Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit Wet op de strandvonderij
WET van 27 juli 1931, houdende regeling
der strandvonderij
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is bij
afzonderlijke wet bepalingen vast te stellen in zake de strandvonderij;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In alle aan zee grenzende gemeenten wordt het beheer der
strandvonderij uitgeoefend door een strandvonder.
Artikel 2
1. De burgemeester der gemeente bekleedt van rechtswege het ambt
van strandvonder. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 39
van de Wet veiligheidsregio’s, bekleedt de voorzitter van de
veiligheidsregio voor het uitvoeren van artikel 5, tweede lid, van
rechtswege het ambt van strandvonder
2. Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt het
ambt van strandvonder waargenomen door degene die ingevolge de
artikelen 77 en 78 van de Gemeentewet (Stb. , ) het ambt van
burgemeester waarneemt.
Artikel 3
1.Onze Commissaris in de provincie kan op aanbeveling van den
strandvonder één of meer hulpstrandvonders aanstellen, die
ondergeschikt zijn aan den strandvonder, en hem in de zorg voor de
strandvonderij ter zijde staan.
2.In de gevallen, bedoeld in de artikelen 558 en 559 van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek, neemt de hulpstrandvonder, zolang de
strandvonder niet ter plaatse aanwezig is, diens taak waar.
Artikel 4
De strandvonder oefent een voortdurend toezicht uit op de zeestranden
onder zijn ambtsgebied.
Artikel 5
1.De strandvonder is belast met het toezicht op de naleving van de
voorschriften, vervat in de artikelen 557, 558 en 559 van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek.
2.Hij neemt, indien een schip aan of op het vaste zeestrand
schipbreuk lijdt, de leiding van de hulpverlening op zich zo dikwijls
als artikel 558 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek dat toelaat en
indien buiten het geval van schipbreuk aan of op het vast zeestrand
zaken aldaar aanspoelen, neemt hij de leiding van de hulpverlening op
zich zo dikwijls als dat artikel zulks toelaat en het hem gewenst
voorkomt.
Artikel 6
Indien aan of op het vaste zeestrand van zijn ambtsgebied schepen
schipbreuk lijden, ten aanzien waarvan hulpverleening niet onder zijne
leiding geschiedt, zorgt de strandvonder niettemin, ter plaatse
tegenwoordig te zijn, zich als zoodanig bekend te maken en, zoo dit
wordt begeerd, den noodigen bijstand te verleenen.
Artikel 7
Indien aan of op het vaste zeestrand van zijn ambtsgebied vreemde
schepen schipbreuk lijden of zaken aanspoelen, die van een vreemd schip
blijken afkomstig te zijn, geeft de strandvonder daarvan zoo spoedig
mogelijk kennis aan den bevoegden consulairen ambtenaar van den vreemden
Staat.
Artikel 8
De strandvonder draagt zoveel mogelijk zorg, dat de ter zake geldende
wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van
de Algemene douanewet, zowel door hem als door anderen worden nageleefd.
Artikel 9
De strandvonder draagt zooveel mogelijk zorg, dat voor het verleenen
van hulp aan, het beheeren en het verkoopen van schepen of zaken niet
meer kosten worden gemaakt, dan de waarde dier zaken bedraagt.
Artikel 10
De strandvonder ondersteunt zooveel mogelijk de pogingen van
vereenigingen, welke redding van schipbreukelingen ten doel hebben.
Artikel 11
1.De strandvonder houdt van al wat binnen zijn ambtsgebied met
betrekking tot de strandvonderij voorvalt aantekening in een
dagregister en brengt daaromtrent binnen tweemaal 24 uur verslag uit
aan Onze Commissaris.
2.Onze Commissaris houdt, wat iedere strandvonder betreft, aan de
hand van de door deze ingediende verslagen, ook een dagregister bij.
Artikel 12
De strandvonder is verplicht, van alle zaken, welke hij in beheer
neemt, terstond een inventaris op te maken, zooveel mogelijk ten aanzien
van elk dier zaken de herkomst en de merken en onderscheidingsteekenen
aangevende.
Artikel 13
1.De strandvonder heeft wegens zijn beheer recht op beheerloon, te
voldoen door den rechthebbende ten aanzien van de geredde zaken. Het
bedrag van het beheerloon mag de waarde of de opbrengst van de geredde
zaken, verminderd met de verschuldigde hulploonen en kosten, niet
overtreffen.
