Nadere regelgeving:
- Besluit kredietvergoeding
- Regeling effectief kredietvergoedingspercentage
(vervallen)
WET van 4 juli 1990, houdende regels met
betrekking tot het consumentenkrediet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regels te geven met betrekking tot het consumentenkrediet, mede ter
vervanging van de bepalingen van de Wet op het consumptief geldkrediet (Stb.
1972, 399) en de Wet op het afbetalingsstelsel 1961 (Stb. 1976,
515) en, in verband daarmee, de Colportagewet (Stb. 1973, 438) te
wijzigen en voorts dat de Richtlijn (EEG) nr. 87/102 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de
harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der
Lid-Staten inzake het consumentenkrediet (PbEG L 42) noodzaakt
tot het vaststellen van een aantal wettelijke bepalingen met betrekking
tot het consumentenkrediet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. krediettransactie: iedere overeenkomst en ieder samenstel van
overeenkomsten met de strekking dat:
1°. door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan
de tweede partij (de kredietnemer) een geldsom ter beschikking
wordt gesteld en de tweede partij aan de eerste partij een of
meer betalingen doet,
2°. door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan
de tweede partij (de kredietnemer) het genot van een roerende
zaak wordt verschaft of een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen dienst wordt verleend en de tweede partij aan de
eerste partij een of meer betalingen doet, of
3°. door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan
de tweede partij (de kredietnemer), dan wel ten behoeve van deze
aan een derde partij (de leverancier) een geldsom ter
beschikking wordt gesteld ter zake van het verschaffen van het
genot van een roerende zaak of het verlenen van een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen dienst aan de tweede partij, en
de tweede partij aan de eerste partij of aan de derde partij een
of meer betalingen doet;
b. krediet verlenen: het als kredietgever deelnemen aan een
krediettransactie;
c. kredietbemiddeling: alle bedrijfs- of beroepsmatige
verrichtingen en bemoeiingen, gericht op het tot stand brengen van
een krediettransactie, van iemand (de kredietbemiddelaar) die geen
partij is bij die transactie;
d. geldkrediet: een krediettransactie als bedoeld onder a, 1°;
e. goederenkrediet: een krediettransactie als bedoeld onder a,
2° of 3°;
f. doorlopend geldkrediet: een geldkrediet, waarbij de
kredietnemer op verschillende tijdstippen geldsommen bij de
kredietgever kan opnemen, voor zover het uitstaand saldo een bepaald
bedrag (de kredietlimiet) niet overschrijdt;
g. doorlopend goederenkrediet: een goederenkrediet, waarbij de
kredietgever dan wel de leverancier ervoor heeft te zorgen, dat aan
de kredietnemer op verschillende tijdstippen het genot van zaken
wordt verschaft of diensten worden verleend, voor zover het
uitstaand saldo een bepaald bedrag (de kredietlimiet) niet
overschrijdt;
h. uitstaand saldo bij geldkrediet: het op enig tijdstip
bestaande totaal van de tot en met dat tijdstip door de kredietnemer
opgenomen geldsommen, vermeerderd met de tot en met dat tijdstip aan
deze in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de
door deze tot en met dat tijdstip gedane betalingen;
i. uitstaand saldo bij goederenkrediet: het op enig tijdstip
bestaande totaal van de contantprijzen van de zaken
onderscheidenlijk diensten, waarvan aan de kredietnemer tot en met
dat tijdstip het genot is verschaft, onderscheidenlijk welke aan de
kredietnemer zijn verleend, vermeerderd met het totaalbedrag van de
in dat kader tot en met dat tijdstip aan de kredietnemer in rekening
gebrachte kredietvergoeding en verminderd met het totaalbedrag van
de in dat kader tot en met dat tijdstip door de kredietnemer gedane
betalingen;
j. kredietvergoeding: alle beloningen en vergoedingen, in welke
vorm ook, die de kredietgever of de leverancier ter zake van een
krediettransactie bedingt, in rekening brengt of aanvaardt, bij
goederenkrediet verminderd met het totaal van de contantprijzen van
de zaken onderscheidenlijk diensten, waarvan de kredietnemer het
genot wordt verschaft onderscheidenlijk welke aan de kredietnemer
worden verleend;
k. effectief kredietvergoedingspercentage op jaarbasis: de bij
afwikkeling van een krediettransactie overeenkomstig de
betalingsregeling aan de kredietnemer in rekening te brengen
kredietvergoeding, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het
uitstaand saldo;
l. kredietsom bij geldkrediet: de geldsom die de kredietnemer in
het kader van een geldkrediet ter beschikking wordt gesteld, met
dien verstande, dat bij doorlopend geldkrediet de kredietlimiet als
die geldsom wordt aangemerkt;
m. kredietsom bij goederenkrediet: het verschil tussen het totaal
van de contantprijzen van de zaken onderscheidenlijk diensten,
waarvan de kredietnemer het genot wordt verschaft, onderscheidenlijk
welke aan de kredietnemer worden verleend, en de door deze in dat
kader gedane contante betalingen, met dien verstande, dat bij
doorlopend goederenkrediet de kredietlimiet als dat verschil wordt
aangemerkt;
n. gemeentelijke kredietbank: een instelling voor
kredietverlening, opgericht door een of meer gemeenten;
o. Onze Minister: Onze Minister van Financiėn.
