Nadere regelgeving:
- Besluit gegevensverwerving CBS
- Regeling verstrekking gegevens doodsoorzaken CBS
WET van 20 november 2003, houdende
vaststelling van een wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Wet
op het Centraal bureau voor de statistiek)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te
gaan tot externe verzelfstandiging van het dienstonderdeel Centraal
bureau voor de statistiek door oprichting van een zelfstandig
bestuursorgaan en nieuwe regels vast te stellen inzake de verwerving,
het gebruik en de verstrekking van gegevens in het kader van de
statistische informatievoorziening;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. CBS: het Centraal bureau voor de statistiek;
c. directeur-generaal: de directeur-generaal van de statistiek;
d. CCS: de Centrale commissie voor de statistiek.
Hoofdstuk 2. Centraal bureau voor de statistiek
Paragraaf 1. Instelling en taak
Artikel 2
1. Er is een Centraal bureau voor de statistiek.
2. Het CBS bezit rechtspersoonlijkheid.
3. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing.
Artikel 3
Het CBS heeft tot taak het van overheidswege verrichten van
statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en
het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde
statistieken.
Artikel 4
Het CBS is op nationaal niveau belast met de productie van
communautaire statistieken.
Artikel 5
1.Het CBS kan in incidentele gevallen statistische werkzaamheden
voor derden verrichten. Deze werkzaamheden mogen niet leiden tot
mededinging met private aanbieders van vergelijkbare diensten die uit
een oogpunt van goede marktwerking ongewenst is.
2.Onze Minister kan nadere regels stellen over de werkzaamheden,
bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 2. Bestuursorganen
Artikel 6
Het CBS heeft twee bestuursorganen:
a. de directeur-generaal, bedoeld in artikel 8;
b. de CCS, bedoeld in artikel 20.
Paragraaf 3. Personeel
Artikel 7
De bevoegdheden zoals neergelegd in de rechtspositieregels die gelden
voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met uitzondering
van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels,
worden uitgeoefend door de directeur-generaal.
Hoofdstuk 3. Directeur-generaal van de statistiek
Paragraaf 1. Instelling en samenstelling
Artikel 8
1. Het bestuur van het CBS wordt gevormd door een
directeur-generaal met de titel van directeur-generaal van de
statistiek.
2. Onze Minister stelt regels ten aanzien van de plaatsvervanging
van de directeur-generaal.
Paragraaf 2. Benoeming, schorsing en ontslag
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 10
1. De directeur-generaal wordt benoemd voor een periode van ten
hoogste zeven jaren en kan eenmaal worden herbenoemd voor een periode
van ten hoogste drie jaren.
2. Bij het openvallen van de functie van directeur-generaal doet de
CCS een aanbeveling voor de vervulling van deze functie aan Onze
Minister.
3. Schorsing en ontslag van de directeur-generaal vindt niet plaats
dan nadat de CCS is gehoord.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 3. Taken, bevoegdheden en werkwijze
Artikel 13
1.De directeur-generaal is belast met het besturen van het CBS.
2.De directeur-generaal vertegenwoordigt het CBS in en buiten
rechte.
Artikel 14
1.De directeur-generaal stelt ten minste eenmaal in de vijf jaren
een meerjarenprogramma op, waarin op hoofdlijnen wordt vastgelegd
welke werkzaamheden het CBS zal uitvoeren in de komende jaren.
2.Het meerjarenprogramma bevat voorts een beschrijving van de op
middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen, de
hoofdlijnen van het daarop te richten beleid en de financiële en
organisatorische voorwaarden die daartoe vervuld moeten worden.
Artikel 15
1.De directeur-generaal stelt jaarlijks een werkprogramma voor het
daaropvolgende jaar op. Hij kan het werkprogramma tussentijds
wijzigen.
2.In het werkprogramma wordt vastgelegd welke werkzaamheden het CBS
in een bepaald jaar zal uitvoeren, voor zover de beschikbare middelen
dat toelaten.
