| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP DE WATERHUISHOUDING (Wwh)
Tekst zoals deze geldt op
17 juli 2009
Vervallen
m.i.v. 22 december 2009
(Zie Waterwet)
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing zijwateren van hoofdwateren
(vervallen)
- Besluit vaststelling grenzen stroomgebieddistricten
(vervallen)
WET van 14 juni 1989, houdende regelen
inzake de waterhuishouding
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen in het belang van een samenhangend en doelmatig beleid en
beheer met betrekking tot de waterhuishouding in haar geheel alsmede
nadere regelen met betrekking tot het kwantiteitsbeheer over het
oppervlaktewater;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
"Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
"Onze Ministers": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
tezamen met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor
zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid
behoren;
"waterhuishouding": de overheidszorg die zich richt op het
op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij
betrokken belangen;
"waterhuishoudkundig systeem": een samenhangend geheel van
oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens;
"kwantiteitsbeheerder": het openbaar gezag dat belast is
met kwantiteitsbeheer van oppervlaktewater;
"kwaliteitsbeheerder": het openbaar gezag dat bevoegd is
tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren (Stb. 1981, 573);
"kaderrichtlijn water": richtlijn nr. 2000/60/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000
tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen
betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij
beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van
20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen
op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn
2000/60/EG (PbEG L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van
artikel 20, eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de
tekst zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld;
"stroomgebied": een gebied vanwaar al het over het
oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel
meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;
"stroomgebieddistrict": het gebied van land en zee, gevormd
door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende
grond- en kustwateren;
"stroomgebiedbeheersplan": plan als bedoeld in artikel 13
van de kaderrichtlijn water, dat betrekking heeft op het op Nederlands
grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict;
"internationaal stroomgebiedbeheersplan": plan als bedoeld
in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, dat betrekking heeft op zowel
het op Nederlands grondgebied gelegen deel van een stroomgebieddistrict
als het buiten Nederlands grondgebied gelegen deel van een
stroomgebieddistrict;
natuurlijk oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat niet
wordt aangewezen als kunstmatig dan wel sterk veranderd
oppervlaktewaterlichaam, een en ander in de zin van de kaderrichtlijn
water.
Artikel 1a
Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de
kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met
ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering
moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 2
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden
tot de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk mede gerekend de bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen
beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren onder beheer
van het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een
zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de
kwantiteitsbeheerders van de betrokken oppervlaktewateren in de
gelegenheid hun oordeel te geven.
Artikel 2a
1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt het Nederlandse grondgebied ingedeeld in de op Nederlands
grondgebied gelegen delen van de stroomgebieddistricten Eems, Rijn,
Maas en Schelde. Onder het Nederlandse grondgebied wordt mede verstaan
de territoriale zee, voor zover die is gelegen aan de landzijde van de
lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van een
internationale zeemijl, zijnde achttienhonderd en twee en vijftig
meter, gemeten zeewaarts vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1
van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee of de basislijn,
bedoeld in artikel 2 van die wet.
2.De onderlinge grenzen van de Nederlandse delen van de
stroomgebieddistricten worden vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur. Daarbij wordt tevens voorzien in de toedeling van
grondwatervoorkomens aan één van de stroomgebieddistricten.
3.Bij de voorbereiding van de maatregel raadplegen Onze Ministers
per stroomgebieddistrict gedeputeerde staten van de betrokken
provincies, de kwaliteitsbeheerders en de kwantiteitsbeheerders,
alsmede de regeringen van de andere staten in het
stroomgebieddistrict.
Artikel 2b
1.Provinciale besturen, kwaliteitsbeheerders, kwantiteitsbeheerders
en gemeentebesturen:
a. verrichten de analyses en beoordelingen, bedoeld in artikel
5 van de kaderrichtlijn water, en
b. verstrekken aan Onze Minister de resultaten daarvan, alsmede
de overige gegevens, bedoeld in bijlage VII van de kaderrichtlijn
water,
voor zover die betrekking hebben op hun onderscheiden aandeel
in de waterhuishouding in een stroomgebieddistrict, onverminderd
het bepaalde in hoofdstuk II van deze wet.
2.Op initiatief van Onze Minister vindt per stroomgebieddistrict
overleg van de betrokken bestuursorganen plaats ten behoeve van een
goede uitvoering van het eerste lid.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
aangaande de gegevensverstrekking.
Hoofdstuk II. De plannen voor de waterhuishouding
Afdeling 1. De nota voor de waterhuishouding
Artikel 3
1.Onze Ministers stellen een nota vast waarin:
a. de hoofdlijnen van het ten aanzien van de landelijke
waterhuishouding te voeren beleid zijn aangegeven, en
b. de stroomgebiedbeheersplannen of de inbreng voor de
internationale stroomgebiedbeheersplannen met betrekking tot de in
artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten zijn
opgenomen.
Bij het vaststellen van de nota wordt voor elk van de in artikel 2a
bedoelde delen van de stroomgebieddistricten rekening gehouden met het
desbetreffende internationale stroomgebiedbeheersplan, dan wel wordt
dat plan in acht genomen voor zover dat uit het plan voortvloeit.
