Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten
- Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken
en van enkele andere produkten
WET van 24 december 1992 tot
vaststelling van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
aanpassing van de wetgeving inzake accijnzen aan de Richtlijn van de
Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de algemene regeling
voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en
de controles daarop (92/12/EEG van 25 februari 1992; PbEG L 76)
wenselijk is een afzonderlijke wettelijke regeling in te voeren voor het
stelsel van heffing van de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken
en van pruimtabak en snuiftabak;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Belastbaar feit
Artikel 1
1.Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:
a. een verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken;
b. een verbruiksbelasting van pruimtabak en snuiftabak.
2.Onder de naam verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt
een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van
alcoholvrije dranken.
3.Onder de naam verbruiksbelasting van pruimtabak en snuiftabak
wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van
pruimtabak en van snuiftabak.
Artikel 1a
In afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, en derde lid,
zijn deze wet en de daarop berustende bepalingen met ingang van 1
januari 2013 uitsluitend van toepassing op alcoholvrije dranken.
Artikel 2
In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan
onder:
a. vervaardigen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak: elk handelen waarbij of waardoor die goederen ontstaan
of de voor de belastingheffing relevante samenstelling daarvan wordt
gewijzigd;
b. inrichting: iedere plaats waar op grond van de bepalingen van
deze wet alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak onder
schorsing van belasting mogen worden vervaardigd, mogen worden
verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen
worden verzonden;
c. entrepot: zowel de douanebestemming vrij entrepot als de
douaneregeling douane-entrepot als bedoeld in artikel 4, onderdelen
15 en 16, van het Communautair douanewetboek;
d. plaats voor tijdelijke opslag: een plaats die als zodanig is
goedgekeurd krachtens artikel 51, eerste lid, van het Communautair
douanewetboek;
e. lid-staat: een lid-staat van de Europese Gemeenschappen;
f. derde land: elke staat of elk grondgebied waarop het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap niet van toepassing is;
g. communautaire douaneregeling: de communautaire regelingen met
betrekking tot douanevervoer, entrepots, actieve veredeling,
behandeling onder douanetoezicht, tijdelijke invoer, passieve
veredeling en uitvoer naar een derde land (wederuitvoer daaronder
begrepen);
h. schorsing van belasting: het stelsel waarin van goederen die
worden vervaardigd, worden verwerkt, voorhanden zijn of worden
vervoerd, op grond van de bepalingen van deze wet de belasting nog
niet is geheven;
i. ondernemer: een ondernemer in de zin van de Wet op de
omzetbelasting 1968.
Artikel 3
1.In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan
onder uitslag het brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak buiten een plaats die voor dat soort goed als inrichting is
aangewezen.
2.Als uitslag wordt mede aangemerkt het verbruik, anders dan als
grondstof, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak binnen
een plaats die voor dat soort goed als inrichting is aangewezen.
3.Als uitslag wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting
naar:
a. een andere inrichting die voor dat soort goed als zodanig is
aangewezen;
b. een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders
dan als ondernemer, in een andere lid-staat;
c. een derde land.
4.De voorwaarden, bedoeld in het derde lid, hebben betrekking op
formaliteiten waaraan bij de overbrenging van de goederen moet worden
voldaan.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 4
1.Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak waarvan de belasting
niet is geheven, door:
a. een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan
in een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is
aangewezen;
b. een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer;
c. een natuurlijke persoon voor andere doeleinden dan voor
persoonlijk verbruik.
2.Het eerste lid is, onder bij algemene maatregel van bestuur te
stellen voorwaarden, niet van toepassing met betrekking tot
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden vervoerd
naar:
a. een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is
aangewezen;
b. een ondernemer of een publiekrechtelijk lichaam, anders dan
als ondernemer;
c. een natuurlijke persoon die de goederen voor andere
doeleinden dan voor persoonlijk verbruik betrekt in Nederland;
d. een andere lid-staat via Nederland;
e. een derde land.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan, onder daarbij te stellen
voorwaarden en beperkingen, worden bepaald dat het eerste lid geen
toepassing vindt indien sprake is van het op incidentele basis
aanwenden van beperkte hoeveelheden alcoholvrije dranken, pruimtabak
of snuiftabak voor eigen verbruik in het kader van de onderneming of
het publiekrechtelijke lichaam.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden, ter verzekering van de
heffing, regels gesteld met betrekking tot de verplichtingen waaraan
de in het eerste lid bedoelde personen of lichamen moeten voldoen.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 5
1.In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan
onder invoer het vanuit een derde land brengen van alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak in Nederland.