3.Het werkprogramma bevat een beschrijving van het belang van een
statistiek voor praktijk, beleid en wetenschap, de vraag of een
statistiek noodzakelijk is op grond van Europese of andere
regelgeving, een verantwoording omtrent de belangrijkste
niet-gehonoreerde verzoeken om statistieken en een paragraaf met de
kosten en opbrengsten van de statistieken.
Artikel 16
1.De directeur-generaal legt het meerjarenprogramma en het
werkprogramma vóór 1 november en de wijzigingen in het werkprogramma
tussentijds ter vaststelling voor aan de CCS.
2.De directeur-generaal legt het meerjarenprogramma, het
werkprogramma en de wijzigingen in het werkprogramma, na vaststelling
door de CCS, ter inzage bij het CBS gedurende de periode waarvoor zij
gelden. Hiervan doet hij mededeling in de Staatscourant.
Artikel 17
1.De CCS zendt het meerjarenprogramma vóór 1 december aan Onze
Minister.
2.Onze Minister brengt zijn standpunt over de financiële en
organisatorische voorwaarden die vervuld moeten worden ter
verwezenlijking van het meerjarenprogramma, bepaald in overeenstemming
met het gevoelen van de raad van ministers, binnen zes maanden na
ontvangst van het programma ter kennis van de directeur-generaal, de
CCS en de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hiervan doet hij
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 18
De directeur-generaal bepaalt de methoden waarmee de in de werk- en
meerjarenprogramma's opgenomen onderzoeken worden uitgevoerd en de wijze
waarop de resultaten van die onderzoeken worden openbaar gemaakt.
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2011]
Hoofdstuk 4. Centrale commissie voor de statistiek
Paragraaf 1. Instelling en samenstelling
Artikel 20
Het bestuur van het CBS wordt mede gevormd door een Centrale
commissie voor de statistiek.
Artikel 21
1. De CCS bestaat uit de voorzitter en een even aantal overige
leden dat ten minste zes en ten hoogste tien bedraagt.
2. De secretaris is een door de directeur-generaal, in
overeenstemming met de voorzitter van de CCS, aangewezen personeelslid
van het CBS. De secretaris is geen lid van de CCS.
Paragraaf 2. Benoeming
Artikel 22
1. Onze Minister wijst een lid van de CCS aan als plaatsvervangend
voorzitter.
2. Bij het openvallen van een plaats doet de CCS een aanbeveling
voor de vervulling daarvan aan Onze Minister.
Artikel 23
1.De leden van de CCS worden benoemd voor een periode van ten
hoogste vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
2.Bij tussentijds aftreden treedt het lid dat wordt benoemd ter
vervulling van de opengevallen plaats, af op het tijdstip waarop
degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden. Hij is
terstond herbenoembaar.
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2011]
Paragraaf 3. Taken, bevoegdheden en werkwijze
Artikel 25
De CCS heeft tot taak:
a. het bevorderen van een statistische informatievoorziening van
overheidswege die voorziet in de behoeften van praktijk, beleid en
wetenschap;
b. het bevorderen van de nauwkeurigheid en de volledigheid van de
van overheidswege openbaar te maken statistieken;
c. het beoordelen van het meerjarenprogramma en het werkprogramma
van het CBS;
d. erop toe te zien dat de verwerving van gegevens door het CBS
op zodanige wijze geschiedt dat daaruit voortvloeiende
administratieve lasten voor ondernemingen en instellingen zo laag
mogelijk zijn;
e. erop toe te zien dat de door het CBS verrichte statistische
werkzaamheden voor derden niet leiden tot mededinging met private
aanbieders van vergelijkbare diensten die uit een oogpunt van goede
marktwerking ongewenst is;
f. toe te zien op de uitvoering door de directeur-generaal van de
bevoegdheid tot het beschikbaar stellen van verzamelingen van
gegevens ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 26
1. De CCS stelt een bestuursreglement vast.
2. De CCS komt jaarlijks ten minste viermaal bijeen.
Artikel 27
Door een van Onze Ministers wordt slechts een nieuw statistisch
onderzoek ingesteld of in een onderzoek dat reeds plaatsvindt wijziging
gebracht, nadat de CCS is gehoord.