2.De hoofdlijnen omvatten:
a. een aanduiding van de belangrijkste functies van de
oppervlaktewateren behorend tot het waterhuishoudkundig
hoofdsysteem en, voorzover nationale belangen dat nodig maken, van
de regionale waterhuishoudkundige systemen;
b. aanwijzingen voor de verdere bepaling van functies van
waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan;
c. een aanduiding, in samenhang met de onder a en b bedoelde
functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van
de waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan, alsmede
van de termijnen die daarbij worden nagestreefd;
d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de
maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling,
en werking en bescherming nodig zijn, met inbegrip van de
maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water,
voor zover die op elk van de in artikel 2a bedoelde delen van de
stroomgebieddistricten van toepassing zijn;
e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten
financiële, economische en ruimtelijke gevolgen van het te voeren
beleid.
3.De nota geeft aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op
dan wel leiden tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het
nationale beleid inzake natuur en landschap en in hoeverre en binnen
welke termijn Onze Ministers voornemens zijn het geldende nationale
milieubeleidsplan en het geldende natuurbeleidsplan te herzien.
4.Een stroomgebiedbeheersplan omvat de informatie die ingevolge
bijlage VII bij de kaderrichtlijn water daarin moet worden opgenomen.
5.Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het
eerste lid, onderdeel b, bedoelde inbreng, met dien verstande dat
slechts de gegevens worden opgenomen die betrekking of mede betrekking
hebben op het Nederlandse deel van een stroomgebieddistrict.
6.De nota wordt tenminste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe
of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in
de nota in werking.
7.Onze Minister doet de nota aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal toekomen.
Artikel 4
1.Op de voorbereiding van de nota is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
2.Onze Ministers leggen ter inzage:
a. een tijdschema en een werkprogramma voor de opstelling of
een herziening van het internationale stroomgebiedbeheersplan of
het stroomgebiedbeheersplan, tenminste drie jaren voor het begin
van de periode waarop het plan betrekking heeft,
b. een tussentijds overzicht van belangrijke
waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het
stroomgebieddistrict of het in artikel 2a bedoelde deel daarvan,
tenminste twee jaren voor het begin van de periode waarop het plan
of een herziening betrekking heeft, en
c. het ontwerp voor het stroomgebiedbeheersplan of voor het
internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening voor
zover betrekking of mede betrekking hebbend op het op Nederlands
grondgebied gelegen deel van het desbetreffende
stroomgebieddistrict, tenminste een jaar voor het begin van de
periode waarop het plan of de herziening betrekking heeft.
3.Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
4.De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over de in
het tweede lid bedoelde stukken bedraagt zes maanden en vangt aan met
ingang van de dag waarop het stuk ter inzage is gelegd.
5.Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren
raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde
Duitse of Belgische autoriteiten. Met betrekking tot
stroomgebiedbeheersplannen en de inbreng voor de internationale
stroomgebiedbeheersplannen raadplegen Onze Ministers de regeringen van
de andere staten in het stroomgebieddistrict.
6.Onze Ministers raadplegen ten aanzien van de maatregelen bedoeld
in artikel 11 van de kaderrichtlijn gedeputeerde staten van de
betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en
kwaliteitsbeheerders van het op Nederlands grondgebied gelegen deel
van het stroomgebieddistrict.
7.Onze Ministers brengen de ontvangen zienswijzen over het ontwerp
voor een internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening,
voor zover die zienswijzen niet uitsluitend betrekking hebben op het
op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende
stroomgebieddistrict, ter kennis van de regeringen van de andere
staten in het stroomgebieddistrict.
Afdeling 2. Het beheersplan voor de rijkswateren
Artikel 5
1.Onze Ministers stellen ten aanzien van de oppervlaktewateren
onder beheer van het Rijk een beheersplan vast. Het plan kan bestaan
uit afzonderlijke delen. Bij de vaststelling van het plan wordt
rekening gehouden met de in artikel 3 bedoelde nota en, voor zover het
krachtens artikel 7, tweede lid, aangewezen oppervlaktewateren
betreft, met het provinciaal plan voor de waterhuishouding.
2.Het plan geeft aan:
a. de functies van de oppervlaktewateren;
b. het programma van maatregelen en voorzieningen, die met het
oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van de
waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan en de
bescherming van het milieu nodig zijn, onder vermelding van de
termijnen die daarbij worden nagestreefd;
c. de wijze waarop het beheer bij normale en bij afwijkende
omstandigheden wordt gevoerd;
d. de financiële middelen, die voor de uitvoering van het
programma en het te voeren beheer nodig zijn.
3.Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict:
a. de aanwijzing van oppervlaktewateren of onderdelen daarvan
als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen,
overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water,
dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn
water.
4.Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
5.Het plan wordt ten minste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe
of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in
het plan in werking.
Artikel 6
1.Op de voorbereiding van het plan is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
2.De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de
betrokken provincies.
3.Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
4.Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren
raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde
Duitse of Belgische autoriteiten.
5.Onze Ministers stemmen de in artikel 5, derde lid, bedoelde
maatregelen en voorzieningen per stroomgebieddistrict af met
gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de
kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het
stroomgebieddistrict.
