Nadere regelgeving:
- Besluit financiering rechtspraak 2005
- Besluit
nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen
- Besluit
opleiding rechterlijke ambtenaren
- Besluit orde van dienst
gerechten
WET van den 18den April 1827, op de
zamenstelling der Regterlijke magt en het beleid der Justitie
WIJ WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens art. 163 van de
grondwet, moet worden ingevoerd "een algemeen wetboek van
burgerlijk regt, van koophandel, van lijfstraffelijk regt, van de
zamenstelling der regterlijke magt en van de manier van
procederen;"
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal,
Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan
bij deze, te arresteren de navolgende Wet op de zamenstelling der
Regterlijke Magt en het beleid der Justitie voor het Koninkrijk der
Nederlanden.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. gerechten: de gerechten, genoemd in artikel 2;
b. rechterlijke ambtenaren:
1°. de president van, de vice-presidenten van, de raadsheren
in en de raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad;
2°. de senior raadsheren, de raadsheren en de
raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven;
3°. de senior rechters A, de senior rechters, de rechters en
de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken;
4°. de procureur-generaal, de plaatsvervangend
procureur-generaal, de advocaten-generaal en de
advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad;
5°. de procureurs-generaal die het College van
procureurs-generaal, bedoeld inartikel 130, vormen;
6°. de hoofdadvocaten-generaal, de plaatsvervangende
hoofdadvocaten-generaal, de senior advocaten-generaal, de
advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal
bij de ressortsparketten en het parket-generaal;
7°. de hoofdofficieren, de fungerende hoofdofficieren, de
plaatsvervangende hoofdofficieren, de senior officieren van
justitie A, de senior officieren van justitie, de officieren van
justitie, de substituut-officieren van justitie, de
plaatsvervangende officieren van justitie, de officieren
enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren
enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, het
landelijk parket, het functioneel parket en het parket-generaal;
8°. de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs bij de
gerechten;
9°. de griffier en de substituut-griffier van de Hoge Raad;
c. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast: de
rechterlijke ambtenaren, genoemd in onderdeel b, onder 1° tot en
met 3°;
d. gerechtsambtenaren: burgerlijke rijksambtenaren op basis van
een aanstelling werkzaam bij een gerecht;
e. Hoge Raad: Hoge Raad der Nederlanden;
f. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
g. de Raad: de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in artikel 84;
h. zittingscapaciteit: beschikbare zittingsruimte, beschikbare
capaciteit aan rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast of
beschikbare capaciteit aan gerechtsambtenaren benodigd voor de
behandeling van zaken.
Hoofdstuk 2. Rechtspraak
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2
De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn:
a. de rechtbanken;
b. de gerechtshoven; en
c. de Hoge Raad.
Artikel 3
De afdelingen 2 en 6 zijn niet van toepassing op de Hoge Raad.
Artikel 3a [Vervallen per 20-03-1947]
Artikel 4
1.Tenzij bij de wet anders is bepaald, zijn, op straffe van
nietigheid, de zittingen openbaar.
2.Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of
gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal
van de zitting worden de redenen vermeld.
Artikel 5
1.Op straffe van nietigheid geschiedt de uitspraak van vonnissen en
arresten in burgerlijke zaken en strafzaken in het openbaar en
bevatten deze beslissingen de gronden waarop zij berusten.
2.Op straffe van nietigheid worden de beschikkingen, vonnissen en
arresten in burgerlijke zaken en strafzaken gewezen en de uitspraken
in bestuursrechtelijke zaken gedaan met het in deze wet bepaalde
aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.
3.Indien bij de wet is bepaald dat ook anderen dan rechterlijke
ambtenaren deel uitmaken van een meervoudige kamer, zijn de
beslissingen van de desbetreffende meervoudige kamer tevens nietig,
indien deze beslissingen niet zijn genomen met het in deze wet
bepaalde aantal personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar.
Artikel 5a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 6
1.Het bestuur van een gerecht vormt voor het behandelen en
beslissen van zaken en het beëdigen van de daartoe bij de wet
aangewezen functionarissen enkelvoudige en meervoudige kamers en
bepaalt de bezetting daarvan.
2.Tenzij in deze wet anders is bepaald, bestaan de meervoudige
kamers uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, van
wie een als voorzitter optreedt. Indien ook anderen dan rechterlijke
ambtenaren deel uitmaken van een meervoudige kamer, treedt een
rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast op als voorzitter.
3.Het bestuur kan bepalen dat in een zaak in verband met de
veiligheid van personen dan wel indien de zitting langer dan een dag
zal duren, een of meer rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast
zich met het oog op mogelijke vervanging van een van de leden van een
meervoudige kamer gereed houden. Deze rechterlijke ambtenaren zijn bij
de behandeling ter terechtzitting van die zaak aanwezig, maar nemen
aan het onderzoek in en de beraadslaging en beslissing over die zaak
niet deel, tenzij zij op verzoek van de voorzitter van de meervoudige
kamer in de plaats treden van een van de afwezige leden.
4.Dit artikel is niet van toepassing op de Hoge Raad.
Artikel 6a [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 6b [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 6c [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 6d [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 7
1. De voorzitter van de meervoudige kamer doet in raadkamer
hoofdelijk omvraag. De voorzitter geeft als laatste zijn oordeel.
2. Ieder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen.
3. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de
senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de rechterlijke
ambtenaren in opleiding, de griffier, substituut-griffier en
waarnemend griffiers van de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en
buitengriffiers, bedoeld in artikel 14, vierde lid, zijn tot
geheimhouding verplicht van hetgeen in de raadkamer over aanhangige
zaken is geuit.
Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 7b [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 7c [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 8
Raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers kunnen door
het bestuur worden opgeroepen voor de behandeling en beslissing van
zaken.
Artikel 8a [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 9
De Raad kan in overeenstemming met de bij een gerechtshof of
rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar en het bestuur van het gerecht
waar hij werkzaam is, die rechterlijk ambtenaar belasten met de
waarneming van een ander rechterlijk ambt bij een ander gerechtshof of
andere rechtbank.
Artikel 10
1.In de hoofdplaats en de nevenvestigingsplaats is de griffie alle
werkdagen gedurende ten minste zes uren per dag geopend.
2.In de nevenzittingsplaats is de griffie niet alle werkdagen, of
minder dan zes uren per dag, geopend.
Artikel 11
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
orde van dienst binnen de gerechten.
Artikel 11a [Vervallen per 15-05-2002]
Artikel 11b [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 11c [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 12
De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de
senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de rechterlijke
ambtenaren in opleiding en de griffier en substituut-griffier van de
Hoge Raad mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun
advocaten of gemachtigden over enige voor hen aanhangige geschillen of
geschillen waarvan zij weten of vermoeden dat die voor hen aanhangig
zullen worden.
Artikel 12a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 13
De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de
senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de rechterlijke
ambtenaren in opleiding, de griffier, substituut-griffier en waarnemend
griffiers van de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en buitengriffiers,
bedoeld in artikel 14, vierde lid, zijn verplicht tot geheimhouding van
de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun ambt de beschikking
krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of
redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk
voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun ambt de noodzaak tot
mededeling voortvloeit.
Afdeling 1a. Klachtbehandeling door de Hoge Raad
Artikel 13a
1. Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn
functie jegens hem heeft gedragen, kan, tenzij de klacht een
rechterlijke beslissing betreft, de procureur-generaal bij de Hoge
Raad schriftelijk verzoeken een vordering bij de Hoge Raad in te
stellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging.
2. Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat de naam en het
adres van de verzoeker en een zo duidelijk mogelijke beschrijving van
de bedoelde gedraging en de daartegen gerezen klacht.
Artikel 13b
1. De procureur-generaal is niet verplicht aan het verzoek, bedoeld
inartikel 13a, te voldoen, indien:
a. het verzoekschrift niet voldoet aan artikel 13a, tweede lid;
b. de verzoeker overeenkomstig artikel 26 of 75 een klacht over
de gedraging kan of had kunnen indienen;
c. overeenkomstigartikel 26 of 75 een klacht over de gedraging
is ingediend, deze klacht is behandeld en de verzoeker
redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als
bedoeld in artikel 13a;
d. reeds aanstonds blijkt dat het verzoekschrift onredelijk
lange tijd na het ontstaan van de klacht is ingediend;
e. een verzoekschrift van de verzoeker, dezelfde gedraging
betreffende, in behandeling is of – behoudens indien een nieuw
feit of een nieuwe omstandigheid, dezelfde gedraging betreffende,
is bekend geworden en zulks tot een ander oordeel zou hebben
kunnen leiden– is afgedaan;
f. voor de verzoeker met betrekking tot de klacht een
voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft
opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dan wel ten
aanzien van die klacht een uitspraak van een rechterlijke
instantie is gedaan waartegen geen rechtsmiddel openstaat;
g. door de procureur-generaal een vordering als bedoeld in
artikel 46o juncto artikel 46d, tweede lid, 46f, 46l of 46m van de
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is of zal worden
ingesteld.
2. De procureur-generaal stelt de verzoeker, de rechterlijk
ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft en
het betrokken gerechtsbestuur onderscheidenlijk de president van de
Hoge Raad in de gelegenheid hem mondeling of schriftelijk inlichtingen
te verstrekken. Hij kan ook anderen daartoe in de gelegenheid stellen.
3. De procureur-generaal stelt de verzoeker, de rechterlijk
ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft en
het betrokken gerechtsbestuur onderscheidenlijk de president van de
Hoge Raad op de hoogte van de uitkomst van het vooronderzoek. Zo nodig
vermeldt de procureur-generaal daarbij of naar zijn oordeel met
betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke
instantie openstaat.
4. Indien de procureur-generaal op grond van het eerste lid,
onderdeel b, geen toepassing geeft aan het verzoek, zendt hij het
verzoekschrift door aan het betrokken gerechtsbestuur
onderscheidenlijk de Hoge Raad.
Artikel 13c
Onverminderd artikel 13a, eerste lid, kan de procureur-generaal ook
ambtshalve bij de Hoge Raad een vordering instellen tot het doen van een
onderzoek naar de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak
belast zich in de uitoefening van zijn functie heeft gedragen. Artikel
13b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13d
Een vordering bij de Hoge Raad als bedoeld inartikel 13a of 13c wordt
behandeld door een bij het reglement van orde daartoe aangewezen kamer,
die zitting houdt met drie leden.
Artikel 13e
1. De Hoge Raad kan het betrokken gerechtsbestuur, degene op wiens
gedraging het onderzoek betrekking heeft, de verzoeker en anderen
verzoeken hem schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken.
2. Het onderzoek geschiedt in raadkamer. De Hoge Raad kan, hetzij
ambtshalve hetzij op verzoek van de procureur-generaal, het betrokken
gerechtsbestuur, degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking
heeft of de verzoeker, getuigen horen.
3. De Hoge Raad stelt het betrokken gerechtsbestuur en degene op
wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, in de gelegenheid
omtrent een aanhangige vordering zijn zienswijze schriftelijk of
mondeling te doen blijken.
Artikel 13f
1. De Hoge Raad beoordeelt of degene op wiens gedraging het
onderzoek betrekking heeft, zich in de onderzochte aangelegenheid al
dan niet behoorlijk heeft gedragen. De Hoge Raad kan tevens beoordelen
of het betrokken gerechtsbestuur zich al dan niet behoorlijk heeft
gedragen.
2. De Hoge Raad neemt een schriftelijke en met redenen omklede
beslissing.
3. Een afschrift van de beslissing wordt gezonden aan de verzoeker,
aan de rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het onderzoek
betrekking had, en aan het betrokken gerechtsbestuur dan wel, indien
het onderzoek betrekking had op een gedraging van een bij de Hoge Raad
werkzame rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, de president
van de Hoge Raad.
Artikel 13g
1. De procureur-generaal bij en de president van de Hoge Raad
stellen jaarlijks een verslag op van de overeenkomstig de artikelen
13a tot en met 13f verrichte werkzaamheden.
2. De procureur-generaal draagt er zorg voor dat het verslag
openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Artikel
10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 2. De organisatie van de gerechten
Paragraaf 1. Inrichting
Artikel 14
1. Bij een gerecht zijn werkzaam:
a. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, en
b. gerechtsambtenaren.
2. Bij een gerecht kunnen senior-gerechtsauditeurs,
gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding werkzaam
zijn.
3. De daartoe door het bestuur van een gerecht aangewezen
gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding,
senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs verrichten de
werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn
opgedragen. Zij zijn bevoegd deze werkzaamheden ook voor andere
gerechten uit te voeren. De aanwijzing geschiedt schriftelijk.
