Nadere regelgeving:
- Besluit donorregister
- Besluit hersendoodprotocol
- Besluit kwaliteitseisen orgaanbanken
- Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006
WET van 24 mei 1996, houdende regelen
omtrent het ter beschikking stellen van organen (Wet op de
orgaandonatie)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in verband met
artikel 11 van de Grondwet, wenselijk is met het oog op de
rechtszekerheid van de betrokkenen, ter bevordering van het aanbod en de
rechtvaardige verdeling van geschikte organen en ter voorkoming van
handel in organen bij wet regelen te stellen omtrent het ter beschikking
stellen van organen ten behoeve van in het bijzonder de geneeskundige
behandeling van anderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. orgaan: bestanddeel van het menselijk lichaam, met
uitzondering van bloed en geslachtscellen;
c. donor: een persoon of stoffelijk overschot, door of ten
aanzien van wie op grond van deze wet toestemming is verleend voor
het bij hem of daaruit verwijderen van een orgaan;
d. verwijderen: het verwijderen van een orgaan, anders dan ten
behoeve van de donor zelf;
e. implantatie: het in- of aanbrengen van een orgaan van een
donor in of aan het lichaam van een ander met het oog op diens
geneeskundige behandeling;
f. ziekenhuis: een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als ziekenhuis of verpleeginrichting toegelaten
instelling of een afdeling daarvan;
g. orgaancentrum: een instelling als bedoeld in artikel 24.
Artikel 2
Toestemming voor het verwijderen van een orgaan, verleend met het
oogmerk daarvoor een vergoeding te ontvangen die meer bedraagt dan de
kosten, daaronder begrepen gederfde inkomsten, die een rechtstreeks
gevolg zijn van het verwijderen van het orgaan, is nietig.
Hoofdstuk 2. Ter beschikking stellen van organen bij leven
Artikel 3
1. Een meerderjarige die in staat is tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake, kan toestemming verlenen voor
het bij zijn leven bij hem verwijderen van een door hem aangewezen
orgaan ten behoeve van implantatie bij een bepaalde persoon.
2. Degene die het orgaan zal
verwijderen, draagt ervoor zorg dat de donor op duidelijke wijze
mondeling en schriftelijk en desgewenst met behulp van audio-visuele
middelen, wordt geïnformeerd over de aard en het doel van de
verwijdering en de te verwachten gevolgen en risico's voor diens
gezondheid en overige leefomstandigheden. Tevens vergewist hij zich
ervan dat de donor de toestemming vrijelijk en in het besef van de
gevolgen heeft verleend en op de hoogte is van het bepaalde in deze wet
omtrent de vergoeding van de kosten.
3. Wanneer redelijkerwijs aannemelijk is dat de verwijdering van
het orgaan bij leven blijvende gevolgen zal hebben voor de gezondheid
van de donor, geschiedt deze slechts indien de persoon ten behoeve van
wie de verwijdering plaats zal vinden, in levensgevaar verkeert en dit
niet op andere wijze even goed kan worden afgewend.
Artikel 4
1. Verwijdering bij leven van een orgaan van een meerderjarige
die niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen
ter zake, geschiedt slechts indien het een regenererend orgaan betreft
en de verwijdering geen blijvende gevolgen zal hebben voor de
gezondheid van de donor en alleen ten behoeve van implantatie bij een
bloedverwant tot en met de tweede graad die in levensgevaar verkeert
en van wie het levensgevaar niet op andere wijze even goed kan worden
afgewend en indien tevens de donor een zwaarwegend belang heeft bij
het afwenden van het levensgevaar van bedoelde bloedverwant.
2. De verwijdering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet dan
nadat toestemming is verkregen van de wettelijke vertegenwoordiger dan
wel bij ontbreken van deze van de echtgenoot, geregistreerde partner of
andere levensgezel dan wel bij ontbreken van dezen van een ouder of
meerderjarig kind van de donor, alsmede van de rechtbank.
