Nadere regelgeving:
- Besluit fiscale eenheid 2003
- Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971
- Vrijstellingsbesluit vennootschapsbelasting
(vervallen)
WET van 8 oktober 1969, houdende
vervanging van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 door een
nieuwe wettelijke regeling
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 door een meer overzichtelijke
en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen en
in samenhang daarmede het Besluit op de Commissarissenbelasting 1941 te
doen vervallen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
Onder de naam 'vennootschapsbelasting' wordt een directe belasting
geheven van de lichamen vermeld in de artikelen 2 en 3.
Artikel 2
1. Als binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting
onderworpen de in Nederland gevestigde:
a. naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met
beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en
andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in
aandelen is verdeeld;
b. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;
c. onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen welke op
onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreden;
d. verenigingen en stichtingen die op de voet van de Woningwet
bij koninklijk besluit zijn toegelaten als instellingen die in het
belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn;
e. hiervoor niet genoemde verenigingen en stichtingen alsmede
andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen, indien en voor zover
zij een onderneming drijven;
f. fondsen voor gemene rekening;
g. in het derde lid vermelde ondernemingen van
publiekrechtelijke rechtspersonen.
2. Onder een fonds voor gemene rekening wordt verstaan een fonds
ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor
gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits van
de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen
van deelgerechtigdheid. Een fonds voor gemene rekening wordt als
onderneming aangemerkt. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden als
verhandelbaar aangemerkt indien voor vervreemding niet de toestemming
van alle deelgerechtigden is vereist, met dien verstande dat ingeval
vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds voor gemene
rekening of aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie de bewijzen
niet als verhandelbaar worden aangemerkt.
3. Als ondernemingen als bedoeld zijn in het eerste lid, onderdeel
g, worden aangemerkt:
1°. landbouwbedrijven;
2°. nijverheidsbedrijven met uitzondering van die welke
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;
3°. mijnbouwbedrijven;
4°. handelsbedrijven welke niet uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend de handel in onroerende zaken of daarop betrekking
hebbende rechten tot voorwerp hebben;
5°. vervoersbedrijven met uitzondering van bedrijven welke
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het vervoer van personen
binnen de grenzen van een gemeente tot voorwerp hebben;
6°. bouwkassen.
Onder nijverheidsbedrijven worden mede begrepen bedrijven die gas,
elektriciteit of warmte produceren, transporteren of leveren alsmede
bedrijven die netten of leidingen aanleggen of beheren ten behoeve van
het transport van gas, elektriciteit of warmte.
4. Heeft de oprichting van een lichaam plaatsgevonden naar
Nederlands recht, dan wordt voor de toepassing van deze wet, met
uitzondering van de artikelen 13 tot en met 13d, 13i tot en met 13k,
14a, 14b, 15 en15a, het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn
gevestigd. Bij een lichaam dat zonder toepassing van de eerste
volzin niet een binnenlandse belastingplichtige zou zijn, wordt, in
afwijking vanhoofdstuk II, het voordeel uit hoofde van een
aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel
b, bepaald op de voet vanhoofdstuk III. Een Europese naamloze
vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands
recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn
opgericht naar Nederlands recht.
5. De lichamen, vermeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en
d, worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun
gehele vermogen.
6. Voor de toepassing van deze wet wordt het bestaan van een
naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid steeds aangenomen, zodra en zolang een onderneming
als behorende aan een naamloze vennootschap of besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid in het handelsregister staat
ingeschreven.
7. Lichamen waarvan uitsluitend Nederlandse publiekrechtelijke
rechtspersonen onmiddellijk of middellijk aandeelhouders, deelnemers
of leden zijn, alsmede lichamen waarvan de bestuurders uitsluitend
door Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen onmiddellijk of
middellijk worden benoemd en ontslagen en welker vermogen bij
liquidatie uitsluitend ter beschikking van Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersonen komt, zijn slechts aan de
belasting onderworpen, voorzover zij een bedrijf uitoefenen als
bedoeld is in het derde lid. Het bepaalde in de vorige volzin is
niet van toepassing ten aanzien van:
a. het Nederlands Meetinstituut NV;
b. de N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC);
c. de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij;
d. De Koninklijke Nederlandse Munt N.V.;
e. lichamen waarin een rechtspersoon, aan wie een
distributiebedrijf toebehoort in de zin van de Wet
energiedistributie, een belang heeft, alsmede lichamen die met
een zodanige rechtspersoon in een groep zijn verbonden in de zin
van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, welke
lichamen activiteiten verrichten die eerstgenoemde rechtspersoon
ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet energiedistributie
niet zelf mag verrichten, tenzij die lichamen uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend water leveren;
f. lichamen die een bedrijf uitoefenen als bedoeld in het
derde lid, tweede volzin, met uitzondering van lichamen die
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;
g. NOB Holding N.V.;
h. de N.V. Luchthaven Schiphol;
i. de N.V. KLIQ;
j. de N.V. Bank Nederlandse Gemeenten;
k. de Nederlandse Waterschapsbank N.V.;
l. Fortis Bank (Nederland) N.V.;
m. ASR Nederland N.V.;
n. ABN AMRO Group N.V.;
o. de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden
N.V.;
p. Ultra Centrifuge Nederland N.V.;
alsmede de lichamen waarin deze rechtspersonen een belang hebben
en de lichamen waarvan deze rechtspersonen een bestuurder kunnen
benoemen of ontslaan, met uitzondering van lichamen die uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend water leveren.
8. Voor de toepassing van deze wet worden op de BES eilanden
gevestigde lichamen die door de toepassing van artikel 5.2 van de
Belastingwet BES geacht worden niet op de BES eilanden te zijn
gevestigd, geacht in Nederland te zijn gevestigd.
9. Op schriftelijk verzoek en onder door Onze Minister te stellen
voorwaarden staat de inspecteur toe dat een lichaam als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel e, geacht wordt zijn onderneming te
drijven met behulp van zijn gehele vermogen, indien het lichaam als
culturele instelling is aangemerkt. Het verzoek moet uiterlijk
binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop het verzoek voor
het eerst betrekking heeft, worden ingediend bij de inspecteur. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking waarin de door Onze Minister te stellen voorwaarden zijn
opgenomen. Bij inwilliging van het verzoek geldt dit tot
wederopzegging door het lichaam, waarbij wederopzegging alleen
mogelijk is met ingang van het tiende jaar of een veelvoud daarvan
na het einde van het jaar waarvoor het verzoek voor het eerst is
ingewilligd.
Artikel 3
1. Als buitenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting
onderworpen de niet in Nederland gevestigde:
a. verenigingen en andere rechtspersonen;
b. open commanditaire vennootschappen en andere niet
rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschappen welker kapitaal
geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
c. doelvermogens;
d. maar op Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigde lichamen
die een onderneming drijven met behulp van een vaste inrichting op
de BES eilanden of een vaste vertegenwoordiger op de BES eilanden;
die Nederlands inkomen genieten.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid zijn lichamen die
vergelijkbaar zijn met een naar Nederlands recht opgerichte vereniging
of stichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, of die
een kerkgenootschap zijn, slechts aan de belasting onderworpen voor
zover zij een onderneming drijven. Artikel 2, negende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Onder het drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel e en in artikel 3, tweede lid, wordt mede
verstaan:
a. een uiterlijk daarmee overeenkomende werkzaamheid waardoor in
concurrentie wordt getreden met ondernemingen, gedreven door
natuurlijke personen, dan wel door lichamen, vermeld in artikel 2,
eerste lid, onderdelen a, b, c en d;
b. een werkzaamheid die bestaat uit de verzorging van werknemers
of gewezen werknemers, van hun echtgenoten of gewezen echtgenoten,
dan wel hun partners of gewezen partners en van hun kinderen of
pleegkinderen door middel van uitkeringen op grond van een regeling
voor vervroegde uittreding (VUT-uitkeringen) of pensioen, uit het
verzekeren van dergelijke uitkeringen, dan wel uit het verzekeren
van lijfrenten of kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering.
Artikel 5
1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder
daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:
a. lichamen welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk
bestaan uit op de voet van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989,
252) aangewezen landgoederen, welker werkzaamheden ten minste
hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van die landgoederen
en welker overige werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als
het drijven van een onderneming;
b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten
doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers
bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten
en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en
van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog
niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen
krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een
regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voorzover zij
voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met
het uitvoeren van bedoelde regelingen.
c. lichamen welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
werkzaamheden verrichten welke bestaan uit:
1°. het genezen, verplegen of verzorgen van zieken,
kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke
beperking, wezen of ouderen die niet meer zelfstandig kunnen
wonen;
2°. het bieden van een passende werkzaamheid aan mensen
met een verstandelijke of lichamelijke beperking; dan wel
3°. het verstrekken van kleine kredieten aan personen,
behorende tot de economisch zwakke groepen van de bevolking;
d. lichamen welke werkzaam zijn op het gebied van de landbouw,
van de verzekering tegen schade op onderlinge grondslag of van de
verzorging van uitvaarten, mits bij deze lichamen het streven naar
winst, hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis
is;
e. ziekenhuisverplegingsfondsen en
ziektekostenverzekeringsmaatschappijen, voor zover zij geen winst
beogen of maken anders dan voor instellingen ten bate van de
volksgezondheid;
f. instellingen welke krachtens de wet zijn toegelaten of
erkend als draagster van risico met betrekking tot
publiekrechtelijk geregelde verzekeringen, uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend risico’s verzekeren krachtens de
sociale-verzekeringswetten met uitzondering van de
Zorgverzekeringswet en geen andere onderneming drijven dan een
verzekeringsonderneming;
g. lichamen welker werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend bestaat uit het in stand houden van openbare leeszalen
en bibliotheken.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op:
a. naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met
beperkte aansprakelijkheid en andere vennootschappen welker
kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld waarin een
werknemer of gewezen werknemer, zijn echtgenoot of partner, een
van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede
graad van de zijlijn, dan wel een van hun pleegkinderen al dan
niet tezamen voor ten minste tien percent van het nominaal
gestorte kapitaal, onmiddellijk of middellijk, aandeelhouder is;
b. andere dan de onder a bedoelde lichamen waarvan de
werkzaamheid hoofdzakelijk bestaat in de uitvoering van
pensioenregelingen of van regelingen voor vervroegde uittreding
van werknemers of gewezen werknemers van naamloze vennootschappen,
besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of andere
vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is
verdeeld waarin deze werknemers of gewezen werknemers, hun
echtgenoten of partners, hun bloed-of aanverwanten in de rechte
lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan wel hun
pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste tien percent van
het nominaal gestorte kapitaal, onmiddellijk of middellijk,
aandeelhouder zijn of op enig moment zijn geweest.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder
een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding
verstaan:
a. een zodanige regeling in de zin van artikel 1 van de
Pensioenwet respectievelijk de wettelijke bepalingen betreffende
de loonbelasting, dan wel een buitenlandse regeling welke daarmee
naar aard en strekking overeenkomt;
b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op
grond van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambt of de Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
4. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel b,
worden met werknemers gelijkgesteld: deelnemers aan een
pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b,
van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 6
1. Lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, en
artikel 3, tweede lid, zijn met betrekking tot een jaar van de
belasting vrijgesteld, indien de winst van het jaar – opgevat
overeenkomstig hoofdstuk II van deze wet met uitzondering van artikel
9a en artikel 12 –niet meer bedraagt dan € 15 000, dan wel van het
jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt
dan€ 75 000. Indien in een jaar verlies geleden wordt, wordt de
winst voor dat jaar gesteld op nihil.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van lichamen
die een werkzaamheid verrichten als bedoeld in artikel 4, onderdeel b.
3. Op verzoek van een lichaam bepaalt de inspecteur bij voor
bezwaar vatbare beschikking dat dit lichaam, in afwijking van het
eerste lid, niet van de belasting is vrijgesteld. Het verzoek moet
uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop het verzoek
betrekking heeft, worden ingediend bij de inspecteur.
4. Bij inwilliging van het verzoek, bedoeld in het derde lid, geldt
dit tot wederopzegging door het lichaam, waarbij wederopzegging alleen
mogelijk is met ingang van het vijfde jaar of een veelvoud daarvan na
het einde van het jaar waarvoor het verzoek voor het eerst is
ingewilligd.
Artikel 6a
1. Van de belasting wordt op verzoek vrijgesteld een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, welker doel en feitelijke werkzaamheid bestaat
uit de belegging van gelden of andere goederen en die uitsluitend
belegt in financiële instrumenten, met toepassing van het beginsel
van risicospreiding, waarbij de aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid (rechten van deelneming) op verzoek van de
deelnemers ten laste van de activa van de instelling direct of
indirect worden ingekocht of terugbetaald (vrijgestelde
beleggingsinstelling).
2. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien de
beleggingsinstelling een naamloze vennootschap of een fonds voor
gemene rekening is, of een lichaam dat is opgericht of aangegaan naar
het op de BES eilanden geldende recht dan wel het recht van Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, een lidstaat van de Europese Unie of een staat
in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling
is opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor
lichamen die overigens in dezelfde situatie verkeren als naar
Nederlands recht opgerichte of aangegane lichamen, die naar aard en
inrichting vergelijkbaar is met het hiervoor genoemde naar Nederlands
recht opgerichte of aangegane lichaam.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder financiële
instrumenten verstaan:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van zaken en
rechten als omschreven in artikel 17a, onderdelen a en b;
b. banktegoeden.
4. Een lichaam wordt uitsluitend met ingang van een jaar als
vrijgestelde beleggingsinstelling aangemerkt.
5. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk
ingediend in het jaar met ingang waarvan het lichaam als vrijgestelde
beleggingsinstelling wil worden aangemerkt. De inspecteur beslist op
het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
6. Indien een lichaam in de loop van een jaar niet langer voldoet
aan de voorwaarden voor vrijstelling van de belasting, wordt het
lichaam met ingang van dat jaar bij een voor bezwaar vatbare
beschikking van de inspecteur niet meer als vrijgestelde
beleggingsinstelling aangemerkt.
7. Op verzoek van de vrijgestelde beleggingsinstelling wordt zij
niet meer als zodanig aangemerkt. Het verzoek, bedoeld in de eerste
volzin, moet zijn ingediend voorafgaande aan het jaar met ingang
waarvan het lichaam niet meer als vrijgestelde beleggingsinstelling
wil worden aangemerkt. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting bij binnenlandse
belastingplichtigen
Afdeling 2.1. Belastbaar bedrag
Artikel 7
1. Ten aanzien van binnenlandse belastingplichtigen wordt de
belasting geheven naar het belastbare bedrag.
2. Het belastbare bedrag is de in een jaar genoten belastbare winst
verminderd met de op de voet van Hoofdstuk IV te verrekenen verliezen.
3. Belastbare winst is de winst verminderd met de aftrekbare
giften.
4. Onder jaar wordt verstaan boekjaar, dan wel, zo de
belastingplichtige niet regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse
afsluitingen, kalenderjaar. Indien de belastingplichtige in de loop
van het boekjaar als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken of ophoudt
deel uit te maken van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, wordt het gedeelte van dat boekjaar waarin de
belastingplichtige geen deel uitmaakt van die fiscale eenheid als
afzonderlijk jaar aangemerkt.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld in welke
gevallen de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden de
belastingplichtige op zijn verzoek kan toestaan het belastbare bedrag
te berekenen in een andere geldeenheid dan de euro. Daarbij wordt
onder meer aangegeven tegen welke koers de in de wetgeving opgenomen
bedragen in euro’s worden omgerekend in de andere geldeenheid en
tegen welke koers het in de andere geldeenheid berekende belastbare
bedrag wordt omgerekend in euro’s. De inspecteur beslist op het
verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Afdeling 2.2. Algemene artikelen inzake bepaling van de winst
Artikel 8
1. De winst wordt opgevat en bepaald op de voet van de artikelen
3.8, 3.11 en 3.12, 3.13, eerste lid, onderdelen a, g, h en i, 3.14,
eerste lid, onderdelen b tot en met h, en tweede tot en met zesde lid,
3.21 tot en met 3.30, 3.30a, eerste tot en met zevende lid, 3.31 tot
en met 3.54, 3.55 tot en met 3.57, 10.10, 10a.2 en 10a.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, waarbij voor ondernemer wordt gelezen
belastingplichtige.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover:
a. bij of krachtens deze wet of krachtens artikel 3.65 van de
Wet inkomstenbelasting 2001 anders is bepaald;
b. artikel 3.53 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betrekking
heeft op de vorming van een oudedagsreserve;
c. uit het verschil in wezen tussen de belastingplichtige en
een natuurlijk persoon het tegendeel voortvloeit.
3. Indien een onderneming niet voor rekening van de
belastingplichtige wordt gedreven, maar de belastingplichtige, anders
dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van die
onderneming, wordt de winst van die onderneming rechtstreeks door de
belastingplichtige genoten.
4. Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing indien de
belastingplichtige deel heeft uitgemaakt van een fiscale eenheid en
sinds het ontvoegingstijdstip minder dan 6 jaren zijn verstreken,
behoudens voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de in
dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot zijn winst zouden behoren,
indien hij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.
5. Bij aanwezigheid in een jaar van een of meer werknemers in de
zin van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt de winst mede opgevat en
bepaald op de voet van artikel 3.15, eerste, tweede, derde en vijfde
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarbij wordt voor de
toepassing van genoemd eerste lid het aldaar vermelde bedrag vervangen
door 0,4% van het gezamenlijke bedrag van het door de desbetreffende
werknemers in het jaar genoten belastbare loon in de zin van artikel 9
van de Wet op de loonbelasting 1964 indien deze uitkomst hoger is dan€
4400. Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest,
wordt voor de toepassing van de tweede volzin tot het loon niet
gerekend het loon uit een vroegere dienstbetrekking.
6. Ingeval de belastingplichtige een lichaam is als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting
1964 geldt voor de waardering van pensioenverplichtingen, in
aanvulling op artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat de
verplichting niet hoger mag worden gewaardeerd dan volgens een stelsel
dat correspondeert met een methode die bij verzekeraars als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting
1964 bij een belangrijk deel van de pensioenovereenkomsten als
uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die
overeenkomsten. Voorts geldt als aanvulling dat bij de waardering van
de verplichting geen overlevingstafel kan worden gehanteerd waarin
rekening is gehouden met verwachtingen omtrent toekomstige
levensverwachtingen en kan een leeftijdsterugstelling alleen worden
toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde
overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.
6a. Voor de toepassing van artikel 3.30a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt verstaan onder:
a. een met de belastingplichtige verbonden lichaam: hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 10a, vierde lid, en zesde lid;
b. een met de belastingplichtige verbonden persoon: een
natuurlijke persoon voor wie de belastingplichtige een verbonden
lichaam is als bedoeld in artikel 3.30a, tiende lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
7. Artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op kosten en lasten in
verband met een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 ten behoeve van
werknemers als bedoeld in artikel 12a van die wet. Een voorziening ter
zake van een zodanige regeling voor vervroegde uittreding voor
bedoelde werknemers is niet mogelijk.
8. Voor de toepassing van de artikelen 3.40 tot en met 3.46 van de
Wet inkomstenbelasting 2001 worden niet in aanmerking genomen
verplichtingen aangegaan door een vennootschap welker kapitaal geheel
of ten dele in aandelen is verdeeld:
a. ter zake van de verwerving van een onderneming of een
gedeelte van een onderneming tegen uitreiking van aandelen;
b. tegenover een persoon die of een lichaam dat voor ten minste
een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk
of middellijk aandeelhouder is of in de loop van de laatste vijf
jaren is geweest in die vennootschap;
c. tegenover een andere vennootschap welker kapitaal geheel of
ten dele in aandelen is verdeeld, indien hetzij de
belastingplichtige in die vennootschap, hetzij een derde in beide
vennootschappen voor ten minste een derde gedeelte van het
nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk
aandeelhouder is of in de loop van de laatste vijf jaren is
geweest.
9. De artikelen 3.40 tot en met 3.46 van de Wet inkomstenbelasting
2001 zijn niet van toepassing ten aanzien van lichamen welke als
beleggingsinstelling zijn aangemerkt.
10. Voor de toepassing van artikel 3.47 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 worden aan het einde van het jaar,
voorafgaande aan dat met ingang waarvan een lichaam als
beleggingsinstelling wordt aangemerkt, de goederen van zulk een
lichaam geacht te zijn vervreemd voor de waarde in het economische
verkeer van die goederen.
11. Onze Minister kan bepalen dat het achtste lid niet van
toepassing is.
12. Artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt geen
toepassing ingeval de aandelen of winstbewijzen die worden vervreemd
behoren tot het vermogen van een lichaam dat als beleggingsinstelling
is aangemerkt.
13. Voor de toepassing van artikel 3.54 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, wordt een deelneming als bedoeld in artikel
13 niet tot de bedrijfsmiddelen gerekend.
14. Het in het vijfde lid aan het slot vermelde bedrag wordt bij
het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door het
bedrag dat krachtens artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001
wordt vastgesteld ter vervanging van het in artikel 3.15, eerste lid,
van die wet vermelde bedrag.
15. Voor de toepassing van de artikelen 8c, 10a, 12a, 13b, 13ba,
20a, 25 en 28zijn de artikelen 2.14a en 10a.7 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8a
Tot de winst behoort niet het bedrag waarmee de af te dragen
dividendbelasting ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de
dividendbelasting 1965 is verminderd.
Artikel 8b
1. Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de
leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander
lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge
rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd
(verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische
verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt
de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden
zouden zijn overeengekomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een
zelfde persoon, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding
van of aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het
andere lichaam.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde lichamen nemen in hun
administratie gegevens op waaruit blijkt op welke wijze de in dat lid
bedoelde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en waaruit kan worden
opgemaakt of er met bettrekking tot de totstandgekomen verrekenprijzen
sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door
onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.
Artikel 8c
1. Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de door
de belastingplichtige van onderscheidenlijk aan lichamen of
natuurlijke personen die behoren tot het concern waarvan de
belastingplichtige deel uitmaakt, ontvangen en betaalde:
a. renten ter zake van rechtens dan wel in feite direct of
indirect samenhangende geldleningen, of
b. royalty's ter zake van rechtens dan wel in feite direct of
indirect samenhangende rechtsverhoudingen,
indien door de belastingplichtige met betrekking tot die
geldleningen of rechtsverhoudingen per saldo geen reële risico's
worden gelopen.
2. Een belastingplichtige wordt met betrekking tot samenhangende
geldleningen geacht reële risico's te lopen indien het eigen vermogen
dat passend is ter dekking van de risico's ten minste bedraagt het
laagste van de volgende bedragen:
a. 1% van het bedrag van de uitstaande geldleningen, of
b. € 2 000 000.
De belastingplichtige dient aannemelijk te maken dat dit bedrag aan
eigen vermogen aanwezig is ter dekking van de desbetreffende risico's
en dat dit wordt aangetast als deze risico's zich manifesteren.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt tot de winst
van de belastingplichtige gerekend een met inachtneming van artikel 8b
te bepalen vergoeding voor de door de belastingplichtige uitgeoefende
functies die betrekking hebben op de samenhangende geldleningen of
rechtsverhoudingen.
4. Onder een concern wordt verstaan: de belastingplichtige tezamen
met de met hem verbonden lichamen en verbonden natuurlijke personen,
bedoeld in artikel 10a, vierde lid in verbinding met het zesde lid,
onderscheidenlijk vijfde lid.
Artikel 8d
Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de subsidies,
bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Woningwet, ontvangen door
verenigingen en stichtingen die op de voet van de Woningwet bij
koninklijk besluit zijn toegelaten als instellingen die in het belang
van de volkshuisvesting werkzaam zijn.
Artikel 9
1. Bij het bepalen van de winst komen mede in aftrek:
a. aandelen in de winst aan bestuurders en verder personeel
toegekend ter zake van in de onderneming verrichte arbeid;
b. aandelen in de winst welke de tegenprestatie vormen voor het
verlenen van een concessie of een licentie op een octrooi, of voor
een andere, soortgelijke prestatie, zoals leveringen of aankopen,
mits deze aandelen in de winst niet aan oprichters,
aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden als zodanig
zijn opgekomen;
c. aandelen in de winst van een verzekeringsonderneming welke
aan verzekerden krachtens hun verzekering toekomen;
d. oprichtingskosten, alsmede kosten van wijziging van het
kapitaal;
e. het gedeelte van de winst van een open commanditaire
vennootschap dat toekomt aan de voor het geheel aansprakelijke
vennoten als zodanig;
f. bij de in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, bedoelde
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen: een door Onze
Minister te bepalen redelijke rente berekend over het vermogen bij
het begin van het jaar;
g. uitdelingen van een coöperatie of van een vereniging op
coöperatieve grondslag uit de daartoe beschikbare over het jaar
genoten winst, naar de maatstaf van de door of jegens de leden in
dat jaar verrichte prestaties - daaronder niet begrepen
kapitaalverstrekking door leden als zodanig - tot ten hoogste het
bedrag van het op de voet van het tweede lid bepaalde gedeelte van
de over het jaar genoten winst, voor zover die uitdelingen zijn
toegekend aan leden, natuurlijke personen;
h. bij een algemeen nut beogende instelling en bij een lichaam
dat een sociaal belang behartigt en de winst hoofdzakelijk behaalt
met behulp van arbeid die door natuurlijke personen om niet of
naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het
economische verkeer gebruikelijk is, wordt verricht
(vrijwilligers): de kosten die met betrekking tot vrijwilligers
aftrekbaar zouden zijn indien hun beloning plaats zou vinden op
basis van het minimumloon, verminderd met de werkelijke kosten.
2. Het in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde gedeelte is het
deel dat zich tot het geheel van de over het jaar genoten winst
verhoudt als het gedeelte van de totale kosten van de coöperatie of
de vereniging op coöperatieve grondslag over het jaar dat betrekking
heeft op door of jegens de leden verrichte prestaties, zich verhoudt
tot die totale kosten, met dien verstande dat het aldus berekende deel
wordt vermeerderd met € 2269 tot ten hoogste het bedrag van die
winst. Bij de berekening van het gedeelte van de totale kosten komen
als door de leden geleverde zaken slechts in aanmerking die welke door
hen in eigen onderneming zijn voortgebracht, komen aan de leden
geleverde zaken, indien zij door de coöperatie of de vereniging op
coöperatieve grondslag zelf vervaardigd zijn, slechts in aanmerking
tot de daarin verwerkte grondstoffen en komen als op zaken betrekking
hebbende kosten uitsluitend in aanmerking die welke aan de
leveranciers zelf ten goede zijn gekomen.
3. Voorzover een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
h, aannemelijk maakt dat in het economische verkeer met betrekking tot
een in dat onderdeel bedoelde persoon een hoger loon dan het
minimumloon gebruikelijk is, worden de daar bedoelde aftrekbare kosten
berekend op basis van dat hogere loon.
4. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, komen slechts
in aftrek indien het lichaam deze in zijn administratie heeft
gespecificeerd naar de in dat onderdeel bedoelde personen onder opgave
van hun naam, adres, woonplaats en de daadwerkelijk aan hen verstrekte
beloningen.
5. De aftrek van het eerste lid, onderdeel h, wordt slechts in
aanmerking genomen voorzover deze meer bedraagt dan de aftrek
ingevolge artikel 9a. Indien de berekening van de belastbare winst
door de aftrek van het eerste lid, onderdeel h, zou leiden tot een
negatief bedrag, blijft de aftrek beperkt tot een zodanig bedrag dat
geen negatief bedrag ontstaat. Indien vóór het in aanmerking nemen
van de aftrek van het eerste lid, onderdeel h, de berekening van de
winst reeds leidt tot een negatief bedrag, vindt die aftrek geen
toepassing.
6. Bij ministeriële regeling kunnen ter voorkoming van
concurrentieverstoring, lichamen, groepen lichamen of activiteiten
worden uitgezonderd van de toepassing van het eerste lid, onderdeel h.