4. Het bestuur van een gerecht kan personen, niet zijnde
rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, gerechtsambtenaar,
rechterlijk ambtenaar in opleiding, senior-gerechtsauditeur of
gerechtsauditeur, benoemen tot buitengriffier. Zij kunnen in die
hoedanigheid door het bestuur worden opgeroepen voor het verrichten
van werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn
opgedragen. Het derde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing. Alvorens voor de eerste keer te worden opgeroepen leggen
zij de eed of belofte af. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt het formulier voor de eed of belofte vastgesteld en
worden regels gesteld over de beëdiging. Aan de buitengriffiers wordt
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
regels door het gerechtsbestuur een vergoeding toegekend.
5. Een buitengriffier wordt op eigen verzoek door het bestuur van
het gerecht ontslagen.
6. Het bestuur van het gerecht kan een buitengriffier ontslaan:
a. indien hij gedurende een periode van ten minste drie jaar
geen griffierswerkzaamheden heeft verricht;
b. op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte; of
c. wegens het doen of nalaten van hetgeen een persoon, werkzaam
ten behoeve van een gerecht, behoort na te laten of te doen.
7. Indien een gerechtsambtenaar, rechterlijk ambtenaar in
opleiding, senior-gerechtsauditeur, gerechtsauditeur of buitengriffier
griffierswerkzaamheden verricht ter ondersteuning van een rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast of een deskundig lid, is hij
verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van die rechterlijk ambtenaar
of dat deskundig lid.
Artikel 14a. [Red: Vervallen.]
1.Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn
functie jegens hem heeft gedragen, kan, tenzij de klacht een
rechterlijke beslissing betreft, de procureur-generaal bij de Hoge
Raad verzoeken een vordering in te stellen bij de Hoge Raad tot het
doen van een onderzoek naar die gedraging.
2.Het verzoekschrift dient de naam en het adres van de verzoeker te
bevatten; de bedoelde gedraging en de daartegen gerezen klacht moeten
er zo duidelijk mogelijk in worden beschreven.
Artikel 14b. [Red: Vervallen.]
1.De procureur-generaal voldoet aan het verzoek tenzij:
a. niet is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 14a,
tweede lid;
b. reeds aanstonds blijkt dat het verzoekschrift onredelijk
lange tijd na het ontstaan van de klacht is ingediend of geen
genoegzame gronden inhoudt om het instellen van een onderzoek te
vorderen;
c. een verzoekschrift van de verzoeker, dezelfde gedraging
betreffende, in behandeling is of - behoudens indien een nieuw
feit of een nieuwe omstandigheid, dezelfde gedraging betreffende,
is bekend geworden en zulks tot een ander oordeel zou hebben
kunnen leiden - is afgedaan;
d. voor de verzoeker met betrekking tot de klacht een
voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft
opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dan wel ten
aanzien van die klacht een uitspraak van een rechterlijke
instantie is gedaan waartegen geen rechtsmiddel openstaat;
e. door de procureur-generaal een vordering als bedoeld in
artikel 46o juncto artikel 46d, tweede lid, 46f, 46g, 46l of 46m
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, is of zal worden
ingesteld;
f. de verzoeker overeenkomstig de regeling, bedoeld in artikel
26, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, een
klacht kan of had kunnen indienen.
2.De procureur-generaal stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens
gedraging het verzoekschrift betrekking heeft in de gelegenheid hem
inlichtingen te verstrekken. Hij hoort de in de eerste volzin bedoelde
personen, wanneer dezen dit verzoeken.
3.De procureur-generaal stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens
gedraging het verzoekschrift betrekking heeft op de hoogte van de
uitkomsten van het vooronderzoek. Staat naar het oordeel van de
procureur-generaal met betrekking tot de klacht een voorziening bij
een rechterlijke instantie open, dan geeft hij daarvan kennis aan de
verzoeker.
Artikel 14c. [Red: Vervallen.]
De vordering van de procureur-generaal tot het instellen van een
onderzoek naar de in het verzoekschrift bedoelde gedraging wordt
behandeld door een voor de behandeling van deze vorderingen bij het
reglement van orde aangewezen Kamer, die zitting houdt met drie leden.
Artikel 14d. [Red: Vervallen.]
1.De Hoge Raad stelt de verzoeker en de ambtenaar op wiens
gedraging het verzoekschrift betrekking heeft in de gelegenheid naar
aanleiding van de vordering van de procureur-generaal, al dan niet in
elkaars tegenwoordigheid, te worden gehoord.
2.Het onderzoek geschiedt in raadkamer. Het college kan, hetzij op
verzoek van de procureur-generaal, hetzij op verzoek van een der in
het eerste lid bedoelde personen, hetzij ambtshalve getuigen horen.
3.De Hoge Raad stelt het bestuur van het gerechtshof
onderscheidenlijk de rechtbank in de gelegenheid omtrent een
aanhangige klacht schriftelijk of mondeling inlichtingen te
verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent te doen blijk geven,
indien de klacht is gericht tegen een rechterlijk ambtenaar met
rechtspraak belast, werkzaam bij dat gerechtshof onderscheidenlijk die
rechtbank.
Artikel 14e. [Red: Vervallen.]
1.De Hoge Raad beslist bij een arrest, waarin hij zijn bevindingen
met betrekking tot de in het verzoekschrift genoemde bezwaren opneemt
en zijn oordeel uitspreekt over de gegrondheid daarvan.
2.Een afschrift van het arrest wordt gezonden aan de verzoeker en
aan de ambtenaar op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking
heeft. De Hoge Raad zendt een afschrift van het arrest aan het bestuur
van het betrokken gerecht dan wel, indien de klacht gericht is tegen
een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, werkzaam bij de Hoge
Raad, aan de president van de Hoge Raad.
Artikel 15
1. Bij elk gerecht is een bestuur, dat bestaat uit een voorzitter,
de sectorvoorzitters en een niet-rechterlijk lid.
2. De voorzitter van het bestuur en de sectorvoorzitters zijn
rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast die hun rechtsprekend
ambt op basis van een aanstelling als bedoeld in artikel 5f, eerste
lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren vervullen.
3. De voorzitter van het bestuur draagt de titel van president.
4. Het niet-rechterlijk lid is een gerechtsambtenaar en draagt de
titel van directeur bedrijfsvoering.
5. De bestuursleden worden bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen worden
herbenoemd.
6. Voor de benoeming van een bestuurslid stelt de Raad een
aanbeveling op. Voordat de Raad een aanbeveling opstelt, hoort hij het
bestuur van het desbetreffende gerecht. Het bestuur stelt de Raad
daarbij tevens op de hoogte van de zienswijze van de ondernemingsraad.
7. Een lid van het bestuur kan niet tevens zijn lid van de Raad dan
wel lid van het bestuur van een ander gerecht.
8. Een lid van het bestuur kan niet tevens zijn:
a. lid van de Staten-Generaal;
b. minister;
c. staatssecretaris;
d. vice-president of lid van de Raad van State;
e. president of lid van de Algemene Rekenkamer;
f. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman;
g. advocaat of notaris, dan wel anderszins van het verlenen van
rechtskundige bijstand het beroep maken;
h. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder
ressorterende instellingen, diensten en bedrijven.
9. De voorzitter van het bestuur en de sectorvoorzitters kunnen
niet tevens rechterlijk ambtenaar, genoemd in artikel 1, onderdeel b,
onder 1° en 4° tot en met 9°, zijn.
10. De directeur bedrijfsvoering kan niet tevens rechterlijk
ambtenaar zijn.
Artikel 16
1. De voorzitter onderscheidenlijk de sectorvoorzitter ontvangt in
verband met het verrichten van de werkzaamheden als voorzitter
onderscheidenlijk sectorvoorzitter een toelage op het salaris dat hij
als rechterlijk ambtenaar geniet. Na het verstrijken van een
benoemingsduur van ten minste zes aaneengesloten jaren ontvangt de
voorzitter onderscheidenlijk de sectorvoorzitter, met ingang van de
datum waarop hij zijn werkzaamheden als zodanig beëindigt, gedurende
drie jaren een toelage op het salaris dat hij als rechterlijk
ambtenaar geniet. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil
tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de
functie van voorzitter onderscheidenlijk sectorvoorzitter vast te
stellen salarishoogte. Toekenning van de toelage geschiedt door het
bestuur uitgezonderd de betrokken voorzitter onderscheidenlijk
sectorvoorzitter.
2. Een lid van het bestuur wordt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt
dat of een betrekking die ingevolge artikel 15 onverenigbaar is met
het zijn van lid van het bestuur van het gerecht.
3. De voorzitter en de sectorvoorzitter worden bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk
geschorst als lid van het bestuur indien zij als rechterlijk ambtenaar
met rechtspraak belast worden ontslagen onderscheidenlijk geschorst,
tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt
betreft dat zij niet vervullen op basis van een aanstelling als
bedoeld in artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.
4. De voorzitter en de sectorvoorzitter worden op eigen verzoek bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
5. De directeur bedrijfsvoering wordt disciplinair gestraft,
geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister. Onze Minister doet zijn voordracht op voorstel van de Raad.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
over de rechtspositie van de bestuursleden, waaronder in ieder geval
regels betreffende de in het eerste lid bedoelde toelage van de
voorzitter en de sectorvoorzitter alsmede het salaris van de directeur
bedrijfsvoering.
Artikel 17
1.Het bestuur kan slechts beslissingen nemen indien ten minste de
helft van het aantal leden aanwezig is.
2.Het bestuur beslist bij meerderheid van stemmen.
3.Indien de stemmen staken, geeft de stem van de president de
doorslag.
Artikel 18
Het bestuur kan een of meer leden van het bestuur machtigen een of
meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen. Afdeling 10.1.1 van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
1.Het bestuur stelt bij reglement in ieder geval nadere regels vast
met betrekking tot zijn werkwijze, besluitvorming en taakverdeling, de
organisatiestructuur, de machtiging, bedoeld in artikel 18, de
vervanging van zijn leden in geval van ziekte of andere verhindering,
de indeling in kamers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, de verdeling
van zaken over de sectoren, bedoeld in artikel 20, tweede lid, alsmede
de verdeling van zaken over de hoofdplaats en nevenvestigings- en
nevenzittingsplaatsen.
2.Het reglement behoeft de instemming van de Raad. De artikelen
10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht.
4.Het reglement wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 20
1. Het bestuur stelt binnen het gerecht ten hoogste vier
organisatorische eenheden in onder de benaming sectoren.
2. Binnen een sector als bedoeld in het eerste lid worden in de
enkelvoudige en meervoudige kamers de soorten zaken behandeld en
beslist die door het bestuur aan die sector zijn opgedragen.
3. Met uitzondering van de raadsheren-plaatsvervangers en
rechters-plaatsvervangers, die hun ambt niet vervullen op basis van
een aanwijzing als bedoeld in artikel 5f, derde lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, vormen de binnen een sector
werkzame rechterlijke ambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding
en gerechtsambtenaren tezamen de sectorvergadering.
4. De raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers die
ingevolge het derde lid niet van de sectorvergadering deel uitmaken,
kunnen daar op uitnodiging aan deelnemen.
5. Gerechtsambtenaren nemen niet deel aan een stemming over de
juridische kwaliteit en uniforme rechtstoepassing, bedoeld in artikel
23, derde lid.
Artikel 21
1.De sectorvoorzitter is belast met de dagelijkse leiding van de
sector.
2.De sectorvoorzitter is voorzitter van de sectorvergadering.
Artikel 22
1. Met uitzondering van de raadsheren-plaatsvervangers en
rechters-plaatsvervangers, die hun ambt niet vervullen op basis van
een aanwijzing als bedoeld in artikel 5f, derde lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, vormen de bij een gerecht
werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de
seniorgerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, die tevens
raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger zijn, en de
rechterlijke ambtenaren in opleiding tezamen de gerechtsvergadering.
2. De president is voorzitter van de gerechtsvergadering.
3. De bij het gerecht werkzame gerechtsambtenaren,
senior-gerechtsauditeurs, gerechtsauditeurs, die niet tevens
raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger zijn, en de
raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers, die hun ambt
niet vervullen op basis van een aanwijzing als bedoeld in artikel 5f,
derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, kunnen op
uitnodiging deelnemen aan de gerechtsvergadering.
Paragraaf 2. Taken en bevoegdheden
Artikel 23
1.Het bestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en
de bedrijfsvoering van het gerecht. In het bijzonder draagt het
bestuur zorg voor:
a. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;
b. de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van de
begroting;
c. huisvesting en beveiliging;
d. de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische
werkwijze van het gerecht;
e. personeelsaangelegenheden;
f. overige materiële voorzieningen.
