd met een bedrag, gelijk aan 2,5 maal
het verschil tussen € 1883 en het bedrag van die belasting. De
vermindering bedraagt ten hoogste het bedrag van de belasting.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de
toerekening van de in het eerste lid bedoelde vermindering aan de
tijdvakken in het kalenderjaar.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld volgens welke
een ondernemer die op grond van het eerste lid geen belasting behoeft
te voldoen, op zijn verzoek kan worden ontheven van verplichtingen,
opgelegd bij of krachtens de artikelen 34 en 34b tot en met 35. De
ondernemer mag alsdan op een factuur op generlei wijze melding maken
van omzetbelasting; teruggaaf op de voet van artikel 17 wordt aan hem
niet verleend. De ontheffing geldt niet met betrekking tot
intracommunautaire verwervingen.
4. De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt niet toegepast,
indien de ondernemer in het desbetreffende kalenderjaar niet voldoet
aan hetgeen bij of krachtens artikel 34, de artikelen 34b tot en met
35, of het derde lid is voorgeschreven.
5. De vorige leden zijn niet van toepassing op leveringen van
nieuwe vervoermiddelen met toepassing van de bij deze wet behorende
tabel II, onderdeel a, post 6.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
inzake de toepassing van dit artikel.
Afdeling 2. Voldoening naar ontvangsten
Artikel 26
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke
daarbij aangewezen ondernemers die niet aan ondernemers plegen te
leveren of diensten plegen te bewijzen, de belasting ter zake van
leveringen en diensten worden verschuldigd op het tijdstip waarop de
vergoeding wordt voldaan; alsdan wordt de belasting berekend over de
voldane vergoeding.
Afdeling 3. Landbouwregeling
Artikel 27
1. Landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers zijn geen
omzetbelasting verschuldigd, voor zover hun prestaties bestaan uit:
a. leveringen van goederen, vermeld in tabel I, onderdeel a,
welke zij in hun vermelde hoedanigheid hebben voortgebracht of
geteeld;
b. diensten welke naar hun aard bijdragen tot de agrarische
produktie en welke zij met gebruikmaking van hun normale
uitrusting en personeel verrichten;
c. leveringen van gebruikte bedrijfsmiddelen en andere in het
bedrijf gebruikte goederen.
2. De in het eerste lid bedoelde ondernemers zijn met betrekking
tot de aldaar bedoelde prestaties ontheven van de verplichtingen,
opgelegd bij of krachtens de artikelen 34 en 34b tot en met 35. Zij
hebben met betrekking tot die prestaties geen aanspraak op aftrek op
de voet van artikel 15.
3. Aan de in het eerste lid bedoelde ondernemers die goederen als
aldaar bedoeld in onderdeel a leveren met toepassing van artikel 5a,
eerste lid, wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend, ingeval
de levering leidt tot verschuldigdheid van belasting in de lid-staat
van aankomst van het vervoer. De teruggaaf bedraagt 5,4 percent van
het door de ondernemer in rekening gebrachte bedrag.
4. Ondernemers aan wie de in het eerste lid bedoelde ondernemers
goederen als aldaar zijn bedoeld in onderdeel a, leveren, of diensten
als aldaar zijn bedoeld in onderdeel b, verlenen, kunnen 5,4 percent
van het aan hen in rekening gebrachte bedrag op de voet van artikel 15
in aftrek brengen.
5. Aan de in artikel 1a, tweede lid, bedoelde ondernemers en
rechtspersonen, andere dan ondernemers, die zijn gevestigd in een
andere lid-staat, aan wie de in het eerste lid bedoelde ondernemers
goederen als aldaar bedoeld in onderdeel a leveren, wordt op verzoek
teruggaaf van belasting verleend, voor zover deze goederen in die
andere lid-staat zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake
van intracommunautaire verwerving van die goederen. De teruggaaf
bedraagt 5,4 percent van het door de leverancier in rekening gebrachte
bedrag.
6. De in het eerste lid bedoelde ondernemers kunnen aan de
inspecteur verzoeken om het eerste en het tweede lid op hen niet van
toepassing te doen zijn. Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks
tot wederopzegging door belanghebbende doch ten minste voor vijf
jaren; alsdan zijn ook het derde, vierde en vijfde lid niet van
toepassing. Een hernieuwd verzoek kan eerst vijf jaren na die
wederopzegging worden ingewilligd. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
7. Artikel 25 is niet van toepassing op landbouwers, veehouders,
tuinbouwers en bosbouwers, die prestaties verrichten als zijn bedoeld
in het eerste lid.
8. De voorgaande leden blijven buiten toepassing ten aanzien van
veehouders, voor zover hun bedrijfsuitoefening niet samenhangt met de
exploitatie van de bodem.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
inzake de toepassing van dit artikel.
Afdeling 4. Tabaksprodukten en accijnsgoederen, andere dan
tabaksprodukten
Artikel 28
De heffing van de belasting ter zake van de levering, de
intracommunautaire verwerving en de invoer van tabaksproducten als
bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns geschiedt met
overeenkomstige toepassing van de voor die accijns geldende regelen, met
dien verstande dat het tarief 21/121 deel bedraagt van de voor de
berekening van de accijns in aanmerking komende kleinhandelsprijs. Die
belasting komt niet voor aftrek als is bedoeld in artikel 15 in
aanmerking.
Artikel 28a
De heffing van omzetbelasting ter zake van de intracommunautaire
verwerving van accijnsgoederen, andere dan tabaksprodukten, geschiedt
met overeenkomstige toepassing van de voor de accijns geldende regels,
indien de verwerving wordt verricht door ondernemers of rechtspersonen,
andere dan ondernemers, waarvoor artikel 1a, tweede lid, toepassing
vindt ter zake van intracommunautaire verwervingen van goederen, andere
dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsgoederen.
Afdeling 5. Regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen,
voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten
Artikel 28b
1. Ingeval een wederverkoper gebruikte goederen, kunstvoorwerpen,
voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten levert, wordt, in
afwijking van artikel 8, eerste lid, de belasting berekend over de
winstmarge. De winstmarge is het verschil tussen de vergoeding en
hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de
wederverkoper door hem is of moet worden voldaan.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het goed aan de
wederverkoper is geleverd door:
a. een ander dan een ondernemer;
b. een ondernemer, met toepassing van artikel 11, eerste lid,
onderdeel r;
c. een ondernemer die ingevolge artikel 25, derde lid, is
ontheven van de verplichtingen, opgelegd bij of krachtens de
artikelen 34 en 34b tot en met 35, mits het een in zijn bedrijf
gebruikt bedrijfsmiddel betreft;
d. een andere wederverkoper, met toepassing van het eerste lid;
of
e. een ondernemer of een wederverkoper uit een andere lid-staat,
mits het een levering is als bedoeld in artikel 314, onder b, c of
d, van de BTW-richtlijn 2006.
Artikel 28c
1. Op verzoek van de wederverkoper is artikel 28b, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing op de leveringen van:
a. kunstvoorwerpen die hem zijn geleverd met toepassing van de
bij deze wet behorende tabel I, onderdeel a, post 29, onderdeel b;
b. kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en
antiquiteiten die hij zelf heeft ingevoerd, met dien verstande dat
alsdan de winstmarge het verschil is tussen de vergoeding en de
douanewaarde vermeerderd met de ter zake van de invoer in
Nederland verschuldigde omzetbelasting.
2. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking. Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks tot
wederopzegging door belanghebbende doch ten minste voor twee
kalenderjaren. Een hernieuwd verzoek kan eerst twee jaren na die
wederopzegging worden ingewilligd.
Artikel 28d
1. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt, in
afwijking in zoverre van de artikelen 28b en 28c, ter zake van
leveringen van goederen waarop een zelfde tarief wordt toegepast, de
belasting berekend over de winstmarge per tijdvak van aangifte. Deze
winstmarge is het verschil tussen de som van de vergoedingen ter zake
van die leveringen in dat tijdvak en de som van hetgeen in dat tijdvak
door de wederverkoper is of moet worden voldaan ter zake van in
artikel 28b, tweede lid, en 28c, eerste lid, bedoelde leveringen of
invoer van dergelijke goederen.
2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op verzoeken op grond van bepalingen krachtens het eerste
lid.
Artikel 28e
In afwijking van artikel 15 vindt geen aftrek plaats:
a. ingeval de artikelen 28b, 28c of 28d toepassing vinden, van de
belasting welke begrepen is in het door de wederverkoper in rekening
gebrachte bedrag; en
b. ingeval artikel 28c toepassing vindt, van de belasting welke
aan de wederverkoper in rekening is gebracht ter zake van de aan hem
verrichte levering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van
dat artikel, of van de belasting welke de wederverkoper verschuldigd
is geworden ter zake van de invoer als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, van dat artikel.
Artikel 28f
1.In afwijking van de artikelen 28b en 28c is de wederverkoper ter
zake van elk van zijn leveringen die voor toepassing van die artikelen
in aanmerking komen, gerechtigd de belasting te berekenen
overeenkomstig artikel 8, eerste lid.
2.Ingeval het eerste lid toepassing vindt, vindt aftrek plaats van
de belasting die ingevolge artikel 28e, onderdeel b, niet in aftrek is
gebracht. Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de
belasting verschuldigd wordt ter zake van de levering door de
wederverkoper.
Artikel 28g
Artikel 12, derde lid, is niet van toepassing ten aanzien van een
wederverkoper die niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen
vaste inrichting heeft, die goederen levert met toepassing van artikel
28b, 28c of 28d.
Artikel 28h
1.Ingeval de wederverkoper goederen levert met toepassing van
artikel 28b, 28c of 28d, wordt voor de toepassing van artikel 35a,
eerste lid, onderdeel h , de omzetbelasting begrepen onder de
vergoeding.
2.Het is de wederverkoper die goederen levert met toepassing van
artikel 28b, 28c of 28d niet toegestaan om de belasting afzonderlijk
te vermelden op de ter zake van die levering uit te reiken factuur.
3.Artikel 35a, eerste lid, onderdeel j , is niet van toepassing ter
zake van leveringen door wederverkopers met toepassing van de
artikelen 28b, 28c of 28d.
Artikel 28i
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake
de toepassing van deze afdeling.
Afdeling 6. Regeling voor beleggingsgoud
Artikel 28j
1. In deze wet en in de daarop berustende bepalingen wordt onder
beleggingsgoud verstaan:
a. goud, in de vorm van staven of plaatjes met een door de
goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste
995/1000, al dan niet belichaamd in effecten, doch met
uitzondering van bij ministeriële regeling aan te wijzen kleine
staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram;
b. gouden munten die:
1°. een zuiverheid van ten minste 900/1000 hebben;
2°. na 1800 zijn geslagen;
3°. in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel
fungeren of hebben gefungeerd;
4°. normaliter verkocht worden voor een prijs die de
openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met
meer dan 80% overschrijdt;
c. gouden munten die zijn opgenomen in de lijst die de Europese
Commissie elk jaar publiceert in de C-serie van het Publicatieblad
van de Europese Gemeenschappen en die daarmee worden geacht aan de
in onderdeel b opgenomen criteria te voldoen gedurende het hele
jaar waarvoor de lijst wordt gepubliceerd.
2. De in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde gouden munten
worden, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen, geacht niet wegens hun numismatische belang te worden
verkocht.
Artikel 28k
Van de belasting zijn vrijgesteld:
a. de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van
beleggingsgoud, waaronder begrepen beleggingsgoud dat belichaamd is
in certificaten voor toegewezen of niet-toegewezen goud of dat
verhandeld wordt op goudrekeningen, en waaronder begrepen, in het
bijzonder, goudleningen en swaps, die een eigendoms- of
vorderingsrecht op beleggingsgoud belichamen, evenals de handelingen
betreffende beleggingsgoud bestaande in future- en termijncontracten
die leiden tot de overdracht van een eigendoms- of vorderingsrecht
met betrekking tot beleggingsgoud;
b. de diensten door tussenpersonen die handelen in naam en voor
rekening van een ander wanneer zij betrokken zijn bij de levering
van beleggingsgoud voor hun principaal.
Artikel 28l
1.De ondernemer die beleggingsgoud produceert of goud omzet in
beleggingsgoud kan ervoor kiezen artikel 28k, onderdeel a, op hem niet
van toepassing te doen zijn met betrekking tot leveringen van
beleggingsgoud aan een andere ondernemer.
2.De ondernemer die in het kader van zijn onderneming normaliter
goud levert voor industriële doeleinden, kan ervoor kiezen artikel
28k, onderdeel a, op hem niet van toepassing te doen zijn met
betrekking tot leveringen van beleggingsgoud als bedoeld in artikel
28j, eerste lid, onderdeel a, aan een andere ondernemer.