3. Degene die het orgaan zal
verwijderen, draagt ervoor zorg dat de in het tweede lid bedoelde
wettelijke vertegenwoordiger dan wel echtgenoot, geregistreerde partner
of andere levensgezel dan wel ouder of kind alsmede, indien mogelijk, de
donor op duidelijke wijze mondeling en desgewenst schriftelijk en
desgewenst met behulp van audio-visuele middelen, worden geïnformeerd
over de aard en het doel van de verwijdering en de te verwachten
gevolgen voor de donor. Tevens vergewist hij zich ervan dat voldaan is
aan het eerste en tweede lid.
Artikel 5
1. Verwijdering bij leven van een orgaan van een minderjarige
van twaalf jaar of ouder geschiedt slechts indien het een regenererend
orgaan betreft en de verwijdering geen blijvende gevolgen zal hebben
voor de gezondheid van de donor en alleen ten behoeve van implantatie
bij een bloedverwant tot en met de tweede graad die in levensgevaar
verkeert en van wie het levensgevaar niet op andere wijze even goed
kan worden afgewend. De verwijdering geschiedt niet dan nadat de
minderjarige toestemming heeft gegeven en de toestemming van de ouders
die de ouderlijke macht uitoefenen of de voogd en van de kinderrechter
is verkregen.
2. Verwijdering bij leven van een orgaan van een minderjarige die
de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt en van een
minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat is tot een
redelijke waardering van zijn belangen ter zake, geschiedt slechts
indien het een regenererend orgaan betreft en de verwijdering geen
blijvende gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de donor en alleen
ten behoeve van implantatie bij een bloedverwant tot en met de tweede
graad die in levensgevaar verkeert en van wie het levensgevaar niet op
andere wijze even goed kan worden afgewend en indien tevens de donor een
zwaarwegend belang heeft bij het afwenden van het levensgevaar van
bedoelde bloedverwant. De verwijdering geschiedt niet dan nadat de
toestemming van de ouders die de ouderlijke macht uitoefenen of de voogd
en van de kinderrechter is verkregen.
3. Degene die het orgaan zal
verwijderen, draagt ervoor zorg dat de ouders of de voogd alsmede,
indien mogelijk, de donor op duidelijke wijze mondeling en schriftelijk
en desgewenst met behulp van audio-visuele middelen, worden
geïnformeerd over de aard en het doel van de verwijdering en de te
verwachten gevolgen voor de donor. Tevens vergewist hij zich ervan dat
voldaan is aan het eerste en tweede lid.
Artikel 5a
1. De informatie, bedoeld in de artikelen
3, tweede lid, 4, derde lid, en 5, derde lid, omvat in ieder geval de
informatie, bedoeld in de bijlage bij richtlijn 2004/23/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van
kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen,
bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PbEU
L 102).
2. Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn gaat
voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 6
De toestemming, bedoeld in dit hoofdstuk, wordt vooraf verleend bij
een verklaring die ten minste eigenhandig is gedagtekend en ondertekend.
Zij kan vóór de verwijdering van het orgaan te allen tijde worden
herroepen.
Artikel 7
Aan de donor en degenen van wie ingevolge dit hoofdstuk toestemming
voor het verwijderen van een orgaan is vereist, mogen uitsluitend de
kosten, bedoeld in artikel 2, worden vergoed.
Artikel 8
Het verwijderen van een orgaan bij leven is slechts toegestaan,
indien daarvoor toestemming is verleend ingevolge artikel 3, 4 of 5.
Hoofdstuk 3. Ter beschikking stellen van organen na overlijden
§ 1. Toestemming en bezwaar
Artikel 9
1. Meerderjarigen en minderjarigen van
twaalf jaar of ouder, die in staat zijn tot een redelijke waardering van
hun belangen ter zake, kunnen toestemming verlenen tot het na hun
overlijden verwijderen van hun organen of bepaalde door hen aan te
wijzen organen, dan wel daartegen bezwaar maken.