2.Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, treedt
het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de
inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete
zaak of in categorieën van zaken.
3.Het bestuur heeft voorts tot taak binnen het gerecht de
juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen.
Het voert daarover overleg met een sectorvergadering of de
gerechtsvergadering. Bij de uitvoering van deze taak treedt het
bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke
beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak.
4.De bestuursleden geven elkaar inlichtingen die voor de uitvoering
van de taken, bedoeld in het eerste en derde lid, noodzakelijk zijn.
Artikel 24
1.Het bestuur kan ter uitvoering van zijn taken, genoemd in artikel
23, eerste lid, alle bij het gerecht werkzame ambtenaren algemene en
bijzondere aanwijzingen geven.
2.Bij het geven van aanwijzingen treedt het bestuur niet in de
procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van
alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van
zaken.
Artikel 25
1. Ten aanzien van de gerechtsambtenaren worden de in de
Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden
uitgeoefend door het bestuur, met dien verstande dat deze bevoegdheden
ten aanzien van de directeur bedrijfsvoering worden uitgeoefend door
het bestuur uitgezonderd de directeur bedrijfsvoering.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele
bevoegdheden ten aanzien van de gerechtsambtenaren door het bestuur
onderscheidenlijk het bestuur uitgezonderd de directeur
bedrijfsvoering en door de Raad voor de rechtspraak.
3. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar, die tevens voorzitter
van het bestuur of sectorvoorzitter is, worden de bij en krachtens de
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het bestuur toegekende
bevoegdheden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd die rechterlijk
ambtenaar.
Artikel 26
1. Het bestuur stelt een regeling vast voor de behandeling van
klachten.
2. De regeling of een wijziging daarvan behoeft de instemming van
de Raad. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht.
4. Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen
waartegen ingevolge een wettelijk geregelde voorziening een procedure
bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan, dan wel
beroep openstaat of heeft opengestaan tegen een uitspraak die in een
zodanige procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke
beslissing betreffen.
5. De regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
6. Afdeling 9.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
7. Ten aanzien van de bij het gerecht werkzame gerechtsambtenaren,
buitengriffiers, gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in
opleiding zijn titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede
artikel 1a, vierde lid, en hoofdstuk III van de Wet Nationale
ombudsman van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
de overeenkomstige toepassing hiervan als bestuursorgaan wordt
aangemerkt het bestuur van het gerecht waar de betrokken
gerechtsambtenaar, buitengriffier, gerechtsauditeur of rechterlijk
ambtenaar in opleiding werkzaam is.
Artikel 27
De president vertegenwoordigt het gerecht.
Artikel 28
Een sectorvergadering of de gerechtsvergadering kan het bestuur
gevraagd of ongevraagd adviseren over de uitvoering van de in artikel
23, derde lid, genoemde taak.
Artikel 28a [Vervallen per 01-01-2002]
Paragraaf 3. Planning en bekostiging
Artikel 29
1.Met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste
lid, kent de Raad jaarlijks aan elk gerecht een algemeen budget toe
ten laste van de rijksbegroting. De Raad kan aan de toekenning van het
budget voorschriften verbinden.
2.In aanvulling op het algemene budget kan de Raad een gerecht
financiële middelen verstrekken voor specifiek omschreven
activiteiten die gericht zijn op verbetering van de organisatie of de
werkwijze van de gerechten of het desbetreffende gerecht. De tweede
volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29a [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 29b [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 30
De Raad deelt aan elk gerecht zo spoedig mogelijk na de mededeling,
bedoeld in artikel 101 mede welk budget, met inbegrip van de daaraan te
verbinden voorschriften, voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan
worden verwacht. Hij deelt daarbij tevens mede op welke wijze het
geraamde budget is berekend.
Artikel 31
1.Het bestuur stelt jaarlijks een jaarplan voor het gerecht vast.
Het plan bevat:
a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter
uitvoering van de in artikel 23, eerste lid, genoemde taken voor
het jaar volgend op het jaar waarin het plan is vastgesteld;
b. een begroting voor het komende begrotingsjaar;
c. een meerjarenraming voor ten minste vier op het
begrotingsjaar volgende jaren.
2.In afwijking van artikel 17, tweede lid, stelt het bestuur het
jaarplan vast met meerderheid van stemmen, waaronder de stem van de
president.
3.De Raad kan omtrent de inrichting van het plan algemene
aanwijzingen geven.
4.Het bestuur zendt het plan voor een door de Raad te bepalen
tijdstip aan de Raad.
5.Binnen het bestuur ziet de president toe op de uitvoering van het
jaarplan.
Artikel 32
1.Het bestuur stelt de begroting van het gerecht als onderdeel van
het jaarplan vast in overeenstemming met het door de Raad geraamde
budget, bedoeld in artikel 30.
2.De begroting van het gerecht behoeft de instemming van de Raad.
De artikelen 10:28 tot en met 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht.
4.De Raad beslist binnen acht weken na ontvangst van de begroting
van het gerecht. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien
binnen deze termijn geen beslissing van de Raad is ontvangen.
5.In gevallen van dringende spoed kan het bestuur een uitgave doen
voordat de desbetreffende begroting de instemming van de Raad heeft
verkregen. De Raad wordt daarvan terstond in kennis gesteld.
Artikel 33
1. De Raad maakt aan elk gerecht zo spoedig mogelijk na de
vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en
Justitie bekend, welk budget hij aan het gerecht toekent. Indien het
budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in artikel 30 is de
tweede volzin van dat artikel van overeenkomstige toepassing.
2. Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in
artikel 30, wijzigt het bestuur de begroting van het gerecht.
3. Beslissingen tot andere wijzigingen van de begroting kunnen
uiterlijk tot het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden
genomen.
4. De Raad wordt van de wijzigingen, bedoeld in het tweede en derde
lid, terstond in kennis gesteld.
5. Het bestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van
de vastgestelde of gewijzigde begroting.
Artikel 34
1.Indien de begroting niet de instemming van de Raad heeft
verkregen, behoeft het bestuur tot het doen van uitgaven steeds de
instemming van de Raad.
2.Een verzoek van het bestuur om instemming kan door de Raad
slechts worden afgewezen wegens strijd met het recht of het belang van
een goede bedrijfsvoering van het gerecht. De artikelen 10:28 tot en
met 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.De Raad beslist op het verzoek binnen acht weken na ontvangst van
het verzoek. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen
deze termijn geen beslissing van de Raad is ontvangen.
4.De Raad kan aan de instemming voorschriften verbinden.
5.De Raad kan bepalen voor welke posten en tot welk bedrag het
bestuur geen instemming behoeft.
Artikel 35
1.Het bestuur dient jaarlijks voor een door de Raad te bepalen
tijdstip bij de Raad een verslag in.
2.Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende
begroting, de daarin aangebrachte wijzigingen, het jaarverslag en
overige financiële gegevens.
3.In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van
het financiële beheer van het gerecht over het voorafgaande
begrotingsjaar.
4.De jaarrekening behoeft de instemming van de Raad. De instemming
kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht. De artikelen
10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.In het jaarverslag wordt vermeld op welke wijze de werkzaamheden
ten behoeve waarvan het budget ten laste van de rijksbegroting is
verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze
deze werkzaamheden zich verhouden tot het plan zoals dit
overeenkomstig artikel 31 voor het desbetreffende jaar is vastgesteld
en tot de in het desbetreffende jaar geldende financieringsregels,
bedoeld in artikel 97, eerste lid.
6.Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid en de
rechtmatigheid, afgegeven door een door het bestuur aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. De accountant voegt bij de verklaring een rapport
naar aanleiding van de controle op het financiële beheer. Bij de
aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan de Raad op diens
verzoek inzicht wordt geboden in de controle-rapporten van de
accountant.
7.De Raad kan een aanwijzing vaststellen inzake de reikwijdte en de
intensiteit van de accountantscontrole. Deze aanwijzing is in
overeenstemming met de aanwijzing, bedoeld in artikel 104, zesde lid.
8.In afwijking van artikel 17, tweede lid, stelt het bestuur het
jaarverslag vast met meerderheid van stemmen, waaronder de stem van de
president.
9.De Raad kan omtrent de inrichting van het verslag algemene
aanwijzingen geven.
Artikel 35a
1. In afwijking van artikel 32, eerste lid, van de
Comptabiliteitswet 2001, verricht het bestuur namens de Staat
privaatrechtelijke rechtshandelingen voorzover die voortvloeien uit
het door hem beheerde deel van de begroting van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat
een andere minister dan Onze Minister de rechtshandeling verricht.
2. De artikelen 32, vierde lid, en 39 van de Comptabiliteitswet
2001 zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Toezicht
Artikel 36
1.Het bestuur verstrekt desgevraagd aan de Raad de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
2.De Raad kan omtrent de verstrekking van inlichtingen algemene
aanwijzingen geven voorzover de gevraagde inlichtingen betrekking
hebben op beslissingen en handelingen ter uitvoering van de taken,
genoemd in artikel 23, eerste lid.
Artikel 36a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 37
Een beslissing van het bestuur ter uitvoering van de in artikel 23,
eerste lid, genoemde taken kan door de Raad worden vernietigd indien de
beslissing kennelijk in strijd is met het recht of het belang van een
goede bedrijfsvoering van het gerecht. De artikelen 10:36, 10:37, 10:38
tot en met 10:45 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1. In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan de Raad
Onze Minister voorstellen om een of meer leden van het bestuur voor te
dragen voor ontslag als lid van het bestuur. In geval van een ernstig
vermoeden voor het bestaan van ongeschiktheid anders dan wegens
ziekte, kan de Raad Onze Minister voorstellen om een of meer leden van
het bestuur voor te dragen voor schorsing als lid van het bestuur.
2. De schorsing of het ontslag geschiedt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister.
3. Indien alle leden van het bestuur zijn geschorst of ontslagen,
kan de Raad bij het desbetreffende gerecht een of meer tijdelijke
bewindvoerders aanstellen. Artikel 15, zevende tot en met tiende lid,
is van overeenkomstige toepassing. Bij de aanstelling wordt een
termijn bepaald voor de bewindvoering.
Artikel 39
1.Tegen een besluit op grond van artikel 38, eerste en tweede lid,
kan een belanghebbende beroep instellen bij de Hoge Raad.
2.De Hoge Raad beoordeelt of de Kroon in redelijkheid tot het
oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van ongeschiktheid anders dan
wegens ziekte, onderscheidenlijk een ernstig vermoeden voor het
bestaan daarvan, alsmede of Onze Minister bij zijn voordracht in
strijd met artikel 109 heeft gehandeld.
3.Op het beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht,
met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:11, 8:13
en 8:86, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. De rechtbanken
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 40
1. Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de
rechtbanken zijn:
a. senior rechters A;
b. senior rechters;
c. rechters;
d. rechters-plaatsvervangers.
2. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een
rechtbank zijn van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige
rechtbanken.
Artikel 41
1. De rechtbank is gevestigd in de hoofdplaats van het
arrondissement.
2. De nevenvestigingsplaatsen van de rechtbank zijn vermeld in de
bij deze wet behorende bijlage. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nevenzittingsplaatsen worden aangewezen. Tevens kunnen bij
algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de verdeling
van zaken over de hoofdplaats en de nevenvestigings- en
nevenzittingsplaatsen.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
4. Het bestuur verdeelt de zaken over de hoofdplaats en de
nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, met inachtneming van de
regels, bedoeld in het tweede lid.
5. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de
niet-rechterlijke leden van een meervoudige kamer, de
gerechtsambtenaren, de rechterlijke ambtenaren in opleiding, de
senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs en de buitengriffiers
kunnen in de nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen alle
werkzaamheden, ook buiten de terechtzitting, verrichten waartoe zij in
de hoofdplaats bevoegd zijn.
6. De griffie van de hoofdplaats is voor de zaken die in de
nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen worden behandeld, mede daar
gevestigd.
7. Stukken en zaken kunnen worden ingediend en gedeponeerd bij de
griffie in de plaats waar de zaak wordt behandeld, met dien verstande
dat in nevenzittingsplaatsen geen zaken kunnen worden gedeponeerd. Het
bestuur kan in het bestuursreglement bepalen dat in een
nevenzittingsplaats geen stukken kunnen worden ingediend.
8. Onze Minister kan, na overleg met het bestuur van de rechtbank,
bepalen dat in een zaak de terechtzitting zal worden gehouden op een
door hem aan te wijzen locatie in de hoofdplaats van het
arrondissement, buiten de hoofdplaats van het arrondissement of buiten
het arrondissement, indien dit noodzakelijk is in verband met de
veiligheid van personen.
