WET van 5 juli 1962, houdende
vaststelling van nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is bij de wet
nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsomschrijving
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
planologische kernbeslissing: een plan als bedoeld in artikel 2a;
concrete beleidsbeslissing: een als zodanig door het bestuursorgaan
aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan
of een regionaal structuurplan;
Onze projectminister: Onze minister die overeenkomstig artikel 39a,
eerste lid, als zodanig is aangewezen;
rijksprojectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 39b;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar.
Hoofdstuk II. Rijks planologisch beleid
Artikel 2
1. Onze Minister verricht het nodige ter voorbereiding en ter
uitvoering van het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening. De
uitkomsten hiervan worden, met inachtneming van de grenzen gesteld bij
of krachtens de Wet openbaarheid van bestuur, gepubliceerd.
2. Jaarlijks doet Onze Minister aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal in de memorie van toelichting op het desbetreffende
hoofdstuk van de Rijksbegroting toekomen:
a. een verslag van het door de Regering gevoerde beleid inzake de
ruimtelijke ordening;
b. een wetgevingsprogramma gericht op harmonisatie en coördinatie
van ruimtelijk relevante wetgeving.
Artikel 2a
1. De Ministerraad stelt voor bepaalde aspecten van het
nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan
uit structuurschetsen, structuurschema’s of nota's, die van belang
zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij
algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig
plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de
vaststelling van andere plannen op grond van deze wet in acht genomen.
De in het eerste volzin bedoelde plannen worden voorbereid door Onze
Ministers, wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen. Van het
voornemen een plan voor te bereiden doen Onze Ministers mededeling aan
de Staten-Generaal. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister
aan de VROM-raad, ingesteld bij de Wet op de VROM-raad. In het plan
wordt vermeld voor welke tijdsduur het geldt.
2. Op de voorbereiding van het plan is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a. daaraan toepassing wordt gegeven door de eerstverantwoordelijke
van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid;
b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
c. de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen twaalf
weken bedraagt.
3. Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad
verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn
advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn,
die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid, onder c, bedoelde
termijn beloopt.
4. Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp
gelijktijdig met de terinzagelegging aan de Staten-Generaal.
5. Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging
aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen.
De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de
Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met
overeenkomstig artikel 3:15 naar voren gebrachte zienswijzen, uitkomsten
van bestuurlijk overleg en het advies, bedoeld in het derde lid.
6. Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer
Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te
wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft
ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot
verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar
ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan,
indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan
uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit.
7. De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben
ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid
bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. De artikelen 3:11, eerste,
tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.
8. Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op
die waarop het overeenkomstig het zevende lid ter inzage is gelegd.
Artikel 2b
1. Een planologische kernbeslissing kan geheel of gedeeltelijk
worden herzien of ingetrokken. Artikel 2a, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Uiterlijk één jaar voor de geldingsduur van een plan
verstrijkt, delen Onze in artikel 2a, eerste lid, bedoelde Ministers aan
de Staten-Generaal mede of en in hoeverre zij voornemens zijn toepassing
te geven aan het bepaalde in het eerste lid. Afschrift van deze
mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad.
3. Bij de mededeling aan de Staten-Generaal van het voornemen tot
herziening of intrekking doen Onze in artikel 2a, eerste lid, bedoelde
Ministers de Staten-Generaal weten of en in hoeverre zij bij de
herziening of intrekking toepassing zullen geven aan het bepaalde in
artikel 2a, tweede, derde of vierde lid.
4. Voor zover de herziening of intrekking een concrete
beleidsbeslissing betreft is het derde lid niet van toepassing.
5. Ten aanzien van een herziening of intrekking is artikel 2a,
vijfde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat, indien het ontwerp van een besluit tot herziening of
intrekking niet ter inzage is gelegd, de toezending van dat besluit aan
Staten-Generaal onverwijld na vaststelling door de Ministerraad
geschiedt.
Artikel 2c
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent het bepaalde in de artikelen 2a en
2b.
Artikel 3
1. Maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor het
Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening, komen tot stand door
tussenkomst van de Rijksplanologische Commissie.
2. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur al dan niet
onder het stellen van voorwaarden, afwijking van het eerste lid
toestaan.
Artikel 3a
De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet
eerder in werking dan twee maanden na de dagtekening van het Staatsblad,
waarin de desbetreffende besluiten zijn geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld aan de Staten-Generaal mededeling gedaan.
Hoofdstuk III. Provinciaal planologisch beleid
Artikel 4
1. Gedeputeerde staten verrichten het nodige ter voorbereiding
van de bepaling van het provinciale beleid inzake de ruimtelijke
ordening. Over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor dit
beleid, horen zij vooraf de provinciale planologische commissie.
2. Jaarlijks doen gedeputeerde staten aan provinciale staten een
verslag toekomen van het door hen gevoerde beleid inzake de ruimtelijke
ordening.
Artikel 4a
1. Provinciale staten kunnen voor één of meer gedeelten of
voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen,
waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied
in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan
herzien. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete
beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de uitwerking of
afwijking bedoeld in het tiende lid of bij de vaststelling van
gemeentelijke of regionale plannen als bedoeld in de hoofdstukken IV
of IVA van deze wet in acht genomen. Provinciale staten geven bij het
plan aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel
leidt tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale
waterhuishoudingsbeleid of het provinciale verkeers- en vervoersbeleid
en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het
geldende provinciale milieubeleidsplan, het geldende provinciale
waterhuishoudingsplan of het geldende provinciale verkeers- en
vervoersplan te herzien. Een streekplan strekt tot grondslag aan
aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, vijfde lid.
2. Gedeputeerde staten zijn met de voorbereiding belast. Hierbij
horen zij de provinciale planologische commissie.
3. Op de voorbereiding van het streekplan is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a. de terinzagelegging tevens geschiedt ter secretarie van de
gemeenten op wier gebied het plan betrekking heeft;
b. aan artikel 3:12 van die wet tevens toepassing wordt gegeven
door burgemeester en wethouders van elke gemeente op wier gebied het
plan betrekking heeft;
c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
4. Binnen vier maanden na afloop van de in het derde lid genoemde
termijn stellen provinciale staten het streekplan vast. Zij kunnen hun
beslissing éénmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Voor zover
bij de vaststelling van het plan wijzigingen worden aangebracht ten
opzichte van het ontwerp en de gewijzigde vaststelling een concrete
beleidsbeslissing betreft, wordt Onze Minister tevoren in de gelegenheid
gesteld alsnog daarover zienswijzen naar voren te brengen.
5. Voor zover het ontwerp van een streekplan zijn grondslag vindt
in een in een planologische kernbeslissing opgenomen concrete
beleidsbeslissing is het derde lid, onder c niet van toepassing.
6. Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan artikel 4b,
eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan binnen
twee weken na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit
samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te
leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier
gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde
lid, en 3:12, eerste lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht alsmede het derde lid, onderdeel b, zijn van
overeenkomstige toepassing.
7. Besluiten tot vaststelling van een streekplan worden terstond
na dagtekening aan Onze Minister medegedeeld door toezending van een
afschrift. Indien in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is
opgenomen gaat het afschrift vergezeld van een exemplaar van het
streekplan.
8. Bij een streekplan wordt bepaald, in hoeverre gedeputeerde
staten volgens bij het plan aan te geven regelen het plan moeten
uitwerken en binnen bij het plan te bepalen grenzen van het plan mogen
afwijken. De uitwerking of afwijking kan geen concrete beleidsbeslissing
inhouden.
9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van
streekplannen.
Artikel 4b
1. Voor zover in het streekplan een concrete beleidsbeslissing
is opgenomen kan Onze Minister binnen vier weken na de toezending van
het afschrift van het besluit tot vaststelling van het streekplan
provinciale staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt ten
aanzien van die concrete beleidsbeslissing toepassing te geven aan
artikel 6.
2. Onze Minister geeft slechts toepassing aan het eerste lid,
indien hij op grond van artikel 4a, derde of vierde lid, zienswijzen
over die concrete beleidsbeslissing naar voren heeft gebracht wegens
kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid.
3. Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid,
wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan met ingang van de
zesde week na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit
samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te
leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier
gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde
lid, en 3:12, eerste en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid,
zendt hij gelijktijdig een afschrift van zijn mededeling aan de
Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de
inspecteur.
5. Binnen twaalf weken na dagtekening van de in het eerste lid
bedoelde mededeling beslist Onze Minister omtrent toepassing van artikel
6.
6. Onze Minister maakt zijn besluit binnen een week na
dagtekening daarvan bekend aan provinciale staten. Indien Onze Minister
niet heeft beslist binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn, wordt
het besluit van Onze Minister vervangen door een schriftelijke
mededeling van dat feit.
7. Het besluit van Onze Minister of de mededeling, bedoeld in het
zesde lid, wordt met het vaststellingsbesluit van provinciale staten en
het vastgestelde streekplan door gedeputeerde staten bekendgemaakt door
terinzagelegging voor een ieder op het provinciehuis en ter secretarie
van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft.
8. Indien het besluit van Onze Minister strekt tot toepassing van
artikel 6 blijft voor wat betreft het daarbij aangegeven gebied, het
besluit van provinciale staten tot vaststelling van het streekplan
buiten werking.
Artikel 5
1. Een streekplan wordt, behoudens door Onze Minister voor ten
hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het bepaalde
bij artikel 6, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.
2. Ten aanzien van de herziening en de intrekking van een
streekplan zijn de artikelen 4a en 4b van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten, de
Rijksplanologische Commissie gehoord, de provinciale staten
verplichten binnen een door hem te bepalen termijn een streekplan vast
te stellen of te herzien.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg
met gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor
zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of
herziening van planologische maatregelen vordert, aan de provinciale
staten aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een streekplan.
3. Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van
aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve
aan het provinciaal bestuur afschriften aan de Rijksplanologische
Commissie en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de
afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op
door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt
tevoren door de zorg van Onze Minister in de Staatscourant en
daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt.
4. Provinciale staten zijn verplicht, bij de herziening van een
streekplan dit plan in overeenstemming te brengen met de in het tweede
lid bedoelde aanwijzingen. Voor zover deze aanwijzingen betrekking
hebben op een gebied waarvoor geen streekplan is vastgesteld, bestaat
een overeenkomstige verplichting zodra provinciale staten tot
vaststelling van een streekplan overgaan.
5. Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld
in het eerste lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid, kan
deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het
streekplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die
aanwijzingen, naar voren brengen.
6. Indien provinciale staten niet voldoen aan een verplichting,
als bedoeld in het eerste en vierde lid, gaat Onze Minister op kosten
van de provincie over tot het vaststellen of herzien van een streekplan.
In dit geval is artikel 4a, derde lid, van toepassing, met dien
verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van provinciale staten
en gedeputeerde staten.
7. Een streekplan dat ingevolge het zesde lid is tot stand
gekomen of herzien, wordt geacht te zijn vastgesteld door provinciale
staten.