3.Indien de leverancier het recht om overeenkomstig het eerste of
het tweede lid voor belastingheffing te kiezen heeft uitgeoefend, kan
de tussenpersoon ervoor kiezen artikel 28k, onderdeel b, op hem niet
van toepassing te doen zijn met betrekking tot de in dat onderdeel
vermelde diensten.
Artikel 28m
1.In afwijking in zoverre van artikel 15 heeft de ondernemer een
recht op aftrek van de belasting die in rekening is gebracht of
verschuldigd is geworden met betrekking tot:
a. beleggingsgoud dat hem is geleverd door een ondernemer die
een in artikel 28l bedoeld keuzerecht heeft uitgeoefend;
b. de levering aan hem of de intracommunautaire verwerving of
de invoer door hem van ander goud dan beleggingsgoud dat
vervolgens door hem of namens hem wordt omgezet in beleggingsgoud;
c. aan hem verleende diensten bestaande in een wijziging van de
vorm, het gewicht of de zuiverheid van goud met inbegrip van
beleggingsgoud;
indien de latere levering door hem van dat goud ingevolge deze
afdeling is vrijgesteld.
2.In afwijking in zoverre van artikel 15 heeft de ondernemer die
beleggingsgoud produceert of goud in beleggingsgoud omzet een recht op
aftrek van de belasting die hem in rekening is gebracht of door hem
verschuldigd is geworden met betrekking tot de levering dan wel de
intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen of diensten
die met de productie of de omzetting van dat goud verband houden alsof
de latere levering door hem van het ingevolge deze afdeling
vrijgestelde goud aan de heffing van belasting was onderworpen.
Artikel 28n
De ondernemer die handelt in beleggingsgoud dient, met
overeenkomstige toepassing van artikel 34, aantekening te houden van
alle handelingen betreffende beleggingsgoud waarvoor de vergoeding meer
dan € 10 000 bedraagt en de documenten te bewaren aan de hand waarvan
de identiteit van de cliënt bij dergelijke handelingen kan worden
vastgesteld.
Artikel 28o
In geval een ondernemer een levering of een dienst verricht die een
verwerking omvat van aan een ander toebehorend beleggingsgoud, waardoor
het goud niet langer als beleggingsgoud is aan te merken, wordt, in
afwijking in zoverre van artikel 8, de belasting berekend over het door
de ondernemer voor die levering of dienst in rekening gebrachte bedrag
– de omzetbelasting niet daaronder begrepen – vermeerderd met de
normale waarde van het goud dat in het tot stand gekomen goed voorkomt.
Artikel 28p
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake
de toepassing van deze afdeling.
Afdeling 7. Regeling voor niet in de Gemeenschap gevestigde
ondernemers die elektronische diensten verrichten aan andere dan
ondernemers
Artikel 28q
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. niet in de Gemeenschap gevestigde ondernemers: ondernemers die
niet in de Gemeenschap wonen of zijn gevestigd noch aldaar een vaste
inrichting hebben, en ook niet anderszins voor
omzetbelastingdoeleinden in de Gemeenschap zijn geïdentificeerd;
b. lid-staat van identificatie: de lid-staat waar de niet in de
Gemeenschap gevestigde ondernemer zich identificeert teneinde een
nummer van registratie te verkrijgen vanwege het begin van zijn
activiteit als ondernemer op het grondgebied van de Gemeenschap
overeenkomstig deze afdeling;
c. lid-staat van verbruik: de lidstaat waar overeenkomstig
artikel 6h elektronische diensten worden verricht;
d. melding elektronische diensten: het elektronische bericht
waarin alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag te bepalen
van de in elke lid-staat van verbruik verschuldigde belasting ter
zake van elektronische diensten welke zijn verricht aan anderen dan
ondernemers die in de Gemeenschap wonen of zijn gevestigd.
Artikel 28r
1.Een niet in de Gemeenschap gevestigde ondernemer die
elektronische diensten verricht aan anderen dan ondernemers die in de
Gemeenschap wonen of zijn gevestigd, kan ten aanzien van de heffing
van belasting kiezen voor Nederland als lid-staat van identificatie.
2.Ingeval de niet in de Gemeenschap gevestigde ondernemer kiest
voor Nederland als lid-staat van identificatie, dient hij onverwijld
opgave te doen van het begin of de beëindiging van het verrichten van
elektronische diensten, alsook van wijziging van deze activiteit in
die zin dat de in deze afdeling opgenomen regeling niet langer van
toepassing is.
3.De in het tweede lid bedoelde opgave vindt langs elektronische
weg bij de inspecteur plaats en bevat de volgende gegevens:
a. naam, postadres en elektronische adressen, met inbegrip van
websites, van de ondernemer;
b. het eventuele belastingnummer dat aan de ondernemer is
verstrekt door zijn nationale belastingautoriteit;
c. een verklaring dat de ondernemer niet reeds in de
Gemeenschap is geïdentificeerd voor belastingheffing op grond van
de BTW-richtlijn 2006.
4.Indien degene die heeft gekozen voor Nederland als lid-staat van
identificatie niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor
identificatie, wordt de identificatie door de inspecteur geweigerd
respectievelijk beëindigd. De weigering of beëindiging geschiedt bij
voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 28s
1. In afwijking van artikel 14 is de niet in de Gemeenschap
gevestigde ondernemer die met toepassing van artikel 28r voor
Nederland heeft gekozen als lid-staat van identificatie, gehouden met
betrekking tot de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting een
melding elektronische diensten bij de inspecteur in te dienen, onder
vermelding van het hem toegekende nummer van registratie en onder
gelijktijdige betaling in euro van de verschuldigde belasting aan de
ontvanger, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
2. Het in het eerste lid bedoelde tijdvak is een kalenderkwartaal.
De melding elektronische diensten dient ook te worden ingediend indien
in een tijdvak geen elektronische diensten zijn verricht.
3. De in het eerste lid bedoelde melding elektronische diensten
vindt plaats langs elektronische weg en bevat ten aanzien van elke
lid-staat van verbruik waar belasting is verschuldigd, het totale
bedrag dat ter zake van de elektronische diensten in rekening is
gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen, alsmede het
totale bedrag van de daarover verschuldigde belasting. Voorts worden
de in de desbetreffende lidstaten geldende belastingtarieven en het
totale verschuldigde bedrag aan belasting vermeld.
4. De in het eerste lid bedoelde melding elektronische diensten
wordt gedaan uiterlijk 20 dagen na het einde van het tijdvak waarop
die melding betrekking heeft.
5. Indien de belasting die verschuldigd is over in Nederland
verrichte elektronische diensten, ongeacht de keuze van lid-staat van
identificatie, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de
inspecteur met overeenkomstige toepassing van artikel 20 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting
naheffen. De artikelen 30h, 30ha, 67c en 67f van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.
6. In afwijking van artikel 2 vindt geen aftrek van belasting
plaats, maar wordt teruggaaf van belasting verleend overeenkomstig de
dertiende Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
17 november 1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der
Lid-Staten inzake omzetbelasting (nr. 86/560/EEG, PbEG L 326). Artikel
2, tweede en derde lid, en artikel 4, tweede lid, van deze Richtlijn
zijn niet van toepassing op een verzoek om teruggaaf van belasting dat
verband houdt met elektronische diensten waarop de in deze afdeling
opgenomen regeling van toepassing is.
7. De bedragen in de melding elektronische diensten worden
uitgedrukt in eurobedragen. Indien de vergoeding voor elektronische
diensten is uitgedrukt in een andere munteenheid dan de euro wordt, in
afwijking van artikel 8, zesde lid, voor de bepaling van de in het
derde lid genoemde bedragen de wisselkoers gehanteerd die gold op de
laatste dag van de periode waarop de melding elektronische diensten
betrekking heeft. De omrekening vindt plaats volgens de wisselkoersen
die de Europese Centrale Bank voor de desbetreffende dag bekend heeft
gemaakt of, als er op de desbetreffende dag geen bekendmaking heeft
plaatsgevonden, volgens de wisselkoersen op de eerstvolgende dag van
bekendmaking.
8. Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
overeenkomstige toepassing als ware de betaalde belasting op aangifte
voldaan.
Artikel 28t
1.In afwijking van artikel 52 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is een niet in de Gemeenschap gevestigde ondernemer
die elektronische diensten verricht aan anderen dan ondernemers die in
de Gemeenschap wonen of zijn gevestigd, gehouden aantekening te houden
van alle handelingen die betrekking hebben op elektronische diensten
en waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van
feiten welke van invloed kunnen zijn op de heffing van belasting in
Nederland en in andere lid-staten van verbruik.
2.De in het eerste lid bedoelde ondernemer is verplicht boeken,
bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks
ter keuze van de inspecteur – betreffende elektronische diensten te
bewaren gedurende tien jaren na afloop van het jaar waarin de dienst
is verricht.
3.Desgevraagd dienen de boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan langs elektronische weg ter
beschikking te worden gesteld aan de inspecteur, aan de ontvanger, of
aan de belastingautoriteit van een andere lid-staat van verbruik.
Afdeling 8. Regeling voor vis
Artikel 28u
De belasting, verschuldigd ter zake van de invoer en de levering aan
veilingen van vis, schaal-, schelp- en weekdieren die worden aangebracht
per schip dat terugkeert van de visvangst, of per ventjager, bedraagt
nihil.
Afdeling 9. Regeling voor vis [Treedt in werking per 01-01-2015]
Artikel 28y [Treedt in werking per 01-01-2015]
De belasting, verschuldigd ter zake van de invoer en de levering aan
veilingen van vis, schaal-, schelp- en weekdieren die worden aangebracht
per schip dat terugkeert van de visvangst, of per ventjager, bedraagt
nihil.
Afdeling 10. Regeling voor reisbureaus
Artikel 28z
1. Deze afdeling en de daarop berustende bepalingen zijn van
toepassing op de handelingen van reisbureaus, voor zover de
reisbureaus op eigen naam tegenover de reiziger handelen en zij voor
de totstandbrenging van de reizen gebruikmaken van de leveringen van
goederen en diensten van andere ondernemers.
2. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende
bepalingen worden reisorganisatoren (touroperators) als reisbureaus
beschouwd.
Artikel 28za
De onder de voorwaarden van artikel 28z verrichte handelingen van het
reisbureau met het oog op de totstandkoming van de reis, worden
beschouwd als één enkele dienst die het reisbureau voor de reiziger
verricht (reisdienst). De plaats van deze dienst is de plaats waar het
reisbureau de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting
heeft gevestigd van waaruit het de dienst heeft verricht.
Artikel 28zb
1. Ter zake van reisdiensten wordt de belasting naar keuze van het
reisbureau berekend over:
a. de winstmarge per tijdvak van aangifte, de omzetbelasting
niet daaronder begrepen, of
b. de winstmarge per reis, de omzetbelasting niet daaronder
begrepen.
2. De winstmarge per tijdvak van aangifte is het verschil tussen de
som van de vergoedingen, de omzetbelasting daaronder begrepen, in dat
tijdvak ter zake van reisdiensten en de som van de in dat tijdvak
werkelijk door het reisbureau gedragen kosten voor goederen en
diensten van andere ondernemers, mits deze goederen en diensten de
reiziger rechtstreeks ten goede komen.
3. De winstmarge per reis is het verschil tussen de vergoeding, de
omzetbelasting daaronder begrepen, ter zake van de reisdienst en de
werkelijk door het reisbureau gedragen kosten voor goederen en
diensten van andere ondernemers, mits deze goederen en diensten de
reiziger rechtstreeks ten goede komen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ten aanzien van
de in het eerste lid bedoelde keuze en overgangsregels ten aanzien van
het wijzigen van deze keuze worden gesteld.
Artikel 28zc
Indien de handelingen waarvoor het reisbureau een beroep doet op
andere ondernemers, door laatstgenoemden buiten de Unie worden verricht,
wordt de dienst van het reisbureau gelijkgesteld met de in de bij deze
wet behorende tabel II, onderdeel b, post 4, genoemde handeling van een
tussenpersoon. Indien de in de eerste volzin bedoelde handelingen zowel
binnen als buiten de Unie worden verricht, mag alleen het gedeelte van
de dienst van het reisbureau betreffende de buiten de Unie verrichte
handelingen als zodanig gelijkgesteld worden beschouwd.
Artikel 28zd
1. Ingeval in een tijdvak van aangifte in een kalenderjaar, het
laatste tijdvak van aangifte in een kalenderjaar uitgezonderd, de
winstmarge per tijdvak van aangifte, de omzetbelasting niet daaronder
begrepen, (tijdvakwinstmarge) negatief is, wordt deze negatieve
tijdvakwinstmarge verrekend met een positieve tijdvakwinstmarge, of
opgeteld bij een negatieve tijdvakwinstmarge, die in het volgende
belastingtijdvak wordt gerealiseerd.