Afdeling 2. Beperking van de reikwijdte van de wet
Artikel 2
1. Onverminderd de bepalingen van titel 2A van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek gelden voor de daar geregelde kredietovereenkomsten
de volgende bepalingen.
2. Onverminderd de bepalingen van titel 2A van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek gelden, in afwijking van het eerste lid, voor
krediettransacties waarbij de betalingen van de kredietnemer
plaatsvinden binnen drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is
gesteld, onderscheidenlijk nadat met het verschaffen van het genot van
de zaak of het verlenen van de dienst een aanvang is gemaakt,
uitsluitend de artikelen 34 tot en met 36.
3. In afwijking van het eerste lid, gelden de volgende bepalingen
niet voor de overeenkomst betreffende effectenkrediet, bedoeld in
artikel 57 lid 1, onderdeel o, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3
1.Deze wet geldt niet voor krediettransacties, waarbij de
kredietsom meer dan 40 000 bedraagt.
Artikel 4 [Vervallen per 25-05-2011]
Afdeling 3. Gemeentelijke kredietbanken
Artikel 5
De artikelen 33, onder d, en 40 gelden niet voor kredietverlening
door een gemeentelijke kredietbank:
a. waaraan als kredietnemer deelneemt:
1°. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in
artikel 3 van de Wet werk en bijstand, van wie het gezamenlijk
netto maandinkomen niet hoger is dan de norm genoemd in artikel
21, onderdeel c, van die wet;
2°. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4,
onderdeel b, van de Wet werk en bijstand, van wie het netto
maandinkomen niet hoger is dan negentig procent van de norm
bedoeld onder 1°;
3°. een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, onderdeel a,
van de Wet werk en bijstand, van wie het netto maandinkomen niet
hoger is dan zeventig procent van de norm bedoeld onder 1°;
dan wel
b. in het kader van een regeling met betrekking tot de bestaande
schuldenlast van een kredietnemer (saneringskrediet).
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 7
1.Het college van burgemeester en wethouders stelt voor de
bedrijfsvoering van de gemeentelijke kredietbank een reglement vast,
waaruit ten minste dient te blijken op welke wijze zal worden voldaan
aan het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken III en IV van deze
wet.
2.In het reglement worden regels gesteld van gelijke strekking als
het voorschrift, bedoeld in artikel 14, tweede lid.
3.Het reglement wordt onderworpen aan de goedkeuring van
gedeputeerde staten.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk II [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 14a [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 14b [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 14c [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2006]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk III [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk IV. De krediettransactie
Afdeling 1. Het aangaan van een krediettransactie
Artikel 30 [Vervallen per 25-05-2011]
Artikel 31
1. Een kredietnemer kan geen volmacht tot ondertekening van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 61 lid 1 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, verlenen aan een kredietgever, een leverancier,
een kredietbemiddelaar of iemand, die bij een van hen werkzaam is.
2. Bedingen waarbij aan de kredietnemer een verplichting wordt
opgelegd of een recht wordt ontnomen ingeval hij een beroep op de
ongeldigheid van de volmacht doet, zijn nietig.
3. De kredietnemer kan geen onherroepelijke volmacht tot
ondertekening van een overeenkomst als bedoeld in artikel 61 lid 1 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, verlenen. Bedingen waarbij aan de
kredietnemer een verplichting wordt opgelegd of een recht wordt
ontnomen ingeval hij een volmacht tot zodanige ondertekening herroept,
zijn nietig.
