Nadere regelgeving:
- Besluit verstrekking financiële informatie aan ondernemingsraden
1985
- Verordening op de bedrijfscommissies
2002
WET van 28 januari 1971, houdende nieuwe
regelen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming
door middel van ondernemingsraden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen te stellen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de
onderneming door middel van ondernemingsraden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Raad: De Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de Wet op de
Bedrijfsorganisatie;
c. onderneming: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid
optredend organisatorisch verband waarin krachtens
arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling
arbeid wordt verricht;
d. ondernemer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die
een onderneming in stand houdt;
e. bestuurder: hij die alleen dan wel te zamen met anderen in
een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij
de leiding van de arbeid;
f. bedrijfscommissie: de bevoegde bedrijfscommissie, bedoeld in
de artikelen 37, 43 en 46.
2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder in de onderneming werkzame personen verstaan: degenen die
in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke
aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de
ondernemer die de onderneming in stand houdt. Personen die in meer dan
één onderneming van dezelfde ondernemer werkzaam zijn, worden geacht
uitsluitend werkzaam te zijn in die onderneming van waaruit hun
werkzaamheden worden geleid.
3.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder in de onderneming werkzame personen mede verstaan:
a. degenen die in het kader van werkzaamheden van de
onderneming daarin ten minste 24 maanden werkzaam zijn krachtens
een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Titel 7.10
van het Burgerlijk Wetboek, en
b. degenen die krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij
dan wel krachtens arbeidsovereenkomst met de ondernemer werkzaam
zijn in een door een andere ondernemer in stand gehouden
onderneming.
4.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
worden de bestuurder of de bestuurders van een onderneming geacht niet
te behoren tot de in de onderneming werkzame personen.
Hoofdstuk II. De instelling van ondernemingsraden
Artikel 2
1.De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, is in het belang van het
goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen
verplicht om ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging
van de in de onderneming werkzame personen een ondernemingsraad in te
stellen en jegens deze raad de voorschriften, gesteld bij of krachtens
deze wet, na te leven.
2.Indien in een onderneming na de instelling van een
ondernemingsraad niet langer in de regel ten minste 50 personen
werkzaam zijn, houdt de ondernemingsraad van rechtswege op te bestaan
bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad, tenzij
de ondernemer toepassing geeft aan artikel 5a, tweede lid.
Artikel 3
1.De ondernemer die twee of meer ondernemingen in stand houdt
waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn stelt
voor alle of voor een aantal van die ondernemingen tezamen een
gemeenschappelijke ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor
een goede toepassing van deze wet in de betrokken ondernemingen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
in een groep verbonden ondernemers, die twee of meer ondernemingen in
stand houden, waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen
werkzaam zijn. De betrokken ondernemers wijzen een tot hun groep
behorende ondernemer aan, die voor de toepassing van deze wet namens
hen als ondernemer optreedt ten opzichte van de gemeenschappelijke
ondernemingsraad.
3.De ondernemingen waarvoor een gemeenschappelijke ondernemingsraad
is ingesteld, worden beschouwd als één onderneming in de zin van
deze wet.
Artikel 4
1.De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 50 personen werkzaam zijn stelt voor een onderdeel
van die onderneming een afzonderlijke ondernemingsraad in indien dit
bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de
onderneming.
2.Het onderdeel waarvoor een afzonderlijke ondernemingsraad is
ingesteld, wordt beschouwd als een onderneming in de zin van deze wet.
Artikel 5
1.De Raad kan, indien bijzondere omstandigheden een goede
toepassing van deze wet in de betrokken onderneming in de weg staan,
aan een ondernemer op diens verzoek ten aanzien van een door hem in
stand gehouden onderneming schriftelijk voor ten hoogste vijf jaren
ontheffing verlenen van de verplichting tot het instellen van een
ondernemingsraad. De Raad kan een dergelijke ontheffing uitsluitend
verlenen indien voor wat betreft de informatie aan en de raadpleging
van werknemers over de in het zesde lid genoemde onderwerpen door de
ondernemer voorzieningen zijn getroffen om te waarborgen dat wordt
voldaan aan het zevende en achtste lid.
2.De Raad stelt de verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel
9, tweede lid, onder a, in de gelegenheid over het verzoek om
ontheffing te worden gehoord.
3.Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De Raad
doet van zijn besluit mededeling aan de bedrijfscommissie.
4.Zolang op een verzoek om ontheffing niet onherroepelijk is
beslist, geldt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde verplichting
niet.
5.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. informatie: het verstrekken van gegevens door de ondernemer
aan de werknemers opdat zij kennis kunnen nemen van het onderwerp
en het kunnen bestuderen;
b. raadpleging: de gedachtewisseling en de totstandbrenging van
een dialoog tussen de werknemers en de ondernemer.
6.Informatie en raadpleging behelzen:
a. informatie over de recente en de waarschijnlijke
ontwikkeling van de activiteiten en de economische situatie van de
onderneming;
b. informatie en raadpleging over de situatie, de structuur en
de waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de
onderneming, alsmede over eventuele geplande anticiperende
maatregelen met name in geval van bedreiging van de
werkgelegenheid;
c. informatie en raadpleging over beslissingen die ingrijpende
veranderingen voor de arbeidsorganisatie of de
arbeidsovereenkomsten kunnen meebrengen.
7.Het tijdstip en de wijze van informatieverstrekking alsmede de
inhoud van de informatie moeten zodanig zijn dat de werknemers de
informatie adequaat kunnen bestuderen en zo nodig de raadpleging
kunnen voorbereiden.
8.Raadpleging geschiedt:
a. op een tijdstip, met middelen en met een inhoud die passend
zijn;
b. op het relevante niveau van directie en vertegenwoordiging,
afhankelijk van het te bespreken onderwerp;
c. op basis van de door de ondernemer te verstrekken informatie
en van het advies dat de werknemers kunnen uitbrengen;
d. op zodanige wijze dat de werknemers met de ondernemer kunnen
samenkomen en een met redenen omkleed antwoord op hun advies
kunnen krijgen;
e. met het doel een akkoord te bereiken over de in het zesde
lid, onder c, bedoelde beslissingen, die onder de bevoegdheden van
de ondernemer vallen.
Artikel 5a
1.Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing
wanneer een ondernemer op grond van een collectieve
arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld
door een publiekrechtelijk orgaan verplicht is voor een door hem in
stand gehouden onderneming een ondernemingsraad in te stellen. Wanneer
de collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van
arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan de
ondernemer niet langer verplicht tot het instellen van de
ondernemingsraad, houdt deze van rechtswege op te bestaan bij het
eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad, tenzij de
ondernemer toepassing geeft aan het tweede lid.
2.De ondernemer kan voor een door hem in stand gehouden
onderneming, ten aanzien waarvan niet of niet langer een verplichting
bestaat tot het instellen van een ondernemingsraad, besluiten
vrijwillig een ondernemingsraad in te stellen of in stand te houden.
Het bij of krachtens deze wet bepaalde is van toepassing, zodra de
ondernemer dat besluit schriftelijk heeft meegedeeld aan de
bedrijfscommissie. De ondernemer kan deze ondernemingsraad op grond
van een belangrijke wijziging van de omstandigheden opheffen bij het
eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad. De ondernemer
deelt zijn besluit tot opheffing van de ondernemingsraad schriftelijk
mee aan de bedrijfscommissie.
Hoofdstuk III. Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Artikel 6
1.Een ondernemingsraad bestaat uit leden die door de in de
onderneming werkzame personen rechtstreeks uit hun midden worden
gekozen. Hun aantal bedraagt in een onderneming
met minder dan 50 personen 3 leden;
met 50 tot 100 personen 5 leden;
met 100 tot 200 personen 7 leden;
met 200 tot 400 personen 9 leden;
met 400 tot 600 personen 11 leden;
met 600 tot 1000 personen 13 leden;
met 1000 tot 2000 personen 15 leden;
en zo vervolgens bij elk volgend duizendtal personen 2 leden meer,
tot ten hoogste 25 leden.
De ondernemingsraad kan met toestemming van de ondernemer in zijn
reglement zowel een afwijkend aantal leden vaststellen, als bepalen
dat voor een of meer leden van de ondernemingsraad een plaatsvervanger
wordt gekozen. Een plaatsvervangend ondernemingsraadslid heeft
dezelfde rechten en verplichtingen als het lid dat hij vervangt.
2.Kiesgerechtigd zijn de personen die gedurende ten minste 6
maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest.
3.Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die
gedurende ten minste een jaar in de onderneming werkzaam zijn geweest.
4.De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen, indien dit
bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de
onderneming, gezamenlijk een of meer groepen van personen die anders
dan op grond van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer, dan wel
krachtens publiekrechtelijke aanstelling regelmatig in de onderneming
arbeid verrichten, aanmerken als in de onderneming werkzame personen,
dan wel een of meer groepen van die personen niet langer aanmerken als
in de onderneming werkzame personen. Komen de ondernemer en de
ondernemingsraad niet tot overeenstemming, dan kan ieder van hen een
beslissing van de kantonrechter vragen.
5.De ondernemingsraad kan in zijn reglement afwijken van hetgeen in
het tweede en derde lid van dit artikel ten aanzien van de diensttijd
is bepaald indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van
deze wet in de onderneming.
6.Tijdens een zittingsperiode van de ondernemingsraad kan geen
wijziging worden gebracht in het aantal leden van de raad op grond van
vermeerdering of vermindering van het aantal in de onderneming
werkzame personen.
Artikel 7
De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of
meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens
verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de
ondernemingsraad in rechte.
Artikel 8
1.De ondernemingsraad maakt een reglement waarin de onderwerpen
worden geregeld die bij of krachtens deze wet ter regeling aan de
ondernemingsraad zijn opgedragen of overgelaten. Het reglement bevat
geen bepalingen die in strijd zijn met de wet of die een goede
toepassing van deze wet in de weg staan. Alvorens het reglement vast
te stellen, stelt de ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid
zijn standpunt kenbaar te maken. De ondernemingsraad verstrekt
onverwijld een exemplaar van het vastgestelde reglement aan de
ondernemer en aan de bedrijfscommissie.