2.Als invoer wordt mede aangemerkt:
a. het in Nederland beëindigen van een communautaire
douaneregeling waaronder alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak zijn geplaatst, anders dan door plaatsing onder een
andere communautaire douaneregeling;
b. het in Nederland onttrekken van alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak aan een communautaire douaneregeling;
c. het eigen verbruik, anders dan als grondstof, in Nederland
van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die onder een
communautaire douaneregeling zijn geplaatst of binnen een plaats
voor tijdelijke opslag.
3.Als invoer wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden:
a. brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
vanuit een derde land naar een inrichting die voor dat soort goed
als zodanig is aangewezen of naar een plaats voor tijdelijke
opslag;
b. in Nederland plaatsen onder een communautaire douaneregeling
van vanuit een derde land binnengebrachte alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak;
c. brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling naar een
inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen;
d. brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een inrichting die
voor dat soort goed als zodanig is aangewezen;
e. onder ambtelijk toezicht vernietigen van alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak die onder een communautaire
douaneregeling zijn geplaatst.
4.De voorwaarden, bedoeld in het derde lid, hebben betrekking op
formaliteiten waaraan bij de overbrenging van de goederen moet worden
voldaan alsmede op de daarbij te stellen zekerheid.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk II. Definities van de goederen en tarieven
Afdeling 1. Alcoholvrije dranken
Artikel 6
Onder alcoholvrije dranken worden verstaan vruchte- en groentesap,
mineraalwater en limonade, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover
zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenprodukten of overige
alcoholhoudende produkten in de zin van de Wet op de accijns.
Artikel 7
1.Onder vruchte- en groentesap wordt verstaan drank die bestaat uit
sap van vruchten of groenten of een mengsel daarvan, mengsels van
water en vruchtesap die tenminste een bij ministeriële regeling vast
te stellen percentage vruchtesap of vruchtemoes bevatten daaronder
begrepen.
2.Als vruchte- en groentesap wordt mede aangemerkt de drank,
bedoeld in het eerste lid, in vaste vorm of als concentraat in
kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor
afnemers die voor gebruik gereed vruchte- en groentesap vervaardigen
voor gebruik ter plaatse.
Artikel 8
1.Onder mineraalwater wordt verstaan:
a. natuurlijk en kunstmatig mineraalwater;
b. spuitwater;
c. water dat kennelijk is bestemd voor inwendig gebruik door de
mens, in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is
bestemd voor afnemers die daaruit water voor gebruik ter plaatse
afleveren.
2.Als mineraalwater wordt niet aangemerkt nooddrinkwater dat door
drinkwaterbedrijven in voorraad wordt gehouden en dat bij een
verstoring van de drinkwatervoorziening anders dan door middel van een
distributienet wordt geleverd aan consumenten of andere afnemers.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de aard van en de aanduiding op de verpakking van
het in het tweede lid bedoelde nooddrinkwater.
Artikel 9
1.Onder limonade worden verstaan met water aangelengd vruchte- of
groentesap alsmede gezoete en aromatische dranken en dranken waaraan
geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd
om onverwarmd te worden gedronken.
2.Als limonade wordt mede aangemerkt de drank, bedoeld in het
eerste lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking
of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik
gerede limonade vervaardigen voor gebruik ter plaatse.
3.Als limonade wordt niet aangemerkt:
a. de uit melk of melkprodukten bereide drank met een gehalte
aan melkvetten van 0,02%mas of meer waarin zich melkeiwit en
melksuiker bevinden, niet zijnde een uit wei of weiprodukten
vervaardigde drank;
b. de uit soja bereide drank met een vetgehalte en een
eiwitgehalte die vergelijkbaar zijn met het vetgehalte en het
eiwitgehalte van melk.
Artikel 10
1.De belasting bedraagt per hectoliter bij een temperatuur van
20°C voor:
a. vruchtesap, groentesap en mineraalwater € 4,13;
b. limonade € 5,50.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt, met inachtneming van
bij ministeriële regeling te stellen regels, het volume van vruchte-
en groentesap en limonade in vaste vorm of in geconcentreerde vorm
herleid tot het volume van voor gebruik gereed vruchte- en groentesap
of voor gebruik gerede limonade, met dien verstande dat voor limonade
in vaste of geconcentreerde vorm voor huishoudelijk gebruik deze
herleiding geschiedt op basis van de factor 3.
3.Bij ministeriële regeling kan met betrekking tot alcoholvrije
dranken in kleinhandelsverpakking worden bepaald dat voor de
berekening van de belasting het herleiden van het volume van die
dranken tot het volume bij een temperatuur van 20°C achterwege kan
blijven.
Afdeling 2. Pruimtabak en snuiftabak
Artikel 11
1.Onder pruimtabak wordt verstaan voor pruimen bereide tabak.