Artikel 32 [Vervallen per 25-05-2011]
Afdeling 2. Nietigheden
Artikel 33
Nietig is een overeenkomst als bedoeld in artikel 61 lid 1 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, voor zover daarbij:
a. de kredietgever of leverancier de bevoegdheid wordt verleend,
anders dan bij wijze van een verhoging van de kredietvergoeding
welke is toegelaten ingevolge het bepaalde krachtens artikel 35,
eenzijdig de kredietvergoeding te verhogen of anderszins de
verplichtingen van de kredietnemer te verzwaren;
b. de kredietnemer zich verplicht tot het aangaan van een andere
overeenkomst, anders dan ingeval:
1°. uitdrukkelijk aan de kredietnemer het recht wordt
toegekend te bepalen met welke wederpartij die overeenkomst zal
worden aangegaan, of
2°. de overeenkomst verplicht tot het aanhouden van een
betaalrekening bij de kredietgever, door middel waarvan de uit
de krediettransactie voortvloeiende betalingen dienen plaats te
vinden;
c. vervroegde opeisbaarheid van het door de kredietnemer
verschuldigde wordt bedongen, anders dan voor het geval dat:
1°. de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden
achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag,
na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van
zijn verplichtingen,
2°. de kredietnemer Nederland metterwoon heeft verlaten, dan
wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietnemer
binnen enkele maanden Nederland metterwoon zal verlaten,
3°. de kredietnemer is overleden en de kredietgever gegronde
reden heeft om aan te nemen dat diens verplichtingen uit hoofde
van de overeenkomst niet zullen worden nagekomen,
4°. de kredietnemer in staat van faillissement is komen te
verkeren of ten aanzien van de kredietnemer de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard,
5°. de kredietnemer de tot zekerheid verbonden zaak heeft
verduisterd, of
6°. de kredietnemer aan de kredietgever, met het oog op het
aangaan van de overeenkomst, bewust onjuiste inlichtingen heeft
verstrekt van dien aard, dat de kredietgever de overeenkomst
niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan
indien hem de juiste stand van zaken bekend zou zijn geweest;
d. de kredietnemer enig recht op arbeidsloon, salaris, pensioen,
andere inkomsten uit arbeid of uitkering ingevolge een sociale
verzekeringswet, dan wel levensonderhoud, verschuldigd ingevolge
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ter zake van een
krediettransactie op enigerlei wijze overdraagt, vervreemdt of
bezwaart, dan wel tot invordering daarvan een onherroepelijke
volmacht, in welke vorm of onder welke benaming ook, verleent;
e. wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
34 tot en met 46, met uitzondering van een afwijking als bedoeld in
artikel 42, vijfde lid.
Afdeling 3. Kredietvergoeding en betalingen
Artikel 34
Het is de kredietgever en de leverancier verboden enige andere vorm
van kredietvergoeding te bedingen, in rekening te brengen of te
aanvaarden dan:
a. een vergoeding welke verschuldigd is bij afwikkeling
overeenkomstig de betalingsregeling van de transactie;
b. een vergoeding die verschuldigd wordt ingeval de kredietnemer,
na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot
betaling ingevolge de transactie;
c. een vergoeding die verschuldigd wordt indien de kredietnemer
vervroegd aflost.
Artikel 35
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, ten einde
het aanvaarden door kredietgevers van te grote risicos tegen te
gaan, de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding vastgesteld en
worden regels gegeven betreffende de tijdstippen waarop de
kredietvergoeding in rekening wordt gebracht.
2.De ten hoogste toegelaten kredietvergoeding wordt uitgedrukt in
een geldsom, een percentage of in enige andere vorm. Deze kan
verschillen naar gelang van de hoogte van de kredietsom, de looptijd
van de transactie, mede in verband met de termijnen van aflossing, de
vorm van de kredietvergoeding bedoeld in artikel 34, en het al dan
niet variabel zijn van de kredietvergoeding.
3.Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald dat
ter zake van krediettransacties, waarbij de kredietvergoeding variabel
is, geen vergoeding als bedoeld in artikel 34, onder c, is toegelaten.
Artikel 36
Het is de kredietgever en de leverancier verboden een hogere
kredietvergoeding in rekening te brengen, te bedingen of te aanvaarden,
dan wel kredietvergoeding op een ander tijdstip in rekening te brengen,
dan is toegelaten ingevolge artikel 35.