2.De Raad kan ten aanzien van de inhoud van het reglement bij
verordening nadere regelen stellen voor alle of een groep van
ondernemingen. In het laatste geval wordt de betrokken
bedrijfscommissie gehoord. Een verordening van de Raad behoeft de
goedkeuring van Onze Minister. Een goedgekeurde verordening wordt in
de Staatscourant bekend gemaakt.
3.Indien de Raad een verordening als bedoeld in het tweede lid
vaststelt, brengen de betrokken ondernemingsraden binnen een jaar na
de bekendmaking van de goedgekeurde verordening in de Staatscourant,
de bepalingen in hun reglement die in strijd zijn met deze verordening
daarmee in overeenstemming.
Artikel 9
1.De verkiezing van leden van de ondernemingsraad geschiedt bij
geheime schriftelijke stemming en aan de hand van een of meer
kandidatenlijsten.
2.Een kandidatenlijst kan worden ingediend door:
a. een vereniging van werknemers, die in de onderneming
werkzame kiesgerechtigde personen onder haar leden telt, krachtens
haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als
werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken
onderneming of bedrijfstak werkzaam is en voorts ten minste twee
jaar in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, mits zij met
haar leden in de onderneming over de samenstelling van de
kandidatenlijst overleg heeft gepleegd. Ten aanzien van een
vereniging die krachtens haar statuten geacht kan worden een
voortzetting te zijn van een of meer andere verenigingen met
volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, wordt de duur van de
volledige rechtsbevoegdheid van die vereniging of verenigingen
voor de vaststelling van de tijdsduur van twee jaar mede in
aanmerking genomen;
b. een derde gedeelte of méér van diegenen van de in de
onderneming werkzame kiesgerechtigde personen die geen lid zijn
van een vereniging als bedoeld onder a welke een kandidatenlijst
heeft ingediend, echter met dien verstande dat voor het indienen
van een kandidatenlijst met 30 handtekeningen kan worden volstaan.
3.De ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen, dat voor
bepaalde groepen van in de onderneming werkzame personen, dan wel voor
bepaalde onderdelen van de onderneming afzonderlijke kandidatenlijsten
worden ingediend, ten einde als grondslag te dienen voor de verkiezing
door de betrokken personen of onderdelen van een tevens in het
reglement te bepalen aantal leden van de ondernemingsraad. Indien de
ondernemingsraad van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, gelden de
in het tweede lid ten aanzien van het indienen van kandidatenlijsten
gestelde eisen voor iedere aangewezen groep of ieder aangewezen
onderdeel afzonderlijk.
4.De ondernemingsraad treft, indien dit bevorderlijk is voor een
goede toepassing van deze wet in de onderneming, voorzieningen in zijn
reglement opdat de verschillende groepen van de in de onderneming
werkzame personen zoveel mogelijk in de ondernemingsraad
vertegenwoordigd kunnen zijn.
Artikel 10
De ondernemingsraad stelt in zijn reglement nadere regelen
betreffende de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen en
de vaststelling van de uitslag daarvan, alsmede betreffende de
vervulling van tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad.
Artikel 11
1.De ondernemingsraad draagt er zorg voor, dat de uitslag van de
verkiezingen bekend wordt gemaakt aan de ondernemer, aan de in de
onderneming werkzame personen, alsmede aan degenen die
kandidatenlijsten hebben ingediend.
2.Hij draagt er zorg voor, dat de namen en de functies in de
onderneming van de leden van de ondernemingsraad blijvend worden
vermeld op een plaats die vrij toegankelijk is voor alle in de
onderneming werkzame personen, op zodanige wijze dat daarvan
gemakkelijk kennis kan worden genomen.
Artikel 12
1.De leden van de ondernemingsraad treden om de drie jaren tegelijk
af. Zij zijn terstond herkiesbaar.
2.De ondernemingsraad kan, in afwijking van het eerste lid, in zijn
reglement bepalen, dat de leden om de twee jaren of om de vier jaren
tegelijk aftreden, dan wel om de twee jaren voor de helft aftreden. De
ondernemingsraad kan voorts beperkingen vaststellen ten aanzien van de
herkiesbaarheid.
3.Wanneer een lid van de ondernemingsraad ophoudt in de onderneming
werkzaam te zijn, eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de
ondernemingsraad.
4.De leden van de ondernemingsraad kunnen te allen tijde als
zodanig ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk kennis aan de
voorzitter en aan de ondernemer.
5.Hij die optreedt ter vervulling van een tussentijds opengevallen
plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij
komt had moeten aftreden.
Artikel 13
1.Op verzoek van de ondernemer of van de ondernemingsraad kan de
kantonrechter voor een door hem te bepalen termijn een lid van de
ondernemingsraad uitsluiten van alle of bepaalde werkzaamheden van de
ondernemingsraad. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan, door de
ondernemer op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadlid
het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig
belemmert, en door de ondernemingsraad op grond van het feit dat de
betrokkene de werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert.
2.Alvorens een verzoek in te dienen stelt de verzoeker de
betrokkene in de gelegenheid over het verzoek te worden gehoord. De
ondernemer en de ondernemingsraad stellen elkaar in kennis van een
overeenkomstig het eerste lid ingediend verzoek.
Artikel 14
1.De ondernemingsraad regelt in zijn reglement zijn werkwijze.
2.Het reglement bevat in ieder geval voorschriften omtrent:
a. de gevallen waarin de ondernemingsraad ten behoeve van de
uitoefening van zijn taak bijeenkomt;
b. de wijze van bijeenroeping van de ondernemingsraad;
c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering
te kunnen houden;
d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen;
e. de voorziening in het secretariaat;
f. het opmaken en het bekendmaken aan de ondernemer, de leden
van de ondernemingsraad en aan de andere in de onderneming
werkzame personen van de agenda van de vergaderingen van de
ondernemingsraad;
g. het tijdstip waarop de ondernemer, de leden van de
ondernemingsraad en de andere in de onderneming werkzame personen
uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van de agenda, welk
tijdstip niet later kan worden gesteld dan 7 dagen vóór de
vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen;
h. het opmaken en het bekendmaken aan de ondernemer, de leden
van de ondernemingsraad en aan de andere in de onderneming
werkzame personen van de verslagen van de vergaderingen van de
ondernemingsraad en van het jaarverslag van de ondernemingsraad.
Artikel 15
1.De ondernemingsraad kan de commissies instellen die hij voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De
ondernemingsraad legt zijn voornemen om een commissie in te stellen
schriftelijk voor aan de ondernemer, met vermelding van de taak,
samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de door hem in te stellen
commissie. Bij bezwaar van de ondernemer kan de ondernemingsraad een
beslissing van de kantonrechter vragen.
2.De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid vaste
commissies instellen voor de behandeling van door hem aangewezen
onderwerpen. De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van een
vaste commissie zijn rechten en bevoegdheden ten aanzien van deze
onderwerpen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van
rechtsgedingen, geheel of gedeeltelijk aan de betrokken commissie
overdragen. In een vaste commissie kunnen naast een meerderheid van
leden van de ondernemingsraad ook andere in de onderneming werkzame
personen zitting hebben.
3.De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid voor
onderdelen van de onderneming onderdeelcommissies instellen voor de
behandeling van de aangelegenheden van die onderdelen. De
ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van een
onderdeelcommissie aan deze commissie de bevoegdheid toekennen tot het
plegen van overleg met degene die de leiding heeft van het betrokken
onderdeel. In dat geval gaan de rechten en bevoegdheden van de
ondernemingsraad ten aanzien van de aangelegenheden van het onderdeel,
met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen,
over naar de onderdeelcommissie, tenzij de ondernemingsraad besluit
een bepaalde aangelegenheid zelf te behandelen. In een
onderdeelcommissie kunnen naast een of meer leden van de
ondernemingsraad uitsluitend in het betrokken onderdeel werkzame
personen zitting hebben.
4.De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid
voorbereidingscommissies instellen ter voorbereiding van door de
ondernemingsraad te behandelen onderwerpen. Een
voorbereidingscommissie kan geen rechten of bevoegdheden van de
ondernemingsraad uitoefenen. Een voorbereidingscommissie kan slechts
voor een bepaalde, door de ondernemingsraad in het instellingsbesluit
te vermelden, tijd worden ingesteld. In een voorbereidingscommissie
kunnen naast een of meer leden van de ondernemingsraad ook andere in
de onderneming werkzame personen zitting hebben.
5.Ten aanzien van de leden van door de ondernemingsraad ingestelde
commissies, die geen lid zijn van de ondernemingsraad, is artikel 13
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.De ondernemingsraad kan een of meer deskundigen uitnodigen tot
het bijwonen van een vergadering van die raad, met het oog op de
behandeling van een bepaald onderwerp. Hij kan een zodanige
uitnodiging ook doen aan een of meer bestuurders van de onderneming,
dan wel aan een of meer personen als bedoeld in artikel 24, tweede
lid.
2.De leden van de ondernemingsraad kunnen in de vergadering aan de
in het eerste lid bedoelde personen inlichtingen en adviezen vragen.
3.Een deskundige kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk
advies uit te brengen.
4.De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de commissies van de ondernemingsraad.
Artikel 17
1.De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad, de commissies van
die raad, en, indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een
secretaris heeft toegevoegd, de secretaris van die raad het gebruik
toe te staan van de voorzieningen waarover hij als zodanig kan
beschikken en die de ondernemingsraad, de commissies en de secretaris
van die raad voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig
hebben. De ondernemer stelt de ondernemingsraad en de commissies van
die raad in staat de in de onderneming werkzame personen te raadplegen
en stelt deze personen in de gelegenheid hieraan hun medewerking te
verlenen, een en ander voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is
voor de vervulling van de taak van de raad en de commissies.
