Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit
BTW-compensatiefonds
- Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds
WET van 27 juni 2002, houdende de Wet op
het BTW-compensatiefonds
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is gemeenten,
provincies en regionale openbare lichamen te compenseren voor de lasten
van de heffing van omzetbelasting om daarmee de afweging tussen het zelf
uitvoeren van activiteiten en het uitbesteden daarvan te verbeteren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. Zesde BTW-richtlijn: Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad
van Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977, betreffende de
harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake
omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de
toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PbEG L 145);
c. publiekrechtelijk lichaam: een provincie, dan wel een
gemeente;
d. regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld in
artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de
gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en
Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of
Utrecht omvat;
e. omzetbelasting: de belasting die wordt geheven in de
lidstaten van de Europese Unie krachtens de nationale wetgeving
die is gebaseerd op de Zesde BTW-richtlijn, alsmede de belasting
die het karakter van een omzetbelasting heeft en krachtens de
nationale wetgeving wordt geheven in de EVA-staten genoemd in
artikel 2, onderdeel b, van de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte;
f. bijdrage: bijdrage aan een publiekrechtelijk lichaam of
regionaal openbaar lichaam ter financiering van uitgaven inzake
omzetbelasting onder bij deze wet te stellen voorwaarden;
g. tijdvak: kalenderjaar waarin het recht op bijdrage of de
verschuldigdheid ervan ontstaat;
h. fonds: het BTW-compensatiefonds;
i. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarover het recht op
uitkering ontstaat;
j. de inspecteur: de inspecteur van de rijksbelastingdienst die
bevoegd is voor de heffing van de omzetbelasting ten aanzien van
een publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam waarop
deze wet van toepassing is.
2. Voorzover niet anders is bepaald, hebben de begrippen die in
deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gebruikt en die
zijn ontleend aan de Wet op de omzetbelasting 1968, dezelfde betekenis
als de begrippen in die wet en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 2
1. Er is in de departementale begroting van het Ministerie van
Financiën een artikel met de omschrijving BTW-compensatiefonds.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de
wijze van uitkering van een bijdrage uit het fonds en het verstrekken
van voorschotten.
3. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
minimale hoogte van de bijdragen uit het fonds.
Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot
de toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire
verwerking daarvan voorzover de bijdragen uit het fonds op grond van
dit lid meer bedragen dan de bijdragen waarop recht bestaat op grond
van de overige bepalingen van deze wet.
Onze Minister kan voorts nadere regels stellen met betrekking tot
een verevening van de in de vorige volzin bedoelde uitgekeerde hogere
bijdragen in een kalenderjaar met bijdragen over daarop volgende
kalenderjaren voorzover laatstbedoelde bijdragen de minimale hoogte
van de bijdragen uit het fonds in die jaren overtreffen.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire
verwerking van bijdragen die niet samenhangen met betalingen op grond
van de Wet op de omzetbelasting 1968.
5. Een krachtens dit artikel vastgestelde ministeriële regeling
treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van de
plaatsing in de Staatscourant. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 3
Het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam heeft
recht op een bijdrage uit het fonds ter financiering van:
a. de omzetbelasting die door een ondernemer aan het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening
is gebracht, dan wel van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal
openbaar lichaam wordt geheven, ter zake van aan hem verrichte
leveringen en verleende diensten;
b. de omzetbelasting die van het publiekrechtelijk lichaam of
regionaal openbaar lichaam wordt geheven ingevolge een door hem
verrichte intracommunautaire verwerving;
c. de omzetbelasting die wordt geheven ter zake van de invoer van
voor het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam
bestemde goederen;
voorzover die belasting betrekking heeft op goederen en diensten die
het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam bezigt
anders dan in het kader van zijn onderneming.
Artikel 4
1. Het recht op een bijdrage wordt uitgesloten voor de
omzetbelasting op de in artikel 3 bedoelde goederen en diensten welke
gebezigd worden:
a. om verstrekt, verleend of ter beschikking gesteld te worden
aan een of meer individuele derden, of
b. voor het verrichten van prestaties, al dan niet tegen
vergoeding, die, indien zij door een ondernemer worden verricht,
zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 van de Wet op de
omzetbelasting 1968.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Artikel 5
Het recht op bijdrage ontstaat op het tijdstip waarop de
omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar
lichaam in rekening wordt gebracht op een conform de wettelijke
bepalingen inzake de omzetbelasting voorgeschreven wijze opgemaakte
factuur, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt
verschuldigd.
Artikel 6
1. De bijdrage wordt naar evenredigheid verschuldigd op het
tijdstip waarop en voorzover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
het bedrag waarop de bijdrage betrekking heeft, niet of niet geheel
zal worden betaald dan wel is terugontvangen.
2. De bijdrage wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de
opeisbaarheid van de vergoeding, voorzover deze op dat tijdstip nog
niet is betaald.
Artikel 7
1. De bijdrage wordt bepaald overeenkomstig de bestemming van de
goederen en diensten op het tijdstip waarop de omzetbelasting aan het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening
wordt gebracht, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt
verschuldigd.