Afdeling 3. De provinciale plannen voor de waterhuishouding
Artikel 7
1.Provinciale staten stellen een provinciaal plan vast, waarin de
hoofdlijnen van het ten aanzien van de waterhuishouding in de
provincie te voeren beleid zijn aangegeven. Daarbij wordt rekening
gehouden met de in artikel 3 bedoelde nota.
2.Het plan heeft mede betrekking op bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren onder beheer van
het Rijk.
3.De hoofdlijnen van het plan omvatten:
a. de vastlegging van de belangrijkste functies van de
regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan;
b. een aanduiding, in samenhang met de onder a bedoelde
functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van
de regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan
alsmede van de termijnen die daarbij worden nagestreefd;
c. een uiteenzetting van het ingevolge de Grondwaterwet (Stb.
1981, 392) te voeren grondwaterbeheer, alsmede een overzicht van
de financiële middelen die voor de uitvoering van het beheer
nodig zijn;
d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de
overige maatregelen en voorzieningen die met het oog op de onder b
bedoelde ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn;
e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten
financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.
4.Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het derde lid,
onderdelen b, c en d, behoren mede, gerangschikt naar
stroomgebieddistrict:
a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen
daarvan als kunstmatige of sterk veranderde
oppervlaktewaterlichamen, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van
de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk
oppervlaktewaterlichaam, en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn
water, die in alle in de provincie gelegen delen van
stroomgebieddistricten van toepassing zijn dan wel het te voeren
grondwaterbeheer betreffen.
5.In het plan geven provinciale staten aan in hoeverre de
hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het
provinciale milieubeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het
provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en in hoeverre en binnen welke
termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale
milieubeleidsplan, een of meer geldende streekplannen of het geldende
provinciale verkeers- en vervoerplan te herzien. Het plan gaat
vergezeld van een toelichting.
6.Het plan wordt ten minste een maal in de zes jaren herzien.
Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de
opneming in het plan in werking.
7.Het besluit tot vaststelling of herziening van het plan wordt met
het plan toegezonden aan Onze Ministers.
Artikel 8
1.Provinciale staten stellen bij verordening nadere regelen met
betrekking tot de voorbereiding van het plan. Zij stellen daarbij in
elk geval regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop het ontwerp van het plan in
gemeenschappelijk overleg met de kwaliteitsbeheerders en
kwantiteitsbeheerders die een beheersplan als bedoeld in artikel 9
vaststellen, alsmede de gemeentebesturen wordt voorbereid;
b. de raadpleging van Onze Minister, gedeputeerde staten van de
aangrenzende provincies en, indien het plan betrekking heeft op
grensvormende of grensoverschrijdende wateren, de ten aanzien van
die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten;
c. de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden
betrokken bij de voorbereiding van het plan, op de wijze voorzien
in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde
verordening.
2.Provinciale staten en gedeputeerde staten regelen overeenkomstig
artikel 82 van de Provinciewet gezamenlijk de instelling,
samenstelling, taak en werkwijze van een commissie, die door
provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf worden gehoord over
maatregelen en plannen die van betekenis zijn voor het provinciale
beleid inzake de waterhuishouding. Provinciale staten en gedeputeerde
staten benoemen elk een gelijk aantal leden.
3.Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening is
vastgesteld aan Onze Minister.
Afdeling 4. Beheersplannen
Artikel 9
1.Een kwantiteitsbeheerder of kwaliteitsbeheerder, niet zijnde het
Rijk, stelt met betrekking tot oppervlaktewateren onder zijn beheer
een beheersplan vast. Bij die vaststelling wordt rekening gehouden met
het provinciaal plan voor de waterhuishouding.
2.Een beheersplan geeft aan hetgeen de beheerder ter vervulling van
zijn taak verricht.
3.Door een kwaliteitsbeheerder worden mede opgenomen, gerangschikt
naar stroomgebieddistrict en voor zover niet opgenomen in het
provinciale plan:
a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen
daarvan als kunstmatige of sterk veranderde
oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van
de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk
oppervlaktewaterlichaam, en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn
water, met uitzondering van maatregelen die het kwantiteitsbeheer
betreffen.
4.Het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van een kwantiteitsbeheerder, voor zover de maatregelen van
artikel 11 van de kaderrichtlijn water het kwantiteitsbeheer van
oppervlaktewateren betreffen.
5.Een niet door provinciale staten vastgesteld beheersplan behoeft
de goedkeuring van gedeputeerde staten.
6.Het plan wordt tenminste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe
of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in
het plan in werking.
7.Provinciale staten stellen bij verordening nadere regels vast met
betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het
beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd
van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven
zij daarin regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en
kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een
plan samenwerken;
b. het betrekken van de in het beheersgebied woonachtige
personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de
voorbereiding van het plan, op overeenkomstige wijze als voorzien
in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde
verordening en
c. de raadpleging, indien het plan betrekking heeft op
grensvormende of grensoverschrijdende wateren, van de ten aanzien
van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
8.Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening,
bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister.
Afdeling 4a. De zorg voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater
Artikel 9a
1.De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders
dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend
hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens
is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan
worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het
oppervlaktewater te brengen.
2.De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders
dragen tevens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde
hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval
de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de
nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of
in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en
het afvoeren naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren.
