| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE STADS- EN DORPSVERNIEUWING (Wsdv)
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2008
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2008
(Zie Wet
ruimtelijke ordening)
|
|
WET van 5 september 1984, houdende
regelen ter bevordering van de stads- en dorpsvernieuwing
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is bij de wet
enige regelen te stellen ter bevordering van de stads- en
dorpsvernieuwing;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet
wordt onder stads- en dorpsvernieuwing verstaan de stelselmatige
inspanning zowel op stedebouwkundig als op sociaal, economisch,
cultureel en milieuhygiënisch gebied, gericht op behoud, herstel,
verbetering, herindeling of sanering van bebouwde gedeelten van het
gemeentelijk grondgebied.
2. Waar hierna in deze wet wordt gesproken van stadsvernieuwing,
al dan niet in verbinding met andere zelfstandige naamwoorden, wordt
voor zover van toepassing dorpsvernieuwing daaronder mede begrepen.
3. Voorts wordt in deze wet verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
b. gebouw, bouwen, bouwvergunning, verbeteren en slopen: hetgeen
daaronder in de Woningwet wordt verstaan.
Artikel 2
De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet
eerder in werking dan twee maanden na de dagtekening van het Staatsblad,
waarin de desbetreffende besluiten zijn geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld aan de Staten-Generaal mededeling gedaan.
Hoofdstuk II. Het regeringsbeleid inzake de stadsvernieuwing
Artikel 3
1. Onze Minister verricht het nodige ter voorbereiding van de
bepaling van het regeringsbeleid inzake de stadsvernieuwing. Hij
draagt ervoor zorg dat het beleid van Onze onderscheidene Ministers op
het gebied van de stadsvernieuwing een samenhangend geheel vormt.
2. Ter uitvoering van het eerste lid doet Onze Minister jaarlijks
ter gelegenheid van de aanbieding van de Rijksbegroting aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal toekomen:
a. een overzicht van de op stadsvernieuwing betrekking hebbende
posten in de onderscheidene hoofdstukken van de Rijksbegroting,
vergezeld door een overzicht van de aard en omvang van de behoefte aan
stadsvernieuwing en van de ter bevordering van voorziening in deze
behoefte van rijkswege te nemen maatregelen;
b. een voor het desbetreffende begrotingsjaar bijgesteld programma
van in de komende vijf jaren door de Regering te ontplooien
activiteiten ten behoeve van de stadsvernieuwing en van van rijkswege
voor de stadsvernieuwing ten laste van de onderscheidene hoofdstukken
van de rijksbegroting ter beschikking te stellen bijdragen, vergezeld
door een verslag van het door de regering gevoerde beleid en van de
voortgang van de stadsvernieuwing;
c. een voor het desbetreffende begrotingsjaar bijgestelde raming
van de kosten, verbonden aan de uitvoering van het onder b
bedoelde programma.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk III. Het beleid der provincie
Artikel 5
1. Gedeputeerde Staten bevorderen de
coördinatie tussen de stadsvernieuwing en de regionale ontwikkeling van
de provincie.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 53 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening is er ten behoeve van het overleg en de advisering
over zaken betreffende de stadsvernieuwing in elke provincie een
provinciale stadsvernieuwingscommissie. In deze commissie hebben
vertegenwoordigers in de provincie van bij stadsvernieuwing betrokken
rijksdiensten in elk geval zitting.
Artikel 6 [Vervallen per 01-03-1986]
Hoofdstuk IV. Gemeentelijke stadsvernieuwingsmaatregelen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 7
1. De gemeenteraad kan voor een bepaald
gedeelte of voor bepaalde gedeelten van het gemeentelijk grondgebied,
die daarvoor naar zijn mening in aanmerking komen:
a. een leefmilieuverordening vaststellen, zulks overeenkomstig
hetgeen dienaangaande is bepaald in de afdelingen 2 en 3 van dit
hoofdstuk;
b. een stadsvernieuwingsplan vaststellen, zulks overeenkomstig
hetgeen dienaangaande is bepaald in de afdelingen 2 en 4 van dit
hoofdstuk.