Artikel 28
Ter uitvoering van haar taak kan de CCS zich rechtstreeks tot derden
wenden tot het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft.
Artikel 29
1. De CCS kan de voorbereiding van bepaalde beslissingen en taken
opdragen aan al dan niet uit haar midden ingestelde subcommissies of
aan de directeur-generaal.
2. Artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van
overeenkomstige toepassing op de leden van subcommissies die geen lid
zijn van de CCS.
Artikel 30
De voorzitter van de CCS kan in spoedeisende gevallen de in artikel
16, eerste lid, bedoelde bevoegdheid van de CCS, voor zover het een
wijziging van het werkprogramma betreft, en de in artikel 27 bedoelde
bevoegdheden uitoefenen.
Artikel 31
Stukken van of namens de CCS uitgaande, worden door de voorzitter en
de secretaris ondertekend.
Artikel 32
Beslissingen van de CCS worden genomen overeenkomstig het standpunt
van de meerderheid van de leden.
Hoofdstuk 4a. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 32a
Deze wet, met uitzondering van de artikelen 4, 38a tot en met 39, en
artikel 41, tweede lid, onderdeel d, is mede van toepassing in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien verstande
dat Hoofdstuk 5, paragraaf 4, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Aanpassingswet vierde tranche Awb, in
genoemde openbare lichamen van toepassing blijft.
Hoofdstuk 5. Verwerving, gebruik en verstrekking van gegevens
Paragraaf 1. Verwerving
Artikel 33
1.De directeur-generaal is bevoegd ten behoeve van statistische
doeleinden gebruik te maken van gegevens uit registraties die in
verband met de uitvoering van een wettelijke taak worden bijgehouden
bij:
a. instellingen en diensten van:
1º. het Rijk;
2º. provincies;
3º. gemeenten;
4º. waterschappen;
5º. openbare lichamen, gevormd ingevolge de Wet
gemeenschappelijke regelingen;
b. openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de
Grondwet;
c. zelfstandige bestuursorganen op het niveau van de centrale
overheid.
2.De directeur-generaal is voorts bevoegd ten behoeve van
statistische doeleinden gebruik te maken van gegevens uit registraties
die worden bijgehouden door bij algemene maatregel van bestuur,
gehoord de CCS, aangewezen rechtspersonen die een bij of krachtens de
wet geregelde taak uitoefenen of geheel of gedeeltelijk, direct of
indirect, worden bekostigd uit middelen van de Staat of uit de
opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.
3.Voor zover de in het eerste en tweede lid bedoelde verwerving
niet de benodigde gegevens oplevert, is de directeur-generaal bevoegd
ten behoeve van statistische doeleinden bij algemene maatregel van
bestuur, gehoord de CCS, aan te wijzen gegevens op te vragen bij door
die maatregel aangewezen categorieën van ondernemingen, vrije
beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen.
4.De in het eerste lid bedoelde instellingen, diensten, lichamen en
zelfstandige bestuursorganen, de in het tweede lid bedoelde
rechtspersonen en de in het derde lid bedoelde ondernemingen, vrije
beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen verstrekken de in
die leden bedoelde gegevens kosteloos op verzoek van de
directeur-generaal binnen een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen termijn. Daarbij kan geen beroep worden gedaan op
geheimhoudingsverplichtingen, tenzij deze verplichtingen gebaseerd
zijn op internationale regelgeving.
5.Voor zover de in het derde lid bedoelde gegevens liggen op het
terrein van het Nederlandse bankwezen en deze door De Nederlandsche
Bank NV uit hoofde van haar taken worden verzameld, geschiedt de
verwerving van deze gegevens na overleg met en door tussenkomst van De
Nederlandsche Bank NV. Ten aanzien van de overige gegevens op het
terrein van het Nederlandse bankwezen geschiedt de verwerving van deze
gegevens na overleg met De Nederlandsche Bank NV.
