| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE RAAD VAN STATE (Wet RvS)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 9 maart 1962, op de Raad van
State
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Wet
van 21 December 1861, Stb. 1861, 129, houdende regeling van de
samenstelling en de bevoegdheid van de Raad van State, door een nieuwe
wet te vervangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. De Raad van State in het algemeen
Afdeling 1. Samenstelling en taak
Artikel 1
1. De Raad van State bestaat, buiten de Koning als voorzitter, uit
een vice-president en ten hoogste tien leden.
2. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft, nadat zijn
achttiende jaar is vervuld, van rechtswege zitting in de Raad.
3. Bij koninklijk besluit kan ook andere leden van het koninklijk
huis wanneer zij meerderjarig zijn, zitting in de Raad worden
verleend.
4. De leden van het koninklijk huis die zitting in de Raad hebben,
kunnen aan de beraadslagingen deelnemen, doch onthouden zich van
stemmen.
Artikel 2
1. De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie
voor het leven benoemd. Vacatures worden in de Staatscourant
gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of
kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste
eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures.
2. Voor de benoeming van de vice-president wordt de Raad gehoord.
Voor de benoeming van de leden doet de Raad een aanbeveling. De
aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen van de Raad
waarvan het te benoemen lid deel zal uitmaken.
3. De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling
advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak, dan wel in beide
afdelingen. Het aantal leden dat in beide afdelingen wordt benoemd,
bedraagt ten hoogste 10. De benoeming kan worden gewijzigd, met dien
verstande dat een benoeming in de Afdeling bestuursrechtspraak slechts
op verzoek van het lid kan worden beëindigd.
4. Een lid kan slechts deelnemen aan de rechtsprekende taak indien:
a. hem op grond van het afleggen van een afsluitend examen van
een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een
universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de
graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad
Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. hij op grond van het met goed gevolg afleggen van het
afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht
aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking
heeft, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten. Artikel 5, vierde
lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van
overeenkomstige toepassing.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door
een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de
toepasselijkheid van het vierde lid, onderdeel a, gelijk worden
gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied
van het recht.
6. In bijzondere gevallen kan van het vierde lid worden afgeweken.
Artikel 3
1. De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit
ontslagen:
a. op eigen verzoek, en
b. met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die,
waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt.
2. De vice-president en de leden worden voorts door de Raad, bij
met redenen omkleed besluit, ontslagen, geschorst, of bij
ongeschiktheid wegens ziekte met een andere taak belast, en de leden
worden door de vice-president, bij met redenen omkleed besluit,
gewaarschuwd overeenkomstig hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat:
– in plaats van «procureur-generaal» wordt gelezen:
vice-president;
– in plaats van «plaatsvervangend procureur-generaal» wordt
gelezen: het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming;
– in plaats van «bij een gerecht dan wel binnen het
gezagsbereik van Onze Minister» wordt gelezen: binnen de Raad dan
wel binnen het gezagsbereik van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties;
– in plaats van «functionele autoriteit» wordt gelezen:
vice-president;
– de Raad de mededeling van een beslissing als bedoeld in
artikel 46p, vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren, doet aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
3. De artikelen 46i, vijfde lid, 46k, vijfde lid, en 46l, tweede
lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt gelezen:
– in plaats van «de rechterlijke ambtenaar»: de
vice-president of het lid;
– in plaats van «op voordracht van Onze Minister»: op
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
– in plaats van «de Hoge Raad»: de Raad.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot voorzieningen in verband met
ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
Artikel 4
Slechts Nederlanders kunnen worden benoemd tot vice-president of tot
lid.
Artikel 5
1. Onverenigbaar met het ambt van vice-president of lid zijn:
a. de openbare betrekkingen, aan welke een vaste beloning of
toelage is verbonden;
b. het lidmaatschap van publiekrechtelijke colleges, waarvoor
de keuze geschiedt bij krachtens wettelijk voorschrift
uitgeschreven verkiezingen;
c. het ambt of beroep van advocaat, notaris, accountant,
belastingconsulent of zaakwaarnemer;
d. betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog
op een goede vervulling van hun ambt of op de handhaving van hun
onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. Behoudens indien de onverenigbaarheid ook uit een ander
wettelijk voorschrift voortvloeit, kan ten aanzien van een lid op
diens verzoek van het eerste lid, onderdeel a, bij koninklijk besluit,
de Raad van State gehoord, voor een bepaalde tijd ontheffing worden
verleend.