2. Het bepaalde in dit artikel laat de bevoegdheid van de
gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders om
overeenkomstig andere wettelijke voorschriften maatregelen in het belang
van de stadsvernieuwing te nemen onverlet. Evenmin beperkt het de
mogelijkheid om in datzelfde belang langs andere weg te komen tot
uitvoering van werken en werkzaamheden ter verbetering van woningen,
andere gebouwen en derzelver omgeving.
Afdeling 2. Het betrekken van de bevolking bij gemeentelijke
stadsvernieuwingsmaatregelen
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2005]
Afdeling 3. Leefmilieuverordening
Artikel 9
1. Een leefmilieuverordening strekt tot
wering van dreigende en tot stuiting van reeds ingetreden achteruitgang
van de woon- en werkomstandigheden in en het uiterlijk aanzien van het
bij die verordening aangewezen gebied of de daarbij aangewezen gebieden.
2. Voor een aanwijzing, als in het eerste lid bedoeld, komen
slechts in aanmerking gebieden, welke in hoofdzaak worden gebezigd voor
bewoning, het midden- en kleinbedrijf of kantoren of voor een samenstel
van twee of meer van deze doeleinden.
3. Bij een leefmilieuverordening kunnen uitsluitend ter
verwezenlijking van het in het eerste lid vermelde doel voorschriften
worden gegeven zowel ten aanzien van op te richten of door verbouwing
tot stand te brengen bouwwerken en de toelaatbaarheid van werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als ten aanzien van het gebruik van
gronden en opstallen.
4. De verordening behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
Artikel 10
Op de voorbereiding van een leefmilieuverordening is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar
voren worden gebracht door een ieder. De kennisgeving, bedoeld in
artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt tevens in de
Staatscourant geplaatst.
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 12
De gemeenteraad beslist binnen twaalf weken na afloop van de in
artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde
termijn omtrent de vaststelling van de leefmilieuverordening.
Artikel 13
1. Een leefmilieuverordening, die afwijkt van de
ontwerp-verordening, zoals deze ter inzage heeft gelegen, ligt
gedurende zes weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage.
De tervisielegging geschiedt zo spoedig mogelijk doch in elk geval
binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit. De
nederlegging wordt bekendgemaakt op de wijze, in artikel 3:12 van de
Algemene wet bestuursrecht en artikel 10, derde volzin, aangegeven. De
bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het kenbaar
maken van bedenkingen.
2. Een ieder, die bedenkingen heeft tegen wijzigingen, kan deze
gedurende de in het eerste lid genoemde termijn van terinzageligging bij
gedeputeerde staten kenbaar maken.
Artikel 14
1. De leefmilieuverordening wordt na vaststelling zo spoedig
mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van
het raadsbesluit aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten
onderworpen.
2. Indien artikel 13, eerste lid, toepassing heeft gevonden,
wordt het besluit omtrent goedkeuring binnen dertien weken na afloop van
de in dat lid genoemde termijn van terinzagelegging bekendgemaakt.
Alvorens te besluiten horen gedeputeerde staten de provinciale
stadsvernieuwingscommissie en zo nodig de provinciale planologische
commissie. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing. De goedkeuring kan worden
onthouden indien de ingediende bedenkingen daartoe aanleiding geven dan
wel wegens strijd met het belang van de stadsvernieuwing.
3. Van het besluit omtrent goedkeuring wordt door toezending van
een afschrift mededeling gedaan aan de provinciale
stadsvernieuwingscommissie en zo nodig de provinciale planologische
commissie.
Artikel 15
De verordening wordt bekendgemaakt binnen vier weken na de dag waarop
het besluit tot goedkeuring is bekendgemaakt dan wel het besluit tot
goedkeuring ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geacht wordt te zijn genomen. Hiervan wordt mededeling
gedaan aan gedeputeerde staten.