2.De ondernemingsraad en de commissies van die raad vergaderen
zoveel mogelijk tijdens de normale arbeidstijd.
3.De leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies
van die raad behouden voor de tijd gedurende welke zij ten gevolge van
het bijwonen van een vergadering van de ondernemingsraad of van een
commissie van die raad niet de bedongen arbeid hebben verricht, hun
aanspraak op loon dan wel bezoldiging.
Artikel 18
1.De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en de
leden van de commissies van die raad, gedurende een door de ondernemer
en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal uren per
jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel bezoldiging de
gelegenheid te bieden voor onderling beraad en overleg met andere
personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun
taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de
arbeidsomstandigheden in de onderneming.
2.De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en de
leden van een vaste commissie of onderdeelcommissie, bedoeld in
artikel 15, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, gedurende een
door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen
aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel
bezoldiging de gelegenheid te bieden de scholing en vorming te
ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak nodig
oordelen.
3.De ondernemer en de ondernemingsraad stellen het aantal uren,
bedoeld in het eerste lid, en het aantal dagen, bedoeld in het tweede
lid, vast op een zodanig aantal als de betrokken leden van de
ondernemingsraad en van de commissies van die raad voor de vervulling
van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. Daarbij wordt in acht
genomen dat het aantal uren niet lager vastgesteld kan worden dan
zestig per jaar en het aantal dagen:
a. voor leden van een in het tweede lid bedoelde commissie die
niet tevens lid zijn van de ondernemingsraad, niet lager
vastgesteld kan worden dan drie per jaar;
b. voor leden van de ondernemingsraad die niet tevens lid zijn
van een in het tweede lid bedoelde commissie, niet lager
vastgesteld kan worden dan vijf per jaar; en
c. voor leden van de ondernemingsraad die tevens lid zijn van
een commissie, niet lager vastgesteld kan worden dan acht per
jaar.
4.De ondernemingsraad, alsmede ieder lid van de ondernemingsraad of
van een commissie van die raad kan de kantonrechter verzoeken te
bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen is bepaald
in het eerste, het tweede en het derde lid.
Artikel 19 [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 20
1.De leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies
van die raad, alsmede de overeenkomstig artikel 16 geraadpleegde
deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en
bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van
alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer, dan wel de
ondernemingsraad of de betrokken commissie hun geheimhouding heeft
opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het
vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. Het voornemen om
geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de behandeling
van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de
geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk of
mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoelang
deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie
de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
degenen die met het secretariaat van de ondernemingsraad of van een
commissie van die raad zijn belast.
3.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover
hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een
onderzoek naar de gang van zaken in de onderneming.
4.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet
tegenover hem die door een lid van de ondernemingsraad of door een lid
van een commissie van die raad wordt benaderd voor overleg, mits de
ondernemer, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd,
vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken
persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten
aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht.
In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
5.Een weigering de in het vorige lid bedoelde toestemming te
verlenen, wordt door de ondernemer, onderscheidenlijk door degene die
geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.
6.De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van
het lidmaatschap van de ondernemingsraad of van de betrokken
commissie, noch door beëindiging van de werkzaamheden van de
betrokkene in de onderneming.
7.De ondernemingsraad, alsmede ieder lid van de ondernemingsraad of
van een commissie van die raad, alsmede een overeenkomstig artikel
16geraadpleegde deskundige en ieder die met het secretariaat van de
ondernemingsraad of van een commissie van die raad is belast kan de
kantonrechter verzoeken de opgelegde geheimhouding op te heffen op de
grond dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot het opleggen van geheimhouding had kunnen besluiten.
Artikel 21
De ondernemer draagt er zorg voor, dat de in de onderneming werkzame
personen die staan of gestaan hebben op een kandidatenlijst als bedoeld
in artikel 9, alsmede de leden en de gewezen leden van de
ondernemingsraad en van de commissies van die raad niet uit hoofde van
hun kandidaatstelling of van hun lidmaatschap van de ondernemingsraad of
van een commissie van die raad worden benadeeld in hun positie in de
onderneming. Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
heeft toegevoegd is de eerste volzin op die secretaris van
overeenkomstige toepassing. Op degene die het initiatief neemt of heeft
genomen tot het instellen van een ondernemingsraad is de eerste volzin
van overeenkomstige toepassing. De ondernemingsraad, alsmede iedere in
de onderneming werkzame persoon als in de eerste tot en met derde volzin
bedoeld, kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer
gevolg dient te geven aan hetgeen in de eerste tot en met derde volzin
is bepaald. Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke
aanstelling in de onderneming werkzaam zijn, treedt een andere kamer van
de rechtbank in de plaats van de kantonrechter.
Artikel 22
1.De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de ondernemingsraad en de commissies van
die raad komen ten laste van de ondernemer.
2.Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid komen de
kosten van het overeenkomstig artikel 16 en artikel 23a, zesde lid,
raadplegen van een deskundige door de ondernemingsraad of een
commissie van die raad, alsmede de kosten van het voeren van
rechtsgedingen door de ondernemingsraad slechts ten laste van de
ondernemer, indien hij van de te maken kosten vooraf in kennis is
gesteld. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer uitvoering is
gegeven aan het derde lid.
3.De ondernemer kan in overeenstemming met de ondernemingsraad de
kosten die de ondernemingsraad en de commissies van die raad in enig
jaar zullen maken, voor zover deze geen verband houden met het
bepaalde in de artikelen 17 en 18, vaststellen op een bepaald bedrag,
dat de ondernemingsraad naar eigen inzicht kan besteden. Kosten
waardoor het hier bedoelde bedrag zou worden overschreden, komen
slechts ten laste van de ondernemer voor zover hij in het dragen
daarvan toestemt.
Artikel 22a
In rechtsgedingen tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kan de
ondernemingsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
Hoofdstuk IV. Het overleg met de ondernemingsraad
Artikel 23
1.De ondernemer en de ondernemingsraad komen met elkaar bijeen
binnen twee weken nadat hetzij de ondernemingsraad hetzij de
ondernemer daarom onder opgave van redenen heeft verzocht.
2.In de in het eerste lid bedoelde overlegvergaderingen worden de
aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld, ten
aanzien waarvan hetzij de ondernemer, hetzij de ondernemingsraad
overleg wenselijk acht of waarover ingevolge het bij of krachtens deze
wet bepaalde overleg tussen de ondernemer en de ondernemingsraad moet
plaatsvinden. De ondernemingsraad is bevoegd omtrent de bedoelde
aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken.
Onder de aangelegenheden, de onderneming betreffende, is niet begrepen
het beleid ten aanzien van, alsmede de uitvoering van een bij of
krachtens een wettelijk voorschrift aan de ondernemer opgedragen
publiekrechtelijke taak, behoudens voor zover deze uitvoering de
werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen betreft.
3.De ondernemingsraad is ook buiten de overlegvergadering bevoegd
aan de ondernemer voorstellen te doen omtrent de in het tweede lid
bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk en
voorzien van een toelichting aan de ondernemer voorgelegd. De
ondernemer beslist over het voorstel niet dan nadat daarover ten
minste éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Na het
overleg deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk en met
redenen omkleed aan de ondernemingsraad mee, of en in hoeverre hij
overeenkomstig het voorstel zal besluiten.
4.Het overleg wordt voor de ondernemer gevoerd door de bestuurder
van de onderneming. Wanneer een onderneming meer dan één bestuurder
heeft, bepalen dezen te zamen wie van hen overleg pleegt met de
ondernemingsraad.
5.De in het vorige lid bedoelde bestuurder kan zich in geval van
verhindering of ten aanzien van een bepaald onderwerp laten vervangen
door een medebestuurder. Heeft de onderneming geen meerhoofdig
bestuur, dan kan de bestuurder zich bij verhindering doen vervangen
door een persoon als bedoeld in artikel 24, tweede lid, of door een in
de onderneming werkzame persoon die beschikt over bevoegdheden om
namens de ondernemer overleg te voeren met de ondernemingsraad.
6.De bestuurder of degene die hem vervangt kan zich bij het overleg
laten bijstaan door een of meer medebestuurders, personen als bedoeld
in artikel 24, tweede lid, of in de onderneming werkzame personen.
Artikel 23a
1.Een overlegvergadering kan slechts worden gehouden, indien ten
aanzien van de ondernemingsraad wordt voldaan aan de bepalingen die
ingevolge het reglement van de ondernemingsraad gelden voor het houden
van een vergadering van die raad. Alle leden van de ondernemingsraad
kunnen in de vergadering het woord voeren.
2.De overlegvergadering wordt, tenzij de ondernemer en de
ondernemingsraad te zamen een andere regeling treffen, beurtelings
geleid door de bestuurder of degene die hem ingevolge artikel 23,
vijfde lid, vervangt en de voorzitter of de plaatsvervangende
voorzitter van de ondernemingsraad.
3.De secretaris van de ondernemingsraad treedt op als secretaris
van de overlegvergadering, tenzij de ondernemer en de ondernemingsraad
te zamen een andere persoon als secretaris aanwijzen.
4.De agenda van de overlegvergadering bevat de onderwerpen die door
de ondernemer of door de ondernemingsraad bij de secretaris voor het
overleg zijn aangemeld. Het verslag van de overlegvergadering behoeft
de goedkeuring van de ondernemer en de ondernemingsraad.
5.De ondernemer en de ondernemingsraad maken gezamenlijk afspraken
over de gang van zaken bij de overlegvergadering en over de wijze en
het tijdstip waarop de agenda en het verslag van de overlegvergadering
aan de in de onderneming werkzame personen bekend worden gemaakt.
6.Ten aanzien van de overlegvergadering zijn de artikelen 17 en 22
van overeenkomstige toepassing. Zowel de ondernemingsraad als de
ondernemer kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van
een overlegvergadering, indien dit voor de behandeling van een bepaald
onderwerp redelijkerwijze nodig is. Zij stellen elkaar hiervan tijdig
vooraf in kennis.
Artikel 23b
1.Tijdens een overlegvergadering kunnen zowel door de ondernemer
als door de ondernemingsraad besluiten worden genomen.