Hoofdstuk IV. Gemeentelijk planologisch beleid
Afdeling 1. Het betrekken van de bevolking bij de voorbereiding van
gemeentelijke ruimtelijke plannen
Artikel 6a [Vervallen per 01-07-2005]
Afdeling 2. Structuurplannen
Artikel 7
1. De gemeenteraad kan voor het
grondgebied van de gemeente een structuurplan vaststellen, waarin de
toekomstige ontwikkeling van de gemeente wordt aangegeven.
2. De gemeenteraad kan in samenwerking met de raden van
aangrenzende gemeenten voor het gebied van de betrokken gemeenten een
structuurplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van die
gemeenten wordt aangegeven.
Artikel 8
Op de voorbereiding van het structuurplan is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a. burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel
3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant plaatsen;
b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
Artikel 9
De vaststelling van het structuurplan wordt bekendgemaakt door het
besluit tot vaststelling samen met het structuurplan voor een ieder ter
inzage te leggen ter gemeentesecretarie. De artikelen 3:11, eerste,
tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 8,
onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing. Tegelijkertijd met de
bekendmaking wordt van het structuurplan mededeling gedaan aan
gedeputeerde staten en aan de inspecteur.
Afdeling 3. Bestemmingsplannen
Artikel 10
1. Voor het gebied van de gemeente, dat niet tot een bebouwde
kom behoort, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast, waarbij,
voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig
is, de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen
en zo nodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden
gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de
zich daarop bevindende opstallen. Deze voorschriften mogen slechts om
dringende redenen een beperking van het meest doelmatige gebruik
inhouden en mogen geen eisen bevatten met betrekking tot de structuur
van agrarische bedrijven. Onder grond wordt water mede begrepen.
2. Voor het gebied van de gemeente, dat tot een bebouwde kom
behoort, of voor een gedeelte daarvan, kan de gemeenteraad een
bestemmingsplan, als in het vorige lid bedoeld, vaststellen.
3. Gedeputeerde staten kunnen voor een door hen te bepalen
termijn van de in het eerste lid bedoelde verplichting ontheffing
verlenen.
Artikel 11
1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat, tenzij de
gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft
voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven
regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen
grenzen het plan kunnen wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid kan mede
een uitwerkingsplicht inhouden. Bij het plan wordt geregeld op welke
wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen
omtrent de uitwerking of wijziging naar voren te brengen.
2. De besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend
geval van de gemeenteraad, behoeven de goedkeuring van gedeputeerde
staten. Met het besluit ontvangen gedeputeerde staten de bij
burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval de raad, ingebrachte
zienswijzen.
3. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na de
verzending ter goedkeuring aan de gemeenteraad bekendgemaakt. In
afwijking van artikel 10:31, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring eenmaal
voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met een
goede ruimtelijke ordening.
5. Het besluit van gedeputeerde staten wordt door burgemeester en
wethouders bekendgemaakt door de terinzagelegging daarvan met het
uitwerkings- of wijzigingsplan en het desbetreffende bestemmingsplan ter
gemeentesecretarie voor een ieder. Artikel 23, eerste lid, onder a, is
van overeenkomstige toepassing.
6. Uitwerkingen en wijzigingen als in dit artikel bedoeld worden
geacht van het plan deel uit te maken, met dien verstande, dat zij,
zolang en voor zover de bestemming nog niet verwerkelijkt is, kunnen
worden herzien op dezelfde wijze, als waarop zij tot stand zijn
gebracht.
7. In afwijking van het tweede lid behoeven de besluiten van
burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval, de gemeenteraad tot
uitwerking of tot wijziging van het bestemmingsplan geen goedkeuring van
gedeputeerde staten, voor zover deze in hun besluit tot goedkeuring van
het bestemmingsplan zulks hebben omschreven en tegen die uitwerking of
wijziging niet van zienswijzen is gebleken. Zodanig besluit van
burgemeester en wethouders of de raad wordt bekendgemaakt door de
terinzagelegging daarvan met het uitwerkings- of wijzigingsplan en het
desbetreffend bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder.
Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing. Van
zodanig besluit tot uitwerking of wijziging van het bestemmingsplan
zenden burgemeester en wethouders onverwijld afschrift aan gedeputeerde
staten.
Artikel 12
1. Bij een bestemmingsplan kunnen voor een daarbij te stellen
termijn:
a. voorlopige bestemmingen worden aangewezen;
b. voorlopige gebruiksregelen als bedoeld in artikel 10 worden
gegeven.
2. De gemeenteraad kan de in het eerste lid bedoelde termijn
eenmaal met ten hoogste drie jaren verlengen.
Artikel 13
1. Bij een bestemmingsplan kunnen voor zover het gronden
betreft, waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer
onderdelen worden aangewezen, ten aanzien waarvan de verwerkelijking
van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht.
2. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat met de
verwerkelijking van gemeentewege van één of meer onderdelen daarvan
eerst na een bij het plan te bepalen tijdstip een aanvang kan worden
gemaakt.
Artikel 14
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat het verboden is
binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen
bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking
van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning),
voor zover zulks noodzakelijk is:
a. om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de
verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;
b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte
bestemming als bedoeld onder a.
Artikel 15
1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat burgemeester
en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen
bevoegd zijn:
a. van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te
verlenen;
b. ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te
stellen.
2. Bij het plan kan worden bepaald, dat vrijstelling van bepaalde
voorschriften slechts kan worden verleend mits vooraf van gedeputeerde
staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de
vrijstelling geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de
verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
3. Aan een vrijstelling als bedoeld onder a van het eerste
lid mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de
belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt
verleend, in het plan zijn opgenomen. Aan de vrijstelling kan een
termijn worden verbonden, waarbinnen van de vrijstelling gebruik moet
zijn gemaakt.
Artikel 16
Bij een bestemmingsplan kan ten aanzien van bepaalde werken uit te
voeren in bepaalde gebieden worden voorgeschreven, dat bouw- of
aanlegvergunning slechts mag worden verleend mits vooraf van
gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het
verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten
kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke
ordening.
Artikel 17
1. Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op een voor
een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan
voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan,
ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Het derde
lid van artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat de
toepasselijkheid van dit artikel is uitgesloten indien het belang ter
bescherming waarvan een bepaalde bestemming in het plan is opgenomen,
zich niet verdraagt met een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.
3. Burgemeester en wethouders zenden van iedere vrijstelling
onverwijld afschrift aan de inspecteur.
4. Na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn
is degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger
verplicht de met het bestemmingsplan strijdige situatie te zijner keuze
hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het
bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.
5. De in het vierde lid genoemde verplichting wordt opgeschort,
indien vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn
een ontwerp voor een op opheffing van bedoelde strijdigheid gerichte
herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Deze
opschorting duurt totdat de termijn bedoeld in artikel 25 is
overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26 is
overschreden, dan wel omtrent goedkeuring van de herziening
onherroepelijk is beslist. Ingeval van goedkeuring vervalt de
verplichting.
6. Indien degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens
rechtsopvolger in gebreke blijft aan zijn verplichting als in het vierde
lid bedoeld te voldoen, schrijven burgemeester en wethouders hem
onverwijld aan tot naleving van die verplichting.
7. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften
geven, die bij het verlenen van vrijstelling ingevolge dit artikel in
acht genomen moeten worden.
Artikel 18
1. Burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk
doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot
vrijstelling als bedoeld in artikel 17 of toepassing zal worden
gegeven aan het derde lid.
2. Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het derde
lid wordt de vrijstelling geweigerd.
3. Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien
verstande dat:
a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
b. in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, burgemeester en wethouders beslissen
binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van
zienswijzen is verstreken.
Artikel 18a [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 19
1. De gemeenteraad kan, behoudens het
gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking
van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan,
mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en
vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen
het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede
ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk,
intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen
structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke
onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende
bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren
project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende
gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde
vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van
het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met
de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten
kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een
verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van
vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste
lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van
overeenkomstige toepassing.
3. Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling
verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur
aan te geven gevallen. Het derde lid van artikel 15 is van
overeenkomstige toepassing.
4. Vrijstelling krachtens het eerste lid wordt niet verleend voor
een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor
a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33,
eerste lid, is herzien of
b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is
verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of
een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.
Artikel 19a
1. Het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, eerste en
tweede lid, bevat een beschrijving van het betrokken project, de
ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van
vrijstelling ten grondslag liggen. Artikel 15, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. De gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en
wethouders beslissen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht
weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in
artikel 19, of toepassing zal worden gegeven aan het vierde lid.
3. Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde
lid wordt de vrijstelling geweigerd.
4. Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien
verstande dat:
a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
b. in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, burgemeester en wethouders beslissen
binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van
zienswijzen is verstreken, indien geen verklaring van geen bezwaar is
vereist.
5. De gemeenteraad beslist of in voorkomend geval burgemeester en
wethouders beslissen binnen acht weken na afloop van de termijn van
terinzageligging omtrent het aanvragen van een verklaring van geen
bezwaar.
6. Indien tot aanvraag van de verklaring van geen bezwaar wordt
besloten, wordt deze binnen twee weken nadien met de aanvraag om
vrijstelling en de in voorkomend geval naar voren gebrachte zienswijzen
aan gedeputeerde staten gezonden.
7. Alvorens het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar,
bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, te
nemen, horen gedeputeerde staten de inspecteur.
8. Het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, wordt binnen
acht weken na ontvangst van de desbetreffende aanvraag bekendgemaakt.
Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de inspecteur.
Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren
wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Indien gedeputeerde
staten binnen de gestelde termijn geen besluit aan de gemeenteraad, of
in voorkomend geval burgemeester en wethouders hebben bekendgemaakt,
wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring.
9. Indien de inspecteur aan gedeputeerde staten te kennen heeft
gegeven dat de beoogde vrijstelling in kennelijke strijd is met het
nationaal ruimtelijk beleid en gedeputeerde staten niettemin besluiten
tot verlening van de verklaring van geen bezwaar, treedt het besluit van
gedeputeerde staten niet in werking. Gedeputeerde staten doen hiervan
mededeling bij de bekendmaking van hun besluit aan de gemeenteraad of in
voorkomend geval burgemeester en wethouders, onder gelijktijdige
verzending van een afschrift aan de inspecteur.
10. Onze Minister kan gedurende acht weken na verzending aan de
inspecteur van de mededeling, bedoeld in het negende lid, het besluit
van gedeputeerde staten vervangen door een eigen besluit inhoudende
weigering van de verklaring. Alvorens te besluiten hoort hij de
Rijksplanologische Commissie en gedeputeerde staten. Indien Onze
Minister binnen die termijn geen besluit heeft bekendgemaakt dan wel
zoveel eerder als hij heeft medegedeeld van vervanging af te zien,
treedt het besluit van gedeputeerde staten in werking. Gedeputeerde
staten doen daarvan mededeling aan de gemeenteraad of in voorkomend
geval burgemeester en wethouders.
11. In afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, beslist
de gemeenteraad of beslissen in voorkomend geval burgemeester en
wethouders omtrent het verlenen van vrijstelling binnen twee weken na de
inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten. Burgemeester
en wethouders zenden afschrift van het besluit omtrent vrijstelling aan
de inspecteur.
12. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven die in acht moeten worden genomen alvorens vrijstelling
mag worden verleend.
Artikel 19b
Een krachtens de artikelen 15, 17 of 19 verleende vrijstelling wordt
door burgemeester en wethouders als bijlage bij het bestemmingsplan
opgenomen, zodra die vrijstelling is verleend. Een zodanige bijlage is
geen onderdeel van het bestemmingsplan.
Artikel 20
De voorschriften van het bestemmingsplan blijven buiten toepassing
voor zover deze:
a. betrekking hebben op het bouwen waarvoor krachtens artikel 43,
eerste lid, van de Woningwet, geen bouwvergunning vereist is, of
b. betrekking hebben op het gebruik van bouwwerken en standplaatsen
dat voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c,
van de Woningwet.
Artikel 21
1. De gemeenteraad kan verklaren, dat een bestemmingsplan wordt
voorbereid (voorbereidingsbesluit). Indien artikel 37, eerste of
vierde lid, toepassing hebben gevonden, hebben Onze Minister
onderscheidenlijk gedeputeerde staten gelijke bevoegdheid.
2. Bij een voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied
het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt.
3. Bij een voorbereidingsbesluit kunnen voorschriften als bedoeld
in artikel 14 worden gegeven voor zover zulks noodzakelijk is om te
voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking
van een daaraan bij het plan te geven bestemming.
4. Een besluit als in het eerste lid bedoeld vervalt, indien niet
binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp
van het plan ter inzage is gelegd.
5. Is het voorbereidingsbesluit genomen door Onze Minister, dan
kan hij de in het vierde lid genoemde termijn eenmaal met één jaar
verlengen. Hetzelfde geldt voor gedeputeerde staten, indien zij het
voorbereidingsbesluit hebben genomen.
6. Geldt het voorbereidingsbesluit voor een gebied dat tot een
bebouwde kom behoort en ten aanzien waarvan bij een structuurplan
aanwijzingen voor de bestemming zijn gegeven, dan kan in afwijking van
het vierde lid bij het besluit worden bepaald, dat het besluit vervalt
indien niet binnen een bij het besluit aan te geven termijn het ontwerp
van het plan ter inzage is gelegd. Die termijn mag op niet langer dan
twee jaar gesteld worden.
Artikel 22
De bekendmaking van een voorbereidingsbesluit geschiedt door
terinzagelegging van dit besluit voor een ieder. Artikel 3:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing. Van het voorbereidingsbesluit wordt tevens mededeling gedaan
in de Staatscourant.
Artikel 23
1. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande
dat:
a. burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel
3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant plaatsen;
b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
2. Worden in het ontwerp van een bestemmingsplan ingevolge
artikel 13, eerste lid, gronden aangewezen ten aanzien waarvan de
verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht,
dan geschiedt daarvan, onverminderd het eerste lid, afzonderlijke
kennisgeving aan degenen die in de basisregistratie kadaster staan
vermeld als eigenaar van die gronden of rechthebbende op een beperkt
recht waaraan die gronden onderworpen zijn.
Artikel 24
Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt
in een concrete beleidsbeslissing is artikel 23, eerste lid, onder b,
alsmede artikel 27, eerste en tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 25
Binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze
naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de in artikel
3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn
beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.
Artikel 26
Het bestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk, doch in elk geval
binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder
ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid,
onder a, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1. Degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar
voren heeft gebracht, alsmede een belanghebbende aan wie
redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet overeenkomstig
artikel 23 juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, kan
gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij
gedeputeerde staten bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan.
2. Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan
daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan
een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn bij gedeputeerde
staten daartegen bedenkingen inbrengen.
Artikel 28
1. Het bestemmingsplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde
staten. Het plan wordt daartoe zo spoedig mogelijk, doch in elk geval
binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit tot
vaststelling, aan gedeputeerde staten verzonden.
2. Indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn
ingebracht krachtens artikel 27, wordt het besluit omtrent goedkeuring
bekendgemaakt binnen zes maanden na afloop van de termijn van
terinzagelegging, bedoeld in artikel 26. Alvorens het besluit te nemen,
horen gedeputeerde staten de provinciale planologische commissie.
Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing. De goedkeuring kan worden onthouden indien de
ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven dan wel wegens strijd
met een goede ruimtelijke ordening.
3. Aan het plan wordt geacht goedkeuring te zijn onthouden,
indien het eerste lid, tweede volzin, niet is nageleefd en niet tijdig
een besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt.
4. Indien het besluit van gedeputeerde staten strekt tot het
onthouden van goedkeuring, kunnen daarbij voorschriften als bedoeld in
artikel 14 worden gegeven voor zover dat noodzakelijk is om te voorkomen
dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een
daaraan bij het plan te geven bestemming.
5. Gelijktijdig met de bekendmaking doen gedeputeerde staten
mededeling van hun besluit door toezending van een afschrift aan hen die
bedenkingen hebben ingebracht krachtens artikel 27, aan de provinciale
planologische commissie en aan de inspecteur. Indien het derde lid dan
wel artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
toepassing heeft gevonden wordt het besluit van gedeputeerde staten
vervangen door een schriftelijke mededeling van gedeputeerde staten van
dat feit.
6. Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan artikel 29,
eerste lid, wordt binnen twee weken na de bekendmaking van het besluit
omtrent goedkeuring van gedeputeerde staten dit besluit, of zo het derde
lid dan wel artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
toepassing heeft gevonden, de schriftelijke mededeling van dat feit, met
het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage
gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is
van overeenkomstige toepassing.
7. Een besluit van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring treedt
in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn
afloopt.
Artikel 29
1. Onze Minister kan binnen vier weken na de bekendmaking van
het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan aan
gedeputeerde staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt dat
besluit voor zover in kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk
beleid te vervangen door een eigen besluit.
2. Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot
goedkeuring geeft Onze Minister slechts toepassing aan het eerste lid,
indien de inspecteur op de in het eerste lid genoemde grondslag
bedenkingen heeft ingebracht bij gedeputeerde staten op grond van
artikel 27, eerste of tweede lid.
3. Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid
wordt het besluit van gedeputeerde staten met het bestemmingsplan met
ingang van de zesde week na de bekendmaking, bedoeld in artikel 28,
vijfde lid, ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd.
4. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid
zenden gedeputeerde staten hem terstond hun besluit onder bijvoeging van
de zich onder hen bevindende, op de zaak betrekking hebbende stukken,
voor zover dit niet in strijd is met enige wettelijke bepaling tot
geheimhouding.
5. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid doet Onze
Minister daarvan gelijktijdig mededeling door toezending van een
afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan de betrokken gemeente
en aan de inspecteur. Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
6. Binnen twaalf weken na de dagtekening van de in het eerste lid
bedoelde mededeling beslist Onze Minister omtrent vervanging van het
besluit van gedeputeerde staten. Alvorens te beslissen hoort hij de
Rijksplanologische Commissie, gedeputeerde staten en de betrokken
gemeenteraad.
7. Onze Minister maakt zijn besluit binnen twee weken na
dagtekening daarvan bekend aan gedeputeerde staten. Indien Onze Minister
niet heeft beslist binnen de in het zesde lid bedoelde termijn, wordt
het besluit van Onze Minister vervangen door een schriftelijke
mededeling van dat feit. Het vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing. Voorts zendt Onze Minister een afschrift van zijn besluit of
van de in de tweede volzin van dit lid bedoelde mededeling aan hen die
bij gedeputeerde staten bedenkingen hebben ingebracht als bedoeld in
artikel 27, eerste of tweede lid. Het besluit van Onze Minister of de
mededeling, bedoeld in de tweede volzin van dit lid, wordt binnen twee
weken na de bekendmaking daarvan met het besluit van gedeputeerde staten
en het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage
gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is
van overeenkomstige toepassing.
8. Voor zover het besluit, bedoeld in het zesde lid, strekt tot
vervanging, komt het besluit van Onze Minister in de plaats van het
besluit van gedeputeerde staten. Onze Minister geeft zo nodig het door
hem vervangen gedeelte van het besluit van gedeputeerde staten op de tot
het plan behorende kaart en in de daarbij behorende voorschriften aan.
Artikel 28, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
9. Indien het besluit, bedoeld in het zesde lid, ertoe strekt van
vervanging af te zien, dan wel de in dat lid bedoelde termijn is
verstreken zonder dat een besluit als bedoeld in dat lid is genomen,
blijft het besluit van gedeputeerde staten gehandhaafd.
Artikel 30
1. Indien door gedeputeerde staten of, in een geval als bedoeld
in artikel 29, achtste lid, door Onze Minister goedkeuring aan een
vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, stelt de gemeenteraad binnen
een jaar met ingang van de dag na die, waarop de beroepstermijn
bedoeld in artikel 56a, onder b of c, afloopt of, indien binnen de
beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan,
dat verzoek is afgewezen, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van
gedeputeerde staten, dan wel van Onze Minister in acht wordt genomen.
2. Gedeputeerde staten kunnen of, in een geval als bedoeld in
artikel 29, achtste lid, Onze Minister kan de termijn tot vaststelling
van een nieuw plan op verzoek van burgemeester en wethouders met zes
maanden verlengen of bij het besluit inzake goedkeuring die termijn door
een andere vervangen, dan wel bepalen dat geen nieuw plan behoeft te
worden vastgesteld.
Artikel 31
Het bestemmingsplan ligt, nadat de goedkeuring onherroepelijk is
geworden, voor een ieder ter inzage ter gemeentesecretarie. Artikel 23,
eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31a
1. Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede
behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op
schriftelijk verzoek van die openbare lichamen, dan wel krachtens
wettelijk voorschrift bepalingen in een bestemmingsplan zijn opgenomen
die hogere kosten voor de gemeente ten gevolge kunnen hebben en
blijkens de bij het bestemmingsplan behorende toelichting over de
verdeling van deze kosten geen overeenstemming kon worden bereikt, kan
de gemeenteraad binnen de termijn, bedoeld in artikel 28, eerste lid,
gedeputeerde staten verzoeken gelijktijdig met hun besluit omtrent
goedkeuring van het vastgestelde plan te beslissen omtrent het
opleggen van de verplichting aan die openbare lichamen de hogere
kosten, welke redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de
gemeente behoren te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet
voldoende anderszins is verzekerd en evenmin krachtens wettelijk
voorschrift is uitgesloten, geheel of gedeeltelijk aan de gemeente te
vergoeden.
2. Indien ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan
de hogere kosten, bedoeld in het eerste lid, in redelijkheid niet waren
te voorzien kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van het eerste lid,
op een desbetreffend verzoek van de gemeente beslissen nadat het
bestemmingsplan in werking is getreden. Burgemeester en wethouders
vermelden in hun verzoek uitdrukkelijk waarom over de verdeling van de
hogere kosten tussen de gemeente en de desbetreffende openbare lichamen
geen overeenstemming kon worden bereikt.
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid beslist Onze
Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede
aangaat omtrent een verzoek als bedoeld in die leden, indien het andere
openbaar lichaam het Rijk is. In een geval als bedoeld in het eerste lid
beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat, zodra de
desbetreffende bepalingen van het bestemmingsplan in werking zijn
getreden.