Artikel 16
Planologische maatregelen welke gelden in een gebied waarvoor een
leefmilieuverordening tot stand is gekomen, blijven - behoudens
intrekking - van kracht voorzover zij niet met die verordening in strijd
zijn.
Artikel 17
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet
moet de bouwvergunning eveneens worden geweigerd, indien het bouwwerk,
waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd zou zijn met bepalingen
van een leefmilieuverordening.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet
kan de bouwvergunning geweigerd worden indien burgemeester en wethouders
toepassing hebben gegeven aan het bepaalde in artikel 26, doch geen
bankgarantie is verleend.
3. Indien de aanvraag om bouwvergunning strekt tot
vergunningverlening in twee fasen als bedoeld in artikel 56a van de
Woningwet, hebben het eerste en het tweede lid slechts betrekking op de
bouwvergunning eerste fase.
Artikel 18
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 50, eerste lid, en
51, eerste lid, van de Woningwet houden burgemeester en wethouders de
beschikking eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te
weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden
uitgevoerd, voordat de aanvraag is binnengekomen, een ontwerp voor een
leefmilieuverordening of voor een herziening daarvan ter inzage is
gelegd dan wel een zodanige verordening of een herziening daarvan is
vastgesteld.
2. De aanhouding duurt totdat de termijnen bedoeld in de
artikelen 12 of 14, tweede lid, zijn overschreden of omtrent de
goedkeuring van de verordening of de herziening daarvan onherroepelijk
is beslist.
3. Artikel 50, vierde, vijfde en zesde lid, van de Woningwet is
van overeenkomstige toepassing.
4. Na de in het tweede lid bedoelde beëindiging van de
aanhouding verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning binnen
vier weken na de beëindiging van de aanhouding.
5. Indien de aanvraag om bouwvergunning strekt tot
vergunningverlening in twee fasen als bedoeld in artikel 56a van de
Woningwet, hebben het eerste en het tweede lid slechts betrekking op de
bouwvergunning eerste fase.
Artikel 19
Indien en voorzover blijkt, dat een belanghebbende ten gevolge van de
bepalingen van een leefmilieuverordening schade lijdt of zal lijden, is
artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 20
1. In gebieden, waarvoor een leefmilieuverordening geldt is het
verboden te slopen zonder of in afwijking van een schriftelijke
vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).
2. Geen sloopvergunning krachtens deze wet is vereist voor het
slopen:
a. ingevolge een besluit van burgemeester en wethouders als bedoeld
in artikel 13 van de Woningwet dan wel ingevolge een besluit van
burgemeester en wethouders tot toepassing van bestuursdwang of
oplegging van een last onder dwangsom wegens overtreding van het
bepaalde bij of krachtens artikel 1a, 1b, 7b, 13, 40, 45, zevende lid,
of 120 van die wet;
b. van bouwwerken als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet.
3. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, kan de
gemeenteraad bij de leefmilieuverordening bepalen, dat het verbod om
zonder vergunning te slopen slechts van toepassing is in bepaalde
gedeelten van de in dit artikel bedoelde gebieden.
Artikel 21
1. De sloopvergunning mag worden geweigerd, indien
bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te
slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, doch deze vergunning nog niet
is aangevraagd.
2. De sloopvergunning moet worden geweigerd, indien vergunning
voor het slopen van het bouwwerk ingevolge de Monumentenwet 1988, een
provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze
vergunning niet is verleend.
Artikel 22
1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om
sloopvergunning binnen twaalf weken na de dag waarop zij de aanvraag
hebben ontvangen. De artikelen 46, vierde tot en met zevende lid, en
47 van de Woningwet zijn van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en
wethouders de beslissing aanhouden, indien voor een in plaats van het te
slopen bouwwerk op te richten bouwwerk bouwvergunning is aangevraagd,
doch op de aanvrage nog niet is beslist.
3. De aanhouding duurt totdat onherroepelijk op de aanvrage om
bouwvergunning, bedoeld in het tweede lid, is beslist.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 24
Voor een gebied waarvoor een leefmilieuverordening geldt, worden door
burgemeester en wethouders voorschriften gegeven omtrent:
a. de inrichting van aanvragen om sloopvergunning;
b. de overdraagbaarheid van deze vergunning.