2. De toestemming wordt verleend en het bezwaar gemaakt door het
invullen en laten registreren van een donorformulier als bedoeld in
artikel 10. Indien een in het eerste lid bedoelde persoon de beslissing
over het verwijderen van zijn organen wenst over te laten aan de in
artikel 11 bedoelde nabestaanden of aan een door hem te bepalen persoon,
kan hij dat ook op het donorformulier te kennen geven.
3. Een wilsverklaring omtrent het verwijderen van organen kan te
allen tijde worden herroepen door het opnieuw invullen en laten
registreren van een donorformulier.
4. Een wilsbeschikking met een in dit artikel bedoelde strekking
kan ook worden afgelegd bij een schriftelijke verklaring die ten minste
eigenhandig is gedagtekend en ondertekend.
5. Een in algemene bewoordingen gestelde herroeping van een
uiterste wilsbeschikking houdt niet in een herroeping van een
wilsbeschikking als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 10
1. Onze minister draagt ervoor zorg dat iedere ingezetene als
bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,
een donorformulier wordt toegezonden, wanneer hij of zij de leeftijd
van achttien jaren heeft bereikt. Donorformulieren worden voorts op
verzoek door de zorg van Onze minister en door het college van
burgemeester en wethouders kosteloos ter beschikking gesteld.
2. Er is een donorregister waarin, met het oog op de kenbaarheid
van de wilsbeschikking van de betrokkene ter zake aantekening wordt
gehouden van door middel van het donorformulier verleende toestemming
tot of gemaakt bezwaar tegen het na overlijden verwijderen van organen,
dan wel de door middel van dat formulier te kennen gegeven wens de
beslissing ter zake over te laten aan de in artikel 11 bedoelde
nabestaanden of aan een door hem te bepalen persoon. Het register wordt
gehouden door of vanwege Onze minister.
3. Het register kan door of in opdracht van een arts dag en nacht
worden geraadpleegd wanneer dat met het oog op de voorgenomen
verwijdering van een orgaan noodzakelijk is.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de vorm, inhoud en
toezending van het donorformulier en het bijhouden en de
toegankelijkheid van het donorregister. Bij die algemene maatregel kan
worden bepaald dat een donorformulier wordt toegezonden aan personen die
na het bereiken van de leeftijd van negentien jaar nieuw in een
basisadministratie zijn ingeschreven of dat aan daarbij aan te wijzen
categorieën van personen aan wie een donorformulier is toegezonden en
van wie na een bij die maatregel te bepalen
termijn nog geen wilsverklaring in het register is opgenomen, opnieuw
een donorformulier wordt toegezonden.
5. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur
krachtens het vierde lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging
vier weken zijn verstreken.
Artikel 11
1. Indien van een persoon als bedoeld in artikel 9 geen
wilsverklaring omtrent het verwijderen van organen aanwezig is, kan
daarvoor na het intreden van de dood toestemming worden verleend door
de bij zijn overlijden met hem samenlevende echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel, dan wel bij afwezigheid of
onbereikbaarheid van deze door de onmiddellijk bereikbare
meerderjarige bloedverwanten tot en met de tweede graad dan wel bij
afwezigheid of onbereikbaarheid van dezen door de onmiddellijk
bereikbare meerderjarige aanverwanten tot en met de tweede graad.
Betreft het een minderjarige van twaalf jaar of ouder waarvan geen
wilsverklaring bekend is, dan kan de toestemming worden verleend door
de ouders die de ouderlijke macht uitoefenen, of de voogd.
2. Ten aanzien van een minderjarige beneden de twaalf jaar kan de
in het eerste lid bedoelde toestemming worden verleend door de ouders
die de ouderlijke macht uitoefenen, of de voogd.
3. Bij verschil van mening tussen de bloedverwanten, de
aanverwanten, onderscheidenlijk de ouders, bedoeld in het eerste en
tweede lid, kan de toestemming niet worden verleend.