Artikel 31b
1. Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede
behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op
schriftelijk verzoek van die openbare lichamen onherroepelijk
vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 40, dan
wel onherroepelijk is beslist de verlening van een bouw- of
aanlegvergunning ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet,
dan wel ingevolge artikel 46, tweede lid, aan te houden, kunnen
burgemeester en wethouders gedeputeerde staten gedurende vier weken,
ingaande daags nadat de vrijstelling, dan wel het besluit tot
aanhouding onherroepelijk is geworden, een verzoek doen als bedoeld in
artikel 31a. Burgemeester en wethouders kunnen vorenbedoeld verzoek
ook tot gedeputeerde staten richten binnen de in de vorige volzin
bedoelde termijn wanneer ingevolge artikel 40 een vrijstelling of
ingevolge artikel 41 een vergunning of andere beschikking is verleend.
2. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, beslist Onze
Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede
aangaat omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, indien het andere
openbaar lichaam het Rijk is. In afwijking van het eerste lid, tweede
volzin, beslist Onze Minister omtrent het in die volzin bedoelde
verzoek, in geval artikel 40 of artikel 41 toepassing heeft gevonden op
verzoek van Onze Minister.
Artikel 31c [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 32 [Vervallen per 03-04-2000]
Afdeling 4. Herziening, intrekking en nadere voorschriften
Artikel 33
1. Een structuurplan en een
bestemmingsplan worden, onverminderd het bepaalde bij artikel 37, eerste
en vierde lid, tenminste eenmaal in de tien jaren herzien.
2. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de gemeenteraad voor
ten hoogste tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting,
bedoeld in het eerste lid.
3. Op de totstandkoming van het besluit tot vrijstelling is
artikel 23, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
1. Ten aanzien van de herziening van een structuurplan zijn de
artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van de herziening van een bestemmingsplan zijn de
artikelen 21-31 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
De gemeenteraad kan besluiten een bestemmingsplan geheel of
gedeeltelijk in te trekken. De artikelen 23-29 zijn van overeenkomstige
toepassing. Intrekking van een bestemmingsplan voor een gebied, dat niet
tot een bebouwde kom behoort, is behoudens ingeval ontheffing is
verleend ingevolge het bepaalde in artikel 10, derde lid, slechts
mogelijk, indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw
bestemmingsplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw bestemmingsplan
is vastgesteld.
Artikel 36
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorschriften omtrent de voorbereiding, de vormgeving en de inrichting
van structuurplannen en bestemmingsplannen gegeven.
Hoofdstuk IVA. Regionaal planologisch beleid
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 36a
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld in
artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente
of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat;
b. samenwerkingsgebied: het grondgebied van een regionaal
openbaar lichaam.
Artikel 36b [Vervallen per 01-07-2005]
Afdeling 2. Regionaal structuurplan
Artikel 36c
1. Het algemeen bestuur van een regionaal
openbaar lichaam stelt voor het samenwerkingsgebied een regionaal
structuurplan vast, waarin de toekomstige ontwikkeling van dat gebied
wordt aangegeven. In dat plan worden concrete beleidsbeslissingen
opgenomen over de lokatie van projecten of voorzieningen van regionaal
belang. Bij de vaststelling van gemeentelijke plannen als bedoeld in
Hoofdstuk IV van deze wet en Hoofdstuk IV van de Wet op de stads- en
dorpsvernieuwing worden die beslissingen in acht genomen.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, blijft
voor het daarbij begrepen gebied artikel 7, tweede lid, buiten
toepassing.
Artikel 36d
1. Op de voorbereiding van een regionaal structuurplan is
artikel 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het
ontwerp ter inzage ligt ter secretarie van het regionaal openbaar
lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft en dat
burgemeester en wethouders worden vervangen door het dagelijks bestuur
van het regionaal openbaar lichaam.
2. Binnen acht weken of, indien over het ontwerp een zienswijze
naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de termijn
voor terinzageligging van het ontwerp, stelt het algemeen bestuur van
het regionaal openbaar lichaam het regionaal structuurplan vast.
Artikel 36e
1. Het regionaal structuurplan behoeft de goedkeuring van
gedeputeerde staten. Het plan wordt daartoe zo spoedig mogelijk, doch
in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het besluit tot
vaststelling, aan gedeputeerde staten verzonden.
2. Alvorens het besluit omtrent goedkeuring te nemen horen
gedeputeerde staten de provinciale planologische commissie en voorzover
het regionaal structuurplan mede een beschermd stads- of dorpsgezicht
omvat, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Artikel 10:31, tweede en
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. De
goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke
ordening, wegens het belang van het aangewezen beschermde stads- of
dorpsgezicht of wegens het belang van bescherming van archeologische
vindplaatsen. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan door
toezending van een afschrift aan Onze Minister, aan de provinciale
planologische commissie en aan genoemde Rijksdienst.
Artikel 36f
De bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 36e, tweede
lid, geschiedt door het besluit tezamen met het regionaal structuurplan
voor een ieder ter inzage te leggen ter secretarie van het regionaal
openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking
heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste
en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 36g
Een regionaal structuurplan wordt, behoudens door gedeputeerde staten
voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het
bepaalde bij artikel 36k, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.
Artikel 36h
Ten aanzien van de herziening van een regionaal structuurplan zijn de
artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36i
Intrekking van een regionaal structuurplan of van een gedeelte
daarvan is slechts mogelijk indien voor dat gebied een ontwerp voor een
nieuw regionaal structuurplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw
regionaal structuurplan is vastgesteld. Ten aanzien van de intrekking
zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36j
Bij of krachtens algemeen maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven omtrent de voorbereiding, de vormgeving en inrichting van
regionale structuurplannen.
Artikel 36k
1. Onze Minister kan na overleg met het algemeen bestuur,
gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, het
algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam verplichten binnen
een door hem te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te
stellen of te herzien.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg
met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische
Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het
Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van regionale
planologische maatregelen vordert, aan het algemeen bestuur aanwijzingen
geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan.
3. Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van
aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve
aan het algemeen bestuur afschriften aan de Rijksplanologische
Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Van de dag der
verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het
tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De
nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in de Staatscourant
en daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt.
4. Gedeputeerde staten kunnen na overleg met het algemeen bestuur
van een regionaal openbaar lichaam, de provinciale planologische
commissie gehoord, dat algemeen bestuur verplichten binnen een door hen
te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te
herzien.
5. Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten
na overleg met het algemeen bestuur, de provinciale planologische
commissie gehoord, voor zover bovengemeentelijke belangen dat vorderen,
aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan.
Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs
voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid,
voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de
provinciale planologische commissie gehoord.
6. Van hun besluit, bedoeld in het vierde lid, en van
aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid, zenden gedeputeerde staten
behalve aan het algemeen bestuur, afschriften aan de provinciale
planologische commissie en aan Onze Minister. Van de dag der verzending
van de afschriften af liggen aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid
ter provinciale griffie, op de secretarie van het desbetreffende
regionale openbaar lichaam en van de gemeenten op wier grondgebied het
betrekking heeft ter inzage. Artikel 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving,
bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt door gedeputeerde
staten tevens in de Staatscourant geplaatst.
7. Het algemeen bestuur is verplicht bij de herziening van het
regionaal structuurplan dit plan in overeenstemming te brengen met
aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. Voor zover die
aanwijzingen betrekking hebben op een gebied, waarvoor geen regionaal
structuurplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting
zodra het algemeen bestuur tot vaststelling van een regionaal
structuurplan overgaat.
8. Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld
in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of
vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp
voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat
besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
9. Indien het algemeen bestuur niet voldoet aan een verplichting,
als bedoeld in het eerste of vierde lid, gaat Onze Minister
onderscheidenlijk gaan gedeputeerde staten op kosten van het algemeen
bestuur over tot het vaststellen of herzien van een regionaal
structuurplan. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het
ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft het algemeen
bestuur tot de vaststelling of herziening bevoegd.
10. In het geval bedoeld in het negende lid zijn de artikelen 36c
tot en met 36f van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat
Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten
in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het
regionaal openbaar lichaam.
11. Een regionaal structuurplan dat ingevolge het negende lid is
tot stand gekomen of herzien, staat gelijk aan een door het algemeen
bestuur van het regionaal openbaar lichaam vastgesteld regionaal
structuurplan.
Afdeling 3. Regionale bemoeienis met gemeentelijke planologische
maatregelen
Artikel 36l
1. Indien voor het gebied begrepen in een regionaal
structuurplan een bestemmingsplan is vastgesteld en dit aan de
goedkeuring van gedeputeerde staten wordt onderworpen, houden
gedeputeerde staten bij hun besluit omtrent goedkeuring van dat
bestemmingsplan rekening met het regionaal structuurplan.
2. Voor zover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, in
strijd is met het regionaal structuurplan, vragen gedeputeerde staten
het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam om advies.
Binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag bericht het
dagelijks bestuur gedeputeerde staten, dat
a. het regionaal structuurplan zal worden gewijzigd en het
bestemmingsplan, vooruitlopend op die wijziging kan worden
goedgekeurd, of
b. aan het bestemmingsplan goedkeuring moet worden onthouden wegens
strijd met het regionaal structuurplan.
3. In een geval, bedoeld in het tweede lid, onder b,
stellen gedeputeerde staten de termijn bedoeld in artikel 30, eerste
lid, op drie maanden.
Artikel 36m
Voor zover in een gebied, begrepen in een regionaal structuurplan,
toepassing wordt gegeven aan artikel 19 of 46, horen gedeputeerde staten
tevens het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam alvorens
zij besluiten omtrent de verklaring van geen bezwaar.
Afdeling 4. Voorschriften van regionaal gezag inzake gemeentelijke
planologische maatregelen
Artikel 36n
Voor zover een gemeente, waarvan grondgebied begrepen is in een
regionaal structuurplan, weigert een bestemmingsplan voor dat gebied in
overeenstemming te brengen met dat regionaal structuurplan, ondanks een
daartoe strekkend verzoek van het regionaal openbaar lichaam, kan het
dagelijks bestuur van dat openbaar lichaam gedeputeerde staten verzoeken
toepassing te geven aan artikel 37, met dien verstande dat de
aanwijzing, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, haar grondslag
vindt in het regionaal structuurplan.
Hoofdstuk V. Voorschriften van hoger gezag inzake gemeentelijke
planologische maatregelen
Artikel 37
1. Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten en de
gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een
juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of
herziening van planologische maatregelen vordert, de gemeenteraad
verplichten, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg
met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische
Commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen,
aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Hij gaat
hiertoe niet eerder over dan vier weken nadat hij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal van zijn voornemen tot het geven van bedoelde
aanwijzingen in kennis heeft gesteld. Het voornemen gaat vergezeld van
de door gedeputeerde staten en de gemeenteraad gemaakte opmerkingen.
Indien en voor zover bedoelde aanwijzingen niet gebaseerd zijn op een
planologische kernbeslissing geeft Onze Minister geen uitvoering aan
zijn voornemen, dan na uitdrukkelijke instemming daarmee door de Tweede
Kamer. Met het voornemen wordt geacht te zijn ingestemd, indien de
Tweede Kamer binnen vier weken na de inkennisstelling van het voornemen
geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.
3. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en
aanwijzingen van Onze Minister, als bedoeld in het eerste en tweede lid,
mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de
Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de
inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt,
tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op door Onze
Minister te bepalen plaatsen ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in
de Staatscourant geplaatst.
4. Gedeputeerde staten kunnen na overleg met de gemeenteraad, de
provinciale planologische commissie gehoord, de gemeenteraad verplichten
een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.
5. Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten
na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie
gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen,
aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Deze
aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs
voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid,
voorzover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de
provinciale planologische commissie gehoord.
6. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en
aanwijzingen van gedeputeerde staten, als bedoeld in het vierde en
vijfde lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de
provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Een aanwijzing
als bedoeld in het vijfde lid wordt, tegelijkertijd met de toezending
van de afschriften, op het provinciehuis en bij de desbetreffende
gemeentesecretarie ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving,
bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant
geplaatst.
7. De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening
van een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, een
bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en dat in overeenstemming
te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid.
8. Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld
in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of
vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp
voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en
die aanwijzingen, naar voren brengen.
Artikel 38
1. Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na
de bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 37, eerste of
vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde
lid, van dat artikel, besluit de gemeenteraad omtrent medewerking aan
de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan.
Burgemeester en wethouders maken dit besluit onverwijld bekend.
2. Indien de gemeenteraad
a. de termijn genoemd in het eerste lid, voor het besluit omtrent
medewerking overschrijdt,
b. binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, besluit niet mee
te werken aan de opgedragen vaststelling of herziening van het
bestemmingsplan, of
c. binnen de termijn van een jaar, genoemd in artikel 37, zevende
lid, geen bestemmingsplan of herziening hiervan heeft vastgesteld in
overeenstemming met de gegeven aanwijzingen,
kunnen Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten binnen een
jaar na afloop van de onder a, b of c bedoelde
termijn, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de
gemeenteraad, op kosten van de gemeente overgaan tot die vaststelling of
herziening.
3. Indien Onze Minister overgaat tot de vaststelling of
herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 26, 28, zevende lid, en 31a
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van
burgemeester en wethouders;
b. Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische
Commissie hoort.
4. Indien gedeputeerde staten overgaan tot de vaststelling of
herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 27, 28, eerste, vierde,
vijfde en zevende lid, 30 en 31a, van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat:
a. gedeputeerde staten in de plaats treden van de gemeenteraad en
van burgemeester en wethouders;
b. gedeputeerde staten, alvorens te besluiten, de provinciale
planologische commissie horen;
c. Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten;
d. Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische
Commissie hoort.
5. Een planologische maatregel overeenkomstig dit artikel tot
stand gekomen, wordt geacht door de gemeenteraad onder goedkeuring van
gedeputeerde staten te zijn vastgesteld.
6. Indien door Onze Minister of gedeputeerde staten niet binnen
het jaar bedoeld in het tweede lid, het bestemmingsplan is vastgesteld
of herzien, vervalt de desbetreffende aanwijzing.
Hoofdstuk Va. Projectcoördinatie
Afdeling 1. Coördinatie van besluitvorming over grote projecten van
nationaal belang
Artikel 39
Een planologische kernbeslissing ten behoeve van een groot project
van nationaal belang bevat een of meer concrete beleidsbeslissingen. Bij
de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden die
beleidsbeslissingen in acht genomen.
Afdeling 1a. Rijksprojectenprocedure
§ 1. Algemeen
Artikel 39a
1. Bij de wet, in een planologische kernbeslissing of, indien
spoedeisende maatschappelijke belangen dit vergen, in een besluit van
Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na
overleg in de ministerraad, kan worden bepaald dat op de
besluitvorming omtrent een project of een categorie van projecten van
nationaal belang de procedure die is beschreven in de paragrafen 2 en
3 van deze afdeling, dan wel een van die paragrafen van toepassing is.
Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een
bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke
effecten. Indien de grondslag wordt gevonden in de wet of een
planologische kernbeslissing wordt daarbij aangegeven welke minister
optreedt als projectminister. Indien de grondslag is gelegen in een
besluit van Onze Ministers wie het aangaat treedt Onze minister op als
projectminister tenzij bij dat besluit uitdrukkelijk een andere
minister wordt aangewezen.
2. Indien paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is
verklaard, wordt in de wet, de planologische kernbeslissing of het
besluit tevens bepaald of het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld door
Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na
overleg in de ministerraad of door Onze projectminister.
3. Een besluit van Onze Ministers wie het aangaat als bedoeld in
het eerste lid, geeft een aanduiding van de betekenis en het belang van
het betrokken project en bevat een globale beschrijving van de te
verwachten gevolgen van het project voor het nationaal ruimtelijk
beleid, van de sociaal-economische gevolgen van het project en van de
gevolgen voor de andere bij het project betrokken belangen. Het besluit
wordt toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aan het
besluit wordt geen uitvoering gegeven dan nadat de Tweede Kamer daarmee
heeft ingestemd. Met het besluit van Onze Ministers wie het aangaat,
Onze Minister daaronder begrepen, wordt geacht te zijn ingestemd indien
de Tweede Kamer binnen vier weken na de toezending van dat besluit geen
besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.
4. Voorzover de uitvoering van een project waarop een wet of een
besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder
begrepen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, in strijd zou
zijn met een planologische kernbeslissing, wordt door Onze Ministers wie
het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, aan de Tweede Kamer
mededeling gedaan van het voornemen deze planologische kernbeslissing te
herzien.
§ 2. Rijksprojectbesluit
Artikel 39b
Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na
overleg in de ministerraad dan wel Onze projectminister stelt een
rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van:
a. het betrokken project en de wijze waarop het zal worden
uitgevoerd,
b. de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken
belangen, en
c. de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal
geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd,
de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen.
Artikel 39c
1. Indien ten aanzien van het project het maken van een
milieueffectrapport krachtens artikel 7.2 of artikel 7.4 van de Wet
milieubeheer verplicht is, gaat de mededeling, bedoeld in artikel
7.12, eerste lid, of artikel 7.13, eerste lid, van die wet, vergezeld
van een toelichting met betrekking tot de wijze waarop het project
past binnen het in planologische kernbeslissingen vastgestelde
nationale ruimtelijk beleid. Indien het project strijdig is met het
vastgestelde nationale ruimtelijk beleid, dient de mededeling
vergezeld te gaan van een uitgebreide motivering waarom afwijking van
dit beleid gerechtvaardigd is. Voorts dient de mededeling vergezeld te
gaan van een globale beschrijving van de te verwachten
sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor
de overige bij het project betrokken belangen.
2. Onze projectminister draagt ervoor zorg dat bij de publicatie
van de beschrijving wordt vermeld binnen welke termijn een ontwerp van
het rijksprojectbesluit ter inzage zal worden gelegd. Indien de
terinzagelegging niet binnen deze termijn kan geschieden, deelt Onze
projectminister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de
redenen mee:
a. aan beide kamers der Staten-Generaal;
b. in de Staatscourant.
3. Indien ten aanzien van het project het maken van een
milieueffectrapport niet verplicht is, draagt Onze projectminister
ervoor zorg dat in het kader van de voorbereiding van een
rijksprojectbesluit een beschrijving als bedoeld in het eerste lid wordt
opgesteld. Het tweede lid is alsdan niet van toepassing.
Artikel 39d
1. Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit is afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld
in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing
in een planologische kernbeslissing, kunnen zienswijzen daarop geen
betrekking hebben.
Artikel 39e
Indien paragraaf 3 van deze afdeling op het project van
toepassing is, kan desalniettemin in het rijksprojectbesluit worden
bepaald dat in de verdere procedure ter realisering van het project van
de toepassing van die paragraaf wordt afgezien, indien het nut van de
toepassing naar het oordeel van de ministerraad of de projectminister
niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren.
Artikel 39f
1. Het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld binnen dertien
weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is
verstreken.
2. De vaststelling van het rijksprojectbesluit kan eenmaal voor
ten hoogste dertien weken worden verdaagd.
3. Artikel 39c, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 39g
Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen
tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in
uitvoering is genomen.
Artikel 39h
1. Voor het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit
geldt het rijksprojectbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in
artikel 21. Voorzover het rijksprojectbesluit geldt als
voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid,
niet van toepassing. Het rijksprojectbesluit geldt niet meer als
voorbereidingsbesluit indien voor het gebied een bestemmingsplan in
overeenstemming met het rijksprojectbesluit in werking is getreden.
2. Artikel 50 van de Woningwet is niet van toepassing op
aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het
rijksprojectbesluit.
3. Voorzover het rijksprojectbesluit en het bestemmingsplan niet
met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het rijksprojectbesluit voor
de uitvoering daarvan als vrijstelling, als bedoeld in artikel 19.
4. Voorzover een bestemmingsplan of een ander besluit voor de
uitvoering van werken en werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld
in artikel 14 vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van
werken en werkzaamheden ter uitvoering van het rijksprojectbesluit in
het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit.
5. Voorschriften in een leefmilieuverordening als bedoeld in
artikel 9, derde lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing
blijven buiten toepassing voor de uitvoering van werken, werkzaamheden
en bouwwerken en voor het gebruik van gronden en opstallen ter
uitvoering van een rijksprojectbesluit, voorzover het
rijksprojectbesluit en die voorschriften niet met elkaar in
overeenstemming zijn.
6. De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het
rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan
overeenkomstig dat rijksprojectbesluit vast te stellen of te herzien.
7. Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met
het rijksprojectbesluit, verleent het gemeentebestuur aan degenen die
inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het rijksprojectbesluit.
§ 3. Uitvoeringsbesluiten
Artikel 39i
1. Indien voor de uitvoering van een project een op aanvraag te
nemen besluit van een bestuursorgaan is vereist, zendt het
bestuursorgaan onverwijld na de ontvangst van de aanvraag een
afschrift daarvan aan Onze projectminister.
2. Met betrekking tot een verzoek om vrijstelling van een geldend
bestemmingsplan krachtens artikel 19 is een verklaring van geen bezwaar
als bedoeld in dat artikel niet vereist.
Artikel 39j
1. Onze projectminister bevordert een gecoördineerde
voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, en
van de ambtshalve met het oog op de uitvoering van het project te
nemen besluiten.
2. Onze projectminister kan van de andere betrokken
bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de
coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen
gevorderde medewerking.
3. Indien voor een project of categorie van projecten, bedoeld in
artikel 39a, is bepaald dat uitsluitend de procedure van
paragraaf 3 van deze afdeling van toepassing is, geeft Onze
projectminister bij de gecoördineerde voorbereiding, bedoeld in het
eerste lid, aan op welke wijze de inpassing van het betrokken project
bevorderd kan worden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden
verlangd, de compenserende maatregelen die kunnen worden getroffen.