2.Een overlegvergadering wordt door de voorzitter geschorst,
wanneer de ondernemer of de ondernemingsraad ten aanzien van een
bepaald onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht.
Artikel 23c
Indien de ondernemingsraad aan een onderdeelcommissie de bevoegdheid
heeft toegekend tot het plegen van overleg met degene die de leiding
heeft van het betrokken onderdeel, zijn ten aanzien van dat overleg de
artikelen 17, 22, 23, 23a, tweede, vierde en zesde lid, 23b, 24, eerste
lid, 25, 27, 28, 31a, eerste, zesde en zevende lid, 31b en 31c van
overeenkomstige toepassing. In dit overleg kunnen geen aangelegenheden
worden behandeld die in het overleg met de ondernemingsraad worden
behandeld.
Artikel 24
1.In de overlegvergadering wordt ten minste tweemaal per jaar de
algemene gang van zaken van de onderneming besproken. De ondernemer
doet in dit kader mededeling over besluiten die hij in voorbereiding
heeft met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in de
artikelen 25 en 27. Daarbij worden afspraken gemaakt wanneer en op
welke wijze de ondernemingsraad in de besluitvorming wordt betrokken.
2.Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een naamloze
vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge
waarborgmaatschappij, zijn bij de in het eerste lid bedoelde
besprekingen de commissarissen van de vennootschap, de coöperatie of
de onderlinge waarborgmaatschappij, als die er zijn, dan wel een of
meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. Wordt ten minste de
helft van de aandelen van de vennootschap middellijk of onmiddellijk
voor eigen rekening gehouden door een andere vennootschap, dan rust de
hiervoor bedoelde verplichting op de bestuurders van de laatstbedoelde
vennootschap, dan wel op een of meer door hen aangewezen
vertegenwoordigers. Wordt de onderneming in stand gehouden door een
vereniging of een stichting, dan zijn de bestuursleden van die
vereniging of die stichting, dan wel een of meer vertegenwoordigers
uit hun midden aanwezig. De ondernemingsraad kan in een bepaald geval
besluiten, dat aan dit lid geen toepassing behoeft te worden gegeven.
3.Het in het vorige lid bepaalde geldt niet ten aanzien van een
onderneming die in stand wordt gehouden door een ondernemer die ten
minste vijf ondernemingen in stand houdt waarvoor een ondernemingsraad
is ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn,
dan wel door een ondernemer die deel uitmaakt van in een groep
verbonden ondernemers die te zamen ten minste vijf ondernemingsraden
hebben ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing
zijn.
Hoofdstuk IVA. Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
Artikel 25
1.De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit
tot:
a. overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een
onderdeel daarvan;
b. het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de
zeggenschap over, een andere onderneming, alsmede het aangaan van,
het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken
van duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder
begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken
van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve
van een dergelijke onderneming;
c. beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van
een belangrijk onderdeel daarvan;
d. belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van
de werkzaamheden van de onderneming;
e. belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming,
dan wel in de verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming;
f. wijziging van de plaats waar de onderneming haar
werkzaamheden uitoefent;
g. het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten;
h. het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de
onderneming;
i. het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de
onderneming;
j. het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen
van zekerheid voor belangrijke schulden van een andere ondernemer,
tenzij dit geschiedt in de normale uitoefening van werkzaamheden
in de onderneming;
k. invoering of wijziging van een belangrijke technologische
voorziening;
l. het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de
zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het
treffen of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische en
administratieve voorziening in verband met het milieu;
m. vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf
dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste
lid, onderdeel a, artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b,
of artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel c, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
n. het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan
een deskundige buiten de onderneming betreffende een der hiervoor
bedoelde aangelegenheden.
Het onder b bepaalde, alsmede het onder n bepaalde, voor zover dit
betrekking heeft op een aangelegenheid als bedoeld onder b, is niet
van toepassing wanneer de andere onderneming in het buitenland
gevestigd is of wordt en redelijkerwijs niet te verwachten is dat het
voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder c-f
ten aanzien van een onderneming die door de ondernemer in Nederland in
stand wordt gehouden.
2.De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de
ondernemingsraad voor. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden
gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen
besluit.
3.Bij het vragen van advies wordt aan de ondernemingsraad een
overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van
de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de
onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding
daarvan voorgenomen maatregelen.
4.De ondernemingsraad brengt met betrekking tot een voorgenomen
besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over
de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd
in een overlegvergadering. Ten aanzien van de bespreking van het
voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel 24, tweede
lid, van overeenkomstige toepassing.
5.Indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in
het eerste lid bedoeld wordt genomen, wordt de ondernemingsraad door
de ondernemer zo spoedig mogelijk van het besluit schriftelijk in
kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet
geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens meegedeeld,
waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de ondernemingsraad
daarover nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts het advies van de
ondernemingsraad ingewonnen over de uitvoering van het besluit.
6.Tenzij het besluit van de ondernemer overeenstemt met het advies
van de ondernemingsraad, is de ondernemer verplicht de uitvoering van
zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de
ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld. De verplichting
vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen geeft.
Artikel 26
1. De ondernemingsraad kan bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof Amsterdam beroep instellen tegen een besluit van de
ondernemer als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, hetzij wanneer dat
besluit niet in overeenstemming is met het advies van de
ondernemingsraad, hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend zijn
geworden, die, waren zij aan de ondernemingsraad bekend geweest ten
tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen
zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is
uitgebracht.
2. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen een maand
nadat de ondernemingsraad van het in het eerste lid bedoelde besluit
in kennis is gesteld.
3. De ondernemer wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld.
4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld ter zake dat de
ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid
tot zijn besluit had kunnen komen.
5. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed.
Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede in
de onderneming werkzame personen horen. Indien de ondernemingskamer
het beroep gegrond bevindt, verklaart zij dat de ondernemer bij
afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het
betrokken besluit had kunnen komen. Zij kan voorts, indien de
ondernemingsraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende
voorzieningen treffen:
a. het opleggen van de verplichting aan de ondernemer om het
besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen
gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;
b. het opleggen van een verbod aan de ondernemer om handelingen
te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit
of van onderdelen daarvan.
Een voorziening van de ondernemingskamer kan door derden verworven
rechten niet aantasten.
6. Het is verboden een verplichting of een verbod als bedoeld in
het vorige lid niet na te komen, onderscheidenlijk te overtreden.
7. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het
treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn
aanhouden, indien beide partijen daarom verzoeken, dan wel indien de
ondernemer op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld, in
te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit
ongedaan te maken.
8. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer,
zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. Het vijfde lid,
vierde en vijfde volzin, en het zesde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
9. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend
beroep in cassatie open.
Artikel 27
1.De ondernemer behoeft de instemming van de ondernemingsraad voor
elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering, een
winstdelingsregeling of een spaarregeling;
b. een arbeids- en rusttijdenregeling of een vakantieregeling;
c. een belonings- of een functiewaarderingssysteem;
d. een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het
ziekteverzuim of het reintegratiebeleid;
e. een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag-
of bevorderingsbeleid;
f. een regeling op het gebied van de personeelsopleiding;
g. een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling;
h. een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk
werk;
i. een regeling op het gebied van het werkoverleg;
j. een regeling op het gebied van de behandeling van klachten;
k. een regeling omtrent het verwerken van alsmede de
bescherming van de persoonsgegevens van de in de onderneming
werkzame personen;
l. een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of
geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid,
gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen;
een en ander voor zover betrekking hebbende op alle of een groep
van de in de onderneming werkzame personen.
2.De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de
ondernemingsraad voor. Hij verstrekt daarbij een overzicht van de
beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het
besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame
personen zal hebben. De ondernemingsraad beslist niet dan nadat over
de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd
in een overlegvergadering. Na het overleg deelt de ondernemingsraad zo
spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn beslissing
aan de ondernemer mee. Na de beslissing van de ondernemingsraad deelt
de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de ondernemingsraad
mee welk besluit hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij
dat besluit zal uitvoeren.
3.De in het eerste lid bedoelde instemming is niet vereist, voor
zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds
inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of een
regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk
orgaan.
4.Heeft de ondernemer voor het voorgenomen besluit geen instemming
van de ondernemingsraad verkregen, dan kan hij de kantonrechter
toestemming vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft
slechts toestemming, indien de beslissing van de ondernemingsraad om
geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van
de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende
bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale
redenen.
5.Een besluit als bedoeld in het eerste lid, genomen zonder de
instemming van de ondernemingsraad of de toestemming van de
kantonrechter, is nietig, indien de ondernemingsraad tegenover de
ondernemer schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De
ondernemingsraad kan slechts een beroep op de nietigheid doen binnen
een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit overeenkomstig
de laatste volzin van het tweede lid heeft meegedeeld, hetzij - bij
gebreke van deze mededeling - de ondernemingsraad is gebleken dat de
ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
6.De ondernemingsraad kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer
te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot
uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het
vijfde lid. De ondernemer kan de kantonrechter verzoeken te verklaren
dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op
nietigheid als bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 28
1.De ondernemingsraad bevordert zoveel als in zijn vermogen ligt de
naleving van de voor de onderneming geldende voorschriften op het
gebied van de arbeidsvoorwaarden, alsmede van de voorschriften op het
gebied van de arbeidsomstandigheden en arbeids- en rusttijden van de
in de onderneming werkzame personen.
2.De ondernemingsraad bevordert voorts naar vermogen het
werkoverleg, alsmede het overdragen van bevoegdheden in de
onderneming, zodat de in de onderneming werkzame personen zoveel
mogelijk worden betrokken bij de regeling van de arbeid in het
onderdeel van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.
3.De ondernemingsraad waakt in het algemeen tegen discriminatie in
de onderneming en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling
van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en
minderheden in de onderneming.
4.De ondernemingsraad bevordert naar vermogen de zorg van de
onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of
wijzigen van beleidsmatige, organisatorische en administratieve
voorzieningen in verband met het milieu.
