In deze wet en
de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. Zesde BTW-richtlijn: Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van
Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie
van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting –
Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde:
uniforme grondslag (PbEG L 145);
c. publiekrechtelijk lichaam: een provincie, dan wel een gemeente;
d. regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld in artikel
104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of
gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat;
e. omzetbelasting: de belasting die wordt geheven in de lidstaten
van de Europese Unie krachtens de nationale wetgeving die is gebaseerd
op de Zesde BTW-richtlijn, alsmede de belasting die het karakter van
een omzetbelasting heeft en krachtens de nationale wetgeving wordt
geheven in de EVA-staten genoemd in artikel 2, onderdeel b, van de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
f. bijdrage: bijdrage aan een publiekrechtelijk lichaam of
regionaal openbaar lichaam ter financiering van uitgaven inzake
omzetbelasting onder bij deze wet te stellen voorwaarden;
g. tijdvak: kalenderjaar waarin het recht op bijdrage of de
verschuldigdheid ervan ontstaat;
h. fonds: het BTW-compensatiefonds;
i. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarover het recht op uitkering
ontstaat;
j. de inspecteur: de inspecteur van de rijksbelastingdienst die
bevoegd is voor de heffing van de omzetbelasting ten aanzien van een
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam waarop deze
wet van toepassing is.
2. Voorzover niet anders is bepaald, hebben de begrippen die in
deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gebruikt en die zijn
ontleend aan de Wet op de omzetbelasting 1968, dezelfde betekenis als de
begrippen in die wet en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 2
1. Er is een BTW-compensatiefonds.
2. Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 9 van
de Comptabiliteitswet 2001.
3. Onze Minister voert het beheer over de begroting van het
fonds.
4. Het fonds wordt gevoed door voor ieder uitkeringsjaar bij wet
een bedrag aan middelen van het Rijk ten behoeve van het fonds af te
zonderen.
Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de wijze van
voeding van het fonds.
5. Ten gunste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt
het gerealiseerde batig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar
gebracht.
6. De uitgaven van het fonds worden gevormd door:
a. bijdragen;
b. de uitgaven ten behoeve van het beheer van het fonds.
Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de wijze van
uitkering van het fonds en het verstrekken van voorschotten.
7. Ten laste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt
het gerealiseerde nadelig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar
gebracht.
8. In afwijking van artikel 2, derde lid, van de
Comptabiliteitswet 2001 bevat de begroting van het fonds geen ramingen
van de verplichtingen. Artikel 53, eerste lid, aanhef en onder c, is
niet van toepassing.
9. De inspecteur verstrekt de gegevens die nodig zijn ten behoeve
van het beheer van het fonds.
10. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
minimale hoogte van de bijdragen uit het fonds.
Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de
toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire
verwerking daarvan voorzover de bijdragen uit het fonds op grond van dit
lid meer bedragen dan de bijdragen waarop recht bestaat op grond van de
overige bepalingen van deze wet.
Onze Minister kan voorts nadere regels stellen met betrekking tot een
verevening van de in de vorige volzin bedoelde uitgekeerde hogere
bijdragen in een kalenderjaar met bijdragen over daarop volgende
kalenderjaren voorzover laatstbedoelde bijdragen de minimale hoogte van
de bijdragen uit het fonds in die jaren overtreffen.
11. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire
verwerking van bijdragen die niet samenhangen met betalingen op grond
van de Wet op de omzetbelasting 1968.
12. Een krachtens dit artikel vastgestelde ministeriële regeling
treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van de
plaatsing in de Staatscourant. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 3
Het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam heeft
recht op een bijdrage uit het fonds ter financiering van:
a. de omzetbelasting die door een ondernemer aan het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening
is gebracht, dan wel van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal
openbaar lichaam wordt geheven, ter zake van aan hem verrichte
leveringen en verleende diensten;
b. de omzetbelasting die van het publiekrechtelijk lichaam of
regionaal openbaar lichaam wordt geheven ingevolge een door hem
verrichte intracommunautaire verwerving;
c. de omzetbelasting die wordt geheven ter zake van de invoer van
voor het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam
bestemde goederen;
voorzover die belasting betrekking heeft op goederen en diensten die
het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam bezigt
anders dan in het kader van zijn onderneming.
Artikel 4
1. Het recht op een bijdrage wordt uitgesloten voor de
omzetbelasting op de in artikel 3 bedoelde goederen en diensten welke
gebezigd worden:
a. om verstrekt, verleend of ter beschikking gesteld te worden aan
een of meer individuele derden, of
b. voor het verrichten van prestaties, al dan niet tegen
vergoeding, die, indien zij door een ondernemer worden verricht, zijn
vrijgesteld ingevolge artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Artikel 5
Het recht op bijdrage ontstaat op het tijdstip waarop de
omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar
lichaam in rekening wordt gebracht op een conform de wettelijke
bepalingen inzake de omzetbelasting voorgeschreven wijze opgemaakte
factuur, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt
verschuldigd.
Artikel 6
1. De bijdrage wordt naar evenredigheid verschuldigd op het
tijdstip waarop en voorzover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
het bedrag waarop de bijdrage betrekking heeft, niet of niet geheel
zal worden betaald dan wel is terugontvangen.
2. De bijdrage wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de
opeisbaarheid van de vergoeding, voorzover deze op dat tijdstip nog niet
is betaald.