Artikel 9b
1.De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders
dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van
maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de
grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel
mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die
maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de
provincie behoort.
2.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de
verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval
worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en
het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het
oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren
naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren.
Afdeling 5. Voorschriften van hoger gezag
Artikel 10
1.Onze Ministers kunnen aan provinciale staten omtrent de
vaststelling of herziening en de inhoud van een provinciaal plan voor
de waterhuishouding aanwijzingen geven, indien een samenhangend en
doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding,
nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen.
2.Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke
het plan dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een vastgesteld
plan betreft, de herziening dient te hebben plaatsgevonden.
3.Onze Ministers gaan niet over tot het geven van een aanwijzing
dan nadat zij gedeputeerde staten in de gelegenheid hebben gesteld van
hun gevoelen omtrent hun voornemen te doen blijken.
4.Provinciale staten stellen het plan vast of herzien het plan in
overeenstemming met de gegeven aanwijzing.
5.Van het besluit houdende de aanwijzing wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant.
Artikel 11
Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of
wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in de artikelen
8, eerste lid en 9, vierde lid, aanwijzingen geven indien een
samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de
waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks
vorderen. Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Beheersinstrumenten
Afdeling 1. Registratie
Artikel 12
1.Degene die water afvoert naar, aanvoert uit, loost in of onttrekt
aan oppervlaktewateren waarover hij niet het beheer voert, is in
daartoe aan te wijzen gevallen verplicht de wijze van afvoer, aanvoer,
lozing of onttrekking te melden en - eventueel - de afgevoerde,
aangevoerde, geloosde of onttrokken waterhoeveelheden te meten,
daarvan aantekening te houden en van de verkregen gegevens opgave te
doen.
2.De in het eerste lid bedoelde melding en opgave worden in de
gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de
oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk, gedaan aan Onze Minister
en in de overige gevallen aan de kwantiteitsbeheerder van het
desbetreffende oppervlaktewater.
3.Een overzicht van de ontvangen gegevens wordt jaarlijks, vóór 1
juli van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de gegevens
betrekking hebben, door Onze Minister toegezonden aan gedeputeerde
staten van de desbetreffende provincie of provincies en door de
beheerder, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister en aan
gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of provincies.
4.Ter provinciale griffie liggen de in het derde lid bedoelde
overzichten kosteloos ter inzage tot drie jaren na het einde van het
kalenderjaar waarop zij betrekking hebben.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde melding, meting, het
houden van aantekening daarvan en het doen van opgave van de verkregen
gegevens.
Artikel 13
1.De in artikel 12, eerste lid, bedoelde aanwijzing van gevallen
welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de
oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen
bij door de kwantiteitsbeheerder vast te stellen verordening. Bij de
aanwijzing wordt rekening gehouden met het in artikel 5
respectievelijk artikel 9 bedoelde beheersplan. De
kwantiteitsbeheerder zendt het besluit waarbij de verordening is
vastgesteld aan Onze Minister.
2.Een voordracht tot de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister.
Artikel 14 [Vervallen per 01-06-2004]
Artikel 15
Onze Minister kan aan de kwantiteitsbeheerder omtrent de vaststelling
of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig
beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen.
Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 2. Het peilbesluit
Artikel 16
1.Een kwantiteitsbeheerder is in daartoe aan te wijzen gevallen
verplicht voor oppervlatewateren onder zijn beheer één of meer
peilbesluiten vast te stellen. De kwantiteitsbeheerder draagt er zorg
voor dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden gedurende
daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Bij
het vaststellen van het peilbesluit wordt rekening gehouden met de in
de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn
op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft.
2.Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk
worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld met
betrekking tot het peilbesluit.
3.Ten aanzien van de overige oppervlaktewateren stellen provinciale
staten bij verordening nadere regelen met betrekking tot het
peilbesluit.
4.De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van gevallen welke
geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren
onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door provinciale
staten vast te stellen verordening. Provinciale staten zenden het
besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister.
5.Een voordracht tot de in het vierde lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister.
6.Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling
of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in het
vierde lid aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig
beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks
vorderen. Artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Het waterakkoord
§ 1. Algemeen
Artikel 17
1.Een kwantiteitsbeheerder die water afvoert naar of aanvoert uit
oppervlaktewateren in beheer bij een andere kwantiteitsbeheerder,
alsmede die andere beheerder zijn in daartoe aan te wijzen gevallen
verplicht gezamenlijk een waterakkoord vast te stellen. Voor zover
deze verplichting rust op het Rijk, wordt zij door of vanwege Onze
Minister nagekomen. Indien een kwantiteitsbeheerder niet tevens
kwaliteitsbeheerder is, neemt ook de kwaliteitsbeheerder aan het
waterakkoord deel. Een kwantiteitsbeheerder kan voorts een ander
openbaar gezag uitnodigen aan het waterakkoord deel te nemen, indien
dat openbaar gezag een waterstaatkundige taak vervult die niet door de
kwantiteitsbeheerder wordt vervuld.
2.Een waterakkoord bevat bepalingen omtrent de wijze waarop de
beheerders de af- en aanvoer van water ten opzichte van elkaar in het
belang van de waterhuishouding regelen. Bij het stellen van deze
bepalingen wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9
bedoelde beheersplannen welke op de oppervlaktewateren waarop het
waterakkoord betrekking heeft, van toepassing zijn.