Artikel 25
De artikelen 20-24 zijn van overeenkomstige toepassing op die delen
van de gemeente waarvoor een ontwerp voor een leefmilieuverordening ter
inzage is gelegd of een zodanige verordening is vastgesteld, met dien
verstande echter, dat het verbod om zonder vergunning te slopen van
rechtswege vervalt, indien de termijn bedoeld in artikel 12 is
overschreden dan wel Gedeputeerde Staten goedkeuring aan de verordening
hebben onthouden.
Artikel 26
Het verlenen van een bouwvergunning voor een bouwwerk, dat geheel of
gedeeltelijk gelegen is binnen een gebied, waar het op grond van artikel
20 dan wel 25 verboden is om zonder vergunning te slopen en dat sloping
van een bestaand bouwwerk zou medebrengen, kan afhankelijk worden
gesteld van een bankgarantie ten bedrage van ten hoogste eenvijfde
gedeelte van de door burgemeester en wethouders geschatte bouwkosten.
Artikel 27
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 59, eerste lid,
onder c, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders in
een bouwvergunning als bedoeld in artikel 26 een termijn opnemen
waarbinnen met de werkzaamheden moet begonnen zijn. Deze termijn mag
niet korter zijn dan twaalf weken na de dagtekening van de vergunning.
Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn op verzoek van de
vergunninghouder verlengen.
2. De bankgarantie bedoeld in artikel 26 eindigt in elk geval op
het tijdstip waarop metterdaad met de bouw is begonnen.
3. Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn of
verlengde termijn niet met de werkzaamheden is begonnen, kunnen
burgemeester en wethouders het bedrag, waarvoor de garantie is gesteld,
aan de gemeente doen uitbetalen; tevens kunnen zij de bouwvergunning
intrekken.
Artikel 28
De eigenaar van grond of de rechthebbende op een beperkt recht
waaraan grond is onderworpen, die geheel of gedeeltelijk is gelegen in
een gebied, waar het op grond van artikel 20 dan wel 25 verboden is
zonder vergunning te slopen en waarop door zijn toedoen zonder
vergunning een bouwwerk is gesloopt, is, indien bouwvergunning kan
worden verleend voor een in de plaats van het gesloopte bouwwerk op te
richten bouwwerk, verplicht deze vergunning binnen zes maanden na de
sloop aan te vragen. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn op
verzoek van de eigenaar verlengen. Artikel 27, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten in een gebied,
waarvoor een leefmilieuverordening geldt tijdelijk, in het besluit
nader omschreven voorzieningen te treffen met het oog op de
verbetering van de woon- en werkomstandigheden in of het uiterlijk
aanzien van dat gebied.
2. De voorzieningen bedoeld in het eerste lid, worden alleen
getroffen op grond, welke onmiddellijk vóórdien reeds gedurende enige
tijd niet of niet noemenswaard voor een bepaald doeleinde in gebruik
was. Werken en werkzaamheden ten behoeve van deze voorzieningen worden
niet uitgevoerd alvorens over de inhoud en vormgeving daarvan met de
direct betrokkenen in het gebied overleg is gepleegd.
3. Rechthebbenden ten aanzien van gronden alwaar voorzieningen
als bedoeld worden getroffen, moeten, voorzover ter zake met de gemeente
geen overeenstemming is bereikt, de uitvoering alsmede het in stand
blijven daarvan gedogen. Indien zij dientengevolge schade lijden wordt
deze desverzocht door de kantonrechter - met inachtneming van het
bedrag, dat in geval van huur en verhuur redelijkerwijs als huurprijs
zou zijn verschuldigd - vastgesteld en vervolgens door de gemeente
vergoed.
4. Indien de rechthebbende ten aanzien van grond, waarop
voorzieningen zijn getroffen daarop een bouwwerk wil oprichten, dat niet
in strijd is met de ter plaatse geldende bouwvoorschriften, of die grond
in gebruik wil nemen voor enig doeleinde, waartegen de
leefmilieuverordening noch een ander wettelijk voorschrift zich verzet,
worden de voorzieningen van gemeentewege ongedaan gemaakt.