2.Als pruimtabak worden mede aangemerkt produkten die gedeeltelijk
uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het
bepaalde in het eerste lid.
Artikel 12
1.Onder snuiftabak wordt verstaan voor snuiven bereide tabak.
2.Als snuiftabak worden mede aangemerkt produkten die gedeeltelijk
uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het
bepaalde in het eerste lid.
Artikel 13
De belasting bedraagt voor pruimtabak en snuiftabak € 24,04 per
kilogram.
Hoofdstuk III. Uitslag
Afdeling 1. Inrichting
Artikel 14
1.Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien
daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.
2.De artikelen 40 en 41 van de Wet op de accijns zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Vergunning
Artikel 15
1.Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen,
dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
2.De artikelen 42 en 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns zijn
van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Wijze van heffing en voldoening
Artikel 16
De belasting wordt geheven van de vergunninghouder van de inrichting.
Artikel 17
In afwijking van artikel 16 wordt de belasting bij toepassing van
artikel 4, eerste lid, geheven van degene die de alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak voorhanden heeft.
Artikel 18
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.
Artikel 19
In afwijking van artikel 18 wordt de belasting bij toepassing van
artikel 4, eerste lid, verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van
het voorhanden hebben van de alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak.
Artikel 20
1.De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op
aangifte worden voldaan.
2.Aangifte dient te worden gedaan voor elke inrichting
afzonderlijk.
3.In afwijking van het tweede lid kan bij ministeriële regeling,
onder daarbij te stellen voorwaarden, worden toegestaan dat voor
inrichtingen waarvan de vergunningen op naam zijn gesteld van dezelfde
vergunninghouder één aangifte voor die inrichtingen te zamen wordt
gedaan.
Artikel 21
1.Bij toepassing van artikel 19 dient in afwijking van artikel 20,
eerste lid, en van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid,
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen uiterlijk op de dag na het
in artikel 19 bedoelde tijdstip aangifte te worden gedaan en de
belasting op aangifte te worden voldaan.
2.In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur, bij toepassing
van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, op verzoek toestemming
verlenen om de in een week op de voet van artikel 19 verschuldigd
geworden belasting uiterlijk op de vrijdag van de week daaropvolgend
op aangifte te voldoen.
Artikel 22
De artikelen 54 en 55 van de Wet op de accijns zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Zekerheid
Artikel 23
1.De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die hij
verschuldigd is of kan worden.
2.De artikelen 56, vijfde tot en met achtste lid, en 57 tot en met
60 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. Voorrecht
Artikel 24
1.De vergunninghouder van een inrichting heeft voor de belasting
die is begrepen in de verkoopprijs van de door hem geleverde
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, zolang hij ter zake
geen betaling heeft ontvangen doch niet langer dan een half jaar nadat
hij die belasting verschuldigd is geworden, voorrecht op alle goederen
van de koper.
2.Het voorrecht, bedoeld in het eerste lid, heeft gelijke rangorde
als het voorrecht dat ’s Rijks schatkist heeft op de voet van
artikel 21 van de Invorderingswet 1990.
Afdeling 6. Hoofdelijke aansprakelijkheid
Artikel 25
De vervoerder van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is
hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag aan belasting dat wordt
vertegenwoordigd door de hoeveelheid van die goederen waarvan de
belasting niet is geheven die door hem wordt vervoerd naar het
buitenland, naar een inrichting of naar een persoon of lichaam als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien tijdens dat vervoer door hem of
door zijn toedoen een onregelmatigheid of een overtreding is begaan.
Hoofdstuk IV. Invoer
Artikel 26
Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen,
bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet,
met uitzondering van artikel 868 van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1.Bij ministeriële regeling kunnen, onder daarbij te stellen
voorwaarden, regels worden gesteld ingevolge welke de heffing van
belasting van alcoholvrije dranken, van pruimtabak of van snuiftabak
die in kleine zendingen dan wel door reizigers als bagage worden
ingevoerd, geschiedt volgens daarbij vast te stellen forfaitaire
tarieven.
2.De forfaitaire tarieven zijn niet van toepassing met betrekking
tot handelsgoederen.
Hoofdstuk V. Vrijstellingen en teruggaven
Afdeling 1. Vrijstellingen
Artikel 28
1.Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van
de uitslag en de invoer van vruchte- en groentesappen die kennelijk
zijn bestemd om te worden gebruikt als aanvulling op kindervoeding,
voor medicinale doeleinden of anders dan om te worden gedronken.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. de aard van en de aanduiding op de verpakking van de in het
eerste lid bedoelde vruchte- en groentesappen; en
b. de uitvoering van dit artikel.