Artikel 9a
1. Bij het bepalen van de winst komen mede in aftrek:
a. bij een algemeen nut beogende instelling: een bedrag ter
grootte van de winst behaald met kenbaar fondswervende
activiteiten;
b. bij een fondswerver: de uitkeringen aan een algemeen nut
beogende instelling.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. kenbaar fondswervende activiteiten:
1°. activiteiten die in belangrijke mate met behulp van
vrijwilligers worden verricht en die bestaan uit het verkopen
van roerende zaken of het leveren van diensten tegen een prijs
die meer bedraagt dan de prijs die doorgaans in het
economische verkeer als zakelijk wordt ervaren, en waarbij
naar de koper van de zaak of de afnemer van de dienst kenbaar
is gemaakt dat de opbrengst uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend ten goede komt aan een algemeen nut beogende
instelling;
2°. activiteiten die in belangrijke mate met behulp van
vrijwilligers worden verricht en die bestaan uit het verkopen
van roerende zaken of het leveren van diensten tegen een prijs
die doorgaans in het economische verkeer als zakelijk wordt
ervaren, doch waarvan de kostprijs aanmerkelijk lager is dan
in het economische verkeer gebruikelijk is omdat voor de
vervaardiging van de zaak of de levering van de dienst
vrijwilligers hun arbeid ter beschikking stellen en naar de
koper van de zaak of de afnemer van de dienst kenbaar is
gemaakt dat de opbrengst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
ten goede komt aan een algemeen nut beogende instelling; of
3°. activiteiten die bestaan uit het inzamelen van
roerende zaken om niet en waarbij naar degenen die de zaken
afstaan kenbaar is gemaakt dat de opbrengst van het
ingezamelde uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten goede komt
aan een algemeen nut beogende instelling;
b. een fondswerver: een lichaam dat uitsluitend kenbaar
fondswervende activiteiten verricht.
3. De uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden
slechts in aanmerking genomen indien:
a. de fondswerver zich statutair of ingevolge schriftelijke
overeenkomst uiterlijk bij aanvang van de kenbaar fondswervende
activiteiten heeft verplicht de opbrengst geheel of nagenoeg
geheel uit te keren, en
b. de uitkeringen zijn gedaan uiterlijk zes maanden na afloop
van het jaar waarin de daarvoor bestemde gelden zijn verworven.
Op verzoek worden de in de eerste volzin, onderdeel b, bedoelde
uitkeringen reeds in aanmerking genomen in het boekjaar waarin de
daarvoor bestemde gelden zijn verworven.
4. Indien de berekening van de winst door de aftrek van het eerste
lid, onderdeel b, zou leiden tot een negatief bedrag, blijft de aftrek
beperkt tot een zodanig bedrag dat geen negatief bedrag ontstaat.
Indien vóór het in aanmerking nemen van de aftrek van het eerste
lid, onderdeel b, de berekening van de winst reeds leidt tot een
negatief bedrag, vindt die aftrek geen toepassing.
Artikel 10
1. Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek:
a. de niet onder artikel 9 vallende onmiddellijke of
middellijke uitdelingen van winst, onder welke naam of in welke
vorm ook gedaan;
b. de niet onder artikel 9 vallende uitkeringen welke worden
gedaan ingevolge statuten, stichtingsbrief of andere soortgelijke
akte, tenzij zij naar haar aard tot de kosten van een onderneming
behoren;
c. renten op inleggelden van een coöperatie of van een
vereniging op coöperatieve grondslag, renten op aandelen in een
onderlinge waarborgmaatschappij of in een vereniging welke op
onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreedt en, in het
algemeen, alle vergoedingen voor kapitaalverstrekkingen door
oprichters, aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden
als zodanig;
d. vergoedingen op een geldlening alsmede waardemutaties van de
lening, indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan
dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen van de
belastingplichtige;
e. de vennootschapsbelasting, alsmede belastingen die buiten
Nederland in enige vorm naar de winst of bestanddelen van de winst
worden geheven, indien voor de belastingplichtige ter zake daarvan
een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing
is of indien de bestanddelen van de winst waarop de buiten
Nederland geheven belasting betrekking heeft niet worden begrepen
in de belastbare winst;
f. de wegens genoten winst geheven dividendbelasting, naar de
prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting en naar een
balanstotaal geheven bankenbelasting;
g. de bedragen aan meer in aanmerking te nemen loon als
omschreven in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964, in
situaties van een aanmerkelijk belang in de belastingplichtige,
behoudens indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat over
die bedragen bij degene die deze bedragen volgens genoemd artikel
geniet per saldo een belasting naar het inkomen wordt geheven die
naar Nederlandse maatstaven redelijk is;
h. bij lichamen waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon een
belang heeft of heeft gehad: door die rechtspersoon geheven
belastingen of rechten voorzover aannemelijk is dat de invoering
of wijziging daarvan is of was gericht op het verminderen van de
grondslag voor de heffing van belastingen naar de winst of het
inkomen. De belastingplichtige diezekerheid wenst omtrent de vraag
of dit onderdeel ten aanzien van hem toepassing vindt, kan een
verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar
vatbare beschikking beslist;
i. kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de
inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van een natuurlijk
persoon die een aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4,
uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 in de belastingplichtige heeft, of van een
daarmee verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92 van die wet,
in zijn woning die niet tot het vermogen van een onderneming of
tot het resultaat uit een werkzaamheid behoort, tenzij de kosten
en lasten bestaan uit een vergoeding die als loon wordt belast dan
wel de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte
van de woning vormt en:
1º. ingeval bedoeld persoon tevens een werkruimte buiten
die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon
hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of
2º. ingeval bedoeld persoon niet tevens een werkruimte
buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar
loon hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning
verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning
verwerft;
j. bij een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen
verdeeld kapitaal: uitreiking of toekenning van aandelen in dat
kapitaal of in dat van een met die vennootschap verbonden lichaam,
van winstbewijzen in de vennootschap of in een met die
vennootschap verbonden lichaam, alsmede van rechten om aandelen in
dat kapitaal of winstbewijzen in de vennootschap of een daarmee
verbonden lichaam te verwerven of van daarmee gelijk te stellen
rechten, daaronder begrepen aan werknemers van wie het loon op
jaarbasis meer bedraagt dan € 542 000 toegekende rechten waarvan
de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de
waardeverandering van die aandelen of winstbewijzen;
k. bij verenigingen en stichtingen die op de voet van de
Woningwet bij koninklijk besluit zijn toegelaten als instellingen
die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn: de
verschuldigde bijdragen, bedoeld in artikel 71e, tweede lid, van
de Woningwet.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede
verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet,
alsmede de aanhorigheden van een woning, schip of woonwagen.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter bepaling
van hetgeen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel j, wordt
verstaan onder werknemers en onder het loon op jaarbasis.
4. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het eerste lid,
onderdeel j, genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door
een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen
bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in
artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de
nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande
kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging
worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
Artikel 10a
1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten–
kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van
schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan
een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, voor zover die
schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden
met een van de volgende rechtshandelingen:
a. een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal
door de belastingplichtige of door een met hem verbonden lichaam
dat aan deze belasting is onderworpen, aan een met hem verbonden
lichaam of verbonden natuurlijk persoon;
b. een kapitaalstorting door de belastingplichtige, door een
met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen of
door een met hem verbonden natuurlijk persoon die in Nederland
woont, in een met hem verbonden lichaam;
c. de verwerving of uitbreiding van een belang door de
belastingplichtige, door een met hem verbonden lichaam dat aan
deze belasting is onderworpen of door een met hem verbonden
natuurlijk persoon die in Nederland woont, in een lichaam dat na
deze verwerving of uitbreiding een met hem verbonden lichaam is.
2. Van een verband als bedoeld in het eerste lid tussen een schuld
en een rechtshandeling kan ook sprake zijn indien de schuld is
aangegaan na het verrichten van de rechtshandeling.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing:
a. indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de
schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in
overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, of
b. indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat over de
rente bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct
of indirect is verschuldigd, per saldo een belasting naar de winst
of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven
redelijk is en dat er geen sprake is van verrekening van verliezen
of van andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaande aan het
jaar waarin de schuld is aangegaan waardoor over de rente per
saldo geen heffing naar bedoelde redelijke maatstaven is
verschuldigd, behoudens ingeval de inspecteur aannemelijk maakt
dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van
verliezen of andersoortige aanspraken welke in het jaar zelf zijn
ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan of dat aan de
schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in
overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Voor
de toepassing van dit onderdeel is een naar de winst geheven
belasting naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze
resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over
een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij
artikel 12b buiten toepassing blijft..
4. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 10, 13, 13a,
13b, 13ba, 13d, 13e, 13j, 13k, 13l, 14, 14a, 15g, 15i,15j, 17a, 20,
28, 28b, 33 en 33b wordt als een met de belastingplichtige verbonden
lichaam aangemerkt:
a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een
derde gedeelte belang heeft;
b. een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang
heeft in de belastingplichtige;
c. een lichaam waarin een derde voor ten minste een derde
gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste
een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige, waarbij
een belang dat wordt gehouden door de partner of een minderjarig
kind van een natuurlijk persoon aan die persoon wordt toegerekend,
waarbij onder een kind mede wordt verstaan een kind van een
partner alsmede een pleegkind;
d. een lichaam dat met de belastingplichtige deel uitmaakt van
een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15a.
5. Als een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon
wordt aangemerkt:
a. voor de toepassing van dit artikel: een natuurlijk persoon
die voor tenminste een derde gedeelte een belang heeft in de
belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam;
b. voor de toepassing van de artikelen 13b en 13ba: een
natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn partner, voor
tenminste een derde gedeelte een belang heeft in de
belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam, alsmede de
partner van deze persoon en een bloed- of aanverwant in de rechte
lijn van deze persoon, waarbij een pleegkind, een partner van een
pleegkind en een pleegouder worden gelijkgesteld met bloedof
aanverwanten.
6. Een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in
het vierde lid wordt, indien die belastingplichtige deel uitmaakt van
een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, tevens
aangemerkt als een met de andere van die fiscale eenheid deel
uitmakende belastingplichtigen verbonden lichaam.
Artikel 10b
Indien de belastingplichtige van een lichaam waarmee hij is gelieerd
in de zin van artikel 8b een geldlening heeft verkregen welke geen vaste
aflossingsdatum heeft of een aflossingsdatum die meer dan 10 jaar is
gelegen na het tijdstip van het aangaan daarvan, terwijl rechtens dan
wel in feite geen vergoeding op die lening is overeengekomen of een
vergoeding die in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het
economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn
overeengekomen, komen bij het bepalen van de winst vergoedingen op die
lening en waardemutaties van die lening niet in aftrek. Bij verschuiving
van de aflossingsdatum naar een later tijdstip wordt voor de toepassing
van de eerste volzin de geldlening geacht vanaf het tijdstip van
totstandkoming die nieuwe aflossingsdatum te hebben gehad.
Artikel 10c
1. Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking voordelen
uit hoofde van als tijdelijke belegging ingekochte eigen aandelen en
aandelen in een vennootschap die voor tenminste een derde gedeelte
belang heeft in de belastingplichtige.
2. Inkoop van eigen aandelen en van aandelen in een verbonden
vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964, met het oog op de nakoming van een
optieverplichting jegens personeel van de eigen onderneming of de
onderneming van de verbonden vennootschap is een tijdelijke belegging
tot drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting. Voorzover
deze tijdelijke belegging nog niet onder de werkingssfeer van het
eerste lid valt, is dat lid toch van toepassing.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een
optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is van
een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten
te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een aandeel als
bedoeld in het eerste lid gelijk gesteld een recht om een zodanig
aandeel te verwerven alsmede een recht waarvan de waarde direct of
indirect verband houdt met de waardeverandering van een zodanig
aandeel.
Artikel 10d [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 11
1. Bij het bepalen van de winst komt een aan een
commissaris-natuurlijk persoon die in het lichaam een aanmerkelijk
belang heeft in de zin van artikel 4.6 of 4.7 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 ter zake van de uitoefening van zijn taak
toegekende beloning, welke per jaar meer dan € 1815 bedraagt slechts
voor de helft doch tot ten minste € 1815 en ten hoogste € 9076 in
aftrek. Indien en voor zover wordt aangetoond dat de beloning
toegekend ter zake van de toezichthoudende taak uitgeoefend ten
behoeve van niet-aandeelhouders en ter zake van het bijkomstig
deelhebben aan de bestuurstaak, het op grond van de vorige volzin in
aftrek komende bedrag te boven gaat, komt dit meerdere mede in aftrek.
2. Het op grond van het eerste lid niet in aftrek komende gedeelte
van een beloning van een commissaris wordt, indien die beloning ten
goede komt aan een lichaam dat in de belastingplichtige een deelneming
heeft als bedoeld is in artikel 13, aangemerkt als een voordeel uit
hoofde van die deelneming.
Artikel 12
1. Lichamen die zijn aangemerkt als culturele instelling alsmede
lichamen zonder aandeelhouders of deelgerechtigden die een sociaal
belang behartigen en de winst hoofdzakelijk behalen met behulp van
vrijwilligers, kunnen een bestedingsreserve vormen tot vermindering
van de in aanmerking te nemen kosten bedoeld in het tweede lid, indien
en zolang het voornemen bestaat tot het maken van die kosten.
2. De kosten waarvoor een bestedingsreserve kan worden gevormd zijn
de in het jaar of in de volgende vijf jaren te verrichten:
a. uitgaven ter zake van de aanschaf, voortbrenging of
verbetering van bedrijfsmiddelen, met uitzondering van onroerende
zaken die bestemd zijn om direct of indirect hoofdzakelijk al dan
niet kortstondig ter beschikking te worden gesteld aan derden, of
b. uitgaven ter zake van projecten.
3. Het eerste lid is slechts van toepassing voorzover
ondernemingsactiviteiten worden verricht die in de lijn liggen van het
belang dat het lichaam behartigt of bestaan uit het inzamelen om niet
en vervolgens verkopen van gebruikte goederen met het oog op dat
belang. Daarbij wordt onder gebruikte goederen verstaan: alle roerende
lichamelijke zaken die, in de staat waarin zij verkeren of na
herstelling daarvan, opnieuw kunnen worden gebruikt of verbruikt, met
uitzondering van vervoermiddelen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor
verzamelingen, antiquiteiten, edele metalen en edelstenen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen ter voorkoming van ernstige
concurrentieverstoring, lichamen, groepen lichamen of activiteiten
worden uitgezonderd van de toepassing van het eerste lid.
5. Het ten laste van de winst van een jaar aan de reserve toe te
voegen bedrag beloopt ten hoogste de in het jaar behaalde winst vóór
die toevoeging.
6. Een bestedingsreserve van een jaar wordt uiterlijk in het vijfde
jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen,
behalve voorzover de reserve is gevormd met betrekking tot de
aanschaf, voortbrenging of verbetering van een bedrijfsmiddel of met
betrekking tot een project:
a. waarvan uit de aard voortvloeit dat een langer tijdvak is
vereist, of
b. waarbij aan de aanschaf, voortbrenging of verbetering van
het bedrijfsmiddel respectievelijk voorbereiding van het project
een begin van uitvoering is gegeven, maar verdere uitvoering is
vertraagd door bijzondere omstandigheden.
Artikel 12a
1. Indien aannemelijk is dat op enig tijdstip het uiteindelijke
belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd,
gelden in afwijking in zoverre van artikel 3.54 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 de volgende regels:
a. een ten tijde van die wijziging reeds gevormde
herinvesteringsreserve wordt direct voorafgaande aan die wijziging
aan de winst toegevoegd;
b. na die wijziging kan een herinvesteringsreserve slechts
worden gevormd ter zake van vervreemde bedrijfsmiddelen waarvan
het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging;
c. is een herinvesteringsreserve in mindering gebracht op de
aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel en
houdt de verwerving van dit bedrijfsmiddel verband met die
wijziging, dan wordt de boekwaarde van het bedrijfsmiddel op het
tijdstip direct voorafgaande aan die wijziging verhoogd met het
bedrag van deze vermindering, met dien verstande dat de verwerving
van het bedrijfsmiddel in elk geval geacht wordt verband te houden
met die wijziging indien de verwerving plaatsvindt in de zes
maanden voorafgaande aan die wijziging.
De eerste volzin is niet van toepassing indien de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende de laatste drie
maanden voorafgaande aan de wijziging zijn bezittingen voor minder dan
de helft hebben bestaan uit beleggingen. Ingeval de verwerving van het
bedrijfsmiddel plaatsvindt in de zes maanden voorafgaande aan de
wijziging in het uiteindelijke belang in de belastingplichtige, vindt
de eerste volzin, onderdeel c, op verzoek van de belastingplichtige
geen toepassing indien blijkt dat aan die wijziging feiten en
omstandigheden ten grondslag liggen die zijn opgekomen na de
verwerving van het bedrijfsmiddel en die geen verband houden met die
verwerving. De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in de derde
volzin, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft een wijziging van
het uiteindelijke belang in de belastingplichtige buiten aanmerking
voorzover:
a. de wijziging voortvloeit uit een overgang krachtens erfrecht
of huwelijksvermogensrecht, of
b. de wijziging betrekking heeft op een uitbreiding van het
uiteindelijke belang van een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die bij het begin van het jaar waarin de herinvesteringsreserve is
gevormd, reeds ten minste een derde deel van het uiteindelijke
belang in de belastingplichtige had.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het de
belastingplichtige niet bekend is of bekend had kunnen zijn dat het
uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is
gewijzigd, mits de wijziging niet uitgaat boven hetgeen als
gebruikelijk kan worden aangemerkt.
4. Voor de toepassing van dit artikel:
a. worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen
alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect
ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de
belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a,
vierde lid;
b. worden, bij een belastingplichtige die een onderneming
drijft waarvan de werkzaamheden noodzakelijkerwijs meebrengen dat
gelden worden belegd die aan hem, anders dan als eigen vermogen,
zijn toevertrouwd door lichamen of natuurlijke personen die niet
met hem zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde
onderscheidenlijk vijfde lid, de beleggingen die rechtstreeks
samenhangen met die gelden niet als belegging aangemerkt.
Afdeling 2.3. Innovatiebox
Artikel 12b
1. Indien de belastingplichtige een immaterieel activum heeft
voortgebracht ter zake waarvan aan hem een octrooi is verleend (octrooi-activum)
of een immaterieel activum heeft voortgebracht dat is voortgevloeid
uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor aan hem een S&O-verklaring
is afgegeven als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen (S&O-activum), worden,
ingeval hij daarvoor bij de aangifte over een jaar kiest met ingang
van dat jaar de voordelen uit hoofde van dat activum, met inachtneming
van de drempel als geduid in het vijfde lid, slechts in aanmerking
genomen voor 5/H gedeelte. Daarbij staat H voor het percentage van het
hoogste tarief, bedoeld in artikel 22, geldend voor het jaar waarin
het voordeel is genoten. De eerste volzin vindt slechts toepassing
voor zover het saldo van de voordelen positief is.
2. Dit artikel is slechts van toepassing op immateriële activa
waarvan de te verwachten voordelen in belangrijke mate hun oorzaak
vinden in aan de belastingplichtige verleende octrooien alsmede op
S&O-activa.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder octrooien mede
begrepen kwekersrechten.
4. Dit artikel is niet van toepassing op door de belastingplichtige
voortgebrachte merken, logo’s, en daarmee vergelijkbare
vermogensbestanddelen.
5. Het eerste lid is van toepassing voor zover het saldo van de in
het jaar genoten voordelen uit hoofde van immateriële activa als
bedoeld in dat lid, uitgaat boven de drempel. De drempel is gelijk
aan:
a. het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten,
bedoeld in het zesde lid, aan het einde van het voorafgaande jaar,
vermeerderd met:
b. de voortbrengingskosten van de octrooi- en S&O-activa
waarvoor de belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor
toepassing van dit artikel, alsmede met:
c. een bedrag gelijk aan het saldo van de voordelen, bedoeld in
het eerste lid, eerste volzin, indien dat saldo negatief is, en
verminderd met:
d. de voordelen uit hoofde van de octrooi-activa, bedoeld in
onderdeel b, genoten in de periode met ingang van het jaar van
aanvraag van het octrooi tot en met het jaar voorafgaande aan het
jaar van verlenen van het octrooi, voor zover deze voordelen niet
uitgaan boven de som van de in onderdelen a, b en c bedoelde
bedragen.
6. De inspecteur stelt gelijktijdig met de vaststelling van de
aanslag over het jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking vast het
saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten aan het einde van
het jaar, welk saldo is:
a. het bedrag dat bij het einde van het voorafgaande jaar op de
voet van dit lid is vastgesteld, zo dat is vastgesteld,
vermeerderd met:
b. de in het vijfde lid, onderdelen b en c, bedoelde
vermeerderingen, en verminderd met:
c. de in het vijfde lid, onderdeel d, bedoelde vermindering,
alsmede met:
d. de in het jaar genoten voordelen die de drempel van het jaar
niet te boven gingen.
7. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het in
het zesde lid bedoelde saldo te laag is vastgesteld, kan de inspecteur
de aldaar bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare
beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs
bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren,
behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit
feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel
c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is
van overeenkomstige toepassing. Rechtsmiddelen tegen een in dat lid
bedoelde beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de
vermeerderingen ingevolge onderdeel b en de verminderingen ingevolge
de onderdelen c en d van dat lid.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels, waaronder nadere voorwaarden, worden gesteld voor de
toepassing van dit artikel. Daarbij kunnen tevens regels worden
gesteld voor de bepaling van de voordelen uit hoofde van een
immaterieel activum als bedoeld in het eerste lid en voor de bepaling
welk deel van de door een andere Mogendheid geheven belasting over
voordelen die onder dit artikel vallen, op basis van regelingen ter
voorkoming van dubbele belasting, kan worden verrekend met de
verschuldigde vennootschapsbelasting.
9. Tot de voordelen, bedoeld in het eerste lid, wordt niet gerekend
een bedrag ingevolge een RDA-beschikking of een
correctie-RDA-beschikking als bedoeld in artikel 3.52a van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Afdeling 2.4 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 12c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en alle met hem
verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid die zijn onderworpen
aan de vennootschapsbelasting, wordt bij hem en bij die verbonden
lichamen het groepsrentesaldo als bedoeld in het derde lid bij het
bepalen van de winst in aanmerking genomen voor 5/H gedeelte. Daarbij
staat H voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel
22, geldend voor het jaar van het groepsrentesaldo.
2. De toepassing van het eerste lid vangt aan met ingang van het
jaar waarvoor het in dat lid bedoelde verzoek is gedaan en eindigt met
ingang van het jaar waarin niet langer sprake is van een gezamenlijk
verzoek van de belastingplichtige en alle met hem verbonden lichamen
in de zin van het vijfde lid die zijn onderworpen aan de
vennootschapsbelasting. De toepassing van het eerste lid kan eindigen
op verzoek van de belastingplichtige nadat dit gedurende ten minste
drie jaren op hem van toepassing is geweest.
3. Het groepsrentesaldo van een jaar van de belastingplichtige is
het bedrag aan rente dat in dat jaar ten bate van de winst komt ter
zake van geldleningen verstrekt aan verbonden lichamen in de zin van
het vijfde lid, verminderd met het bedrag aan rente dat in dat jaar
ten laste van de winst komt ter zake van geldleningen direct of
indirect verschuldigd aan verbonden lichamen in de zin van het vijfde
lid. Ingeval het bedrag aan rente dat ten bate van de winst komt,
uitgaat boven het bedrag aan rente dat ten laste van de winst komt, is
sprake van een positief groepsrentesaldo.
4. Een positief groepsrentesaldo van een jaar komt slechts in
aanmerking voor de toepassing van het eerste lid voor zover dit saldo
niet uitgaat boven een bedrag ter grootte van het hierna aangeduide
percentage van het gemiddeld eigen vermogen van dat jaar bepaald naar
de stand bij het begin en het einde van het jaar, waarbij dat
gemiddelde vermogen ten minste op nihil wordt gesteld. Als percentage
wordt genomen het op de voet van artikel 30f, zesde lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen berekende percentage van de
heffingsrente, geldend voor het kwartaal waarin het jaar eindigt.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de
belastingplichtige verbonden lichaam verstaan:
a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor meer dan 50%
belang heeft;
b. een lichaam dat voor meer dan 50% belang heeft in de
belastingplichtige;
c. een lichaam waarin een derde voor meer dan 50% belang heeft,
terwijl deze derde tevens voor meer dan 50% belang heeft in de
belastingplichtige. Daarbij wordt een belang dat wordt gehouden
door de echtgenoot of een minderjarig kind van een natuurlijk
persoon aan die persoon toegerekend. Met een echtgenoot wordt
gelijkgesteld de ongehuwde meerderjarige die ingevolge artikel 1.2
van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan kwalificeren als partner.
Onder een kind wordt mede verstaan een kind van een echtgenoot
alsmede een pleegkind.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt:
a. onder geldlening verstaan een vordering of schuld die
voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of uit een daarmee
vergelijkbare overeenkomst;
b. onder rente ter zake van geldleningen verstrekt aan een
verbonden lichaam in de zin van het vijfde lid, mede begrepen de
opbrengsten van kortlopende beleggingen voor zover de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze worden aangehouden
met het oog op de verwerving van deelnemingen;
c. onder geldleningen verstrekt aan verbonden lichamen in de
zin van het vijfde lid, niet begrepen geldleningen welke direct of
indirect verband houden met de vervreemding van activa aan een
verbonden lichaam in de zin van het vijfde lid, tenzij de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de geldlening en de
vervreemding in onderling verband in overwegende mate zakelijke
overwegingen ten grondslag liggen;
d. onder rente ter zake van geldleningen verstrekt aan
verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid of ter zake van
geldleningen direct of indirect verschuldigd aan verbonden
lichamen in de zin van dat lid, mede begrepen de kosten ter zake
van die leningen;
e. onder geldleningen direct of indirect verschuldigd aan
verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid, mede begrepen een
geldlening die is verschuldigd aan een niet verbonden lichaam of
aan een natuurlijk persoon, ingeval de uit die lening verkregen
middelen via een kapitaalstorting zijn aangewend ter verkrijging
van opbrengsten waarop het eerste lid van toepassing is, tenzij de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de geldlening en de
kapitaalstorting in onderling verband in overwegende mate
zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
7. Onze Minister kan op verzoek van een samenwerkende groep van
niet-verbonden lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze
Minister te stellen voorwaarden, de lichamen die tot deze groep
behoren voor de toepassing van dit artikel als met elkaar verbonden
aan te merken.
8. Onze Minister kan op verzoek van een groep van verbonden
lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze Minister te stellen
voorwaarden, de lichamen die tot een zelfstandig onderdeel van de
groep behoren voor de toepassing van dit artikel als niet-verbonden
lichamen aan te merken met de lichamen die behoren tot een ander
zelfstandig onderdeel van de groep.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels, waaronder nadere voorwaarden, worden gesteld voor de
toepassing van dit artikel. Daarbij kunnen tevens regels worden
gesteld voor de bepaling welk deel van de door een andere Mogendheid
geheven belasting over voordelen die onder dit artikel vallen, op
basis van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, kan worden
verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting.
Afdeling 2.5. Deelnemingen
Artikel 13
1. Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de
voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake
van de verwerving of de vervreemding van die deelneming
(deelnemingsvrijstelling).
2. Van een deelneming is sprake indien de belastingplichtige:
a. voor ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal
aandeelhouder is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel
of ten dele in aandelen is verdeeld;
b. ten minste 5% bezit van het aantal in omloop zijnde bewijzen
van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening; daarbij
wordt het aantal andere dan enkelvoudige bewijzen van
deelgerechtigdheid herleid tot een daarmee overeenstemmend aantal
enkelvoudige bewijzen;
c. lid is van een coöperatie of van een vereniging op
coöperatieve grondslag;
d. als commanditaire vennoot een aandeel heeft in de
vennootschappelijke gemeenschap van een open commanditaire
vennootschap en daardoor voor ten minste 5% deelt in het door die
vennootschap behaalde voordeel.
3. Ingeval de belastingplichtige in het bezit is van aandelen in
een vennootschap die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie
waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting
heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op
dividenden op grond van het aantal stemrechten, is, in afwijking van
het tweede lid, aanhef en onderdeel a, eveneens sprake van een
deelneming indien de aandelen in het bezit van de belastingplichtige
ten minste 5% van de stemrechten vertegenwoordigen.
4. Indien de belastingplichtige in een lichaam een deelneming heeft
als bedoeld in het tweede of derde lid, worden onder deze deelneming
mede begrepen door de belastingplichtige gehouden:
a. winstbewijzen van dat lichaam;
b. schuldvorderingen op dat lichaam als bedoeld inartikel 10,
eerste lid, onderdeel d.