Artikel 7
1. De bijdrage wordt bepaald overeenkomstig de bestemming van
de goederen en diensten op het tijdstip waarop de omzetbelasting aan
het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in
rekening wordt gebracht, dan wel op het tijdstip waarop de
omzetbelasting wordt verschuldigd.
2. Indien op het tijdstip waarop het publiekrechtelijk lichaam of
regionaal openbaar lichaam de goederen en diensten gaat bezigen, blijkt,
dat de omzetbelasting ter financiering waarvan de bijdrage strekt voor
een groter of kleiner gedeelte tot bijdrage heeft geleid dan waartoe het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam op grond van het
gebruik van de goederen en diensten is gerechtigd, wordt de te veel
ontvangen bijdrage op dat tijdstip verschuldigd, dan wel ontstaat op dat
tijdstip een recht op bijdrage ter hoogte van de te weinig ontvangen
bijdrage.
Artikel 8
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval
de goederen en diensten zowel worden bestemd of gebezigd in het kader
van de onderneming van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal
openbaar lichaam als in het kader van andere doeleinden van het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam. Onze Minister
kan voorts nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval de goederen
en diensten worden bestemd of gebezigd mede ten behoeve van prestaties
als bedoeld in artikel 4.
Artikel 9
1. De inspecteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, is mede
bevoegd voor de toepassing van deze wet ten aanzien van het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam.
2. Voor het einde van de maand volgend op het tijdvak waarin het
recht op bijdrage is ontstaan, dan wel een eerder verstrekte of nog te
verstrekken bijdrage geheel of gedeeltelijk verschuldigd is geworden,
wordt daarvan opgave gedaan. De inspecteur kan bij beschikking afwijken
van de opgave.
3. Na afloop van het kalenderjaar stelt de inspecteur de bijdrage
over dat jaar op grond van de bepalingen van deze wet bij beschikking
vast. Het verschil tussen de bij de in de vorige volzin bedoelde
beschikking vastgestelde bijdrage en de over het kalenderjaar verstrekte
voorschotten wordt zes maanden na het kalenderjaar uitbetaald,
teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting die verschuldigd is
op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, met inachtneming van het
bepaalde in artikel 2, tiende lid, over de minimale hoogte van de
bijdrage.
4. Indien uiterlijk vijf jaren na het einde van het kalenderjaar
blijkt dat bijdrage over dat jaar is verstrekt tot een hoger of lager
bedrag dan waarop het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar
lichaam op grond van deze wet recht heeft, stelt de inspecteur de hoogte
van de bijdrage over het desbetreffende kalenderjaar vast bij
beschikking en wordt het verschil met de over dat kalenderjaar
verstrekte bijdrage uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met
omzetbelasting en de daarover berekende heffingsrente. Voor de
toepassing van dit lid wordt rente berekend op grond van het vijfde lid
beschouwd als bijdrage.
5. In de gevallen bedoeld in het vierde lid wordt rente berekend.
Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
overeenkomstige toepassing als ware de bijdrage omzetbelasting, met dien
verstande dat rente wordt berekend met ingang van de eerste dag van de
zevende kalendermaand volgend op het kalenderjaar waarop het recht op
bijdrage betrekking heeft.
6. Hetgeen voor de omzetbelasting onherroepelijk komt vast te
staan, geldt mede ten aanzien van de toepassing van deze wet.
7. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie
tegen een op de voet van het tweede, derde of vierde lid gegeven
beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
van overeenkomstige toepassing.
8. De artikelen 47, 48 tot en met 56 en 67 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen en de artikelen 34 en 34a van de Wet op de
omzetbelasting 1968 zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van
hetgeen in dit artikel is bepaald.
Artikel 10
[Wijzigt de Gemeentewet]
Artikel 11
[Wijzigt de Provinciewet]
Artikel 12
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 13
1. Geen recht op bijdrage bestaat voor omzetbelasting die in
rekening is gebracht op een tijdstip dat is gelegen op of na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin de
omzetbelasting:
a. betrekking heeft op leveringen of diensten, voorzover die worden
verricht op een tijdstip dat is gelegen voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet;
b. op grond van de wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting
in rekening had moeten worden gebracht op een tijdstip dat is gelegen
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet;
c. betrekking heeft op de levering van een gebouw of een gedeelte
van een gebouw en het erbij behorende terrein dan wel van een
bouwterrein, alsmede van rechten waaraan deze zijn onderworpen, welk
gebouw of gedeelte van een gebouw dan wel bouwterrein voor het eerst
geheel dan wel gedeeltelijk in gebruik is genomen uiterlijk twee jaren
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2. Bij diensten waarvoor periodiek een vergoeding in rekening
wordt gebracht wordt het recht op bijdrage beperkt in de gevallen waarin
en voorzover de vergoeding die in rekening wordt gebracht na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet meer dan tien percent hoger
is dan de vergoeding die gemiddeld in rekening is gebracht in de periode
van twee jaren voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet. Het percentage van tien wordt vermeerderd met tien voor elk
heel jaar dat sinds het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is
verstreken.
3. De beperking in het recht op bijdrage, bedoeld in het
voorgaande lid, vervalt voor diensten met betrekking tot roerende zaken
vijf jaren en voor diensten met betrekking tot onroerende zaken tien
jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Een
overeenkomstige vervaltermijn geldt voor rechten waaraan roerende dan
wel onroerende zaken zijn onderworpen. Voor overige diensten geldt een
vervaltermijn van vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2003, met
uitzondering voor de regionale openbare lichamen, waarvoor deze wet op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden.
Artikel 15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het BTW-compensatiefonds.