3. Gedurende de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, is het lid
ontheven van de waarneming van zijn ambt.
4. De bezoldiging wordt gedurende de periode van de ontheffing van
de waarneming van zijn ambt ingehouden.
5. De betrekkingen die de vice-president en de leden buiten hun
ambt vervullen worden door de vice-president openbaar gemaakt. De
artikelen 44, derde tot en met zesde en achtste lid, en 44a van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6
1. Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de vice-president en de
leden in handen van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte)
af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn
aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen
of te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen
of zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.
Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, dat ik het Statuut voor het
Koninkrijk en de Grondwet steeds zal helpen onderhouden en mijn ambt
met eerlijkheid, nauwgezetheid en onpartijdigheid zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik»).
2. Deze eed (verklaring en belofte) kan door de leden ook worden
afgelegd in een vergadering van de Raad in handen van de
vice-president, daartoe door de Koning gemachtigd.
Artikel 7
De vice-president wordt bij verhindering of ontstentenis vervangen
door het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming.
Artikel 7a
De Raad is belast met de taken, bij de artikelen 35 en 38 van de
Grondwet aan hem opgedragen.
Afdeling 2. Staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst
Artikel 8
1. Er kunnen staatsraden worden benoemd.
2. Zij worden gekozen uit hen, die bekwaamheid of deskundigheid
hebben bewezen op het gebied van wetgeving, bestuur of rechtspraak dan
wel in aangelegenheden die daaraan raken.
3. De staatsraden worden bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie voor het leven benoemd.
Voor zover zij niet met rechtspraak worden belast, kunnen zij voor een
bepaalde tijd van ten minste drie jaren worden benoemd. Vacatures
worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel
van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der
Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de
vice-president over de vacatures. Voor de benoeming doet de Raad een
aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of
afdelingen van de Raad waarvan de te benoemen staatsraad deel zal
uitmaken.
4. Deartikelen 2, derde tot en met vijfde lid, 3, 4, 5, eerste lid,
aanhef en onder d, en tweede lid, en 6 zijn op hen van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9
De staatsraden hebben bij de vervulling van hun taak de bevoegdheden
van een lid van de Raad.
Artikel 10
1. Er kunnen staatsraden in buitengewone dienst worden benoemd.
2. Een staatsraad in buitengewone dienst neemt slechts deel aan de
werkzaamheden van de Raad of van een van zijn afdelingen, voorzover
hij daartoe door de vice-president is opgeroepen.
3. Deartikelen 2, derde tot en met vijfde lid, 3, 4, 5, eerste lid,
aanhef en onder d, en tweede lid, 6, 8, tweede en derde lid, en 9 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. De secretaris en de ambtenaren van staat
Artikel 11
1. Aan de Raad worden toegevoegd een secretaris en het nodige
aantal ambtenaren van staat.
2. Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van de Raad
benoemd en bij koninklijk besluit, de Raad gehoord, ontslagen.
Artikel 12
1. Voor benoeming tot secretaris of ambtenaar van staat komt in
aanmerking degene:
a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een
afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk
onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit
waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en
tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van het
afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht
aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking
heeft, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
Artikel 5, vierde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door
een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de
toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden
gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied
van het recht.
3. In bijzondere gevallen kan van het eerste lid worden afgeweken.
Artikel 13
De secretaris en de ambtenaren van staat leggen alvorens hun ambt te
aanvaarden in een vergadering van de Raad in handen van de voorzitter,
de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn
aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of
te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of
zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.
Ik zweer (beloof) dat ik al de plichten, aan mijn ambt verbonden,
eerlijk en vlijtig zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik»).
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel 14
1. Op voorstel van de vice-president regelt de Raad zijn
werkzaamheden alsmede voor zover nodig de overige aangelegenheden
welke op het college betrekking hebben en niet uitsluitend de Afdeling
advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak aangaan.
2. De regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 15
1. De Raad beslist bij meerderheid van stemmen.
2. Indien de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter der
vergadering.