Artikel 29
1.Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van
de uitslag en de invoer van:
a. vruchte- en groentesappen waarvan de in artikel 28
aangegeven bestemming niet of niet voldoende blijkt uit die
dranken als zodanig, indien degene die die dranken betrekt deze
gebruikt voor het vervaardigen van vruchte- of groentesappen als
bedoeld in artikel 28;
b. alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die door
degene die die goederen betrekt, worden gebruikt als grondstof
voor het vervaardigen van andere goederen dan alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak.
2.Om de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met
vrijstelling te kunnen betrekken, dient degene die deze goederen
betrekt in het bezit te zijn van een daartoe strekkende vergunning.
3.Artikel 65, vierde tot en met zevende lid, van de Wet op de
accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
Artikel 30
1.Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van
de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak die worden gebruikt:
a. aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een
andere lid-staat, anders dan over de binnenwateren;
b. aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland
naar een andere lid-staat.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 31
De artikelen 68 en 69 van de Wet op de accijns en de artikelen 21a en
21b van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 2. Teruggaven
Artikel 32
1.Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend voor
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak waarvoor aanspraak op
vrijstelling zou bestaan op de voet van:
a. artikel 29; of
b. artikel 30.
2.De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde teruggaaf wordt
verleend aan degene die een vergunning heeft ingevolge artikel 29,
tweede lid.
3.De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde teruggaaf wordt
verleend aan degene die de levering heeft verricht.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 33
1.Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend voor
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die:
a. zijn verloren gegaan;
b. zijn vernietigd onder ambtelijk toezicht;
c. zijn gebracht naar een derde land of zijn geplaatst onder
een communautaire douaneregeling met als bestemming een derde
land;
d. zijn gebracht binnen een inrichting die voor dat soort goed
als zodanig is aangewezen;
e. door een ondernemer zijn overgebracht naar een ondernemer
dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer,
in een andere lid-staat.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 34
De inspecteur beslist op een verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. Belastingzegels
Artikel 35
1. Pruimtabak en snuiftabak moeten bij de uitslag en de invoer zijn
voorzien van het voor het desbetreffende produkt voorgeschreven
belastingzegel.
2. De artikelen 73, tweede en derde lid, tot en met 76, 77, 78,
eerste, tweede en vierde lid, en 79 van de Wet op de accijns zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Controlebepalingen
Artikel 36
De artikelen 80, 81, 83 en 84 van de Wet op de accijns zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Overige bepalingen
Artikel 37
De artikelen 2, vijfde, zesde, zevende en tiende lid, en 85 van de
Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een
juiste toepassing van de wet nadere regels worden gesteld ter
aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk VII. Verbodsbepalingen en strafbepalingen
Afdeling 1. Verbodsbepalingen
Artikel 39
Het is verboden:
a. anders dan als particulier voor eigen verbruik, alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak te vervaardigen buiten een
inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, tenzij
deze vervaardiging plaatsvindt overeenkomstig de ingevolge artikel
29 bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden en
beperkingen, dan wel alcoholvrije dranken worden vervaardigd uit
andere alcoholvrije dranken en het bedrag van de belasting die
eerstbedoelde alcoholvrije dranken vertegenwoordigen niet hoger is
dan het bedrag van de belasting dat de alcoholvrije dranken
vertegenwoordigen waaruit zij zijn vervaardigd;
b. alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak voorhanden te
hebben die niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de
heffing zijn betrokken, met uitzondering van alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak die door particulieren voor eigen verbruik
zijn betrokken uit een andere lid-staat.
Artikel 40
Met betrekking tot pruimtabak en snuiftabak zijn de artikelen 93 tot
en met 96 van de Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Strafbepalingen
Artikel 41
Degene die opzettelijk een in artikel 39 opgenomen verbod overtreedt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten
hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.
Artikel 42
Degene die opzettelijk alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
waarvoor vrijstelling of teruggaaf van belasting is verleend een
bestemming geeft waarvoor geen vrijstelling of teruggaaf van belasting
zou zijn verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag
hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven
belasting.
Artikel 43
1. Met betrekking tot degene die een bij artikel 40 van
overeenkomstige toepassing verklaard verbod overtreedt, zijn de in
artikel 101 van de Wet op de accijns opgenomen strafbepalingen van
overeenkomstige toepassing.
2. Degene die pruimtabak of snuiftabak die in strijd met de
wettelijke bepalingen niet is voorzien van de voorgeschreven
belastingzegels uitslaat of invoert, wordt gestraft met geldboete van
de derde categorie.
3. Degene die het in het tweede lid bedoelde verbod opzettelijk
overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren of geldboete van de vierde categorie.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 44
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
Artikel 45
Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Het Oude Loo, 24 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|