5. De voorzieningen worden eveneens onverwijld van gemeentewege
ongedaan gemaakt, indien de rechthebbende ten aanzien van de grond
zulks, nadat de leefmilieuverordening heeft opgehouden te gelden, aan
burgemeester en wethouders verzoekt.
Artikel 30
1. Een leefmilieuverordening geldt voor een daarbij te stellen
termijn van ten hoogste vijf jaar. Het besluit tot verlenging behoeft
de goedkeuring van gedeputeerde staten.
2. Ten aanzien van de herziening en intrekking van een
leefmilieuverordening zijn de artikelen 10–15 van overeenkomstige
toepassing
Afdeling 4. Stadsvernieuwingsplan
Artikel 31
Een stadsvernieuwingsplan strekt tot behoud, herstel, verbetering,
herindeling of sanering van het daarin begrepen gebied. Het wordt voor
de toepassing van deze en andere wetten gelijkgesteld met een
bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening. De hoofdstukken IV, V, VII, VIII en IXA van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening alsmede hoofdstuk IV van het Besluit op de
ruimtelijke ordening 1985 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in de hoofdstukken IV en V van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening in plaats van "de provinciale planologische
commissie" telkenmale wordt gelezen: de provinciale
stadsvernieuwingscommissie en zo nodig de provinciale planologische
commissie.
Artikel 32
1. Bij een stadsvernieuwingsplan kunnen gebieden worden
aangewezen, waarbinnen de woningen en andere gebouwen, alsmede
bouwwerken, niet zijnde gebouwen, voor het merendeel uit het oogpunt
van woongerief, gebruiksmogelijkheden of anderszins niet of niet meer
aan de daaraan te stellen eisen voldoen en hetzij door middel van
verbetering, verbouwing, samenvoeging of op andere wijze dienen te
worden gemoderniseerd, hetzij door gelijksoortige bebouwing van
gelijke of nagenoeg gelijke bouwmassa dienen te worden vervangen.
2. Zolang de binnen een ingevolge het eerste lid aangewezen
gebied gelegen woningen en andere gebouwen, alsmede bouwwerken, niet
zijnde gebouwen, niet zijn gemoderniseerd, dan wel vervangen, wordt het
gebruik daarvan geacht af te wijken van het plan.
Artikel 33
1. Een stadsvernieuwingsplan gaat vergezeld van een
uitvoeringsschema. Dit geeft aan:
a. de volgorde, waarin aan de verschillende onderdelen van het plan
naar het oordeel van burgemeester en wethouders uitvoering zou moeten
worden gegeven;
b. het tijdstip, waarop naar het oordeel van burgemeester en
wethouders de uitvoering van het plan of van onderdelen daarvan
uiterlijk zou moeten zijn voltooid;
c. de termijn, waarbinnen burgemeester en wethouders ernaar streven
dat de bestemming zal worden verwezenlijkt van gronden, die bij het
plan zijn aangewezen voor doeleinden van openbaar nut;
d. de raming van de kosten, welke de uitvoering van het plan, naar
tijdsvolgorde onderscheiden, zal medebrengen en van de opbrengsten,
die daarmede zullen worden verkregen, alsmede de wijze waarop in de
dekking van een eventueel tekort zal worden voorzien en voorts een
overzicht van de te verwachten financiële tekorten die mochten
ontstaan door de uitvoering van maatregelen, die als gevolg van het
plan buiten het plangebied zullen worden uitgevoerd;
e. de wijze, waarop burgemeester en wethouders voornemens zijn de
bevolking bij de uitvoering van het plan of van onderdelen daarvan te
betrekken;
f. de wijze, waarop burgemeester en wethouders zich voorstellen om
gedurende de uitvoering van het plan de belangen van personen of
groepen, die doordat zij hun woning of ander gebouw tijdelijk niet
kunnen gebruiken of anderszins door die uitvoering worden getroffen,
te behartigen;
g. de wijze, waarop burgemeester en wethouders zich voorstellen, zo
nodig, van gemeentewege te voorzien in de huisvesting van hen, die ten
gevolge van de uitvoering van het plan niet in hun oorspronkelijke
woongelegenheid kunnen terugkeren alsmede de wijze, waarop het
gemeentebestuur zich voorstelt, in vergelijkbaar geval het
bedrijfsleven hulp en zo nodig geldelijke steun te bieden bij het
vinden, respectievelijk innemen van een vestigingsplaats elders;
h. welke andere maatregelen ten behoeve van de uitvoering van het
plan, onder meer op het gebied van het specifieke welzijn en op
economisch en milieuhygiënisch gebied, burgemeester en wethouders
zich voorstellen, dat van gemeentewege of door anderen met instemming
van de gemeente zullen worden genomen.