2. Na afloop van een kalenderjaar wordt voor dat kalenderjaar de
tijdvakwinstmarge op jaarbasis vastgesteld (jaarsaldo). Ingeval het
jaarsaldo negatief is, wordt dit negatieve jaarsaldo opgeteld bij de
ten behoeve van de vaststelling van het jaarsaldo van het
daaropvolgende kalenderjaar op jaarbasis herrekende som. Ingeval de
belasting over dat aldus berekende jaarsaldo minder bedraagt dan het
bedrag aan belasting dat over het kalenderjaar is of moet worden
voldaan ter zake van reisdiensten wordt het verschil op verzoek aan
het reisbureau teruggegeven.
3. Het vaststellen van het bedrag van de teruggaaf, bedoeld in het
tweede lid, geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het
verzoek wordt gedaan binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar
waarop het verzoek betrekking heeft.
Artikel 28ze
De belasting die aan het reisbureau in rekening wordt gebracht door
andere ondernemers voor de in artikel 28z, eerste lid, bedoelde
handelingen welke de reiziger rechtstreeks ten goede komen, komt niet
voor aftrek of teruggaaf in aanmerking.
Artikel 28zf
1. Ter zake van de reisdiensten wordt voor de toepassing van
artikel 35a, eerste lid, onderdeel h, de omzetbelasting begrepen onder
de vergoeding.
2. Het is het reisbureau niet toegestaan om de belasting
afzonderlijk te vermelden op de ter zake van de reisdienst uit te
reiken factuur.
3. Artikel 35a, eerste lid, onderdeel j, is niet van toepassing ter
zake van reisdiensten.
Artikel 28zg
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake
de toepassing van deze afdeling.
Hoofdstuk VI. Diverse bepalingen
Afdeling 1. Teruggaaf van belasting
Artikel 29
1.Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van
leveringen en diensten, voor zover de vergoeding:
a. niet is en niet zal worden ontvangen;
b. wordt terugbetaald omdat een vermindering van de vergoeding
is verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn
teruggenomen.
2.De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting in aftrek heeft
gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen van goederen en
diensten, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als
belasting verschuldigd op het tijdstip waarop en voor zover
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij de vergoeding waarop dat
bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft
terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee
jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat
tijdstip nog niet is betaald. De verschuldigd geworden belasting wordt
op de voet van artikel 14 voldaan.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
waarin het eerste en tweede lid niet van toepassing worden verklaard
op bedragen welke niet zijn ontvangen onderscheidenlijk betaald ten
gevolge van een korting voor contante betaling.
Artikel 29a
1.Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van
intracommunautaire verwerving van goederen, voor zover de vergoeding
wordt terugbetaald omdat een vermindering van de vergoeding is
verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn teruggezonden.
De teruggaaf wordt slechts verleend voor zover de ondernemer de
belasting niet in aftrek heeft gebracht.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
waarin het eerste lid niet van toepassing wordt verklaard op bedragen
welke niet zijn betaald ten gevolge van een korting voor contante
betaling.
Artikel 30
1. Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake
van intracommunautaire verwerving van goederen in de gevallen waarin
de belasting is geheven met toepassing van artikel 17b, tweede lid, en
door belanghebbende wordt aangetoond dat ter zake van dezelfde
verwerving belasting is geheven in de lid-staat van aankomst van de
verzending of het vervoer.
2. Op verzoek wordt naar evenredigheid teruggaaf verleend van de
belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van
accijnsgoederen in de gevallen waarin na het tijdstip waarop die
intracommunautaire verwerving van accijnsgoederen is verricht de in de
lid-staat van vertrek van de verzending of het vervoer van die
goederen voldane accijns door de afnemer is terugontvangen.
3. Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake
van invoer van goederen door een rechtspersoon, andere dan ondernemer,
welke goederen zijn verzonden of vervoerd uit een derde-land met als
bestemming een andere lid-staat, indien belanghebbende aantoont dat in
die andere lid-staat ter zake van intracommunautaire verwerving van
die goederen belasting is geheven.
Artikel 31
1. Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt bij de aangifte
over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
2. In gevallen waarin geen aangifte op de voet van artikel 14 moet
worden ingediend, geschiedt een verzoek om teruggaaf door het doen van
aangifte.
3. Indien een verzoek om teruggaaf als bedoeld in het tweede lid,
wordt gedaan door een ondernemer die niet in Nederland woont of is
gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit zakelijke
handelingen worden verricht, maar die is gevestigd in een andere
lidstaat, is het bepaalde in afdeling 2, paragrafen 1 en 2 mede van
toepassing.
4. Indien een verzoek om teruggaaf als bedoeld in het tweede lid,
wordt ingediend door een ondernemer die niet in Nederland en niet in
de Gemeenschap woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting
heeft, dient het verzoek betrekking te hebben op belasting waarvoor
het recht op teruggaaf is ontstaan in een tijdvak van ten minste drie
maanden en ten hoogste een kalenderjaar. Het tijdvak mag evenwel
korter zijn dan drie maanden indien deze periode het resterende deel
van een kalenderjaar betreft. De verzoeken kunnen mede belasting
betreffen waarvoor het recht op teruggaaf is ontstaan in een ander
tijdvak van hetzelfde kalenderjaar, maar waarvoor eerder geen verzoek
om teruggaaf werd ingediend. Het verzoek moet worden ingediend binnen
zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op
teruggaaf is ontstaan.
5. Indien een verzoek om teruggaaf als bedoeld in het tweede lid,
wordt ingediend door een ander dan een ondernemer genoemd in het derde
lid of vierde lid, dient het verzoek betrekking te hebben op belasting
waarvoor het recht op teruggaaf is ontstaan in een kwartaal en moet
het verzoek worden ingediend binnen drie maanden na afloop van dat
kwartaal.
6. In gevallen als bedoeld in het vierde lid, wordt in afwijking
van artikel 17 geen teruggaaf verleend indien het verzoek betrekking
heeft op een bedrag aan belasting van minder dan € 400. Betreft een
verzoek om teruggaaf als is bedoeld in het vierde lid evenwel een
kalenderjaar of het resterende gedeelte daarvan, dan moet het bedrag
aan belasting waarop het verzoek betrekking heeft ten minste€ 50
belopen.
7. Een ondernemer die niet in de Gemeenschap woont of is gevestigd
en in Nederland geen vaste inrichting heeft, behoeft bij een verzoek
om teruggaaf, in afwijking van artikel 57 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, geen domicilie in Nederland te kiezen. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
wijze waarop deze ondernemers moeten aantonen, dat zij ondernemer zijn
in de zin van artikel 7.
8. De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
9. Op de verzoeken om teruggaaf van belasting, bedoeld in het
eerste en tweede lid, is afdeling 4.1.3 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
Afdeling 2. Teruggaaf aan ondernemers die niet in de lidstaat van
teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 32
Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde
bepalingen wordt verstaan onder:
a. niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde ondernemer:
iedere ondernemer in de zin van artikel 7, eerste en tweede lid, die
niet in de lidstaat van teruggaaf, maar in een andere lidstaat
gevestigd is;
b. lidstaat van teruggaaf: de lidstaat waar de belasting aan de
niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde ondernemer in rekening
werd gebracht ter zake van de voor genoemde ondernemer door andere
ondernemers in deze lidstaat verrichte diensten of
goederenleveringen, dan wel ter zake van de invoer van goederen in
deze lidstaat;
c. teruggaaftijdvak: het tijdvak waarop het teruggaafverzoek
betrekking heeft;
d. teruggaafverzoek: het verzoek om teruggaaf van de aan de niet
in de lidstaat van teruggaaf gevestigde ondernemer in rekening
gebrachte belasting ter zake van de voor genoemde ondernemer door
andere ondernemers in deze lidstaat verrichte diensten of
goederenleveringen, of ter zake van de invoer van goederen in deze
lidstaat;
e. aanvrager: de niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde
ondernemer die het teruggaafverzoek doet.
Artikel 32a
1. Betreft het teruggaafverzoek een teruggaaftijdvak van minder dan
één kalenderjaar, doch van ten minste drie maanden, dan moet het
belastingbedrag waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft ten
minste 400 euro of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid
belopen.
2. Betreft het teruggaafverzoek een teruggaaftijdvak van een
kalenderjaar of het resterende gedeelte van een kalenderjaar, dan moet
het belastingbedrag ten minste 50 euro of de tegenwaarde daarvan in de
nationale munteenheid belopen.
Paragraaf 2. Teruggaaf van in Nederland in rekening gebrachte
belasting aan ondernemers uit een andere lidstaat
Artikel 32b
Een niet in Nederland gevestigde ondernemer kan een teruggaafverzoek
doen voor in Nederland in rekening gebrachte belasting ter zake van aan
hem door andere ondernemers in Nederland verrichte diensten of
goederenleveringen dan wel ter zake van de invoer, indien hij aan de
volgende voorwaarden voldoet:
a. tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij in Nederland noch
de zetel van zijn bedrijfsuitoefening gehad, noch een vaste
inrichting van waaruit zakelijke handelingen werden verricht, noch,
bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn
woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats;
b. tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij geen
goederenleveringen of diensten verricht waarvan de plaats geacht
wordt in Nederland te zijn gelegen, met uitzondering van de volgende
handelingen:
1°. vervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten die
vrijgesteld zijn krachtens artikel 39 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen dan wel vallen onder het tarief van nihil
krachtens artikel 9, tweede lid, onderdeel b, en de bij deze wet
behorende tabel II, onderdeel b, post 1, 2, 4 of 5;
2°. goederenleveringen of dienstverrichtingen waarvan de
afnemer krachtens artikel 12, tweede, derde of vijfde lid, de
belasting verschuldigd is.
Artikel 32c
Deze paragraaf is niet van toepassing ten aanzien van:
a. ingevolge deze wet incorrect gefactureerde belastingbedragen;
b. gefactureerde belastingbedragen voor goederenleveringen die
krachtens artikel 9, tweede lid, onderdeel b, en de bij deze wet
behorende tabel II, onderdeel a, post 6, onder het tarief van nihil
vallen;
c. gefactureerde belastingbedragen voor leveringen van goederen
die door of voor rekening van een niet in Nederland gevestigde
afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de
Gemeenschap, welke leveringen krachtens artikel 9, tweede lid,
onderdeel b, en de bij deze wet behorende bijlage II, onderdeel a,
post 2, onder het tarief van nihil vallen.
Artikel 32d
1. De niet in Nederland gevestigde ondernemer wordt op verzoek
teruggaaf verleend van de belasting die werd geheven ter zake van de
aan hem door andere ondernemers in Nederland verrichte
goederenleveringen of diensten, of ter zake van de invoer van goederen
in Nederland, voor zover deze goederen of diensten worden gebruikt
voor de volgende handelingen:
a. de handelingen bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdelen
a en b;
b. handelingen, waarvan de afnemer overeenkomstig artikel 12,
tweede tot en met vijfde lid, tot voldoening van de belasting is
gehouden.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 32e wordt voor de
toepassing van deze afdeling het recht op teruggaaf van voorbelasting
bepaald overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen van deze wet.
Artikel 32e
1. Om in Nederland recht te hebben op teruggaaf verricht een niet
in Nederland gevestigde ondernemer handelingen die in de lidstaat van
vestiging een recht op aftrek doen ontstaan.
2. Wanneer een niet in Nederland gevestigde ondernemer in de
lidstaat waar hij gevestigd is, zowel handelingen verricht die in die
lidstaat een recht op aftrek doen ontstaan, als handelingen die in die
lidstaat geen recht op aftrek doen ontstaan, kan van het
overeenkomstig artikel 32d voor teruggaaf in aanmerking komende bedrag
slechts dat gedeelte van de belasting door Nederland worden
teruggegeven dat overeenkomstig artikel 173 van BTW-richtlijn 2006,
zoals toegepast door de lidstaat van vestiging, aan eerstgenoemde
handelingen kan worden toegerekend.
Artikel 32f
1. Een niet in Nederland gevestigde ondernemer die in Nederland
teruggaaf van de belasting wenst te verkrijgen, richt langs
elektronische weg een teruggaafverzoek tot Nederland, dat hij indient
bij zijn lidstaat van vestiging, via de door deze lidstaat ingestelde
portaalsite.
2. Het verzoek bevat alle informatie die daartoe bij ministeriële
regeling is voorgeschreven overeenkomstig het bepaalde in de artikelen
8 en 9, lid 1, van Richtlijn 2008/9/EG.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de aanvrager
langs elektronische weg aanvullende gegevens verstrekt met betrekking
tot iedere in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/9/EG vermelde code,
voor zover die gegevens noodzakelijk zijn wegens in Nederland geldende
beperkingen van het recht op aftrek of voor de toepassing van een
krachtens artikel 395 of 396 van BTW-richtlijn 2006 aan Nederland
verleende, voor dit geval relevante afwijking.