Artikel 34
De directeur-generaal kan het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer opnemen in een registratie
en daarvan gebruik maken ten behoeve van statistische doeleinden. De
directeur-generaal kan het burgerservicenummer, onderscheidenlijk het
sociaal-fiscaalnummer, gebruiken in contacten met personen en instanties
voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het gebruik van dat nummer in
een registratie.
Artikel 35
De directeur-generaal kan ten behoeve van statistische doeleinden
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens verwerken.
Artikel 36
Met inachtneming van een goede vervulling van zijn taak draagt de
directeur-generaal er zorg voor dat de verwerving van gegevens op
zodanige wijze geschiedt dat de daaruit voortvloeiende administratieve
lasten voor ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en
rechtspersonen die volgens hun statuten tot doel hebben de belangen van
de betrokken ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren en instellingen te
behartigen, zo laag mogelijk zijn.
Paragraaf 2. Gebruik van gegevens
Artikel 37
1.De door de directeur-generaal in het kader van de uitoefening van
de taken ter uitvoering van deze wet ontvangen gegevens worden
uitsluitend gebruikt voor statistische doeleinden.
2.De in het eerste lid bedoelde gegevens worden niet verstrekt aan
anderen dan degenen die belast zijn met de uitvoering van de taak van
het CBS.
3.De in het eerste lid bedoelde gegevens worden slechts zodanig
openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een
afzonderlijk persoon, huishouden, onderneming of instelling kunnen
worden ontleend, tenzij, ingeval het gegevens met betrekking tot een
onderneming of instelling betreft, er een gegronde reden is om aan te
nemen dat bij de betrokken onderneming of instelling geen bedenkingen
bestaan tegen de openbaarmaking.
Artikel 38
De directeur-generaal draagt op de voet van de ter zake voor de
Rijksdienst geldende voorschriften zorg voor de nodige technische en
organisatorische voorzieningen ter beveiliging van zijn gegevens tegen
verlies of aantasting en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging en
verstrekking van die gegevens.
Paragraaf 2a. Uitvoering van verordening 638/2004
Artikel 38a
1.In deze paragraaf wordt verstaan onder verordening 638/2004:
verordening (EG) nr. 638/2004 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de communautaire
statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten en houdende
intrekking van Verordening (EEG) nr. 3330/91 (PbEG L 102).
2.De artikelen 33, derde tot en met vijfde lid en 37, derde lid,
zijn niet van toepassing op de uitvoering van verordening 638/2004.
Artikel 38b
De informatieplichtigen, bedoeld in artikel 7 van verordening
638/2004, die gehouden zijn tot het doen van een opgave op grond van die
verordening, verstrekken de desbetreffende gegevens kosteloos aan het
CBS.
Artikel 38c
1.Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld:
a. welke gegevens als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van
verordening 638/2004 moeten worden opgegeven;
b. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde gegevens moeten
worden opgegeven;
c. de hoogte van de in artikel 10, eerste lid, van verordening
638/2004 bedoelde statistische drempels;
d. al hetgeen verder nodig is ter voldoening aan de op
verordening 638/2004 berustende voorschriften.
2.Bij ministeriële regeling kan de aard en de hoogte van de in
artikel 10, vierde lid, van verordening 638/2004 bedoelde statistische
drempels worden vastgesteld.
3.De in het eerste lid, onderdeel c, en in het tweede lid bedoelde
drempels worden per kalenderjaar vastgesteld.
Artikel 38d
Het in artikel 13, tweede lid, van verordening 638/2004 bedoelde
verslag wordt opgesteld door het CBS.
Paragraaf 3. Verstrekking van gegevens
Artikel 39
1.In afwijking van artikel 37 verstrekt de directeur-generaal
gegevens aan de communautaire en nationale instanties voor de
statistiek van de lidstaten van de Europese Unie voor zover deze
verstrekking noodzakelijk is voor de productie van specifieke
communautaire statistieken.
2.Bij elke andere verstrekking aan de communautaire en nationale
instanties voor de statistiek van de lidstaten van de Europese Unie
vergewist de directeur-generaal zich ervan dat alle administratieve,
technische en organisatorische maatregelen zijn genomen die voor de
fysieke en logistieke bescherming van vertrouwelijke gegevens en voor
het voorkomen van enige onwettige openbaarmaking en gebruik voor
niet-statistische doeleinden bij de verspreiding van communautaire en
nationale statistieken nodig zijn.