2. Het uitvoeringsschema bevat voorts een beschrijving van de in
het plan begrepen, voor modernisering of vervanging in aanmerking
komende gebouwen, en geeft ten aanzien daarvan in elk geval aan de
voornemens van burgemeester en wethouders ten aanzien van:
a. de aard van de modernisering of de vervanging onderscheiden naar
de soort van gebouwen of groepen van gebouwen;
b. de volgorde van de modernisering of de vervanging naar gelang de
dringendheid daarvan;
c. de mate en de volgorde waarin voorzieningen ter verbetering van
de omgeving van gemeentewege zullen worden getroffen.
Artikel 34
1. Bij een stadsvernieuwingsplan kan worden bepaald, dat
burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het
uitvoeringsschema of een of meer gedeelten daarvan vaststellen. Tevens
kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders volgens bij het plan
te geven regelen het door hen vastgestelde uitvoeringsschema of
gedeelte van het uitvoeringsschema kunnen wijzigen.
2. Burgemeester en wethouders oefenen de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheden zoveel mogelijk uit na overleg met de
belanghebbenden.
3. Een door burgemeester en wethouders vastgesteld of gewijzigd
uitvoeringsschema of gedeelte daarvan wordt zo spoedig mogelijk, doch in
elk geval binnen vier weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten
meegedeeld. Tegelijk met deze mededeling wordt het voor een ieder ter
inzage gelegd. Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving,
bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant
gedaan.
Artikel 35
In een stadsvernieuwingsplan begrepen grond waarvan het gebruik
afwijkt van het plan wordt geacht te zijn aangewezen ingevolge artikel
13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Artikel 36
In het gebied, dat is begrepen in een stadsvernieuwingsplan is het
verboden te slopen zonder vergunning van burgemeester en wethouders. De
artikelen 20-28 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37
De gemeenteraad kan voor het in een stadsvernieuwingsplan begrepen
gebied een overeenkomstig besluit nemen als bedoeld in artikel 29. De
leden 1-4 van genoemd artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. Nadere voorschriften
Artikel 38
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
gegeven zowel omtrent de voorbereiding en de inhoud van een
leefmilieuverordening als omtrent de voorbereiding, de vormgeving en de
inrichting van stadsvernieuwingsplannen met inbegrip van het in artikel
33 bedoelde uitvoeringsschema.
Hoofdstuk V
Artikel 39 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 40 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 41 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 41a [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 42 [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 42a [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 42b [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 43 [Vervallen per 01-12-2000]
Hoofdstuk VI. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 44
Indien toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of
krachtens deze wet gestelde verplichtingen leidt tot sloping van
bouwwerken, worden overblijvende materialen in het openbaar verkocht,
tenzij, naar redelijke verwachtingen, bij onderhandse verkoop een hogere
opbrengst kan worden verkregen. De opbrengst wordt, na aftrek van de
kosten van sloping en verkoop, aan de rechthebbende uitgekeerd.