Artikel 39k
1. Op de voorbereiding van de in artikel 39j, eerste lid,
bedoelde besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing, met dien verstande dat:
a. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze
projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze
projectminister, die zorg draagt voor de in artikel 3:13, eerste lid,
van die wet bedoelde toezending;
b. Onze projectminister ten aanzien van de ontwerpen van de
besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de artikelen 3:11,
eerste lid, en 3:12 van die wet;
c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
d. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden
genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn;
e. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze
projectminister.
2. Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het
eerste lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in
een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen
bedenkingen daarop geen betrekking hebben.
3. Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van
toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het
rijksprojectbesluit.
Artikel 39l
1. Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is
een besluit als bedoeld in artikel 39i te nemen, niet of niet tijdig
op de aanvraag beslist dan wel een beslissing neemt die naar het
oordeel van Onze Minister en van Onze projectminister wijziging
behoeft kunnen Onze projectminister en Onze Minister wie het mede
aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het
laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het
in het eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste
volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de
aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in
eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in
artikel 39j, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
3. Indien bij de toepassing van het eerste lid de beslissing op
een aanvraag wordt genomen door in dat lid bedoelde ministers, stort het
bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de
aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.
4. Ten aanzien van de in de in artikel 39i, eerste lid, bedoelde
aanvragen is Onze projectminister mede bevoegd deze in te dienen bij de
bevoegde bestuursorganen.
Artikel 39m
De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten worden gelijktijdig
door Onze projectminister bekendgemaakt.
§ 4. Gelijktijdige toepassing paragrafen 2 en 3
Artikel 39n
Indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van deze
afdeling gelijktijdig worden toegepast, zijn op de gezamenlijke
voorbereiding en bekendmaking van het rijksprojectbesluit en de in
artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten de artikelen 39k en 39m van
overeenkomstige toepassing.
§ 5. Grondgebruik en grondverwerving
Artikel 39o
1. Projecten waarop krachtens artikel 39a de paragrafen 2 en 3
dan wel een van die paragrafen van toepassing zijn, worden voor de
toepasssing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als
openbare werken van algemeen nut.
2. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als
bedoeld in artikel 39j, eerste lid, toepassing van de Belemmeringenwet
Privaatrecht noodzakelijk is:
a. kan Onze Minister in afwijking van artikel 2, vierde lid, van de
Belemmeringenwet Privaatrecht:
1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting
plaatsvindt;
2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;
b. worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede
lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet
gehoord;
c. geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet
Privaatrecht dat:
1°. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of
artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
2°. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing is;
3°. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde
lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht
opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een
beroepschrift is verstreken.
Artikel 39p
De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde
dagvaarding kan geschieden nadat het rijksprojectbesluit is vastgesteld.
Artikel 39q
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de
onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet
eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het
rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.
2. In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet
is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een
uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan
wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig,
waaruit blijkt dat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.
Afdeling 2. Coördinatie van besluitvorming over projecten van
bovengemeentelijk belang
Artikel 40
1. Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders
verzoeken ten behoeve van de verwezenlijking van een project
vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor zover
bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van
dat project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel
van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent
die verwezenlijking is vastgelopen. In dat geval is artikel 19 niet
van toepassing. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten, onder
vermelding van de redenen tot het verzoek, een beschrijving van het
betrokken project en geven zij aan welke consequenties het project zal
hebben voor het betreffende bestemmingsplan. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het verzoek en
de daarbij behorende stukken. Het verzoek geeft aan voor welk gebied
het geldt en wordt vanaf het tijdstip van ontvangst voor dit gebied
gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21.
Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten het desbetreffend verzoek
tot vrijstelling voor het betrokken project met daarbij behorende
stukken. Zij doen hiervan gelijktijdig mededeling aan provinciale
staten en Onze Minister door toezending van een afschrift van hun
verzoek. Onze Minister heeft gelijke bevoegdheid. Hij doet
gelijktijdig mededeling van zijn verzoek door toezending van een
afschrift daarvan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en
gedeputeerde staten.
2. Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag
vindt in of redelijkerwijs voortvloeit uit een streekplan of het
provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een
besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie
gehoord, stellen gedeputeerde staten vier weken tevoren provinciale
staten in kennis van hun voornemen om toepassing te geven aan het eerste
lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. Het verzoek kan binnen de
in de eerste volzin genoemde termijn worden gedaan
a. indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt
gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen
en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beëindigd, dan wel
b. indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van
beraadslagingen wordt afgezien.
Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een
plan als bedoeld in artikel 2a, achtste lid, dan wel in een aanwijzing
als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier
weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan
het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede
volzin is van overeenkomstige toepassing.
3. Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na
ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten
burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het
verlenen van vrijstelling.
4. Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking
aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot
verlenen van vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na
dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek.
5. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld
in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in de
Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan
gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om
medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze
Minister.
6. Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
7. In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht besluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek
tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn
voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking
van artikel 3:18, tweede lid, van die wet kunnen gedeputeerde staten of
Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders
eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.
8. Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten
omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun
medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt
overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze
Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met
zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het
zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge
het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde
staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de
vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na
eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen
onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten
onderscheidenlijk Onze Minister.
10. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het
verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die
zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de
inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht,
tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister
hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij
overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze
Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een
afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten
onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het
besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie
ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 40a
Indien met toepassing van artikel 40 besloten wordt tot verlening van
vrijstelling, is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar te rekenen
vanaf de dagtekening van dat besluit het bestemmingsplan
dienovereenkomstig vast te stellen of te herzien. Gedeputeerde staten of
Onze Minister kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar
verlengen.
Artikel 40b
1. Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als
bedoeld in artikel 30, gaan gedeputeerde staten op kosten van de
gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan
over. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp
van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft de gemeenteraad tot
de vaststelling of herziening bevoegd. Artikel 38, vierde lid, is van
toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige
toepassing.
2. Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als
bedoeld in artikel 40a, gaan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze
Minister op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van
het bestemmingsplan over. De tweede volzin van het eerste lid is van
toepassing. Artikel 38, vierde, onderscheidenlijk derde lid, is van
toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 41
1. Voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een
verwezenlijking van een project in de naaste toekomst noodzakelijk is
en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de
besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen, kunnen
gedeputeerde staten of Onze Minister aan het daartoe bevoegde orgaan
van een gemeente, een waterschap, een provincie of enig ander
publiekrechtelijk lichaam verzoeken enige andere beschikking dan
bedoeld in artikel 40, eerste lid, inzake toestemming ten behoeve van
het verwezenlijken van dat project te geven. Artikel 40 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. indien de desbetreffende beschikking bij of krachtens een wet is
vereist en Onze Minister het verzoek heeft gedaan, ten aanzien van de
betrokken beschikking overigens Onze Minister die de
verantwoordelijkheid of de eerste verantwoordelijkheid heeft voor de
uitvoering van de desbetreffende wet, in de plaats treedt van Onze
Minister,
b. de in artikel 40 voorgeschreven procedure, met inbegrip van de
daarbij aangegeven termijnen, in de plaats treedt van de bij de
desbetreffende regeling voorgeschreven procedure voor het tot stand
brengen van die beschikking,
c. ten aanzien van de inhoud van de beschikking in acht genomen
wordt hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald; bepalingen,
die - al dan niet krachtens de wet - bij of krachtens een regeling van
een provincie, gemeente of waterschap daaromtrent zijn vastgesteld,
kunnen om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten, voor
zover het toepassen daarvan een onevenredige belemmering met zich zou
brengen voor de verwezenlijking van het project.
2. Indien ten behoeve van een zelfde project een of meer
beschikkingen vereist zijn, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, of in
het eerste lid van dit artikel, worden de aanvragen om de betrokken
beschikkingen te zamen, overeenkomstig de in artikel 40 voorgeschreven
procedure, behandeld.
3. Het bestuursorgaan dat het verzoek om medewerking aan de
verwezenlijking van het betrokken project heeft gedaan, kan, indien dat
met het oog op de samenhang tussen de onderscheidene beschikkingen ter
verwezenlijking van het project geboden is, en artikel 40, achtste of
negende lid, niet wordt toegepast, aan het in eerste aanleg bevoegde
orgaan een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van een
zodanige beschikking. Deze aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg
met het betrokken orgaan.
4. Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid wordt vermeld in
de beschikking ter zake waarvan zij wordt gegeven. Een exemplaar ervan
wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.
Artikel 41a [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 41b
Indien, bij de toepassing van artikel 40 of artikel 41, de beslissing
omtrent enige bestuursrechtelijke toestemming als in die artikelen
bedoeld, wordt genomen door een ander bestuursorgaan dan het
oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan, zijn de leges, die ingevolge
wettelijk voorschrift verschuldigd zijn terzake van die toestemming,
verschuldigd aan het bestuursorgaan dat omtrent die toestemming heeft
beslist, tenzij de beslissing van dat orgaan niet afwijkt van de
beslissing van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan.
Afdeling 3. Coördinatie van besluitvorming over projecten van
gemeentelijk belang
Artikel 41c
1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of
categorieën van gevallen worden aangewezen waarin verwezenlijking van
een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk
maakt dat de voorbereiding en de bekendmaking van nader aan te duiden,
op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd.
2. Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking, bedoeld
in het eerste lid, wordt de procedure, bedoeld in de artikelen 41d en
41e, toegepast.
Artikel 41d
1. In de door de gemeenteraad met toepassing van artikel 41c,
eerste lid, bepaalde gevallen bevorderen burgemeester en wethouders
een gecoördineerde voorbereiding van de krachtens dat lid aangeduide
besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen
verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de
coördinatie nodig is. Met het oog daarop zendt het bestuursorgaan dat
bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen,
hen onverwijld een afschrift van die aanvraag.
2. Ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid,
derde volzin, zijn burgemeester en wethouders mede bevoegd die in te
dienen bij het bevoegde bestuursorgaan.
3. Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 41c,
eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens
wordt gedaan in de Staatscourant en langs elektronische weg;
b. burgemeester en wethouders de kennisgevingen, bedoeld in artikel
3:12 van die wet, voor verschillende onderwerpen kunnen samenvoegen in
een kennisgeving die door burgemeester en wethouders wordt gedaan;
c. de ontwerpbesluiten binnen een door burgemeester en wethouders
in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn
worden toegezonden aan burgemeester en wethouders die zorg dragen voor
de toezending, bedoeld in artikel 3:13 van die wet;
d. zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht;
e. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden
genomen binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming
met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn;
f. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan burgemeester en
wethouders;
g. burgemeester en wethouders beslissen over de toepassing van
artikel 3:18, tweede lid, van die wet, en
h. de toezending, bedoeld in artikel 3:44 van die wet, tevens
geschiedt aan burgemeester en wethouders.
Artikel 41e
Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van de op grond van
artikel 41c, eerste lid, gecoördineerde besluiten gelijktijdig bekend.
Zij doen mededeling van die besluiten in de Staatscourant en langs
elektronische weg.
Hoofdstuk VI. Exploitatieverordeningen
Artikel 42
1. De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin de
voorwaarden worden vastgelegd, waaronder de gemeente medewerking zal
verlenen aan de exploitatie van gronden, die in de naaste toekomst
voor bebouwing in aanmerking komen (exploitatieverordening).