3.Met betrekking tot de aanwijzing van de in het eerste lid
bedoelde gevallen is artikel 16, vierde tot en met zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
§ 2. De totstandkoming van een waterakkoord
Artikel 18
1.De deelnemers stellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
een termijn van acht maanden na het van kracht worden van de in
artikel 17, eerste lid, bedoelde verplichting een ontwerp van het
waterakkoord op.
2.Een exemplaar van het ontwerp wordt uiterlijk twee weken na het
opstellen ervan toegezonden aan:
a. gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie of
provincies;
b. de besturen van andere openbare lichamen alsmede andere
bestuursorganen of instellingen welke naar het oordeel van de
deelnemers geacht kunnen worden bij het ontwerp belang te hebben.
3.Gedurende een termijn van vier weken vanaf de datum van
verzending kunnen degenen aan wie het ontwerp is toegezonden, hun
zienswijze omtrent het ontwerp aan de deelnemers kenbaar maken.
Artikel 19
1.De deelnemers stellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
acht weken na verloop van de in artikel 18, derde lid, bedoelde
termijn het waterakkoord vast.
2.Een exemplaar van het waterakkoord wordt uiterlijk twee weken na
de vaststelling ervan toegezonden aan degenen aan wie ingevolge
artikel 18, tweede lid, toezending van het ontwerp heeft
plaatsgevonden, en aan Onze Minister.
Artikel 20
1.Uiterlijk twee weken na de in artikel 19, tweede lid, bedoelde
toezending wordt een exemplaar van het waterakkoord gedurende een
maand ter inzage gelegd ten kantore van de deelnemers.
2.Van de terinzagelegging wordt tevoren kennis gegeven in de Nederlandse
Staatscourant en in één of meer dag-, nieuws of
advertentiebladen.
§ 3. De wijziging van een waterakkoord
Artikel 21
1.Een deelnemer die wijziging van een waterakkoord aan de
vaststelling waarvan hij heeft meegewerkt, nodig acht, richt een
schriftelijk verzoek daartoe aan de andere deelnemers.
2.Binnen een termijn van drie maanden na het in het eerste lid
bedoelde verzoek wordt een aanvang gemaakt met de voorbereiding van de
wijziging van het waterakkoord. Bij de wijziging van het waterakkoord
wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde
beheersplannen, welke op de oppervlaktewateren waarop het waterakkoord
betrekking heeft van toepassing zijn. De artikelen 18, 19 en 20 zijn
van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Voorschriften van hoger gezag
Artikel 22
1.Indien een waterakkoord niet binnen een termijn van een jaar is
vastgesteld of gewijzigd, nadat de in artikel 17, eerste lid, bedoelde
verplichting van kracht is geworden onderscheidenlijk de in artikel
21, tweede lid, bedoelde termijn is verlopen, doen de deelnemers
daarvan mededeling aan het in het tweede lid bedoelde gezag.
2.De in het eerste lid bedoelde mededeling wordt, indien het Rijk
of een provincie aan het waterakkoord deelneemt, gedaan aan Onze
Minister en in de overige gevallen aan gedeputeerde staten van de
desbetreffende provincie of provincies.
Artikel 23
1.Het in artikel 22, tweede lid, bedoelde gezag kan in het geval,
bedoeld in het eerste lid van dat artikel, of indien een samenhangend
beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vordert,
aan de deelnemers aanwijzingen geven omtrent de vaststelling of
wijziging en de inhoud van een waterakkoord.
2.Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke
het waterakkoord dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een
vastgesteld waterakkoord betreft, de wijziging dient te hebben
plaatsgevonden.
3.Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat de deelnemers in de
gelegenheid zijn gesteld van hun gevoelen omtrent het voornemen tot
het geven van de aanwijzing te doen blijken. Indien Onze Minister het
voornemen heeft een aanwijzing te geven, stelt hij, indien de
provincie niet tot de deelnemers behoort, ook gedeputeerde staten in
de gelegenheid hun gevoelen daaromtrent te laten blijken.
4.De deelnemers stellen het waterakkoord vast of wijzigen het
waterakkoord in overeenstemming met de gegeven aanwijzing.
5.Van de beschikking, houdende de aanwijzing, wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Afdeling 4. De vergunning
§ 1. Algemeen
Artikel 24
1.Het is in daartoe aan te wijzen gevallen verboden water te lozen
in of te onttrekken aan oppervlaktewateren zonder vergunning. Het
verbod geldt eveneens ingeval door anderen dan kwantiteitsbeheerders
water wordt afgevoerd naar of aangevoerd uit oppervlaktewateren. Het
verbod geldt niet voor kwantiteitsbeheerders voor zover zij water
lozen in of onttrekken aan oppervlaktewateren waarover zij zelf het
beheer voeren.
2.De aanwijzing ingevolge het eerste lid kan enkel betreffen de
lozing of onttrekking van waterhoeveelheden die, zelfstandig of in
samenhang met andere lozingen of onttrekkingen, van nadelige invloed
kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de
waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen noodzaken tot
bijzondere beheersmaatregelen. De artikelen 13 en 15 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Een vergunning wordt verleend door de kwantiteitsbeheerder van
het desbetreffende oppervlaktewater. Is het Rijk kwantiteitsbeheerder,
dan geschiedt de vergunningverlening door of vanwege Onze Minister.