2.Wegens beheer van zaken, aan het Rijk toebehoorende, is
beheerloon niet verschuldigd.
3.De strandvonder heeft voor door hem verleende hulp nimmer
aanspraak op hulploon.
4.Het vorige lid is op de hulpstrandvonder niet van toepassing.
Artikel 14
De strandvonder is bevoegd zodanige onder zijn beheer zich bevindende
zaken, welke aan spoedig bederf onderhevig zijn, of welker bewaring
ontwijfelbaar strijdig is met het belang van de rechthebbende onverwijld
te verkopen. Hij doet zich daarbij zo nodig voorlichten door de
directeur van de Keuringsdienst van waren, binnen welks gebied de
gemeente waar hij strandvonder is, gelegen is.
Artikel 15
1.Binnen acht dagen, nadat zaken onder zijn beheer zijn gebracht,
geeft de strandvonder in een door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat aangewezen dagblad, met opgave van alle merken,
onderscheidingstekenen en verdere gegevens betreffende de herkomst der
zaken, van de gedane berging kennis en roept daarbij rechthebbenden
ter reclame op.
2.Wanneer de geringe waarde der zaken zulks raadzaam maakt, is de
strandvonder gerechtigd de in het vorige lid genoemde termijn te
overschrijden teneinde de oproeping betreffende die zaken te verenigen
met de oproepingen betreffende andere onder zijn beheer gebrachte
zaken. Strandvonders van naburige ambtsgebieden kunnen met toestemming
van Onze Commissaris, de oproepingen betreffende de hier bedoelde
zaken verenigen. Is een vreemd schip of zijn zaken, welke van een
vreemd schip blijken afkomstig te zijn, onder zijn beheer gebracht,
dan geeft de strandvonder bovendien, met opgave van alle merken,
onderscheidingstekenen en verdere gegevens betreffende de herkomst der
zaken, van de gedane berging zo spoedig mogelijk kennis aan de
bevoegde consulaire ambtenaar van de vreemde staat.
Artikel 16
1.Zoodra iemand zijn recht ten aanzien van de geborgen zaken
bewijst, zal de strandvonder deze - of, indien artikel 14 heeft
toepassing gevonden, de opbrengst er van - na bekomen machtiging van
Gedeputeerde Staten tegen betaling van de verschuldigde hulploonen,
beheerloonen en kosten, aan den rechthebbende afgeven. Na deze afgifte
vervalt de verplichting tot het doen van de in het vorige artikel
bedoelde oproeping.
2.In geval van twijfel over het recht van den reclamant, van
tegenspraak van derden, of indien over het bedrag der beheerloonen en
kosten of wel - tusschen de redders en de rechthebbenden - over het
bedrag der verschuldigde hulploonen verschil bestaat, wordt de afgifte
geweigerd en het geschil beslecht door den in de tweede afdeling van
de derde titel van het eerste boek of artikel 637 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering aangewezen rechter; deze is bevoegd, op
eenvoudig verzoekschrift afgifte tegen zekerheidstelling te gelasten.
3.De strandvonder keert de door hem ontvangen hulploonen aan de
redders uit.
Artikel 17
Indien na het verstrijken van twee maanden na de oproeping
reclamanten zich niet hebben opgedaan, zomede indien na toepassing van
het tweede lid van het vorige artikel, gebleken is, dat de ingestelde
reclames tot afgifte niet kunnen leiden, verkoopt de strandvonder de
zaken, voor zover zulks niet reeds krachtens artikel 14 is geschied.
Artikel 18
1.De verkoopingen, bedoeld in de artikelen 14 en 17, geschieden in
het openbaar en volgens plaatselijke gebruiken.
2.Gedeputeerde Staten kunnen met het oog op het belang van de
rechthebbenden of van hen, die op de opbrengst verhaal hebben, de
strandvonder volmacht verlenen, de verkoop onderhands te doen
geschieden.