Artikel 37 [Vervallen per 25-05-2011]
Artikel 38
Het is de kredietgever en de leverancier verboden:
a. ter zake van nog niet opeisbare verplichtingen van de
kredietnemer andere dan chartale betaalmiddelen aan te nemen, anders
dan voor volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing.
Artikel 39 [Vervallen per 25-05-2011]
Afdeling 4. Pandrecht en eigendomsvoorbehoud
Artikel 40
1.Het is de kredietgever en de leverancier slechts toegestaan tot
zekerheid van de nakoming van een verbintenis van de kredietnemer uit
hoofde van een krediettransactie, een pandrecht als bedoeld in artikel
237 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek te vestigen op een zaak,
indien die zaak door de kredietnemer met het geleende geld wordt
aangeschaft of aan de kredietnemer ingevolge de transactie het genot
van die zaak wordt verschaft. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het bedingen van een eigendomsvoorbehoud
alsmede ten aanzien van het vestigen van een pandrecht op een
vordering van de kredietnemer.
2.Een pandrecht als bedoeld in artikel 237 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek dat in het kader van een doorlopende
krediettransactie op een zaak is gevestigd, eindigt van rechtswege en
de eigendom van een zaak die in het kader van een doorlopende
krediettransactie is voorbehouden, gaat van rechtswege over op de
kredietnemer zodra deze aflossingen heeft gedaan ter grootte van het
verschil tussen de contantprijs van die zaak en het bedrag van de
contante betaling betreffende het genot van die zaak, dan wel, indien
geen contante betaling is gedaan, ter grootte van die contantprijs.
Aflossingen worden bij goederenkrediet toegerekend aan verschillende
zaken in dezelfde volgorde als waarin met het verschaffen van het
genot daarvan een aanvang is gemaakt en bij geldkrediet in dezelfde
volgorde als waarin zij zijn aangeschaft.
Artikel 41
1.Afgifte van een zaak, waarop een pandrecht als bedoeld in artikel
237 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is gevestigd of waarvan de
eigendom is voorbehouden in het kader van een krediettransactie, kan
slechts worden gevorderd in de gevallen, bedoeld in artikel 33, onder
c, 1° tot en met 6°. Artikel 496, tweede lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.
2.Afgifte van een zaak als bedoeld in het eerste lid kan niet meer
worden gevorderd indien meer dan drie vierde deel van de kredietsom is
afgelost. De vorige volzin vindt geen toepassing met betrekking tot
doorlopende krediettransacties.
3.Afgifte van een zaak als bedoeld in het eerste lid heeft, indien
zij geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel, tot
gevolg dat de tot de krediettransactie behorende overeenkomsten van
rechtswege worden ontbonden.
4.De kredietnemer kan niet worden verplicht de kredietgever of de
leverancier toe te laten tot zijn woning of erf om de tot zekerheid
dienende zaak te bezichtigen of tot zich te nemen.
Artikel 42
1.Indien de kredietnemer binnen veertien dagen nadat hij de zaak
heeft afgegeven het totale op het tijdstip van inlossing
achterstallige bedrag, benevens de vergoeding, bedoeld in artikel 34,
onder b, betaalt, wordt de zaak door de kredietgever teruggegeven.
2.Door de in het eerste lid bedoelde betaling wordt de ontbinding
van de tot de krediettransactie behorende overeenkomsten ongedaan
gemaakt.
3.Bij herhaalde afgifte van de zaak behoeft deze door de
kredietgever slechts te worden teruggegeven na betaling door de
kredietnemer van het in het eerste lid bedoelde bedrag, benevens het
restant van de kredietsom, alsmede de bedongen kredietvergoeding, voor
zover toegelaten ingevolge artikel 35, met dien verstande, dat bij een
doorlopende krediettransactie in plaats van het restant van de
kredietsom het restant van de in artikel 40, tweede lid, eerste
volzin, bedoelde aflossingen moet worden betaald; de tweede volzin van
dat lid vindt overeenkomstige toepassing.
4.Indien de kredietgever een redelijk belang heeft bij weigering
van de teruggave, kan de rechter bepalen dat het eerste lid buiten
toepassing blijft.
5.Van de bepalingen van dit artikel kan door partijen slechts ten
voordele van de kredietnemer worden afgeweken.
Artikel 43
1.In afwijking van artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek ontstaat een pandrecht op een vordering tot vergoeding die in
de plaats treedt van een zaak als bedoeld in artikel 40, eerste lid,
slechts voor het geval die zaak geheel teniet gaat.