3. De Raad beslist niet, indien minder dan de helft van het aantal
leden aanwezig is, waaruit de Raad, de vice-president inbegrepen, op
dat moment bestaat.
Artikel 16
De vice-president, de leden, de staatsraden en de staatsraden in
buitengewone dienst nemen geheimhouding in acht, voorzover:
a. de aard van de aangelegenheid daartoe noopt;
b. Onze Minister wie het aangaat dit nodig acht, of
c. de meerderheid van degenen die aan de beraadslaging deelnemen
daartoe besluit.
Hoofdstuk II. De Afdeling advisering
Afdeling 1. Samenstelling en taak
Artikel 16a
1. De Raad kent een Afdeling advisering.
2. De Afdeling advisering bestaat uit:
a. de vice-president en
b. de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone
dienst die in de Afdeling advisering zijn benoemd.
3. De leden van het koninklijk huis, bedoeld in artikel 1, tweede
en derde lid, hebben zitting in de Afdeling advisering. Artikel 1,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De vice-president is voorzitter van de Afdeling advisering.
Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1. Wij horen de Afdeling advisering over:
a. de voorstellen van wet door Ons aan de Staten-Generaal te
doen;
b. de ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur;
c. de voorstellen tot goedkeuring van een verdrag of van het
voornemen tot opzegging van een verdrag.
2. Wij horen de Afdeling advisering voorts in de gevallen waarin
een wet dit voorschrijft en over alle aangelegenheden waaromtrent Wij
het nodig oordelen.
3. Wij brengen bij de Afdeling advisering ter overweging de
ontwerpen van krachtens enige wet te nemen koninklijke besluiten tot
vernietiging.
4. De voorstellen, ontwerpen en besluiten vermelden dat de Afdeling
advisering van de Raad van State is gehoord.
Artikel 18
1. De Tweede Kamer der Staten-Generaal hoort de Afdeling advisering
over de bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakte voorstellen
van wet, voordat zij deze in behandeling neemt.
2. In de gevallen waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal zulks
nodig oordeelt, hoort zij de Afdeling advisering voorts omtrent de in
het eerste lid bedoelde voorstellen, nadat deze in behandeling zijn
genomen.
3. Wij horen de Afdeling advisering niet over de bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal door een of meer leden aanhangig gemaakte
voorstellen van wet, voordat zij door de Staten-Generaal zijn
aangenomen.
4. Het eerste, het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de Staten-Generaal in verenigde
vergadering.
Artikel 19
Het horen van de Afdeling advisering kan achterwege blijven over:
a. voorstellen van wet tot wijziging van de begroting van het
Rijk;
b. voorstellen van wet tot goedkeuring van een verdrag of van het
voornemen tot opzegging van een verdrag, indien dit verdrag of dit
voornemen eerder ter stilzwijgende goedkeuring aan de
Staten-Generaal was voorgelegd.
Artikel 20
1. De Afdeling advisering stelt het ontwerp op van een koninklijk
besluit als bedoeld in artikel 136 van de Grondwet.
2. Binnen zes maanden nadat het ontwerp is opgesteld kan Onze
Minister wie het aangaat, de Afdeling advisering gemotiveerd verzoeken
haar ontwerp in nadere overweging te nemen. Indien het koninklijk
besluit afwijkt van het ontwerp of het nader ontwerp wordt het in het
Staatsblad geplaatst met het ontwerp, bedoeld in het eerste lid en
indien daarvan sprake is, het nader ontwerp. Indien niet binnen zes
maanden een verzoek als bedoeld in de eerste volzin is gedaan luidt
het koninklijk besluit overeenkomstig het ontwerp.
Artikel 21
De Afdeling advisering adviseert Ons voorts indien zij dit nodig
acht.
Artikel 21a
1. De Afdeling advisering dient op verzoek Onze Ministers dan wel
een van beide kamers der Staten-Generaal van voorlichting in
aangelegenheden van wetgeving en bestuur.
2. Indien voorlichting wordt gegeven aan een van beide kamers der
Staten-Generaal, draagt deze kamer zorg voor de openbaarmaking,
bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 22
In de gevallen, bedoeld in artikel 17, wordt de aangelegenheid hetzij
door Ons, op voordracht van Onze Minister wie het aangaat, hetzij door
Onze Minister krachtens koninklijke machtiging, ter overweging aanhangig
gemaakt.