Artikel 29
De ondernemingsraad heeft het recht, al dan niet uit zijn midden, een
door de ondernemer te bepalen aantal, maar ten minste de helft, te
benoemen van de bestuursleden van door de ondernemer ten behoeve van in
de onderneming werkzame personen opgerichte instellingen, behoudens voor
zover bij of krachtens de wet op andere wijze in het bestuur van een
instelling is voorzien.
Artikel 30
1.De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit
tot benoeming of ontslag van een bestuurder van de onderneming.
2.Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het
van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3.De ondernemer stelt de ondernemingsraad in kennis van de
beweegredenen voor het besluit en verstrekt voorts in het geval van
een benoeming gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een oordeel
kan vormen over de betrokkene, in verband met diens toekomstige
functie in de onderneming. Artikel 25, vierde lid en vijfde lid,
eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IVB. Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Artikel 31
1.De ondernemer is verplicht desgevraagd aan de ondernemingsraad en
aan de commissies van die raad tijdig alle inlichtingen en gegevens te
verstrekken die deze voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze
nodig hebben. De inlichtingen en gegevens worden desgevraagd
schriftelijk verstrekt.
2.De ondernemer is verplicht aan de ondernemingsraad bij het begin
van iedere zittingsperiode schriftelijk gegevens te verstrekken
omtrent:
a. de rechtsvorm van de ondernemer, waarbij indien de
ondernemer een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon is, mede de
statuten van die rechtspersoon moeten worden verstrekt;
b. indien de ondernemer een natuurlijke persoon, een maatschap
of een niet-rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap is: de
naam en de woonplaats van onderscheidenlijk die persoon, de maten
of de beherende vennoten;
c. indien de ondernemer een rechtspersoon is: de naam en de
woonplaats van de commissarissen of de bestuursleden;
d. indien de ondernemer deel uitmaakt van een aantal in een
groep verbonden ondernemers: de ondernemers die deel uitmaken van
die groep, de zeggenschapsverhoudingen waardoor zij onderling zijn
verbonden, alsmede de naam en de woonplaats van degenen die ten
gevolge van de bedoelde verhoudingen feitelijke zeggenschap over
de ondernemer kunnen uitoefenen;
e. de ondernemers of de instellingen met wie de ondernemer,
anders dan uit hoofde van zeggenschapsverhoudingen als bedoeld
onder d, duurzame betrekkingen onderhoudt die van wezenlijk belang
kunnen zijn voor het voortbestaan van de onderneming, alsmede de
naam en de woonplaats van degenen die ten gevolge van zodanige
betrekkingen feitelijke zeggenschap over de ondernemer kunnen
uitoefenen;
f. de organisatie van de onderneming, de naam en de woonplaats
van de bestuurders en van de belangrijkste overige leidinggevende
personen, alsmede de wijze waarop de bevoegdheden tussen de
bedoelde personen zijn verdeeld.
3.De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig
mogelijk in kennis te stellen van wijzigingen die zich in de in het
tweede lid bedoelde gegevens hebben voorgedaan.
Artikel 31a
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van
de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal per
jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk algemene
gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming
in het verstreken tijdvak, in het bijzonder met betrekking tot
aangelegenheden als bedoeld in artikel 25.
2. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een stichting
of vereniging als bedoeld in artikel 360, derde lid, van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, een coöperatie, een onderlinge
waarborgmaatschappij, een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, verstrekt de ondernemer
zo spoedig mogelijk na de vaststelling van zijn jaarrekening een
exemplaar van de jaarrekening en het jaarverslag in de Nederlandse
taal en de daarbij te voegen overige gegevens, als bedoeld in artikel
392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ter bespreking aan de
ondernemingsraad. De mededeling die een rechtspersoon ingevolge
artikel 362, zesde lid, laatste volzin, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek moet verstrekken geschiedt gelijktijdig met die aan de
algemene vergadering.
3. Indien de financiële gegevens van een ondernemer die deel
uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers zijn opgenomen in een
geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 405 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, verstrekt de ondernemer ter bespreking aan de
ondernemingsraad deze geconsolideerde jaarrekening, het jaarverslag en
de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van dat boek, van de
rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening heeft opgesteld.
Indien de financiële gegevens van zulk een ondernemer niet in een
geconsolideerde jaarrekening zijn opgenomen, verstrekt de ondernemer
in plaats hiervan ter bespreking aan de ondernemingsraad schriftelijke
gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een inzicht kan vormen in
het gezamenlijke resultaat van de ondernemingen van die groep
ondernemers.
4. Indien de jaarrekening van de ondernemer betrekking heeft op
meer dan één onderneming, verstrekt de ondernemer aan de
ondernemingsraad tevens schriftelijke gegevens waaruit deze zich een
inzicht kan vormen in de mate waarin de onderneming waarvoor hij is
ingesteld tot het gezamenlijke resultaat van die ondernemingen heeft
bijgedragen. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing, indien
een geconsolideerde jaarrekening, als bedoeld in het derde lid, wordt
verstrekt.
5. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een
ondernemer op wie het tweede lid van dit artikel niet van toepassing
is, verstrekt de ondernemer bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen vervangende schriftelijke gegevens ter bespreking aan de
ondernemingsraad. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
6. De ondernemer doet, mede ten behoeve van de bespreking van de
algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal per
jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk mededeling
omtrent zijn verwachtingen ten aanzien van de werkzaamheden en de
resultaten van de onderneming in het komende tijdvak, in het bijzonder
met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 25, alsmede
met betrekking tot alle investeringen in binnenland en buitenland.
7. Indien de ondernemer met betrekking tot de onderneming een
meerjarenplan, dan wel een raming of een begroting van inkomsten of
uitgaven pleegt op te stellen, wordt dat plan, onderscheidenlijk die
raming of die begroting, dan wel een samenvatting daarvan, met een
toelichting aan de ondernemingsraad verstrekt en in de bespreking
betrokken. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 31b
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van
de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste éénmaal
per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk algemene gegevens inzake
de aantallen en de verschillende groepen van de in de onderneming
werkzame personen, alsmede inzake het door hem in het afgelopen jaar
ten aanzien van die personen gevoerde sociale beleid, in het bijzonder
met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 27, 28
en 29. Deze gegevens worden kwantitatief zodanig gespecificeerd dat
daaruit blijkt welke uitwerking de verschillende onderdelen van het
sociale beleid hebben gehad voor afzonderlijke bedrijfsonderdelen en
functiegroepen.
2. De ondernemer doet daarbij tevens mondeling of schriftelijk
mededeling van zijn verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van
de personeelsbezetting in het komende jaar, alsmede van het door hem
in dat jaar te voeren sociale beleid, in het bijzonder met betrekking
tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 27, 28 en 29.
3. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van
de algemene gang van zaken van de onderneming, tevens ten minste
éénmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk algemene
gegevens inzake de op grond van een uitzendovereenkomst in de
onderneming werkzame personen en doet daarbij tevens mondeling of
schriftelijk mededeling ten aanzien van de te verwachten
ontwikkelingen wat betreft het aantal op basis van een
uitzendovereenkomst werkzame personen in het komende jaar.
Artikel 31c
De ondernemer doet aan de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk
mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van een adviesopdracht
aan een deskundige buiten de onderneming, met betrekking tot een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 27.
Artikel 31d
1.De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van
de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste eenmaal per
jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk informatie over de hoogte en
inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per
verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen.
2.De ondernemer verstrekt daarbij tevens schriftelijke informatie
over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en
afspraken met het bestuur dat de rechtspersoon vertegenwoordigt en het
totaal van de vergoedingen, dat wordt verstrekt aan het
toezichthoudend orgaan, bedoeld in artikel 24, tweede lid.
3.Ten aanzien van het eerste en tweede lid wordt inzichtelijk
gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke regelingen en
afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorgaande
jaar.
4.Indien een groep, als bedoeld in het eerste lid, het bestuur of
het toezichthoudend orgaan, bedoeld in het tweede lid, uit minder dan
vijf personen bestaat, is het mogelijk om voor de toepassing van deze
leden twee of meer functies samen te voegen, zodat een groep van ten
minste vijf personen ontstaat.
5.De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig
mogelijk in kennis te stellen van belangrijke wijzigingen die in deze
regelingen en afspraken worden aangebracht.
6.Dit artikel is uitsluitend van toepassing op ondernemingen waarin
in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn.
Artikel 31e
Artikel 31d is niet van toepassing op:
a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
waarvan een van de bestuurders of commissarissen een natuurlijk
persoon is die een direct of indirect belang heeft in de
rechtspersoon overeenkomstig artikel 4.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of
b. de rechtspersoon waarop de artikelen 396 of 397 van titel 9
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.
Hoofdstuk IVC. Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad
Artikel 32
1.Bij collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van
arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan
kunnen aan de ondernemingsraad of aan de ondernemingsraden van de bij
die overeenkomst of die regeling betrokken onderneming of
ondernemingen verdere bevoegdheden dan in deze wet genoemd worden
toegekend.
2.Bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de
ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingsraad meer bevoegdheden dan
de in deze wet genoemde worden toegekend en kunnen aanvullende
voorschriften over de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde worden gegeven. De ondernemer zendt een afschrift van de
overeenkomst aan de bedrijfscommissie.
3.Indien aan de ondernemingsraad op grond van dit artikel een
adviesrecht of instemmingsrecht is toegekend, is het advies of de
instemming van de ondernemingsraad niet vereist, voor zover de
aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in
een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld
door een publiekrechtelijk orgaan.
4.Indien in de overeenkomst aan de ondernemingsraad een recht op
advies of instemming wordt gegeven over andere voorgenomen besluiten
dan genoemd in de artikelen 25 onderscheidenlijk 27, zijn de artikelen
26 onderscheidenlijk 27, vierde tot en met zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 32a [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 32b [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 32c [Vervallen per 01-04-1990]
Hoofdstuk V. De centrale ondernemingsraden en de
groepsondernemingsraden
Artikel 33
1.De ondernemer die twee of meer ondernemingsraden heeft ingesteld
stelt tevens voor de door hem in stand gehouden ondernemingen een
centrale ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een goede
toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen.