Artikel 42
De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle burgerlijke
zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Artikel 43
De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van de
bestuursrechtelijke zaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is
opgedragen.
Artikel 43a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 44
De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van de belastingzaken
waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen.
Artikel 45
1.De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle strafzaken,
behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen.
2.De rechtbanken nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding
van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij in
strafzaken.
Artikel 46
Het bestuur van de rechtbank wijst uit de bij het gerecht werkzame
rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast rechters-commissarissen
aan, belast met de behandeling van strafzaken.
Paragraaf 2. De sector kanton
Artikel 47
1. Er is een sector kanton waarbinnen in enkelvoudige kamers
kantonzaken worden behandeld en beslist.
2. De sector kanton verricht zijn taken in de
arrondissementshoofdplaats alsmede in de nevenvestigingsplaatsen die
zijn vermeld in de bijlage, bedoeld in artikel 41, tweede lid, en in
de nevenzittingsplaatsen die krachtens artikel 41, tweede lid, zijn
aangewezen.
3. Het bestuur hoort de sectorvergadering van de sector kanton
over:
a. het opmaken van een lijst van aanbeveling voor een
opengevallen plaats binnen de sector kanton als bedoeld in artikel
5c, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
b. het houden van zittingen door de sector kanton in
nevenzittingsplaatsen;
c. de verdeling van kantonzaken over de hoofdplaats en
nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen.
Artikel 47a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 48
1. Het bestuur van de rechtbank vormt binnen de sector kanton
enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die
zittingheeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van
kantonrechter dan wel kantonrechter-plaatsvervanger.
2. In afwijking van artikel 47, eerste lid, vormt het bestuur van
de rechtbank binnen de sector kanton meervoudige kamers onder de
benaming van pachtkamers en bepaalt de bezetting daarvan.
3. Een pachtkamer wordt bezet door twee personen, niet zijnde
rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden en een kantonrechter. Op
de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en
met 13g van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48a
1. De deskundige leden van de pachtkamers van de rechtbanken,
bedoeld in artikel 48, derde lid, van deze wet en hun plaatsvervangers
worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister,
gehoord Gedeputeerde Staten. Zij worden genoemd lid, onderscheidenlijk
plaatsvervangend lid van de pachtkamer.
2. Om te kunnen worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van
een pachtkamer moet men Nederlander zijn.
3. De deskundige leden en de plaatsvervangende leden van de
pachtkamers worden voor de tijd van vijf jaren benoemd. Zij zijn bij
hun aftreden weer benoembaar. Zij worden op eigen verzoek bij
koninklijk besluit ontslagen.
4. Bij de benoeming van de deskundige leden en van de
plaatsvervangende leden dragen Wij zorg, dat in de pachtkamer noch het
belang der pachters, noch het belang van de verpachters overheerst.
5. De deskundige leden leggen alvorens zij met hun werkzaamheden
aanvangen de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is
vastgesteld in detweede bijlage bij deze wet. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over hun beëdiging.
6. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin
een deskundig lid of een plaatsvervangend lid van de pachtkamer de
leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij
koninklijk besluit ontslag verleend.
Artikel 48b
1. Het in de artikelen 46c, 46d, 46e, 46f, 46i, met uitzondering
van het eerste lid onder c, 46j, 46l, eerste en derde lid, 46m, 46o en
46p, van de Wet rechtspositie rechterlijk ambtenaren bepaalde is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de deskundige leden van de
pachtkamers en hun plaatsvervangers, met dien verstande dat voor de
overeenkomstige toepassing van artikel 46j onderscheidenlijk 46o,
tweede lid, onder functionele autoriteit wordt verstaan: bestuur
onderscheidenlijk president van het gerecht.
2. Zij genieten vergoeding voor hun reis- en verblijfkosten en
verdere vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen regels.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
ter uitvoering van dit artikel en van artikel 48a.
Artikel 49
Het bestuur van de rechtbank te Arnhem vormt binnen de sector kanton
een enkelvoudige kamer voor het behandelen en beslissen van militaire
kantonzaken en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die zitting heeft in
deze kamer draagt de titel van militaire kantonrechter.
Paragraaf 3. Vorming en bezetting van kamers
Artikel 50
1.Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken
waarvoor in verband met onverwijlde spoed een voorziening wordt
gevraagd enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Deze
kamers kunnen ook andere bij de wet aan hen toebedeelde zaken
behandelen en beslissen.
2.Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in
het eerste lid draagt de titel van voorzieningenrechter.
3.In kort geding als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering draagt de voorzieningenrechter ter terechtzitting de
aanspreektitel van president in kort geding.
Artikel 51
1.Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van strafzaken
in eerste aanleg, niet zijnde kantonzaken als bedoeld in artikel 47,
eerste lid, enkelvoudige kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van
deze kamers.
2.Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in
het eerste lid draagt de titel van politierechter.
Artikel 52
1.Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken
betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers
onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de
bezetting van deze kamers.
2.Degene die zitting heeft in een enkelvoudige economische kamer
draagt de titel van economische politierechter.
Artikel 53
1.Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van
kinderzaken enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan.
2.Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer voor
kinderzaken draagt de titel van kinderrechter.
Artikel 54
1. Het bestuur van de rechtbank te 's-Gravenhage vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken op grond van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 enkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de
bezetting daarvan.
2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld
in het eerste lid draagt de titel van militaire ambtenarenrechter.
3. Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig
is uit het krijgsmachtdeel waartoe degene die beroep heeft ingesteld
behoort of behoorde. Op het militaire lid zijn de artikelen 7, derde
lid, 12 en 13 tot en met 13g van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55
1. Het bestuur van de rechtbank te Arnhem vormt voor het behandelen
en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 2 van de Wet militaire
strafrechtspraak, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming
van militaire kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze
kamers.
2. Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig
is uit het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde.
Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende
krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk
krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid
zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van
overeenkomstige toepassing.
3. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige militaire kamer
draagt de titel van militaire politierechter.
Artikel 55a
1. Het bestuur van de rechtbank te’s-Gravenhage vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 78, eerste en
tweede lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, enkelvoudige en
meervoudige kamers onder de benaming van kamers voor het kwekersrecht.
Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.
2. Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast en een persoon, niet zijnde rechterlijk
ambtenaar, als deskundig lid. Op het deskundige lid zijn de artikelen
7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55b [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 55c [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 56
Het bestuur van de rechtbank te Haarlem vormt voor het behandelen en
beslissen van zaken als bedoeld in artikel 8:2, tweede en derde lid, van
de Algemene douanewet, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de
benaming van douanekamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze
kamers.
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2002]
Vierde afdeling. De gerechtshoven
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 58
1. Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de
gerechtshoven zijn:
a. senior raadsheren;
b. raadsheren;
c. raadsheren-plaatsvervangers.
2. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een
gerechtshof zijn van rechtswege raadsheer-plaatsvervanger in de
overige gerechtshoven.
Artikel 58a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 59
1. Het gerechtshof is gevestigd in de hoofdplaats van het ressort.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nevenzittingsplaatsen
worden aangewezen. Tevens kunnen bij algemene maatregel van bestuur
regels worden gesteld voor de verdeling van zaken over de hoofdplaats
en de nevenzittingsplaatsen.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
4. Het bestuur verdeelt de zaken over de hoofdplaats en de
nevenzittingsplaatsen, met inachtneming van de regels, bedoeld in het
tweede lid.
5. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de
niet-rechterlijke leden van een meervoudige kamer, de
gerechtsambtenaren, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs
en de buitengriffiers kunnen in de nevenzittingsplaatsen alle
werkzaamheden, ook buiten de terechtzitting, verrichten waartoe zij in
de hoofdplaats bevoegd zijn.
6. De griffie van de hoofdplaats is voor de zaken die in de
nevenzittingsplaatsen worden behandeld, mede daar gevestigd.
7. Stukken en zaken kunnen worden ingediend en gedeponeerd bij de
griffie in de plaats waar de zaak wordt behandeld, met dien verstande
dat in nevenzittingsplaatsen geen zaken kunnen worden gedeponeerd. Het
bestuur kan in het bestuursreglement bepalen dat in een
nevenzittingsplaats geen stukken kunnen worden ingediend.
8. Onze Minister kan, na overleg met het bestuur van het
gerechtshof, bepalen dat in een zaak de terechtzitting zal worden
gehouden op een door hem aan te wijzen locatie in de hoofdplaats van
het ressort, buiten de hoofdplaats van het ressort of buiten het
ressort, indien dit noodzakelijk is in verband met de veiligheid van
personen.
Artikel 59a [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59b [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59c [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59d [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59e [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59f [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59g [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59h [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59i [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 60
1.De gerechtshoven oordelen in hoger beroep over de daarvoor
vatbare vonnissen, beschikkingen en uitspraken in burgerlijke zaken,
strafzaken en belastingzaken van de rechtbanken in hun ressort.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het aan hoger
beroep onderworpen deel van het vonnis van een rechtbank in een
strafzaak dat betrekking heeft op de vordering van de benadeelde
partij indien de vordering meer dan € 1 750 bedraagt.
3.Het bestuur van het gerechtshof kan uit de bij het gerecht
werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast
raadsheren-commissarissen aanwijzen, belast met de behandeling van
strafzaken.
Artikel 60a [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 61
De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort,
kennis van jurisdictiegeschillen tussen rechtbanken binnen hun
rechtsgebied, met uitzondering van geschillen als bedoeld in artikel 8:9
van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 61a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 61b [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 62
1.De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste
ressort, kennis van de voor hoger beroep vatbare burgerlijke zaken
waarin partijen zijn overeengekomen deze bij de aanvang van het geding
bij wege van prorogatie aanhangig te maken bij het gerechtshof dat in
hoger beroep bevoegd zou zijn.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op zaken die niet ter vrije
bepaling van partijen staan.
Artikel 62a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Bij tijdelijk gebrek aan voldoende zittingscapaciteit binnen het
ressort kan de Raad tijdelijk een ander gerechtshof aanwijzen waarnaar
het gerechtshof zaken die behoren tot een in de aanwijzing te bepalen
categorie ter behandeling en beslissing kan verwijzen.
2. In de aanwijzing bepaalt de Raad voor welke periode de
aanwijzing geldt. De aanwijzing geldt ten hoogste drie jaren en kan
eenmaal worden verlengd voor de duur van ten hoogste een jaar.
3. De aanwijzing vindt niet plaats dan nadat de Raad daarover de
besturen van de betrokken gerechtshoven heeft gehoord. Indien de
aanwijzing betrekking heeft op strafzaken vindt de aanwijzing niet
plaats dan nadat de Raad daarover het College van procureurs-generaal
heeft gehoord.
4. De aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
een verlenging van de aanwijzing.
Artikel 62b
Indien een voortdurend gebrek aan voldoende zittingscapaciteit
daartoe noodzaakt, kan bij algemene maatregel van bestuur voor de duur
van ten hoogste twee jaar een ander dan het overeenkomstig artikel 60
bevoegde gerechtshof worden aangewezen als het bevoegde gerechtshof voor
zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie.
Paragraaf 2. Vorming en bezetting van kamers
Artikel 63
1.Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken
waarvoor in verband met onverwijlde spoed een voorziening wordt
gevraagd enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Deze
kamers kunnen ook andere bij de wet aan hen toebedeelde zaken
behandelen en beslissen.
2.Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in
het eerste lid draagt de titel van voorzieningenrechter.
Artikel 64
Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin
door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen dan wel
een bevel of een beschikking is gegeven, enkelvoudige en meervoudige
kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de
bezetting van deze kamers.
Artikel 65
Het bestuur van het gerechtshof te Amsterdam vormt voor het
behandelen en beslissen in hoger beroep van zaken waarin door de
douanekamers van de rechtbank te Haarlem uitspraak is gedaan
enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van douanekamers.
Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.
Artikel 66
1. Het bestuur van het gerechtshof te Amsterdam vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, de artikelen 173, 217 en 218 van de Pensioenwet,
artikel 5 van de Wet op de Europese ondernemingsraden, artikel 26 van
de Wet op de ondernemingsraden, artikel 36 van de Wet medezeggenschap
op scholen en de artikelen 997 en 1000 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering een meervoudige kamer onder de benaming van
ondernemingskamer en bepaalt de bezetting daarvan.