4. Artikel 57 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet
van toepassing met betrekking tot ondernemers die een verzoek doen als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 32g
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de aanvrager,
onverminderd de krachtens artikel 32n verlangde gegevens, tezamen met
het teruggaafverzoek langs elektronische weg een afschrift van de
factuur of het invoerdocument overlegt, wanneer de maatstaf van heffing
op de factuur of het invoerdocument 1000 euro of meer beloopt. Indien de
factuur betrekking heeft op brandstof, is dit drempelbedrag 250 euro.
Artikel 32h
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de aanvrager
tezamen met het teruggaafverzoek zijn beroepsactiviteit omschrijft aan
de hand van de geharmoniseerde codes die worden bepaald volgens artikel
34 bis, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1798/2003.
Artikel 32i
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke taal of talen de
aanvrager kan gebruiken voor het verstrekken van de gegevens in het
teruggaafverzoek of van mogelijke andere aanvullende gegevens die moeten
worden verstrekt.
Artikel 32j
1. Indien het vermelde pro rata voor de toepassing van de aftrek
overeenkomstig artikel 175 van BTW-richtlijn 2006 na de indiening van
het teruggaafverzoek wordt aangepast, corrigeert de aanvrager het
bedrag dat wordt teruggevraagd of dat reeds is teruggegeven.
2. De correctie vindt plaats in een teruggaafverzoek dat gedaan
wordt binnen het kalenderjaar volgend op het desbetreffende
teruggaaftijdvak. Mocht de aanvrager in dat kalenderjaar geen volgend
teruggaafverzoek indienen dan vindt de correctie plaats door
toezending van een afzonderlijke verklaring via de door de lidstaat
van vestiging ingestelde portaalsite.
Artikel 32k
1. Het teruggaafverzoek heeft betrekking op:
a. verwervingen van goederen of afnames van diensten die
gedurende het teruggaaftijdvak gefactureerd zijn, mits de
belasting vóór of op het tijdstip van facturatie verschuldigd
geworden is, of ten aanzien waarvan de belasting gedurende het
teruggaaftijdvak verschuldigd geworden is, mits de verwervingen of
afnames gefactureerd zijn voordat de belasting verschuldigd is
geworden;
b. de invoer van goederen die gedurende het teruggaaftijdvak
heeft plaatsgevonden.
2. Naast de in het eerste lid bedoelde transacties kan het
teruggaafverzoek ook betrekking hebben op facturen of invoerdocumenten
die niet door eerdere teruggaafverzoeken werden bestreken en die
betrekking hebben op handelingen die tijdens het kalenderjaar in
kwestie werden verricht.
Artikel 32l
Het teruggaafverzoek moet uiterlijk 30 september van het kalenderjaar
volgend op het teruggaaftijdvak bij de lidstaat van vestiging worden
ingediend.
Artikel 32m
1. De inspecteur stelt de aanvrager onverwijld langs elektronische
weg in kennis van de datum van ontvangst van het verzoek.
2. De inspecteur deelt zijn beslissing om het teruggaafverzoek in
te willigen of af te wijzen binnen vier maanden na ontvangst van het
verzoek aan de aanvrager mee bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 32n
1. Ingeval de inspecteur meent niet alle dienstige informatie te
hebben ontvangen om met betrekking tot het geheel of een deel van het
teruggaafverzoek een beschikking te kunnen nemen, kan hij binnen de in
artikel 32m, tweede lid, genoemde termijn van vier maanden, langs
elektronische weg in het bijzonder de aanvrager of de lidstaat van
vestiging om aanvullende gegevens verzoeken.
2. Indien de aanvullende gegevens worden opgevraagd bij een andere
persoon dan de aanvrager of de bevoegde autoriteiten van een lidstaat
kan de inspecteur alleen langs elektronische weg om gegevens verzoeken
indien de bestemmeling van het verzoek over de desbetreffende
apparatuur beschikt.
3. Zo nodig kan de inspecteur om verdere aanvullende gegevens
verzoeken.
4. De overeenkomstig de eerste tot en met vierde lid verlangde
gegevens kunnen het overleggen van het origineel of een afschrift van
de factuur of het invoerdocument omvatten wanneer de inspecteur op
goede gronden het bestaan van een bepaalde vordering betwijfelt. In
dat geval zijn de drempelnormen van artikel 32g niet van toepassing.
5. De krachtens de vorige leden gevraagde gegevens moeten binnen
een maand na ontvangst van het verzoek om informatie door de
bestemmeling van het verzoek aan de inspecteur worden verstrekt.
Artikel 32o
1. Indien de inspecteur om aanvullende gegevens heeft verzocht,
deelt hij zijn beslissing om het teruggaafverzoek in te willigen of af
te wijzen bij voor bezwaar vatbare beschikking mee aan de aanvrager
binnen twee maanden na ontvangst van de gevraagde gegevens of, indien
niet op zijn verzoek gereageerd is, binnen twee maanden na het
verstrijken van de inartikel 32n, vijfde lid, genoemde termijn. De
termijn waarover de inspecteur vanaf de ontvangst van het
teruggaafverzoek beschikt om over een volledige of gedeeltelijke
teruggaaf een beslissing te nemen, beloopt in ieder geval ten minste
zes maanden.
2. Wanneer de inspecteur verdere aanvullende gegevens verlangt,
stelt hij binnen acht maanden nadat het teruggaafverzoek door hem is
ontvangen, de aanvrager bij voor bezwaar vatbare beschikking in kennis
van zijn beslissing over een gehele of gedeeltelijke teruggaaf.
Artikel 32p
1. Indien de inspecteur het teruggaafverzoek inwilligt, wordt het
goedgekeurde teruggaafbedrag betaald uiterlijk binnen tien werkdagen
na het verstrijken van de in artikel 32m, tweede lid, genoemde
termijn, of, indien om aanvullende of verdere aanvullende gegevens is
verzocht, na het verstrijken van de overeenkomstige termijnen in
artikel 32o.
2. De betaling vindt plaats in Nederland, of, indien de aanvrager
daarom verzoekt, in een andere lidstaat. In het laatste geval worden
de bankkosten voor het overmaken in mindering gebracht op het aan de
aanvrager te betalen bedrag.
Artikel 32q
1. Indien de correctie, bedoeld in artikel 32j, tweede lid, eerste
volzin, na verrekening in het aldaar bedoelde nieuwe teruggaafverzoek
leidt tot:
a. een bedrag van nihil of een teruggaaf, beslist de inspecteur
bij een voor bezwaar vatbare beschikking;
b. een te betalen bedrag, legt de inspecteur hiervoor een
naheffingsaanslag op.
2. Indien de correctie, bedoeld in artikel 32j, tweede lid, tweede
volzin, leidt tot:
a. een teruggaaf, beslist de inspecteur bij een voor bezwaar
vatbare beschikking;
b. een te betalen bedrag, legt de inspecteur hiervoor een
naheffingsaanslag op.
Artikel 32r
1. Indien de betaling plaatsvindt na de laatste datum van betaling
overeenkomstigartikel 32p, eerste lid, wordt aan de aanvrager rente
betaald over het aan de aanvrager terug te geven bedrag. De bepalingen
van de artikelen 29 en 30 van de Invorderingswet 1990 zijn ter zake
van overeenkomstige toepassing als ware de rente invorderingsrente.
2. Het eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing indien de
aanvrager de gevraagde aanvullende of verdere aanvullende gegevens
niet binnen de voorgeschreven termijn aan de inspecteur heeft
verstrekt. Het eerste lid, eerste volzin, is evenmin van toepassing
zolang de inspecteur de krachtens artikel 32g langs elektronische weg
toe te zenden documenten niet heeft ontvangen.
Artikel 32s
De rente wordt berekend vanaf de dag volgende op de laatste dag
waarop de teruggaaf volgens artikel 32p, eerste lid, uiterlijk had
moeten plaatsvinden tot de dag waarop de teruggaaf daadwerkelijk
plaatsvindt.
Paragraaf 3. Teruggaafverzoek voor in andere lidstaten aan
Nederlandse ondernemers in rekening gebrachte belasting
Artikel 33
Een in Nederland gevestigde ondernemer kan een teruggaafverzoek doen
aan een lidstaat van teruggaaf indien hij aan de volgende voorwaarden
voldoet:
a. tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij in de lidstaat van
teruggaaf noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening gehad, noch een
vaste inrichting van waaruit zakelijke handelingen werden verricht,
noch, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn
woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats;
b. tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij geen
goederenleveringen of diensten verricht waarvan de plaats geacht
wordt in de lidstaat van teruggaaf te zijn gelegen, met uitzondering
van de volgende handelingen:
1°. vervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten die in
die lidstaat vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 144, 146,
148, 149, 151, 153, 159 of 160 van BTW-richtlijn 2006;
2°. goederenleveringen of dienstverrichtingen waarvan de
afnemer krachtens de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199
van BTW-richtlijn 2006 in die lidstaat de belasting verschuldigd
is.
Artikel 33a
Het teruggaafverzoek heeft betrekking op de belasting die werd
geheven ter zake van de voor de ondernemer door andere ondernemers in de
lidstaat van teruggaaf verrichte goederenleveringen of diensten, of ter
zake van de invoer van goederen in deze lidstaat voor zover deze
goederen of diensten worden gebruikt voor de volgende handelingen:
a. de handelingen bedoeld in artikel 169, punten a) en b), van
BTW-richtlijn 2006;
b. handelingen, waarvan de afnemer overeenkomstig de artikelen
194 tot en met 197 en artikel 199 van BTW-richtlijn 2006, als
toegepast in de lidstaat van teruggaaf, tot voldoening van de
belasting is gehouden.
Artikel 33b
1. Om in de lidstaat van teruggaaf recht te hebben op teruggaaf
verricht de in Nederland gevestigde ondernemer handelingen die in
Nederland een recht op aftrek doen ontstaan.
2. Wanneer de niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde
ondernemer in Nederland gevestigd is, en zowel handelingen verricht
die in Nederland een recht op aftrek doen ontstaan, als handelingen
die in Nederland geen recht op aftrek doen ontstaan, kan van het
overeenkomstig artikel 33a voor teruggaaf in aanmerking komende bedrag
slechts dat gedeelte van de belasting door de lidstaat van teruggaaf
in aanmerking worden genomen dat overeenkomstig artikel 173 van
BTW-richtlijn 2006, zoals toegepast door Nederland, aan eerstgenoemde
handelingen kan worden toegerekend.
Artikel 33c
1. De in Nederland gevestigde ondernemer die in de lidstaat van
teruggaaf de belasting terug wil verkrijgen, richt langs elektronische
weg een teruggaafverzoek tot die lidstaat, dat hij indient bij de
inspecteur via een daartoe ingestelde portaalsite.
2. Het teruggaafverzoek bevat de volgende informatie:
a. de naam en het volledige adres van de aanvrager;
b. een elektronisch adres;
c. een omschrijving van de beroepsactiviteit van de aanvrager
waarvoor de goederen of diensten worden afgenomen;
d. het teruggaaftijdvak waarop het verzoek betrekking heeft;
e. een verklaring van de aanvrager dat hij gedurende het
teruggaaftijdvak geen goederenleveringen of diensten heeft
verricht waarvan de plaats geacht wordt in de lidstaat van
teruggaaf te zijn gelegen, met uitzondering van de handelingen
bedoeld in artikel 33, onderdeel b, onder 1° en 2°;
f. het btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer
van de aanvrager;
g. zijn bankgegevens (inclusief IBAN en BIC).
3. Naast de in het tweede lid bedoelde gegevens worden in het
teruggaafverzoek voor iedere lidstaat van teruggaaf en voor iedere
factuur en ieder invoerdocument de volgende gegevens vermeld:
a. de naam en het volledige adres van de leverancier of
dienstverrichter;
b. behalve in het geval van invoer, het btw-identificatienummer
van de leverancier of dienstverrichter of zijn fiscaal
registratienummer, toegekend door de lidstaat van teruggaaf
overeenkomstig artikel 239 en 240 van BTW-richtlijn 2006;
c. behalve in het geval van invoer, het landencodenummer van de
lidstaat van teruggaaf overeenkomstig artikel 215 van
BTW-richtlijn 2006;
d. de datum en het nummer van de factuur of het invoerdocument;
e. de maatstaf van heffing en het bedrag aan btw, uitgedrukt in
de munteenheid van de lidstaat van teruggaaf;
f. het overeenkomstig artikel 33a en artikel 33b, tweede
alinea, berekende bedrag van de aftrekbare belasting, uitgedrukt
in de munteenheid van de lidstaat van teruggaaf;
g. indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 33b
berekende pro rata, uitgedrukt in procenten;
h. de aard van de afgenomen goederen en diensten, aangegeven
door middel van de codes als bepaald in artikel 33d.