Artikel 23
1. Onze Ministers geven aan de Afdeling advisering de inlichtingen,
die in verband met de uitoefening van haar taak vereist worden.
2. Het inwinnen door de Afdeling advisering van inlichtingen bij
anderen dan Onze Minister, wie het aangaat, geschiedt door tussenkomst
van deze.
3. De vice-president kan personen oproepen om aan de Afdeling
advisering voorlichting en advies te geven.
Artikel 24
De Afdeling advisering beraadslaagt met Onze Minister, wie het
aangaat, indien de Afdeling advisering of de Minister zulks mocht
verlangen.
Artikel 25
Van de koninklijke besluiten in aangelegenheden, waarover de Afdeling
advisering is gehoord, wordt aan deze mededeling gedaan.
Artikel 26
1. Onze Minister wie het rechtstreeks aangaat draagt zorg voor het
openbaar maken in de Staatscourant van
a. adviezen van de Afdeling advisering, door Ons gevraagd,
b. adviezen als bedoeld in artikel 21,
c. voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur als
bedoeld in artikel 21a.
2. Openbaarmaking van de adviezen, bedoeld in het eerste lid onder
a, geschiedt tezamen met openbaarmaking van de aan de Afdeling
advisering voorgelegde tekst en van het nader rapport aan Ons. Zij
heeft plaats voor wat betreft
a. adviezen over door Ons ingezonden voorstellen van wet:
gelijktijdig met de inzending daarvan aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal;
b. adviezen over voorstellen van wet door de Staten-Generaal
aan Ons gedaan: gelijktijdig met de bekendmaking van de wet;
c. adviezen over verdragen met andere mogendheden en
volkenrechtelijke organisaties, aan de Staten-Generaal ter
stilzwijgende goedkeuring over te leggen: gelijktijdig met de
overlegging daarvan aan de Staten-Generaal;
d. adviezen over algemene maatregelen van bestuur en andere
koninklijke besluiten: gelijktijdig met de bekendmaking.
3. Openbaarmaking van adviezen als bedoeld in het eerste lid, onder
a, welke niet kan geschieden zoals voorzien in het tweede lid, alsmede
openbaarmaking van adviezen als bedoeld in het eerste lid, onder b en
van voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur als
bedoeld in het eerste lid, onder c, geschiedt uiterlijk binnen dertig
dagen nadat is beslist op het advies, de voordracht of een ander
voorstel van de Afdeling advisering onderscheidenlijk op de
voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur van die
Afdeling. Daarbij worden, in voorkomend geval, mede openbaar gemaakt
het nader rapport en de aan de Afdeling advisering voorgelegde tekst
alsmede het koninklijk besluit, indien de openbaarmaking niet elders
is geregeld. De openbaarmaking heeft plaats op de wijze,
voorgeschreven in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur.
4. Openbaarmaking blijft achterwege in de gevallen, bedoeld in
artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.
5. Actieve openbaarmaking kan achterwege blijven indien een advies
als bedoeld in het eerste lid, onder a, zonder meer instemmend luidt,
dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.
6. De Afdeling advisering doet in haar adviezen, bedoeld in het
eerste lid, voorstellen omtrent de toepassing van de bepalingen van
het vierde of vijfde lid.
Artikel 27
1. De Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Staten-Generaal in
verenigde vergadering dragen zorg voor het openbaar maken van de
adviezen van de Afdeling advisering, bedoeld in artikel 18, eerste en
tweede lid, onderscheidenlijk vierde lid, alsmede voor een
schriftelijke reactie op deze adviezen.
2. Openbaarmaking van de adviezen geschiedt tezamen met
openbaarmaking van de schriftelijke reactie.
3. Openbaarmaking blijft achterwege in de gevallen, bedoeld in
artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.
4. Actieve openbaarmaking kan achterwege blijven indien het advies
zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van
redactionele aard bevat.
5. De Afdeling advisering doet in de adviezen voorstellen omtrent
de toepassing van de bepalingen van het derde of vierde lid.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Artikel 27a
1. Bij de voorbereiding van adviezen en ontwerp-besluiten
beraadslaagt de Afdeling advisering met gesloten deuren.
