St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  OP  HET  HOGER  ONDERWIJS  EN  WETENSCHAPPELIJK  ONDERZOEK  (WHW)

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2010

 

  
 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel
- Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs
- Regeling financiën hoger onderwijs
- Uitvoeringsbesluit WHW 2008

 

 

WET van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;
     dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd;
     dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Titel 1. Definities en taakomschrijving

 

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;

c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;

d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;

e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;

f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.2;

g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a of b;

h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van de overheid;

i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

j. instellingsbestuur:

- voorzover het een bijzondere instelling betreft: het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan die instelling uitgaat;

- voorzover het een openbare instelling, uitgaande van een gemeente, betreft: het college van burgemeester en wethouders voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk acht, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

- voorzover het een openbare instelling betreft, uitgaande van een openbaar lichaam ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling: het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan;

- voorzover het een openbare instelling, uitgaande van het Rijk, betreft: Onze minister;

- voorzover het een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid betreft: het ingevolge deze wet terzake bevoegde orgaan;

k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;

m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3;

n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, of artikel 7.7a ;

o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld;

p. waarborgfonds: het fonds bedoeld in artikel 2.15;

q. [vervallen;]

r. accreditatieorgaan: accreditatieorgaan hoger onderwijs als bedoeld in artikel 5a.2;

s. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld;

t. toets nieuwe opleiding: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een niet in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs opgenomen opleiding positief is beoordeeld;

u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid;

v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167);

w. Ad-programma: het programma, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid;

x. toets nieuw Ad-programma: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld;

x1. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.38, derde lid.

 

Artikel 1.2. Reikwijdte

Deze wet heeft betrekking op:

a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit,

b. universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 zijn aangewezen,

c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en

d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

 

Artikel 1.3. Universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit

1.Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.

2.Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.

3.De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.

4.De universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.

 

Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen

1.Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.

2.De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.

3.Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.

4.Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid.

 

Artikel 1.5. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

1.De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten.

2.De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of bedrijf. In elk geval draagt zij zorg voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige wetenschappelijke bibliotheken.

 

Artikel 1.6. Academische vrijheid

Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.

 

Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek

Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.

 

Titel 1a. Ruimte voor innovatie

 

Artikel 1.7a. Ruimte voor innovatie

1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het hoger onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

a. titel 2 van hoofdstuk 2,

b. hoofdstuk 5a,

c. hoofdstuk 6,

d. hoofdstuk 7,

e. titel 2 van hoofdstuk 9,

f. titel 3 van hoofdstuk 10, en

g. paragraaf 4 van hoofdstuk 11.

2. In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:

a. het doel van het experiment,

b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,

c. de duur van het experiment, en

d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

5. Onze minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. In dat geval kan voor een instelling als bedoeld in die wet afgeweken worden van artikel 8.1.1 van die wet, indien paragraaf 1 van titel 3 van hoofdstuk 7 van deze wet van toepassing wordt verklaard.

 

Titel 2. De instellingen

 

Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

 

Artikel 1.8. Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

1.De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met h.

2.De in de bijlage van deze wet onder a, c en h opgenomen instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.

3.Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.

 

Artikel 1.9. Bekostiging en graadverlening

1.Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c en h opgenomen instellingen en de gemeenten en openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.

2.Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

3.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:

a. de kwaliteitszorg,

b. de planning en bekostiging,

c. het personeel,

d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

e. vooropleidings- of toelatingseisen,

f. de studenten en extraneï,

g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en

h. het bestuur en de inrichting.

4.Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en in opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek is het derde lid, onder d, voor wat betreft het onderwijs, de examens en de promoties, e en h, niet van toepassing, maar geldt als voorwaarde dat dit onderwijs en onderzoek alsmede de inrichting en het bestuur te dien aanzien worden geregeld bij of krachtens de statuten van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de bijzondere instelling uitgaat of in de op die instelling betrekking hebbende structuurregeling dan wel in het bestuursreglement.

5.De in het vierde lid bedoelde regeling alsmede wijzigingen daarvan worden door het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van Onze minister. Zij wordt geacht te beantwoorden aan de in het vierde lid genoemde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het instellingsbestuur gerichte brief heeft verklaard tegen de regeling of de desbetreffende wijziging daarvan uit oogpunt van voldoende waarborg van deugdelijkheid bedenkingen te hebben.

6.Indien de bedenkingen, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden worden ondervangen, kan Onze minister besluiten dat aan de desbetreffende opleiding de rechten, genoemd in het eerste en tweede lid, ontnomen worden, onverminderd het overigens met betrekking tot ontneming van rechten in hoofdstuk 6, titel 1, bepaalde.