Artikel 40
1.In afwijking van artikel 37 kan de directeur-generaal,
uitsluitend ten behoeve van statistische doeleinden in het kader van
de uitvoering van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994,
gegevens verstrekken aan De Nederlandsche Bank NV.
2.De in het eerste lid bedoelde gegevens worden aangewezen in een
door Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en
gehoord de CCS, vast te stellen regeling.
3.De op grond van het eerste lid verstrekte gegevens worden door De
Nederlandsche Bank NV uitsluitend gebruikt voor werkzaamheden in het
kader van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994.
Artikel 41
1.In afwijking van artikel 37 kan de directeur-generaal op verzoek,
ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek, een
verzameling van gegevens met betrekking tot het gebruik waarvan
passende maatregelen zijn genomen om herkenning van afzonderlijke
personen, huishoudens, ondernemingen of instellingen te voorkomen,
verstrekken aan een dienst, organisatie of instelling als bedoeld in
het tweede lid, dan wel daartoe toegang verlenen.
2.Een verzameling van gegevens als bedoeld in het eerste lid kan
worden verstrekt, dan wel daartoe kan toegang worden verleend aan:
a. een universiteit in de zin van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek;
b. een bij wet ingestelde organisatie of instelling voor
wetenschappelijk onderzoek;
c. bij of krachtens de wet ingestelde planbureaus;
d. de communautaire en nationale instanties voor de statistiek
van de lidstaten van de Europese Unie;
e. onderzoeksafdelingen van ministeries en andere diensten,
organisaties en instellingen, voor zover daartoe instemming van de
CCS is verkregen.
Artikel 42
De directeur-generaal willigt een verzoek als bedoeld in artikel 41
slechts in, indien de verzoeker naar het oordeel van de
directeur-generaal voldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen
dat de verzameling van gegevens voor andere doeleinden dan statistisch
of wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt.
Artikel 42a
1.In afwijking van artikel 37 kan de directeur-generaal op verzoek,
ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de
volksgezondheid, gegevens verstrekken die het CBS ten behoeve van
statistisch onderzoek op grond van artikel 12a van de Wet op de
lijkbezorging heeft verzameld, van personen die in een
wetenschappelijk onderzoek waren betrokken.
2.De directeur-generaal willigt een verzoek als bedoeld in het
eerste lid slechts in, indien de betrokkene tot een zodanige
verstrekking zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven dan wel,
indien de betrokkene tot een zodanige verstrekking geen uitdrukkelijke
toestemming heeft kunnen geven, voor zover verzoeker voldoende
aantoont dat:
a. het vragen van toestemming bij leven van de betrokkene in
redelijkheid niet mogelijk was of kon worden gevergd;
b. niet gebleken is dat de betrokkene bij leven bezwaar heeft
gemaakt tegen het verwerken van diens persoonsgegevens ten behoeve
van wetenschappelijke onderzoek;
c. het onderzoek een algemeen belang dient;
d. het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan
worden uitgevoerd;
e. het onderzoek overigens voldoet aan daaraan redelijkerwijs
te stellen eisen.
3.De directeur-generaal kan nadere voorwaarden verbinden aan een
verstrekking krachtens het eerste lid.
4.De artikelen 41, tweede lid, en 42 zijn van overeenkomstige
toepassing.
5.Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gehoord de CCS en het College
bescherming persoonsgegevens, nadere regels met betrekking tot de in
het eerste lid bedoelde bevoegdheid.
Paragraaf 4. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom
Artikel 43
1. De directeur-generaal kan een bestuurlijke boete opleggen van
ten hoogste € 5 000 aan de in artikel 33, tweede lid, bedoelde
rechtspersonen en de in artikel 33, derde lid, bedoelde ondernemingen,
vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen die de in die
leden bedoelde gegevens niet, niet tijdig of niet volledig
verstrekken.