2. De Afdeling advisering beslist bij meerderheid van stemmen.
3. Indien de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter der
vergadering. Van die omstandigheid wordt in het advies melding
gemaakt.
4. De Afdeling advisering beslist niet, indien minder dan de helft
van de leden van de Afdeling advisering aanwezig is.
Artikel 27b
1. De adviezen zijn met redenen omkleed.
2. Degene die in de vergadering van de Afdeling advisering een van
de meerderheid afwijkende mening heeft kenbaar gemaakt, kan een
afzonderlijk advies uitbrengen.
3. Dit advies wordt bij het advies van de Afdeling advisering
gevoegd.
Artikel 27c
1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling
advisering.
2. De regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 27d
1. Bij de voorbereiding van:
a. een advies omtrent de vernietiging van een besluit, of
b. een ontwerp-besluit omtrent een geschil als bedoeld in
artikel 136 van de Grondwet, kan de Afdeling advisering
belanghebbenden, getuigen, deskundigen en tolken oproepen om te
worden gehoord.
2. Artikel 45 en de artikelen 8:24, 8:25, 8:27 tot en met 8:29,
8:31 tot en met 8:36, eerste lid, 8:39, 8:50 en 8:61 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen ambtenaar kan
bij de beraadslaging aanwezig zijn om inlichtingen te geven.
4. Ambtsberichten en andere door Onze Minister aangewezen stukken
zijn niet openbaar.
5. Het ontwerp van een koninklijk besluit tot vernietiging is niet
openbaar.
Artikel 27e
De vice-president, de leden, de staatsraden en de staatsraden in
buitengewone dienst nemen geen deel aan de beraadslagingen en stemmen
niet mee, indien daardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 28 [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 29 [Vervallen per 01-09-2010]
Hoofdstuk III. De Afdeling bestuursrechtspraak
Afdeling 1. Samenstelling en taak
Artikel 30
1. De Raad kent een Afdeling bestuursrechtspraak.
2. De Afdeling bestuursrechtspraak bestaat uit de leden, de
staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst die in de
Afdeling bestuursrechtspraak zijn benoemd.
Artikel 30a
1. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van
Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties wordt uit de leden van de afdeling
bestuursrechtspraak die voldoen aan het vereiste, gesteld in artikel
2, vierde lid, een voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak
benoemd. Voor de benoeming doet de Raad een aanbeveling, de afdeling
bestuursrechtspraak gehoord.
2. De benoeming geldt voor het leven. Zij kan slechts op verzoek
van de voorzitter worden ingetrokken en vervalt in geval van ontslag
als lid van de Raad.
3. De voorzitter kan worden vervangen door een ander lid van de
Afdeling bestuursrechtspraak dat voldoet aan het vereiste, gesteld in
artikel 2, vierde lid.
4. De voorzitter is lid van de Raad van State, zo nodig in
afwijking vanartikel 1, eerste lid.
5. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling
bestuursrechtspraak.
6. De daartoe door de voorzitter schriftelijk aangewezen ambtenaren
verrichten de werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de
griffier zijn opgedragen.
Artikel 30b
De Afdeling bestuursrechtspraak is belast met de berechting van de
bij de wet aan haar opgedragen geschillen.
Artikel 31 [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 32 [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 33 [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 34 [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 35 [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 36
[Vervallen door vernummering]
Artikel 37
[Vervallen door vernummering]
Artikel 38
[Vervallen door vernummering]
Artikel 39
[Vervallen door vernummering]
Artikel 40
[Vervallen door vernummering]
Artikel 41
[Vervallen door vernummering]
Afdeling 2. Overige bepalingen
Artikel 42
1. De Afdeling bestuursrechtspraak vormt en bezet op voorstel van
de voorzitter enkelvoudige en meervoudige kamers.
2. De meervoudige kamers bestaan uit drie leden, van wie een als
voorzitter optreedt.
3. Leden van de Afdeling bestuursrechtspraak die niet voldoen aan
het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid, kunnen:
a. geen zitting hebben in een enkelvoudige kamer en
b. niet de meerderheid vormen van de leden van de meervoudige
kamer.