5. Van een deelneming is mede sprake indien de belastingplichtige:
a. aandeelhouder is van een vennootschap, deelgerechtigd is in
een fonds voor gemene rekening, of als commanditaire vennoot een
aandeel heeft in de vennootschappelijke gemeenschap van een open
commanditaire vennootschap, terwijl deze vennootschap,
onderscheidenlijk dit fonds voor gemene rekening of deze open
commanditaire vennootschap met de belastingplichtige is verbonden
in de zin van artikel 10a, vierde lid, of waarin een met de
belastingplichtige verbonden lichaam een deelneming heeft als
bedoeld in het tweede of derde lid;
b. een schuldvordering op een lichaam bezit als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel d, terwijl de belastingplichtige
daarin geen maar een met de belastingplichtige verbonden lichaam
wel een deelneming als bedoeld in het tweede of derde lid heeft,
of dat lichaam met de belastingplichtige is verbonden in de zin
van artikel 10a, vierde lid;
c. houder is van een winstbewijs van een lichaam, terwijl de
belastingplichtige daarin geen maar een met de belastingplichtige
verbonden lichaam wel een deelneming als bedoeld in het tweede of
derde lid heeft, of dat lichaam met de belastingplichtige is
verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid.
6. Indien een deelneming of een deel daarvan is vervreemd of
verkregen tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een
recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het
jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat, behoren
bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de
verkrijger de waardeveranderingen van de met dat recht
corresponderende verplichting tot de voordelen uit hoofde van de
deelneming. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing bij
aanpassingen van de prijs waartegen is vervreemd of verkregen; voorts
is die volzin van overeenkomstige toepassing op de houder van een
deelneming van wie door de vennootschap waarin de deelneming wordt
gehouden, aandelen zijn ingekocht.
7. Indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare
beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft
vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van
valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, behoort een
voordeel uit de desbetreffende rechtshandeling tot de voordelen uit
hoofde van de deelneming.
8. De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van
een belastingplichtige die als beleggingsinstelling is aangemerkt.
9. De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op voordelen
uit hoofde van een als belegging gehouden deelneming
(beleggingsdeelneming), alsmede op de kosten ter zake van de
verwerving of de vervreemding van die deelneming, tenzij sprake is van
een kwalificerende beleggingsdeelneming.
10. Een deelneming wordt in ieder geval geacht een
beleggingsdeelneming te zijn indien:
a. de bezittingen van het lichaam waarin de belastingplichtige
de deelneming heeft, geconsolideerd beschouwd, doorgaans
grotendeels bestaan uit belangen als bedoeld in het veertiende
lid, met dien verstande dat voor de consolidatie alleen belangen
van ten minste 5% in aanmerking worden genomen;
b. de functie van het lichaam waarin de belastingplichtige de
deelneming heeft tezamen met de lichamen waarin dit lichaam een
belang van ten minste 5% heeft, grotendeels bestaat uit het direct
of indirect financieren van de belastingplichtige of van met de
belastingplichtige verbonden lichamen, dan wel van
bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige of door met de
belastingplichtige verbonden lichamen worden gebruikt, daaronder
begrepen het ter beschikking stellen van het gebruik of het
gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen.
11. Voor de toepassing van het negende lid, artikel 13aa, eerste,
derde en vijfde lid, 13ba, veertiende lid, en artikel 23c, tweede tot
met vijfde lid, wordt een deelneming van de belastingplichtige in een
lichaam als kwalificerende beleggingsdeelneming aangemerkt indien:
a. het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst
die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing;
b. de bezittingen van het lichaam onmiddellijk of middellijk,
doorgaans voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije
beleggingen, met dien verstande dat voor de toepassing van dit
onderdeel en artikel 13a laagbelaste vrije beleggingen niet als
zodanig in aanmerking worden genomen indien de bezittingen van het
lichaam dat de laagbelaste vrije beleggingen bezit doorgaans ten
minste hoofdzakelijk bestaan uit andere bezittingen dan
laagbelaste vrije beleggingen, waarbij de deelnemingen die dat
lichaam houdt worden geacht geen bezittingen te zijn.
12. Voor de toepassing van het elfde lid en artikel 13a, eerste
lid, worden als vrije beleggingen aangemerkt:
a. andere beleggingen dan die welke redelijkerwijs noodzakelijk
zijn in het kader van de ondernemingsactiviteiten van het lichaam
dat de beleggingen bezit, met uitzondering van beleggingen
bestaande uit onroerende zaken– daaronder mede begrepen rechten
die direct of indirect betrekking hebben op onroerende zaken –
die niet in het bezit zijn van een lichaam dat is aangemerkt als
beleggingsinstelling of vrijgestelde beleggingsinstelling;
b. bezittingen die worden aangewend voor werkzaamheden die
grotendeels bestaan uit het direct of indirect financieren van de
belastingplichtige of van met de belastingplichtige verbonden
lichamen, met uitzondering van:
1°. bezittingen waarvan het aannemelijk is dat deze worden
gehouden door een lichaam waarvan de werkzaamheden ingevolge
bij ministeriële regeling te stellen regels kunnen worden
aangemerkt als actieve financieringswerkzaamheden;
2°. bezittingen waarvan blijkt dat de aanschaffings- of
voortbrengingskosten geheel of nagenoeg geheel zijn
gefinancierd door geldleningen verkregen van andere dan
verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen;
c. bedrijfsmiddelen die worden aangewend voor werkzaamheden die
grotendeels bestaan uit het ter beschikking stellen van het
gebruik of het gebruiksrecht er van aan de belastingplichtige of
aan met de belastingplichtige verbonden lichamen, met uitzondering
van:
1°. bedrijfsmiddelen waarvan het aannemelijk is dat deze
worden gehouden door een lichaam waarvan de werkzaamheden
ingevolge bij ministeriële regeling te stellen regels kunnen
worden aangemerkt als actieve
terbeschikkingstellingswerkzaamheden;
2°. bedrijfsmiddelen waarvan blijkt dat de aanschaffings-
of voortbrengingskosten geheel of nagenoeg geheel zijn
gefinancierd door geldleningen verkregen van andere dan
verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen.
13. Vrije beleggingen zijn laagbelast indien de voordelen uit
hoofde van de beleggingen, bezittingen of bedrijfsmiddelen als bedoeld
in het twaalfde lid niet worden betrokken in een belasting naar de
winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing.
14. Voor de toepassing van het elfde en twaalfde lid en artikel 13a
zijn bezittingen die bestaan uit belangen in lichamen, in ieder geval
een belegging indien zij bestaan uit:
a. belangen van minder dan 5% van het nominaal gestorte
kapitaal van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten
dele in aandelen is verdeeld;
b. belangen van minder dan 5% van het aantal in omloop zijnde
bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening,
met dien verstande dat daarbij het aantal andere dan enkelvoudige
bewijzen van deelgerechtigdheid wordt herleid tot een daarmee
overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen;
c. een aandeel als commanditaire vennoot in de
vennootschappelijke gemeenschap van een open commanditaire
vennootschap, welk aandeel voor minder dan 5% deelt in het door
die vennootschap behaalde voordeel.
15. Bezittingen die worden aangewend voor werkzaamheden die
grotendeels bestaan uit het direct of indirect financieren van de
belastingplichtige of met de belastingplichtige verbonden lichamen en
die op grond van het twaalfde lid, onderdeel b, onder 2°, niet als
vrije beleggingen, of op grond van het dertiende lid niet als
laagbelaste vrije beleggingen worden aangemerkt, worden voor de
toepassing van het elfde lid enartikel 13a geacht geen bezittingen te
zijn van het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming
heeft.
16. Indien een belang dat de belastingplichtige reeds meer dan een
jaar houdt en waarvoor hij in die periode onafgebroken in aanmerking
kwam voor de deelnemingsvrijstelling, niet langer als een deelneming
wordt aangemerkt omdat de omvang van het belang niet meer voldoet aan
de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in het tweede of derde lid,
blijft nog gedurende een periode van drie jaar, gerekend vanaf het
tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de bedoelde voorwaarde, de
deelnemingsvrijstelling van toepassing met betrekking tot voordelen
uit hoofde van dat belang en kosten ter zake van de verwerving of de
vervreemding van dat belang. Het zesde, zevende en negende lid zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13a
1. De belastingplichtige die al dan niet tezamen met een verbonden
lichaam een als belegging gehouden belang heeft van 25% of meer in een
lichaam:
a. dat niet is onderworpen aan een belasting naar de winst die
resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing, en
b. waarvan de bezittingen, onmiddellijk of middellijk,
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend, bestaan uit laagbelaste vrije
beleggingen, waardeert dat belang op de waarde in het economische
verkeer.
2. Met ingang van het tijdstip waarop het eerste lid geen
toepassing meer vindt ten aanzien van de belastingplichtige, wordt de
verkrijgingsprijs van het belang in het lichaam voor de bepaling van
de winst gesteld op de boekwaarde van dit belang op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaande aan dat waarop het eerste lid geen
toepassing meer vindt.
3. Voor de bepaling van de omvang van het in het eerste lid
bedoelde belang blijven buiten beschouwing aandelen, bewijzen van
deelgerechtigdheid, lidmaatschapsrechten en aandelen als commanditaire
vennoot in de vennootschappelijke gemeenschap van een open
commanditaire vennootschap, die bij de ontbinding van het lichaam niet
delen in de reserves van het lichaam.
Artikel 13aa
1. Indien de belastingplichtige voordelen geniet uit hoofde van
beleggingsdeelnemingen niet zijnde kwalificerende
beleggingsdeelnemingen, wordt een gebruteerd bedrag van die voordelen
tot de winst gerekend en wordt ter verrekening van de op die voordelen
drukkende winstbelasting de verschuldigde vennootschapsbelasting
verminderd volgens artikel 23c (deelnemingsverrekening).
2. Brutering van een voordeel vindt plaats door vermenigvuldiging
van het voordeel met de factor 100/95. De brutering vindt ook
toepassing op de voordelen bedoeld in artikel 13, zesde en zevende
lid.
3. Herwaarderingsvoordelen en vervreemdingsvoordelen worden
berekend met inachtneming van de kosten ter zake van de verwerving en
de vervreemding van de desbetreffende beleggingsdeelneming niet zijnde
een kwalificerende beleggingsdeelneming.
4. Voor zover een voordeel bestaat uit een winstuitkering waarvoor
een verzoek als bedoeld in artikel 23c, derde lid, wordt gedaan, wordt
dit voordeel, in afwijking van het tweede lid, in aanmerking genomen
na vermeerdering ervan met het bedrag van op die winstuitkering
drukkende winstbelasting als bedoeld in artikel 23c, vierde lid.
5. Ingeval in een jaar het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde
voordelen uit hoofde van beleggingsdeelnemingen niet zijnde
kwalificerende beleggingsdeelnemingen positief is, wordt ter
verrekening van op die voordelen drukkende winstbelasting, op de
verschuldigde vennootschapsbelasting van dat jaar een vermindering
verleend volgens artikel 23c (deelnemingsverrekening).
6. Ingeval in een jaar het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde
voordelen uit hoofde van beleggingsdeelnemingen niet zijnde
kwalificerende beleggingsdeelnemingen negatief is, wordt de winst van
dat jaar verminderd met een bedrag ter grootte van 5/H deel van dat
bedrag. Daarbij staat H voor het percentage van het hoogste tarief,
bedoeld inartikel 22, geldend aan het einde van het jaar.
7. Dit artikel vindt geen toepassing:
a. ingeval het lichaam waarin de belastingplichtige een
deelneming heeft, is vrijgesteld van een belasting naar de winst,
of is onderworpen aan een belasting naar de winst die niet
resulteert in een daadwerkelijke heffing;
b. ten aanzien van een belastingplichtige die als
beleggingsinstelling is aangemerkt.
Artikel 13b
1. Indien een schuldvordering op een lichaam (schuldenaar) waarin
de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam een deelneming
heeft, is afgewaardeerd ten laste van de in Nederland belastbare winst
van de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam, wordt,
indien de schuldvordering door de belastingplichtige wordt vervreemd
of overgebracht als bedoeld in het tweede lid, ter zake van die
vervreemding of overbrenging tot de winst van de belastingplichtige
gerekend een bedrag gelijk aan die afwaardering voorzover met
betrekking tot die schuldvordering niet reeds een bedrag op de voet
van dit artikel tot de winst van de belastingplichtige of een met hem
verbonden lichaam is gerekend.
2. Een vervreemding of overbrenging als bedoeld in het eerste lid
doet zich onderscheidenlijk voor indien de afgewaardeerde
schuldvordering:
a. wordt vervreemd aan een met de belastingplichtige verbonden
lichaam of verbonden natuurlijk persoon;
b. wordt overgebracht naar het vermogen van een buiten
Nederland gedreven onderneming, dan wel naar het vermogen van een
buiten Nederland gedreven gedeelte van een onderneming op de winst
waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van
toepassing is.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de
onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar,
wordt vervreemd aan de belastingplichtige of een met hem verbonden
lichaam of verbonden natuurlijk persoon.
4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, en het derde
lid, wordt, bij vervreemding aan een niet in Nederland gevestigd
lichaam of een niet in Nederland wonend natuurlijk persoon, dat
lichaam onderscheidenlijk die natuurlijke persoon geacht een met de
belastingplichtige verbonden lichaam, onderscheidenlijk verbonden
natuurlijk persoon te zijn, tenzij de belastingplichtige het tegendeel
aannemelijk maakt.
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de
belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam via een deelneming
middellijk een belang van 5% of meer in de schuldenaar heeft.
Artikel 13ba
1. Indien de belastingplichtige een schuldvordering heeft op een
lichaam (schuldenaar) waarin hij of een met hem verbonden lichaam een
deelneming heeft en die schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van
de in Nederland belastbare winst van de belastingplichtige of een met
hem verbonden lichaam of ten laste van het in Nederland belastbare
resultaat uit een werkzaamheid van een met hem verbonden natuurlijk
persoon, wordt, indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in
het tweede lid, tot de winst van de belastingplichtige gerekend een
bedrag gelijk aan die afwaardering. Het in de eerste volzin bedoelde
bedrag kan gelijktijdig ten laste van de winst worden toegevoegd aan
een reserve (opwaarderingsreserve).
2. Van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is sprake
indien:
a. de met de schuldvordering corresponderende schuld door de
schuldenaar wordt voldaan door het uitgeven van aandelen,
winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van
deelgerechtigdheid (omzetting);
b. de met de schuldvordering corresponderende schuld gaat
functioneren als eigen vermogen van de schuldenaar zonder dat deze
daartoe aandelen uitgeeft, en de schuldvordering hierdoor bij de
belastingplichtige onder een deelneming wordt begrepen; of
c. de schuldvordering geheel of gedeeltelijk wordt
prijsgegeven.
3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover met betrekking
tot de schuldvordering reeds een bedrag op de voet van het eerste lid
ofartikel 13b tot de winst van de belastingplichtige of een met hem
verbonden lichaam is gerekend.
4. Het eerste lid is ter zake van een omstandigheid als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel c, niet van toepassing voor zover de in dat
lid bedoelde omstandigheid bij de schuldenaar leidt tot een voordeel
dat wordt betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in
een naar Nederlandse begrippen reële heffing.
5. De opwaarderingsreserve wordt aan de winst toegevoegd voor zover
het verschil tussen de actuele waarde in het economische verkeer van
de deelneming en de waarde in het economische verkeer van de
deelneming ten tijde van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid
uitgaat boven het bedrag waarmee de opwaarderingsreserve sinds die
omstandigheid reeds is afgenomen. Voor de toepassing van de eerste
volzin, het zesde lid en het tiende lid, onderdeel b, worden de door
een met de belastingplichtige verbonden lichaam gehouden deelnemingen
in de schuldenaar, toegerekend aan de belastingplichtige, tenzij het
verbonden lichaam met betrekking tot de schuldenaar eveneens beschikt
over een opwaarderingsreserve.
6. Indien de deelneming na de in het eerste lid bedoelde
omstandigheid gedeeltelijk is vervreemd aan een niet met de
belastingplichtige verbonden lichaam of een niet met hem verbonden
natuurlijk persoon, wordt voor de toepassing van het vijfde lid de
actuele waarde in het economische verkeer van de deelneming
vermeerderd met de opbrengst van het vervreemde gedeelte, daaronder
begrepen de waardeveranderingen als bedoeld in artikel 13, zesde lid,
eerste volzin, en de prijsaanpassingen als bedoeld in de tweede volzin
van dat lid. Indien de deelneming na de in het eerste lid bedoelde
omstandigheid is uitgebreid doordat aandelen, winstbewijzen,
lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigheid of
schuldvorderingen zijn verkregen van de schuldenaar zelf of van een
niet met de belastingplichtige verbonden lichaam of een niet met hem
verbonden natuurlijk persoon, wordt voor de toepassing van het vijfde
lid de actuele waarde in het economische verkeer van de deelneming
verminderd met het voor die uitbreiding opgeofferde bedrag, in de zin
van artikel 13d, tweede lid. Onder een uitbreiding van de deelneming
wordt mede begrepen een storting van kapitaal zonder uitreiking van
aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van
deelgerechtigheid.
7. Indien de opwaarderingsreserve is ontstaan bij een omstandigheid
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vervalt de reserve zonder
dat dit tot een toevoeging aan de winst leidt tot het bedrag van de na
die omstandigheid uit hoofde van de uitgegeven aandelen,
winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigheid
genoten voordelen, waarop de deelnemingsvrijstelling niet van
toepassing is.
8. Indien een omstandigheid, anders dan bedoeld in het tiende lid,
meebrengt dat noch de belastingplichtige, noch een met hem verbonden
lichaam meer een deelneming in de schuldenaar heeft, wordt direct
voorafgaande aan die omstandigheid het vijfde lid voor het laatst
toegepast. Een nog resterend bedrag aan opwaarderingsreserve vervalt
zonder dat dit tot een toevoeging aan de winst leidt. Daarna blijft
met betrekking tot die deelneming artikel 13, zesde lid, ten aanzien
van de belastingplichtige of het met hem verbonden lichaam buiten
toepassing, voorzover het positieve voordelen betreft tot het in de
tweede volzin bedoelde resterende bedrag, en voorzover het negatieve
voordelen betreft tot ten hoogste het bedrag van de oorspronkelijke
opwaarderingsreserve.
9. In afwijking van het achtste lid, tweede volzin, wordt het
restant van de opwaarderingsreserve wel toegevoegd aan de winst indien
de omstandigheid in overwegende mate is gericht op het realiseren van
een vrijval van de opwaarderingsreserve die niet tot een toevoeging
aan de winst leidt. Een omstandigheid wordt, tenzij het tegendeel
aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht
op het realiseren van een vrijval die niet tot een toevoeging aan de
winst leidt, indien de belastingplichtige of een met hem verbonden
lichaam binnen 3 jaar na die omstandigheid opnieuw een deelneming in
de schuldenaar verkrijgt.
10. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als aangeduid in de
volgende volzin, wordt onmiddellijk daaraan voorafgaande de
opwaarderingsreserve toegevoegd aan de winst. Een omstandigheid als
bedoeld in de eerste volzin is:
a. de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de
schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of aan een
met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon;
b. de deelneming of een gedeelte van de deelneming wordt
vervreemd aan een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk
persoon;
c. de schuldenaar gaat als dochtermaatschappij deel uitmaken
van een fiscale eenheid met de belastingplichtige als bedoeld in
artikel 15.
Bij vervreemding van een gedeelte van de deelneming aan een met de
belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon, blijft, in afwijking
van de eerste volzin, de toevoeging van de opwaarderingsreserve aan de
winst beperkt tot dat deel van de reserve dat evenredig is aan het
deel van de deelneming dat wordt vervreemd.
11. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de
belastingplichtige in verband met een in het tweede lid genoemde
omstandigheid een deelneming in de schuldenaar verkrijgt.
12. Indien de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam
via een deelneming een middellijk belang van 5% of meer heeft in de
schuldenaar, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. Daarbij
vinden het vijfde, zesde, achtste, negende en tiende lid toepassing op
de deelneming of deelnemingen via welke het middellijke belang wordt
gehouden.
13. Indien de belastingplichtige een schuldvordering heeft op een
lichaam, en die schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de in
Nederland belastbare winst van de belastingplichtige of een met hem
verbonden lichaam of ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid
van een met hem verbonden natuurlijk persoon, is, indien zich een
omstandigheid voordoet als bedoeld in de volgende volzin, dit artikel
van overeenkomstige toepassing. Van een omstandigheid als bedoeld in
de eerste volzin is sprake indien de belastingplichtige of een met hem
verbonden lichaam in verband met een vervreemding van de
schuldvordering aan een niet verbonden lichaam of persoon,
rechtstreeks een deelneming verkrijgt in de schuldenaar dan wel via
een deelneming een middellijk belang van 5% of meer in de schuldenaar
verkrijgt. In het laatste geval vinden het vijfde, zesde, achtste,
negende en tiende lid toepassing op de deelneming of deelnemingen via
welke het middellijke belang wordt gehouden. Voorts vervalt de
opwaarderingsreserve zonder dat dit tot een toevoeging aan de winst
leidt tot het bedrag van de waarde-aangroei van de vervreemde
schuldvordering, voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt
dat deze waarde-aangroei bij de verkrijger van de schuldvordering
leidt tot een voordeel dat wordt betrokken in een belasting naar de
winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing
14. Dit artikel is niet van toepassing indien de in het eerste lid
bedoelde deelneming een beleggingsdeelneming niet zijnde een
kwalificerende beleggingsdeelneming is.
Artikel 13bb [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 13c [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 13ca [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 13d
1. De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van
een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het
lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden
(liquidatieverlies).
2. Het liquidatieverlies wordt gesteld op het bedrag waarmede het
door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag het
totaal van de liquidatie-uitkeringen overtreft.
Onder het voor de deelneming opgeofferde bedrag worden mede
begrepen:
a. de bedragen die met betrekking tot vorderingen op die
deelneming ingevolge artikel 13b of 13ba, vijfde, negende of
tiende lid, tot de winst zijn gerekend;
b. de positieve voordelen uit hoofde van die deelneming waarop
de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13h geen
toepassing heeft gevonden;
c. de waardeveranderingen van een met de deelneming verband
houdende verplichting als bedoeld in artikel 13, zesde lid, eerste
volzin, alsmede aanpassingen van de prijs waartegen de deelneming
is verkregen als bedoeld in artikel 13, zesde lid, tweede volzin;
d. een negatief saldo van de positieve en negatieve bedragen
aan winst uit een andere staat dat op de voet van artikel 15j is
doorgeschoven naar een lichaam dat niet in Nederland is gevestigd,
indien dit saldo is voortgevloeid uit een voorheen door de
belastingplichtige gedreven buitenlandse onderneming en voor zover
ter zake van dat negatieve bedrag in die andere staat generlei
tegemoetkoming voor de belastingheffing is gegeven.
Indien op de voet van artikel 13ba bedragen tot de winst zijn
gerekend van een lichaam dat de deelneming niet zelf houdt, worden
deze bedragen voor de toepassing van de eerste volzin in aanmerking
genomen bij de met dat lichaam verbonden lichamen die wel de
deelneming houden naar rato van hun aandelenbezit. Het voor een
deelneming opgeofferde bedrag wordt bij vervreemding van een gedeelte
van de deelneming voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de niet
vervreemde vermogensrechten van eenzelfde soort, die een deelneming
blijven vormen.
3. Tot het totaal van de liquidatie-uitkeringen worden ten minste
gerekend de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming welke met
toepassing van de deelnemingsvrijstelling zijn genoten in:
a. het jaar waarin het ontbonden lichaam zijn onderneming
geheel of nagenoeg geheel heeft gestaakt, in de vijf daaraan
voorafgaande jaren en in de daaropvolgende jaren;
b. het zesde tot en met het tiende jaar voorafgaande aan dat
waarin het ontbonden lichaam zijn onderneming geheel of nagenoeg
geheel heeft gestaakt ingeval over het desbetreffende jaar dat
lichaam volgens zijn jaarrekening - opgemaakt volgens de
bepalingen van titel 9, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan
wel, ten aanzien van een deelneming in een buiten Nederland
gevestigd lichaam, volgens soortgelijke buitenlandse wettelijke
regelingen - verlies heeft geleden.
4. Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van het
ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord die deel uitmaakt van
de liquidatie-uitkering of die is vervreemd en die in waarde is
gedaald sedert de verkrijging van de deelneming in het ontbonden
lichaam, wordt het liquidatieverlies slechts in aanmerking genomen
voor zover dit verlies het bedrag van die waardedaling te boven gaat.
Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van het ontbonden
lichaam tevens een deelneming heeft behoord die sedertdien in waarde
is gestegen, is de vorige volzin slechts van toepassing voor zover de
aldaar bedoelde waardedaling deze waardestijging te boven gaat.
Waardedalingen en waardestijgingen welke zowel onmiddellijk als
middellijk tot uiting komen worden uitsluitend in aanmerking genomen
voor zover zij onmiddellijk tot uiting komen. Indien, onmiddellijk of
middellijk, tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming
heeft behoord welke was verkregen van een verbonden lichaam, wordt het
liquidatieverlies voor zover dit is toe te rekenen aan een daling van
de waarde van die deelneming, slechts in aanmerking genomen voor zover
dit toe te rekenen gedeelte niet uitgaat boven het liquidatieverlies
dat bij het ontbonden lichaam met betrekking tot die deelneming in
aanmerking is genomen.
5. Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van het
ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord in een lichaam dat
inmiddels is ontbonden en ter zake waarvan ingevolge het negende lid,
geen liquidatieverlies in aanmerking is genomen, of niet in aanmerking
zou zijn genomen indien die deelneming door een in Nederland gevestigd
lichaam zou zijn gehouden, wordt het liquidatieverlies slechts in
aanmerking genomen voor zover dit verlies uitgaat boven het
liquidatieverlies met betrekking tot de deelneming in dat eerder
ontbonden lichaam.
6. Indien een deelneming is verkregen van een verbonden lichaam
wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de verkrijging niet hoger
gesteld dan het bedrag hetwelk dat lichaam voor die deelneming heeft
opgeofferd. Indien zulk een deelneming is verkregen in het kader van
de ontbinding van het verbonden lichaam en ter zake van die deelneming
het vierde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden, wordt het
opgeofferde bedrag vermeerderd met de aldaar bedoelde waardedaling tot
ten hoogste het door het ontbonden lichaam voor die deelneming
opgeofferde bedrag. Indien een storting op aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid bestaat uit aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid in een verbonden lichaam, wordt het opgeofferde
bedrag ten tijde van de storting niet hoger gesteld dan op het bedrag
dat is opgeofferd voor de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid
die als storting dienen.
7. Indien aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid worden
verkregen van een verbonden lichaam en deze aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid op het tijdstip van verkrijging of enig tijdstip
daarna tot een deelneming gaan behoren, wordt het opgeofferde bedrag
niet hoger gesteld dan het bedrag dat door dat lichaam voor die
aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid is opgeofferd. De eerste
volzin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige
aannemelijk maakt dat over het bedrag van de waardetoename van de
aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid na het tijdstip van de
verkrijging daarvan door het lichaam waarvan de belastingplichtige de
aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid verkrijgt, belasting naar
de winst is geheven die resulteert in een naar Nederlandse begrippen
reële heffing.
8. Ingeval de deelneming als dochtermaatschappij met de
belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld
in artikel 15, eerste lid, wordt op het tijdstip waarop die eenheid
ten aanzien van die dochtermaatschappij wordt beëindigd het door de
belastingplichtige voor die dochtermaatschappij opgeofferde bedrag
gesteld op het vanaf dat tijdstip voor de heffing van de
vennootschapsbelasting in aanmerking te nemen eigen vermogen van die
dochtermaatschappij nadat dit is verminderd met de toelaatbare
reserves.
9. Het liquidatieverlies wordt eerst op het tijdstip waarop de
vereffening is voltooid in aanmerking genomen, mits:
a. geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de
belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden
lichaam onverrekend zijn gebleven, anders dan op de voet van dit
artikel of artikel 13e, voor:
1°. de belastingplichtige, of een met hem verbonden
lichaam;
2°. het lichaam dat of de persoon die de onderneming
geheel of gedeeltelijk voortzet, of een met dat lichaam
verbonden lichaam;
b. de onderneming van het ontbonden lichaam:
1°. geheel is gestaakt, dan wel
2°. geheel of gedeeltelijk is voortgezet uitsluitend door
een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden
lichaam;
c. de omvang van het liquidatieverlies is gebleken en tevens
blijkt dat is voldaan aan het bepaalde in de onderdelen a, 1°, en
b.