4. Indien gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin van
artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid, is dit artikel van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien de beslissing
is overgelaten aan een bepaalde persoon, die persoon toestemming kan
verlenen. Bij afwezigheid of onbereikbaarheid van laatstgenoemde persoon
kan de toestemming worden verleend met overeenkomstige toepassing van
het eerste en derde lid.
5. Indien een persoon toestemming heeft verleend voor het na zijn
overlijden verwijderen van organen, kan voor het verwijderen van een
orgaan dat niet is opgenomen in de tekst van een op het tijdstip van
toestemming geldend donorformulier en tegen verwijdering waarvan hij
niet anderszins reeds zelf bezwaar heeft gemaakt, toestemming worden
verleend met overeenkomstige toepassing van het eerste, derde en vierde
lid.
Artikel 12
Overlijdt een persoon voor het bereiken van de zestienjarige leeftijd
en heeft hij ingevolge artikel 9 toestemming gegeven voor het
verwijderen van zijn organen, dan vindt geen verwijdering plaats indien
daartegen bezwaar wordt gemaakt door een ouder die de ouderlijke macht
uitoefent of de voogd. Bij afwezigheid of onbereikbaarheid van beide
ouders of van de voogd kan de verwijdering plaatsvinden.
Artikel 13
Tenzij degene die toestemming verleent uitdrukkelijk anders bepaalt,
wordt toestemming als bedoeld in deze paragraaf verleend ten behoeve van
implantatie, daaronder begrepen op implantatie gericht wetenschappelijk
onderzoek, indien het orgaan na de verwijdering voor implantatie
ongeschikt blijkt te zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat het verlenen van toestemming niet is toegestaan voor bij die
maatregel aan te wijzen, uit een oogpunt van geneeskundige behandeling
niet van belang zijnde, doeleinden.
§ 2. Het intreden van de dood
Artikel 14
1. Voordat een orgaan wordt verwijderd,
wordt de dood vastgesteld door een arts die niet bij de verwijdering of
implantatie van het orgaan betrokken mag zijn. Indien het voornemen
bestaat tot het verwijderen van een orgaan uit een beademd stoffelijk
overschot, wordt de dood vastgesteld aan de hand van de volgens de
laatste stand van de wetenschap geldende methoden en criteria voor het
vaststellen van de hersendood door een ter zake kundige arts. De wijze
waarop de hersendood is vastgesteld, wordt vastgelegd in een verklaring
waarvan het model is opgenomen in het in artikel 15, eerste lid,
bedoelde protocol.
2. Onder hersendood wordt verstaan het volledig en onherstelbaar
verlies van de functies van de hersenen, inclusief de hersenstam en het
verlengde merg. Vaststelling van de hersendood vindt slechts plaats in
geval van een dodelijk hersenletsel waarvan de oorzaak bekend is en dat
niet behandelbaar is. Zij geschiedt eerst nadat aannemelijk is geworden
dat andere oorzaken van bewusteloosheid en reactieloosheid niet aanwezig
zijn.
Artikel 15
1. De Gezondheidsraad stelt met inachtneming van artikel 14,
tweede lid, vast welke de volgens de laatste stand van de wetenschap
geldende methoden en criteria voor het met zekerheid vaststellen van
de hersendood zijn. Op basis daarvan stelt de Gezondheidsraad een
protocol op met betrekking tot de bij het vaststellen van de
hersendood in ziekenhuizen te volgen procedures en uit te voeren
onderzoeken in gevallen dat het voornemen bestaat tot verwijdering van
een orgaan. Het protocol wordt vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur.
2. Het protocol bedoeld in het eerste lid, wordt aangeduid als:
Hersendoodprotocol.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel
van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 16
Bij verwijdering van een orgaan uit een stoffelijk overschot
geschiedt de lijkschouwing als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de
lijkbezorging (Stb. 1991, 133) niet door een arts die bij de
verwijdering of de implantatie van het orgaan betrokken is.