Artikel 33d
1. In het teruggaafverzoek moet de aard van de afgenomen goederen
en diensten door middel van de volgende codes worden aangegeven:
1. = brandstof;
2. = verhuur van vervoermiddelen;
3. = uitgaven in verband met vervoermiddelen, andere dan die
voor de goederen en diensten waarnaar wordt verwezen met de codes
1 en 2;
4. = wegentol en andere heffingen met betrekking tot het
gebruik van de weginfrastructuur;
5. = reiskosten, zoals taxikosten, kosten van het openbaar
vervoer;
6 = logies;
7. = spijzen, drank en restauratie;
8. = toegang tot beurzen en tentoonstellingen;
9 = weelde-uitgaven, en uitgaven voor ontspanning en
representatie;
10. = andere.
Indien code 10 wordt gebruikt, moet de aard van de afgenomen
goederen en diensten worden aangegeven.
2. Op daartoe strekkend verzoek van de lidstaat van teruggaaf
verstrekt de aanvrager bij het verzoek langs elektronische weg
aanvullende gegevens met betrekking tot iedere in het eerste lid
vermelde code, voor zover die gegevens voor die lidstaat noodzakelijk
zijn wegens beperkingen van het recht op aftrek krachtens
BTW-richtlijn 2006, als toegepast in die lidstaat, of voor de
toepassing van een krachtens artikel 395 of 396 van die richtlijn aan
de lidstaat van teruggaaf verleende, voor dit geval relevante
afwijking.
3. Op daartoe strekkend verzoek van de lidstaat van teruggaaf
omschrijft de aanvrager voorts bij het verzoek zijn beroepsactiviteit
aan de hand van de geharmoniseerde codes die worden bepaald volgens
artikel 34bis, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr.
1798/2003 van de Raad.
Artikel 33e
1. Het teruggaafverzoek moet uiterlijk 30 september van het
kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak bij de door de inspecteur
ingestelde portaalsite worden ingediend. Het teruggaafverzoek geldt
alleen als ingediend indien de aanvrager alle in de artikelen 33c en
33d verlangde gegevens verstrekt heeft.
2. De inspecteur stuurt de aanvrager onverwijld langs elektronische
weg een bevestiging van ontvangst.
Artikel 33f
1. De inspecteur stuurt het verzoek niet door aan de lidstaat van
teruggaaf wanneer de aanvrager in Nederland gedurende het
teruggaaftijdvak:
a. niet aan belasting onderworpen is;
b. slechts goederenleveringen of diensten verricht die uit
hoofde van artikel 11van belasting vrijgesteld zijn;
c. valt onder de in artikel 25 opgenomen regeling voor kleine
ondernemers;
d. valt onder de in artikel 27, eerste en tweede lid, bedoelde
landbouwregeling.
2. De inspecteur stelt de aanvrager langs elektronische weg in
kennis van zijn beslissing uit hoofde van het eerste lid bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
Afdeling 3. Fiscaal vertegenwoordiger
Artikel 33g
1. De ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en
aldaar geen vaste inrichting heeft, kan in Nederland een fiscaal
vertegenwoordiger aanstellen ter zake van zijn leveringen en diensten
waarvoor hij de belasting verschuldigd is en ter zake van zijn
intracommunautaire verwervingen en invoer. De fiscaal
vertegenwoordiger treedt op namens de ondernemer en treedt in zijn
plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft
inzake de aangifte en de betaling van de belasting, alsmede de
verplichtingen bedoeld in artikel 37a.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
gevallen een ondernemer als bedoeld in het eerste lid verplicht is een
fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen.
3. De fiscaal vertegenwoordiger dient in het bezit te zijn van een
daartoe verstrekte vergunning van de inspecteur.
4. Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil
verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die het verzoek moet bevatten.
5. Bij het verzoek dient een verklaring van de in het eerste lid
bedoelde ondernemer te worden overgelegd waaruit blijkt dat degene die
het verzoek indient door de ondernemer is gemachtigd namens hem op te
treden als fiscaal vertegenwoordiger.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van
de heffing en de invordering, regels worden gesteld met betrekking tot
de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en
ingetrokken. Het verlenen, het wijzigen en het intrekken van de
vergunning geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Afdeling 4. Administratieve verplichtingen
Artikel 34
1. De ondernemer is gehouden, met inachtneming van bij
ministeriële regeling te stellen regels, aantekening te houden van de
door hem en aan hem verrichte leveringen van goederen en verleende
diensten, van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen
van goederen, van de invoer van goederen in en de uitvoer van goederen
uit de Gemeenschap, alsmede van andere gegevens die van belang zijn
met betrekking tot de heffing van de belasting in Nederland en in
andere lid-staten.
2. De ondernemer is tevens, met inachtneming van bij ministeriële
regeling te stellen regels, gehouden:
a. een register bij te houden van de goederen die door hem of
voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd naar een andere
lid-staat om aldaar te worden gebruikt voor de in artikel 3a,
tweede lid, onderdelen e, f en g, bedoelde doeleinden;
b. afzonderlijk aantekening te houden van de goederen die
vanuit een andere lid-staat naar hem zijn verzonden of vervoerd
door of voor rekening van een ondernemer aan wie een
btw-identificatienummer is toegekend in een andere lid-staat, ten
behoeve van een dienst als bedoeld in artikel 6e, tweede lid,
onderdeel b.
3. De rechtspersoon, andere dan ondernemer, is gehouden, met
inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels,
aantekening te houden van de door hem verrichte intracommunautaire
verwervingen van goederen.
4. De ondernemer die goederen levert met toepassing van artikel
28b, 28c of 28d, is tevens gehouden, met inachtneming van bij
ministeriële regeling te stellen regels, afzonderlijk aantekening te
houden van de met toepassing van de onderscheiden artikelen geleverde
goederen, alsmede van de invoer en van de leveringen daarvan aan hem.
Artikel 34a
De ondernemer is verplicht boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de
inspecteur – betreffende onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn
onderworpen gedurende negen jaren, volgende op het jaar waarin hij het
goed is gaan gebruiken, te bewaren.
Artikel 34b
Onverminderd het bepaalde in artikel 52 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen en artikel 35c is het volgende van toepassing:
a. voor facturering gelden de regels die van toepassing zijn in
de lidstaat waar de goederenlevering of de dienst geacht wordt te
zijn verricht, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van deze
wet;
b. in afwijking van het bepaalde in onderdeel a gelden voor
facturering de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar
degene die de goederenlevering of de dienst verricht de zetel van
zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van
waaruit hij de prestatie verricht, of, bij gebreke van een
dergelijke zetel of vaste inrichting, de lidstaat waar de
leverancier of dienstverrichter zijn woonplaats of zijn
gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer:
1°. degene die de belastbare goederenlevering of de dienst
verricht, niet gevestigd is in de lidstaat waar de
goederenlevering of de dienst overeenkomstig het bepaalde in
hoofdstuk II van deze wet geacht wordt te zijn verricht, of zijn
inrichting in die lidstaat niet betrokken is bij het verrichten
van de goederenlevering of de dienst in de zin van artikel
192bis van de BTW-richtlijn 2006, en de tot voldoening van de
belasting gehouden persoon degene is voor wie de
goederenlevering of de dienst wordt verricht.
Indien de afnemer de factuur uitreikt («self-billing») is
het bepaalde in onderdeel a van toepassing;
2°. de goederenlevering of de dienst overeenkomstig het
bepaalde in hoofdstuk II van deze wet niet geacht wordt in de
Gemeenschap te zijn verricht.
Artikel 34c
1. Iedere ondernemer zorgt ervoor dat door hemzelf dan wel, in zijn
naam en voor zijn rekening, door zijn afnemer of een derde, in de
volgende gevallen een factuur wordt uitgereikt ter zake van:
a. de goederenleveringen of diensten die hij heeft verricht
voor een andere ondernemer of een rechtspersoon, andere dan
ondernemer;
b. de goederenleveringen, bedoeld in artikel 5a, eerste lid;
c. de goederenleveringen, bedoeld in de bij deze wet behorende
tabel II, onderdeel a, post 6;
d. de vooruitbetalingen die aan hem worden gedaan voordat een
van de in de onderdelen a en b bedoelde goederenleveringen is
verricht;
e. de vooruitbetalingen die door een andere ondernemer of een
rechtspersoon, andere dan ondernemer, aan hem worden gedaan
voordat de dienst is verricht.
2. Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en
beperkingen zijn ondernemers die uitsluitend vrijgestelde prestaties
verrichten, ontheven van de verplichting ingevolge het eerste lid. De
vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de vrijgestelde
prestaties van ondernemers die zowel vrijgestelde als belaste
prestaties verrichten.
Artikel 34d
1. In de volgende gevallen kan worden volstaan met een
vereenvoudigde factuur:
a. wanneer het bedrag van de factuur niet hoger is dan € 100;
b. wanneer de uitgereikte factuur een document of bericht is
dat overeenkomstig artikel 34f als factuur geldt.
2. Een vereenvoudigde factuur wordt niet uitgereikt indien de
factuur moet worden uitgereikt overeenkomstig artikel 34c, eerste lid,
onderdelen b en c, of indien de belastbare goederenlevering of de
belastbare dienst wordt verricht door een ondernemer die niet is
gevestigd in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is of van wie
geen inrichting op het grondgebied van die lidstaat bij het verrichten
van de goederenlevering of de dienst is betrokken in de zin van
artikel 192bis van de BTW-richtlijn 2006, en de tot de voldoening van
de belasting gehouden persoon degene is voor wie de goederenlevering
of dienst wordt verricht.
Artikel 34e
In afwijking van artikel 34c, eerste lid, draagt een ondernemer die
doorgaans levert aan andere ondernemers, er zorg voor dat een factuur
wordt uitgereikt ter zake van al zijn leveringen. De vorige volzin is
alleen van toepassing ten aanzien van ondernemers of groepen van
ondernemers die daartoe bij ministeriële regeling zijn aangewezen.
Artikel 34f
Ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in, en specifiek
en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, geldt als
factuur.
Artikel 34g
De factuur wordt uitgereikt uiterlijk op de vijftiende dag van de
maand volgende op die waarin de goederenlevering of de dienst is
verricht. In geval van vooruitbetalingen als bedoeld in artikel 34c,
eerste lid, onderdelen d en e, moet de factuur telkens worden uitgereikt
vóór het tijdstip van de opeisbaarheid daarvan.
Artikel 35
1. Voor verscheidene afzonderlijke leveringen of diensten kan een
periodieke factuur worden opgemaakt, mits de periode waarop de factuur
betrekking heeft niet langer is dan een kalendermaand.
2. Facturen mogen door de afnemer worden opgemaakt voor
goederenleveringen of diensten die door een ondernemer voor hem worden
verricht, indien beide partijen dat vooraf onderling zijn
overeengekomen en op voorwaarde dat iedere factuur het voorwerp
uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de ondernemer die de
goederenleveringen of de diensten verricht.
Artikel 35a
1. Op de factuur zijn de volgende vermeldingen verplicht:
a. de datum van uitreiking van de factuur;
b. een opeenvolgend nummer, met één of meer reeksen, waardoor
de factuur eenduidig wordt geïdentificeerd;
c. het btw-identificatienummer waaronder de ondernemer de
goederenleveringen of de diensten heeft verricht;
d. het btw-identificatienummer van de afnemer waaronder hij een
goederenlevering of een dienst heeft afgenomen waarvoor hij tot
voldoening van de belasting is gehouden of waaronder hij een
goederenlevering als bedoeld in de bij deze wet behorende tabel
II, onderdeel a, post 6, heeft afgenomen;
e. de volledige naam en het volledige adres van de ondernemer
en zijn afnemer;
f. de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de
omvang en de aard van de verrichte diensten;
g. de datum waarop de goederenlevering of de dienst heeft
plaatsgevonden of voltooid is of de datum waarop de in artikel
34c, eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde vooruitbetaling is
gedaan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de
uitreikingsdatum van de factuur;
h. de vergoeding voor elk tarief of elke vrijstelling, de
eenheidsprijs, belasting niet inbegrepen, evenals de eventuele
vooruitbetalingskortingen, prijskortingen en -rabatten indien die
niet in de eenheidsprijs zijn begrepen;
i. het toegepast tarief van de belasting;
j. het te betalen bedrag van de belasting, tenzij er een
bijzondere regeling van toepassing is waarvoor deze wet die
vermelding uitsluit;
k. wanneer de afnemer die een prestatie afneemt de factuur
uitreikt in plaats van degene die de prestatie verricht, de
vermelding «factuur uitgereikt door afnemer»;
l. in geval van een vrijstelling of van leveringen met
toepassing van de bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a,
post 6, enige aanduiding daarvan;
m. wanneer de afnemer tot voldoening van de belasting is
gehouden, de vermelding «btw verlegd»;
n. in geval van levering van een nieuw vervoermiddel onder de
in tabel II, onderdeel a, post 6, bedoelde voorwaarden, de
gegevens die nodig zijn om te bepalen of een vervoermiddel een
nieuw vervoermiddel is;
o. wanneer de bijzondere regeling voor reisbureaus wordt
gehanteerd, de vermelding «bijzondere regeling reisbureaus»;
p. wanneer een van de bijzondere regelingen voor gebruikte
goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of
antiquiteiten wordt gehanteerd, de vermelding «bijzondere
regeling – gebruikte goederen», «bijzondere regeling –
kunstvoorwerpen», respectievelijk «bijzondere regeling –
voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten»;
q. wanneer de belasting wordt voldaan door een fiscaal
vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 33g, het
btw-identificatienummer van deze fiscaal vertegenwoordiger, samen
met zijn volledige naam en adres.