Bij het verlenen van de vergunning wordt rekening gehouden met de in
de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn
op het oppervlaktewater waarop de vergunning betrekking heeft.
4.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter
bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover het bij
of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of de
Grondwaterwet bepaalde daarin niet voorziet.
5.In de vergunning worden ten minste de waterhoeveelheden vermeld
die per één of meer tijdseenheden mogen onderscheidenlijk moeten
worden afgevoerd, aangevoerd, geloosd of onttrokken, alsmede, voor
zover het aanvoeren of onttrekken betreft, het doel waarvoor de
waterhoeveelheden zijn bestemd. De vorige volzin geldt niet voor zover
de vergunning wordt verleend voor een lozing in een geval waarin
ingevolge het eerste lid een aanwijzing van toepassing is in verband
met de nadelige invloed van de lozing van de desbetreffende
waterhoeveelheden op de grondwaterstand of de grondwaterbeweging.
6.De vergunning geldt ook voor de rechtsopvolgers van de houder,
met dien verstande dat zij met ingang van de vierde maand na de dag
van de rechtsopvolging vervalt, tenzij vóór dat tijdstip de
wijziging van de tenaamstelling schriftelijk is aangevraagd.
§ 2. De aanvraag tot verlening van een vergunning
Artikel 25
1.De aanvraag tot verlening van een vergunning wordt ingediend bij
de kwantiteitsbeheerder.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regelen worden gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden
welke de aanvrager moet overleggen teneinde een beoordeling van de
aanvraag mogelijk te maken.
Artikel 26
De kwantiteitsbeheerder zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van
de aanvraag aan de kwaliteitsbeheerder, onder mededeling dat hij van
advies kan dienen, alsmede aan gedeputeerde staten.
Artikel 27
Ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk
onderscheidenlijk ten aanzien van de overige oppervlaktewateren kunnen
bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij provinciale
verordening gevallen worden aangewezen, waarin afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van de
beschikking op de aanvraag.
§ 3. De beschikking op de aanvraag
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 29
De kwantiteitsbeheerder doet van een beslissing tot verlening van een
vergunning of tot weigering daarvan mededeling door toezending van een
afschrift aan de kwaliteitsbeheerder en aan gedeputeerde staten.
§ 4. Wijziging of intrekking van een vergunning
Artikel 30
1.De kwantiteitsbeheerder kan uit eigen beweging of op schriftelijk
verzoek van een belanghebbende een vergunning wijzigen, dan wel geheel
of gedeeltelijk intrekken.
2.Behoudens ingeval de houder van de vergunning om de wijziging
verzoekt, kan een vergunning slechts worden gewijzigd indien de
bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren of de Grondwaterwet daarin niet
voorziet, zulks vordert.
3.Een vergunning kan slechts geheel of gedeeltelijk worden
ingetrokken indien:
a. de houder van de vergunning schriftelijk verklaart daarvan
in het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte geen gebruik
meer te zullen maken;
b. de ter verkrijging van de vergunning verstrekte gegevens
zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een
andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling
daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
c. van de vergunning gedurende vier achtereenvolgende jaren in
het geheel onderscheidenlijk voor een gedeelte geen gebruik is
gemaakt;
d. wordt gehandeld in strijd met de vergunning;
e. blijkt van feiten of omstandigheden waardoor, in verband met
het belang van de waterhuishouding voor zover dit niet door de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren of de Grondwaterwet wordt
beschermd, de lozing, onttrekking, afvoer of aanvoer in het geheel
onderscheidenlijk voor een gedeelte niet langer toelaatbaar wordt
geacht.
4.Bij de wijziging of intrekking van een vergunning wordt rekening
gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die
van toepassing zijn op het oppervlaktewater waarop de vergunning
betrekking heeft.
Artikel 31
1.Van een voornemen tot wijziging geeft de kwantiteitsbeheerder zo
spoedig mogelijk kennis aan:
a. de houder van de vergunning;
b. de kwaliteitsbeheerder;
c. gedeputeerde staten;
d. de belanghebbende, voor zover niet genoemd onder a, b of c,
die een verzoek tot wijziging heeft gedaan.
2.Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 30, derde lid onder a,
geeft de kwantiteitsbeheerder van een voornemen tot gehele of
gedeeltelijke intrekking zo spoedig mogelijk kennis aan de houder van
de vergunning.
3.De kennisgeving bevat de redenen waarop het voornemen tot
wijziging dan wel gehele of gedeeltelijke intrekking is gegrond, en,
indien het een voornemen tot wijziging betreft, de zakelijke inhoud
van de wijziging.
4.Ten aanzien van de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk
onderscheidenlijk ten aanzien van de overige oppervlaktewateren kunnen
bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij provinciale
verordening gevallen worden aangewezen, waarin afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een voornemen als
bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 33
De kwantiteitsbeheerder doet van een beslissing tot wijziging of tot
weigering daarvan mededeling door toezending van een afschrift aan de
kwaliteitsbeheerder en aan gedeputeerde staten.