2. De directeur-generaal kan een bestuurlijke boete opleggen van
ten hoogste € 5 000 aan degene die niet, niet tijdig of niet
volledig een opgave als bedoeld in artikel 38b doet.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid tot oplegging van een bestuurlijke boete.
Artikel 44 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 45 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 47 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 48
De werking van de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke
boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 50 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 51
De directeur-generaal kan in plaats van een bestuurlijke boete aan de
in artikel 33, derde lid, bedoelde ondernemingen, vrije
beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen die de in dat
artikellid bedoelde gegevens niet, niet tijdig of niet volledig
verstrekken of aan degene die niet, niet tijdig of niet volledig een
opgave als bedoeld in artikel 38b doet, een last onder dwangsom
opleggen. Een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom kunnen
tevens gezamenlijk worden opgelegd.
Artikel 52
1. Aan een last onder dwangsom kunnen voorschriften worden
verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de
directeur-generaal.
2. Een last geldt voor een door de directeur-generaal te bepalen
termijn van ten hoogste twee jaren.
Hoofdstuk 6. Informatievoorziening
Artikel 53
1. Het jaarverslag van de directeur-generaal verschaft tevens
inzicht in de administratieve lasten in dat jaar voor ondernemingen en
instellingen als gevolg van de verwerving van gegevens door de
directeur-generaal, in de voorzieningen die de directeur-generaal
heeft getroffen ingevolge artikel 36 en in de mate van terugdringing
van de administratieve lasten.
2. Het jaarverslag van de directeur-generaal wordt vóór 1 maart
ter goedkeuring aan de CCS gezonden, die het vóór 1 april aan Onze
Minister zendt.
Artikel 54
Het jaarverslag van de CCS wordt vóór 1 april ter goedkeuring aan
Onze Minister gezonden.
Artikel 55
Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van het
jaarverslag, bedoeld in de artikelen 53 en 54.
Artikel 56
1.De directeur-generaal legt het door de CCS goedgekeurde
jaarverslag, bedoeld in artikel 53, en het door Onze Minister
goedgekeurde jaarverslag, bedoeld in artikel 54, ter inzage bij het
CBS gedurende acht weken. Hiervan doet de directeur-generaal
mededeling in de Staatscourant.
2.Onze Minister zendt onverwijld een afschrift van de jaarverslagen
aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 56a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 57
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de
gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen.
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2011]
Hoofdstuk 7. Financieel toezicht
Paragraaf 1. Begroting
Artikel 60
De kosten voor de uitoefening van de taken ter uitvoering van deze
wet komen ten laste van de rijksbegroting, met uitzondering van de
kosten voor de uitvoering van de statistische werkzaamheden voor derden.
Artikel 61
In afwijking van artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen geldt de verplichting jaarlijks aan Onze Minister een
begroting voor het daaropvolgende jaar te zenden niet voor de CCS.
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 63
Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de begroting.
Artikel 64
1.De directeur-generaal zendt de begroting vóór 1 februari aan de
CCS.
2.De directeur-generaal stelt de begroting vast in overeenstemming
met de CCS.
3.De directeur-generaal zendt de begroting vóór 1 april aan Onze
Minister.
Artikel 65
Onverminderd artikel 29, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen kan de goedkeuring worden onthouden indien Onze Minister
bezwaar heeft tegen de hoogte van het voorgestelde bedrag dat in de
rijksbegroting zal worden opgenomen.
Artikel 66
In de situatie, bedoeld in artikel 30 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen, doet de directeur-generaal tevens onverwijld mededeling
aan de CCS onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
Paragraaf 2. Beheer en verantwoording
Artikel 67
1.De directeur-generaal houdt de financiële middelen van het CBS
aan in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën.
2.De directeur-generaal kan voor de uitoefening van de taken ter
uitvoering van deze wet beschikken over de financiële middelen die
hij in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën aanhoudt.
3.Onze Minister van Financiën stelt in overeenstemming met Onze
Minister, na overleg met de directeur-generaal, regels omtrent de
rente die over de saldi van de in dit artikel bedoelde
rekening-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt
gebracht.