4. Een lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat betrokken is
geweest bij de totstandkoming van een advies van de Raad, neemt geen
deel aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop
dat advies betrekking had.
Artikel 43
1. De voorzitter van een meervoudige kamer doet in raadkamer
hoofdelijk omvraag. De voorzitter maakt zelf als laatste zijn oordeel
kenbaar.
2. Ieder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen.
3. Een afwezig lid kan zijn oordeel niet door een van de aanwezige
leden doen voordragen of het schriftelijk uitbrengen.
Artikel 44
Het is de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak en de ten behoeve
van deze afdeling werkzame ambtenaren verboden:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te
maken dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd,
b. de gevoelens te openbaren die in raadkamer zijn geuit, en
c. over een voor hen aanhangige zaak of over een zaak die naar
zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden, voor hen aanhangig zal
worden, op enigerlei bijzondere wijze in contact te treden met
partijen, gemachtigden of degene die een partij bijstaat.
Artikel 45
1. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt een regeling vast voor de
behandeling van klachten.
2. Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen
waartegen ingevolge een wettelijk geregelde voorziening een procedure
bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan, dan wel
beroep openstaat of heeft opengestaan tegen een uitspraak die in een
zodanige procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke
beslissing betreffen.
3. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering
van de zinsnede«of een ander» in artikel 9:1, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder
bestuursorgaan wordt verstaan: de Afdeling bestuursrechtspraak.
4. De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de
Staatscourant.
Afdeling 3. Beroep en hoger beroep bij de Afdeling
bestuursrechtspraak
Artikel 46
1. Indien bij de Afdeling bestuursrechtspraak beroep kan worden
ingesteld, is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met
uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, 8:4, 8:5,
8:6, eerste lid, 8:7, 8:8, 8:9, 8:10 , 8:13 en 8:51a, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 8:86,
eerste lid, slechts kan worden toegepast indien partijen daarvoor
toestemming hebben gegeven. Ook hierop worden partijen in de
uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen.
2. De zaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig
worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige
kamer.
3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer
geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze
verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer
ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze
naar een meervoudige kamer.
5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een
verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak kan het bestuursorgaan opdragen
een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten
herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien
belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor
onevenredig kunnen worden benadeeld.
Artikel 47
1. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de
rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet
bestuursrecht en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van
de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet, tenzij tegen de
uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het
gerechtshof.
2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel
8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a
van die wet,
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55,
vijfde lid, van die wet,
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in
artikel 8:84, tweede lid, van die wet, en
e. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in
artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84, vierde
lid, van die wet.
3. Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid
bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen:
a. een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de
Algemene wet bestuursrecht; of
b. een andere beslissing van de rechtbank.
Artikel 48
1. De secretaris doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig
mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak
heeft gedaan.
2. De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt
de gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de
zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft, en vier
afschriften van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in
het eerste lid bedoelde mededeling aan de secretaris.
Artikel 49
1. Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen
8:10, 8:13, 8:41, 8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige
toepassing, voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.
Artikel 8:86, eerste lid, kan slechts worden toegepast indien een
enkelvoudige kamer van de rechtbank uitspraak op het beroep heeft
gedaan.
2. De zaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig
worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige
kamer.
3. Indien een zaak die door een enkelvoudige kamer van de rechtbank
is behandeld naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is
voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen
naar een enkelvoudige kamer.
4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer
ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze
naar een meervoudige kamer.
5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een
verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak kan het bestuursorgaan opdragen
een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten
herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien
belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor
onevenredig kunnen worden benadeeld.
Artikel 50
1. In geval van intrekking van het hoger beroep door het
bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij
afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden
veroordeeld. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken,
wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling
gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit
vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk
verklaard. Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken,
wordt het verzoek schriftelijk gedaan. De artikelen 6:5 tot en met
6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Artikel 8:73a, tweede en derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 51
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de secretaris
een griffierecht geheven. Indien de uitspraak van de rechtbank, voor
zover daartegen hoger beroep is ingesteld, betrekking heeft op meer
dan één besluit of indien het een gezamenlijk beroepschrift van twee
of meer indieners ter zake van dezelfde uitspraak betreft, is eenmaal
griffierecht verschuldigd. In die gevallen bedraagt het griffierecht
het hoogste op grond van het tweede lid ter zake van een van de
besluiten onderscheidenlijk door een van de indieners verschuldigde
griffierecht.