 

Artikel 1.10. Aard bepalingen

1.De volgende bepalingen regelen het openbaar hoger onderwijs:

a. artikel 1.18,

b. artikel 2.2 en de bepalingen van de titels 2, 3 en 4 van hoofdstuk 2,

c. de bepalingen van hoofdstuk 4,

d. artikel 6.2,

e. de bepalingen van hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.3b en paragraaf 4 van titel 1,

f. artikel 8.1,

g. de bepalingen van de titels 1 en 2 van hoofdstuk 9, met uitzondering van artikel 9.46,

h. de bepalingen van hoofdstuk 10, met uitzondering van de artikelen 10.8 en 10.33,

i. de bepalingen van hoofdstuk 11,

j. de artikelen 16.4 tot en met 16.9, 16.15, 16.17 en 16.18, tot het tijdstip waarop deze vervallen, en

k. de artikelen 17.1 tot en met 17.3, 17.5 tot en met 17.8 en 17.10, tot het tijdstip waarop deze vervallen.

2.De volgende bepalingen zijn voorwaarde voor bekostiging van het bijzonder hoger onderwijs:

a. artikel 1.18,

b. artikel 2.2 en de bepalingen van de titels 2, 3 en 4 van hoofdstuk 2,

c. de bepalingen van hoofdstuk 4,

d. artikel 6.2,

e. de bepalingen van hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.3b en paragraaf 4 van titel 1,

f. artikel 8.1,

g. artikel 9.51, tenzij het betreft onderwijs in opleidingen als bedoeld in artikel 1.9, vierde lid,

h. de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 4 van titel 1 van hoofdstuk 10 en de bepalingen van titel 3 van hoofdstuk 10, met uitzondering van artikel 10.33,

i. de artikelen 16.4 tot en met 16.9, 16.15, 16.17 en 16.18, tot het tijdstip waarop deze vervallen, en

j. de artikelen 17.1 tot en met 17.3, 17.5 tot en met 17.8 en 17.10, tot het tijdstip waarop deze vervallen.

3.Voor het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, gelden in plaats van de bepalingen van de titels 1 en 2 van hoofdstuk 7 de bepalingen van artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, als zodanige voorwaarden.

 

Paragraaf 2. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs

 

Artikel 1.11. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs

Andere dan de in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen voor hoger onderwijs kunnen worden aangewezen.

 

Artikel 1.12. Graadverlening aangewezen instellingen

1.Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door aangewezen instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vijfde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:

a. de kwaliteitszorg,

b. de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

c. de vooropleidingseisen.

3.In aanvulling op het tweede lid geldt voor de lerarenopleidingen als voorwaarde dat de desbetreffende hogeschool in acht neemt hetgeen bij artikel 16.3 is bepaald.

4.Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vijfde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de instelling uitgaat.

5.Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.

 

Paragraaf 2a. Postinitiële masteropleidingen

 

Artikel 1.12a. Graadverlening postinitiële masteropleidingen

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3b, verzorgd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

 

Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen

 

Artikel 1.13. Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid

1.Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel i van de bijlage van deze wet.

2.De academische ziekenhuizen, opgenomen in onderdeel i, onder 1, van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.

 

Artikel 1.14. Bekostiging academische ziekenhuizen

1.De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden.

2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:

a. de planning en bekostiging,

b. het personeel, en

c. het bestuur en de inrichting.

 

Artikel 1.15. Aard bepalingen

1.De volgende bepalingen regelen de academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten:

a. de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en de bepalingen van titel 5 van hoofdstuk 2,

b. de bepalingen van hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel 4.7, en

c. de bepalingen van hoofdstuk 12, met uitzondering van artikel 12.18.

2.De volgende bepalingen zijn met betrekking tot de academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs:

a. de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en de bepalingen van titel 5 van hoofdstuk 2,

b. de bepalingen van hoofdstuk 4, en

c. de artikelen 12.2 en 12.18.

 

Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

 

Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

 

Artikel 1.17. Bekostiging

1.De in artikel 1.16 genoemde instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hebben aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden.

2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:

a. de kwaliteitszorg,

b. de planning en bekostiging,

c. het personeel, en

d. het bestuur en de inrichting.

3.De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

 

Titel 3. Kwaliteitszorg

 

Artikel 1.18. Kwaliteitszorg

1.Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar.

2.Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel d.