10. Het in een jaar ter zake van een deelneming opgeofferde bedrag
wordt op een bij de aangifte gedaan verzoek door de inspecteur bij
voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Indien het opgeofferde
bedrag tot een onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de
beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking herzien. De
bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de
vaststelling van de beschikking.
11. Indien de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of
gedeeltelijk wordt voortgezet door de belastingplichtige of door een
met hem verbonden lichaam wordt het liquidatieverlies op verzoek van
de belastingplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking van de
inspecteur vastgesteld. Artikel 20b, derde lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 13e
1. Indien de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of
gedeeltelijk is voortgezet door de belastingplichtige wordt het op de
voet van artikel 13d berekende liquidatieverlies in aanmerking genomen
zodra de onderneming door de belastingplichtige geheel is gestaakt, of
geheel of gedeeltelijk is voortgezet uitsluitend door een ander dan de
belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam, mits wordt
voldaan aan de voorwaarden van artikel 13d, negende lid, onderdelen a
en c.
2. Indien de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of
gedeeltelijk is voortgezet door een verbonden lichaam waarin de
belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam deelneemt, wordt
het voor de verkrijging van die deelneming opgeofferde bedrag verhoogd
met het ten aanzien van het ontbonden lichaam op de voet van artikel
13d berekende liquidatieverlies, mits wordt voldaan aan de voorwaarden
van artikel 13d, negende lid, onderdelen a en c.
3. Indien tot de voortgezette onderneming of het voortgezette
gedeelte van de onderneming een in het buitenland gedreven onderneming
behoort waarvan het saldo van de positieve en negatieve bedragen aan
winst waarop de inartikel 15e geregelde objectvrijstelling voor
buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is, op het tijdstip
van aanvang van de voortzetting negatief was, wordt:
a. het in aanmerking te nemen liquidatieverlies, bedoeld in het
eerste lid, verminderd met het stakingsverlies, bedoeld in artikel
15i, voor zover dat verlies in aftrek is gekomen en heeft geleid
tot een winstvermindering;
b. de in het tweede lid bedoelde verhoging van het opgeofferde
bedrag verminderd met het op de voet van artikel 15j naar die
deelneming doorgeschoven saldo, voor zover dit saldo bij die
deelneming als stakingsverlies als bedoeld in artikel 15i in
aftrek is gekomen en heeft geleid tot een winstvermindering.
Artikel 13f [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 13g [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 13h
Indien bij het bepalen van de in een jaar genoten winst ten aanzien
van de belastingplichtige met toepassing van artikel 3.55, 3.56 of 3.57
van de Wet inkomstenbelasting 2001 een voordeel uit de vervreemding van
aandelen of winstbewijzen die geen deelneming vormen, niet in aanmerking
is genomen terwijl de door hem verkregen aandelen of winstbewijzen op
het tijdstip van de aandelenfusie of de overgang onder algemene titel in
het kader van een fusie of een splitsing van een rechtspersoon dan wel
op enig tijdstip daarna wel een deelneming vormen of tot een deelneming
gaan behoren:
a. vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op positieve
voordelen uit hoofde van die deelneming met uitzondering van
uitkeringen van winst, tot het bedrag van het voordeel dat met
toepassing van een van de genoemde artikelen buiten aanmerking is
gebleven, behalve voorzover het voordeel al eerder in aanmerking is
genomen;
b. wordt voor de bepaling van het opgeofferde bedrag, bedoeld in
artikel 13d, de verkrijgingsprijs niet hoger gesteld dan het bedrag
hetwelk de belastingplichtige voor de in het kader van de
aandelenfusie, de juridische splitsing of de juridische fusie
vervreemde aandelen of winstbewijzen heeft opgeofferd.
Artikel 13i
1. Indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen die een
deelneming vormen, in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in
artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vervreemdt,
a. wordt het voor de aandelen of winstbewijzen die in het kader
van de fusie worden verkregen, opgeofferde bedrag, bedoeld in
artikel 13d, niet hoger gesteld dan het bedrag dat voor de
vervreemde aandelen of winstbewijzen is opgeofferd;
b. wordt een geldlening waarop artikel 10a, eerste lid, van
toepassing is die verband houdt met de vervreemde aandelen, geacht
verband te houden met de aandelen of winstbewijzen die in het
kader van de fusie worden verkregen.
2. Indien het voordeel uit de vervreemding van aandelen of
winstbewijzen ingevolge artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting
2001 niet in aanmerking wordt genomen:
a. treden de aandelen of winstbewijzen die in het kader van de
fusie worden verkregen, ingeval deze een deelneming vormen, in de
plaats van de aandelen of winstbewijzen die in het kader van de
fusie worden vervreemd;
b. worden de verkregen aandelen of winstbewijzen, ingeval deze
geen deelneming vormen, in afwijking in zoverre van het genoemde
artikel, te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer
verminderd met het bedrag dat ingevolge het tweede lid van dat
artikel, buiten aanmerking is gebleven.
Artikel 13j
1. Indien vermogen van een rechtspersoon waarin de
belastingplichtige een deelneming heeft, in het kader van een
splitsing onder algemene titel overgaat, wordt de in artikel 3.56,
eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde vervreemding
van aandelen en schuldvorderingen geacht te hebben plaatsgevonden aan
een met de belastingplichtige en de splitsende rechtspersoon verbonden
lichaam.
2. Het voor de aandelen in de splitsende rechtspersoon opgeofferde
bedrag, bedoeld in artikel 13d, tweede lid, wordt voor een evenredig
gedeelte toegerekend aan de door de verkrijgende rechtspersonen
uitgereikte aandelen. Indien de splitsende rechtspersoon na de
splitsing blijft bestaan, wordt het voor de aandelen in de splitsende
rechtspersoon opgeofferde bedrag in dezelfde mate verminderd.
3. Een geldlening waarop artikel 10a, eerste lid, van toepassing is
en die verband houdt met de aandelen die de belastingplichtige in de
splitsende rechtspersoon heeft, wordt geacht verband te houden met de
aandelen die de belastingplichtige direct na de splitsing heeft op de
bij de splitsing betrokken rechtspersonen.
4. Indien het voordeel bij de splitsing ingevolge artikel 3.56,
tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aanmerking
wordt genomen:
a. treden de aandelen die de belastingplichtige direct na de
splitsing in de splitsende en verkrijgende rechtspersonen heeft,
ingeval deze een deelneming vormen, in de plaats van de aandelen
die de belastingplichtige ten tijde van de splitsing in de
splitsende rechtspersoon heeft;
b. worden de aandelen die de belastingplichtige direct na de
splitsing in de splitsende- en de verkrijgende rechtspersonen
heeft, voorzover deze geen deelneming vormen, in afwijking in
zoverre van het derde lid van het genoemde artikel, te boek
gesteld voor de waarde in het economische verkeer verminderd met
het voordeel dat niet in aanmerking is genomen.
5. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien in
het kader van de splitsing aandelen worden uitgereikt:
a. aan een ander lichaam dan de belastingplichtige of
b. door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon op wie de
vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan.
Artikel 13k
1. Indien het vermogen van een rechtspersoon waarin de
belastingplichtige een deelneming heeft, in het kader van een fusie
onder algemene titel overgaat, wordt de in artikel 3.57, eerste lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde vervreemding van aandelen
en schuldvorderingen geacht te hebben plaatsgevonden aan een met de
belastingplichtige en de verdwijnende rechtspersoon verbonden lichaam.
2. Het voor de aandelen in de verkrijgende rechtspersoon
opgeofferde bedrag, bedoeld in artikel 13d, wordt niet hoger gesteld
dan het bedrag dat is opgeofferd voor de aandelen in de verdwijnende
rechtspersoon.
3. Een geldlening waarop artikel 10a, eerste lid, van toepassing is
en die verband houdt met de aandelen die de belastingplichtige in de
verdwijnende rechtspersoon heeft, wordt geacht verband te houden met
de aandelen die de belastingplichtige direct na de fusie in de
verkrijgende rechtspersoon heeft.
4. Indien het voordeel bij de fusie ingevolge artikel 3.57, tweede
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, niet in aanmerking wordt
genomen:
a. treden de in het kader van de fusie verkregen aandelen
ingeval deze een deelneming vormen, in de plaats van de aandelen
die de belastingplichtige ten tijde van de fusie in de
verdwijnende rechtspersoon heeft;
b. worden de in het kader van de fusie verkregen aandelen,
ingeval deze geen deelneming vormen, in afwijking in zoverre van
het derde lid van het genoemde artikel, te boek gesteld voor de
waarde in het economische verkeer verminderd met het voordeel dat
niet in aanmerking is genomen.
5. Indien de belastingplichtige tevens de verkrijgende
rechtspersoon is, vindt artikel 3.57, tweede lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 geen toepassing. Onze Minister kan, op een
voor de fusie gedaan verzoek van de belastingplichtige, onder door hem
te stellen voorwaarden, de inspecteur toestaan het voordeel dat als
gevolg van de in het eerste lid bedoelde vervreemding tot uitdrukking
komt, geheel of ten dele buiten aanmerking te laten. De in de tweede
volzin bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van
de heffing en de invordering van belasting welke verschuldigd zou zijn
of zou worden indien die volzin buiten toepassing zou blijven. De
inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
6. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien in
het kader van de fusie aandelen worden uitgereikt door een andere
rechtspersoon dan de rechtspersoon op wie de vermogensbestanddelen
onder algemene titel overgaan.
Artikel 13l
1. Bij het bepalen van de in een jaar genoten winst komt niet in
aftrek het op de voet van dit artikel bepaalde bedrag aan renten en
kosten ter zake van geldleningen dat geacht wordt verband te houden
met de financiering van deelnemingen (bovenmatige deelnemingsrente),
voor zover het bedrag aan bovenmatige deelnemingsrente € 750 000 te
boven gaat.
2. De bovenmatige deelnemingsrente van een jaar wordt gesteld op
het gedeelte van het totale bedrag aan renten en kosten ter zake van
geldleningen van het jaar, dat evenredig is aan de verhouding tussen
het gemiddelde bedrag aan deelnemingsschulden in het jaar en het
gemiddelde totale bedrag aan geldleningen in het jaar. De in de eerste
volzin bedoelde gemiddelden worden bepaald naar de stand bij het begin
en het einde van het jaar, waarbij tijdelijke mutaties rond die
tijdstippen worden genegeerd voor zover deze plaatsvinden met het oog
op de toepassing van dit artikel.
3. Van een deelnemingsschuld als bedoeld in het tweede lid is
sprake voor zover het gezamenlijke bedrag van de verkrijgingsprijs van
de deelnemingen uitgaat boven het eigen vermogen, met dien verstande
dat een deelnemingsschuld nooit meer bedraagt dan het gezamenlijke
bedrag van de geldleningen en nooit meer bedraagt dan het gezamenlijke
bedrag van de verkrijgingsprijs van de deelnemingen. Een op de voet
van de eerste volzin bepaalde deelnemingsschuld wordt verminderd met
het bedrag van de schulden waarop artikel 10a, eerste lid, of artikel
10b van toepassing is, doch niet verder dan tot nihil, voor zover de
rechtshandelingen waarmee die schulden rechtens dan wel in feite
direct of indirect verband houden de deelnemingsschuld zoals berekend
volgens de eerste volzin vergroten.
4. Voor zover de belastingplichtige een deelneming anders waardeert
dan op verkrijgingsprijs, wordt voor de bepaling van de
deelnemingsschuld ingevolge het derde lid de boekwaarde van het eigen
vermogen verminderd met het bedrag van de boekwaarde van die
deelneming verminderd met de verkrijgingsprijs van die deelneming.
5. Voor de toepassing van het derde lid blijft de verkrijgingsprijs
van een deelneming buiten aanmerking voor zover het belang in het
lichaam waarin de deelneming wordt gehouden is verworven of uitgebreid
of daarin eigen vermogen is gebracht in verband met een uitbreiding op
dat moment dan wel in de daaraan voorafgaande of daarop volgende
periode van twaalf maanden van de operationele activiteiten van de
groep bestaande uit de belastingplichtige tezamen met de met hem
verbonden lichamen en de verkrijgingsprijs is toe te rekenen aan de
hiervoor bedoelde uitbreiding van operationele activiteiten.
6. De toepassing van het vijfde en tiende lid met betrekking tot
een deelneming blijft in een jaar achterwege voor zover:
a. de in het jaar in verband met de financiering van die
deelneming verschuldigde renten en kosten naast de
belastingplichtige door een met de belastingplichtige verbonden
lichaam rechtens dan wel in feite in aftrek kunnen worden gebracht
op de grondslag van een naar de winst geheven belasting;
b. de in het jaar in verband met de financiering van die
deelneming verschuldigde renten en kosten rechtens dan wel in
feite direct of indirect staan tegenover een vergoeding voor
verstrekking van vermogen aan het lichaam waarin de deelneming
wordt gehouden of aan een met de belastingplichtige verbonden
lichaam, waarbij de voldoening van de vergoeding rechtens dan wel
in feite direct of indirect in aftrek kan worden gebracht op de
grondslag van een naar de winst geheven belasting terwijl over de
ontvangst van de vergoeding per saldo geen belasting naar de winst
wordt geheven of geen belasting naar de winst wordt geheven welke
naar Nederlandse maatstaven redelijk is als bedoeld in artikel
10a, derde lid, onderdeel b, of
c. de verwerving of de uitbreiding van de deelneming, dan wel
de inbreng van eigen vermogen in het lichaam waarin de deelneming
wordt gehouden, niet door de belastingplichtige zou hebben
plaatsgevonden, of de deelneming niet door de belastingplichtige
zou zijn gehouden, ingeval de aftrek van rente buiten beschouwing
zou worden gelaten.
De eerste volzin, onderdeel b, vindt geen toepassing indien over de
vergoeding een belasting naar de winst wordt geheven en de wijze
waarop de financiering is vormgegeven in overwegende mate is ingegeven
door zakelijke overwegingen.
7. Dit artikel is slechts van toepassing op bestanddelen van de
winst die geen deel uitmaken van winst uit een andere staat als
bedoeld in artikel 15e waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten van toepassing is en op bestanddelen van het
vermogen welke niet dienstbaar zijn aan het behalen van dergelijke
winst uit een andere staat.
8. Voor de toepassing van dit artikel:
a. wordt onder geldlening verstaan een schuld die voortvloeit
uit een overeenkomst van geldlening of uit een daarmee
vergelijkbare overeenkomst, waarbij zonder toepassing van dit
artikel rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de
winst;
b. wordt onder een deelneming verstaan een bezit waarop de
deelnemingsvrijstelling van toepassing is;
c. worden onder renten en kosten ter zake van geldleningen mede
begrepen kosten en resultaten ter zake van rechtshandelingen die
strekken tot het afdekken van renterisico’s op geldleningen of
van valutarisico’s op de rente ter zake van geldleningen.
9. Indien de belastingplichtige actieve financieringsactiviteiten
binnen het concern verricht, blijven voor de toepassing van het tweede
en derde lid buiten aanmerking geldleningen voor zover deze verband
houden met geldvorderingen welke in het kader van die actieve
financieringsactiviteiten binnen het concern worden aangehouden,
evenals de renten en kosten ter zake van dergelijke geldleningen.
Onder actieve financieringsactiviteiten binnen het concern als bedoeld
in de eerste volzin worden verstaan werkzaamheden die door de
belastingplichtige anders dan incidenteel worden verricht in verband
met het arrangeren en uitvoeren van financiële transacties via eigen
bankrekeningen ten behoeve van de belastingplichtige tezamen met de
met hem verbonden lichamen, waarbij het aantal personen in
dienstbetrekking bij de belastingplichtige, hun bevoegdheden en
verantwoordelijkheden in overeenstemming zijn met de aard en functie
van de belastingplichtige en de belastingplichtige voorts beschikt
over een kantoor dat is voorzien van in de financiële sector
gebruikelijke faciliteiten. Onder geldvordering als bedoeld in de
eerste volzin wordt verstaan een vordering die voortvloeit uit een
overeenkomst van geldlening of uit een daarmee vergelijkbare
overeenkomst.
10. In afwijking van het vijfde lid kan de belastingplichtige voor
de toepassing van het derde lid 90% van de verkrijgingsprijs van een
deelneming buiten aanmerking laten voor zover het lichaam waarin de
deelneming wordt gehouden is verworven of uitgebreid of in dat lichaam
eigen vermogen is ingebracht in een boekjaar dat is aangevangen voor
of op 1 januari 2006.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld voor de toepassing van dit artikel ingeval de
belastingplichtige, de deelneming of het lichaam waarin de deelneming
wordt gehouden onmiddellijk of middellijk is betrokken bij een
reorganisatie of deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid. Onder die
regels kunnen mede regels worden begrepen met betrekking tot de
verkrijgingprijs van de deelneming en de aan de deelneming toe te
rekenen financiering. De voordracht voor een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in de eerste volzin wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Afdeling 2.6. Bedrijfsfusie
Artikel 14
1. De belastingplichtige die zijn gehele onderneming of een
zelfstandig onderdeel van een onderneming overdraagt (overdrager) aan
een ander lichaam dat reeds belastingplichtig is of door de overname
belastingplichtig wordt (overnemer), tegen uitreiking van aandelen in
de overnemer (bedrijfsfusie), behoeft de winst behaald met of bij de
overdracht niet in aanmerking te nemen, mits voor het bepalen van de
winst bij de overdrager en de overnemer dezelfde bepalingen van
toepassing zijn, de overnemer niet op de voet van artikel 20 aanspraak
kan maken op voorwaartse verrekening van verliezen, op vermindering
ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse
resultaten, op toepassing van de innovatiebox, op toepassing van de
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, op
toepassing van de deelnemingsverrekening of op toepassing van de
verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en latere heffing is
verzekerd. Indien de winst niet in aanmerking wordt genomen, treedt de
overnemer ten aanzien van alle vermogensbestanddelen die in het kader
van de bedrijfsfusie zijn verkregen in de plaats van de overdrager.
2. Bestaat voor de overnemer aanspraak op voorwaartse verrekening
van verliezen, op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting
ter zake van buitenlandse resultaten, op toepassing van de
innovatiebox, op toepassing van de objectvrijstelling voor
buitenlandse ondernemingswinsten, op toepassing van de
deelnemingsverrekening of op toepassing van de verrekening bij
buitenlandse ondernemingswinsten, zijn voor het bepalen van de winst
niet dezelfde bepalingen van toepassing of kan de belastingheffing uit
anderen hoofde alleen met behulp van nadere voorwaarden worden
verzekerd, dan kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de
overdrager en de overnemer onder te stellen nadere voorwaarden, de
inspecteur belast met de aanslagregeling van de overdrager toestaan de
winst behaald met of bij de overdracht geheel of ten dele buiten
aanmerking te laten. Daarbij treedt de overnemer ten aanzien van al
hetgeen in het kader van de overdracht is verkregen, voorzover daaraan
geen nadere voorwaarden zijn gesteld, in de plaats van de overdrager.
Het verzoek wordt voor de overdracht gedaan bij de in de vorige volzin
bedoelde inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking
beslist.
3. Indien de winst op de voet van het eerste of het tweede lid
buiten aanmerking blijft en de in het kader van de bedrijfsfusie
verkregen aandelen een deelneming vormen, wordt het voor die aandelen
opgeofferde bedrag gesteld op de fiscale boekwaarde van het
overgedragen vermogen verminderd met de daarin begrepen reserves
bedoeld in de artikelen 3.53 en 3.54 van de Wet inkomstenbelasting
2001.
4. In afwijking van het eerste en het tweede lid, wordt de winst
wel in aanmerking genomen, indien de bedrijfsfusie in overwegende mate
is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De
bedrijfsfusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt,
geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of
uitstellen van belastingheffing indien deze niet plaatsvindt op grond
van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering
van de actieve werkzaamheden van de overdrager en de overnemer. Indien
aandelen in de overdrager dan wel in de overnemer binnen drie jaar na
de overdracht geheel of ten dele, direct of indirect worden vervreemd
aan een lichaam dat niet met de overdrager en de overnemer is
verbonden, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij
het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
5. Ten aanzien van een fonds voor gemene rekening zijn de
voorgaande leden van overeenkomstige toepassing in geval van overgang
van bezittingen van dat fonds.
6. Voor de toepassing van dit artikel worden met aandelen
gelijkgesteld winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid of
lidmaatschapsrechten.
7. De in het tweede lid bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken
ter verzekering van de heffing en de invordering van belasting die
verschuldigd zou zijn of zou worden indien het tweede of het vijfde
lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen voorwaarden worden
gesteld die betrekking hebben op het bepalen van de in een jaar
genoten winst, de toelaatbare reserves, de verrekening van verliezen,
de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van
buitenlandse resultaten, de toepassing van de innovatiebox, de
toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten, de toepassing van de deelnemingsverrekening of de
toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en
kunnen voorwaarden worden gesteld indien de waarde in het economische
verkeer van de overgedragen vermogensbestanddelen op het tijdstip van
de bedrijfsfusie lager is dan de boekwaarde van deze
vermogensbestanddelen.
8. De overdrager die zekerheid wenst omtrent de vraag of de
bedrijfsfusie niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op
het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de overdracht
een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar
vatbare beschikking beslist.
9. De overdrager of de overnemer die voorafgaande aan een
voorgenomen vervreemding van aandelen als bedoeld in de laatste volzin
van het vierde lid, zekerheid wil hebben omtrent de vraag of,
niettegenstaande de vervreemding, aannemelijk is dat de overdracht
niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van
belastingheffing, kan een verzoek indienen bij de inspecteur, die
daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
Afdeling 2.7. Splitsing en juridische fusie
Artikel 14a
1. Indien vermogen van een belastingplichtige onder algemene titel
in het kader van een splitsing overgaat (de splitsende rechtspersoon),
wordt:
a. indien de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan: de
splitsende rechtspersoon geacht zijn vermogensbestanddelen ten
tijde van de splitsing te hebben overgedragen aan de
rechtspersonen waarop deze vermogensbestanddelen onder algemene
titel overgaan (verkrijgende rechtspersonen) en ten tijde van de
splitsing te zijn opgehouden uit zijn onderneming in Nederland
belastbare winst te genieten;
b. indien de splitsende rechtspersoon blijft bestaan: de
splitsende rechtspersoon geacht de vermogensbestanddelen die in
het kader van de splitsing overgaan, ten tijde van de splitsing te
hebben overgedragen aan de rechtspersoon of rechtspersonen waarop
deze vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan
(verkrijgende rechtspersoon respectievelijk verkrijgende
rechtspersonen).
2. De winst behaald als gevolg van het eerste lid behoeft niet in
aanmerking te worden genomen, mits voor het bepalen van de winst bij
de splitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersonen dezelfde
bepalingen van toepassing zijn, noch bij de splitsende rechtspersoon
indien deze ophoudt te bestaan noch bij de verkrijgende rechtspersoon
aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet
van artikel 20, op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting
ter zake van buitenlandse resultaten, op toepassing van de
innovatiebox, op toepassing van de objectvrijstelling voor
buitenlandse ondernemingswinsten, op toepassing van de
deelnemingsverrekening of op toepassing van de verrekening bij
buitenlandse ondernemingswinsten en latere heffing is verzekerd.
Indien de winst buiten aanmerking blijft, treedt de verkrijgende
rechtspersoon met betrekking tot al hetgeen in het kader van de
splitsing is verkregen in de plaats van de splitsende rechtspersoon.
3. Ingeval niet is voldaan aan de in het tweede lid, eerste volzin,
bedoelde vereisten, kan onze Minister, op een gezamenlijk voor de
splitsing gedaan verzoek van de splitsende rechtspersoon en de
verkrijgende rechtspersonen, onder door hem te stellen voorwaarden de
inspecteur belast met de aanslagregeling van de splitsende
rechtspersoon toestaan de winst behaald als gevolg van het eerste lid
geheel of ten dele buiten aanmerking te laten. Daarbij treedt de
verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot al hetgeen in het kader
van de splitsing is verkregen, voorzover daaraan geen voorwaarden zijn
gesteld, in de plaats van de splitsende rechtspersoon. De inspecteur
beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de
in de eerste volzin bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.
4. Indien de winst niet in aanmerking wordt genomen en de
verkrijgende rechtspersoon aandelen uitreikt aan de splitsende
rechtspersoon wordt, indien de uitgereikte aandelen een deelneming
vormen, het voor die aandelen opgeofferde bedrag gesteld op de fiscale
boekwaarde van het vermogen dat in het kader van de splitsing overgaat
verminderd met de daarin begrepen reserves als bedoeld in de artikelen
3.53 en 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
5. De in het derde lid bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken
ter verzekering van de heffing en de invordering van belasting welke
verschuldigd zou zijn of zou worden indien de eerste volzin van het
derde lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen voorwaarden
worden gesteld die betrekking hebben op het bepalen van de in een jaar
genoten winst van de verkrijgende rechtspersoon, de toelaatbare
reserves, de verrekening van verliezen, de vermindering ter voorkoming
van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, de
toepassing van de innovatiebox, de toepassing van de
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, de
toepassing van de deelnemingsverrekening of de toepassing van de
verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en kunnen voorwaarden
worden gesteld indien de waarde in het economisch verkeer van de
vermogensbestanddelen die onder algemene titel overgaan op het
tijdstip van de overgang lager is dan de boekwaarde van deze
vermogensbestanddelen.
6. Het tweede lid, respectievelijk het derde lid, eerste volzin, is
niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht
op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing wordt,
tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende
mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing
indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke
overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve
werkzaamheden van de splitsende- en de verkrijgende rechtspersonen.
Indien aandelen in de gesplitste rechtspersoon, dan wel in een
verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing geheel of
ten dele, direct of indirect worden vervreemd aan een lichaam dat niet
met de gesplitste rechtspersoon en met de verkrijgende rechtspersonen
is verbonden, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht,
tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
7. De verkrijgende rechtspersoon wordt ten tijde van de splitsing
als een met de belastingplichtige verbonden lichaam aangemerkt.
8. De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de
vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn
gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing kan voor de
splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor
bezwaar vatbare beschikking beslist.
9. De gesplitste rechtspersoon of de verkrijgende rechtspersoon die
voorafgaande aan een voorgenomen vervreemding van aandelen als bedoeld
in het zesde lid, laatste volzin, zekerheid wil hebben omtrent de
vraag of, niettegenstaande de vervreemding, aannemelijk is dat de
splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of
uitstellen van belastingheffing, kan een verzoek indienen bij de
inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
10. Voor de toepassing van dit artikel worden met aandelen gelijk
gesteld winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en
lidmaatschapsrechten.
11. Het tweede tot en met het tiende lid vinden slechts toepassing
indien de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen in Nederland
zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.55, vijfde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese
Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
12. Renten en kosten ter zake van schulden die voortvloeien uit een
overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst,
waarbij rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst
en die verband houden met de verwerving van een belang in een lichaam
(overnameschulden), komen in gevallen waarbij na de splitsing zowel de
overnameschuld als het vermogen van het lichaam waarin een belang is
verworven deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van eenzelfde
lichaam, slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van het lichaam
dat de schuld heeft opgenomen zou hebben belopen indien de splitsing
niet zou hebben plaatsgevonden.
13. Voor de toepassing van het twaalfde lid is artikel 15ad, tweede
tot en met tiende lid, van overeenkomstige toepassing.
14. Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot renten van schulden welke verband houden met de
verwerving van aandelen die in het kader van de splitsing zijn
uitgegeven dan wel met terugbetaling op aandelen in het kader van de
splitsing.
Artikel 14b
1. Indien vermogen van een belastingplichtige onder algemene titel
in het kader van een fusie overgaat (de verdwijnende rechtspersoon),
wordt de verdwijnende rechtspersoon geacht zijn vermogensbestanddelen
ten tijde van de fusie te hebben overgedragen aan de rechtspersoon
waarop deze vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan
(verkrijgende rechtspersoon) en ten tijde van de fusie te zijn
opgehouden uit de onderneming in Nederland belastbare winst te
genieten.
2. De winst behaald als gevolg van het eerste lid behoeft niet in
aanmerking te worden genomen, mits voor het bepalen van de winst bij
de verdwijnende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon
dezelfde bepalingen van toepassing zijn, bij geen van deze
rechtspersonen aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van
verliezen op de voet van artikel 20, op vermindering ter voorkoming
van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, op
toepassing van de innovatiebox, op toepassing van de
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, op
toepassing van de deelnemingsverrekening of op toepassing van de
verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en latere heffing is
verzekerd. Indien de winst buiten aanmerking blijft, treedt de
verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot al hetgeen in het kader
van de fusie is verkregen in de plaats van de verdwijnende
rechtspersoon.