2. De ondernemingskamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk
ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de
artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van deze wet en de
artikelen 46c, 46d, 46f, 46i, met uitzondering van het eerste lid,
onderdeel c, 46j, 46l, eerste en derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel
46j onderscheidenlijk artikel 46o, tweede lid, onder functionele
autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het
gerecht.
3. Het bestuur van het gerechtshof te 's-Gravenhage vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 46d,
onderdeel i, van de Wet op de ondernemingsraden een meervoudige kamer
en bepaalt de bezetting daarvan. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing.
4. De deskundige leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor
een periode van vijf jaar. Er kunnen ook plaatsvervangers worden
benoemd.
5. De deskundige leden leggen alvorens zij met hun werkzaamheden
aanvangen de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is
vastgesteld in detweede bijlage bij deze wet. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over hun beëdiging.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
het kostuum, de afwezigheid, de afwisseling, de vergoeding voor reis-
en verblijfskosten en nadere vergoeding van de deskundige leden en hun
plaatsvervangers.
Artikel 67
1. Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt een meervoudige
kamer die is belast met het behandelen en beslissen van zaken in
beroep als bedoeld in de artikelen 502, 509v en 509ff van het Wetboek
van Strafvordering. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer.
2. Deze kamer is voorts belast met het verstrekken van adviezen
ingevolge artikel 43, derde lid, van de Wet overdracht
tenuitvoerlegging strafvonnissen.
3. Deze kamer wordt voor de beslissing in zaken in beroep als
bedoeld in de artikelen 502, 509v en 509ff van het Wetboek van
Strafvordering aangevuld met twee personen, niet zijnde rechterlijk
ambtenaar, als deskundige leden. In de overige zaken kan de voorzitter
van de kamer deze leden toevoegen. Op de deskundige leden zijn de
artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van deze wet en de
artikelen 46c, 46d, 46f, 46i, met uitzondering van het eerste lid,
onderdeel c, 46j, 46l, eerste en derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel
46j onderscheidenlijk artikel 46o, tweede lid, onder functionele
autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het
gerecht.
4. De deskundige leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor
een periode van vijf jaar. Er kunnen ook plaatsvervangers worden
benoemd.
5. De deskundige leden leggen alvorens zij met hun werkzaamheden
aanvangen de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is
vastgesteld in detweede bijlage bij deze wet. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over hun beëdiging.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
het kostuum, de afwezigheid, de afwisseling, de vergoeding voor reis-
en verblijfskosten en nadere vergoeding van de deskundige leden en hun
plaatsvervangers.
Artikel 68
1. Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken waarin door de militaire kamer van
de rechtbank te Arnhem vonnis is gewezen een meervoudige kamer onder
de benaming van militaire kamer. Het bestuur bepaalt de bezetting van
deze kamer.
2. De militaire kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur behoort tot
het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de
behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende
krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk
krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid
zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van
overeenkomstige toepassing.
3. De militaire kamer oordeelt ook over het beklag over niet
vervolging in militaire zaken als bedoeld in artikel 12 van het
Wetboek van Strafvordering.
Artikel 69
1. Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 1019o, eerste
lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een meervoudige
kamer onder de benaming van pachtkamer. Het bestuur bepaalt de
bezetting van deze kamer.
2. De pachtkamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk
ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de
artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 69a
1. De deskundige leden van de pachtkamer van het gerechtshof en hun
plaatsvervangers worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister. Zij worden genoemd raad, onderscheidenlijk
plaatsvervangende raad in de pachtkamer van het gerechtshof.
2. Het bepaalde in de artikelen 48a, tweede, derde, vierde, vijfde
lid en zesde lid, en48b is mede op deze leden en hun plaatsvervangers
van toepassing.
Artikel 70
1. Het bestuur van het gerechtshof te 's-Gravenhage vormt voor het
behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 78, derde
lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, een meervoudige kamer
onder de benaming van kamer voor het kwekersrecht. Het bestuur bepaalt
de bezetting van deze kamer.
2. De kamer voor het kwekersrecht bestaat uit drie rechterlijke
ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde
rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden
zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 tot en met 13g van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 71
Het bestuur van het gerechtshof te Leeuwarden vormt enkelvoudige en
meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van zaken op basis
van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en
op basis van artikel 154b van de Gemeentewet. Het bestuur bepaalt de
bezetting van deze kamers.
Afdeling 5. De Hoge Raad
Artikel 72
1. De Hoge Raad bestaat uit een president, ten hoogste zeven
vice-presidenten, ten hoogste dertig raadsheren en ten hoogste
vijftien raadsheren in buitengewone dienst.
2. De raadsheren in buitengewone dienst verrichten, als raadsheer,
werkzaamheden voorzover zij daartoe door de president worden
opgeroepen.
3. Bij de Hoge Raad is een griffier werkzaam.
4. Bij de Hoge Raad kunnen gerechtsauditeurs en een
substituut-griffier werkzaam zijn.
5. Voor de toepassing van het eerste lid worden de president van,
de vice-presidenten van en de raadsheren in de Hoge Raad aan wie
buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, voor de
duur van dat verlof en gedurende ten hoogste een jaar daarna buiten
beschouwing gelaten.
6. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechterlijke
ambtenaren die zijn aangesteld voor een minder dan volledige
arbeidsduur, geteld overeenkomstig de breuk die hun arbeidsduur
aangeeft.
Artikel 73
1. In geval van ziekte of andere verhindering wordt de president
vervangen door een vice-president.
2. In geval van ziekte of andere verhindering van de griffier wordt
hij, bij gebreke van een substituut-griffier, vervangen door een
waarnemend griffier.
3. De waarnemend griffiers worden door Onze Minister benoemd op
aanbeveling van de Hoge Raad. Alvorens voor de eerste keer door de
president van de Hoge Raad te worden opgeroepen leggen zij de eed of
belofte af. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het
formulier voor de eed of belofte vastgesteld en worden regels gesteld
over de beëdiging. Aan een waarnemend griffier wordt volgens bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels door Onze
Minister een vergoeding toegekend.
4. Een waarnemend griffier wordt op eigen verzoek door Onze
Minister ontslagen. Onze Minister stelt de president van de Hoge Raad
hiervan op de hoogte.
5. Onze Minister kan een waarnemend griffier ontslaan:
a. indien hij gedurende een periode van ten minste drie jaar
geen griffierswerkzaamheden heeft verricht;
b. op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte; of
c. wegens het doen of nalaten van iets wat een persoon,
werkzaam ten behoeve van de Hoge Raad, behoort na te laten of te
doen.
Artikel 74
De Hoge Raad geeft advies of inlichtingen wanneer dat vanwege de
regering wordt gevraagd.
Artikel 75
1. De Hoge Raad vormt, op voorstel van de president, een of meer
meervoudige kamers en, voor de gevallen waarin de wet dat
voorschrijft, een of meer enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting
daarvan.
2. Bij de Hoge Raad worden zaken, behoudens bij de wet bepaalde
uitzonderingen, behandeld en beslist door vijf leden van een
meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt.
3. De voorzitter van een meervoudige kamer kan bepalen dat een zaak
die daarvoor naar zijn oordeel geschikt is, wordt behandeld en beslist
door drie leden van die kamer. Indien de zaak naar het oordeel van een
van deze leden ongeschikt is voor behandeling en beslissing door drie
leden, wordt de behandeling voortgezet door vijf leden.
4. De Hoge Raad stelt, op voorstel van de president, een reglement
van inwendige dienst vast. In dit reglement wordt de indeling in
kamers vastgelegd.
5. Het reglement wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
6. De Hoge Raad stelt een regeling vast voor de behandeling van
klachten.Artikel 26, vierde tot en met zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 76
1.De Hoge Raad neemt in eerste instantie, tevens in hoogste
ressort, kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan
door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de
staatssecretarissen.
2.Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen
strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden
omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.
3.In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de Hoge
Raad tevens bevoegd kennis te nemen van de vordering tot vergoeding
van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij.
4.In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, oordeelt de
Hoge Raad met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken der
stemmen wordt een uitspraak ten voordele van de verdachte gedaan.
Artikel 77
1.De Hoge Raad neemt in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort,
kennis van jurisdictiegeschillen tussen:
a. rechtbanken, tenzij artikel 61 van toepassing is;
b. gerechtshoven;
c. een gerechtshof en een rechtbank;
d. een tot de rechterlijke macht behorend gerecht en een niet
tot de rechterlijke macht behorend gerecht;
e. administratieve rechters, tenzij een andere administratieve
rechter daartoe bevoegd is.
2.Indien het jurisdictiegeschil is gerezen tussen de Hoge Raad en
een ander in het eerste lid genoemd gerecht, wordt de Hoge Raad ter
beslissing daarvan zoveel mogelijk samengesteld uit raadsheren die van
de zaak nog geen kennis genomen hebben.
Artikel 78
1.De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen de
handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven
en de rechtbanken, ingesteld hetzij door een partij, hetzij «in het
belang der wet» door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de handelingen en
uitspraken van de rechtbanken in zaken waarvan zij als administratieve
rechter kennis nemen.
3.Het eerste lid is voorts niet van toepassing ten aanzien van de
handelingen en beslissingen van de rechtbanken en van het gerechtshof
te Leeuwarden in zaken met betrekking tot de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en in zaken
betreffende bestuurlijke boeten opgelegd op grond van artikel 154b van
de Gemeentewet, met dien verstande dat de Hoge Raad wel kennis neemt
van de eis tot «cassatie in het belang der wet» door de
procureur-generaal.
4.De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen
uitspraken van de administratieve rechter voorzover dit bij wet is
bepaald.
5.Een partij kan geen beroep in cassatie instellen indien voor haar
een ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan.
6.Cassatie «in het belang der wet» kan niet worden ingesteld
indien voor partijen een gewoon rechtsmiddel openstaat en brengt geen
nadeel toe aan de rechten door partijen verkregen
Artikel 79
1.De Hoge Raad vernietigt handelingen, arresten, vonnissen en
beschikkingen:
a. wegens verzuim van vormen voorzover de niet-inachtneming
daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige
nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen
vorm;
b. wegens schending van het recht met uitzondering van het
recht van vreemde staten.
2.Feiten waaruit het gelden of niet gelden van een regel van
gewoonterecht wordt afgeleid, worden voorzover zij bewijs behoeven,
alleen op grond van de bestreden beslissing als vaststaande
aangenomen.
Artikel 80
1.Tegen een vonnis of een beschikking van een kantonrechter in een
burgerlijke zaak waartegen geen hoger beroep kan of kon worden
ingesteld, kan een partij slechts beroep in cassatie instellen wegens:
a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de
beschikking berust;
b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of,
voorzover rechtens vereist, de beschikking;
c. onbevoegdheid; of
d. overschrijding van rechtsmacht.
2.Een vonnis van een kantonrechter in een strafzaak kan, afgezien
van het geval van cassatie «in het belang der wet», wegens geen
ander verzuim van vormen worden vernietigd dan wegens:
a. het niet inhouden van het ten laste gelegde dan wel, in
geval van een bewezenverklaring, het ten laste gelegde alsmede de
gronden waarop het vonnis berust;
b. het niet beslissen op de grondslag van de tenlastelegging;
c. het niet geven van de beslissing, bedoeld in artikel 358,
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dan wel het niet
geven van de redenen voor deze beslissing; of
d. het niet in het openbaar gewezen zijn van het vonnis.
Artikel 81
Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot
cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in
het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich
bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit
oordeel.
Artikel 82
1.De Hoge Raad is belast met de beëdiging van functionarissen ten
aanzien van wie zulks bij of krachtens de wet is bepaald.
2.De in het eerste lid bedoelde taak wordt uitgeoefend door de
president van de Hoge Raad. De beëdiging geschiedt op vordering van
de procureur-generaal.
Artikel 83
De rechtbanken, de gerechtshoven en de presidenten geven inlichtingen
wanneer die door de Hoge Raad voor de behandeling van een zaak
noodzakelijk worden geacht.
Artikel 83a [Vervallen per 01-01-2002]
AFDELING 6. RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK
Paragraaf 1. Inrichting
Artikel 84
1. Er is een Raad voor de rechtspraak.
2. De Raad bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt het aantal leden vastgesteld.
3. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen
eenmaal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar.
4. Indien de Raad bestaat uit drie of vier leden onderscheidenlijk
uit vijf leden, zijn twee leden onderscheidenlijk drie leden
rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak
belaste leden van de Centrale Raad van Beroep of het College van
Beroep voor het bedrijfsleven, die hun rechtsprekend ambt op basis van
een aanstelling als bedoeld in artikel 5f, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren vervullen. De overige leden van
de Raad zijn geen rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, dan
wel met rechtspraak belaste leden van de Centrale Raad van Beroep of
het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
5. Een van de rechterlijke leden wordt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister tot voorzitter van de Raad benoemd.