Artikel 17
Bij de aanwezigheid of het vermoeden van een niet natuurlijke dood
mag een orgaan niet worden verwijderd, voordat is gebleken dat de
officier van justitie de in artikel 76, tweede lid, van de Wet op de
lijkbezorging bedoelde toestemming verleent.
§ 3. Melding en toewijzing van beschikbare organen
Artikel 18
1. De daartoe in het protocol, bedoeld in
artikel 23, aangewezen functionaris doet van het vermoedelijk
beschikbaar komen van organen voor implantatie onmiddellijk melding bij
een orgaancentrum.
2. Het orgaancentrum wijst aan wie voor implantatie van een bij
het centrum aangemeld orgaan in aanmerking komt. Indien geen
onmiddellijke aanwijzing kan plaatsvinden en het orgaancentrum zulks op
medische gronden noodzakelijk acht, kan het bepalen dat een daarvoor
naar zijn aard geschikt orgaan voor implantatie beschikbaar dient te
blijven.
3. Bij de aanwijzing wordt met geen andere factoren rekening
gehouden dan met de bloed- en weefselovereenkomst van donor en ontvanger
van het orgaan, de medische urgentie van de ontvanger en andere, met de
toestand van het orgaan samenhangende, omstandigheden dan wel, indien
deze factoren geen uitsluitsel geven, met de wachttijd van de ontvanger.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen daaromtrent nadere regels
worden gesteld.
Artikel 19 [Vervallen per 01-07-2004]
§ 4. Het verwijderen van organen
Artikel 20
1. Wanneer een gerede kans bestaat dat
een persoon binnen afzienbare tijd zal overlijden, maar in ieder geval
zo spoedig mogelijk na het intreden van de dood, gaat de daartoe in het
protocol, bedoeld in artikel 23, aangewezen functionaris na of een
wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of artikel 10 aanwezig is,
tenzij reeds vaststaat dat de betrokkene medisch gezien niet in
aanmerking komt als donor. Indien een uit het register blijkende
wilsverklaring niet overeenkomt met een andere aanwezige verklaring als
bedoeld in artikel 9 geldt de laatst afgelegde verklaring.
2. Indien geen wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of 10
aanwezig is of gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin van artikel
9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid, raadpleegt de daartoe in het
protocol, bedoeld in artikel 23, aangewezen functionaris na het intreden
van de dood van de betrokkene de persoon of personen, die op grond van
artikel 11 bevoegd zijn tot het verlenen van toestemming voor het
verwijderen van organen.
3. Indien de betrokkene zelf toestemming heeft gegeven voor het
verwijderen van organen, stelt de daartoe in het protocol, bedoeld in
artikel 23, aangewezen functionaris de daarvoor in aanmerking komende,
onmiddellijk bereikbare naasten op de hoogte van de wijze waarop aan de
toestemming gevolg wordt gegeven.
4. De toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van
de regels gesteld in het in artikel 23 bedoelde protocol. Van de
toepassing doet de daartoe in het protocol, bedoeld in artikel 23,
aangewezen functionaris verslag door invulling van een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgesteld formulier. Bij die algemene
maatregel kunnen tevens regels worden gesteld omtrent de verstrekking
van gegevens betreffende de toepassing van dit artikel aan het
orgaancentrum.
5. Aan de in dit artikel
bedoelde functionarissen wordt voor zover dat voor de uitvoering van de
werkzaamheden betreffende de toepassing van dit artikel noodzakelijk is,
inzage gegeven in het dossier van de patiënt.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen van dit artikel afwijkende regels worden gesteld
betreffende de toepassing door bij die maatregel aan te wijzen
categorieën van artsen. Daarbij kan worden bepaald dat de taken die in
dit artikel zijn opgedragen aan een functionaris als bedoeld in het
eerste lid, door een ander worden uitgevoerd.