2. Op een vereenvoudigde factuur zijn de volgende vermeldingen
verplicht:
a. de datum van uitreiking van de factuur;
b. de identiteit van de ondernemer die de goederenlevering of
de dienst verricht;
c. de aard van de geleverde goederen of de verrichte diensten;
d. het te betalen bedrag van de belasting of de gegevens aan de
hand waarvan dat bedrag kan worden berekend;
e. wanneer de uitgereikte factuur een document of bericht is
dat overeenkomstig artikel 34f als factuur geldt, een specifieke
en ondubbelzinnige verwijzing naar de oorspronkelijke factuur, met
specifieke vermelding van de aangebrachte wijzigingen.
3. Wanneer de factuur wordt uitgereikt door een ondernemer die niet
gevestigd is in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is of van
wie geen inrichting in die lidstaat bij het verrichten van de
goederenlevering of de dienst is betrokken in de zin van artikel
192bis van BTW-richtlijn 2006 en die goederenleveringen of diensten
verricht voor een afnemer die tot voldoening van de belasting is
gehouden, kan de ondernemer de in het eerste lid, onderdelen h, i en
j, bedoelde vermeldingen weglaten en in plaats daarvan, door de
hoeveelheid of de omvang alsook de aard van de geleverde goederen of
verrichte diensten te specificeren, de vergoeding voor die goederen of
diensten vermelden.
4. Op een factuur kunnen bedragen in willekeurig welke munteenheid
voorkomen, mits het te betalen of te herziene bedrag van de belasting
is uitgedrukt in euro’s en daarbij gebruik wordt gemaakt van het in
artikel 91 van de BTW-richtlijn 2006 bedoelde wisselkoersmechanisme.
5. Wanneer zulks uit een oogpunt van controle nodig is, kan de
inspecteur een vertaling in het Nederlands eisen van facturen
betreffende in Nederland verrichte prestaties, alsmede van facturen
die worden ontvangen door in Nederland gevestigde ondernemers.
6. Bij ministeriële regeling kan voor bepaalde ondernemers of
groepen van ondernemers bepaald worden dat op de facturen volstaan kan
worden met de krachtens het tweede lid voorgeschreven vermeldingen
wanneer de handels- of administratieve praktijken van de betrokken
bedrijfssector of de technische voorwaarden waaronder die facturen
worden uitgereikt, de naleving in sterke mate bemoeilijken van alle
verplichtingen die zijn opgelegd bij dit artikel.
Artikel 35b
1. Elektronische facturering wordt toegepast behoudens aanvaarding
door de afnemer.
2. De authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud,
en de leesbaarheid van de factuur, op papier of in elektronisch
formaat, worden vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt
tot het einde van de bewaartermijn gewaarborgd. De ondernemer bepaalt
zelf hoe de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de
inhoud, en de leesbaarheid van de factuur worden gewaarborgd. Hiertoe
kan gebruik worden gemaakt van elke bedrijfscontrole die een
betrouwbaar controlespoor tussen een factuur en een verrichte
prestatie oplevert.
3. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde
bepalingen wordt verstaan onder:
a. authenticiteit van de herkomst: de gewaarborgde identiteit
van degene die de goederenlevering of de dienst heeft verricht of
van degene die de factuur heeft uitgereikt;
b. integriteit van de inhoud: de krachtens deze wet
voorgeschreven inhoud van de factuur die geen wijzigingen heeft
ondergaan.
4. De authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de
inhoud van een elektronische factuur kunnen, behalve door middel van
de in het tweede lid bedoelde bedrijfscontroles, bijvoorbeeld ook met
de volgende technologieën worden gewaarborgd:
a. een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van
artikel 2, lid 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een
gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen, welke
gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat in de zin van
artikel 2, lid 10, van Richtlijn 1999/93/EG en gecreëerd wordt
met een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen in de
zin van artikel 2, leden 6 en 10, van Richtlijn 1999/93/EG;
b. elektronische uitwisseling van gegevens (Electronic Data
Interchange – EDI), zoals gedefinieerd in artikel 2 van bijlage
1 bij Aanbeveling 1994/820/EG van de Commissie van 19 oktober 1994
betreffende de juridische aspecten van de elektronische
uitwisseling van gegevens, indien het akkoord betreffende deze
uitwisseling voorziet in het gebruik van procedures die de
authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de gegevens
waarborgen.
5. Bij een reeks elektronische facturen die aan dezelfde afnemer
worden verzonden of ter beschikking worden gesteld, hoeven de voor de
verschillende facturen gelijke vermeldingen slechts één keer te
worden opgenomen, voorzover voor elke factuur alle informatie
toegankelijk is.
Artikel 35c
1. De ondernemer bewaart kopieën van de door hemzelf dan wel, in
zijn naam en voor zijn rekening, door zijn afnemer of een derde
uitgereikte facturen, en alle door hemzelf ontvangen facturen in zijn
administratie.
2. Wanneer een ondernemer de door hem verzonden of ontvangen
facturen elektronisch bewaart, waarbij een online toegang tot de
gegevens wordt gewaarborgd, heeft de inspecteur met het oog op de
toepassing van deze wet het recht de facturen ter controle in te zien,
te downloaden en te gebruiken, indien de ondernemer is gevestigd in
Nederland, dan wel de ondernemer de belasting in Nederland
verschuldigd is.
3. Ingeval facturen elektronisch worden opgeslagen, worden de
gegevens die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van
de inhoud waarborgen, eveneens opgeslagen.
Artikel 35d
In deze wet wordt verstaan onder «elektronische factuur», een
factuur die de bij of krachtens deze wet voorgeschreven gegevens bevat,
welke in elektronisch formaat is verstrekt en ontvangen.
Artikel 36
De artikelen 25, derde lid, en 27e, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen vinden overeenkomstige toepassing, ingeval niet
volledig is voldaan aan de verplichtingen welke zijn opgelegd bij of
krachtens de artikelen 28n, 34 tot en met 35c en 39.
Artikel 37
Hij die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van
omzetbelasting welke hij, anders dan op grond van dit artikel, niet
verschuldigd is geworden, wordt die belasting verschuldigd op het
tijdstip waarop hij die factuur heeft uitgereikt; hij is gehouden deze
belasting op de voet van artikel 14 te voldoen.
Artikel 37a
1. De ondernemer, uitgezonderd die bedoeld in het artikel 7, zesde
lid, is verplicht uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op een
kalendermaand bij de inspecteur op de daartoe opengestelde wijze een
formulier langs elektronische weg in te dienen met een lijst voor dat
tijdvak waarop zijn vermeld de afnemers:
a. aan wie goederen zijn geleverd met toepassing van de bij
deze wet behorendeTabel II, onderdeel a, post 6;
b. aan wie in een andere lidstaat goederen zijn geleverd in
aansluiting op de ingevolge artikel 17b, derde lid, in die
lidstaat door de ondernemer verrichte intracommunautaire
verwervingen;
c. voor wie hij diensten heeft verricht die met toepassing van
artikel 6, eerste lid, niet belastbaar zijn in Nederland en
waarover de belasting ingevolge artikel 196 van BTW-richtlijn 2006
in de lidstaat van de afnemer wordt geheven van de afnemer, tenzij
het verrichten van die dienst in die lidstaat is vrijgesteld.
2. In de lijst wordt opgave verlangd van de gegevens, bedoeld in de
artikelen 264 en 265 van de BTW-richtlijn 2006.
3. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt als tijdvak in
plaats van een kalendermaand naar keus van de ondernemer een
kalenderkwartaal indien het totaalbedrag van de in het eerste lid,
onderdelen a en b genoemde leveringen noch voor het desbetreffende
kalenderkwartaal, noch in één van de vier daaraan voorafgaande
kalenderkwartalen, hoger is dan het daartoe bij ministeriële regeling
vastgestelde bedrag. Deze afwijking geldt niet meer vanaf het einde
van de maand waarin dit bedrag wordt overschreden, in welk geval
uiterlijk de volgende maand een lijst moet worden opgesteld en
ingediend voor alle maanden die sinds de aanvang van dat kwartaal zijn
verlopen.
4. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt naar keus van
de ondernemer als tijdvak een kalenderkwartaal indien de ondernemer de
onder het eerste lid onderdeel c genoemde diensten verricht.
5. Indien voor het doen van aangifte voor de omzetbelasting
ontheffing is verleend van de verplichting aangifte langs
elektronische weg te doen, geldt deze ontheffing mede ten aanzien van
de verplichting de lijst langs elektronische weg in te dienen. In dit
geval wordt de lijst ingediend bij de inspecteur door middel van het
uitgereikte of toegezonden formulier.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
inzake het indienen van de in dit artikel bedoelde gegevens.
Artikel 37b
Degene die ter zake van de intracommunautaire verwerving van goederen
valt onder de toepassing van artikel 1a, tweede lid, wordt niettemin de
belasting verschuldigd ter zake van die intracommunautaire verwerving
wanneer in de lid-staat waar de goederen worden geleverd,
belastingheffing plaatsvindt alsof artikel 1, aanhef en onderdeel b, van
toepassing zou zijn.
Afdeling 5. Bijzondere bepalingen
Artikel 37c
In afwijking van artikel 1, aanhef en onderdelen b en c, wordt ter
zake van intracommunautaire verwervingen van goederen die op grond van
artikel 17b, eerste lid, in Nederland worden verricht geen belasting
geheven, voor zover:
a. de goederen zijn verworven door een ondernemer die niet in
Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting
heeft en aan wie een btw-identificatienummer is toegekend in een
andere lid-staat;
b. de goederen door deze ondernemer in Nederland worden geleverd
aan een ondernemer die in Nederland woont of is gevestigd dan wel
aldaar een vaste inrichting heeft, of aan een in Nederland gevestigd
lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en
aan welke afnemer in Nederland een btw-identificatienummer is
toegekend; en
c. de goederen rechtstreeks naar de in onderdeel b bedoelde
afnemer worden verzonden of vervoerd vanuit een lid-staat die niet
een btw-identificatienummer heeft toegekend aan de in onderdeel a
bedoelde ondernemer.
Artikel 37d
Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van
goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in
een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten
plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is
bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de
overdrager.
Artikel 37e
De ondernemer die in Nederland woont of is gevestigd, wordt geacht
zijn leveringen en diensten in Nederland te verrichten, voor zover hij
niet aan de hand van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers het
tegendeel aantoont. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de
ondernemer die in Nederland een vaste inrichting heeft, voor zover de
leveringen en diensten vanuit die inrichting worden verricht.
Artikel 38
Het is de ondernemer verboden aan anderen dan ondernemers en
publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen
prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de
prijzen zou zijn begrepen.
Artikel 39
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. nadere regels worden gesteld welke tot vergemakkelijking van
de heffing van belasting kunnen leiden;
b. andere in het kader van de wet passende nadere regels worden
gesteld ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VII. Bestuurlijke boete
Artikel 40
1. Indien de ondernemer de in artikel 28s, eerste lid, bedoelde
melding elektronische diensten of de in artikel 37a bedoelde lijst
niet of niet tijdig heeft ingediend, dan wel een onvolledige of een
onjuiste lijst of melding elektronische diensten heeft ingediend,
vormt dat een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een
bestuurlijke boete van ten hoogste € 4920 kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid
bedoelde boete vervalt, in afwijking van artikel 5:45, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, door het verloop van vijf jaren na het
einde van het kalenderjaar waarin de in artikel 28s, eerste lid, of
artikel 37a, eerste lid, genoemde verplichting is ontstaan.
3. Artikel 67cb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
overeenkomstige toepassing op het bedrag van de boete, genoemd in het
eerste lid.