6. De leden kunnen niet tevens zijn:
a. lid van het bestuur van een gerecht;
b. lid van de Staten-Generaal;
c. minister of staatssecretaris;
d. vice-president of lid van de Raad van State;
e. president of lid van de Algemene Rekenkamer;
f. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman;
g. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder
ressorterende instellingen, diensten en bedrijven;
h. rechterlijk ambtenaar, als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, onder 1° en 4° tot en met 9°;
i. lid van het College van Afgevaardigden, bedoeld in artikel
90.
Artikel 84a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 85
1.Voorafgaand aan de voordracht, bedoeld in artikel 84, derde lid,
stelt Onze Minister in overeenstemming met de Raad een lijst vast van
maximaal zes personen die voor de vervulling van de desbetreffende
vacature in aanmerking lijken te komen.
2.De lijst wordt ter beschikking gesteld aan een commissie van
aanbeveling. Deze bestaat uit een president van een gerecht, een
vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, een
lid van het College van afgevaardigden, een directeur bedrijfsvoering
van een gerecht en een door Onze Minister aangewezen persoon. De
president is voorzitter.
3.De commissie stelt uit de lijst een aanbeveling op van maximaal
drie personen. Zij zendt deze uiterlijk acht weken na vaststelling van
de lijst aan Onze Minister.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de procedure, bedoeld in dit artikel.
Artikel 86
1. De rechterlijke leden van de Raad ontvangen in verband met het
verrichten van de werkzaamheden als lid van de Raad een toelage op het
salaris dat zij als rechterlijk ambtenaar, lid van de Centrale Raad
van Beroep of lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
genieten. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen
dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie
van rechterlijk lid van de Raad vast te stellen salarishoogte.
Toekenning van de toelage geschiedt door de Raad voor de rechtspraak
uitgezonderd het betrokken lid.
2. Een lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een
betrekking die volgens artikel 84 onverenigbaar is met het
lidmaatschap van de Raad. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt
tevens als lid van de Raad bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister ontslagen indien hij wordt benoemd als rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast, met rechtspraak belast lid van de
Centrale Raad van Beroep of met rechtspraak belast lid van het College
van Beroep voor het bedrijfsleven.
3. Een rechterlijk lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als
lid van de Raad indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak
belast dan wel met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van
Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt
ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag of die
schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft dat hij niet op basis
van een aanstelling als bedoeld in artikel 5f, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren vervult.
4. Een rechterlijk lid van de Raad wordt op eigen verzoek bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
5. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair
gestraft, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister.
6. Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de
in de Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden
uitgeoefend door de Raad, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van de
Raad. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele
bevoegdheden ten aanzien van een niet-rechterlijk lid door de Raad
uitgezonderd het niet-rechterlijk lid.
7. Ten aanzien van een rechterlijk lid van de Raad worden de in de
artikelen 7, 17, 18, 18a, 40, 45 en 46 van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren aan het gerechtsbestuur toegekende
bevoegdheden uitgeoefend door de Raad uitgezonderd het rechterlijk
lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele
bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk lid door de Raad
uitgezonderd het rechterlijk lid.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
over de rechtspositie van de leden van de Raad, waaronder in ieder
geval regels betreffende de in het eerste lid bedoelde toelage van de
rechterlijke leden alsmede het salaris van een niet-rechterlijk lid.
Artikel 87
1. Indien de Raad bestaat uit drie leden, kan hij alleen
beslissingen nemen indien ten minste twee leden aanwezig zijn. Indien
de Raad bestaat uit vier of vijf leden, kan hij alleen beslissingen
nemen indien ten minste drie leden aanwezig zijn.
2. De Raad beslist bij meerderheid van stemmen.
3. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de
doorslag.
4. De Raad stelt bij reglement nadere regels vast met betrekking
tot zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement wordt aan Onze
Minister gezonden en gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 88
De Raad kan een of meer leden machtigen een of meer van zijn
bevoegdheden uit te oefenen. Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 89
1. Te zijner ondersteuning beschikt de Raad over een bureau.
2. Ten aanzien van de tot het bureau behorende ambtenaren worden de
in de Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden
uitgeoefend door de Raad.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele
bevoegdheden door de Raad ten aanzien van de tot het bureau behorende
ambtenaren.
Artikel 90
1.Er is een College van afgevaardigden.
2.Het College bestaat uit vertegenwoordigers van de gerechten, de
Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het
bedrijfsleven. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de samenstelling en inrichting van het College en de
afvaardiging van de leden.
3.Het College heeft tot taak de Raad gevraagd of ongevraagd te
adviseren omtrent de uitvoering van zijn taken.
4.De Raad verstrekt desgevraagd aan het College de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Paragraaf 2. Taken en bevoegdheden
Artikel 91
1.De Raad is belast met:
a. de voorbereiding van de begroting voor de Raad en de
gerechten gezamenlijk;
b. de toekenning van budgetten ten laste van de rijksbegroting
aan de gerechten;
c. de ondersteuning van de bedrijfsvoering bij de gerechten;
d. het toezicht op de uitvoering van de begroting door de
gerechten;
e. het toezicht op de bedrijfsvoering bij de gerechten;
f. landelijke activiteiten op het gebied van werving, selectie,
aanstelling, benoeming en opleiding van het personeel bij de
gerechten.
2.Ter uitvoering van de in het eerste lid, onder c en e, genoemde
taken is de zorg van de Raad in het bijzonder gericht op:
a. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;
b. huisvesting en beveiliging;
c. de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische
werkwijze van de gerechten;
d. personeelsaangelegenheden;
e. overige materiële voorzieningen.
Artikel 92
1.De Raad kan ter uitvoering van de in artikel 91 genoemde taken
algemene aanwijzingen geven aan de besturen van de gerechten voorzover
dit noodzakelijk is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de
gerechten.
2.Alvorens een aanwijzing te geven stelt de Raad het College van
afgevaardigden in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. In
de motivering van de aanwijzing geeft de Raad aan op welke wijze hij
de zienswijze van het College in zijn beoordeling heeft betrokken.
3.Een aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 93
1.Onze Minister kan algemene aanwijzingen geven betreffende de
uitvoering van de in artikel 91 genoemde taken door de Raad voorzover
dit noodzakelijk is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de
rechterlijke organisatie.
2.Alvorens een aanwijzing te geven als bedoeld in het eerste lid,
stelt Onze Minister de Raad in de gelegenheid schriftelijk zijn
zienswijze kenbaar te maken.
3.Onze Minister deelt de Raad de voorgenomen aanwijzing en de
motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan de Raad voor
het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De
zienswijze van de Raad wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.
4.Indien de zienswijze van de Raad luidt dat de aanwijzing in
strijd zal zijn met artikel 109, wordt de aanwijzing niet gegeven.
5.De aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
6.Artikel 8:2, onderdelen a en b, van de Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 94
De Raad heeft tot taak ondersteuning te bieden aan activiteiten van
de gerechten die gericht zijn op uniforme rechtstoepassing en
bevordering van de juridische kwaliteit.
Artikel 95
1.De Raad heeft tot taak regering en Staten-Generaal te adviseren
omtrent algemeen verbindende voorschriften en te voeren beleid van het
Rijk op het terrein van de rechtspleging. De adviezen van de Raad
worden vastgesteld na overleg met de gerechten.
2.Hoofdstuk 4 van de Kaderwet adviescolleges is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 96
1. Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 94 en
95, treedt de Raad niet in de procesrechtelijke behandeling van, de
inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete
zaak.
2. Bij de uitvoering van de overige taken en bevoegdheden,
toegedeeld bij of krachtens deze wet, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de Raad ook niet
treedt in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke
beoordeling van alsmede de beslissing in categorieën van zaken.
Artikel 96a
De Raad stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten.
Artikel 26, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 3. Planning en bekostiging
Artikel 97
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de financiering van de rechtspraak. Daartoe behoren in
elk geval regels betreffende:
a. de objectieve meting van de werklast bij de gerechten;
b. de vergoeding van de gerechtskosten;
c. de voorschriften die aan de financiering kunnen worden
verbonden in verband met de activiteiten van de gerechten en de
daaraan verbonden werklast;
d. de wijze waarop bij de financiering rekening kan worden
gehouden met de naleving van de in onderdeel c bedoelde
voorschriften in de voorafgaande periode;
e. het door de Raad en de gerechten toe te passen
begrotingsstelsel.
2.Voordat een voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan, stelt Onze
Minister de Raad in de gelegenheid schriftelijk zijn zienswijze
kenbaar te maken. In de nota van toelichting bij de algemene maatregel
van bestuur wordt aangegeven in hoeverre en op welke gronden van de
zienswijze van de Raad is afgeweken.
3.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
4.In het verslag, bedoeld in artikel 104, eerste lid, besteedt de
Raad aandacht aan de wijze waarop de algemene maatregel van bestuur is
toegepast. Daarbij geeft de Raad aan op welke wijze de toepassing van
de regeling zich verhoudt tot de kwaliteit van de taakuitvoering door
de gerechten en doet hij zo nodig voorstellen tot wijziging.
Artikel 98
1.Met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste
lid, stelt de Raad jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende
begrotingsjaar, een voorstel vast voor een begroting van de Raad en de
gerechten gezamenlijk, met inbegrip van de aan het toe te kennen
budget te verbinden voorschriften, alsmede een meerjarenraming voor
ten minste vier op het begrotingsjaar volgende jaren.
2.Alvorens de Raad het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming
vaststelt, voert de Raad overleg met de gerechten.
3.De Raad zendt het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming voor
een door Onze Minister te bepalen tijdstip aan Onze Minister.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de voorbereiding en de inrichting
van het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming, met inbegrip van de
daarbij behorende toelichting en bijlagen.
Artikel 99
1.De ontwerp-begroting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de
Comptabiliteitswet 2001, wordt door Onze Minister opgesteld in
overeenstemming met het begrotingsvoorstel van de Raad, tenzij zich
het geval voordoet, bedoeld in het derde lid.
2.Indien Onze Minister zich met het oog op een rechtmatig en
doelmatig beheer van 's Rijks gelden niet kan verenigen met het
begrotingsvoorstel van de Raad of een onderdeel daarvan, deelt hij dit
mede aan de Raad en voert hij hierover met de Raad overleg.
3.Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot
overeenstemming leidt en Onze Minister overwegende bezwaren houdt,
wordt het begrotingsvoorstel van de Raad of het desbetreffende
onderdeel daarvan in gewijzigde vorm opgenomen in de ontwerp-begroting,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
4.In de toelichting op het voorstel van wet geeft Onze Minister aan
welke voorschriften hij voornemens is aan het krachtens artikel 100
toe te kennen budget te verbinden. Het eerste tot en met het derde lid
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 100
Met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste lid,
kent Onze Minister jaarlijks aan de Raad een budget toe ten laste van de
rijksbegroting ten behoeve van de activiteiten van de Raad en de
gerechten gezamenlijk. Aan de toekenning kan Onze Minister voorschriften
verbinden.
Artikel 101
Onze Minister deelt zo spoedig mogelijk na de aanhangigmaking van het
voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie
van Veiligheid en Justitie bij de Afdeling advisering van de Raad van
State, aan de Raad mede welk budget, met inbegrip van de daaraan te
verbinden voorschriften, voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan
worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze het geraamde
budget is berekend.
Artikel 101a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 102
1.De Raad stelt jaarlijks een jaarplan vast voor de Raad en de
gerechten gezamenlijk. Het plan omvat:
a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter
uitvoering van de in artikel 91 genoemde taken voor het jaar
volgend op het jaar waarin het plan is vastgesteld;
b. een begroting voor het komende begrotingsjaar.
2.De Raad stelt de begroting vast in overeenstemming met het
geraamde budget, bedoeld in artikel 101.
3.De Raad zendt het jaarplan voor een door Onze Minister te bepalen
tijdstip aan Onze Minister. Onze Minister zendt het jaarplan
onverwijld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de inrichting van het jaarplan.
Artikel 103
1. Onze Minister maakt aan de Raad zo spoedig mogelijk na de
vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en
Justitie bekend, welk budget hij toekent aan de Raad en de gerechten
gezamenlijk. Indien het budget afwijkt van het geraamde budget,
bedoeld in artikel 101, is de tweede volzin van dat artikel van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in
artikel 101, wijzigt de Raad de begroting.
3. Beslissingen tot andere wijzigingen van de begroting kunnen tot
uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden
genomen.
4. De Raad doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de
vastgestelde of gewijzigde begroting.