2.De ondernemer die meer dan twee ondernemingsraden heeft ingesteld
stelt voor een aantal van de door hem in stand gehouden ondernemingen
een groepsondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een
goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die te zamen twee of
meer ondernemingsraden hebben ingesteld. De betrokken ondernemers
wijzen een tot hun groep behorende ondernemer aan, die voor de
toepassing van deze wet namens hen als ondernemer optreedt ten
opzichte van de centrale ondernemingsraad of de
groepsondernemingsraad.
Artikel 34
1.Een centrale ondernemingsraad bestaat uit leden, gekozen door de
betrokken ondernemingsraden uit de leden van elk van die raden. Voor
ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen, die dezelfde rechten
en verplichtingen heeft als het lid dat hij vervangt.
2.Indien een of meer groepsondernemingsraden zijn ingesteld, kan de
centrale ondernemingsraad in zijn reglement bepalen, dat die raad, in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geheel of ten dele zal
bestaan uit leden, gekozen door de betrokken groepsondernemingsraden
uit de leden van die raden. Voor ieder aldus gekozen lid kan een
plaatsvervanger worden gekozen, die dezelfde rechten en verplichtingen
heeft als het lid dat hij vervangt.
3.Het aantal leden dat uit elke ondernemingsraad of
groepsondernemingsraad kan worden gekozen, wordt vastgesteld in het
reglement van de centrale ondernemingsraad. Het reglement bevat voorts
voorzieningen dat de verschillende groepen van de in de betrokken
ondernemingen werkzame personen zoveel mogelijk in de centrale
ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn. De betrokken ondernemingsraden
of groepsondernemingsraden worden over de vaststelling van de
betrokken bepalingen van het reglement gehoord.
4.Een centrale ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen dat
van die raad, behalve de in het derde lid bedoelde leden, ook deel
kunnen uitmaken vertegenwoordigers van ondernemingen die door de in
artikel 33 bedoelde ondernemer of ondernemers in stand worden
gehouden, maar ten aanzien waarvan geen verplichting tot het instellen
van een ondernemingsraad geldt. De centrale ondernemingsraad regelt in
zijn reglement het aantal en de wijze van verkiezing van de bedoelde
vertegenwoordigers.
5.Wanneer een lid van een centrale ondernemingsraad of zijn
plaatsvervanger ophoudt lid te zijn van de ondernemingsraad of van de
groepsondernemingsraad die hem heeft gekozen, eindigt van rechtswege
zijn lidmaatschap van de centrale ondernemingsraad. Het zelfde geldt
wanneer een vertegenwoordiger van een onderneming als bedoeld in het
vierde lid ophoudt in de betrokken onderneming werkzaam te zijn. De
uitsluiting, bedoeld in artikel 13, van een ondernemingsraadlid of van
een groepsondernemingsraadlid, die tevens lid is van een centrale
ondernemingsraad, heeft tot gevolg dat de betrokkene ook van deelname
aan de werkzaamheden van de centrale ondernemingsraad is uitgesloten.
6.Ten aanzien van de centrale ondernemingsraad zijn de artikelen 7,
8, 10-14, 15, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 16-22 van
overeenkomstige toepassing.
7.Ten aanzien van een groepsondernemingsraad zijn de voorgaande
leden, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 35
1.Ten aanzien van de centrale ondernemingsraden en de
groepsondernemingsraden zijn de artikelen 22a tot en met 32, met
uitzondering van de artikelen 23c en 24, derde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat door die raden
uitsluitend aangelegenheden worden behandeld die van gemeenschappelijk
belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de ondernemingen
waarvoor zij zijn ingesteld en ongeacht of ten aanzien van die
aangelegenheden bevoegdheden toekomen aan de afzonderlijke
ondernemingsraden.
2.Indien bevoegdheden ten aanzien van aangelegenheden als bedoeld
in het eerste lid toekomen aan afzonderlijke ondernemingsraden, gaan
deze over naar de centrale ondernemingsraad, onderscheidenlijk de
groepsondernemingsraad, met dien verstande dat een
groepsondernemingsraad geen aangelegenheden behandelt die door de
centrale ondernemingsraad worden behandeld.
Hoofdstuk VA. De medezeggenschap in kleine ondernemingen
Artikel 35a [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 35b
1.De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn
en waarvoor geen ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging
is ingesteld, is verplicht de in deze onderneming werkzame personen
tenminste tweemaal per kalenderjaar in de gelegenheid te stellen
gezamenlijk met hem bijeen te komen. Hij is voorts verplicht met de in
de onderneming werkzame personen bijeen te komen, wanneer tenminste
een vierde van hen daartoe een met redenen omkleed verzoek doet.
2.In de in het eerste lid bedoelde vergaderingen worden de
aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld ten
aanzien waarvan de ondernemer of in de onderneming werkzame personen
overleg wenselijk achten. Iedere in de onderneming werkzame persoon is
bevoegd omtrent deze aangelegenheden voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken.
3.Indien de ondernemer de onderneming niet zelf bestuurt, wordt het
overleg voor hem gevoerd door de bestuurder van de onderneming. De
ondernemer en de bestuurder kunnen zich bij verhindering laten
vervangen door een in de onderneming werkzame persoon die bevoegd is
om namens de ondernemer overleg met de werknemers te voeren.
4.In de in het eerste lid bedoelde vergaderingen wordt tenminste
eenmaal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming
besproken. De ondernemer verstrekt daartoe mondeling of schriftelijk
algemene gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de
onderneming in het afgelopen jaar, alsmede omtrent zijn verwachtingen
dienaangaande in het komende jaar. Voor zover de ondernemer verplicht
is zijn jaarrekening en jaarverslag ter inzage van een ieder neer te
leggen, worden in de Nederlandse taal gestelde exemplaren van deze
jaarstukken ter bespreking aan de in de onderneming werkzame personen
verstrekt. De ondernemer verstrekt voorts mondeling of schriftelijk
algemene gegevens inzake het door hem ten aanzien van de in de
onderneming werkzame personen gevoerde en te voeren sociale beleid.
5.De in de onderneming werkzame personen worden door de ondernemer,
in een vergadering als bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit
dat kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een belangrijke
verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden of de
arbeidsomstandigheden van tenminste een vierde van de in de
onderneming werkzame personen. Het advies wordt op een zodanig
tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te
nemen besluit. De in de eerste volzin bedoelde verplichting geldt
niet, indien en voor zover de betrokken aangelegenheid voor de
onderneming reeds inhoudelijk geregeld is in een collectieve
arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld door een
publiekrechtelijk orgaan.
6.De in de voorgaande leden bedoelde verplichtingen gelden niet ten
aanzien van personen die nog geen zes maanden in de onderneming
werkzaam zijn. Zij vervallen wanneer de ondernemer met toepassing van
artikel 5a een ondernemingsraad heeft ingesteld, maar treden weer in
werking wanneer de ondernemingsraad op grond van artikel 5a, eerste
lid, ophoudt te bestaan of overeenkomstig het tweede lid van dat
artikel is opgeheven.
Artikel 35c
1.De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn
en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een
personeelsvertegenwoordiging instellen, bestaande uit ten minste drie
personen die rechtstreeks gekozen zijn bij geheime schriftelijke
stemming door en uit in de onderneming werkzame personen.
2.Op verzoek van de meerderheid van de in de onderneming werkzame
personen stelt de ondernemer de in het eerste lid bedoelde
personeelsvertegenwoordiging in.
3.Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, is artikel 5a,
tweede lid, derde en vierde volzin, van overeenkomstige toepassing. De
artikelen 7, 13, 17, 18, eerste en tweede lid, 21, 22, eerste lid,
tweede lid, voor zover het betreft de kosten van het voeren van
rechtsgedingen, en derde lid, 22a, 27, eerste lid, onderdeel b, voor
zover het betreft een arbeids- en rusttijdenregeling, en onderdeel d,
derde tot en met zesde lid, 31, eerste lid, 32, 35b, vierde en vijfde
lid, behoudens de in dat lid bedoelde arbeidsomstandigheden, en 36
zijn van overeenkomstige toepassing.
4.De ondernemer legt een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel
27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids- en
rusttijdenregeling, en onderdeel d, schriftelijk aan de
personeelsvertegenwoordiging voor. Hij verstrekt daarbij een overzicht
van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het
besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame
personen zal hebben. De personeelsvertegenwoordiging beslist niet dan
nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal met de
ondernemer overleg is gepleegd. Na het overleg deelt de
personeelsvertegenwoordiging zo spoedig mogelijk schriftelijk en met
redenen omkleed zijn beslissing aan de ondernemer mee. Na de
beslissing van de personeelsvertegenwoordiging deelt de ondernemer zo
spoedig mogelijk schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging mee
welk besluit hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij dat
besluit zal uitvoeren.
5.De personeelsvertegenwoordiging kan met toestemming van de
ondernemer commissies instellen of deskundigen uitnodigen. Ten aanzien
van het uitnodigen van deskundigen is toestemming niet vereist,
wanneer de deskundige geen kosten in rekening brengt of wanneer de
kosten door de personeelsvertegenwoordiging bestreden worden uit een
bedrag als bedoeld in artikel 22, derde lid. Heeft de ondernemer
toestemming gegeven voor het raadplegen van een deskundige, dan komen
de kosten daarvan te zijnen laste.
6.Inlichtingen en gegevens bestemd voor de
personeelsvertegenwoordiging, die volgens artikel 31, eerste lid,
schriftelijk moeten worden verstrekt, mogen door de ondernemer ook
mondeling worden verstrekt.
Artikel 35d
1.De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvoor geen
ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging,
als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, instellen.