4.Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de in dit
artikel bedoelde rekening-courant geen kosten in rekening.
5.De directeur-generaal kan met de goedkeuring en onder garantie
van Onze Minister ten behoeve van de financiering van investeringen,
leningen bij Onze Minister van Financiën verkrijgen, indien de
investeringen benodigd zijn voor de uitoefening van de taken ter
uitvoering van deze wet.
6.Onze Minister van Financiën kan in overeenstemming met Onze
Minister nadere regels stellen omtrent het eerste lid.
Artikel 68
De directeur-generaal behoeft voorafgaande instemming van Onze
Minister voor de handelingen, bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen.
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 70
1.De directeur-generaal stelt jaarlijks een jaarrekening op.
2.De directeur-generaal zendt de jaarrekening vóór 1 maart aan de
CCS.
3.De directeur-generaal stelt de jaarrekening vast in
overeenstemming met de CCS.
4.De directeur-generaal zendt de jaarrekening vóór 1 april aan
Onze Minister.
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 73
Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de
jaarrekening en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Hoofdstuk 8. Wijziging en intrekking wetten
Artikel 74
[Wijzigt de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994.]
Artikel 74a
[Wijzigt de Handelsregisterwet 1996.]
Artikel 75
De wet van 28 december 1936, houdende maatregelen tot het verkrijgen
van juiste economische statistieken (Stb. 639DD), wordt ingetrokken.
Artikel 76
De Wet verstrekking gegevens CBS voor statistische doeleinden wordt
ingetrokken.
Artikel 77
De Wet op het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de
statistiek wordt ingetrokken.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 78
1.Met ingang van het tijdstip van verzelfstandiging van het CBS
zijn de personeelsleden van het onder Onze Minister ressorterende CBS
van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van het
verzelfstandigde CBS.
2.De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden
vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste
gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij het onder
Onze Minister ressorterende dienstonderdeel.
3.De personen die op het tijdstip van verzelfstandiging van het CBS
krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot
het personeel van het onder Onze Minister ressorterende CBS, zijn met
ingang van dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in
dienst van het verzelfstandigde CBS met een rechtspositie die als
geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold
bij het onder Onze Minister ressorterende dienstonderdeel.
4.De door Onze Minister vastgestelde rechtspositieregels die op het
tijdstip van verzelfstandiging van het CBS gelden voor het personeel
van het onder Onze Minister ressorterende CBS blijven met ingang van
dat tijdstip van overeenkomstige toepassing op het personeel in dienst
van het verzelfstandigde CBS totdat daarin op grond van artikel 7,
eerste lid, is voorzien door de directeur-generaal.
Artikel 79
1.Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan het onder
Onze Minister ressorterende CBS worden toegerekend, worden toebedeeld
aan het verzelfstandigde CBS.
2.De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan met
ingang van het tijdstip van verzelfstandiging van het CBS onder
algemene titel over op het verzelfstandigde CBS tegen een door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te
bepalen waarde.
3.Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid registergoederen
overgaan, zal verandering in de tenaamstelling in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door
de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de
desbetreffende registers gedaan.
Artikel 80
Archiefbescheiden van het onder Onze Minister ressorterende CBS gaan
met ingang van het tijdstip van verzelfstandiging van het CBS over naar
het verzelfstandigde CBS, voor zover zij niet overeenkomstig de
Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Artikel 81
1.In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij het onder
Onze Minister ressorterende CBS is betrokken, treedt met ingang van
het tijdstip van verzelfstandiging van het CBS het verzelfstandigde
CBS dan wel de directeur-generaal in de plaats van de Staat dan wel
Onze Minister.
2.In zaken waarin voor het tijdstip van verzelfstandiging van het
CBS aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan
wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een
gedraging die kan worden toegerekend aan het onder Onze Minister
ressorterende CBS, treedt de directeur-generaal op dat tijdstip als
bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats
van Onze Minister.
Paragraaf 2. Slotbepalingen
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 83
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 84
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het Centraal bureau voor de
statistiek.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 november 2003
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de achttiende december 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|