Afdeling 5. Algemene regels van kwantiteitsbeheerders
Artikel 33a
1.De kwantiteitsbeheerder kan algemene regels stellen ten aanzien
van het lozen van water in, het onttrekken van water aan, het afvoeren
van water naar of het aanvoeren van water uit oppervlaktewateren
waarover hij het beheer voert.
2.De regels kunnen enkel betreffen de lozing, onttrekking, aanvoer
of afvoer van waterhoeveelheden die, niet zelfstandig maar wel in
samenhang met andere lozingen, onttrekkingen, aanvoer of afvoer, van
nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of
de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen nopen tot
bijzondere beheersmaatregelen.
3.De regels kunnen het belang van de waterhuishouding beschermen
voor zover het bij of krachtens de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren of de Grondwaterwet bepaalde daarin niet voorziet.
4.De regels kunnen een algeheel verbod of een bepaalde beperking
inhouden van het met behulp van daarbij aan te geven categorieën van
werken afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van waterhoeveelheden.
De regels kunnen betrekking hebben op alle of op bepaalde
oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheid kan worden uitgeoefend.
5.De regels kunnen geen betrekking hebben op gevallen waarin
ingevolge artikel 24, eerste lid, een vergunning is vereist.
6.Het vijfde lid geldt niet voor zover de regels
overgangsvoorzieningen betreffen voor gevallen waarvoor onmiddellijk
voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regels een vergunning was
vereist ingevolge artikel 24, eerste lid.
7.Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
de wijze van vaststelling van de regels. Artikel 15 is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanwijzingen van Onze
Minister omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een
verordening als bedoeld in artikel 13, eerste lid.
Hoofdstuk IV. Bevoegdheden in buitengewone omstandigheden
Afdeling 1. Vervallen
Artikel 34 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 35 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 36 [Vervallen per 01-09-2002]
Afdeling 2. Vervallen
Artikel 37 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 38 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk V. Schadevergoeding
Artikel 40
Aan degene die ten gevolge van het vaststellen of wijzigen van een
peilbesluit, het vaststellen of wijzigen van een waterakkoord, het
verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of het
vaststellen of wijzigen van een algemene regel als bedoeld in artikel
33a, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet
geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet
of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, wordt door het gezag dat
het desbetreffende besluit heeft genomen, op zijn verzoek een naar
billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend. De schadevergoeding
kan worden bepaald in geld of op andere wijze.
Artikel 41
Indien het in artikel 40 bedoelde gezag, niet zijnde het Rijk, een
vergoeding als bedoeld in dat artikel geheel of gedeeltelijk toekent in
verband met de noodzakelijke behartiging van een openbaar belang waarvan
de behartiging niet of niet geheel tot zijn taak behoort, kan Onze
Minister op verzoek van dit gezag aan het openbaar lichaam welks belang
geheel of gedeeltelijk wordt behartigd, de verplichting opleggen de met
toepassing van artikel 40 gemoeide kosten die het gevolg zijn van die
belangenbehartiging, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
Hoofdstuk VI. Beroep
Artikel 42
Een belanghebbende kan tegen een peilbesluit voor oppervlaktewateren
onder beheer van het Rijk of een provincie beroep instellen bij de
rechtbank.
Artikel 43
In het geval dat een ander dan het Rijk of een provincie aan het
waterakkoord deelneemt kan een belanghebbende beroep instellen bij
gedeputeerde staten tegen een besluit als bedoeld in artikel 19, eerste
lid. Voor de gevallen waarin gedeputeerde staten van meer dan één
provincie van het beroep zouden moeten kennisnemen, wijzen provinciale
staten van de desbetreffende provincies gedeputeerde staten van één
van de provincies als beroepsinstantie aan. Deze aanwijzing geschiedt
bij verordening, vastgesteld bij gemeenschappelijk besluit van
provinciale staten van de desbetreffende provincies.
Artikel 44 [Vervallen per 01-06-2004]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 51
Indien een beslissing van gedeputeerde staten op een krachtens dit
hoofdstuk ingesteld beroep strekt tot gehele of gedeeltelijke
vernietiging van een reeds in werking getreden besluit, kan, zo daartoe
termen aanwezig zijn, bij die beslissing worden bepaald dat een
vergoeding zal worden toegekend ten laste van het lichaam dat het geheel
of gedeeltelijk vernietigde besluit heeft genomen, onverminderd het
recht van degene die het beroep heeft ingesteld, om op grond van andere
wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
Artikel 52
Geschillen omtrent de naleving van een in werking getreden
waterakkoord als bedoeld in artikel 17, eerste lid, tussen de deelnemers
worden beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112,
eerste lid, van de Grondwet. Artikel 18a, eerste lid, eerste volzin, van
de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VII. Toezichts- en opsporingsbevoegdheden
Artikel 53
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister of van het
bestuur van een openbaar lichaam aan welk enige taak bij de uitvoering
van deze wet is opgedragen, aangewezen ambtenaren.
2.Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten
zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
belast de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Minister en Onze
Minister van Justitie. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de
opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en
met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten
betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of
ondernomen door henzelf.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk VIII. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 58
Onze Minister is, voor zover het de hem bij of krachtens deze wet
toegekende bevoegdheden betreft, bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet
gestelde verplichtingen.