Artikel 21
Het verwijderen van een orgaan na overlijden is slechts toegestaan,
indien:
a. met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 20 is
vastgesteld dat daarvoor door of ten aanzien van de overledene
toestemming is verleend overeenkomstig deze wet;
b. voldaan is aan de artikelen 14, 16 en 17;
c. het voor implantatie ter beschikking gestelde orgaan
overeenkomstig artikel 18 is aangemeld bij een orgaancentrum.
Artikel 22
1. Indien een persoon toestemming heeft verleend voor het na
zijn overlijden verwijderen van een orgaan, mogen in verband met de
implantatie reeds voor het intreden van de dood voorbereidingen worden
getroffen voor zover deze niet strijdig zijn met de geneeskundige
behandeling van die persoon en uitstel tot na het intreden van de dood
niet mogelijk is. Die voorbereidingen kunnen bestaan uit:
– onderzoek noodzakelijk voor de
voorbereiding van de implantatie;
– het in werking stellen of in stand
houden van de kunstmatige beademing;
– het kunstmatig in stand houden van
de bloedsomloop, en
– andere maatregelen noodzakelijk om
organen geschikt te houden voor implantatie.
2. Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in
artikel 9 of artikel 10 aanwezig is of gebruik is gemaakt van de in de
tweede volzin van artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid en de
betrokkene niet wordt beademd, kunnen vanaf vijf minuten na het
intreden van de dood, zolang de procedure ter verkrijging van de voor
het verwijderen van organen ingevolge deze wet noodzakelijke
toestemmingen nog niet heeft geleid tot weigering daarvan, maatregelen
worden getroffen om organen geschikt te houden voor implantatie.
3. Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in
artikel 9 of artikel 10 aanwezig is of gebruik is gemaakt van de in de
tweede volzin van artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid en de
betrokkene wordt beademd, kunnen na het intreden van de dood, zolang
de procedure ter verkrijging van de voor het verwijderen van organen
ingevolge deze wet noodzakelijke toestemmingen nog niet heeft geleid
tot weigering daarvan, de volgende maatregelen worden getroffen:
– het in stand houden van de
kunstmatige beademing;
– het kunstmatig in stand houden van
de bloedsomloop, en
– andere maatregelen noodzakelijk om
organen geschikt te houden voor implantatie.
§ 5. Het protocol
Artikel 23
1. Het bestuur van een ziekenhuis draagt
zorg voor vaststelling van een protocol met betrekking tot ter
beschikking stelling van organen ten behoeve van implantatie en ziet toe
op de naleving daarvan.
2. In het protocol worden de functionarissen aangewezen die
binnen het ziekenhuis zijn belast met de uitvoering van de in de
artikelen 18, eerste lid, en 20 genoemde taken en worden regels gesteld
omtrent:
a. de wijze waarop wordt nagegaan of een overledene in aanmerking
komt als donor;
b. de wijze waarop overeenkomstig artikel 20 het donorregister en
de in het tweede lid van artikel 20 bedoelde personen worden
geraadpleegd, dan wel de in het derde lid van artikel 20 bedoelde
personen op de hoogte worden gesteld;
c. de procedure die wordt gevolgd bij de melding van een orgaan bij
een orgaancentrum;
d. de wijze waarop aan de personen bedoeld in artikel 20, tweede en
derde lid, nazorg wordt verleend;
e. de voorlichting in het ziekenhuis over de in het protocol
gestelde regels.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het in
het eerste lid bedoelde protocol en kan worden bepaald dat dit artikel
geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is op bepaalde categorieën
ziekenhuizen.
4. Indien in een ziekenhuis de mogelijkheid
bestaat tot het vaststellen van de hersendood, bevat het protocol tevens
de daarvoor geldende methoden en criteria en de daarbij te volgen
procedures en onderzoeken zoals vastgesteld op grond van artikel 15,
eerste lid.