3. Ingeval niet is voldaan aan de in het tweede lid, eerste volzin,
bedoelde vereisten, kan onze Minister, op een gezamenlijk voor de
fusie gedaan verzoek van de verdwijnende rechtspersoon en de
verkrijgende rechtspersoon, onder door hem te stellen voorwaarden de
inspecteur belast met de aanslagregeling van de verdwijnende
rechtspersoon toestaan de winst behaald als gevolg van het eerste lid
geheel of ten dele buiten aanmerking te laten. Daarbij treedt de
verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot al hetgeen in het kader
van de fusie is verkregen, voorzover daaraan geen voorwaarden zijn
gesteld, in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon. De inspecteur
beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de
in de eerste volzin bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.
4. De in het derde lid bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken
ter verzekering van de heffing en de invordering van belasting welke
verschuldigd zou zijn of zou worden indien de eerste volzin van het
derde lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen voorwaarden
worden gesteld die betrekking hebben op het bepalen van de in een jaar
genoten winst van de verkrijgende rechtspersoon, de toelaatbare
reserves, de verrekening van verliezen, de vermindering ter voorkoming
van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, de
toepassing van de innovatiebox, de toepassing van de
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, de
toepassing van de deelnemingsverrekening of de toepassing van de
verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en kunnen voorwaarden
worden gesteld indien de waarde in het economische verkeer van de
vermogensbestanddelen die onder algemene titel overgaan op het
tijdstip van de overgang lager is dan de boekwaarde van deze
vermogensbestanddelen.
5. Het tweede lid, respectievelijk het derde lid, eerste volzin, is
niet van toepassing indien de fusie in overwegende mate is gericht op
het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij
het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te
zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien
de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals
herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van
de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon.
6. De verkrijgende rechtspersoon wordt ten tijde van de fusie als
een met de belastingplichtige verbonden lichaam, aangemerkt.
7. De verdwijnende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent
de vraag of de fusie niet wordt geacht in overwegende mate te zijn
gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing kan voor de
fusie een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor
bezwaar vatbare beschikking beslist.
8. Het tweede tot en met het zevende lid vinden slechts toepassing
indien de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland
zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.55, vijfde lid, Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese
Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
9. Renten en kosten ter zake van schulden die voortvloeien uit een
overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst,
waarbij rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst
en die verband houden met de verwerving van een belang in een lichaam
(overnameschulden), komen in gevallen waarbij na de fusie zowel de
overnameschuld als het vermogen van het lichaam waarin een belang is
verworven deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van eenzelfde
lichaam, slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van het lichaam
dat de schuld heeft opgenomen zou hebben belopen indien de fusie niet
zou hebben plaatsgevonden.
10. Voor de toepassing van het negende lid is artikel 15ad, tweede
tot en met tiende lid, van overeenkomstige toepassing.
11. Het negende lid is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot renten van schulden welke verband houden met de
verwerving van aandelen die in het kader van de fusie zijn uitgegeven
dan wel met terugbetaling op aandelen in het kader van de fusie.
Afdeling 2.8. Geruisloze terugkeer uit BV
Artikel 14c
1. Indien een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid die uitsluitend natuurlijke personen als
aandeelhouder heeft, wordt ontbonden en de door de vennootschap
gedreven onderneming door de aandeelhouders wordt voortgezet, kan Onze
Minister op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en de
voortzettende aandeelhouders onder door hem nader te stellen
voorwaarden toestaan dat de winst die bij of als gevolg van de
ontbinding tot uitdrukking komt, niet in aanmerking wordt genomen. De
aandeelhouders treden met betrekking tot de vermogensbestanddelen
waarmee zij de onderneming voortzetten en die zij in het kader van de
ontbinding verkrijgen, ieder voor zijn gedeelte, in de plaats van de
belastingplichtige, behalve voorzover bij de te stellen voorwaarden
anders is bepaald.
2. Indien:
a. bij de belastingplichtige de objectvrijstelling voor
buitenlandse ondernemingswinsten, bedoeld in artikel 15e, van
toepassing is en de ontbinding zonder toepassing van het eerste
lid zou leiden tot een stakingsverlies op de voet van artikel 15i,
kan de belastingplichtige, in afwijking in zoverre van het eerste
lid, dit verlies onder nader te stellen voorwaarden in aanmerking
nemen;
b. de belastingplichtige aanspraak kan maken op voorwaartse
verrekening van verliezen, blijft de in het eerste lid bedoelde
winst slechts buiten aanmerking voor zover deze uitgaat boven die
verliezen.
Voor zover de winst, bedoeld in het eerste lid, wel in aanmerking
wordt genomen, vindt een verhoging van boekwaarden van bezittingen of
opheffing van fiscale reserves plaats.
3. Voorzover na toepassing van het tweede lid verliezen nog niet
zijn verrekend, worden deze voor 20/45 deel aangemerkt als
ondernemingsverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001 van de aandeelhouders die de onderneming
voortzetten. Een en ander voorzover aannemelijk is dat dit verlies is
geleden in de uitoefening van de onderneming die wordt voortgezet. Het
verlies wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
4. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. voorzover de vermogensbestanddelen en fiscale reserves van
de belastingplichtige niet kunnen gaan behoren tot het vermogen
waarmee de onderneming door de aandeelhouders wordt voortgezet;
b. indien de naamloze vennootschap of besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid niet in Nederland is gevestigd,
behoudens indien de vennootschap een onderneming drijft met behulp
van een in Nederland aanwezige vaste inrichting, en:
1°. het heffingsrecht over de uit die onderneming genoten
winst ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de
Belastingregeling voor het land Nederland dan wel een verdrag
ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland is
toegewezen, en
2°. de plaats van de werkelijke leiding van de
vennootschap is gelegen op de BES eilanden of in een in het
achtste lid bedoeld land of bedoelde staat.
5. Voor de toepassing van dit artikel:
a. wordt onder een aandeelhouder die voortzet verstaan een
aandeelhouder bij wie de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen, vanaf het tijdstip dat deze
vermogensbestanddelen hem aangaan, behoren tot het vermogen van
een onderneming met betrekking waartoe hij ondernemer als bedoeld
in artikel 3.4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 of
medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel
a, van die wet, is;
b. worden met aandeelhouders gelijkgesteld houders van
winstbewijzen die medegerechtigd zijn tot het vermogen van de
vennootschap.
6. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken
ter verzekering van de heffing en de invordering van de
inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting die verschuldigd
zouden zijn of zouden worden indien het eerste lid buiten toepassing
zou blijven. Voorts kunnen aan de voortzettende aandeelhouder
voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op de in een jaar
genoten winst, de toelaatbare reserves, en kunnen voorwaarden worden
gesteld indien de waarde in het economische verkeer van de
vermogensbestanddelen op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan
het voortzetten van de onderneming voor rekening van de aandeelhouders
lager is dan de boekwaarde van deze vermogensbestanddelen. Indien de
onderneming door meerdere aandeelhouders wordt voortgezet, wordt in de
voorwaarden bepaald dat de verliezen, bedoeld in het derde lid, naar
rato van het belang van een ieder in de belastingplichtige worden
toegerekend. Tevens kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking
hebben op de verdeling van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen over de voortzettende aandeelhouders en de
voortgang van de vereffening van het vermogen van de
belastingplichtige. Tenslotte kunnen voorwaarden worden gesteld met
betrekking tot de financiering van de onderneming bij aanvang van het
voortzetten door de aandeelhouder indien de vennootschap voor de
overdracht van vermogensbestanddelen waarmee de aandeelhouder de
onderneming wil voortzetten, een tegenprestatie ontvangt.
7. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt voor de ontbinding
van belastingplichtige gedaan bij de inspecteur belast met de
aanslagregeling van de belastingplichtige. De inspecteur beslist op
het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het
eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
gelijkgesteld een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal
die:
a. is opgericht naar het op de BES eilanden geldende recht dan
wel het recht van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een lidstaat van
de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met
Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting
van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die
discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor rechtspersonen die
overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als een naar
Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap of besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en
b. naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gegeven voor de beoordeling of een naar buitenlands
recht opgerichte rechtspersoon naar aard en inrichting vergelijkbaar
is met een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid.
Afdeling 2.9. Fiscale eenheid
Artikel 15
1. Ingeval een belastingplichtige (moedermaatschappij) de
juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 percent van
de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een andere
belastingplichtige (dochtermaatschappij) en dit bezit ten minste 95%
van de statutaire stemrechten in de dochtermaatschappij
vertegenwoordigt en in alle gevallen recht geeft op ten minste 95% van
de winst en ten minste 95% van het vermogen van de
dochtermaatschappij, wordt op verzoek van beide belastingplichtigen de
belasting van hen geheven alsof er één belastingplichtige is, in die
zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij
deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de
moedermaatschappij. De belasting wordt geheven bij de
moedermaatschappij. De belastingplichtigen tezamen worden in dat geval
aangemerkt als fiscale eenheid. Van een fiscale eenheid kan meer dan
één dochtermaatschappij deel uitmaken.
2. Onder een bezit als bedoeld in het eerste lid wordt mede
verstaan een middellijk bezit van aandelen, mits deze onmiddellijk
worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de
fiscale eenheid deel uitmaken.
3. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien:
a. de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven voor beide
belastingplichtigen samenvallen, met dien verstande dat een
gedeelte van een boekjaar dat ingevolge artikel 7, vierde lid, als
afzonderlijk jaar wordt aangemerkt voor de toepassing van dit
onderdeel niet als afzonderlijk tijdvak wordt aangemerkt;
b. voor het bepalen van de winst bij beide belastingplichtigen
dezelfde bepalingen van toepassing zijn of is voldaan aan de
krachtens het vierde lid, eerste volzin, gegeven regels;
c. beide belastingplichtigen in Nederland zijn gevestigd en
ingeval op een belastingplichtige de Belastingregeling voor het
Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland dan wel
een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing
is, die belastingplichtige tevens volgens die regeling
onderscheidenlijk dat verdrag geacht wordt in Nederland te zijn
gevestigd of is voldaan aan de in en krachtens het vierde lid,
tweede volzin, gestelde voorwaarden;
d. de moedermaatschappij een naamloze vennootschap, een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een
coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een
belastingplichtige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
d, is, dan wel een lichaam dat is opgericht naar het op de BES
eilanden geldende recht dan wel het recht van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten, een lidstaat van de Europese Unie of een staat in de
relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming
van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is
opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor
lichamen die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als
naar Nederlands recht opgerichte lichamen, welk lichaam voorts
naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde
naar Nederlands recht opgerichte lichamen;
e. de dochtermaatschappij een naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dan wel
een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is
opgericht naar het recht van een in onderdeel d bedoeld land,
bedoeld heffingsgebied binnen het Rijk of bedoelde staat;
f. de moedermaatschappij de aandelen in de dochtermaatschappij
niet, middellijk of onmiddellijk, als voorraad houdt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven voor de beoordeling of een naar buitenlands recht
opgericht lichaam naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een
naar Nederlands recht opgericht lichaam als bedoeld in het derde lid,
onderdelen d en e. Tevens kunnen bij algemene maatregel van bestuur
regels worden gegeven volgens welke belastingplichtigen bij wie voor
het bepalen van de winst niet dezelfde bepalingen van toepassing zijn
tezamen een fiscale eenheid kunnen vormen. Voorts kan een
belastingplichtige die op grond van de nationale wet of op grond van
de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting niet in Nederland is gevestigd maar
wel een onderneming drijft met behulp van een in Nederland aanwezige
vaste inrichting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen
voorwaarden, deel uitmaken van een fiscale eenheid voorzover het
heffingsrecht over de uit die onderneming genoten winst ingevolge de
Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het
land Nederland dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting aan Nederland is toegewezen indien:
a. de plaats van de werkelijke leiding van deze
belastingplichtige is gelegen op de BES eilanden dan wel in Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, een lidstaat van de Europese Unie of een
staat in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een
bepaling is opgenomen die discriminatie van vaste inrichtingen
verbiedt;
b. de belastingplichtige, bedoeld in onderdeel a, een naamloze
vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, dan wel een daarmee naar aard en inrichting
vergelijkbaar lichaam is; en
c. in het geval de belastingplichtige, bedoeld in onderdeel a,
als moedermaatschappij deel uitmaakt van de fiscale eenheid –
het aandelenbezit, bedoeld in het eerste lid, in de
dochtermaatschappij behoort tot het vermogen van de in Nederland
aanwezige vaste inrichting van deze moedermaatschappij.
In afwijking van het eerste lid kunnen de in de vorige volzin
bedoelde voorwaarden mede betrekking hebben op de vraag voor welk deel
de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel
uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de
moedermaatschappij.
5. De fiscale eenheid komt tot stand op een door de
belastingplichtigen in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aan te
geven tijdstip, doch niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip
waarop het verzoek is gedaan.
6. De fiscale eenheid eindigt:
a. indien niet langer aan de bij of krachtens dit artikel
gestelde vereisten wordt voldaan;
b. indien de belastingplichtige, bedoeld in het vierde lid,
tweede volzin, de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar
Nederland;
c. indien de belastingplichtige de plaats van werkelijke
leiding verplaatst naar het buitenland met achterlating van een
vaste inrichting in Nederland;
d. op gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de
dochtermaatschappij met ingang van het in het verzoek genoemde
tijdstip doch niet eerder dan met ingang van de datum van
indiening van het verzoek; met dien verstande dat indien de
fiscale eenheid ten aanzien van één of meer
dochtermaatschappijen wordt beëindigd, de fiscale eenheid
daardoor niet eveneens ten aanzien van de andere
belastingplichtigen wordt beëindigd.
7. Indien een dochtermaatschappij in de loop van haar boekjaar deel
gaat uitmaken van een fiscale eenheid en deze eenheid ten aanzien van
die dochtermaatschappij nog in hetzelfde boekjaar eindigt, wordt voor
de tussenliggende periode ten aanzien van die dochtermaatschappij
geacht geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen. De vorige
volzin is van overeenkomstige toepassing op een bestaande fiscale
eenheid die in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een
andere fiscale eenheid en nog in hetzelfde boekjaar uit laatstgenoemde
eenheid wordt ontvoegd.
8. Het verzoek bedoeld in het eerste lid en zesde lid, onderdeel d,
wordt gedaan bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de
moedermaatschappij. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
9. Ingeval de belastingplichtige bij het doen van het in het eerste
lid bedoelde verzoek reeds als moedermaatschappij deel uitmaakt van
een fiscale eenheid wordt dit verzoek geacht mede te zijn gedaan
namens de andere belastingplichtigen die van die fiscale eenheid deel
uitmaken.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gegeven tot verzekering van de heffing en invordering
van de belasting met het oog op de omstandigheid dat de in het eerste
lid bedoelde belastingplichtigen voor de toepassing van deze wet een
fiscale eenheid vormen. Onder die regels worden mede begrepen regels
voor:
a. de omstandigheid dat de moedermaatschappij niet alle
aandelen in de dochtermaatschappij bezit;
b. de voortzetting van een fiscale eenheid ten aanzien van een
belastingplichtige ingeval sprake is van een omstandigheid als
bedoeld in het zesde lid, onderdeel b of onderdeel c;
c. de toepassing van de artikelen 13d, achtste lid, en 15ab tot
en met 15af;
d. de berekening van de verminderingen ter voorkoming van
dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten;
e. de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten;
f. de toepassing van de innovatiebox;
g. de toepassing van de deelnemingsverrekening;
h. de toepassing van de verrekening bij buitenlandse
ondernemingswinsten.
11. Een krachtens het vierde lid, eerste volzin, en tiende lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 15aa
1. Voor de toepassing van de artikelen 15ab tot en met 15aj wordt
verstaan onder:
a. maatschappij: een belastingplichtige die deel uitmaakt van
een fiscale eenheid;
b. het voegingstijdstip: het tijdstip met ingang waarvan een
belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
c. het ontvoegingstijdstip: het tijdstip waarop een fiscale
eenheid ten aanzien van een belastingplichtige anders dan door
ontbinding en vereffening van een dochtermaatschappij wordt
beëindigd.
2. Indien zonder toepassing van artikel 3.54 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 bij de vervreemding van een goed de boekwinst
die daarbij tot uitdrukking komt ingevolge goed koopmansgebruik is
doorgeschoven naar een ander goed, wordt voor de toepassing van de
artikelen 15ab tot en met 15aj het reserveren van deze winst, alsmede
de afboeking daarvan op de aanschaffingskosten of voortbrengingskosten
van het andere goed, geacht te hebben plaatsgevonden met toepassing
van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 15ab
1. Op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
voeging van een dochtermaatschappij stelt de moedermaatschappij haar
belang, dan wel indien gelijktijdig ook andere dochtermaatschappijen
worden gevoegd, stellen de moedermaatschappij en de gelijktijdig
gevoegde dochtermaatschappijen hun belang in die dochtermaatschappij
te boek op de waarde in het economische verkeer.
2. Indien op het tijdstip van voeging van een maatschappij tot het
vermogen van die maatschappij een deelneming behoort waarvan de
onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is
besloten, of indien op het tijdstip van voeging van een maatschappij
tot het vermogen van die maatschappij een onderneming behoort waarop
het bepaalde in artikel 13e van toepassing is, komt, onverminderd het
bepaalde in de artikelen 13d en 13e, een liquidatieverlies uit hoofde
van de deelneming slechts in aftrek voorzover de winst van de fiscale
eenheid, zonder rekening te houden met dat liquidatieverlies, aan die
maatschappij is toe te rekenen.
3. Voorzover een liquidatieverlies in een jaar ingevolge het tweede
lid niet in aanmerking is genomen, wordt het achtereenvolgens in
mindering gebracht op en ten hoogste tot de positieve belastbare
bedragen van het daaraan voorafgaande jaar en de negen volgende jaren,
van:
a. de desbetreffende maatschappij, in de jaren waarin deze geen
deel uitmaakte of uitmaakt van de fiscale eenheid;
onderscheidenlijk
b. van de fiscale eenheid, voorzover de winst van de fiscale
eenheid aan die maatschappij is toe te rekenen.
4. Het in mindering brengen van liquidatieverliezen vindt plaats in
de volgorde waarin deze zijn ontstaan en de positieve belastbare
bedragen zijn ontstaan.
5. Voorzover een liquidatieverlies ingevolge het derde lid in het
voorafgaande jaar als bedoeld in dat lid op het belastbare bedrag in
mindering wordt gebracht, zal de aanslag over dat jaar worden herzien.
Over het bedrag van de herziening wordt geen belastingrente vergoed.
6. De tot het vermogen van een maatschappij behorende
schuldvorderingen op een andere maatschappij worden op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid
ten aanzien van deze maatschappijen tot stand komt door die
maatschappij gesteld op de bedrijfswaarde of, indien dat lager is, de
nominale waarde. Tevens worden op het eerstgenoemde tijdstip de
schulden van de andere maatschappij waarop de schuldvorderingen
betrekking hebben, gesteld op dezelfde waarde als waarop die
schuldvorderingen ingevolge de vorige volzin worden gesteld.
7. Het zesde lid is niet van toepassing voor zover met betrekking
tot de schuldvordering reeds een bedrag op de voet van de artikelen
13b of 13ba in aanmerking is genomen bij de maatschappij die de
schuldvordering houdt of bij een met hem verbonden lichaam als bedoeld
in artikel 10a, vierde lid.
Artikel 15ac
1. Bij het bepalen van de winst van een fiscale eenheid worden voor
de toepassing van artikel 11 tantièmes en salarissen, door een
dochtermaatschappij toegekend aan anderen dan de moedermaatschappij,
geacht als zodanig te zijn toegekend door de moedermaatschappij.
2. Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vindt bij het bepalen van de winst van een
fiscale eenheid geen toepassing, behoudens voorzover aannemelijk wordt
gemaakt dat de in dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot de winst
van de schuldenaar zouden hebben behoord indien deze geen deel zou
hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.
3. Ten aanzien van een coöperatie die als moedermaatschappij van
een fiscale eenheid deel uitmaakt vindt artikel 9, eerste lid,
onderdeel g, geen toepassing.
4. De vermindering van belasting ingevolge voorschriften ter
voorkoming van dubbele belasting wordt berekend alsof de
maatschappijen van de fiscale eenheid één belastingplichtige zijn.
5. Indien tot de winst van de fiscale eenheid winst uit een
buitenlandse onderneming of uit een in het buitenland gelegen
onroerende zaak behoort en de laatstgenoemde winst voor de toepassing
van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten tot
een hoger bedrag in aanmerking zou worden genomen dan het gezamenlijke
bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen bij afwezigheid van de
fiscale eenheid, als gevolg van het feit dat in het laatste geval
financieringskosten toerekenbaar zijn aan de buitenlandse onderneming
of de in het buitenland gelegen onroerende zaak die bij de fiscale
eenheid niet tot uitdrukking komen, wordt de objectvrijstelling voor
buitenlandse ondernemingswinsten berekend alsof deze
financieringskosten wel bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komen,
met dien verstande dat voor de toepassing van de objectvrijstelling
voor buitenlandse ondernemingswinsten ten minste in aanmerking wordt
genomen het hiervoor bedoelde gezamenlijke bedrag. Indien bij
afwezigheid van de fiscale eenheid artikel 10, eerste lid, onderdeel
d, op de financieringskosten of een deel daarvan van toepassing zou
zijn, wordt de eerste volzin toegepast alsof artikel 10, eerste lid,
onderdeel d, daarop niet van toepassing zou zijn.
6. Het vijfde lid vindt geen toepassing voorzover de
belastingplichtige aannemelijk maakt dat de in dat lid bedoelde
financieringskosten in het andere land bij de berekening van de
belastbare grondslag niet in aftrek worden toegelaten.
7. Ingeval een dochtermaatschappij geheel of ten dele is verkregen
tegen een verplichting als bedoeld in artikel 13, zesde lid, eerste
volzin, blijven de waardeveranderingen van die verplichting bij het
bepalen van de winst van de fiscale eenheid buiten aanmerking. De
eerste volzin is van overeenkomstige toepassing bij aanpassingen van
de prijs waartegen een dochtermaatschappij is verkregen als bedoeld in
artikel 13, zesde lid, tweede volzin.
Artikel 15ad
1. Renten en kosten ter zake van schulden die voortvloeien uit een
overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst,
waarbij rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst
en die rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met
de verwerving of uitbreiding door een maatschappij van een belang in
een of meer andere maatschappijen (overnameschulden), komen bij het
bepalen van de in een jaar genoten winst slechts in aftrek tot een
bedrag gelijk aan de winst van de fiscale eenheid van het jaar
berekend zonder toepassing van dit artikel maar met inachtneming van
het zevende lid, verminderd met het deel van die winst dat
toerekenbaar is aan die andere maatschappijen en vermeerderd met de
hiervoor bedoelde renten. Ingeval een in de eerste volzin bedoelde
andere maatschappij tijdens het bestaan van de fiscale eenheid is
geliquideerd, vindt dit artikel toepassing alsof die liquidatie niet
heeft plaatsgevonden.
2. De aftrekbeperking van het eerste lid is slechts van toepassing
indien het bedrag aan renten dat ingevolge dat lid niet in aftrek zou
komen meer bedraagt dan € 1 000 000 en er bij de fiscale eenheid
sprake is van een teveel aan overnamerenten.
3. De aftrekbeperking van het eerste lid is slechts van toepassing
tot het laagste van de volgende twee bedragen:
a. het bedrag aan renten dat ingevolge het eerste lid niet in
aftrek zou komen, verminderd met € 1 000 000;
b. het volgens het vierde lid berekende bedrag van het teveel
aan overnamerenten.
4. Het bedrag van het teveel aan overnamerenten, bedoeld in het
derde lid, onderdeel b, wordt gesteld op het gezamenlijke bedrag aan
in het eerste lid bedoelde renten die in het jaar zijn verschuldigd
over het bovenmatige deel van de overnameschulden met betrekking tot
de in het jaar gevoegde maatschappijen en over het bovenmatige deel
van de overnameschulden met betrekking tot de in elk van de voorgaande
jaren gevoegde maatschappijen.
5. Van een bovenmatig deel aan overnameschulden met betrekking tot
de in een bepaald jaar gevoegde maatschappijen is sprake voor zover
het gezamenlijke bedrag van de overnameschulden die verband houden met
de verwerving of uitbreiding van een belang in een of meer in
datzelfde jaar gevoegde maatschappijen bij het einde van het jaar meer
bedraagt dan een in het zesde lid aangegeven percentage van de
verkrijgingsprijs van die belangen. Daarbij worden tijdelijke mutaties
van die schulden rond het einde van het jaar genegeerd voor zover deze
plaatsvinden met het oog op de toepassing van dit artikel.
6. Het in het vijfde lid bedoelde percentage van de
verkrijgingsprijs van een belang bedraagt in het jaar van voeging 60%
en neemt vervolgens met 5%-punt per jaar af tot 25%.
7. Dit artikel is slechts van toepassing op bestanddelen van de
winst die geen deel uitmaken van winst uit een andere staat als
bedoeld in artikel 15ewaarop de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten van toepassing is en op bestanddelen van het
vermogen welke niet dienstbaar zijn aan het behalen van dergelijke
winst uit een andere staat.
8. Het bedrag aan renten dat ingevolge dit artikel niet in aftrek
komt, wordt overgebracht naar het volgende jaar en wordt in dat jaar
onderworpen aan de aftrekbeperking van dit artikel, met dien verstande
dat het tweede tot en met zesde lid daarbij buiten toepassing blijven.
9. De ingevolge de voorgaande leden berekende aftrekbeperking
blijft buiten aanmerking voor zover deze volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels samenvalt met de bij
de fiscale eenheid ingevolge artikel 13l berekende aftrekbeperking van
bovenmatige deelnemingsrente.
10. Voor de toepassing van dit artikel worden onder renten en
kosten ter zake van schulden mede begrepen kosten en resultaten ter
zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van
renterisico’s op geldleningen of van valutarisico’s op de rente
ter zake van geldleningen.
Artikel 15ae
1. Voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, vindt:
a. de verrekening van door een maatschappij voor haar
voegingstijdstip geleden verliezen (voorvoegingsverliezen) met de
belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze
winst aan die maatschappij is toe te rekenen;
b. de verrekening van een verlies van de fiscale eenheid met de
voor het voegingstijdstip van een maatschappij genoten belastbare
winst van die maatschappij plaats voorzover het verlies aan die
maatschappij is toe te rekenen;
c. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of
indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe
fiscale eenheid – de verrekening van een voor dat
voegingstijdstip geleden verlies van die bestaande fiscale eenheid
met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover
deze winst is toe te rekenen aan de maatschappijen die direct
voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale
eenheid behoorden;
d. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of
indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe
fiscale eenheid – de verrekening van een na dat voegingstijdstip
geleden verlies van de fiscale eenheid met de belastbare winst van
de bestaande fiscale eenheid plaats voorzover dit verlies is toe
te rekenen aan de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat
voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden.
2. Het eerste lid, onderdeel a, vindt geen toepassing voorzover de
winst van de fiscale eenheid betrekking heeft op vermogensbestanddelen
die door een maatschappij zijn verkregen van een andere maatschappij
die ten tijde van die verkrijging van de fiscale eenheid deel
uitmaakte en die winst op de voet van artikel 15ah, tweede lid, aan
die andere maatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid
niet ten aanzien van die andere maatschappij zou zijn beëindigd,
behoudens indien met betrekking tot die vermogensbestanddelen artikel
15ai, eerste of tweede lid, toepassing heeft gevonden.
3. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verrekening
wordt in de artikelen 20, vierde en zesde lid, en 20a voor «de
belastingplichtige» gelezen: de maatschappij, onderscheidenlijk de
bestaande fiscale eenheid die wordt uitgebreid, of de bestaande
fiscale eenheid die wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.
4. Bij de voorwaartse verrekening van verliezen van een fiscale
eenheid of voorvoegingsverliezen van de moedermaatschappij worden
voorvoegingsverliezen van dochtermaatschappijen buiten beschouwing
gelaten bij de vraag welk jaar voor de toepassing van artikel 20a,
eerste lid, als oudste jaar kwalificeert.