Artikel 41 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41a [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41b [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41c [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41d [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41e [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41f [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41g [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41h [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 41i [Vervallen per 01-06-1990]
Hoofdstuk VIII. Strafbepaling
Artikel 42
Hij die het in artikel 38 vervatte verbod overtreedt, wordt gestraft
met een geldboete van de derde categorie.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 43
1.Aan een ondernemer die bij de aanvang van 1 januari 1969
goederen, anders dan als bedrijfsmiddel, in ongebruikte staat hier te
lande in voorraad heeft, wordt teruggaaf verleend van de
omzetbelasting - andere dan bedoeld in artikel I, eerste lid, van de
wet van 13 december 1967 (Stb. 614) - voldaan voor die goederen en
voor de bij de voortbrenging van die goederen verbruikte grondstoffen
en hulpstoffen. De teruggaaf omvat mede de omzetbelasting voldaan voor
de bij de voortbrenging van de in voorraad zijnde goederen gebezigde
bedrijfsmiddelen en diensten, indien de ondernemer de goederen,
ongebruikt en in de staat waarin zij zich bij de aanvang van 1 januari
1969 bevinden, in dat jaar uitvoert. Het recht op teruggaaf dient te
kunnen worden aangetoond aan de hand van boeken en bescheiden.
2.Onze Minister geeft omtrent de teruggaaf nadere regelen, waarbij
zij naar algemene maatstaven kan worden vastgesteld.
3.De teruggaaf wordt slechts verleend, voor zover de ondernemer bij
levering aan hem van de goederen na 31 december 1968 de ter zake in
rekening gebrachte belasting op de voet van artikel 15 in aftrek zou
kunnen brengen.
4.De aanspraak op teruggaaf ontstaat:
a. ingeval de gehele teruggaaf niet meer bedraagt dan f 1500,
telkens voor een vierde gedeelte aan het einde van het tweede,
derde en vierde kwartaal van het jaar 1969 en het eerste kwartaal
van het jaar 1970;
b. ingeval de gehele teruggaaf meer bedraagt dan f 1500,
telkens voor een vierde gedeelte aan het einde van het tweede,
derde en vierde kwartaal van het jaar 1969 en het vierde kwartaal
van het jaar 1970.
5.De aanspraak op teruggaaf ter zake van de uitvoer van de goederen
ontstaat echter aan het einde van het kwartaal waarin de uitvoer
plaatsvindt.
6.De omzetbelasting, waarvan de teruggaaf op grond van het vierde
lid, letter b, plaatsvindt na het einde van het vierde kwartaal van
het jaar 1970, wordt met 6 percent verhoogd als vergoeding voor
renteverlies.
7.Tegen een ingevolge artikel 25 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen gedane uitspraak van de inspecteur betreffende de
toepassing van de vorige leden staat, in afwijking in zoverre van
artikel 26, eerste lid, van genoemde wet, uitsluitend beroep open bij
de Tariefcommissie.
Artikel 44
1. Ter zake van de invoer in 1969 van vóór 1 januari 1969 in
Nederland gebrachte goederen, wordt een bijzondere verbruiksbelasting
geheven tot het bedrag, dat bij invoer in 1968 verschuldigd zou zijn
geweest uit hoofde van artikel I, eerste lid, van de wet van 13
december 1967 (Stb. 614).
2. De Algemene wet inzake de douane en de accijnzen is van
toepassing als ware de in het eerste lid bedoelde belasting
invoerrecht.
Artikel 45
1. Met afwijking in zoverre van de artikelen 2 en 15 is, met
betrekking tot goederen welke zijn bestemd om door de ondernemer als
bedrijfsmiddel te worden gebruikt, aftrek slechts toegestaan van:
a. 30 percent van de belasting, ingeval de levering of de
invoer plaatsvindt in 1969 of 1970;
b. 60 percent van de belasting, ingeval de levering of de
invoer plaatsvindt in 1971;
c. 67 percent van de belasting, ingeval de levering of de
invoer plaatsvindt in 1972.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van:
a. schepen, met uitzondering van woonschepen en van
pleziervaartuigen;
b. machines en toestellen voor het vervaardigen en in het
fabricageproces bewerken of afwerken van produkten in de
textielindustrie (met uitzondering van machines en toestellen voor
het spinnen van synthetische of kunstmatige textielstoffen en met
uitzondering van spindoppen) en de voor of bij deze machines en
toestellen gebezigde meet-, controle-, regel- en andere
hulpapparatuur, alsmede de gebouwen waarin die goederen worden
gebezigd.
3. In gevallen waarin het eerste lid ten aanzien van een
bedrijfsmiddel toepassing heeft gevonden en de ondernemer dat
bedrijfsmiddel vervolgens levert, wordt onder door Onze Minister te
stellen voorwaarden aan die ondernemer teruggaaf verleend van 70,
onderscheidenlijk 40 of 33 percent van de ter zake van die levering
verschuldigde belasting naar gelang deze plaatsvindt in de jaren 1969
of 1970, dan wel 1971 of 1972.
4. Onze Minister kan de in het eerste lid genoemde percentages, met
ingang van een door hem te bepalen tijdstip, in het algemeen of voor
bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen verhogen en de in het derde lid
genoemde percentages daarbij aanpassen.
5. Na het tot stand komen van een ministeriële regeling, door Onze
Minister krachtens het vierde lid genomen, wordt zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk binnen twee maanden, een voorstel van wet tot
goedkeuring van die ministeriële regeling aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van
het voorstel besluit, wordt de ministeriële regeling onverwijld
ingetrokken.
6. Onze Minister kan met ingang van een door hem te bepalen
tijdstip het eerste lid buiten toepassing verklaren ten aanzien van
machines en toestellen voor het vervaardigen van schoeisel en voor of
bij deze machines en toestellen gebezigde meet-, controle-, regel- en
andere hulpapparatuur, alsmede gebouwen waarin die goederen worden
gebezigd.
Artikel 46
Gedurende de jaren 1969 tot en met 1979 bedraagt de belasting ter
zake van leveringen en invoer van dagbladen en nieuwsbladen (niet
dagelijks verschijnende kranten), krachtens abonnement, in afwijking van
de artikelen 9 en 20, nihil.
Artikel 47
Met betrekking tot de in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, bedoelde
handelingen blijft de heffing van belasting achterwege indien, met het
oog op die handelingen, de voorbelasting ter zake van het in dat
onderdeel bedoelde goed vóór de inwerkingtreding van die bepaling niet
in aftrek is gebracht ingevolge het bepaalde in artikel 15 dan wel
geheel of gedeeltelijk is uitgesloten ingevolge het bepaalde in artikel
16.
Artikel 48
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 49
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 50a [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 51
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 52
Hij die ingevolge een vóór de inwerkingtreding van een wijziging in
de wetgeving inzake omzetbelasting gesloten overeenkomst verplicht is
goederen te leveren of een dienst te verlenen, is bevoegd hetgeen met
betrekking tot die goederen of die dienst wegens omzetbelasting meer is
gevorderd dan vóór de inwerkingtreding van die wijziging had kunnen
geschieden, terug te vorderen van degene aan wie hij de goederen moet
leveren of de dienst moet verlenen. Hiermede strijdige bedingen zijn
nietig.
Artikel 53
Hij aan wie ingevolge een vóór de inwerkingtreding van een
wijziging in de wetgeving inzake omzetbelasting gesloten overeenkomst
goederen worden geleverd of een dienst wordt verleend, is bevoegd van
hem die verplicht is de goederen te leveren of de dienst te verlenen,
terug te vorderen hetgeen met betrekking tot die goederen of dienst
wegens omzetbelasting minder is gevorderd dan vóór de inwerkingtreding
van die wijziging had kunnen geschieden. Hiermede strijdige bedingen
zijn nietig.
Artikel 54
1. De Wet op de Omzetbelasting 1954 en de wet van 29 december 1966
(Stb. 592) vervallen, behalve ten aanzien van reeds verrichte
leveringen en diensten en begane strafbare feiten.
2. Onze Minister is bevoegd nadere bepalingen ter zake van de
overgang vast te stellen.
Artikel 55
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1969.
2. Zij kan worden aangehaald als: Wet op de omzetbelasting 1968.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 28 juni 1968
JULIANA
De Minister van Financiën,
H.J. Witteveen
De Staatssecretaris van Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de eerste juli 1968
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Tabel I behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968
a.
1. voedingsmiddelen, te weten:
a. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor
menselijke consumptie;
b. produkten die kennelijk zijn bestemd om te worden
aangewend voor de bereiding van de onder a bedoelde eet- en
drinkwaren en daarin geheel of ten dele opgaan;
c. produkten die zijn bestemd om te worden aangewend als
aanvulling op dan wel ter vervanging van de onder a bedoelde
eet- en drinkwaren; met dien verstande dat tot de
voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken;
2. granen en peulvruchten, die niet zijn te rangschikken onder
post 1;
3. pootgoed bestemd voor de teelt van groenten en fruit;
4.
a. rundvee, schapen, geiten en varkens;
b. andere dan de onder a vallende dieren die kennelijk zijn
bestemd voor de voortbrenging of de productie van de in post 1
bedoelde voedingsmiddelen of die kennelijk zijn bestemd voor
gebruik in de landbouw, alsmede dieren die kennelijk zijn
bestemd voor het fokken van die dieren;
c. slachtafvallen van de onder a en b vallende dieren;
d. goederen die kennelijk zijn bestemd voor de voortplanting
van de onder a en b vallende dieren;
5. broedeieren voor pluimvee;
6. geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
van de Geneesmiddelenwet, voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen,
alsmede kennelijk voor geneeskundige doeleinden bestemde
inhalatiegassen;
7. diergeneesmiddelen als zijn bedoeld in de Wet dieren, met
uitzondering van diergeneesmiddelen voor in vitro gebruik;
8. verbandmiddelen zoals watten, windsels, gaas, hechtmiddelen,
pleisters, tampons, spalken en daarmee gelijk te stellen artikelen
die kennelijk zijn bestemd voor geneeskundige doeleinden, alsmede
gevulde verbanddozen, damesverband, kraammatrassen en
incontinentiematerialen;
9. [vervallen;]
10. [vervallen;]
11. [vervallen;]
12. [vervallen;]
13. [vervallen;]
14. [vervallen;]
15. [vervallen;]
16. [vervallen;]
17. [vervallen;]
18. [vervallen;]
19. [vervallen;]
20. [vervallen;]
21. [vervallen;]
22. [vervallen;]
23. [vervallen;]
24. [vervallen;]
25. [vervallen;]
26. [vervallen;]
27. [vervallen;]
28. water;
29.
a. kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en
antiquiteiten, voor zover deze worden ingevoerd;
b. kunstvoorwerpen voor zover deze worden geleverd door:
1°. de maker of diens rechtverkrijgende onder algemene
titel; of
2°. een ondernemer, andere dan een wederverkoper, die
ingevolge artikel 15, eerste lid, de belasting ter zake van
zijn verkrijging volledig in aftrek brengt;
30. boeken, met inbegrip van alle andere dan papieren fysieke
dragers waarop de inhoud van een boek is aangebracht; digitale
educatieve informatie die is aangebracht op fysieke dragers en die
kennelijk uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is bestemd voor
informatieoverdracht in het onderwijs; dagbladen, weekbladen,
tijdschriften en andere tenminste driemaal per jaar periodiek
verschijnende uitgaven;
31. braille-papier, braille-folie, braille-drukwerk,
braille-schrijfmachines, braille-handschrijfhulpmiddelen en
dergelijke braille-artikelen; uurwerken, optische leesapparaten, t.v.-leesloepen,
leesplateaus, oriëntatie-hulpmiddelen, steun-, tast- en
herkenningsstokken speciaal ontworpen voor persoonlijk gebruik door
blinden en slechtzienden; blindengeleidehonden; andere bij
ministeriële regeling aan te wijzen hulpmiddelen die speciaal zijn
ontworpen dan wel bestemd voor het exclusieve en persoonlijke
gebruik door blinden en slechtzienden; leespennen en andere
apparatuur met een vergelijkbare functie, alsmede programmatuur, die
speciaal zijn ontworpen voor gebruik door dyslectici;
32. gas en minerale olie voor verwarming ter bevordering van het
groeiproces van tuinbouwprodukten. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld inzake de toepassing van deze post;
33. [vervallen;]
34. invalidewagentjes en invalidekrukken; sta-opstoelen;
hooglaagbedden;
35. kunstledematen, te weten: arm-, hand-, been- en
voetprothesen; hulpmiddelen die speciaal zijn ontworpen voor het
overnemen van de fixatiefunctie van een niet of slecht
functionerende hand; beenbeugels, breukbanden en kunstgewrichten;
kunstogen, -oren en -nieren; aangezichts-, borst-, neus- en
larynxprothesen; chirurgische inplanteringsprothesen; hart- en
spierstimulatoren; gehoorapparaten en andere bij ministeriële
regeling aan te wijzen hulpmiddelen die speciaal zijn ontworpen dan
wel bestemd voor het exclusieve en persoonlijke gebruik door doven
en slechthorenden; oorapparaten tegen stotteren; hulpmiddelen voor
stomapatiënten; orthopedisch schoeisel; hulpmiddelen die speciaal
zijn ontworpen voor het uittrekken van therapeutisch elastische
steunkousen; orthopedische maatkorsetten; delen, onderdelen en
toebehoren, kennelijk bestemd voor de hiervoor genoemde goederen;
36.
