| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE OPENLUCHTRECREATIE
Tekst zoals deze geldt op 17 juli
2007
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2008
|
|
WET van 25 maart 1994, houdende regels
ten behoeve van de openluchtrecreatie
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter
uitvoering van artikel 22, derde lid, van de Grondwet, regels te stellen
ten behoeve van de openluchtrecreatie, alsmede, in het kader van het
regeringsstreven naar vermindering en vereenvoudiging van
overheidsregelingen, de wettelijke regelen inzake het kamperen te
herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij;
b. kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk
ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid
te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten
behoeve van recreatief nachtverblijf;
c. kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel
enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of
gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge
artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en
ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele
blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden
gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
d. kampeerovereenkomst: overeenkomst tussen de houder van een
kampeerterrein en degene die een kampeermiddel plaatst of geplaatst
houdt betreffende het plaatsen of geplaatst houden daarvan.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden niet
als kampeermiddelen beschouwd vaartuigen, woonwagens in de zin van de
Woningwet, tenten in gebruik voor het houden van bijeenkomsten,
tentoonstellingen of voorstellingen, en voertuigen in gebruik als
direktiekeet.
3. Ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het
plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet is
voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste
lid, van de Woningwet vereist.
Hoofdstuk II
Artikel 2 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 3 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 4 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 5 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 6 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 7 [Vervallen per 21-02-1997]
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende het kamperen
Titel I. Bepalingen betreffende kampeerterreinen
§ 1. Algemeen
Artikel 8
1. Het is verboden zonder vergunning van
burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kunnen burgemeester
en wethouders vrijstelling of ontheffing verlenen voor:
a. het houden van de kampeerterrein voor ten hoogste tien
kampeermiddelen;
b. het houden van een kampeerterrein door een organisatie met een
doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke
aard ten behoeve van eigen doeleinden of
c. het houden van een natuurkampeerterrein dat voldoet aan door
Onze Minister gestelde regelen.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kunnen
burgemeester en wethouders voor ten hoogste de periode van 15 maart tot
en met 31 oktober in elk kalenderjaar, het aantal toe te laten
kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.
4. De regelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
hebben in ieder geval betrekking op het soort en het aantal toe te laten
kampeermiddelen, de periode gedurende welke deze kampeermiddelen op het
terrein aanwezig mogen zijn, alsmede op de inrichting en het gebruik van
het kampeerterrein.
§ 2. Vergunning, vrijstelling of ontheffing
Artikel 9
1. Een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, dient vergezeld te gaan van een reglement.
2. Een reglement bevat voorwaarden met betrekking tot het gebruik
van het kampeerterrein en het verblijf daarop. Hiertoe behoren in elk
geval:
a. bepalingen die een inzicht geven in de opbouw van het tarief;
b. bepalingen over de wijze van bekendmaking van de geldende
prijzen;
c. de vergoeding onderscheidenlijk de berekeningswijze van de
vergoeding die de houder van de vergunning berekent onderscheidenlijk
hanteert bij de in artikel 21, eerste lid, bedoelde bemiddeling;
d. de regelen, die de houder van de vergunning in acht neemt bij
het aangaan van kampeerovereenkomsten en die in elk geval betrekking
hebben op:
1°. de duur van de overeenkomst;
2°. de wijze, de termijn en de gronden van opzegging;
3°. de gevallen waarin degene die het kampeermiddel plaatst
aanspraak op verlenging van de overeenkomst kan maken en
4°. de verplichtingen die voor degene die het kampeermiddel
plaatst geldelijke gevolgen met zich meebrengen;
e. de kampeerregels en
f. bepalingen over de wijze van bekendmaking van het reglement.
3. Wijzigingen in een reglement worden toegezonden aan
burgemeester en wethouders.
Artikel 10
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan
slechts worden verleend indien:
a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de
regelen gesteld bij of krachtens deze wet en
b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij
bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.
2. Een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, kan slechts worden verleend:
a. indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan
de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en
b. voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.
Artikel 11
1. Burgemeester en wethouders verbinden aan een vergunning als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een
ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voorschriften over de
soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten
kampeermiddelen. Burgemeester en wethouders kunnen deze voorschriften
wijzigen of intrekken.
2. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de orde,
de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de
bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede
overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een
ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, beperkingen of
voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften
wijzigen of intrekken.
Artikel 12
Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, intrekken indien:
a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken
dat, waren de juiste gegevens verstrekt, een andere beslissing zou
zijn genomen of
b. blijkt dat de beperkingen of de voorschriften gesteld
krachtens artikel 11 niet of niet behoorlijk worden nageleefd.
§ 3. Bepalingen betreffende het groepskamperen
Artikel 13
1. Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 14 kunnen
burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, voor het gelegenheid geven tot het plaatsen
of geplaatst houden van kampeermiddelen buiten de in artikel 8, eerste
of tweede lid, bedoelde kampeerterreinen, door groepen uitgaande van
een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale,
culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een in de
ontheffing aangegeven korte, aaneengesloten periode.
2. Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 14
Gedeputeerde staten kunnen in het belang van de natuur- en
landschapsbescherming een of meer gebieden aanwijzen waarvoor geen
ontheffing als bedoeld in artikel 13 kan worden verleend gedurende een
daarbij te bepalen periode of waarvoor een aantal kampeermiddelen ten
aanzien waarvan een ontheffing als bedoeld in artikel 13 kan worden
verleend op een daarbij te bepalen maximum aantal wordt gesteld
gedurende een daarbij te bepalen periode.
Titel II. Bepalingen betreffende het plaatsen of geplaatst houden van
kampeermiddelen
Artikel 15
1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten
kampeerterreinen waarvoor een vergunning, vrijstelling of ontheffing
als bedoeld in artikel 8, eerste onderscheidenlijk tweede lid, of een
ontheffing als bedoeld in artikel 13 is verleend, behoudens voor zover
bij verordening door de gemeenteraad afwijking van dit verbod is
toegestaan voor het plaatsen of geplaatst houden van ten hoogste vijf
kampeermiddelen gedurende korte perioden.
2. In afwijking van het eerste lid kan bij verordening het
plaatsen van één kampeermiddel voor eigen gebruik door de eigenaar van
een terrein voor langere perioden dan bedoeld in het eerste lid, worden
toegestaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat het is toegestaan
tijdelijk bij dat kampeermiddel ten hoogste twee andere kampeermiddelen
voor eigen gebruik te plaatsen.
3. Bij verordening als bedoeld in het eerste lid, kan niet worden
toegestaan het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten
behoeve van recreatief nachtverblijf op terreinen aansluitend aan of
behorende bij kampeerterreinen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 16
Gedeputeerde staten kunnen in het belang van de natuur- en
landschapsbescherming een of meer gebieden aanwijzen waarvoor het verbod
van artikel 15 onverkort geldt of waarvoor het aantal kampeermiddelen,
bedoeld in dat artikel, op een daarbij te bepalen lager aantal wordt
gesteld gedurende een daarbij te bepalen periode.
Hoofdstuk IV. Bepalingen inzake de hygiëne, de gezondheid en
veiligheid
Artikel 17 [Vervallen per 01-11-2005]
Hoofdstuk V. Bijzondere maatregelen ten aanzien van kampeerterreinen
en jachthavens
Artikel 18 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 19 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 20 [Vervallen per 01-11-2005]
Hoofdstuk VI. Bepalingen betreffende de kampeerovereenkomsten en
tarieven
Artikel 21
1. Elke overeenkomst ter zake van een
bemiddeling bij koop of verkoop van een kampeermiddel tussen de houder
van een kampeerterrein of een door hem aangewezen derde en de koper of
verkoper van een kampeermiddel moet schriftelijk worden aangegaan en
betreft in ieder geval:
a. de aard en de omvang van de bemiddeling.
b. het tijdvak waarover de bemiddeling zich uitstrekt en
c. de vergoeding welke in rekening wordt gebracht voor de
bemiddeling dan wel de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend.
2. De houder van een kampeerterrein of een door hem aangewezen
derde mag ter zake van een bemiddeling bij koop of verkoop van een
kampeermiddel slechts aan hetzij de koper hetzij de verkoper een
vergoeding als bedoeld in het eerste lid, in rekening brengen.
3. Leidt de bemiddeling niet tot koop of verkoop van een
kampeermiddel dan kunnen de ter zake van de bemiddeling werkelijk
gemaakte kosten in rekening worden gebracht, indien dat tevoren
schriftelijk is overeengekomen.