2. Een exploitatieverordening bevat onder meer voorschriften
omtrent:
a. de gevallen, waarin en de wijze waarop het treffen van
voorzieningen voor doeleinden van openbaar nut afhankelijk wordt
gesteld van de afstand van grond aan de gemeente;
b. het aandeel van de kosten van voorzieningen van openbaar nut,
dat ten laste wordt gebracht van de gronden, die door deze
voorzieningen worden gebaat en de wijze, waarop deze kosten over de
genoemde gronden worden omgeslagen.
3. Gedeputeerde staten kunnen van de verplichting tot het
vaststellen van een exploitatieverordening op verzoek vrijstelling
verlenen.
Artikel 43 [Vervallen per 03-04-2000]
Hoofdstuk VII. Aanlegvergunningen
Artikel 44
1. De aanlegvergunning mag alleen en moet
worden geweigerd, indien:
a. het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een
bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;
b. voor het werk of de werkzaamheid een vergunning ingevolge de
Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke
monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.
2. Aan een vergunning mogen slechts voorwaarden worden verbonden
ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen
strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het
werk of de werkzaamheid, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet
voldoen.
3. Indien de vergunning betrekking heeft op een werk of
werkzaamheid in een gebied dat behoort tot een beschermd stads- of
dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 zenden burgemeester en
wethouders terstond na de bekendmaking een afschrift van hun besluit aan
de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
4. De vergunning treedt in werking met ingang van de zevende week
na de dag waarop zij is verleend.
Artikel 45
1. Indien het werk of de werkzaamheid slechts toelaatbaar is
ingevolge een voorlopige bestemming of een voorlopige gebruiksregel,
stellen burgemeester en wethouders overeenkomstig hetgeen bij het
bestemmingsplan omtrent de duur van de bestemming is bepaald, in de
vergunning een termijn na het verstrijken waarvan het werk of de
werkzaamheid moet worden verwijderd of beëindigd of op andere wijze
met het bestemmingsplan in overeenstemming moet worden gebracht. De
termijn kan worden verlengd, indien en voor zover de duur van de
voorlopige bestemming is verlengd.
2. Indien de termijn is verstreken is de rechthebbende verplicht
binnen twaalf weken na aanzegging van burgemeester en wethouders te
zijner keuze het werk of de werkzaamheden te verwijderen of te
beëindigen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan.
Artikel 46
1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om
aanlegvergunning binnen vier weken na de dag, waarop de aanvraag
ontvangen is.
2. In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en
wethouders de beslissing aan, indien er geen grond is om de vergunning
te weigeren en voor het gebied, waarin het werk of de werkzaamheid zal
worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een
voorbereidingsbesluit in werking is getreden, een
ontwerp-bestemmingsplan of het ontwerp voor een herziening daarvan ter
inzage is gelegd, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan
is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na
vaststelling ter inzage is gelegd.
3. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit
overeenkomstig artikel 21 is vervallen, de termijn, genoemd in artikel
25, is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in
artikel 26, is overschreden, de termijn, genoemd in artikel 30, is
overschreden, dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in
werking is getreden.
4. In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en
wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om vergunning eveneens aan
indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag van
de vergunning een werk of werkzaamheid betreft in een gebied, behorend
tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet
1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend
bestemmingsplan geldt.
5. De aanhouding, bedoeld in het vierde lid, duurt totdat een ter
voldoening aan artikel 36 van de Monumentenwet 1988 vast te stellen of
te herzien bestemmingsplan in werking is getreden.
6. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en
wethouders de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de
werkzaamheid niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde
bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan
wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid.
7. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en
wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de
werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde
bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan,
mits het werk of de werkzaamheid is voorzien van een goede ruimtelijke
onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is
ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar
hebben. Artikel 19a, eerste, vierde tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
8. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en
wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de
werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde
bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en
het betreft:
a. een werk of werkzaamheid ten aanzien waarvan artikel 17 wordt
toegepast;
b. een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid.
9. Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening,
bedoeld in het achtste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder. Artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht
is niet van toepassing.
10. Onverminderd het zesde en zevende lid, kunnen burgemeester en
wethouders, in afwijking van het vierde lid, de aanlegvergunning
verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet strijdt met het in
voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of
dorpsgezicht, alsmede van beschermd landschap, natuurgebied,
rijksbufferzone en archeologische vindplaats strekkende bestemmingsplan
en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij
tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.
11. De in het zevende en tiende lid bedoelde verklaringen worden
gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 19a, achtste lid, eerste volzin, is
alsdan niet van toepassing. Alvorens het besluit omtrent de in het
tiende lid bedoelde verklaring te nemen, horen gedeputeerde staten de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld
mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een
goede ruimtelijke ordening.
Artikel 47 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 48
Burgemeester en wethouders kunnen een aanlegvergunning intrekken:
a. indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste
of onvolledige opgave is verleend;
b. indien binnen een in de vergunning te bepalen termijn na de
dagtekening van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is
gemaakt;
c. indien de werkzaamheden langer dan een in de vergunning te
bepalen termijn zijn gestaakt.
Hoofdstuk VIII. Financiële bepalingen
Afdeling 1. Schadevergoeding
Artikel 48a
1. Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een
onherroepelijk rijksprojectbesluit schade lijdt of zal lijden, die
redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven,
en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door
aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, kent Onze
projectminister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen
schadevergoeding toe.
2. Artikel 49 blijft buiten toepassing voor zover de
belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen
op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
3. Onze projectminister kan nadere regels geven omtrent de
indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding.
Artikel 49
1. Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:
a. de bepalingen van een bestemmingsplan,
b. het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17
of 19,
c. het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel
40, of van een vergunning of andere beschikking ingevolge artikel 41,
d. de aanhouding van het besluit omtrent het verlenen van een bouw-
of aanlegvergunning ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet
dan wel ingevolge artikel 46, tweede lid,
e. aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, tweede of vijfde lid,
f. het koninklijk besluit als bedoeld in artikel 66,
schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel
te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet
voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd kennen
burgemeester en wethouders hem op aanvraag een naar billijkheid te
bepalen schadevergoeding toe.
2. Een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in het
eerste lid, onder a, b, c, of f, moet worden ingediend binnen vijf jaar
nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan
onderscheidenlijk het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden.
Ingeval van schade ten gevolge van een aanhouding bedoeld onder d of van
een aanwijzing onder e, kan de aanvraag om schadevergoeding eerst worden
ingediend na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan,
doch niet later dan vijf jaar nadat dat bestemmingsplan onherroepelijk
is geworden.
3. Van de aanvrager heffen burgemeester en wethouders een recht
ten bedrage van € 300, welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad
met ten hoogste twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd. Zij
wijzen hem op de verschuldigdheid van het recht en delen hem mede dat
het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van
de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel op een aangegeven
plaats moet zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is
bijgeschreven of gestort verklaren zij de aanvrager niet ontvankelijk,
tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat aanvrager in
verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk
positief wordt beslist, storten burgemeester en wethouders het betaalde
recht terug.
4. Het in het derde lid genoemde bedrag kan bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer
voor de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
Artikel 49a
1. Voor zover schade die op grond van artikel 49 voor
vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een
besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een
project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen
dan wel om vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a
of 31b, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker
overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening
komt.
2. De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste
lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester
en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel
49 terzake van de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de verlening
van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht.
Afdeling 2. Subsidies
Artikel 50 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 50a
1. Onze Minister kan ter uitvoering van
het nationaal ruimtelijk beleid, zoals verwoord in de Planologische
Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid, subsidies verstrekken ten
behoeve van:
a. de ontwikkeling of herziening van ruimtelijke plannen van
provincies, samenwerkingsgebieden als bedoeld in hoofdstuk IVA of
gemeenten;
b. de voorbereiding van projecten of activiteiten die voor de
uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang
zijn;
c. de realisering van projecten of activiteiten die voor de
uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang
zijn.
2. Onze Minister kan tevens subsidies verstrekken ten behoeve van
activiteiten ter uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, zoals
verwoord in een andere planologische kernbeslissing dan genoemd in het
eerste lid, indien bij algemene maatregel van bestuur zodanige
planologische kernbeslissing alsmede de activiteiten waarvoor een
subsidie kan worden verstrekt, zijn aangewezen.
Artikel 50b [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 50c
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de wijze van
verdeling van de subsidiegelden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven met betrekking tot:
a. de vaststelling van een subsidieplafond, het tijdvak waarvoor
het subsidieplafond is vastgesteld, alsmede de wijze waarop dit bekend
wordt gemaakt;
b. de subsidieverlening;
c. de gevallen waarin de subsidieverlening wordt geweigerd;
d. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
e. de subsidievaststelling;
f. het intrekken of het ten nadele van de subsidie-ontvanger
wijzigen zolang de subsidie niet is vastgesteld;
g. de betaling van de subsidie;
h. het verlenen van voorschotten en de betaling daarvan.
Hoofdstuk IX. Planologische organen en adviesraden
Artikel 51
1. Ten behoeve van overleg over zaken betreffende de
ruimtelijke ordening is er een Rijksplanologische Commissie. De
commissie heeft voorts tot taak Onze Minister en desgevraagd Onze
andere Ministers van advies te dienen over zaken betreffende de
ruimtelijke ordening.
2. De voorzitter van de Commissie wordt door Ons benoemd. Onze
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers benoemen de
leden der commissie. Elke Minister kan zoveel leden benoemen als bij
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald.
3. Onze Minister voorziet in het secretariaat van de commissie.
4. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur subcommissies
instellen en bepalen, in welke gevallen het advies dier subcommissies in
de plaats treedt van dat der Rijksplanologische Commissie.
5. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere
voorschriften geven omtrent de taak en de werkwijze van de commissie.
Artikel 52 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 53
1. Ten behoeve van het overleg over zaken
betreffende de ruimtelijke ordening is er in elke provincie een
provinciale planologische commissie. Deze commissie dient voorts het
provinciaal bestuur van advies over de uitvoering van de taak, die bij
of krachtens deze wet aan dat bestuur is opgedragen.
2. De voorzitter, de leden en de secretaris der commissie worden
door gedeputeerde staten benoemd. De inspecteur is ambtshalve lid van de
commissie.
3. Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften
omtrent de samenstelling der commissies.
4. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften geven omtrent
de taak en werkwijze der commissie. Zij kunnen bepalen, dat bepaalde
bevoegdheden van de provinciale planologische commissie worden
uitgeoefend door subcommissies.
Hoofdstuk IXA. Bezwaar en beroep
Artikel 54
1. Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 29,
zesde lid.