a. hulpmiddelen die plegen te worden aangewend voor het
onderhuids toedienen van insuline met uitzondering van spuiten
en naalden die kennelijk mede voor andere doeleinden zijn
geschikt;
b. hulpmiddelen die plegen te worden aangewend bij de
zelfdiagnose van het bloedsuikergehalte;
37. meetapparatuur en toebehoren voor de zelfdiagnose van de
stollingstijd van bloed; medicijnvernevelaars; katheters;
urinezakken; allergeenvrije hoezen; antidecubitusmatrassen;
draagbare uitwendige infuuspompen; zuurstofconcentratoren met
toebehoren, alsmede speciaal voor persoonlijk mobiel gebruik
ontworpen wagentjes en draagbanden of-tassen voor een
zuurstofcilinder of een zuurstofvat; computermuis-software, al dan
niet langs elektronische weg geleverd, die speciaal is ontwikkeld
voor gebruikers met een tremor;
38. [vervallen;]
39. [vervallen;]
40. beetwortelen;
41. land- en tuinbouwzaden voor zover dienende voor de teelt van
de in deze tabel genoemde produkten en oliehoudende zaden;
42. [vervallen;]
43. rondhout;
44. stro en veevoeders;
45. vlas;
46. wol, ruw en ongewassen;
47. [vervallen;]
48. sierteeltprodukten, te weten: bloembollen, bloemen, planten
en boomkwekerijprodukten;
49. [vervallen;]
50. [vervallen;]
b.
1. het herstellen van de in de posten a 31 en a 34 tot en met a
37 bedoelde goederen;
2. de verhuur van de in de post a 30 bedoelde goederen;
3. het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden;
4. het herstellen van fietsen;
5. het herstellen van schoeisel en lederwaren;
6. het herstellen en vermaken van kleding en huishoudlinnen;
7. de diensten die door kappers als zodanig worden verricht;
8. het schilderen en stukadoren van woningen na meer dan twee
jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming;
9. Het vervoer van personen per schip, het vervoer van personen,
bedoeld in artikel 1, onderdelen h, i, en j, van de Wet
personenvervoer 2000, het vervoer met auto’s voor de uitvoering
van trouwerijen, begrafenissen en crematies daaronder begrepen,
taxivervoer van personen over de weg anders dan per auto, en het
vervoer van personen met luchtvaartuigen indien de plaats van
vertrek en de plaats van bestemming in Nederland zijn gelegen voor
zover dat vervoer geschiedt met ballonnen of met luchtvaartuigen die
zijn ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden;
10. het geven van gelegenheid tot kamperen binnen het kader van
het kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts
voor een korte periode verblijf houden;
11. het verstrekken van logies binnen het kader van het hotel-,
pension- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts
voor een korte periode verblijf houden;
12. het verstrekken van voedingsmiddelen als bedoeld in post a 1,
voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-,
restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf;
13. de volgende diensten aan landbouwers, veehouders, tuinbouwers
en bosbouwers:
a. de diensten door agrarische loonbedrijven;
b. de diensten door fokinstellingen, instellingen voor
keuring en onderzoek en instellingen voor kunstmatige
inseminatie, embryotransplantatie daaronder begrepen;
c. de diensten door boekhoud- en belastingadviesbureaus;
d. het bewaren, drogen, koelen, ontsmetten, schonen, sorteren
en verpakken van goederen welke de in de aanhef bedoelde
personen in hun vermelde hoedanigheid hebben voortgebracht of
geteeld, alsmede het vervoer van die goederen naar veilingen;
14. het verlenen van toegang tot:
a. circussen;
b. dierentuinen;
c. openbare musea of verzamelingen, daaronder begrepen nauw
daarmee samenhangende leveringen van goederen, zoals catalogi,
foto’s en fotokopieën;
d. muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder
begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues,
musicals en cabarets, alsmede lezingen, met uitzondering van
peepshows en andere optredens die primair zijn gericht op
erotisch vermaak;
e. bioscopen;
f. sportwedstrijden, sportdemonstraties en dergelijke;
g. attractieparken, speel- en siertuinen, en andere
dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie
ingerichte voorzieningen;
15. de diensten van exploitanten van reizende inrichtingen voor
vermaak op kermissen;
16. de oplevering van roerende zaken als bedoeld in onderdeel a
door degene die de zaken heeft vervaardigd;
17. het optreden door uitvoerende kunstenaars;
18. het vervoer van gas dat valt onder de toepassing van post a
32. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
inzake de toepassing van deze post;
19. het aanbrengen van op energiebesparing gericht
isolatiemateriaal, met uitzondering van het aanbrengen van glas, aan
vloeren, muren en daken van woningen na meer dan twee jaren na het
tijdstip van eerste ingebruikneming, met uitzondering van materialen
die een beduidend deel vertegenwoordigen van de waarde van deze
diensten;
20. het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen.
Tabel II behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968
a.
1. Van buiten Nederland komende goederen die niet zijn ingevoerd;
Bijzondere bepalingen.
Goederen welke worden geleverd door de ondernemer die de goederen
invoert of in wiens opdracht de invoer plaatsvindt of welke worden
geleverd door ondernemers die ten aanzien van de goederen daaraan
volgende leveringen verrichten, behoren niet tot de post
2. goederen welke door een ondernemer worden:
- uitgevoerd uit de Gemeenschap, met uitzondering van
goederen welke zijn bestemd voor de bevoorrading in Nederland
van vervoermiddelen;
- gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis
van artikel 98, lid 1, onder b, van Communautair douanewetboek;
Bijzondere bepaling
Tot de post behoren niet goederen die in bij ministeriële
regeling aan te wijzen gevallen als reizigersbagage of als zending
waaraan elk handelskarakter vreemd is, worden uitgevoerd uit de
Gemeenschap;
3. zeeschepen, met uitzondering van pleziervaartuigen, en
luchtvaartuigen welke worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen
die zich hoofdzakelijk op het betaalde internationale vervoer
toeleggen;
4. goederen welke zijn bestemd voor de bevoorrading van
uitgaande:
- zeeschepen waarmee enigerlei economische activiteit wordt
verricht, met uitzondering van schepen voor de kustvisserij;
- reddingsboten, schepen voor hulpverlening op zee of schepen
voor de kustvisserij, met uitzondering van voor laatstgenoemde
schepen bestemde scheepsproviand;
- oorlogsschepen met als bestemming een haven of ankerplaats
buiten Nederland;
- luchtvaartuigen als zijn bedoeld onder 3;
5. goud bestemd voor centrale banken;
6. goederen die worden vervoerd naar een andere lid-staat,
wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van
belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die
goederen;
Bijzondere bepaling
Tot de post behoren niet accijnsgoederen die worden verzonden of
vervoerd naar een andere lid-staat ingevolge een levering aan een
afnemer waarvoor artikel 3, lid 1, van de BTW-richtlijn 2006
toepassing vindt, tenzij de verzending of het vervoer van de
accijnsgoederen geschiedt overeenkomstig de artikelen 19 of 34 van
Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een
algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van
Richtlijn 92/12/EEG (PbEU 2009, L 9);
7.
a. accijnsgoederen die worden gebracht naar of zich bevinden
in een accijnsgoederenplaats als bedoeld in de Wet op de accijns
en die voor die soort goederen als zodanig is aangewezen, voor
zover die goederen voor de heffing van de accijns niet zijn
ingevoerd of zijn uitgeslagen;
b. minerale oliën waarvoor in artikel 27 van de Wet op de
accijns een accijnstarief is vastgesteld alsmede minerale oliën
die daarmee op grond van artikel 28 van die wet worden
gelijkgesteld en die zijn gebracht buiten een
accijnsgoederenplaats en die niet worden gebracht naar een
andere accijnsgoederenplaats die voor minerale oliën als
zodanig is aangewezen, indien:
1°. het buiten de accijnsgoederenplaats brengen van de
minerale oliën ingevolge de Wet op de accijns niet als
uitslag is of wordt aangemerkt;
2°. voor het vervoer van de minerale oliën ingevolge de
Wet op de accijns een document is afgegeven als bedoeld in
Verordening (EG) nr. 684/2009 van de Commissie van 24 juli
2009 tot uitvoering van Verordening 2008/118/EG van de Raad
wat betreft de geautomatiseerde procedures voor de
overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns
(PbEU 2009, L 197); en
3°. de minerale oliën niet worden vervoerd naar een
andere lid-staat noch worden uitgevoerd of opgeslagen in een
entrepot;
Bijzondere bepaling
Op verzoek wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden, een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën
aangewezen voor een bijzondere regeling ingevolge welke de
voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de onder a bedoelde
leveringen van accijnsgoederen die zich bevinden in een
accijnsgoederenplaats, niet van toepassing zijn. Bij de uitslag van
die minerale oliën in de zin van de Wet op de accijns wordt de
belasting geheven ter zake van de daaraan voorafgaande levering naar
het zonder de toepassing van deze post geldende tarief. Daarbij
wordt de maatstaf van heffing verhoogd met de ter zake van de
uitslag verschuldigde accijns en de vergoeding voor de diensten die
na die levering met betrekking tot de minerale oliën met toepassing
van tabel II, onderdeel b, post 1, zijn verricht. De belasting wordt
geheven van de ondernemer aan wie die levering is verricht en is
door deze verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.
8.
a. bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen of
soorten van goederen die worden gebracht naar of zich bevinden
in een ander entrepot dan een douane-entrepot als bedoeld in
artikel 157, lid 1, onder a en b, van de BTW-richtlijn 2006 dat
niet-plaatsgebonden is;
b. bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen of
soorten van goederen die zich bevinden in een ander entrepot dan
een douane-entrepot als bedoeld in artikel 157, lid 1, onder a
en b, van de BTW-richtlijn 2006 dat plaatsgebonden is, niet
zijnde een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën;
hetgeen onder een niet-plaatsgebonden en onder een plaatsgebonden
entrepot als bedoeld in deze post wordt verstaan, wordt, onder
daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vastgesteld bij
ministeriële regeling.
Bijzondere bepaling
Bij het beëindigen van de opslag van de goederen in het
entrepot, bedoeld in deze post, onder b, wordt de belasting ter zake
van de daaraan voorafgaande levering geheven naar het zonder de
toepassing van deze post geldende tarief. Daarbij wordt de maatstaf
van heffing verhoogd met de vergoeding voor de diensten die na die
levering met betrekking tot die goederen met toepassing van tabel
II, onderdeel b, post 1, zijn verricht. De belasting wordt geheven
van de ondernemer aan wie die levering is verricht en is door deze
verschuldigd op het tijdstip van de uitslag. Bij ministeriële
regeling wordt vastgesteld hetgeen wordt verstaan onder het
beëindigen van de opslag van goederen in het entrepot, bedoeld in
deze post, onder b.
b.
1. de diensten welke worden verricht ten aanzien van goederen,
als zijn bedoeld onder de post a.1 tot en met 4, a.7 en a.8;
2. de diensten die betrekking hebben op de invoer van goederen en
waarvan de waarde met toepassing van artikel 19, tweede lid,
onderdeel b, in de maatstaf van heffing is begrepen;
3. het vervoer van personen door middel van zeeschepen of
luchtvaartuigen, indien de plaats van bestemming of de plaats van
vertrek buiten Nederland is gelegen;
4. de diensten van tussenpersonen die handelen in naam en voor
rekening van derden, welke betrekking hebben op niet in de
Gemeenschap verrichte prestaties dan wel op prestaties als zijn
bedoeld onder 2 en 3;
5. de diensten, bestaande in werkzaamheden met betrekking tot
roerende zaken welke zijn ontvangen ten einde die werkzaamheden in
Nederland te ondergaan en naar een plaats buiten de Gemeenschap
worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van degene die de
dienst heeft verricht, dan wel degene aan wie de dienst is verleend,
indien deze laatste buiten Nederland woont of is gevestigd;
6. het intracommunautair goederenvervoer naar of vanaf de
eilanden die de autonome regio’s van de Azoren en van Madeira
vormen, alsmede het vervoer van goederen tussen deze eilanden.
|