3.Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onderdelen a en b, bedoelde instelling draagt er tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De laatste twee volzinnen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. Bij de beoordeling worden ten minste de accreditatiekaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, in acht genomen.

4.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid.

 

Titel 4. Overige voorschriften [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

 

Artikel 1.19. Nevenvestiging buitenland [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

1. Een instelling voor hoger onderwijs kan geaccrediteerde opleidingen in het buitenland verzorgen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot de aanwending van de rijksbijdrage in verband met deze opleidingen.

2. De artikelen 1.12 en 1.12a zijn van toepassing.

 

Artikel 1.20. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

1. Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.

3. Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.

 

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

 

Artikel 2.1. Reikwijdte

1.Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 2.13 en titel 5, heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met dien verstande dat artikel 2.15 uitsluitend van toepassing is op de hogescholen.

2.Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.

 

Titel 1. Planning

 

Artikel 2.2. Instellingsplan

Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

 

Artikel 2.2a. Procedure en inhoud instellingsplan onderzoekinstellingen

1.Het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek stellen in afwijking van artikel 2.2 een instellingsplan vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan en zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze minister.

2.In het instellingsplan wordt rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen een en ander voorzover die naar het oordeel van het instellingsbestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de instelling.

3.Het instellingsplan omvat in elk geval:

a. de doelstellingen van de instelling voor wetenschappelijk onderzoek op middellange termijn,

b. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten, en

c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld.

4.Onze minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het instellingsbestuur. Onze minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

5.Onze minister kan zijn standpunt over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan

1.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.

2.Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3.Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:

a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

b. algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in artikel 6.2, vierde lid, worden opgenomen, en

c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.

 

Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan

1.Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en onderzoekplan.

2.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.

3.Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in de Staatscourant.

 

Titel 2. Bekostiging

 

Artikel 2.5. Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs

1.De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze en voorzover het betreft investeringen in gebouwen en terreinen, hetzij op de grondslag van die algemene berekeningswijze hetzij op de grondslag van een andere door Onze minister te bepalen wijze. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de rijksbijdrage.

1a.In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze:

a. voor de universiteiten voorzover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad, of

b. voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).

2.Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.

3.De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de rijksbijdrage van een hogeschool kan worden vermeerderd of verminderd wegens het in dienst nemen van personeel dat een uitkering na ontslag verwerft of zal verwerven, onderscheidenlijk wegens het beëindigen van het dienstverband van zodanig personeel.

4.Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.

5.De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.

6.Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 2.6. Berekening rijksbijdrage

1.De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.

2.De bijzondere berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten.

3.Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groepen van opleidingen.

4.Bij de vaststelling van het aantal studenten tellen die studenten mee die zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Studenten die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens tellen alleen mee, indien

a. zij onderwijs in Nederland volgen,

b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen, en

c. het instellingsbestuur na verificatie van de gegevens betreffende naam, adres en woonplaats van de betrokken studenten die gegevens heeft laten opnemen in het register, bedoeld in artikel 7.52,

In afwijking van de tweede volzin tellen studenten die op 1 oktober in verband met het volgen van onderwijs aan een instelling tijdelijk in een ander land of een andere Duitse bondsstaat dan die, bedoeld in de tweede volzin, onderdeel b, wonen, mee, indien zij direct voorafgaand aan het wonen in dat land of die Duitse bondsstaat aan de desbetreffende instelling onderwijs volgden en voldeden aan de eerste volzin of onderdeel b van de tweede volzin. Studenten die voor 1 oktober een verzoek tot uitschrijving hebben ingediend, worden niet meegeteld, onverminderd het bepaalde in artikel 7.42, eerste lid, onderdeel c.

5.De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.

6.Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

 

Artikel 2.6a. Rijksbijdrage aan instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

1.De inkomsten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek bestaan uit:

a. de bijdrage uit 's Rijks kas,

b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend, en

c. andere inkomsten.

2.De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld.

3.De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de instelling nodig is.

4.Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze minister te stellen regels.

5.Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder c, buiten beschouwing.

6.Onze minister stelt regels met betrekking tot de bestemming van saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

 

Artikel 2.7. Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage

1.Onze minister maakt aan elke instelling, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.

2.Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.

3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.5, vierde lid, bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage.

 

Artikel 2.7a [Vervallen per 11-05-2001]

 

Artikel 2.8. Begroting

1.Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het instellingsbestuur zendt de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze minister. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.

2.De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage.

3.Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader vastgestelde rijksbijdrage.

4.Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting.

5.Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake vast te stellen regels.