2.De artikelen 5a, tweede lid, derde en vierde volzin, 7, 13, 17,
18, eerste en tweede lid, 21, 22, eerste lid, tweede lid, voor zover
het betreft de kosten van het voeren van rechtsgedingen, en derde lid,
22a, 27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids-
en rusttijdenregeling, onderdeel d, derde tot en met zesde lid, 31,
eerste lid, 32 en 36 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Artikel 35c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, en
het vijfde en zesde lid zijn van toepassing.
Hoofdstuk VI. De algemene geschillenregeling
Artikel 36
1. Iedere belanghebbende kan de kantonrechter verzoeken te bepalen
dat de ondernemer of de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald omtrent het instellen of
in stand houden van een ondernemingsraad, het vaststellen van een
voorlopig of een definitief reglement van de ondernemingsraad, de
kandidaatstelling voor en de verkiezing van de leden van de
ondernemingsraad, alsmede omtrent het bekend maken van agenda’s en
verslagen van vergaderingen, een en ander voor zover dit van de
ondernemer of de ondernemingsraad afhangt.
2. De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen de kantonrechter
verzoeken te bepalen dat de ondernemer, onderscheidenlijk de
ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen overigens bij of
krachtens deze wet is bepaald, een en ander voor zover dit van de
ondernemer onderscheidenlijk de ondernemingsraad afhangt.
3. Een verzoek aan de kantonrechter op grond van deze wet, is niet
ontvankelijk indien de verzoeker niet vooraf schriftelijk de
bemiddeling van de bedrijfscommissie heeft gevraagd. De
bedrijfscommissie stelt de wederpartij in de gelegenheid omtrent het
verzoek te worden gehoord. De bedrijfscommissie tracht een minnelijke
schikking tussen partijen tot stand te brengen. Indien geen minnelijke
schikking wordt bereikt, brengt de bedrijfscommissie binnen twee
maanden nadat haar bemiddeling is gevraagd, aan partijen schriftelijk
verslag van haar bevindingen uit met een advies omtrent de oplossing
van het geschil. De bedrijfscommissie kan de termijn voor het
uitbrengen van haar advies met instemming van beide partijen voor ten
hoogste twee maanden verlengen.
4. Het verzoekschrift aan de kantonrechter wordt ingediend binnen
dertig dagen nadat de bedrijfscommissie haar advies aan partijen heeft
uitgebracht, doch uiterlijk binnen dertig dagen na het verstrijken van
de in het derde lid genoemde termijn. Het verslag van bevindingen en
het advies van de bedrijfscommissie worden bij het verzoekschrift
overgelegd.
5. Een verzoekschrift aan de kantonrechter met betrekking tot de
naleving van artikel 25 ten aanzien van een besluit als in dat artikel
bedoeld, wordt niet ontvankelijk verklaard, indien blijkt dat de
ondernemingsraad voor of na de indiening van het verzoekschrift tegen
dat besluit beroep heeft ingesteld bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof Amsterdam.
6. Een verzoek aan de kantonrechter op grond van artikel 27, vierde
en zesde lid is niet ontvankelijk indien met betrekking tot dezelfde
aangelegenheid een eis is gesteld als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet.
7. De kantonrechter kan in zijn uitspraak aan de ondernemer,
onderscheidenlijk de ondernemingsraad de verplichting opleggen om
bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Het is de
ondernemer verboden een zodanige verplichting niet na te komen.
Wanneer de ondernemingsraad een zodanige verplichting niet nakomt, kan
de kantonrechter de ondernemingsraad ontbinden, onder oplegging van de
verplichting aan die raad tot het doen verkiezen van een nieuwe
ondernemingsraad. Blijft de ondernemingsraad in gebreke, dan kan de
kantonrechter de ondernemer machtigen een nieuwe ondernemingsraad te
doen verkiezen.
8. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de naleving van hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald met betrekking tot een centrale ondernemingsraad en een
groepsondernemingsraad.
Artikel 36a
Iedere in de onderneming werkzame persoon, met uitzondering van een
persoon als bedoeld in artikel 35b, zesde lid, alsmede een vereniging
van werknemers, die één of meer in de onderneming werkzame personen
onder haar leden telt, die krachtens haar statuten ten doel heeft de
belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in
de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is en voorts tenminste
twee jaar in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, kan de
kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te
geven aan artikel 35b.
Hoofdstuk VII. De bedrijfscommissies
Artikel 37
1.Voor groepen van ondernemingen worden door de Raad, ter
behandeling van aangelegenheden betreffende de ondernemingsraden, de
centrale ondernemingsraden, de groepsondernemingsraden van deze
ondernemingen, de personeelsvertegenwoordiging en de vergadering als
bedoeld in artikel 35b, commissies ingesteld, bedrijfscommissies
genaamd.
2.Een bedrijfscommissie bestaat uit een door de Raad na overleg met
de in artikel 38 bedoelde organisaties van ondernemers en van
werknemers te bepalen even aantal leden, ten minste zes bedragende, en
een gelijk aantal plaatsvervangende leden.
Artikel 38
1.De leden en de plaatsvervangende leden van een bedrijfscommissie
worden voor de helft benoemd door de door de Raad daartoe aangewezen
representatieve organisatie of organisaties van ondernemers en voor de
helft door de door de Raad daartoe aangewezen representatieve
organisatie of organisaties van werknemers.
2.De Raad bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden dat
elke aangewezen organisatie kan benoemen.
Artikel 39
1.De Raad stelt bij verordening nadere regelen omtrent de
samenstelling en de werkwijze van de bedrijfscommissies. Daarbij wordt
aan deze commissies de bevoegdheid verleend commissies, al dan niet
uit haar midden, in te stellen. De bedrijfscommissie kan de aldus
ingestelde commissies machtigen haar bevoegdheden uit te oefenen.
2.De Raad stelt voorts regelen omtrent het voorzitterschap van de
bedrijfscommissies. Daarbij wordt aan deze commissies de bevoegdheid
toegekend, een voorzitter buiten de leden der commissie te kiezen, al
dan niet met stemrecht.
Artikel 40
1.Iedere bedrijfscommissie brengt jaarlijks aan Onze Minister en
aan de Raad verslag uit van haar werkzaamheden in het afgelopen
kalenderjaar.
2.Onze Minister kan regelen stellen ten aanzien van de
verslaggeving.
Artikel 41
1.De kosten van een bedrijfscommissie worden, voor zover daarin
niet op andere wijze wordt voorzien, door de in artikel 38 bedoelde
organisaties van ondernemers en werknemers gedragen, naar
evenredigheid van het aantal leden dat zij benoemen.
2.Wanneer een organisatie in gebreke blijft binnen de termijn, door
de bedrijfscommissie gesteld, haar bijdrage in de kosten van de
bedrijfscommissie te voldoen, kan de Raad de aanwijzing van die
organisatie intrekken, onverminderd de aansprakelijkheid van de
organisatie tot het betalen van haar aandeel in de reeds gemaakte
kosten. Door de intrekking vervalt het lidmaatschap van de
bedrijfscommissie van de door die organisatie benoemde leden en
plaatsvervangende leden, te rekenen van het tijdstip waarop het
besluit van de Raad bij de bedrijfscommissie inkomt.
Artikel 42
Ten aanzien van de voorzitters, de leden en de plaatsvervangende
leden van de bedrijfscommissies, alsmede ten aanzien van de personen die
met het secretariaat van een bedrijfscommissie zijn belast, is artikel
20, eerste en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
Indien voor een groep van ondernemingen een hoofdbedrijfschap of een
bedrijfschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950,
K 22) bestaat, kan de Raad het bestuur van dat hoofdbedrijfschap of
bedrijfschap aanwijzen als bedrijfscommissie in de zin van deze wet. In
dat geval zijn de artikelen 37, 38 en 41 niet van toepassing en evenmin
het bepaalde bij of krachtens artikel 39 voor zover het betreft de
samenstelling en het voorzitterschap van de bedrijfscommissie.
Artikel 44 [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 45 [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 46
1.Indien voor de behandeling van aangelegenheden betreffende een
ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een
groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een
vergadering als bedoeld in artikel 35b meer dan één
bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, wijst de Raad de commissie aan die
voor de behandeling van de betrokken aangelegenheden als de krachtens
deze wet bevoegde commissie zal optreden.
2.Indien een ondernemer of een aantal in een groep verbonden
ondernemers meerdere ondernemingen in stand houdt waarvoor meer dan
één bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, kan de Raad voor die
ondernemingen een afzonderlijke bedrijfscommissie instellen dan wel de
commissie aanwijzen die voor de behandeling van de aangelegenheden
betreffende de ondernemingsraden, personeelsvertegenwoordigingen en
vergaderingen als bedoeld in artikel 35b van deze ondernemingen als de
krachtens deze wet bevoegde commissie optreedt.
Hoofdstuk VIIA. Heffingen ter bevordering van de scholing en vorming
van ondernemingsraadleden
Artikel 46a
1.De ondernemer op wie op grond van deze wet, een collectieve
arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld
door een publiekrechtelijk orgaan op 1 januari van het betrokken
kalenderjaar de verplichting rust een ondernemingsraad in te stellen
alsmede de ondernemer die op 1 januari van het betrokken kalenderjaar
een ondernemingsraad heeft met toepassing van artikel 5a, tweede lid,
is een heffing verschuldigd ter bevordering van de scholing en vorming
van ondernemingsraadleden.
2.De heffing bedraagt een percentage van het bij de betrokken
ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon in de zin van
de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van de
eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdelen b tot en met h, van die wet. Voor de toepassing van dit lid
wordt onder ondernemer verstaan: de inhoudingsplichtige in de zin van
de Wet op de loonbelasting 1964.
3.Het percentage van de heffing wordt jaarlijks door de Raad
vastgesteld bij verordening; het kan op nihil worden vastgesteld.
4.De heffing wordt namens de Raad door de rijksbelastingdienst bij
wege van aanslag geheven en ingevorderd, met overeenkomstige
toepassing van de voor de heffing en de invordering van de
inkomstenbelasting geldende regels.
5.In een verordening als bedoeld in het derde lid wordt bepaald op
welke wijze de afdracht van de heffing door de rijksbelastingdienst
aan de Raad geschiedt.