2.Een pandrecht als bedoeld in het eerste lid eindigt van
rechtswege:
a. indien de kredietnemer gelijkwaardige vervangende zekerheid
stelt, of
b. zodra de kredietnemer drie vierde deel van de kredietsom
heeft afgelost.
3.De kredietgever, onderscheidenlijk de leverancier, die tot inning
van de in het eerste lid bedoelde verpande vordering overgaat, stelt
de kredietnemer daarvan terstond schriftelijk in kennis. Daarbij deelt
hij de kredietnemer mee dat deze in de gelegenheid is om
gelijkwaardige vervangende zekerheid te stellen. Artikel 40, eerste
lid, is niet van toepassing ten aanzien van de door de kredietnemer
gestelde vervangende zekerheid.
4.Artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het eerste
tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij een
eigendomsvoorbehoud ten aanzien van een zaak als bedoeld in artikel
40, eerste lid.
Afdeling 5. Overige bepalingen
Artikel 44
1. Een overeenkomst als bedoeld in artikel 61 lid 1 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, kan slechts door rechterlijke tussenkomst
worden ontbonden, behoudens het bepaalde in artikel 41, derde lid, van
deze wet en de artikelen 37 en 38a van de Faillissementswet (Stb.
1893, 140).
2. Indien bij ontbinding van zodanige overeenkomst een der partijen
in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand
blijven van die overeenkomst en afwikkeling overeenkomstig de
betalingsregeling, vindt volledige verrekening plaats.
Artikel 45 [Vervallen per 25-05-2011]
Artikel 46
De bepalingen van dit hoofdstuk omtrent nietigheid en
vernietigbaarheid zijn mede van toepassing op overeenkomsten als bedoeld
in artikel 30, eerste lid, die buiten Nederland worden gesloten door een
buiten Nederland gevestigde kredietgever of leverancier met een
kredietnemer die zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en die
het krediet in Nederland heeft aangevraagd.
Hoofdstuk V. Schuldbemiddeling
Artikel 47
1.Schuldbemiddeling is verboden.
2.Onder schuldbemiddeling wordt verstaan het in de uitoefening van
een bedrijf of beroep, anders dan door het aangaan van een
krediettransactie, verrichten van diensten, gericht op de
totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande
schuldenlast van een natuurlijke persoon, geheel of gedeeltelijk
voortvloeiend uit een of meer krediettransacties.
Artikel 48
1.Het in artikel 47, eerste lid, bedoelde verbod is niet van
toepassing op schuldbemiddeling:
a. om niet;
b. door gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door
gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun
doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden;
c. door advocaten, curatoren en bewindvoerders ingevolge de
Faillissementswet aangesteld, notarissen, deurwaarders,
registeraccountants en accountants-administratieconsulenten;
d. door natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel
categorieėn daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van
bestuur.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat voor
het verrichten van schuldbemiddeling als bedoeld in het eerste lid een
certificaat is vereist en dat de vergoeding voor schuldbemiddeling
voor ingevolge het eerste lid, onder d, aangewezen personen of
categorieėn van personen niet meer mag bedragen dan een daarbij te
bepalen percentage van het bedrag van de schulden, voor zover
daaromtrent een regeling is tot stand gekomen, dat de vergoeding niet
meer mag bedragen dan de kosten van de bemiddeling, alsmede dat geen
vergoeding mag worden bedongen, in rekening gebracht of aanvaard
indien geen regeling is tot stand gekomen. Deze regels kunnen
verschillen naar gelang van de aangewezen personen of categorieėn van
personen, waarop zij betrekking hebben.
3.Nietig is een overeenkomst, voor zover daarbij wordt afgeweken
van het bij of krachtens het tweede lid bepaalde.
Artikel 48a
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit
hoofdstuk bepaalde zijn belast de bij ministeriėle regeling aangewezen
personen.
Hoofdstuk VI [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk VII [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 50 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 51 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 52 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 53 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 54 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 55 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 56 [Vervallen per 21-02-1997]
Hoofdstuk VIII [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk IX [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk X [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 69
Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens deartikelen
34, 36 en 38 is slechts strafbaar voor zover deze van toepassing zijn op
een leverancier.
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-2006]
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 4 juli 1990
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
P. Bukman
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Financiėn,
W. Kok
Uitgegeven de zesentwintigste juli 1990
De Minister van Justitie a.i.,
J.E. Andriessen
|