2. Indien op het tijdstip waarop het publiekrechtelijk lichaam of
regionaal openbaar lichaam de goederen en diensten gaat bezigen,
blijkt, dat de omzetbelasting ter financiering waarvan de bijdrage
strekt voor een groter of kleiner gedeelte tot bijdrage heeft geleid
dan waartoe het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar
lichaam op grond van het gebruik van de goederen en diensten is
gerechtigd, wordt de te veel ontvangen bijdrage op dat tijdstip
verschuldigd, dan wel ontstaat op dat tijdstip een recht op bijdrage
ter hoogte van de te weinig ontvangen bijdrage.
Artikel 8
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval
de goederen en diensten zowel worden bestemd of gebezigd in het kader
van de onderneming van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal
openbaar lichaam als in het kader van andere doeleinden van het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam. Onze Minister
kan voorts nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval de goederen
en diensten worden bestemd of gebezigd mede ten behoeve van prestaties
als bedoeld in artikel 4.
Artikel 9
1. De inspecteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, is mede
bevoegd voor de toepassing van deze wet ten aanzien van het
publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam.
2. Voor het einde van de maand volgend op het tijdvak waarin het
recht op bijdrage is ontstaan, dan wel een eerder verstrekte of nog te
verstrekken bijdrage geheel of gedeeltelijk verschuldigd is geworden,
wordt daarvan opgave gedaan. De inspecteur kan bij beschikking
afwijken van de opgave.
3. Na afloop van het kalenderjaar stelt de inspecteur de bijdrage
over dat jaar op grond van de bepalingen van deze wet bij beschikking
vast. Het verschil tussen de bij de in de vorige volzin bedoelde
beschikking vastgestelde bijdrage en de over het kalenderjaar
verstrekte voorschotten wordt zes maanden na het kalenderjaar
uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting die
verschuldigd is op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, met
inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tiende lid, over de
minimale hoogte van de bijdrage.
4. Indien uiterlijk vijf jaren na het einde van het kalenderjaar
blijkt dat bijdrage over dat jaar is verstrekt tot een hoger of lager
bedrag dan waarop het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar
lichaam op grond van deze wet recht heeft, stelt de inspecteur de
hoogte van de bijdrage over het desbetreffende kalenderjaar vast bij
beschikking en wordt het verschil met de over dat kalenderjaar
verstrekte bijdrage uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met
omzetbelasting en de daarover berekende belastingrente. Voor de
toepassing van dit lid wordt rente berekend op grond van het vijfde
lid beschouwd als bijdrage.
5. In de gevallen, bedoeld in het vierde lid, wordt belastingrente
berekend met overeenkomstige toepassing van de artikelen 30h, 30ha en
30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als ware de bijdrage
omzetbelasting, met dien verstande dat rente niet eerder wordt
berekend dan met ingang van de eerste dag van de zevende maand volgend
op het kalenderjaar waarop het recht op bijdrage betrekking heeft.
6. Hetgeen voor de omzetbelasting onherroepelijk komt vast te
staan, geldt mede ten aanzien van de toepassing van deze wet.
7. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie tegen
een op de voet van het tweede, derde of vierde lid gegeven beschikking
is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
8. De artikelen 47, 48 tot en met 56 en 67 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen en de artikelen 34 en 34a van de Wet op de
omzetbelasting 1968 zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van
hetgeen in dit artikel is bepaald.
Artikel 10
[Wijzigt de Gemeentewet]
Artikel 11
[Wijzigt de Provinciewet]
Artikel 12
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 13
1. Geen recht op bijdrage bestaat voor omzetbelasting die in
rekening is gebracht op een tijdstip dat is gelegen op of na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin de
omzetbelasting:
a. betrekking heeft op leveringen of diensten, voorzover die
worden verricht op een tijdstip dat is gelegen voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet;
b. op grond van de wettelijke bepalingen inzake de
omzetbelasting in rekening had moeten worden gebracht op een
tijdstip dat is gelegen voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet;
c. betrekking heeft op de levering van een gebouw of een
gedeelte van een gebouw en het erbij behorende terrein dan wel van
een bouwterrein, alsmede van rechten waaraan deze zijn
onderworpen, welk gebouw of gedeelte van een gebouw dan wel
bouwterrein voor het eerst geheel dan wel gedeeltelijk in gebruik
is genomen uiterlijk twee jaren voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
2. Bij diensten waarvoor periodiek een vergoeding in rekening wordt
gebracht wordt het recht op bijdrage beperkt in de gevallen waarin en
voorzover de vergoeding die in rekening wordt gebracht na het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet meer dan tien percent hoger is dan
de vergoeding die gemiddeld in rekening is gebracht in de periode van
twee jaren voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet. Het percentage van tien wordt vermeerderd met tien voor elk heel
jaar dat sinds het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is
verstreken.
3. De beperking in het recht op bijdrage, bedoeld in het voorgaande
lid, vervalt voor diensten met betrekking tot roerende zaken vijf
jaren en voor diensten met betrekking tot onroerende zaken tien jaren
na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Een overeenkomstige
vervaltermijn geldt voor rechten waaraan roerende dan wel onroerende
zaken zijn onderworpen. Voor overige diensten geldt een vervaltermijn
van vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2003, met
uitzondering voor de regionale openbare lichamen, waarvoor deze wet op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden.
Artikel 15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het BTW-compensatiefonds.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Staatssecretaris van Financiën,
W.J. Bos
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.P. Pronk
Uitgegeven de vijfentwintigste juli 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|