2. Een belanghebbende kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State beroep instellen tegen:
a. een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking
daarvan, opgenomen in een planologische kernbeslissing, een streekplan
of een regionaal structuurplan;
b. een besluit inzake goedkeuring van een besluit van burgemeester
en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van
een bestemmingsplan;
c. een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad
tot uitwerking of wijziging van een bestemmingsplan overeenkomstig
artikel 11, zevende lid;
d. een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van
de herziening of intrekking daarvan;
e. een besluit van Onze Minister tot vervanging van het besluit van
gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van
de herziening of intrekking daarvan;
f. een besluit omtrent een verzoek tot vergoeding van hogere kosten
ten gevolge van het opnemen van bepalingen in een bestemmingsplan op
verzoek of krachtens wettelijke bepaling;
g. een besluit omtrent een verzoek om vergoeding van hogere kosten
ten gevolge van het verlenen van vrijstelling of aanhouding van bouw-
of aanlegvergunning op verzoek van een ander openbaar lichaam;
h. een besluit van gedeputeerde staten omtrent vrijstelling als
bedoeld in artikel 33, tweede lid;
i. een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 40;
j. een beschikking als bedoeld in artikel 41, eerste lid;
k. een rijksprojectbesluit;
l. een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, voorzover
dat besluit geen grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in
een planologische kernbeslissing of in een rijksprojectbesluit;
m. besluiten als bedoeld in artikel 41c, eerste lid.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist
op:
a. de beroepen, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, binnen
twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn;
b. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k, binnen twaalf
maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de
Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn
met ten hoogste drie maanden kan verlengen;
c. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l en m, binnen
zes maanden na ontvangst van het verweerschrift;
d. op een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k en l,
indien gelijktijdig beroep is ingesteld, binnen twaalf maanden na
ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling
bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten
hoogste drie maanden kan verlengen.
4. Indien het beroep een bestemmingsplan of een herziening
daarvan betreft waarin ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdelen zijn
aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de
naaste toekomst nodig wordt geacht, wordt het beroep behandeld vóór
andere ingestelde beroepen als bedoeld in het derde lid.
5. Indien tegen een beschikking als bedoeld in artikel 41 een
beroep anders dan ingevolge het tweede lid, onder j, openstaat, blijven
de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing.
6. Indien tegen een rijksprojectbesluit tevens een beroep anders
dan overeenkomstig het tweede lid, onder k, kan worden ingesteld,
blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing.
7. Bij het beroep tegen een rijksprojectbesluit kunnen geen
gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete
beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, waarop dat
besluit berust.
Artikel 55
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht worden als één besluit aangemerkt:
a. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 15,
tweede lid, 16, 19, eerste, of, in voorkomend geval, tweede lid, 46,
zevende of tiende lid, en het besluit waarop de verklaring
betrekking heeft;
b. een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 29,
zevende lid, en een besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in
28, tweede lid, voor zover niet vervangen;
c. een besluit omtrent een verzoek om vrijstelling als bedoeld in
artikel 40, eerste lid, en besluiten omtrent medewerking als bedoeld
in artikel 40, derde, achtste en negende lid, en het besluit omtrent
die vrijstelling;
d. een besluit tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in
artikel 40 en een besluit omtrent een beschikking als bedoeld in
artikel 41, in onderlinge samenhang genomen;
e. de beschikkingen, bedoeld in artikel 41, met betrekking tot de
verwezenlijking van eenzelfde project;
f. de besluiten, bedoeld in artikel 39j, eerste lid;
g. indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van
afdeling 1a van hoofdstuk Va gelijktijdig zijn toegepast, de
besluiten, bedoeld in artikel 39j, eerste lid, en het
rijksprojectbesluit;
h. de besluiten, bedoeld in artikel 41c, eerste lid, met
betrekking tot de verwezenlijking van eenzelfde project.
Artikel 55a [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55b [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55c [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55d [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55e [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55f [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55g [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55h [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55i [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55j [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55k [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55l [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55m [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 55n [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56
1. Voor de toepassing van artikel 6:13
van de Algemene wet bestuursrecht op een beroep als bedoeld in artikel
54, tweede lid, onder d en e, wordt het inbrengen van bedenkingen
overeenkomstig artikel 27, eerste of tweede lid, aangemerkt als het naar
voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de
Algemene wet bestuursrecht.
2. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht
kan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
worden ingesteld door uitsluitend:
a. het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam tegen
een besluit van gedeputeerde staten tot onthouding van goedkeuring aan
een regionaal structuurplan of een herziening daarvan;
b. het in eerste aanleg bevoegde gezag tegen een besluit houdende
een aanwijzing krachtens artikel 41, vierde lid.
Artikel 56a
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt
de beroepstermijn aan:
a. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder b,
met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent
goedkeuring overeenkomstig artikel 11, vijfde lid;
b. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d,
met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent
goedkeuring overeenkomstig artikel 28, zesde lid of artikel 29,
derde lid;
c. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder e,
met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van Onze
Minister overeenkomstig artikel 29, zevende lid;
d. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder f,
met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van
gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 28, zesde lid;
e. in een geval als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder b,
met ingang van de dag na die waarop de beschikking waarop de
aanwijzing betrekking heeft, is gegeven;
f. voor beroepen tegen een of meer concrete beleidsbeslissingen
of een herziening daarvan, in een planologische kernbeslissing die
de grondslag vormt voor een rijksprojectbesluit of voor een besluit
als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop
beroep kan worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit of de
herziening daarvan dan wel tegen een besluit als bedoeld in artikel
39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar
na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing of de
herziening daarvan een daarop berustend rijksprojectbesluit
onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste
lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de
dag waarop dat jaar is verstreken;
g. voor een beroep tegen een rijksprojectbesluit dat de grondslag
vormt voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met
ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen een
besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande
dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van het
rijksprojectbesluit een daarop berustend besluit als bedoeld in
artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn
aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; dit
onderdeel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in
onderdeel f.
Artikel 56b
1. Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een
besluit inzake goedkeuring van een bestemmingsplan, de uitwerking of
wijziging of de herziening of intrekking daarvan of met betrekking tot
een besluit tot uitwerking of wijziging als bedoeld in artikel 11,
zevende lid, bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan,
wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is
beslist. Bij toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op
welke onderdelen van het plan de voorlopige voorziening betrekking
heeft.
2. In geval van samenloop van een aanwijzing ingevolge artikel 37
met een aanwijzing ingevolge artikel 26 van de Luchtvaartwet, artikel 15
van de Tracéwet of artikel 7e van de Ontgrondingenwet begint de termijn
van een jaar na afloop van de in artikel 38, tweede lid, onder a, b of c,
bedoelde termijn voor Onze Minister of voor gedeputeerde staten te lopen
met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing
krachtens de Luchtvaartwet, de Tracéwet of de Ontgrondingenwet afloopt.
Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige
voorziening is gedaan, wordt de werking van de aanwijzing ingevolge
artikel 37 opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
3. Indien tegen het besluit tot het verlenen van vrijstelling
ingevolge artikel 40 beroep is ingesteld en binnen de beroepstermijn bij
de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, begint de in artikel
40a, eerste lid, bedoelde termijn te lopen zodra dat verzoek is
afgewezen.
Artikel 56c [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56d [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56e [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56f [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56g [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56h [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56i [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56j [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56k [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56l [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56m [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56n [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 56o [Vervallen per 03-04-2000]
Hoofdstuk IXB. Advisering inzake beroepen ruimtelijke ordening
Artikel 57
1. Onze Minister is gemachtigd namens de
Staat tot oprichting over te gaan van een stichting die tot doel heeft
de taak te verrichten, bedoeld in artikel 57a.
2. Wijziging van de statuten van de stichting, dan wel ontbinding
van de stichting behoeft de toestemming van Onze Minister. Alvorens te
beslissen over de toestemming, hoort Onze Minister de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3. De statuten van de stichting waarborgen dat de stichting haar
werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk verricht.
Artikel 57a
De stichting heeft tot taak aan de administratieve rechter op diens
verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van
deze wet. Op verzoek van de administratieve rechter brengt de stichting
tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere
wetten, voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met de
ruimtelijke ordening.
Artikel 57b
De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting, en het
personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen,
waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de
onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel van het
vertrouwen daarin.
Artikel 57c
1. Indien met toepassing van artikel 57 een stichting is
opgericht, verstrekt Onze Minister aan de stichting subsidie
overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen voorschriften, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is
voor een goede taakuitoefening.
2. Artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing.
Hoofdstuk X. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 58 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 59 [Vervallen per 13-09-2004]
Artikel 60 [Vervallen per 13-09-2004]
Artikel 61 [Vervallen per 13-09-2004]
Artikel 62 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 63
De inspecteur alsmede de door de commissaris van de Koning en de
burgemeester aangewezen ambtenaren zijn, onverminderd artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, belast met de opsporing van de feiten,
strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het
Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een
bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
Artikel 64 [Vervallen per 13-09-2004]
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 65
1. Met het toezicht op de uitvoering en
de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de
bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, mede met
betrekking tot de uitvoering van verordeningen betreffende de
ruimtelijke ordening.
3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat
bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens
verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij
de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip
waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden
verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij
gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Artikel 66
Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister,
die het mede aangaat, kunnen Wij bepalen, dat deze wet niet van
toepassing is op een in Ons besluit aan te wijzen werk of werkzaamheid
ten behoeve van de landsverdediging. Alvorens Ons een voordracht te doen
horen Onze Ministers de Rijksplanologische Commissie.
Artikel 67 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 68 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 69
1. Onderstaande personen hebben in de
hierna genoemde gebieden van zonsopgang tot zonsondergang toegang tot
alle terreinen, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering van
deze wet nodig is:
1°. in het gehele Rijk:
de voorzitter en de leden van de Rijksplanologische Commissie en de
door Onze Minister aan te wijzen rijksambtenaren;
2°. in een provincie: de door de commissaris van de Koning aan te
wijzen personen;
3°. in een gemeente:
de burgemeester en de door hem aan te wijzen personen.
2. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschrijven
dat ten aanzien van bepaalde plaatsen de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend door bepaalde van de in het eerste
lid genoemde personen.
3. De in het eerste lid bedoelde personen verschaffen zich zo
nodig de toegang met behulp van de sterke arm.
Artikel 70
Alle stukken, opgemaakt ter verkrijging van de beschikking door de
gemeente over onroerende zaken ten einde uitvoering te kunnen geven aan
een bestaand of toekomstig bestemmingsplan, zijn vrij van kosten van
legalisatie en van griffiekosten.
Artikel 71
De kosten, voor de gemeente voortvloeiende uit de medewerking aan de
uitvoering van deze wet, zijn uitgaven als bedoeld in artikel 193 van de
Gemeentewet. Artikel 194 van die wet vindt toepassing.
Artikel 72
De bevoegdheid aan provinciale staten overeenkomstig artikel 145 van
de Provinciewet en aan de gemeenteraad overeenkomstig artikel 149 van de
Gemeentewet toekomende blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze
wet voorziet, gehandhaafd voor zover de door deze colleges te maken
verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.
Artikel 73
1. Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de Ruimtelijke
Ordening.
2. Zij treedt in werking op een
door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 5 juli 1962.
JULIANA
De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid,
J. van Aartsen
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
J. Cals
De Minister van Financiën,
J. Zijlstra
De Minister van Defensie,
S.H. Visser
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
H.A. Korthals
De Minister van Economische Zaken,
J.W. de Pous
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Minister van Maatschappelijk Werk,
M. Klompé
Uitgegeven de zevende augustus 1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|