Artikel 19
1.Na den verkoop, bedoeld in artikel 17 - of, indien artikel 14
heeft toepassing gevonden, nadat twee maanden zijn verstreken na de
oproeping, zonder dat zich reclamanten hebben opgedaan, dan wel nadat,
na toepassing van het tweede lid van artikel 16, gebleken is, dat de
ingestelde reclames tot afgifte niet kunnen leiden - keert de
strandvonder uit de opbrengst de verschuldigde hulploonen aan de
redders uit; ontstaat omtrent het bedrag daarvan tusschen hem en de
redders verschil, dan moet dit geschil worden beslecht door den in de
tweede afdeling van de derde titel van het eerste boek of artikel 637
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangewezen rechter.
2.De strandvonder zendt voorts zo spoedig mogelijk na het in het
eerste lid bedoelde tijdstip, alsmede indien de zaken in natura aan de
rechthebbende zijn afgegeven, de rekening en verantwoording
betreffende het door hem gevoerde beheer, de verkoop en de door hem
betaalde of nog te betalen hulplonen, beheerlonen en kosten aan
Gedeputeerde Staten.
3.Zoodra Gedeputeerde Staten met de rekening en verantwoording
hebben ingestemd, consigneert de strandvonder het batig saldo, en doet
van die consignatie blijken aan genoemd College, hetwelk daarvan
kennis geeft aan Onzen Minister van Financiën. De instemming der
rekening en verantwoording laat de bevoegdheid van belanghebbenden, om
haar te betwisten, onverlet.
4.Wijst de rekening en verantwoording een nadeelig saldo aan,
zonder dat zulks aan zorgeloosheid van den strandvonder is te wijten,
dan wordt hem het nadeelig saldo uit 's Rijks kas vergoed.
5.Indien een rechthebbende ten aanzien van zaken, nadat verkoop,
als bedoeld in artikel 17, daarvan heeft plaats gehad doch vóór de
consignatie, alsnog zijn recht op de geborgen en daarna verkochte
zaken bewijst, wordt hem na bekomen volmacht van Gedeputeerde Staten
de opbrengst van de zaken, tegen betaling van de verschuldigde
hulplonen, beheerlonen en kosten, door de strandvonder uitgekeerd.
Artikel 20 [Vervallen per 31-12-1980]
Artikel 21
Voor de toepassing van deze wet worden de Dollart, de Lauwerzee, de
Waddenzee, het IJsselmeer, de Zuidhollandsche en de Zeeuwsche stroomen
en andere bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen wateren,
binnen de bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen grenzen,
beschouwd tot de zee en de stranden en oevers daarvan tot het zeestrand
te behooren.
Artikel 22
De bepalingen van deze wet omtrent schepen vinden overeenkomstige
toepassing op luchtvaartuigen.
Artikel 23
Wij behouden Ons voor bij algemeenen maatregel van bestuur:
gemeenten of gedeelten van gemeenten aan te wijzen, waar in stede van
den burgemeester een ander, door Ons te benoemen, persoon als
strandvonder optreedt;
regels te stellen betreffende de den strandvonder bij artikel 11
opgelegde verplichting om een dagregister te houden en verslag uit te
brengen, betreffende het door den strandvonder, met inachtneming van het
bepaalde bij artikel 13, in rekening te brengen beheerloon en
betreffende de inrichting van zijne bij artikel 19 bedoelde rekening en
verantwoording;
de zaken te omschrijven, waarvan verkoop door den strandvonder in het
openbaar belang niet of niet dan onder te bepalen voorwaarden mag
geschieden;
voorschriften te geven, in acht te nemen voor het geval zaken door
den strandvonder niet mogen worden verkocht dan wel onverkoopbaar
blijken;
voorschriften te geven, door den strandvonder in acht te nemen met
betrekking tot de redding en berging van schepen, zaken en opvarenden,
behoorende tot een vreemden Staat, met welken een verdrag betreffende de
in deze wet geregelde onderwerpen is gesloten;
nadere regels te stellen ter bevordering van eene goede uitvoering
dezer wet.
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 25
In de gevallen, waarin de hulp is verleend vóór het in werking
treden van deze wet, blijft het oude recht van toepassing.
Artikel 26
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
2. Zij kan worden aangehaald onder den titel: Wet op de
strandvonderij.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Nikolsdorf, den 27sten Juli 1931
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat,
P.J. Reymer
De Minister van Justitie,
J. Donner
Uitgegeven den tienden Augustus 1931
De Minister van Justitie,
J. Donner
|