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 46
Overtreding van artikel 20 wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 47
1. Overtreding van bepalingen, die ter uitvoering van deze wet
zijn vastgesteld, wordt, voor zover de overtreding van die bepalingen
uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangeduid, gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie, met
uitzondering van overtreding van bepalingen die ter uitvoering van
artikel 31 zijn vastgesteld.
2. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is
verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens
gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis
of geldboete tot het dubbele van het voor elke overtreding gestelde
maximum uitspreken.
Artikel 48
De in de artikelen 46 en 47 bedoelde strafbare feiten worden
beschouwd als overtredingen.
Artikel 49
1. Met de opsporing van de bij de artikelen 46 en 47 strafbaar
gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast:
a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;
b. de door burgemeester en wethouders krachtens artikel 100a,
eerste lid, van de Woningwet, aangewezen ambtenaren.
2. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van
feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van
het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op
een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 50
Bij het opsporen van een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen
46 en 47, hebben de in artikel 49 bedoelde ambtenaren toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 1. Overgangsbepalingen
Artikel 51
1. In afwijking in zoverre van deze wet kunnen Gedeputeerde
Staten op verzoek van de gemeenteraad een vóór de inwerkingtreding
van deze wet onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan, dat strekt
tot behoud, herstel, verbetering, herindeling of sanering van het
daarin begrepen gebied, gelijkstellen met een stadsvernieuwingsplan.
2. Gelijke bevoegdheid komt Gedeputeerde Staten toe met
betrekking tot een bestemmingsplan, als in het eerste lid bedoeld,
waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreding van deze wet ter inzage
is gelegd, doch dat eerst ná die inwerkingtreding van kracht is
geworden.
3. Gedeputeerde Staten beslissen binnen drie maanden na de dag,
waarop zij het verzoek hebben ontvangen. Alvorens te beslissen, horen
zij de provinciale stadsvernieuwingscommissie en zo nodig de provinciale
planologische commissie. Zij worden geacht het verzoek te hebben
ingewilligd indien zij binnen de genoemde termijn geen beslissing aan de
gemeenteraad hebben toegezonden.
4. Gedeputeerde staten maken hun besluit zo spoedig mogelijk doch
in elk geval binnen vier weken na dagtekening daarvan bekend aan de
gemeenteraad. Tegen een afwijzend besluit van gedeputeerde staten kan de
gemeenteraad beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State.
5. Gedeputeerde Staten kunnen voorts, in afwijking in zoverre van
deze wet, bij hun beslissing omtrent goedkeuring een bestemmingsplan,
dat strekt tot behoud, herstel, verbetering, herindeling of sanering van
het daarin begrepen gebied, waarvan het ontwerp vóór de
inwerkingtreding van deze wet ter inzage is gelegd, gelijkstellen met
een stadsvernieuwingsplan.
Artikel 52
Zolang geen uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 24 zijn
met betrekking tot de inrichting van aanvragen om en de
overdraagbaarheid van sloopvergunning de overeenkomstige bepalingen uit
de bouwverordening betreffende bouwvergunningen van toepassing.
Artikel 53 [Vervallen per 17-02-1999]
Afdeling 2. Slotbepalingen
Artikel 54
Indien de bekendmaking van beschikkingen op grond van deze wet niet
kan geschieden op de wijze als voorzien in artikel 3:41, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, geschiedt zij door openbare bekendmaking
op het perceel waarop de beschikking betrekking heeft.
Artikel 55
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde zijn belast:
a. in een gemeente: de burgemeester en de door hem aan te wijzen
personen;
b. in een provincie: de bij besluit van de commissaris van de
Koning aan te wijzen personen.
2. De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
Artikel 55a
1. Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het
bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat
bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens
verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij
de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip
waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden
verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij
gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Artikel 55b
1. Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het
bij of krachtens deze wet bepaalde zijn tevens belast de bij besluit
van de commissaris van de Koning aangewezen personen.
2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 57
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 58
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 59
1. Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de stads- en
dorpsvernieuwing.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat
voor verschillende onderdelen van deze wet verschillend kan zijn.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 september 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
G.Ph. Brokx
Uitgegeven de veertiende september 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|