Artikel 104
1.De Raad dient jaarlijks voor een door Onze Minister te bepalen
tijdstip bij Onze Minister een verslag in. Onze Minister zendt het
verslag onverwijld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
2.Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende
begroting, de daarin aangebrachte wijzigingen, het jaarverslag en
overige financiële gegevens.
3.In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van
het financiële beheer van de Raad en de gerechten gezamenlijk over
het voorafgaande begrotingsjaar.
4.In het jaarverslag wordt vermeld op welke wijze de werkzaamheden
ten behoeve waarvan het budget ten laste van de rijksbegroting is
verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze
deze werkzaamheden zich verhouden tot het plan zoals dit
overeenkomstig artikel 102 voor het desbetreffende jaar is
vastgesteld, de plannen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, en de
verslagen, bedoeld in artikel 35, eerste lid.
5.Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid en de
rechtmatigheid, afgegeven door een door de Raad aangewezen accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. De accountant voegt bij de verklaring een rapport naar
aanleiding van de controle op het financiële beheer. Bij de
aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze Minister op
diens verzoek inzicht wordt geboden in de controle-rapporten van de
accountant.
6.Onze Minister kan een aanwijzing vaststellen inzake de reikwijdte
en de intensiteit van de accountantscontrole.
7.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de inrichting van het verslag.
Artikel 104a
1. In afwijking van artikel 32, eerste lid, van de
Comptabiliteitswet 2001, verricht de Raad namens de Staat
privaatrechtelijke rechtshandelingen voorzover die voortvloeien uit
het door hem beheerde deel van de begroting van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat
een andere minister dan Onze Minister de rechtshandeling verricht.
2. De artikelen 32, vierde lid, en 39 van de Comptabiliteitswet
2001 zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Toezicht
Artikel 105
De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Artikel 106
1. Een beslissing van de Raad ter uitvoering van de in artikel 91
genoemde taken of een beslissing van de Raad als bedoeld in artikel
46a of 62a, kan op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit
worden vernietigd indien de beslissing kennelijk in strijd is met het
recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke
organisatie.
2. De artikelen 8:4, onderdeel a, 10:36, 10:37 en 10:38 tot en met
10:45 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 107
1. In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan Onze
Minister een of meer leden van de Raad voordragen voor ontslag als lid
van de Raad. In geval van een ernstig vermoeden voor het bestaan van
ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, kan Onze Minister een of meer
leden van de Raad voordragen voor schorsing als lid van de Raad.
2. De schorsing of het ontslag geschiedt bij koninklijk besluit.
3. Indien alle leden van de Raad zijn geschorst of ontslagen, kan
Onze Minister bij de Raad een of meer tijdelijke bewindvoerders
aanstellen. Artikel 84, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij de aanstelling wordt een termijn bepaald voor de bewindvoering.
Artikel 108
1.Tegen een besluit op grond van artikel 107, eerste en tweede lid,
kan een belanghebbende beroep instellen bij de Hoge Raad.
2.De Hoge Raad beoordeelt of de Kroon in redelijkheid tot het
oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van ongeschiktheid anders dan
wegens ziekte, onderscheidenlijk een ernstig vermoeden voor het
bestaan daarvan, alsmede of Onze Minister bij zijn voordracht in
strijd met artikel 109 heeft gehandeld.
3.Op het beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht,
met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:11, 8:13
en 8:86, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 109
Bij de uitvoering van de bevoegdheden, toegedeeld bij of krachtens
deze wet, treedt Onze Minister niet in de procesrechtelijke behandeling
van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een
concrete zaak of in categorieën van zaken.
Artikel 110 [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk 3. De procureur-generaal bij de Hoge Raad
Artikel 111
1.Er is een parket bij de Hoge Raad, aan het hoofd waarvan de
procureur-generaal bij de Hoge Raad staat.
2.De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met:
a. de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen
begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de
staatssecretarissen;
b. het nemen van aan de Hoge Raad uit te brengen conclusies in
de bij de wet bepaalde gevallen;
c. de instelling van cassatie «in het belang der wet»;
d. de instelling van vorderingen tot het door de Hoge Raad
nemen van beslissingen als bedoeld in hoofdstuk 6A van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
3.In de gevallen waarin de Hoge Raad ten principale recht doet,
neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad de taken en bevoegdheden
van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.
4.Bij de wet kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook met
andere taken worden belast.
5.De bevoegdheden van de procureur-generaal kunnen, tenzij de aard
van de bevoegdheden zich daartegen verzet, mede worden uitgeoefend
door de plaatsvervangend procureur-generaal en door
advocaten-generaal.
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 113
1. Het parket bij de Hoge Raad bestaat uit een procureur-generaal,
een plaatsvervangend procureur-generaal, ten hoogste tweeëntwintig
advocaten-generaal en ten hoogste elf advocaten-generaal in
buitengewone dienst.
2. De advocaten-generaal in buitengewone dienst nemen, als
advocaat-generaal, conclusies voorzover zij daartoe door de
procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval,
wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en
bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125,
waar.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de
procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, en de
advocaten-generaal bij deHoge Raad aan wie buitengewoon verlof zonder
behoud van bezoldiging is verleend, voor de duur van dat verlof en
gedurende ten hoogste een jaar daarna buiten beschouwing gelaten.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechterlijke
ambtenaren die zijn aangesteld voor een minder dan volledige
arbeidsduur, geteld overeenkomstig de breuk die hun arbeidsduur
aangeeft.
Artikel 114 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 115 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 116
De procureur-generaal geeft leiding aan het parket bij de Hoge Raad.
Artikel 117
In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis wordt de
procureur-generaal vervangen door de plaatsvervangend procureur-generaal
en, bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door de
advocaat-generaal oudste in rang.
Artikel 118
Onze Minister kan de plaatsvervangend procureur-generaal of een
advocaat-generaal belasten met de waarneming van het ambt van
procureur-generaal.
Artikel 119
1. Onze Minister kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, als
plaatsvervangend advocaat-generaal bij de Hoge Raad een rechterlijk
ambtenaar, die bij een rechtbank, een gerechtshof of een tot het
openbaar ministerie behorend parket werkzaam is in een ambt als
bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, aanwijzen. De aanwijzing
geschiedt voor een daarbij te bepalen termijn. De artikelen 46c,
eerste lid, 46d, eerste lid, onderdeel d, en 46e van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn op de plaatsvervangend
advocaat-generaal van overeenkomstige toepassing.
2. Aanwijzing van een bij een rechtbank of een gerechtshof werkzame
rechterlijk ambtenaar tot plaatsvervangend advocaat-generaal geschiedt
slechts met diens toestemming.
3. Plaatsvervangende advocaten-generaal nemen, op de voet van een
advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de
procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval,
wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en
bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125,
waar.
4. De president van de Hoge Raad kan, op aanbeveling van de
procureur-generaal, een vice-president van, een raadsheer in of een
raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, indien hij daarmee
instemt, belasten met de waarneming van het ambt van advocaat-generaal
bij de Hoge Raad.
Artikel 120
1. De artikelen 12, 13 en 74 zijn op de in artikel 113 genoemde
rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 111, tweede
lid, is artikel 83 van overeenkomstige toepassing op de
procureur-generaal bij de Hoge Raad.
3. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt, gehoord de overige
leden van het parket bij de Hoge Raad, een regeling vast voor de
behandeling van klachten. Artikel 26, vierde tot en met zesde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
4. Deartikelen 13a tot en met 13g zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de in artikel 111 bedoelde rechterlijke
ambtenaren, met dien verstande dat:
a. de in de artikelen 13a tot en met 13g aan de
procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen
worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal,
indien een gedraging van de procureur-generaal in het geding is;
b. voor de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 13b,
eerste lid, onderdelen b en c, onder «artikel 26 of 75» wordt
verstaan:artikel 120, derde lid,; en
c. een afschrift van de beschikking, bedoeld in artikel 13f,
derde lid, wordt gezonden aan de verzoeker, aan de bij het parket
bij de Hoge Raad werkzame rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging
het onderzoek betrekking had, en aan de procureur-generaal bij de
Hoge Raad.
Artikel 121
De procureur-generaal bij de Hoge Raad waakt in het bijzonder voor de
handhaving en uitvoering van wettelijke voorschriften bij de Hoge Raad,
de gerechtshoven en de rechtbanken.
Artikel 122
1. Indien naar het oordeel van de procureur-generaal bij de Hoge
Raad het openbaar ministerie bij de uitoefening van zijn taak de
wettelijke voorschriften niet naar behoren handhaaft of uitvoert, kan
hij Onze Minister daarvan in kennis stellen.
2. Op verzoek van de procureur-generaal worden hem vanwege het
College van procureurs-generaal de inlichtingen verstrekt die hij
nodig acht en worden hem de desbetreffende stukken overgelegd.
Artikel 123
Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal
bij de Hoge Raad de bijstand van het openbaar ministerie, die deze ter
uitvoering van de aan hem opgedragen taken verlangt.
Hoofdstuk 4. Het openbaar ministerie
Afdeling 1. Taken en bevoegdheden
Artikel 124
Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving
van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken.
Artikel 125
De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de
wijze bij of krachtens de wet bepaald, uitgeoefend door:
a. het College van procureurs-generaal; en
b. rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
onder 6° en 7°.
Artikel 125a
1. Indien bij of krachtens een wet een bevoegdheid wordt toegekend
aan de officier van justitie, kan deze bevoegdheid worden uitgeoefend
door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
onder 7°, van de wet, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt
of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. Indien bij of krachtens een wet een bevoegdheid wordt toegekend
aan de advocaat-generaal, kan deze bevoegdheid worden uitgeoefend door
de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder
6°, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de
bevoegdheid zich daartegen verzet.
Artikel 126
1. De uitoefening van een of meer bevoegdheden van de
hoofdofficier, de fungerend hoofdofficier, de plaatsvervangend
hoofdofficier, de senior officier van justitie A, de senior officier
van justitie, de officier van justitie, de substituut-officier van
justitie, de officier enkelvoudige zittingen, de
hoofdadvocaat-generaal, de plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal, de
senior advocaat-generaal en de advocaat-generaal kan worden opgedragen
aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd
van het parket daarmee heeft ingestemd.
2. De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder
verantwoordelijkheid van de rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het
eerste lid, uitgeoefend.
3. De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste
lid, kan niet aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar worden
opgedragen indien de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard
van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Daarvan is in elk geval
sprake voor zover het gaat om het optreden ter terechtzitting in
strafzaken en de toepassing van de dwangmiddelen als bedoeld in Titel
IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent de toepassing
van dit artikel nadere regels gesteld.
Artikel 127
Onze Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven
betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar
ministerie.
Artikel 128
1. Onze Minister stelt het College van procureurs-generaal in de
gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken voordat hij in een
concreet geval een aanwijzing geeft inzake de opsporing of vervolging
van strafbare feiten.
2. Onze Minister deelt het College de voorgenomen aanwijzing en de
motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan het College
voor het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De
zienswijze van het College wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.
3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk
en gemotiveerd gegeven.
4. Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed
niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden
gegeven. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk doch in elk geval
binnen een week daarna op schrift gesteld. Het voorgaande is van
overeenkomstige toepassing op het mededelen van een voorgenomen
aanwijzing door Onze Minister en voor het geven van de zienswijze door
het College.
5. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt, tezamen met de
voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, door de
officier van justitie bij de processtukken gevoegd. Voor zover het
belang van de staat zich naar het oordeel van Onze Minister daartegen
verzet, blijft voeging bij de processtukken achterwege, met dien
verstande dat in dat geval bij de processtukken een verklaring wordt
gevoegd waaruit blijkt dat een aanwijzing is gegeven.
6. Indien het betreft een aanwijzing tot het niet of niet verder
opsporen of vervolgen, stelt Onze Minister de beide Kamers der
Staten-Generaal zo spoedig mogelijk in kennis van de aanwijzing, de
voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, voor zover
het verstrekken van de desbetreffende stukken niet in strijd is met
het belang van de staat.
Artikel 129
1.Het College verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze
nodig heeft.
2.De leden van het openbaar ministerie verstrekken het College de
inlichtingen die het College nodig heeft.
Afdeling 2. Inrichting
Artikel 130
1. Er is een College van procureurs-generaal.
2. Het College staat aan het hoofd van het openbaar ministerie.
3. Het College bestaat uit een bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen aantal van ten minste drie en ten hoogste vijf
procureurs-generaal. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister wordt een van de procureurs-generaal benoemd tot voorzitter
van het College voor een periode van ten hoogste drie jaar. Hij kan
eenmaal worden herbenoemd. De voorzitter ontvangt in verband met het
verrichten van werkzaamheden als voorzitter een toelage op het salaris
dat hij als procureur-generaal geniet, volgens bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regels. Toekenning van de toelage geschiedt
door Onze Minister.
4. Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven
betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het
openbaar ministerie.
Artikel 131
1. Het College van procureurs-generaal kan geen beslissingen nemen
indien niet ten minste drie leden aanwezig zijn.
2. Het College neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen.
3. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de
doorslag.
4. Bij reglement stelt het College nadere regels met betrekking tot
zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement en wijzigingen daarvan
behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het reglement of een
wijziging daarvan wordt na de goedkeuring gepubliceerd in de
Staatscourant.
5. In het reglement wordt in ieder geval geregeld in welke gevallen
de voorzitter een voorgenomen beslissing aan Onze Minister voorlegt,
daaronder zijn in ieder geval begrepen de beslissingen bedoeld in
artikel 140a van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 132
1. Het College van procureurs-generaal verdeelt de werkzaamheden
onder de procureurs-generaal.
2. Onze Minister kan bepaalde werkzaamheden opdragen aan de
voorzitter van het College.
Artikel 133
1.Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal
machtigen een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen, tenzij de
regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid
zich daartegen verzet.
2.De uitoefening van een bevoegdheid door een procureur-generaal
overeenkomstig het eerste lid geschiedt in naam en onder
verantwoordelijkheid van het College.
3.Het College kan ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid
algemene en bijzondere aanwijzingen geven.
Artikel 134
1.Het openbaar ministerie bestaat uit:
a. het parket-generaal;
b. de arrondissementsparketten;
c. het landelijk parket;
d. het functioneel parket;
e. de ressortsparketten.
2.De arrondissementsparketten en de ressortsparketten zijn
gevestigd in de hoofdplaatsen van de rechtbanken respectievelijk van
de gerechtshoven.
Artikel 135
1. Bij het parket-generaal zijn werkzaam:
a. de procureurs-generaal die het College vormen;
b. andere ambtenaren.
2. Bij het parket-generaal kunnen hoofdadvocaten-generaal,
plaatsvervangende hoofdadvocaten-generaal, senior advocaten-generaal,
advocaten-generaal, plaatsvervangende advocaten-generaal,
hoofdofficieren, fungerend hoofdofficieren, plaatsvervangende
hoofdofficieren, senior officieren van justitie A, senior officieren
van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van
justitie, plaatsvervangende officieren van justitie, officieren
enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige
zittingen werkzaam zijn.
3. Een in het tweede lid bedoelde hoofdadvocaat-generaal,
plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal of
advocaat-generaal is van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal
bij de ressortsparketten.
4. Een in het tweede lid bedoelde hoofdofficier, fungerend
hoofdofficier, plaatsvervangend hoofdofficier, senior officier van
justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie of
substituut-officier van justitie onderscheidenlijk officier
enkelvoudige zittingen is van rechtswege plaatsvervangend officier van
justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige
zittingen bij de arrondissementsparketten, het functioneel parket en
het landelijk parket.
5. Aan het hoofd van het parket-generaal staat het College.
6. De procureurs-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend
advocaat-generaal bij de ressortsparketten, plaatsvervangend officier
van justitie bij de arrondissementsparketten, plaatsvervangend
officier van justitie bij het landelijk parket en plaatsvervangend
officier van justitie bij het functioneel parket.
Artikel 136
1. Bij een arrondissementsparket zijn werkzaam:
a. een hoofdofficier;
b. officieren van justitie;
c. plaatsvervangende officieren van justitie;
d. officieren enkelvoudige zittingen;
e. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen;
f. andere ambtenaren.
2. Bij een arrondissementsparket kunnen werkzaam zijn:
a. een fungerend hoofdofficier;
b. een plaatsvervangend hoofdofficier;
c. senior officieren van justitie A;
d. senior officieren van justitie;
e. substituut-officieren van justitie;
f. rechterlijke ambtenaren in opleiding.
3. Aan het hoofd van een arrondissementsparket staat de
hoofdofficier met de titel hoofd van het arrondissementsparket. Hij
kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket
werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en
bevoegdheden van het parket.
4. Indien in het arrondissement twee politieregio’s gelegen zijn,
is bij het arrondissementsparket een fungerend hoofdofficier werkzaam.
Bij de overige arrondissementsparketten is een plaatsvervangend
hoofdofficier werkzaam. In geval van afwezigheid, belet of
ontstentenis van het hoofd van het arrondissementsparket wordt hij
vervangen door de fungerend onderscheidenlijk door de plaatsvervangend
hoofdofficier.
5. De hoofdofficieren, fungerend hoofdofficieren, plaatsvervangend
hoofdofficieren, senior officieren van justitie A, senior officieren
van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van
justitie onderscheidenlijk officieren enkelvoudige zittingen zijn van
rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk
plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de overige
arrondissementsparketten, bij het landelijk parket, bij het
functioneel parket en bij het parket-generaal.
6. De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende
officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en
verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van
justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op
te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de
rechtbank.
Artikel 137
1. Bij het landelijk parket zijn werkzaam:
a. een hoofdofficier;
b. een plaatsvervangend hoofdofficier;
c. officieren van justitie;
d. plaatsvervangende officieren van justitie
e. officieren enkelvoudige zittingen;
f. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen;
g. andere ambtenaren.
2. Bij het landelijk parket kunnen werkzaam zijn:
a. senior officieren van justitie A;
b. senior officieren van justitie;
c. substituut-officieren van justitie;
d. rechterlijke ambtenaren in opleiding.
3. Aan het hoofd van het landelijk parket staat de hoofdofficier
met de titel hoofd van het landelijk parket. Hij kan algemene en
bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame
ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van
het parket. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het
hoofd van het landelijk parket wordt hij vervangen door de
plaatsvervangend hoofdofficier.
4. De hoofdofficier, plaatsvervangend hoofdofficier, senior
officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren
van justitie, substituut-officieren van justitie onderscheidenlijk
officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend
officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier
enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, bij het
functioneel parket en bij het parket-generaal.
5. De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende
officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en
verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van
justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op
te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de
rechtbank.
Artikel 137a
1. Bij het functioneel parket zijn werkzaam:
a. een hoofdofficier;
b. een plaatsvervangend hoofdofficier;
c. officieren van justitie;
d. plaatsvervangende officieren van justitie;
e. officieren enkelvoudige zittingen;
f. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen
g. andere ambtenaren.
2. Bij het functioneel parket kunnen werkzaam zijn:
a. senior officieren van justitie A;
b. senior officieren van justitie;
c. substituut-officieren van justitie;
d. rechterlijke ambtenaren in opleiding.
3. Aan het hoofd van het functioneel parket staat de hoofdofficier
met de titel hoofd van het functioneel parket. Hij kan algemene en
bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame
ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van
het parket. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het
hoofd van het functioneel parket wordt hij vervangen door de
plaatsvervangend hoofdofficier.
4. De hoofdofficier, plaatsvervangend hoofdofficier, senior
officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren
van justitie, substituut-officieren van justitie onderscheidenlijk
officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend
officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier
enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten, bij het
landelijk parket en bij het parket-generaal.
5. De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende
officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en
verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van
justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op
te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de
arrondissementsrechtbank.
Artikel 138
1. Bij een ressortsparket zijn werkzaam:
a. een hoofdadvocaat-generaal;
b. een plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal;
c. advocaten-generaal;
d. plaatsvervangende advocaten-generaal;
e. andere ambtenaren.
2. Bij een ressortsparket kunnen senior advocaten-generaal werkzaam
zijn.
3. Aan het hoofd van een ressortsparket staat een
hoofdadvocaat-generaal met de titel hoofd van het ressortsparket. Hij
kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket
werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en
bevoegdheden van het parket. In geval van afwezigheid, belet of
ontstentenis van het hoofd van het ressortsparket wordt hij vervangen
door de plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal.
4. De hoofdadvocaten-generaal, plaatsvervangende
hoofdadvocaten-generaal, senior advocaten-generaal en
advocaten-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend
advocaat-generaal bij de overige ressortsparketten en bij het
parket-generaal.
Artikel 139
1.De hoofden van de parketten zijn in hun ambtsuitoefening
ondergeschikt aan het College.
2.De andere bij een parket werkzame ambtenaren zijn in hun
ambtsuitoefening ondergeschikt aan het hoofd van het parket.
3.De bij het parket-generaal werkzame ambtenaren zijn in hun
ambtsuitoefening ondergeschikt aan het College.
Artikel 139a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het College kan de hoofden van door het College aangewezen
arrondissementsparketten onderscheidenlijk de hoofden van de
ressortsparketten opdragen om taken op het gebied van de organisatie en
de bedrijfsvoering van die parketten gezamenlijk uit te voeren onder
verantwoordelijkheid van een daartoe aangewezen hoofdofficier
onderscheidenlijk hoofdadvocaat-generaal.
Afdeling 3. Overige bepalingen
Artikel 140 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 141 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 142
Onze Minister kan een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, onder 5° tot en met 7°, belasten met de waarneming van
een ander ambt bij het openbaar ministerie.
Artikel 143
De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 142, zijn verplicht
tot het verstrekken van inlichtingen wanneer de procureur-generaal bij
de Hoge Raad op grond van artikel 122, tweede lid, daarom vraagt.
Artikel 144
Artikel 13 is op de in artikel 142 bedoelde rechterlijke ambtenaren
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Rechterlijke ambtenaren in opleiding
Artikel 145
1. Onze Minister kan rechterlijke ambtenaren in opleiding benoemen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de selectie en de opleiding van rechterlijke ambtenaren
in opleiding.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 146
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de rechterlijke organisatie.
Lasten en bevelen dat deze in het staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
kollegien en ambtenaren, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven te Brussel, den 18den April des jaars 1827, en van Onze
regering het veertiende.
WILLEM
Van wege den Koning,
J.G. de Mey van Streefkerk
Uitgegeven den zeven en twintigsten April 1827
De Secretaris van Staat,
J.G. de Mey van Streefkerk
Bijlage als bedoeld in artikel 41,
tweede lid
De nevenvestigingsplaatsen van de
rechtbanken zijn:
|
rechtbank Alkmaar: |
Hoorn |
|
rechtbank Almelo: |
Enschede |
|
rechtbank Amsterdam: |
Hilversum |
|
rechtbank Arnhem: |
Tiel, Nijmegen |
|
rechtbank Assen: |
Emmen |
|
rechtbank Breda: |
Tilburg, Bergen op Zoom |
|
rechtbank 's-Gravenhage: |
Delft, Leiden, Gouda, Alphen
aan den Rijn |
|
rechtbank Haarlem: |
Haarlemmermeer, Zaanstad |
|
rechtbank 's-Hertogenbosch: |
Eindhoven, Helmond, Boxmeer |
|
rechtbank Leeuwarden: |
Heerenveen |
|
rechtbank Maastricht: |
Heerlen, Sittard-Geleen |
|
rechtbank Middelburg: |
Terneuzen |
|
rechtbank Roermond: |
Venlo |
|
rechtbank Rotterdam: |
Brielle |
|
rechtbank Utrecht: |
Amersfoort |
|
rechtbank Zutphen: |
Apeldoorn |
|
rechtbank Zwolle-Lelystad: |
Deventer, Lelystad |
Bijlage 2,
als bedoeld in de artikelen 48a, vijfde lid, 66, vijfde lid, en 67,
vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie
Formulier voor het afleggen van de
eed of belofte door een deskundig lid
Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn
aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal
onderhouden en nakomen.
Ik zweer/verklaar dat ik middellijk
noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het
verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd,
noch zal geven of beloven.
Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige
giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig
persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of
zal krijgen waarbij ik als deskundig lid betrokken zou kunnen zijn.
Ik zweer/beloof dat ik gegevens
waarover ik als deskundig lid de beschikking krijg en waarvan ik het
vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden,
behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling
verplicht of uit mijn werkzaamheden als deskundig lid de noodzaak
tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.
Ik zweer/beloof dat ik mijn
werkzaamheden als deskundig lid met eerlijkheid, nauwgezetheid en
onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal verrichten en mij in
deze verrichtingen zal gedragen zoals een goed deskundig lid
betaamt.
Zo waarlijk helpe mij God
Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op ........................, werd te
.....................
ten overstaan van (1)
..............................
door (2)
.............................
de bovenvermelde eed/belofte
afgelegd.
(1) .............................
(2) .............................
|