6.De Raad kan bij verordening nadere regels stellen omtrent de
toepassing van dit artikel.
7.Een verordening als bedoeld in dit artikel wordt, voorzover deze
betrekking heeft op ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt
verricht, niet vastgesteld dan na overleg met de betrokken werkgevers
of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel,
verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
8.Een verordening als bedoeld in dit artikel behoeft de goedkeuring
van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
Artikel 46b
1.De Raad kan uit de opbrengst van de in artikel 46a bedoelde
heffingen subsidies verstrekken aan rechtspersonen die zich ten doel
stellen de werkzaamheden van andere rechtspersonen op het gebied van
de scholing en vorming van ondernemingsraadleden te begeleiden en te
ondersteunen. De Raad kan bij verordening regels stellen inzake het
verstrekken van deze subsidies en daarbij een subsidieplafond
vaststellen.
2.Aan de subsidie worden in ieder geval de volgende verplichtingen
verbonden:
a. dat de betrokken rechtspersoon jaarlijks een begroting en
een rekening van de met zijn in het eerste lid bedoelde taak
verband houdende inkomsten en uitgaven opstelt en ter goedkeuring
aan de Raad voorlegt;
b. dat de onder a bedoelde rekening door of vanwege de Raad kan
worden gecontroleerd;
c. dat de betrokken rechtspersoon erop toeziet, dat de
werkzaamheden op het gebied van de scholing en vorming van
ondernemingsraadleden, waarvoor door hem geldelijke ondersteuning
wordt verleend, wat de kwaliteit betreft tenminste voldoen aan de
voorwaarden die gelden voor de subsidiëring van vormings- en
ontwikkelingswerk voor volwassenen door het Rijk, en dat deze
werkzaamheden voorts passen in de algemene opzet van het vormings-
en ontwikkelingswerk voor volwassenen in Nederland, als aangegeven
door de rijksoverheid.
Artikel 46c
1.De door de Raad ter bevordering van de scholing en vorming van
ondernemingsraadleden geraamde inkomsten en uitgaven worden door hem
jaarlijks als een afzonderlijke dienst op de begroting gebracht.
2.De betrokken uitgaven, alsmede de middelen die tot dekking
daarvan hebben gediend, worden jaarlijks afzonderlijk op de rekening
van inkomsten en uitgaven van de Raad verantwoord.
Hoofdstuk VII B. Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de
overheid
Artikel 46d
Ten aanzien van een onderneming, waarin uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt
verricht, gelden de volgende bijzondere bepalingen:
a. Voor de toepassing van deze wet wordt als bestuurder in de zin
van deze wet niet aangemerkt
1°. bij een ministerie: de minister of een staatssecretaris;
2°. bij een provincie: de commissaris van de Koning, een lid
van gedeputeerde staten of een lid van provinciale staten;
3°. bij een gemeente: de burgemeester, een lid van het
college van burgemeester en wethouders of een lid van de
gemeenteraad;
4°. bij een waterschap: de voorzitter, een lid van het
dagelijks bestuur van een waterschap of een lid van het algemeen
bestuur;
5°. bij de Kamers der Staten-Generaal: de voorzitter van de
Kamer of een lid;
6°. bij de Raad van State: de vice-president of een lid;
7°. bij de Algemene Rekenkamer: de president of een lid van
de Algemene Rekenkamer;
8°. bij de Nationale ombudsman: de Nationale ombudsman of
een substituut-ombudsman.
b. Voor de toepassing van artikel 23, tweede lid, zijn onder de
aangelegenheden de onderneming betreffende niet begrepen de
publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke
lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en
de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de
gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming
werkzame personen.
c. Voor de toepassing van onderdeel b bij de rechtbanken, de
gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep
voor het bedrijfsleven, zijn onder de aangelegenheden de onderneming
betreffende tevens niet begrepen het beleid ten aanzien van en de
uitvoering van de rechterlijke taken als bedoeld in artikel 23,
tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie,
behoudens voorzover het de gevolgen daarvan betreft voor de
werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.
d. De in de artikelen 5, 8, tweede en derde lid, 37, 38, 39 en
41, tweede lid, van deze wet aan de Raad toegekende bevoegdheden
worden uitgeoefend door de Minister van Binnenlandse Zaken.
e. Voor de toepassing van artikel 38, eerste lid, kunnen behalve
een representatieve organisatie of organisaties van ondernemers ook
een of meerdere ministers aangewezen worden.
f. De verordenende bevoegdheid van de Raad, met uitzondering van
de bevoegdheid genoemd in artikel 46a, strekt zich niet uit tot
ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens
publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.
g. Indien op grond van het bepaalde in onderdeel d de Minister
van Binnenlandse Zaken een bedrijfscommissie heeft ingesteld, dient
deze onverminderd het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aan de
Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit te brengen. De Minister
van Binnenlandse Zaken doet dit verslag toekomen aan de betrokken
werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van
overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
h. Voor het behandelen en beslissen van verzoekschriften als
bedoeld in artikelen 27 en 36, ter zake van een rechtbank, is
bevoegd de kantonrechter werkzaam bij de volgende rechtbank:
1°. terzake van de rechtbank Amsterdam: de rechtbank
Noord-Holland;
2°. terzake van de rechtbank Den Haag: de rechtbank
Rotterdam;
3°. terzake van de rechtbank Limburg: de rechtbank
Oost-Brabant;
4°. terzake van de rechtbank Midden-Nederland: de rechtbank
Noord-Nederland
5°. terzake van de rechtbank Noord-Holland: de rechtbank
Amsterdam;
6°. terzake van de rechtbank Noord-Nederland: de rechtbank
Oost-Nederland;
7°. terzake van de rechtbank Oost-Brabant: de rechtbank
Zeeland-West-Brabant;
8°. terzake van de rechtbank Oost-Nederland: de rechtbank
Midden-Nederland;
9°. terzake van de rechtbank Rotterdam: de rechtbank Den
Haag;
10°. terzake van de rechtbank Zeeland-West-Brabant: de
rechtbank Limburg.
i. Een beroep als bedoeld in artikel 26, eerste lid, ter zake van
het gerechtshof Amsterdam, wordt ingesteld bij het gerechtshof Den
Haag.
Artikel 46e
1.De in artikel 46d aan de Minister van Binnenlandse Zaken
toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend na overleg met de betrokken
werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van
overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
2.In het in het eerste lid bedoelde overleg hebben de centrales van
overheidspersoneel evenveel stemmen als de betrokken werkgevers of
verenigingen van werkgevers.
3.Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 8, tweede en derde
lid en 39 van deze Wet behoeft Onze Minister van Binnenlandse Zaken de
instemming van twee derde van de deelnemers aan het in het eerste lid
bedoelde overleg. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 5, 37,
38 en 41, tweede lid, van deze Wet behoeft Onze Minister van
Binnenlandse Zaken de instemming van de meerderheid van de deelnemers
aan het in het eerste lid bedoelde overleg.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 47
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen
worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.
Artikel 48
1.De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een
ondernemingsraad rust, treft bij voorlopig reglement, voor zover
nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de ondernemingsraad
behoren, totdat de ondernemingsraad zelf die bevoegdheid uitoefent. De
vereniging of verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 9,
tweede lid, onder a, worden over het voorlopige reglement gehoord.
2.Ten aanzien van het voorlopige reglement is artikel 8, eerste
lid, eerste en tweede volzin en tweede lid, van overeenkomstige
toepassing. De ondernemer zendt onverwijld een exemplaar van het
voorlopige reglement aan de bedrijfscommissie. Het voorlopige
reglement vervalt op het tijdstip waarop de ondernemingsraad het in
artikel 8 bedoelde reglement heeft vastgesteld.
3.De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale
ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld.
Artikel 49
1.De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een of
meer ondernemingsraden rust, alsmede de betrokken ondernemingsraden,
verstrekken desgevraagd aan een daartoe door Onze Minister aangewezen
onder hem ressorterende ambtenaar inlichtingen omtrent het instellen
en het functioneren van deze ondernemingsraden.
2.De ondernemingsraden zenden hun jaarverslag aan de betrokken
bedrijfscommissie.
3.De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale
ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld,
alsmede ten aanzien van die raden.
Artikel 49a [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 50
Voor de jaren 2006 en 2007 wordt in artikel 25, eerste lid, onderdeel
m, voor «artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b»gelezen:
artikel 122d, tweede lid.
Artikel 51
De bedrijfscommissies, door de Raad ingesteld krachtens de Wet op de
Ondernemingsraden (Stb. 1950, K 174), worden geacht door de Raad te zijn
ingesteld krachtens deze wet.
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 53
1. Deze wet is niet van toepassing op de in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde openbare academische
ziekenhuizen, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en
Koninklijke Bibliotheek noch op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek. De wet stelt regels omtrent het besluit
van het bestuur van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als
bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek of deze wet met uitzondering van
Hoofdstuk VII B al dan niet van toepassing is op die instelling.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan op voordracht van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden bepaald dat de in
de eerste volzin van het eerste lid opgenomen uitzondering niet geldt
voor één of meer van bedoelde instellingen. Daarbij kan tevens
worden bepaald dat Hoofdstuk VII B van deze wet niet van toepassing
is.
3. Hoofdstuk VII B is niet van toepassing op openbare instellingen
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.
4. [Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en de Wet op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek.]
Artikel 53a
Deze wet is niet van toepassing op het Ministerie van Defensie en de
daaronder ressorterende diensten, bedrijven of instellingen.
Artikel 53b
Deze wet is niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren
werkzaam bij de Hoge Raad.
Artikel 53c
Deze wet is niet van toepassing op:
a. de leden van de Raad van State;
b. de leden van de Algemene Rekenkamer;
c. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen.
Artikel 54
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de ondernemingsraden.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat allen Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 28 januari 1971
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
B. Roolvink
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
L.J.M. van Son
Uitgegeven de achttiende februari 1971
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|