2. Het griffierecht bedraagt:
a. € 232 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is
ingesteld, tenzij bij wet anders is bepaald, en
b. € 466 indien anders dan door een natuurlijke persoon hoger
beroep is ingesteld.
3. Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de
uitspraak van de rechtbank wordt in stand gelaten, wordt van het
bestuursorgaan een griffierecht geheven van € 466.
4. De secretaris wijst de indiener van het beroepschrift op de
verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het
verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van
zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de
secretarie dan wel ter secretarie dient te zijn gestort. Indien het
bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het
hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet
kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Indien het hoger beroep wordt ingetrokken omdat het
bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het
beroepschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde
griffierecht aan hem vergoed door het bestuursorgaan. In de overige
gevallen kan het bestuursorgaan, indien het hoger beroep wordt
ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk
vergoeden.
6. De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij
algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
herziening.
Artikel 52
1. Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de
secretaris een griffierecht geheven. Artikel 51, eerste lid, tweede en
derde volzin, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Artikel 51, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of
storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee
weken bedraagt. De voorzitter kan een kortere termijn stellen.
3. Indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan,
onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is
gericht, aan de voorzitter schriftelijk heeft medegedeeld de
uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met
betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde
voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde
griffierecht door de secretaris terugbetaald. In de overige gevallen
kan het bestuursorgaan, indien het verzoek wordt ingetrokken, het
betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
4. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het
door de voorzitter aangewezen bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk
wordt vergoed.
5. Indien het verzoek is gedaan door het bestuursorgaan en het
verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak
inhouden dat het betaalde griffierecht door de secretaris aan het
bestuursorgaan wordt terugbetaald.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om
herziening is gedaan.
Artikel 53
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de
rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden,
of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak,
hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
Artikel 54
1. Indien de Afdeling bestuursrechtspraak de uitspraak van de
rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens
in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde
griffierecht door het door de Afdeling bestuursrechtspraak aangewezen
bestuursorgaan wordt vergoed.
2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het
betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk door het door de Afdeling
bestuursrechtspraak aangewezen bestuursorgaan wordt vergoed.
Artikel 55
1. De Afdeling bestuursrechtspraak wijst de zaak terug naar de
rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid
van het beroep heeft uitgesproken en de Afdeling
bestuursrechtspraak deze uitspraak vernietigt met
bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk
ontvankelijkverklaring van het beroep, of
b. de Afdeling bestuursrechtspraak om andere redenen dan
bedoeld in onderdeel a van oordeel is dat de zaak opnieuw door de
rechtbank moet worden behandeld.
2. De secretaris zendt de gedingstukken, onder medezending van een
afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de
rechtbank.
Artikel 56
In de gevallen, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel a, kan
de Afdeling bestuursrechtspraak de zaak zonder terugwijzing afdoen,
indien zij naar haar oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank
behoeft.
Artikel 57
Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is dat de
uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan zij
de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk
gedaan aanmerken.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 58
1. Tegen de vice-president, de staatsraden en de staatsraden in
buitengewone dienst kan noch een rechtsvervolging, noch een
rechtsvordering worden ingesteld wegens hetgeen zij tijdens de
beraadslaging in de Raad, de Afdeling advisering, de Afdeling
bestuursrechtspraak of een kamer van die Afdeling bestuursrechtspraak
hebben gezegd, dan wel daaraan schriftelijk hebben overgelegd.
2. Artikel 42 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is
van overeenkomstige toepassing op de leden van de Afdeling
bestuursrechtspraak, met dien verstande dat in plaats van «Onze
Minister» steeds wordt gelezen: de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Artikel 59
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Raad van State.
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60c [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60d [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60e [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60f [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60g [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60h [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 62a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 88 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 91 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 92 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 95 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 96 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 97 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 99 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 100 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 102 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 103 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 105 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 106 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 107 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 108 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 109 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 110 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 111 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 114 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 115 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 116 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 118 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 120 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 121 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 122 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 123 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 124 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 125 [Vervallen per 01-01-1994]
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 9 maart 1962
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de dertigste maart 1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|
|
|