5. Voor de toepassing van artikel 20a, vierde lid, worden de
werkzaamheden die na het begin van het oudste jaar, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel, binnen een fiscale eenheid van de ene
maatschappij zijn overgedragen aan een andere maatschappij, gedurende
het bestaan van de fiscale eenheid tussen die maatschappijen nog in
aanmerking genomen bij de overdragende maatschappij.
Artikel 15af
1. Vanaf het tijdstip van ontvoeging van een dochtermaatschappij
worden voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, de volgende
verliezen verrekend met de door die dochtermaatschappij na dat
tijdstip genoten belastbare winst:
a. de voorvoegingsverliezen van die maatschappij; en
b. de verliezen van de fiscale eenheid die aan die
dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing indien die
maatschappij en de moedermaatschappij daarom verzoeken en voorzover
aannemelijk wordt gemaakt dat deze verliezen aan die
dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.
3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt gedaan bij de
aangifte van de moedermaatschappij over het laatste jaar waarin de
dochtermaatschappij nog deel uitmaakt van de fiscale eenheid. De
inspecteur stelt het aan de dochtermaatschappij toe te rekenen verlies
van de fiscale eenheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 20b, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking in zoverre van het eerste lid vindt geen
verrekening plaats met de belastbare winst van de ontvoegde
dochtermaatschappij voorzover die winst betrekking heeft op
vermogensbestanddelen die door die maatschappij zijn verkregen van een
andere maatschappij waarmee het ten tijde van die verkrijging van de
fiscale eenheid deel uitmaakte en die winst op de voet van artikel
15ah, tweede lid, niet aan de ontvoegde dochtermaatschappij zou zijn
toegerekend indien de fiscale eenheid niet ten aanzien van die
maatschappij zou zijn beëindigd.
5. Het vierde lid vindt geen toepassing indien met betrekking tot
de daar bedoelde vermogensbestanddelen artikel 15ai, eerste of tweede
lid, toepassing heeft gevonden.
6. Vanaf het in het eerste lid bedoelde ontvoegingstijdstip vindt
met de winst van de fiscale eenheid onderscheidenlijk de
moedermaatschappij geen verrekening plaats van de verliezen die
ingevolge dat lid worden verrekend met de belastbare winst van de
ontvoegde dochtermaatschappij.
7. Ten aanzien van een ontvoegde dochtermaatschappij die op de voet
van het eerste lid, onderdeel b, verliezen van de fiscale eenheid mag
verrekenen, wordt in artikelen 20, vierde en zesde lid, en 20a voor
«de belastingplichtige» gelezen: de maatschappij.
Artikel 15ag
1. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een moedermaatschappij worden
voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, voorvoegingsverliezen
van die moedermaatschappij niet verrekend met de door haar na dat
tijdstip genoten belastbare winst voorzover die winst betrekking heeft
op vermogensbestanddelen die door haar tijdens het bestaan van de
fiscale eenheid zijn verkregen van een dochtermaatschappij en die
winst op de voet van artikel 15ah, tweede lid, niet aan de
moedermaatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid met
die dochtermaatschappij niet zou zijn beëindigd.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien met betrekking tot
de vermogensbestanddelen artikel 15ai, eerste of tweede lid,
toepassing heeft gevonden.
Artikel 15ah
1. Voor de toepassing van de artikelen 15ab, tweede lid, 15ad
en15ae wordt onder de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de
fiscale eenheid verstaan de winst van die maatschappij berekend alsof
zij geen deel uitmaakt van de fiscale eenheid, voorzover deze winst
bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt en met inachtneming van
het tweede en derde lid.
2. Ingeval in enig jaar door een maatschappij (overnemer) een
vermogensbestanddeel is verkregen van een andere maatschappij
(overdrager) die tot de fiscale eenheid behoort:
a. wordt bij het bepalen van de aan de overnemer toe te rekenen
winst, de afschrijving op het overgedragen vermogensbestanddeel
berekend op basis van de waarde in het economische verkeer ten
tijde van de overdracht;
b. wordt bij het bepalen van de aan de overdrager toe te
rekenen winst, het verschil tussen het bedrag van de afschrijving
dat met betrekking tot het overgedragen vermogensbestanddeel
ingevolge onderdeel a bij de overnemer in aanmerking wordt genomen
en het bedrag van de afschrijving dat met betrekking tot dat
overgedragen vermogensbestanddeel bij de fiscale eenheid tot
uitdrukking komt, gerekend tot de winst van de overdrager;
c. blijven bij het bepalen van de aan de overnemer toe te
rekenen winst, buiten aanmerking de met betrekking tot het
overgedragen vermogensbestanddeel gerealiseerde stille reserves
voor zover deze ten tijde van de verkrijging reeds aanwezig waren,
en niet reeds op grond van onderdeel b aan de overdrager zijn
toegerekend;
d. wordt het bedrag dat ingevolge onderdeel c buiten aanmerking
blijft bij de bepaling van de aan de overnemer toe te rekenen
winst, toegerekend aan de overdrager.
3. Voorts worden bij het bepalen van de aan een maatschappij toe te
rekenen winst, positieve onderscheidenlijk negatieve voordelen ter
zake van rechtsverhoudingen tussen maatschappijen die van de fiscale
eenheid deel uitmaken en die niet in de winst van de fiscale eenheid
tot uitdrukking komen, in aanmerking genomen voorzover bij de
berekening van de aan de ene maatschappij toe te rekenen winst
positieve voordelen tot uitdrukking komen en ten belope van hetzelfde
bedrag bij de berekening van de aan de andere maatschappij toe te
rekenen winst negatieve voordelen staan.
4. Indien aan het voornemen tot herinvestering bedoeld in artikel
3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, gevolg is gegeven door een
andere maatschappij van de fiscale eenheid dan de maatschappij die het
bedrijfsmiddel heeft vervreemd ter zake waarvan de
herinvesteringsreserve is gevormd, wordt het bedrijfsmiddel waarin is
geherinvesteerd voor de toepassing van het tweede lid geacht te zijn
verworven door de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd
en onmiddellijk daarna te zijn overgedragen aan die andere
maatschappij.
Artikel 15ai
1. Indien in enig jaar door een maatschappij (overdrager) een
vermogensbestanddeel is overgedragen aan een andere maatschappij
(overnemer) waarvan de waarde in het economische verkeer op het moment
van de overdracht hoger was dan de boekwaarde, wordt op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip van die
overdrager of overnemer, dat vermogensbestanddeel te boek gesteld op
de waarde in het economische verkeer. Indien met betrekking tot een in
de vorige volzin bedoeld vermogensbestanddeel door de overnemer een
reserve is gevormd als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, wordt deze reserve op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaande aan het in de eerste volzin bedoelde
ontvoegingstijdstip opgenomen in de winst van de fiscale eenheid.
Indien de reserve, bedoeld in de tweede volzin, reeds is afgeboekt op
de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een vervangend
bedrijfsmiddel, wordt dat bedrijfsmiddel op het tijdstip onmiddellijk
voorafgaand aan het in de eerste volzin bedoelde ontvoegingstijdstip
te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het overgedragen
vermogensbestanddeel op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de
ontvoeging te boek gesteld op een bedrag gelijk aan de waarde in het
economische verkeer van het vermogensbestanddeel ten tijde van de
overdracht, verminderd met de afschrijving tussen het tijdstip van de
overdracht en het ontvoegingstijdstip berekend overeenkomstig artikel
15ah, tweede lid, onderdeel a, mits de belastingplichtige de hoogte
van dit bedrag aannemelijk maakt.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval:
a. de overdracht heeft plaatsgevonden in het kader van een bij
de aard en omvang van de overdrager en de overnemer passende
normale bedrijfsuitoefening;
b. sprake was van een overdracht van een onderneming of een
zelfstandig onderdeel van een onderneming, tegen uitreiking door
de overnemer van eigen aandelen, en na het tijdstip waarop de
overdracht heeft plaatsgevonden ten minste drie kalenderjaren zijn
verstreken; of
c. na het tijdstip waarop de overdracht heeft plaatsgevonden
ten minste zes kalenderjaren zijn verstreken.
4. Indien aan het voornemen tot herinvestering als bedoeld in
artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gevolg is gegeven door
een andere maatschappij van de fiscale eenheid dan de maatschappij die
het bedrijfsmiddel heeft vervreemd ter zake waarvan de
herinvesteringsreserve is gevormd, wordt het bedrijfsmiddel waarin is
geherinvesteerd voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn
verworven door de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd
en onmiddellijk daarna te zijn overgedragen aan de andere
maatschappij.
5. Voor de toepassing van artikel 3.54 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 mag de bij de fiscale eenheid aanwezige
herinvesteringsreserve worden afgeboekt op de aanschaffings- of
voortbrengingskosten van de eerstvolgende herinvestering door de
maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd terzake waarvan de
reserve is gevormd, in plaats van op die kosten van de eerstvolgende
herinvestering door een maatschappij van de fiscale eenheid.
6. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing met betrekking
tot een overgedragen vermogensbestanddeel waarop artikel 15c van
toepassing is.
Artikel 15aj
1. Herinvesteringsreserves als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 bedragen op het tijdstip onmiddellijk
voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij
niet meer dan hetgeen deze volgens het genoemde artikel 3.54 bij de
moedermaatschappij en de ontvoegde dochtermaatschappij gezamenlijk
zouden hebben belopen als de dochtermaatschappij geen deel zou hebben
uitgemaakt van de fiscale eenheid.
2. De tot het vermogen van een maatschappij behorende
schuldvorderingen op een andere maatschappij worden op het tijdstip
onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip gesteld op de
nominale waarde of, indien dat lager is, de bedrijfswaarde. Tevens
worden op het eerstgenoemde tijdstip de schulden van de andere
maatschappij waarop de schuldvorderingen betrekking hebben, gesteld op
de nominale waarde. Indien de schuldvordering op een lagere waarde dan
de nominale waarde is gesteld, blijft de toekomstige waarde-aangroei
van deze vordering bij de bepaling van de winst van de schuldeiser
buiten aanmerking, voorzover deze aantoont dat de waardedaling van de
vordering beneden de nominale waarde heeft plaatsgevonden tijdens de
periode dat beide maatschappijen deel uitmaakten van dezelfde fiscale
eenheid, of reeds eerder is teruggenomen door de werking van de
artikelen 13b, 13ba of15ab, zesde lid.
3. Indien een dochtermaatschappij in het zicht van haar liquidatie
wordt ontvoegd, worden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan
het ontvoegingstijdstip achtereenvolgens:
a. de schulden van die dochtermaatschappij gesteld op de
bedrijfswaarde als deze waarde lager is dan de nominale waarde van
de schuld, en
b. de aan de dochtermaatschappij toe te rekenen
egalisatiereserves als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en
herinvesteringsreserves als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, van dat artikel aan de winst toegevoegd.
4. De op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het
ontvoegingstijdstip bij de fiscale eenheid aanwezige reserves als
bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 worden op het ontvoegingstijdstip als volgt
over de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij verdeeld:
a. een egalisatiereserve wordt toegedeeld aan de verschillende
maatschappijen naar de mate waarin de kosten waarop de reserve
betrekking heeft, ten laste van die maatschappijen zullen komen;
b. een herinvesteringsreserve wordt toegedeeld aan de
maatschappij die het vermogensbestanddeel heeft vervreemd ter zake
waarvan de reserve is gevormd.
5. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een maatschappij treedt deze
met betrekking tot hetgeen zij na de ontvoeging voortzet in de plaats
van de fiscale eenheid, behoudens voorzover bij of krachtens deze wet
anders is bepaald.
6. De aandelen in een dochtermaatschappij worden op het
ontvoegingstijdstip teboekgesteld op het in artikel 13d, achtste lid,
vastgestelde opgeofferde bedrag.
7. Indien op het ontvoegingstijdstip van een maatschappij tot het
vermogen van die maatschappij een deelneming behoort waarvan de
onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is
besloten, en die deelneming tijdens het bestaan van de fiscale eenheid
van een andere maatschappij is verkregen, wordt op het
ontvoegingstijdstip het door die maatschappij voor de deelneming
opgeofferde bedrag niet hoger gesteld dan de waarde in het economische
verkeer van de deelneming op het tijdstip van verkrijging van de
deelneming door die maatschappij.
Artikel 15a
1. Van een centrale maatschappij en haar ledenmaatschappijen wordt,
op verzoek van al deze belastingplichtigen en ten vroegste met ingang
van het jaar waarin het verzoek is ingediend, de belasting van hen
geheven alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat de
werkzaamheden en het vermogen van de ledenmaatschappijen deel uitmaken
van de werkzaamheden en het vermogen van de centrale maatschappij. De
belasting wordt geheven bij de centrale maatschappij. De
belastingplichtigen tezamen worden in dat geval aangemerkt als fiscale
eenheid.
2. Het eerste lid vindt slechts toepassing zo lang:
a. de werkzaamheden van de ledenmaatschappijen plaatsvinden
onder leiding van de centrale maatschappij;
b. de werkzaamheden van de maatschappijen elkaar over en weer
aangaan, met dien verstande dat de maatschappijen in ieder geval
onderling instaan voor elkaars schulden;
c. winstuitdelingen aan de leden van de ledenmaatschappijen
plaatsvinden naar een gelijke maatstaf;
d. de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven voor de
maatschappijen samenvallen;
e. de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn
vervuld.
3. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking, waarin de in het tweede lid, onderdeel e, bedoelde
voorwaarden zijn opgenomen.
4. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval voor het bepalen
van de winst niet bij de maatschappijen dezelfde bepalingen –
uitgezonderd artikel 9, eerste lid, onderdeel g – van toepassing
zijn, tenzij Onze Minister anders bepaalt.
5. De in het tweede lid, onderdeel e, bedoelde voorwaarden kunnen
strekken tot de verzekering van de heffing en invordering van de
belasting met het oog op de omstandigheid dat de in het eerste lid
bedoelde belastingplichtigen voor de toepassing van deze wet een
fiscale eenheid vormen alsmede met het oog op de totstandkoming en
beëindiging van de fiscale eenheid. Onder die voorwaarden worden mede
begrepen voorwaarden die betrekking kunnen hebben op het bepalen van
de in een jaar genoten winst, de toelaatbare reserves, de verrekening
van verliezen, de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting
ter zake van buitenlandse resultaten en de inhoud en wijziging van de
statuten van de maatschappijen alsmede de overdracht en beëindiging
van lidmaatschapsrechten in de centrale maatschappij.
6. Indien de ledenmaatschappijen deel uitmaken van een fiscale
eenheid met een centrale maatschappij vindt met betrekking tot die
centrale maatschappij artikel 9, eerste lid, onderdeel g, geen
toepassing.
7. Artikel 15, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
8. Dit artikel verstaat onder:
a. centrale maatschappij: een in Nederland gevestigde
coöperatie waarvan de leden uitsluitend zijn in Nederland
gevestigde coöperaties;
b. ledenmaatschappijen: de leden van een centrale maatschappij.
9. Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing op
onderlinge waarborgmaatschappijen.
10. Het bepaalde in artikel 15ac, vijfde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 15b [Vervallen per 01-12-2005]
Afdeling 2.10. Eindafrekening
Artikel 15c
1. Indien een belastingplichtige voor de toepassing van deze wet of
een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting dan wel de
Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het
land Nederland niet meer wordt aangemerkt als inwoner van Nederland,
worden de bestanddelen van zijn vermogen waarvan de voordelen
dientengevolge niet meer begrepen worden in de belastbare winst, op
het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ophouden van het
hiervoor bedoelde inwonerschap geacht te zijn vervreemd tegen de
waarde in het economische verkeer.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de vermogensbestanddelen die bij een fiscale eenheid afkomstig
zijn van een dochtermaatschappij indien zich ten aanzien van die
dochtermaatschappij een omstandigheid voordoet als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 15d
Voordelen die niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zijn
genomen, worden gerekend tot de winst van het jaar waarin de
belastingplichtige ophoudt in Nederland belastbare winst te genieten. In
dat geval worden de bestanddelen van zijn vermogen voor de toepassing
van de desinvesteringsbijtelling geacht te zijn vervreemd tegen de
waarde in het economische verkeer.
Afdeling 2.10a. Objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten
Artikel 15e
1. Bij de belastingplichtige met winst uit een andere staat wordt
de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de
winst uit die staat (objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten).
2. Onder winst uit een andere staat wordt verstaan:
a. voor zover in de relatie tot de andere staat een verdrag van
kracht is dat, of een regeling is getroffen die, voorziet in een
regeling voor de heffing over de bestanddelen van de winst van de
belastingplichtige: het gezamenlijke bedrag van:
1°. de winst die toerekenbaar is aan een buitenlandse
onderneming in die staat, zijnde een onderneming die, of een
gedeelte van een onderneming dat, wordt gedreven met behulp
van een vaste inrichting binnen het gebied van die staat;
2°. de in de winst begrepen opbrengsten, verminderd met de
daarmee verband houdende kosten, uit de in die staat gelegen
onroerende zaken, en
3°. de in de winst begrepen overige voordelen, verminderd
met de daarmee verband houdende kosten, uit die staat die op
grond van dat verdrag, onderscheidenlijk die regeling, ter
heffing aan die staat zijn toegewezen;
voor zover Nederland op grond van dat verdrag,
onderscheidenlijk die regeling, voor de winst uit een dergelijke
onderneming, voor de opbrengsten uit dergelijke onroerende zaken
en voor dergelijke overige voordelen, zo deze winsten, opbrengsten
en voordelen positief zouden zijn, een vrijstelling ter voorkoming
van dubbele belasting dient te verlenen;
b. voor zover in de relatie tot de andere staat niet een
verdrag als bedoeld in onderdeel a van kracht is en niet een
regeling als bedoeld in onderdeel a is getroffen: het gezamenlijke
bedrag van:
1°. de in die staat behaalde winst uit buitenlandse
onderneming, zijnde een onderneming die, of een gedeelte van
een onderneming dat, wordt gedreven met behulp van een vaste
inrichting als bedoeld in artikel 15fbinnen het gebied van die
staat;
2°. de in de winst begrepen opbrengsten, verminderd met de
daarmee verband houdende kosten, uit binnen het gebied van de
andere staat gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen
rechten die direct of indirect betrekking hebben op dergelijke
onroerende zaken, en
3°. de in de winst begrepen opbrengsten, verminderd met de
daarmee verband houdende kosten, uit rechten op aandelen in de
winst van een onderneming waarvan de leiding in de andere
staat is gevestigd voor zover deze rechten niet opkomen uit
effectenbezit.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden mede
als buitenlandse onderneming beschouwd werkzaamheden die gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen in, op of boven het
winningsgebied van de andere staat worden verricht. Het winningsgebied
van een andere staat bestaat uit de territoriale zee van die staat
alsmede het buiten de territoriale zee gelegen deel van de zeebodem en
de ondergrond daarvan, voor zover de andere staat daar op grond van
het internationale recht soevereine rechten kan uitoefenen.
4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt onder
het gebied van een andere staat verstaan: het grondgebied van die
staat, daaronder begrepen het gebied buiten de territoriale zee van
die staat voor zover deze daar in overeenstemming met het
internationale recht soevereine rechten kan uitoefenen.
5. Inkomen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het
internationale verkeer wordt voor de toepassing van het tweede lid,
onderdeel b, alleen als winst uit buitenlandse onderneming in
aanmerking genomen voor zover dat inkomen in de staat waar de vaste
inrichting is gelegen in een belastingheffing naar de winst wordt
betrokken.
6. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden bij
het bepalen van de winst uit een buitenlandse onderneming aan die
buitenlandse onderneming de voordelen toegerekend die deze geacht zou
worden te behalen – in het bijzonder bij haar handelen met andere
onderdelen van de onderneming – indien zij een zelfstandige en
onafhankelijke onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke
werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke
omstandigheden, hierbij in aanmerking nemende de door de
belastingplichtige door middel van de buitenlandse onderneming en
andere delen van de onderneming uitgeoefende functies, gebruikte
activa en gelopen risico’s.
7. De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
vindt geen toepassing op de winst uit een laagbelaste buitenlandse
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 15g, tenzij zodanige
winst op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting in
Nederland voor een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting
in aanmerking komt.
8. De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
vindt geen toepassing ten aanzien van een belastingplichtige die als
beleggingsinstelling is aangemerkt.
9. Voor de toepassing van de artikelen 8, 10 en 13b wordt onder
regeling ter voorkoming van dubbele belasting mede verstaan de
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, bedoeld in
dit artikel.
Artikel 15f
1. Voor de toepassing van artikel 15e, tweede lid, onderdeel b,
wordt onder vaste inrichting verstaan een vaste bedrijfsinrichting met
behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of
gedeeltelijk worden uitgeoefend. De plaats van uitvoering van een
bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden is slechts
dan een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden
overschrijdt.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt niet als een
vaste inrichting beschouwd:
a. het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag,
uitstalling of aflevering van aan de belastingplichtige
toebehorende goederen of koopwaar;
b. het aanhouden van een voorraad van aan de belastingplichtige
toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag,
uitstalling of aflevering;
c. het aanhouden van een voorraad van aan de belastingplichtige
toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of
verwerking door een ander;
d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend
om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of
inlichtingen in te winnen;
e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend
om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen
die van voorbereidende aard is of het karakter van
hulpwerkzaamheid heeft;
f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend
voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e
genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van
de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit
van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid
heeft.
3. Indien een persoon of lichaam – niet zijnde een onafhankelijke
vertegenwoordiger in de zin van het vierde lid – voor een
belastingplichtige werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de
belastingplichtige overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een
andere staat gewoonlijk uitoefent, heeft die belastingplichtige voor
de toepassing van artikel 15e, tweede lid, onderdeel b, een vaste
inrichting in die andere staat met betrekking tot de werkzaamheden die
de persoon of het lichaam voor die belastingplichtige verricht. De
vorige volzin is niet van toepassing indien de werkzaamheden van de
persoon of het lichaam beperkt blijven tot werkzaamheden als bedoeld
in het tweede lid die, indien zij zouden worden uitgeoefend met behulp
van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op
grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting
zouden maken.
4. Een belastingplichtige heeft geen vaste inrichting in een andere
staat alleen op grond van de omstandigheid dat hij in die staat zaken
doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere
onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze vertegenwoordiger in de
normale uitoefening van zijn bedrijf handelt.
Artikel 15g
1. Voor de toepassing van artikel 15e, zevende lid, is een
buitenlandse onderneming een laagbelaste buitenlandse
beleggingsonderneming indien:
a. de werkzaamheden van de buitenlandse onderneming tezamen met
de werkzaamheden van de lichamen waarin de belastingplichtige,
onmiddellijk dan wel middellijk, een belang van 5% of meer heeft
dat toerekenbaar is aan de buitenlandse onderneming, grotendeels
bestaan uit beleggen of het direct of indirect financieren van de
belastingplichtige of met de belastingplichtige verbonden
lichamen, dan wel van bedrijfsmiddelen die door de
belastingplichtige of met de belastingplichtige verbonden lichamen
worden gebruikt, daaronder begrepen het ter beschikking stellen
van het gebruik of het gebruiksrecht daarvan, en
b. de winst uit de buitenlandse onderneming in de staat waarin
deze is behaald niet is onderworpen aan een belasting naar de
winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële
heffing.
2. Van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is
geen sprake voor zover:
a. de werkzaamheden ingevolge bij ministeriële regeling te
stellen regels kunnen worden aangemerkt als actieve financierings-
of terbeschikkingstellingswerkzaamheden, of
b. de werkzaamheden bestaan uit het houden van onroerende zaken
– daaronder mede begrepen rechten die direct of indirect
betrekking hebben op onroerende zaken – die niet in het bezit
zijn van een lichaam dat is aangemerkt als beleggingsinstelling of
vrijgestelde beleggingsinstelling.
Artikel 15h
1. Ingeval in een jaar het gezamenlijke bedrag aan winst uit
buitenlandse onderneming waarop ingevolge artikel 15e, zevende lid, de
objectvrijstelling voor buitenlandse-ondernemingswinsten geen
toepassing vindt, positief is, wordt, ter verrekening van op die winst
drukkende buitenlandse winstbelasting, op de door de
belastingplichtige verschuldigde vennootschapsbelasting van dat jaar
een vermindering verleend volgens artikel 23d (verrekening bij
buitenlandse ondernemingswinsten).
2. Ingeval in een jaar het gezamenlijke bedrag aan winst uit
buitenlandse onderneming waarop ingevolge artikel 15e, zevende lid, de
objectvrijstelling voor buitenlandse-ondernemingswinsten geen
toepassing vindt, negatief is, wordt de winst van dat jaar verminderd
met een bedrag ter grootte van 5/H deel van dat bedrag. Daarbij staat
H voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22,
geldend aan het einde van het jaar.
3. Dit artikel vindt geen toepassing ingeval de belastingplichtige
voor de winst uit de laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming in
het buitenland is vrijgesteld van een belasting naar de winst, of
aldaar is onderworpen aan een belasting naar de winst die niet
resulteert in een daadwerkelijke heffing.
4. Dit artikel vindt geen toepassing ten aanzien van een
belastingplichtige die als beleggingsinstelling is aangemerkt.
Artikel 15i
1. Ingeval de belastingplichtige ophoudt winst uit een andere staat
te genieten, vindt de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten geen toepassing met betrekking tot het op de voet
van dit artikel berekende verlies uit die staat (stakingsverlies).
2. Van een stakingsverlies uit een staat is sprake ingeval de op de
voet vanartikel 15e in aanmerking genomen bedragen aan winst uit die
staat per saldo hebben geleid tot een negatief bedrag, doch voor zover
ter zake van dit negatieve saldo in die andere staat generlei
tegemoetkoming bij de belastingheffing is verleend.
3. Het stakingsverlies wordt niet in aanmerking genomen voor zover
een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam
in die andere staat recht heeft op enigerlei tegemoetkoming bij de
belastingheffing ter zake van verliezen die deel uitmaken van het
stakingsverlies.
4. Het stakingverlies komt in aftrek op het tijdstip waarop de
belastingplichtige ophoudt winst uit de andere staat te genieten:
a. mits de activiteiten van de belastingplichtige in de andere
staat niet in belangrijke mate reeds zijn of worden voortgezet
door een met de belastingplichtige verbonden lichaam, en
b. voor zover de hoogte van het in aanmerking te nemen
stakingsverlies is gebleken.
5. Ingeval de belastingplichtige binnen drie jaren na het tijdstip
waarop het stakingsverlies in aftrek is gekomen weer winst uit die
andere staat gaat genieten, wordt een bedrag ter grootte van het in
aftrek gekomen verlies aan de winst toegevoegd.
6. De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten is
niet van toepassing op de toevoeging aan de winst, bedoeld in het
vijfde lid. Het bedrag dat aan de winst is toegevoegd, wordt voor de
toepassing van het tweede lid aangemerkt als een negatief bedrag aan
winst uit de andere staat dat op de voet van artikel 15e in aanmerking
is genomen.
7. Het saldo van de positieve en negatieve bedragen aan winst uit
een andere staat wordt op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar
vatbare beschikking vastgesteld, mits de belastingplichtige een
berekening heeft overgelegd waarop naar zijn oordeel het saldo zou
moeten worden vastgesteld. Indien het saldo op een onjuist bedrag is
vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking bij voor bezwaar vatbare
beschikking herzien. De bevoegdheid tot herziening vervalt door
verloop van vijf jaren na de vaststelling van de beschikking.
Artikel 15j
1. Indien de belastingplichtige ophoudt winst uit een andere staat
te genieten en de activiteiten die tot die winst hebben geleid in
belangrijke mate reeds zijn of worden voortgezet door een met de
belastingplichtige verbonden lichaam, wordt het saldo van de positieve
en de negatieve bedragen aan winst uit die andere staat dat bij de
belastingplichtige in aanmerking is genomen op de voet van artikel
15e, doorgeschoven naar het verbonden lichaam dat de activiteiten
voortzet en bij dat lichaam aangemerkt als bestanddelen die door dat
lichaam op de voet van artikel 15e in aanmerking zijn genomen. Ingeval
de activiteiten door meer dan een met de belastingplichtige verbonden
lichaam zijn of worden voortgezet, vindt de eerste volzin naar
evenredigheid toepassing.
2. Een voortzetting wordt niet aanwezig geacht in geval van een
voortzetting in het zicht van staking. De doorschuiving op de voet van
het eerste lid vindt dan geen toepassing. Van voortzetting in het
zicht van staking is sprake ingeval de voortgezette activiteiten
binnen drie jaar na de aanvang van de voortzetting worden gestaakt,
tenzij het verbonden lichaam aannemelijk maakt dat de staking
plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen die zijn opgekomen na
de aanvang van de voortzetting.