Artikel 59
1.Handelen in strijd met het in artikel 24, eerste lid, omschreven
verbod, een krachtens artikel 24, vierde lid, aan een vergunning
verbonden voorschrift, dan wel een krachtens artikel 33a gestelde
algemene regel, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of een geldboete van de vierde categorie.
2.Handelen in strijd met bij of krachtens artikel 12 vastgestelde
verplichtingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken
of een geldboete van de eerste categorie.
3.De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 60
1.Bepalingen in algemene maatregelen van bestuur en verordeningen
van provincies, waterschappen, gemeenten en andere openbare lichamen
ter zake van het afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van water,
alsmede ter zake van het vaststellen van peilbesluiten blijven na de
inwerkingtreding van deze wet van kracht, totdat daaromtrent op de
wijze in deze wet bepaald voorzieningen zijn getroffen en zulks
uiterlijk tot drie jaren na de dag van inwerkingtreding van deze
bepaling.
2.Een peilbesluit onderscheidenlijk een besluit ter zake van het
afvoeren of aanvoeren van water, genomen vóór de inwerkingtreding
van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen, behoudt zijn
geldigheid totdat het is vervangen door een waterakkoord of een
peilbesluit op grond van deze wet, behoudens eerdere beëindiging van
de werking ervan. Een vóór de inwerkingtreding van de in het eerste
lid bedoelde voorzieningen genomen besluit ter zake van het afvoeren
of aanvoeren van water, dat is tot stand gekomen op de wijze van de
artikelen 18 tot en met 20 van deze wet, wordt beschouwd als een
waterakkoord in de zin van deze wet.
3.Een vergunning, vóór de inwerkingtreding van de in het eerste
lid bedoelde voorzieningen verleend op grond van enige wettelijke
bepaling ter zake van het afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van
water, wordt, voor zover niet verleend aan een kwantiteitsbeheerder
voor het afvoeren of aanvoeren van water, voor de toepassing van deze
wet beschouwd als een vergunning verleend op grond van deze wet.
Artikel 61
Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de
landsverdediging worden bepaald dat de in artikel 12, eerste lid,
gestelde verplichting en het in artikel 24, eerste lid, gestelde verbod
niet van toepassing zijn. Daarbij kunnen voorschriften worden gegeven
welke naar ons oordeel in het belang van de waterhuishouding nodig zijn.
Artikel 62
De bevoegdheid tot het maken van verordeningen door waterschappen en
gemeenten blijft ten aanzien van het onderwerp van deze wet gehandhaafd
voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens deze wet
bepaalde in strijd zijn.
Artikel 63
Bepalingen in verordeningen van provincies ter zake van de aanwijzing
van registratie- of vergunningplichtige gevallen, vastgesteld op grond
van de artikelen 13, eerste lid, 14 of 24, tweede of derde lid, zoals
deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2004,
Stb. 191, blijven na de inwerkingtreding van die wet van kracht tot het
tijdstip waarop met betrekking tot de in die verordeningen genoemde
gevallen voorschriften van de kwantiteitsbeheerder als bedoeld in de
artikelen 13, eerste lid, 24, eerste lid, of 33a, eerste lid, van kracht
worden.
Artikel 64
Ten aanzien van de behandeling van beroep dat voor de datum van
inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2004, Stb. 191 is ingesteld
tegen een beschikking ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel
24, of ter zake van de aanvraag daarvan, blijft het recht zoals dat gold
voor die datum van toepassing.
Artikel 65 [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 66
1.Het provinciale plan bedoeld in artikel 7 en de verordeningen
bedoeld in artikel 8, eerste lid, artikel 9, vierde lid, artikel 13,
eerste lid, en artikel 16, derde lid worden niet eerder vastgesteld
dan nadat belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld van de inhoud
hiervan kennis te nemen en hun zienswijze bij provinciale staten
kenbaar te maken.
2.Het bepaalde in het eerste lid vervalt zodra in de provincie een
inspraakverordening van kracht is.
Artikel 67
1.De bepalingen van deze wet zoals die luiden tot het tijdstip van
inwerkingtreding van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water
blijven tot 22 december 2009 van toepassing op een voor dat tijdstip
vastgestelde nota waterhuishouding en op een voor dat tijdstip
vastgesteld plan als bedoeld in artikel 5, 7 of 9 van deze wet. Indien
voor een zodanige nota of een zodanig plan de termijn, bedoeld in
artikel 3, vierde lid, 5, vierde lid, of 7, vijfde lid, eindigt op een
tijdstip, liggende tussen 21 december 2006 en 22 december 2009, kan
die termijn worden verlengd tot 22 december 2009.
2.Voor een waterhuishoudkundig systeem of onderdeel daarvan dat
wordt gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie
bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m3 water wordt
onttrokken dan wel van waaruit water wordt ontrokken ten behoeve van
meer dan 50 personen, wordt uiterlijk op 22 december 2004 een op dat
gebruik betrekking hebbende functie vastgelegd in het desbetreffende
plan als bedoeld in artikel 5, 7 of 9 van deze wet.
Artikel 68 [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 69
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de waterhuishouding.
Artikel 70
De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 14 juni 1989
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de dertiende juli 1989
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|