Hoofdstuk 4. Orgaancentrum
Artikel 24
1. Het bemiddelen bij het verkrijgen, bij het typeren en bij
het vervoeren van organen van donoren, alsmede het toewijzen van die
organen aan een daarvoor geschikte ontvanger mag slechts geschieden
door een orgaancentrum, dat daartoe een vergunning van Onze minister
behoeft.
2. Op de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak door
een orgaancentrum waaraan daartoe een vergunning is verleend, is de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering
van artikel 22 van die wet, voor zover het besluiten betreft met
betrekking tot het toewijzen van organen.
Artikel 25
1. Een vergunning kan uitsluitend worden verleend aan een
rechtspersoon wiens werkzaamheid niet is gericht op het behalen van
winst en die geen weefselinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel k, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal
is.
2. Een vergunning wordt geweigerd, indien niet wordt of naar
redelijke verwachting niet zal worden voldaan aan het bepaalde bij of
krachtens deze wet, een doelmatige voorziening in de behoefte aan
organen niet is gebaat bij verlening van de vergunning, dan wel een
doelmatige samenwerking met andere orgaancentra en met orgaanbanken als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet veiligheid en
kwaliteit lichaamsmateriaal niet is verzekerd.
Artikel 26
1. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan
een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking
tot:
a. de deskundigheid van het personeel;
b. de samenstelling van het bestuur;
c. de inschrijving van mogelijke ontvangers van organen;
d. de openbaarmaking van de normen voor inschrijving van mogelijke
ontvangers en voor toewijzing van organen aan een ontvanger;
e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van donoren en
ontvangers van organen;
f. de uitrusting en bereikbaarheid van het orgaancentrum;
g. de verslaglegging over de werkzaamheden.
2. Een beperking of voorschrift kan worden gewijzigd of
ingetrokken. Ook na het verlenen van de vergunning kunnen daaraan
beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden.
Artikel 27
Een vergunning kan worden ingetrokken indien niet meer wordt voldaan
aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of de Wet veiligheid en
kwaliteit lichaamsmateriaal of de aan de vergunning verbonden
voorschriften dan wel indien in strijd is gehandeld met een beperking
waaronder de vergunning is verleend.
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 29 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2004]
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 31a
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid.
Artikel 32
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft degene die opzettelijk in
strijd handelt met het bepaalde in de artikelen 8 en 21.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
a. degene die opzettelijk teweegbrengt of bevordert dat een ander
aan een derde toestemming verleent voor het bij leven verwijderen van
een orgaan waarvoor een vergoeding wordt betaald die meer bedraagt dan
de kosten, bedoeld in artikel 2, dan wel dat een ander in strijd
handelt met artikel 7;
b. degene die openlijk hetzij voor het ontvangen van een orgaan een
vergoeding aanbiedt die meer bedraagt dan de kosten, bedoeld in
artikel 2, hetzij zich tegen een dergelijke vergoeding als donor
aanbiedt hetzij diensten aanbiedt bestaande uit gedragingen, strafbaar
gesteld in onderdeel a;
c. [vervallen;]
d. degene die opzettelijk teweegbrengt of bevordert dat
bestanddelen van een persoon of van een stoffelijk overschot, bij wie
onderscheidenlijk waarbij de hersenen geheel of nagenoeg geheel
ontbreken, worden gebruikt met het oogmerk om in of aan het lichaam
van een ander ten behoeve van diens geneeskundige behandeling te
worden in- of aangebracht.
3. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met
het bepaalde in de artikelen 22 en 24.
4. De in het eerste tot en met derde lid strafbaar gestelde
feiten zijn misdrijven.
Artikel 33
1. [Wijzigt de Wet op de lijkbezorging]
2. [Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 35
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. Onze minister zendt binnen drie jaar en vervolgens na vijf
jaar en na zeven jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
deze wet in de praktijk.
Artikel 36
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de orgaandonatie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 mei 1996
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de elfde juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|