3. Op een door de belastingplichtige en het voortzettende lichaam
gezamenlijk gedaan verzoek wordt door de inspecteur belast met de
aanslagregeling van de belastingplichtige het doorgeschoven saldo bij
voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Indien het saldo op een
onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking bij
voor bezwaar vatbare beschikking herzien. De bevoegdheid tot
herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de vaststelling van
de beschikking.
Afdeling 2.11. Aftrekbare giften
Artikel 16
1. Aftrekbare giften zijn de in het jaar gedane en met
schriftelijke bescheiden gestaafde giften aan algemeen nut beogende
instellingen en steunstichtingen SBBI. De aftrek bedraagt ten hoogste
50 percent van de winst met een maximum van € 100 000.
2. Als giften worden aangemerkt bevoordelingen uit vrijgevigheid en
al dan niet verplichte bijdragen, voor zover daardoor geen op geld
waardeerbare aanspraken ontstaan.
3. De aftrek, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met 50
percent van het bedrag van de giften die zijn gedaan aan een culturele
instelling, doch ten hoogste met€ 2500.
Hoofdstuk III. Voorwerp van de belasting bij buitenlandse
belastingplichtigen
Artikel 17
1. Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de
belasting geheven naar het belastbare Nederlandse bedrag; artikel 7,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een jaar genoten
Nederlandse inkomen verminderd met de op de voet van Hoofdstuk IV te
verrekenen verliezen uit Nederlands inkomen; artikel 7, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:
a. de belastbare winst uit een in Nederland gedreven
onderneming, zijnde het bedrag van de gezamenlijke voordelen die
worden verkregen uit een onderneming die, of een gedeelte van een
onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting
in Nederland of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland
(Nederlandse onderneming);
b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin
van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in
Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde
beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het
aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de
voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of
dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk
belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming;
c. de belastbare winst van een op Aruba, Curaçao of Sint
Maarten gevestigd lichaam voor zover die wordt behaald uit een op
de BES eilanden gedreven onderneming met behulp van een vaste
inrichting of een vaste vertegenwoordiger op de BES eilanden en
die vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op basis van
artikel 5.2 van de Belastingwet BES voor de toepassing van de
opbrengstbelasting als bedoeld in hoofdstuk V van de Belastingwet
BES niet op de BES eilanden maar in Nederland zou zijn gevestigd
indien de vaste inrichting een lichaam zou zijn geweest of de
activiteiten van de vaste vertegenwoordiger in een lichaam zouden
zijn ondergebracht.
4. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, is afdeling
4.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het derde lid, onderdeel b, wordt, indien het
aanmerkelijk belang wordt gehouden om de heffing van alleen
dividendbelasting te ontgaan, het in aanmerking te nemen belastbare
inkomen uit dat aanmerkelijk belang gesteld op 15/H gedeelte van de
ontvangen opbrengst, bedoeld in de Wet op de dividendbelasting 1965,
uit dat belang. Daarbij staat H voor het percentage van het hoogste
tarief, bedoeld in artikel 22, geldend voor het jaar waarin het
voordeel is genoten.
Artikel 17a
Tot een Nederlandse onderneming worden gerekend:
a. in Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen:
1°. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in
Nederland gelegen onroerende zaken en
2°. rechten die samenhangen met de exploratie en de
exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen
waaronder ook wordt gerekend de opwekking van energie uit het
water, de stromen en de winden, of rechten waaraan deze zijn
onderworpen;
b. rechten op aandelen in de winst of de medegerechtigdheid tot
het vermogen van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is
gevestigd voorzover zij niet opkomen uit effectenbezit;
c. schuldvorderingen op een in Nederland gevestigde vennootschap
indien de gerechtigde tot de schuldvordering een aanmerkelijk belang
als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, in de
vennootschap heeft;
d. werkzaamheden die worden verricht als bestuurder of
commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen alsmede leidende werkzaamheden
en functies die worden verricht voor een zodanig lichaam, ook indien
de bevoegdheid is beperkt tot buiten Nederland gelegen gedeelten van
de onderneming van dat lichaam;
e. werkzaamheden die gedurende een aaneengesloten periode van
tenminste 30 dagen in, op of boven het Noordzeewinningsgebied worden
verricht. Het Noordzeewinningsgebied bestaat uit de territoriale zee
van Nederland alsmede het buiten de territoriale zee onder de
Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan,
voorzover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het
internationale recht rechten mag uitoefenen, en
f. werkzaamheden als bedoeld in onderdeel e, indien deze na een
onderbreking worden voortgezet door het lichaam dat deze
werkzaamheden heeft verricht, of onmiddellijk of na een onderbreking
worden voortgezet door een met dat lichaam verbonden lichaam en de
duur van deze werkzaamheden in een tijdvak van 12 maanden een
periode van ten minste 30 dagen bedraagt. In dat geval wordt ieder
van deze lichamen geacht te hebben voldaan aan de in dat onderdeel
gestelde voorwaarde van 30 dagen.
Artikel 18
1. De belastbare winst uit onderneming wordt opgevat en bepaald op
de voet van artikel 8, eerste tot en met het achtste, elfde en
dertiende lid, alsmede de artikelen 8b tot en met 15aj en artikel 15d.
2. Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt opgevat en
berekend volgens de regels van hoofdstuk 4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel 19
Indien in het land waar de onderneming is gevestigd een
overeenkomstig standpunt wordt ingenomen, wordt niet als het drijven van
een binnenlandse onderneming door een niet in Nederland gevestigd
lichaam aangemerkt:
a. het vervoer te water of door de lucht van personen en zaken
tussen plaatsen buiten Nederland en plaatsen in Nederland, dan wel
tussen plaatsen buiten Nederland onderling, tenzij de leiding van de
onderneming in Nederland gevestigd is;
b. het exploiteren van baanvakken van spoor- en tramlijnen tussen
de grens en het naastbij de grens gelegen station.
Hoofdstuk IV. Verrekening van verliezen
Artikel 20
1. Indien de berekening van de belastbare winst of van het
Nederlandse inkomen leidt tot een negatief bedrag, wordt dit
aangemerkt als een verlies.
2. Een verlies wordt verrekend met de belastbare winsten,
onderscheidenlijk de Nederlandse inkomens, van het voorafgaande jaar
en de negen volgende jaren, mits het verlies door de inspecteur is
vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. In afwijking van het tweede lid zijn de verliezen geleden in een
periode waarin een belastingplichtige als beleggingsinstelling is
aangemerkt (statusperiode), niet verrekenbaar met de belastbare
winsten, onderscheidenlijk Nederlandse inkomens, die buiten de
statusperiode zijn genoten, en zijn verliezen die buiten de
statusperiode zijn geleden niet verrekenbaar met de winsten,
onderscheidenlijk Nederlandse inkomens, die binnen de statusperiode
zijn genoten.
4. Indien de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige
gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het
direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen, is in
afwijking van het tweede lid het verlies van dat jaar slechts
verrekenbaar met de belastbare winsten, onderscheidenlijk de
Nederlandse inkomens, van jaren waarin:
a. de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige
eveneens gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van
deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem
verbonden lichamen, en
b. de boekwaarde van de vorderingen op met de
belastingplichtige verbonden lichamen verminderd met de boekwaarde
van de schulden aan zodanige lichamen gedurende het gehele of
nagenoeg het gehele jaar niet uitgaat boven de boekwaarde van
soortgelijke vorderingen verminderd met de boekwaarde van
soortgelijke schulden aan het einde van het jaar waarin het
verlies is geleden.
5. De in het vierde lid, onderdeel b, opgenomen voorwaarde blijft
buiten toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat
de wijziging van het in dat onderdeel bedoelde saldo niet in
overwegende mate is gericht op verruiming van verliesverrekening.
6. De feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige, bedoeld in
het vierde lid, wordt in ieder geval geacht niet uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend te bestaan uit het houden van deelnemingen of het
direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen indien
ten minste 25 werknemers, berekend op basis van volledige werktijd,
andere dan de genoemde werkzaamheden uitoefenen.
7. De verrekening geschiedt in de volgorde waarin de verliezen zijn
ontstaan en de belastbare winsten zijn gemaakt of de Nederlandse
inkomens zijn genoten.
8. De in het tweede lid genoemde termijn voor de achterwaartse
verliesverrekening wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens
gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen ontheffing is
verleend als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel b,
van de Wet financiering sociale verzekeringen, en hij daarvoor bij de
aangifte kiest, voor in het negende lid bedoelde verliezen vervangen
door drie jaar.
9. Het achtste lid is van toepassing op verliezen die zijn toe te
rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die
andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de
bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de
belastingplichtige, plegen te verzekeren.
Artikel 20a
1. Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het
oudste jaar waarvan een verlies nog niet volledig is verrekend, het
uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is
gewijzigd, zijn de verliezen geleden voor het tijdstip waarop de
wijziging heeft plaatsgevonden, in afwijking in zoverre van artikel
20, niet meer voorwaarts verrekenbaar. Daarbij worden de vóór het
tijdstip van de in de eerste volzin bedoelde wijziging genoten winst
na giftenaftrek van het jaar waarin die wijziging heeft plaatsgevonden
en de na dat tijdstip in dat jaar genoten winst na giftenaftrek
afzonderlijk berekend. Bij een negatieve uitkomst wordt het bedrag
toegerekend aan de belastbare winst van het voorafgaande
respectievelijk het volgende jaar. Indien toerekening aan een ander
jaar niet mogelijk is omdat de belastingplicht is aangevangen met het
jaar waarin zich de wijziging heeft voorgedaan of is geëindigd bij
het einde van dat jaar, wordt het negatieve bedrag niet in aanmerking
genomen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten aanmerking
een wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige
voorzover:
a. de wijziging voortvloeit uit een overgang krachtens erfrecht
of huwelijksvermogensrecht, of
b. de wijziging betrekking heeft op een uitbreiding van het
uiteindelijke belang van een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die bij het begin van het oudste jaar, bedoeld in het eerste lid,
reeds ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in de
belastingplichtige had.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het de
belastingplichtige niet bekend is of bekend had kunnen zijn dat het
uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is
gewijzigd, mits de wijziging niet uitgaat boven hetgeen als
gebruikelijk kan worden aangemerkt.
4. Het eerste lid is voorts niet van toepassing op een verlies dat
is geleden in een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige
gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen
bestonden, mits:
a. direct voorafgaande aan de wijziging, bedoeld in het eerste
lid, de gezamenlijke omvang van de werkzaamheden van de
belastingplichtige niet is afgenomen tot minder dan 30 percent van
de gezamenlijke omvang van de werkzaamheden bij het begin van het
oudste jaar, bedoeld in het eerste lid, en
b. ten tijde van de wijziging niet het voornemen bestaat de
gezamenlijke omvang van de op dat tijdstip aanwezige werkzaamheden
binnen een periode van drie jaar alsnog te laten afnemen tot
minder dan 30 percent van de gezamenlijke omvang van de
werkzaamheden bij het begin van het oudste jaar, bedoeld in het
eerste lid.
5. Voor de toepassing van het vierde lid blijven werkzaamheden die
in samenhang met de in het eerste lid bedoelde wijziging zijn
aangevangen, buiten beschouwing.
6. Een verlies waarop het vierde lid van toepassing is, is slechts
verrekenbaar met de belastbare winst onderscheidenlijk het Nederlandse
inkomen van een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige
gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels bestaan uit
beleggingen.
7. Indien de omvangrijkste werkzaamheid van de belastingplichtige
van het oudste jaar, bedoeld in het eerste lid, in dat jaar of in
één van de drie daaraan voorafgaande jaren is aangevangen of
verworven, wordt voor de toepassing van het vierde lid voor het oudste
jaar gelezen het jaar waarvan het verlies ten tijde van de wijziging
nog niet volledig is verrekend en de omvang van de werkzaamheden het
grootst was.
8. Voor de toepassing van dit artikel:
a. worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen
alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect
ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de
belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a,
vierde lid;
b. worden, bij een belastingplichtige die een onderneming
drijft waarvan de werkzaamheden noodzakelijkerwijs meebrengen dat
gelden worden belegd die aan hem, anders dan als eigen vermogen,
zijn toevertrouwd door lichamen of natuurlijke personen die niet
met hem zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde
onderscheidenlijk vijfde lid, de beleggingen die rechtstreeks
samenhangen met die gelden niet als belegging aangemerkt.
9. Met betrekking tot de verrekening van een verlies met de
belastbare winsten, onderscheidenlijk binnenlandse inkomens uit
voorafgaande jaren vinden het eerste, tweede en derde lid
overeenkomstige toepassing, tenzij:
a. in de tussenliggende periode de werkzaamheden van de
belastingplichtige niet zijn gestaakt, noch nagenoeg geheel zijn
gestaakt, en
b. gedurende ten minste negen maanden in het jaar waarin het
verlies is geleden en in het jaar waarin de belastbare winst
onderscheidenlijk het binnenlandse inkomen is behaald waarmee het
verlies achterwaarts zou worden verrekend, de bezittingen van de
belastingplichtige niet grotendeels bestaan uit beleggingen.
Daarbij wordt voor het in het eerste lid bedoelde oudste jaar,
gelezen het oudste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin die
wijziging heeft plaatsgevonden en valt binnen de voor de
belastingplichtige geldende termijn voor de achterwaartse
verliesverrekening, bedoeld in artikel 20.
10. De belastingplichtige die zekerheid wenst over het antwoord op
de volgende vragen, kan een verzoek indienen bij de inspecteur, die
daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. De vragen
betreffen:
a. is sprake van een situatie waarin het uiteindelijke belang
in de belastingplichtige in belangrijke mate wijzigt of is
gewijzigd;
b. bestonden de bezittingen gedurende ten minste negen maanden
in het jaar waarin het verlies is geleden niet grotendeels uit
beleggingen;
c. is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid,
onderdelen a of b;
d. zijn de werkzaamheden van het lichaam gestaakt of nagenoeg
geheel gestaakt als bedoeld in het negende lid, of
e. bestonden de bezittingen gedurende ten minste negen maanden
in het jaar waarin de belastbare winst onderscheidenlijk het
binnenlandse inkomen is behaald waarmee een verlies achterwaarts
zou worden verrekend, niet grotendeels uit beleggingen.
11. Indien niet is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het
vierde lid, onderdelen a of b, maar wel aan de voorwaarde in de aanhef
van dat lid, kunnen op verzoek van de belastingplichtige verliezen
toch nog voorwaarts worden verrekend met belastbare winsten
onderscheidenlijk binnenlandse inkomens voorzover die winsten en
inkomens zijn toe te rekenen aan werkzaamheden die reeds aanwezig
waren direct voorafgaande aan de wijziging, bedoeld in het eerste lid.
12. Indien een belastingplichtige vanaf enig tijdstip als gevolg
van de toepassing van dit artikel verliezen niet meer kan verrekenen
met winsten na dat tijdstip, kan hij op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip een herinvesteringsreserve in de winst opnemen
en de boekwaarde van zijn bezittingen verhogen tot ten hoogste de
waarde in het economische verkeer, behoudens voorzover die verhoging
gepaard zou moeten gaan met een verhoging van de boekwaarde van een
verplichting.
Artikel 20b
1. De inspecteur stelt het bedrag van een verlies van een jaar vast
bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen
van de aanslag over dat jaar.
2. Het bedrag van het verlies wordt op het aanslagbiljet
afzonderlijk vermeld.
3. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het
verlies te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid
bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een
feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen
zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de
gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader
trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde en
vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
overeenkomstige toepassing.
4. De in het eerste lid bedoelde beschikking wordt herzien
voorzover de verrekening van het verlies ingevolge artikel 15af
toekomt aan een andere belastingplichtige.
5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de vaststelling dat artikel 20, vierde lid, op het verlies
van een jaar van toepassing is en de vaststelling van het in onderdeel
b van dat lid bedoelde saldo aan het einde van het jaar waarin het
verlies is geleden.
Artikel 21
1. De verrekening van een verlies met de belastbare winst,
onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, van een voorafgaand jaar
geschiedt door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare
beschikking van de inspecteur. De beschikking wordt gegeven
gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin
het verlies is ontstaan.
2. Rechtsmiddelen tegen de beschikking bedoeld in het eerste lid
kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen
20 en 20a.
3. Voorafgaand aan de vermoedelijke vaststelling van de in het
eerste lid bedoelde beschikking kan de inspecteur bij voor bezwaar
vatbare beschikking volgens door Onze Minister te stellen regelen een
voorlopige verliesverrekening verlenen tot ten hoogste het bedrag
waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een
voorlopige verliesverrekening kan door één of meer voorlopige
verliesverrekeningen worden aangevuld. Voorlopige verliesverrekeningen
worden verrekend bij de in het eerste lid bedoelde beschikking dan
wel, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de
aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige
verliesverrekening heeft geleid, is aangegeven.
Artikel 21a
1. Het bedrag van een met de belastbare winst, onderscheidenlijk
het Nederlandse inkomen, van een volgend jaar verrekend verlies wordt
door de inspecteur, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag
over dat jaar, vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Het bedrag van het verrekende verlies wordt op het aanslagbiljet
afzonderlijk vermeld.
3. Rechtsmiddelen tegen de beschikking bedoeld in het eerste lid
kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen
20 en 20a, alsmede, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de
grootte van het verrekende bedrag.
Hoofdstuk V. Tarief
Artikel 22
De belasting wordt bepaald aan de
hand van de volgende tabel.
|
Bij een
belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer
dan |
maar niet meer
dan |
bedraagt de
belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met
het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde
percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare
bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag,
dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat |
|
|
I |
II |
III |
IV |
|
– |
€ 200 000 |
– |
20% |
|
€ 200 000 |
– |
€ 40 000 |
25% |
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 23a
1. Indien in enig jaar met betrekking tot een bij een lichaam als
bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
loonbelasting 1964 verzekerde aanspraak ingevolge een pensioenregeling
of een regeling voor vervroegde uittreding, artikel 19b, eerste lid,
van die wet toepassing vindt, wordt bij dat lichaam de door hem
volgens artikel 22 verschuldigde belasting over dat jaar vermeerderd
met 52% van de waarde welke in het economische verkeer aan die
aanspraak kan worden toegekend. De vorige volzin is niet van
toepassing indien degene ten aanzien van wie vorenbedoeld artikel 19b,
eerste lid, toepassing vindt, als binnenlandse belastingplichtige aan
de inkomstenbelasting is onderworpen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot aanspraken op periodieke uitkeringen bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964.
3. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen
dat de in het eerste lid bedoelde vermeerdering geheel of gedeeltelijk
achterwege blijft.
Artikel 23b
1. Bij een aangewezen bank of beleggingsinstelling als bedoeld in
artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt in de
ingroeiperiode, bedoeld in dat artikel, voor elke maand van die
periode de volgensartikel 22 of krachtens artikel 28 verschuldigde
belasting vermeerderd met een lumpsumheffing. De lumpsumheffing wordt
berekend naar de situatie aan het eind van de maand en bedraagt 0,2 %
van het verschil tussen het van beleggers aangetrokken vermogen en
100/70 van hetgeen daarvan is aangewend ten behoeve van projecten als
bedoeld in artikel 5.14, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001.
2. Indien in enig jaar een aangewezen bank of beleggingsinstelling
als bedoeld in artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet
langer voldoet aan de voorwaarden gesteld voor die aanwijzing, wordt
bij die instelling de volgens artikel 22 of krachtens artikel 28
verschuldigde belasting over dat jaar vermeerderd met een bedrag ter
grootte van een in de volgende volzin aangegeven percentage van de
waarde in het economische verkeer van het vermogen van die instelling
op het tijdstip dat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. Het in
de eerste volzin bedoelde percentage bedraagt voor elke maand vanaf
het niet meer voldoen aan de voorwaarden tot de intrekking van de
aanwijzing 0,2.
Hoofdstuk Va. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse
ondernemingswinsten
Artikel 23c
1. De op de voet van hoofdstuk V berekende belasting wordt
verminderd wegens deelnemingsverrekening, bedoeld inartikel 13aa.
2. Het bedrag van de deelnemingsverrekening is het laagste van de
volgende bedragen:
a. 5% van het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen,
bedoeld in artikel 13aa, vijfde lid;
b. het bedrag dat tot de volgens hoofdstuk Vberekende belasting
in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de gezamenlijke
gebruteerde voordelen nadat het is verminderd met de bij de
winstbepaling van het jaar in aftrek gekomen kosten ter zake van
de beleggingsdeelnemingen niet zijnde kwalificerende
beleggingsdeelnemingen, staat tot het belastbare bedrag.
3. Voor zover het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen
bestaat uit een winstuitkering, wordt voor de toepassing van het
tweede lid, onderdeel a, ter zake van die winstuitkering op verzoek
van de belastingplichtige geen 5% in aanmerking genomen maar het
werkelijke bedrag aan winstbelasting dat daarop drukt, ingeval aan de
volgende voorwaarden is voldaan:
1°. het lichaam waarin de belastingplichtige een
beleggingsdeelneming niet zijnde een kwalificerende
beleggingsdeelneming heeft, is gevestigd in een lidstaat van de
Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en is zonder keuzemogelijkheid en zonder er van
te zijn vrijgesteld onderworpen aan de aldaar geheven belasting
naar de winst, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder iii, van
Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende
de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen
en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2011, L
345/8) of aan een andere aldaar geheven belasting naar de winst;
2°. de belastingplichtige en het lichaam waarin de
belastingplichtige een beleggingsdeelneming niet zijnde een
kwalificerende beleggingsdeelneming heeft, hebben één van de in
bijlage I, deel A, bij die richtlijn opgenomen rechtsvormen of een
rechtsvorm die vergelijkbaar is met een van de rechtsvormen die
voor Nederland zijn opgenomen in deze bijlage;
3°. de belastingplichtige en het lichaam waarin de
belastingplichtige een beleggingsdeelneming niet zijnde een
kwalificerende beleggingsdeelneming heeft, worden in de staat van
vestiging niet geacht volgens een met een andere staat gesloten
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten
van de Europese Unie en de bij ministeriële regeling aangewezen
staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte te zijn gevestigd.
4. Het werkelijke bedrag aan winstbelasting dat drukt op een
winstuitkering als bedoeld in het derde lid, betreft belasting naar de
winst waarvan de belastingplichtige aantoont dat die is toe te rekenen
aan die winstuitkering en dat die is betaald door het lichaam waarin
de belastingplichtige een beleggingsdeelneming niet zijnde een
kwalificerende beleggingsdeelneming heeft, of door lichamen waarin het
lichaam waarin de belastingplichtige een beleggingsdeelneming niet
zijnde een kwalificerende beleggingsdeelneming heeft, een belang heeft
waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1°. het lichaam waarin de belastingplichtige een
beleggingsdeelneming niet zijnde een kwalificerende
beleggingsdeelneming heeft, heeft een onmiddellijk of middellijk
belang in het lichaam waarbij het belang in elke schakel ten
minste 5% bedraagt;
2°. het lichaam is gevestigd in een lidstaat van de Europese
Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
en is zonder keuzemogelijkheid en zonder er van te zijn
vrijgesteld onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de
winst, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder iii, van Richtlijn
2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de
gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en
dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2011, L
345/8) of aan een andere aldaar geheven belasting naar de winst;
3°. het lichaam heeft één van de in bijlage I, deel A, bij
die richtlijn opgenomen rechtsvormen of een rechtsvorm die
vergelijkbaar is met een van de rechtsvormen die voor Nederland
zijn opgenomen in deze bijlage;
4°. het lichaam wordt in de staat van vestiging niet geacht
volgens een met een derde staat gesloten verdrag ter voorkoming
van dubbele belasting te zijn gevestigd buiten de Europese Unie en
de bij ministeriële regeling aangewezen staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
5. Ingeval de bedragen aan winstuitkeringen die in een jaar zijn
genoten uit hoofde van een beleggingsdeelneming niet zijnde een
kwalificerende beleggingsdeelneming die voldoet aan de voorwaarden,
bedoeld in het derde lid, in dat jaar niet of niet geheel in
aanmerking zijn genomen voor de bepaling van het bedrag van de
gezamenlijke gebruteerde voordelen van dat jaar maar in materieel
opzicht in dat van een voorafgaand jaar (voordeel is in een
voorafgaand jaar reeds belast), wordt het bedrag, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, op verzoek van belastingplichtige verhoogd
met (100-H)/100 deel van het werkelijke bedrag aan winstbelasting dat
op dat eerder belaste voordeel drukt voor zover dat bedrag uitgaat
boven 5% van het eerder belaste gebruteerde voordeel. Daarbij staat H
voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld inartikel 22,
geldend aan het einde van het jaar.
6. De vermindering ingevolge dit artikel bedraagt ten hoogste het
bedrag van de op de voet van hoofdstuk V berekende belasting,
verminderd met de verminderingen volgens de regelen ter voorkoming van
dubbele belasting.
7. Voor zover in een jaar het volgens het tweede lid, onderdeel a,
of het derde lid berekende bedrag door de toepassing van het tweede
lid, onderdeel b, of het zesde lid niet leidt tot een vermindering van
de volgens hoofdstuk V over dat jaar berekende belasting, wordt het
overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar bij de berekening
van de deelnemingsverrekening in aanmerking genomen door het toe te
voegen aan het bedrag van het tweede lid, onderdeel a. Deze
overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgende jaar
over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
8. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het
volgens het zevende lid over te brengen bedrag te hoog is vastgesteld,
kan de inspecteur de in dat lid bedoelde beschikking herzien bij voor
bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of
redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening
opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter
zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef
en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23d
1. De op de voet van hoofdstuk V berekende belasting wordt
verminderd wegens de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten,
bedoeld in artikel 15h.
2. De vermindering wegens de verrekening bij buitenlandse
ondernemingswinsten is het laagste van de volgende bedragen:
a. 5% van het gezamenlijke bedrag aan winst uit buitenlandse
onderneming waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten geen toepassing vindt, bedoeld in artikel 15h,
eerste lid;
b. het bedrag dat tot de volgens hoofdstuk V berekende
belasting in dezelfde verhouding staat als het in onderdeel a
bedoelde gezamenlijke bedrag aan winst uit buitenlandse
onderneming, staat tot het belastbare bedrag.
3. Op verzoek van de belastingplichtige wordt voor de toepassing
van het tweede lid, onderdeel a, geen 5% van het aldaar bedoelde
bedrag aan winst uit buitenlandse onderneming in aanmerking genomen,
maar het door de belastingplichtige aan te tonen werkelijke bedrag aan
buitenlandse winstbelasting dat ter zake van die winst is betaald.
4. De vermindering ingevolge dit artikel bedraagt ten hoogste het
bedrag van de op de voet van hoofdstuk V berekende belasting,
verminderd met de verminderingen volgens de regelen ter voorkoming van
dubbele belasting en de deelnemingsverrekening.
5. Voor zover in een jaar het volgens het tweede lid, onderdeel a,
of het derde lid berekende bedrag door de toepassing van het tweede
lid, onderdeel b, of het vierde lid niet leidt tot een vermindering
van de volgenshoofdstuk V over dat jaar berekende belasting, wordt het
overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar bij de berekening
van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten in aanmerking
genomen door het toe te voegen aan het bedrag van het tweede lid,
onderdeel a. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het
volgende jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld
bij voor bezwaar vatbare beschikking.
6. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het
volgens het vijfde lid over te brengen bedrag te hoog is vastgesteld,
kan de inspecteur de in dat lid bedoelde beschikking herzien bij voor
bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of
redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening
opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter
zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef
en onderdeel c, derde lid en vierde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Wijze van heffing
Artikel 24
1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.
2. Ingeval artikel 15 of artikel 15a toepassing vindt, wordt de
aanslag gesteld ten name van de moedermaatschappij onderscheidenlijk
de centrale maatschappij.
Artikel 25
1. Als voorheffingen worden aangewezen de geheven
dividendbelasting, uitgezonderd de belasting die op de voet van
artikel 12, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 is
geheven, en naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting,
betrekking hebbende op bestanddelen van de winst en van het
Nederlandse inkomen. De dividendbelasting die met toepassing van
artikel 1, zevende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 is
geheven, wordt slechts als voorheffing aangewezen voor zover de met
die dividendbelasting verband houdende opbrengst deel uitmaakt van het
Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 17, derde lid. Ten aanzien van
een belastingplichtige die is aangemerkt als een beleggingsinstelling
als bedoeld in artikel 28, wordt de dividendbelasting niet als een
voorheffing aangewezen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als
voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten
laste van wie de dividendbelasting is ingehouden niet tevens de
uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting
is ingehouden. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd
degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie
heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij
aannemelijk is dat:
a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten
goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die
in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of
verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie
heeft verricht; en
b. deze natuurlijk persoon of rechtspersoon een positie in
aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die
vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen,
winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop
het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid:
a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn
ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt
als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
of een met een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht vergelijkbaar systeem dat
gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van
de Europese Unie;
b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een
transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of
meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende
genotsrechten op aandelen.