4. Elke overeenkomst of elk beding in strijd met het bepaalde in
de voorafgaande leden is nietig.
5. De houder van een kampeerterrein dient degene die met hem een
kampeerovereenkomst voor onbepaalde tijd of voor een tijdvak van ten
minste zeven maanden wenst aan te gaan, bij het sluiten van die
overeenkomst in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de
voorwaarden die hij hanteert bij een overeenkomst als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 22
1. Elk in verband met het tot stand komen van een
kampeerovereenkomst gemaakt beding waarbij ten behoeve van een der
partijen dan wel door of tegenover een derde enig niet redelijk
voordeel wordt overeengekomen, is nietig.
2. Is het voordeel slechts voor een deel onredelijk, dan blijft
het beding voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op de inhoud
en strekking van het beding, niet in onverbrekelijk verband met het
nietige deel staat.
Artikel 23
Voor zover een kampeerovereenkomst afwijkt van het reglement als
bedoeld in artikel 9, ten nadele van degene die het kampeermiddel
plaatst of geplaatst houdt, kan deze laatste zich rechtstreeks beroepen
op het reglement.
Hoofdstuk VII. Bepalingen betreffende het vestigen van
volkstuincomplexen
Artikel 24 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 25 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 26 [Vervallen per 01-11-2005]
Hoofdstuk VIII. Bepalingen betreffende de planning van de
openluchtrecreatie en betreffende de rijksbijdragen ten behoeve van de
openluchtrecreatie
Artikel 27 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk IX. Schadevergoeding
Artikel 31
1. Burgemeester en wethouders kennen een
naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe aan en op verzoek van:
a. de houder van een kampeerterrein, indien deze schade lijdt of
zal lijden als gevolg van een besluit tot wijziging of intrekking van
een vrijstelling, vergunning of ontheffing of de aan een vrijstelling,
vergunning of ontheffing verbonden voorschriften;
b. de aanvrager van een vergunning of ontheffing indien deze schade
lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit tot weigering van de
vergunning of ontheffing of de aan de vergunning of ontheffing
verbonden voorschriften.
2. Een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid, wordt
slechts verleend, indien de schade redelijkerwijs niet of niet geheel
ten laste behoort te blijven van degene die de schade lijdt of zal
lijden en de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening
of anderszins is verzekerd.
Hoofdstuk X. Overige bepalingen
Artikel 32 [Vervallen per 01-11-2005]
Hoofdstuk XI. Toezicht en opsporing
Artikel 33
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet, zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders
daartoe aangewezen ambtenaren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
terzake van de uitoefening van dit toezicht regelen worden gesteld.
Artikel 34
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de daartoe aangewezen buitengewone
opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de
opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en
met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten
betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of
ondernomen door henzelf.
2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn tevens belast:
a. de in artikel 33, bedoelde ambtenaren, voor zover deze zijn
aangewezen bij besluit van Onze Minister van Justitie en
b. de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 35
De in de artikelen 33 en 34 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 36
1. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de in artikel 34 bedoelde ambtenaren.
2. De in de artikelen 33 en 34 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd
tot het onderzoeken van stoffen die een bedreiging kunnen vormen voor de
hygiëne, gezondheid en veiligheid van een kampeerterrein en het
verrichten van opmetingen.
Artikel 37
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter
handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen
van medewerking aan een krachtens artikel 33 of 34 aangewezen ambtenaar.
Hoofdstuk XII. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 38
1. Gedragingen in strijd met het verbod, gesteld in de
artikelen 8, met voorschriften of beperkingen verbonden aan een
vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aan een vrijstelling
of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden
gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of met een
geldboete van de tweede categorie.
2. Gedragingen in strijd met het verbod, gesteld bij artikel 15
of met voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als
bedoeld in artikel 13 worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een
maand of een geldboete van de eerste categorie.
3. De strafbare feiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn
overtredingen.
Hoofdstuk XIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 39 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 40 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 41 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 42 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 43 [Vervallen per 01-11-2005]
Artikel 44
Deze wet vervalt op 1 januari 2008.
Artikel 45
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de openluchtrecreatie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
Y.C.M.T. van Rooy
Uitgegeven de achtentwintigste april 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|