4. De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2, vierde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking
wordt genomen, wordt als voorheffing aangewezen:
a. van de bank, bedoeld in artikel 11a van de Wet op de
loonbelasting 1964, indien die bank een bedrag ter grootte van die
dividendbelasting overmaakt naar de geblokkeerde rekening van
degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in
aanmerking wordt genomen;
b. van de beheerder van de beleggingsinstelling, bedoeld in
artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964, indien die
beheerder een bedrag ter grootte van die dividendbelasting
aanwendt ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van
deelneming in die instelling ten behoeve van degene bij wie die
dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt
genomen.
5. De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2, vijfde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking
wordt genomen, wordt als voorheffing aangewezen:
a. van de bank, bedoeld in artikel 3.126a van de Wet
inkomstenbelasting 2001, indien die bank een bedrag ter grootte
van die dividendbelasting overmaakt naar de lijfrentespaarrekening
van degene bij wie de dividendbelasting niet als voorheffing in
aanmerking wordt genomen;
b. van de beheerder van de beleggingsinstelling, bedoeld in
artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien die
beheerder een bedrag ter grootte van die dividendbelasting
aanwendt ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van
deelneming in die instelling ten behoeve van degene bij wie de
dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt
genomen.
Artikel 25a
1. Geen aanslag wordt vastgesteld, dan wel een aanslag wordt
vastgesteld op nihil, en verrekening van voorheffingen blijft
achterwege indien de berekening van de belasting niet leidt tot een
positief bedrag.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de
belastingplichtige die binnen een door Onze Minister te bepalen
termijn aangifte heeft gedaan. Alsdan wordt een aanslag vastgesteld en
worden de voorheffingen verrekend, ook indien de berekening van de
belasting leidt tot nihil.
Artikel 26
Ingeval artikel 15 of artikel 15a toepassing vindt, kan de inspecteur
in afwijking in zoverre van artikel 6, eerste lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen uitsluitend de moedermaatschappij
onderscheidenlijk de centrale maatschappij uitnodigen tot het doen van
aangifte voor de vennootschapsbelasting.
Artikel 27
1. De inspecteur herziet een voorlopige aanslag op verzoek voor
zover die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan
het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van voorheffingen en
reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden
vastgesteld.
2. Ingeval een verzoek om herziening geheel of gedeeltelijk wordt
afgewezen, beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare
beschikking, waarbij de termijn voor het instellen van bezwaar eindigt
op de dag van de dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige
aanslag wordt verrekend.
3. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26 van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een voorlopige aanslag niet
voor bezwaar vatbaar.
4. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van
een bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid.
5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van
de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit
artikel de betalingskorting, bedoeld in artikel 27a van de
Invorderingswet 1990, alsmede de belastingrente, bedoeld in Hoofdstuk
VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden
onderdeel uit te maken van de voorlopige aanslag.
Hoofdstuk VII. Aanvullende regelingen
Artikel 28
1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur nadere,
van de bepalingen van deze wet afwijkende, regelen te geven met
betrekking tot de heffing van de belasting van beleggingsinstellingen.
2. Als beleggingsinstellingen worden aangemerkt naamloze
vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid en fondsen voor gemene rekening, danwel lichamen die
zijn opgericht of aangegaan naar het op de BES eilanden geldende recht
alsmede het recht van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een lidstaat van
de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met Nederland
gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing
is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie naar
nationaliteit verbiedt voor lichamen die overigens in dezelfde
situatie verkeren als naar Nederlands recht opgerichte of aangegane
lichamen, die naar aard en inrichting vergelijkbaar zijn met de
hiervoor genoemde naar Nederlands recht opgerichte of aangegane
lichamen, welker doel en feitelijke werkzaamheid bestaan in het
beleggen van vermogen en welke lichamen voldoen aan de volgende
voorwaarden:
a. de te beleggen middelen, voor zover zij het vermogen van het
lichaam te boven gaan, zijn slechts verkregen door het aangaan van
schulden op aan het lichaam toebehorende onroerende zaken of op
rechten waaraan deze zijn onderworpen tot ten hoogste zestig
percent van de boekwaarde van de onroerende zaken of van de
rechten waaraan deze zijn onderworpen en van andere schulden tot
ten hoogste twintig percent van de boekwaarde van de overige
beleggingen. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder
onroerende zaken mede verstaan belangen in met de
beleggingsinstelling verbonden lichamen waarvan de bezittingen,
geconsolideerd beschouwd, doorgaans ten minste nagenoeg
uitsluitend bestaan uit onroerende zaken of rechten waaraan deze
zijn onderworpen;
b. het door Ons bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
gedeelte van de winst wordt niet later dan in de achtste maand na
afloop van het jaar ter beschikking gesteld van aandeelhouders en
houders van bewijzen van deelgerechtigdheid; de ter beschikking te
stellen winst wordt gelijkelijk over alle aandelen en bewijzen van
deelgerechtigdheid verdeeld;
c. indien de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in dat
lichaam zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële
instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, of het lichaam dan wel zijn beheerder
beschikt over een vergunning op grond van artikel 2:65 van die wet
of daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 2:66, derde lid,
van die wet, geldt ten aanzien van de aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid dat:
1°. het belang bij het lichaam niet voor een vierde
gedeelte of meer berust bij een enkele natuurlijke persoon;
2°. zowel van het totaal aantal aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid als van de aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid die bij ontbinding van het lichaam delen in
de reserves van het lichaam niet vijfenveertig percent of meer
bij een lichaam berust – niet zijnde een
beleggingsinstelling als bedoeld in de aanhef van dit
onderdeel of een instelling voor collectieve belegging in
effecten als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen – dat is onderworpen aan een in
enige vorm naar de winst geheven belasting of waarvan de winst
in een zodanige belasting wordt betrokken bij de gerechtigden
tot het vermogen of tot de winst van het lichaam, dan wel bij
twee of meer zodanige lichamen welke met elkaar zijn
verbonden, waarbij mede in aanmerking worden genomen de
aandelen of de bewijzen van deelgerechtigdheid op grond
waarvan vorenbedoelde lichamen al dan niet krachtens
overeenkomst met andere stemgerechtigden in de algemene
vergadering van aandeelhouders stemrechten kunnen uitoefenen;
d. indien de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in dat
lichaam niet zijn toegelaten tot de handel op een markt in
financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht, of het lichaam dan wel zijn beheerder
niet beschikt over een vergunning op grond van artikel 2:65 van
die wet of niet daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 2:66,
derde lid, van die wet, geldt ten aanzien van de aandelen of
bewijzen van deelgerechtigdheid dat:
1°. er geen natuurlijke personen zijn die een aanmerkelijk
belang hebben in het lichaam in de zin van afdeling 4.3 van de
Wet inkomstenbelasting 2001;
2°. zowel van het totaal aantal aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid als van de aandelen of bewijzen van
deelgerechtigheid die bij ontbinding van het lichaam delen in
de reserves van het lichaam drie vierde gedeelte of meer bij
natuurlijke personen berust, bij lichamen die niet zijn
onderworpen aan een in enige vorm naar de winst geheven
belasting of daarvan zijn vrijgesteld en waarvan de winst niet
in een zodanige belasting wordt betrokken bij de gerechtigden
tot het vermogen of tot de winst van het lichaam, dan wel
direct of indirect bij beleggingsinstellingen waarvan de
aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid voldoen aan de
voorwaarden, bedoeld in onderdeel c;
e. het belang bij het lichaam berust niet door tussenkomst van
niet in Nederland gevestigde fondsen voor gemene rekening en
vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is
verdeeld, voor een vierde gedeelte of meer bij in Nederland
gevestigde lichamen;
f. in de in onderdeel c, aanhef, bedoelde situatie zijn
bestuurders van het lichaam alsmede meer dan de helft van de leden
van de raad van commissarissen van het lichaam niet tevens
bestuurder of commissaris van een ander lichaam bij wie al dan
niet tezamen met een verbonden lichaam ten minste één vierde
gedeelte of meer berust van de aandelen of bewijzen van
deelgerechtigdheid in het lichaam en staan evenmin in
dienstbetrekking tot dat andere lichaam, met dien verstande dat
deze voorwaarde niet geldt ingeval dat andere lichaam een
beleggingsinstelling is als bedoeld in onderdeel c.
3. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende
bepalingen wordt bij een lichaam onder het beleggen van vermogen mede
verstaan:
a. het houden van aandelen in alsmede het besturen van een
ander lichaam waarvan doel en feitelijke werkzaamheid, afgezien
van het eventueel beleggen van vermogen, bestaan uit het
ontwikkelen van vastgoed ten behoeve van zichzelf of ten behoeve
van:
1°. het lichaam;
2°. met het lichaam verbonden lichamen die als
beleggingsinstelling zijn aangemerkt, of
3°. lichamen waarin het lichaam of een onder 2° bedoeld
lichaam een belang heeft van ten minste een derde gedeelte;
b. het investeren in een verbetering of uitbreiding van
vastgoed, ingeval de investering minder bedraagt dan 30% van de
WOZ-waarde van dat vastgoed, bedoeld in artikel 3.30a van de Wet
inkomstenbelasting 2001, voorafgaande aan de aanvang van de
werkzaamheden;
c. het verstrekken van garanties ten behoeve van met de
beleggingsinstelling verbonden lichamen waarvan de bezittingen,
geconsolideerd beschouwd, doorgaans ten minste nagenoeg
uitsluitend bestaan uit onroerende zaken of rechten waaraan deze
zijn onderworpen;
d. het uitlenen van gelden die van derden zijn ingeleend aan
met de beleggingsinstelling verbonden lichamen waarvan de
bezittingen, geconsolideerd beschouwd, doorgaans ten minste
nagenoeg uitsluitend bestaan uit onroerende zaken of rechten
waaraan deze zijn onderworpen.
4. In de in het derde lid, onderdeel d, bedoelde situatie worden
voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, bij de
beleggingsinstelling de van derden ingeleende gelden en de daarmee
verband houdende vorderingen op verbonden lichamen buiten beschouwing
gelaten.
5. Onze Minister kan in bijzondere gevallen onder door hem te
stellen voorwaarden afwijkingen toestaan van het bepaalde in het
tweede lid.
6. Met ingang van het jaar dat een lichaam wordt aangemerkt als een
vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a vindt dit
artikel geen toepassing meer.
Artikel 28a
1. Bij een omzetting op de voet van artikel 18 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm,
anders dan van een naamloze vennootschap in een besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid of omgekeerd dan wel van een vereniging
in een stichting of omgekeerd, wordt:
a. de rechtspersoon geacht te zijn geliquideerd;
b. het vermogen van de rechtspersoon geacht te zijn uitgekeerd
aan de deelgerechtigden tot dat vermogen naar de mate van hun
gerechtigdheid, en
c. het vermogen van de andere rechtsvorm geacht daarin te zijn
ingebracht.
2. Het eerste lid is mede van toepassing voor de heffing van de
inkomstenbelasting en de dividendbelasting.
3. Onze Minister kan op verzoek, onder door hem te stellen
voorwaarden, de inspecteur toestaan afwijkingen toe te staan van het
eerste en het tweede lid. De inspecteur beslist op het verzoek bij
voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in de vorige volzin
bedoelde voorwaarden zijn opgenomen. De voorwaarden mogen slechts
strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de
belastingen.
Artikel 28b
1. Indien de belastingplichtige een negatief valutaresultaat uit
hoofde van een deelneming ten laste van de winst brengt, of heeft
gebracht, en dit negatieve valutaresultaat daadwerkelijk in het jaar
of enig voorafgaand jaar ten laste van de winst komt, of is gekomen,
vindt in het jaar, in afwijking in zoverre van artikel 13, eerste lid,
de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op opgekomen positieve
valutaresultaten uit hoofde van deelnemingen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een positief
valutaresultaat uit hoofde van een deelneming die direct of indirect
is verkregen van een verbonden lichaam voor zover bij dat lichaam de
deelnemingsvrijstelling geen toepassing zou hebben gevonden.
3. Ingeval met betrekking tot een deelneming een valutaresultaat
ten laste van de winst is gekomen, wordt een nadien op de voet van
artikel 13d berekend liquidatieverlies met betrekking tot die
deelneming slechts in aanmerking genomen voor zover dit verlies het
bedrag van de per saldo ten laste van de winst gekomen
valutaresultaten uit hoofde van die deelneming te boven gaat.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een positief
valutaresultaat als dit resultaat indien het negatief was geweest niet
ten laste van de winst gebracht zou kunnen worden.
Artikel 29
Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur:
a. nadere regelen te geven met betrekking tot het bepalen van de
winst van verzekeringsondernemingen, waaronder regelen met
betrekking tot bij deze ondernemingen toelaatbaar te achten
reserves, alsmede
b. andere in het kader van de wet passende nadere regelen te
geven ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Artikel 29a [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 30
Voor de berekening van het in artikel 13d bedoelde liquidatieverlies
wordt bij het begin van het eerste jaar waarover de winst volgens deze
wet wordt bepaald het bedrag dat voor de verkrijging van een dee
lneming is opgeofferd niet hoger gesteld dan de boekwaarde aan het
einde van het laatste jaar waarover de winst volgens het Besluit op de
Vennootschapsbelasting 1942 is bepaald.
Artikel 31
Indien de belasting wordt geheven over een jaar dat aanvangt voor de
datum van inwerkingtreding van een wijziging vanartikel 22 en op of na
die datum eindigt, wordt deze in afwijking in zoverre van dat artikel
berekend volgens de formule:
belasting = (X/B x To) + (Y/B x Tn), waarin:
X voorstelt: het aantal voor de datum van inwerkingtreding van de
wijziging vallende dagen van dat jaar;
Y voorstelt: het aantal na de datum onmiddellijk voorafgaande aan de
datum van inwerkingtreding van de wijziging vallende dagen van dat jaar;
B voorstelt: het totale aantal dagen van dat jaar;
To voorstelt: de verschuldigde belasting op de voet van artikel 22,
zoals dat luidt op de datum onmiddellijk voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van de wijziging;
Tn voorstelt: de verschuldigde belasting op de voet van artikel 22,
zoals dat luidt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
wijziging.
Artikel 31a
Artikel I, onderdeel E, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet
inkomstenbelasting 2001 vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 31b
Artikel I, onderdelen H en G, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet
Wet inkomstenbelasting 2001 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 31c
Artikel I, onderdeel J, vierde lid, van hoofdstuk 2 van de
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 31d
1. Indien de belastingplichtige ten gevolge van de wijziging met
ingang van 1 januari 2004 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
met ingang van die datum bij de waardering van een
pensioenverplichting moet overgaan op een ander waarderingsstelsel of
op de hantering van een andere overlevingstafel of een andere
leeftijdsterugstelling, wordt zolang de verplichting nog bestaat en de
waarde van die verplichting ten gevolge van die wijziging uitkomt op
een bedrag dat lager is dan de volgens het tweede lid gecorrigeerde
waarde van de in aanmerking genomen waarde aan het einde van het
laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste
overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, de
gecorrigeerde waarde in aanmerking genomen.
2. De in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste
jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel
of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, wordt verlaagd met de
sedert 1 januari 2004 gedane uitkeringen ingevolge de in het eerste
lid bedoelde pensioenverplichting en met de sedert dat tijdstip aan
derden betaalde premies of koopsommen voor zover die betrekking hebben
op de pensioenverplichting.
Artikel 32
Indien in het kader van een bedrijfsfusie artikel VII van de Wet van
28 december 1989, Stb. 601, tot invoering in de inkomstenbelasting en de
vennootschapsbelasting van een investeringsaftrek voor investeringen van
een beperkte omvang en intrekking van de Wet investeringsrekening
toepassing vindt, vindt artikel 14, vierde lid, overeenkomstige
toepassing.
Artikel 33
1. Indien immateriële activa die bij een publiekrechtelijke
rechtspersoon of een lichaam als bedoeld in artikel 2, zevende lid,
eerste volzin, deel uitmaken van vermogen waarmee geen belastbare
winst wordt behaald omdat het niet wordt aangewend in het kader van de
uitoefening van een bedrijf als bedoeld in artikel 2, derde lid, op
enig tijdstip bij dezelfde rechtspersoon of hetzelfde lichaam of bij
een verbonden lichaam deel gaan uitmaken van vermogen waarmee
belastbare winst wordt behaald, worden zij op dat tijdstip te boek
gesteld voor de in het derde tot en met vijfde lid bedoelde waarde.
2. Indien immateriële activa die bij een vereniging of stichting
die op de voet van de Woningwet bij koninklijk besluit is toegelaten
als instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is,
deel uitmaken van vermogen waarmee geen belastbare winst wordt
behaald, op enig tijdstip bij hetzelfde lichaam of bij een verbonden
lichaam deel gaan uitmaken van vermogen waarmee belastbare winst wordt
behaald, worden zij op dat tijdstip te boek gesteld voor de in het
derde tot en met vijfde lid bedoelde waarde.
3. Ingeval de activa bij dezelfde rechtspersoon of hetzelfde
lichaam gaan behoren tot vermogen waarmee belastbare winst wordt
behaald, vindt de teboekstelling plaats voor de waarde die zou gelden
als de activa bij de rechtspersoon of het lichaam altijd hadden
behoord tot vermogen waarmee belastbare winst wordt behaald en op die
activa was afgeschreven volgens artikel 3.30 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
4. Ingeval de activa bij een verbonden lichaam gaan behoren tot
vermogen waarmee belastbare winst wordt behaald, vindt de
teboekstelling bij dat verbonden lichaam plaats voor nihil.
5. In afwijking van het derde lid vindt de teboekstelling plaats
voor nihil indien de activa door de rechtspersoon of het lichaam zijn
verkregen van een ten tijde van de verkrijging verbonden lichaam en de
vervreemding bij dat verbonden lichaam niet heeft geleid tot
belastbare winst.
Artikel 33a
1. Voor een recht dat periodieke uitkeringen of verstrekkingen
oplevert (stamrecht) waarop het met ingang van 1 januari 1992
vervallen artikel 19 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dan wel
het met ingang van die datum vervallen artikel 44j, derde lid, van die
wet is toegepast, blijft het met ingang van die datum vervallen
artikel 23a van kracht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het stamrecht is
bedongen vóór 1 januari 1973.
Artikel 33b
1. Bij de aanwezigheid van een op basis van een regeling ter
voorkoming van dubbele belasting naar een jaar dat aanvangt op of na 1
januari 2012 over te brengen bedrag aan negatieve buitenlandse winst
uit een staat, vindt de objectvrijstelling voor buitenlandse
ondernemingswinsten, bedoeld in artikel 15e, met betrekking tot de
positieve buitenlandse winst uit die staat van dat jaar en van de
daaropvolgende jaren, geen toepassing tot in totaal een bedrag gelijk
aan dat van het over te brengen bedrag aan negatieve buitenlandse
winst.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing voor zover:
a. met het bedrag aan negatieve buitenlandse winst al rekening
is gehouden bij de toepassing van artikel 13c, zoals dat luidde op
31 december 2011;
b. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag aan
negatieve buitenlandse winst heeft geleid tot een verlies dat
vanwege de inartikel 20, tweede lid, opgenomen termijnen niet meer
verrekenbaar is.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de
belastingplichtige is opgehouden winst uit de in dat lid bedoelde
andere staat te genieten, de belastingplichtige niet binnen drie jaren
na het tijdstip waarop hij is opgehouden winst uit die andere staat te
genieten weer winst uit die andere staat is gaan genieten en voldaan
is aan de voorwaarden vanartikel 15i, tweede, derde en vierde lid,
voor het in aftrek kunnen brengen van een stakingsverlies.
4. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, bij toepassing van
het eerste lid in enig jaar, het daarna nog resterende bedrag aan
negatieve buitenlandse winst uit een staat door de inspecteur bij voor
bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Rechtsmiddelen tegen een
dergelijke beschikking kunnen alleen betrekking hebben op de mutaties
in het nog resterende bedrag ten opzichte van de daaraan voorafgaande
vaststelling van het bedrag. Een bij voor bezwaar vatbare beschikking
vastgesteld resterend bedrag aan negatieve buitenlandse winst kan
worden herzien indien dit wijziging ondergaat als gevolg van de
verrekening van verliezen of het opleggen van een navorderingsaanslag
over enig jaar, dan wel indien enig feit grond oplevert voor het
vermoeden dat het bedrag te laag is vastgesteld.
5. Artikel 13c, zoals dat luidde op 31 december 2011, blijft van
toepassing:
a. met betrekking tot een deelneming in een lichaam dat een
onderneming drijft die voordien als een buitenlandse onderneming
werd gedreven door de belastingplichtige of een met hem verbonden
lichaam, indien verliezen uit die buitenlandse onderneming
voorafgaand aan het eerste jaar dat aanvangt op of na 1 januari
2012 in mindering zijn gekomen op de in Nederland belastbare
winst;
b. met betrekking tot een deelneming, indien de
belastingplichtige via deze deelneming een belang heeft van ten
minste vijf percent in een lichaam als bedoeld in onderdeel a.
In afwijking van de eerste volzin vindt artikel 13c, zoals dat
luidde op 31 december 2011, geen toepassing voor zover met de
verliezen uit de buitenlandse onderneming op basis van het eerste lid
al rekening is gehouden bij de toepassing van de objectvrijstelling
voor buitenlandse ondernemingswinsten.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid blijven de artikelen 2,
vierde lid, 10a, vierde lid, 13ba, zevende lid, 13d, tweede lid,
onderdeel b, en 18, eerste lid, zoals deze luidden op 31 december
2011, van toepassing.
Artikel 33c
1. Een bij een belastingplichtige met betrekking tot een
laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming als bedoeld in artikel
15g, op basis van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting
naar een jaar dat aanvangt op of na 1 januari 2012 over te brengen
bedrag aan te verrekenen belasting, wordt voor de toepassing van
artikel 23daangemerkt als een naar dat jaar over te brengen bedrag als
bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.
2. Een bij een belastingplichtige met betrekking tot een
laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming als bedoeld in artikel
15g, op basis van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting
naar een jaar dat aanvangt op of na 1 januari 2012 over te brengen
bedrag aan negatieve buitenlandse winst, wordt voor de toepassing van
artikel 23d, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, in dat jaar en de
daaropvolgende jaren, in mindering gebracht op het gezamenlijke bedrag
aan winst uit buitenlandse onderneming van die jaren, doch niet verder
dan tot nihil, tot in totaal het over te brengen bedrag.
3. Het tweede lid vindt geen toepassing voor zover:
a. met het bedrag aan negatieve buitenlandse winst al rekening
is gehouden bij de toepassing van artikel 13c, zoals dat luidde op
31 december 2011;
b. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag aan
negatieve buitenlandse winst heeft geleid tot een verlies dat
vanwege de inartikel 20, tweede lid, opgenomen termijnen niet meer
verrekenbaar is.
4. Artikel 33b, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33d
1. Voor de bepaling van het stakingsverlies uit een staat, bedoeld
in artikel 15i, tweede lid, worden mede als op de voet van artikel 15e
in aanmerking genomen bedragen aan winst uit die staat beschouwd de
positieve bedragen aan buitenlandse winst uit die staat die de
belastingplichtige in de vijf jaren voorgaande aan het eerste jaar dat
aanvangt op of na 1 januari 2012 heeft genoten. De eerste volzin vindt
geen toepassing voor zover een positief bedrag aan buitenlandse winst
uit een staat is verrekend met een negatief bedrag aan winst uit die
staat van een ander jaar.
2. Voor zover als gevolg van artikel 33b, eerste lid, de
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, bedoeld in
artikel 15e, niet van toepassing is op positieve buitenlandse winst
uit een staat, wordt deze winst niet in aanmerking genomen bij de
bepaling van het stakingsverlies uit die staat, bedoeld in artikel
15i, tweede lid.
Artikel 34
1. Indien een lichaam binnen tien jaar na een herkapitalisatie als
bedoeld in artikel 58 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals
dit artikel ten tijde van de herkapitalisatie luidde, de
herkapitalisatie door een verkleining van het gestorte kapitaal geheel
of gedeeltelijk ongedaan maakt, wordt de volgens de artikelen 22, 23a
en 23b of krachtens artikel 28 berekende belasting over het jaar
waarin die kapitaalsverkleining plaats vindt vermeerderd met 50% van
die kapitaalsverkleining.
2. Onder verkleining van het gestorte kapitaal wordt verstaan
teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, nadat tevoren de
algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft
besloten en de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste
aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd,
zomede onmiddellijke of middellijke verwerving van eigen aandelen. Het
bedrag van de kapitaalsverkleining wordt gesteld op het bedrag van de
teruggaaf, onderscheidenlijk het bedrag van het op de verworven
aandelen nominaal gestorte kapitaal.
3. Over het jaar waarin de herkapitalisatie geheel ongedaan wordt
gemaakt, wordt de volgens het eerste lid verschuldigde belasting
verhoogd tot 50% van de kapitaalsvergroting bij die herkapitalisatie.
4. De volgens het vervallen artikel 23 en volgens dit artikel
verschuldigde belasting beloopt over een tijdvak van tien jaar ten
hoogste 50% van de kapitaalsvergroting waarop artikel 58 van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964, zoals dit artikel ten tijde van de
herkapitalisatie luidde, is toegepast.
5. Onze Minister kan afwijkingen toestaan van het bepaalde in de
eerste drie leden.
Artikel 34a
De dividendbelasting die op grond van artikel 10bis.5, achtste lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking
wordt genomen, wordt mede als voorheffing als bedoeld in artikel 25
aangewezen:
a. van de bank, bedoeld in artikel 10bis.5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, indien die bank een bedrag ter grootte van
die dividendbelasting overmaakt naar de spaarrekening eigen woning
van degene bij wie de dividendbelasting niet als voorheffing in
aanmerking wordt genomen;
b. van de beheerder van de beleggingsinstelling, bedoeld in
artikel 10bis.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien die
beheerder een bedrag ter grootte van die dividendbelasting aanwendt
ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming
in die instelling ten behoeve van degene bij wie de
dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen.
Artikel 35
Artikel 16, derde lid, vervalt met ingang van 1 januari 2017, met
dien verstande dat dit voor het eerst toepassing vindt met betrekking
tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017.
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 37
1. Het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 (Verord.bl. 51),
het Invoeringsbesluit Vennootschapsbelasting 1942 (Stcrt. 85,
verbeterd bij publikatie in Stcrt. 90 en 94), het besluit van de
secretaris-generaal van het Departement van Financiën van 3 juni 1942
(Stcrt. 113) tot wijziging van het Invoeringsbesluit
Vennootschapsbelasting 1942, de verordening van de Rijkscommissaris
voor het bezette Nederlandse gebied van 26 juni 1943 (Verord.bl. 60),
houdende wijziging van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942
en van de Zegelwet, en het Besluit op de Winstbelasting 1940 (Verord.bl.
83), vervallen.
2. De Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917 (Stb. 1918, 4)
wordt ingetrokken.
3. Het Besluit op de Commissarissenbelasting 1941 (Verord.bl. 106)
en het besluit van de secretaris-generaal van het Departement van
Financiën van 10 augustus 1942 (Verord.bl. 97) tot wijziging van het
Besluit op de Commissarissenbelasting 1941 vervallen.
4. De in het eerste en het tweede lid bedoelde regelingen blijven
van toepassing met betrekking tot jaren voorafgaande aan die waarop
deze wet van toepassing is. De in het derde lid bedoelde regeling
blijft van toepassing met betrekking tot commissarisloon dat voor de
toepassing van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 als
bedrijfskosten wordt beschouwd.
5. Hoofdstuk IV is voor zoveel nodig mede van toepassing op naar de
bepalingen van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 te
berekenen verliezen, winsten en binnenlandse inkomens.
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 39
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst.
2. [Vervallen]
3. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 8 oktober 1969
JULIANA
De Minister van Financiën,
H.J. Witteveen
De Staatssecretaris van Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de achtentwintigste oktober 1969
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|