 

Artikel 2.9. Verslaglegging

1.Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft de bijdrage, bedoeld in artikel 7.46, tweede lid, anders dan op grond van artikel 7.46, derde lid, artikel 7.51 of artikel 7.51a.

2.In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder jaarverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.

3.Het instellingsbestuur doet het verslag vergezeld gaan van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Die verklaring heeft mede betrekking op de gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de algemene berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.

4.Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.

5.Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.

6.De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.

 

Artikel 2.9a. Verrekening van vorderingen

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.

 

Artikel 2.10. Informatieplicht en doelmatigheidscontrole ministeriële accountant

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

 

Artikel 2.10a. Controleprotocol

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen.

 

Artikel 2.11. Bijzondere bepaling universitaire eerstegraadslerarenopleidingen

Het gedeelte van de rijksbijdrage dat wordt berekend op de wijze, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, onderdeel a, wordt besteed aan het desbetreffende onderwijs.

 

Artikel 2.12. Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen

Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.

 

Artikel 2.13. Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen

1.Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze minister.

2.Onze minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze minister in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

3.Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken.

4.Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.

 

Titel 3. Inrichting begroting en verslag

 

Artikel 2.14. Inrichting begroting en verslag

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van de begroting en het verslag.

 

Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en leningen

 

Artikel 2.15. Waarborgfonds hogescholen

1.Elke instelling is aangesloten bij de door de instellingsbesturen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk. Deze rechtspersoon stelt zich ten doel zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het instellingsbestuur aangegane leningen door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds, dat uitsluitend de in dit artikel genoemde functies uitoefent.

2.De leden van het bestuur van het fonds worden benoemd door de instellingsbesturen. De leden stemmen zonder last of ruggespraak.

3.Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.

4.Het instellingsbestuur kan het fonds verzoeken zich geheel of gedeeltelijk borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit een door het instellingsbestuur afgesloten lening.

5.Het fonds kan aan het verlenen van een waarborg algemeen geldende voorwaarden verbinden met betrekking tot de vorm van de te waarborgen lening en met betrekking tot een door de instelling aan het fonds te betalen borgstellingsvergoeding. Een verzoek om borgstelling van een instelling dat aan deze algemene voorwaarden voldoet kan, onverminderd het bepaalde in het negende lid, niet worden geweigerd.

6.Het instellingsbestuur legt jaarlijks een afschrift van de vastgestelde begroting als bedoeld in artikel 2.8 en het vastgestelde verslag als bedoeld in artikel 2.9 over aan het bestuur van het fonds.

7.Indien het aan het instellingsbestuur bij de vaststelling van de begroting blijkt dat het op enig moment in het kalenderjaar waarop die begroting betrekking heeft, niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, meldt het instellingsbestuur dit voor de aanvang van het in dit artikellid bedoelde kalenderjaar aan het fonds. Binnen acht weken na de melding, bedoeld in de eerste volzin, legt het instellingsbestuur aan het fonds een door hem vastgesteld saneringsplan over, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling hersteld kan worden. Het bestuur van het fonds kan ten aanzien van het saneringsplan voorwaarden van financiële aard stellen die zijn gericht op het herstel van het financieel evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven van de instelling, die door de instelling in het door haar vastgestelde saneringsplan worden opgenomen.

8.Indien het aan het instellingsbestuur in de loop van een kalenderjaar blijkt dat het niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, terwijl dat bij de vaststelling van de begroting met betrekking tot dat kalenderjaar niet was voorzien, meldt het instellingsbestuur dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voordat de toestand, bedoeld in deze volzin, intreedt aan het fonds. De tweede en derde volzin van het zevende lid zijn van toepassing.

9.Indien een lening, waarvan de instelling bij het fonds om borging verzoekt, naar het oordeel van het fonds tot gevolg heeft dat het instellingsbestuur niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, bepaalt het bestuur van het fonds dat de borging niet wordt verleend dan nadat een door het instellingsbestuur vastgesteld saneringsplan is overgelegd dan wel geheel of gedeeltelijk is uitgevoerd, waarin is aangegeven op welke wijze het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling kan worden behouden dan wel hersteld. De derde volzin van het zevende lid is van toepassing.

10.Het negende lid is niet van toepassing op de leningen die door het instellingsbestuur worden afgesloten in verband met de betaling van het bedrag, bedoeld in artikel II van de Wet van 11 november 1993, Stb. 628, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht.

11.Indien een of meer voorwaarden van het fonds als bedoeld in het zevende tot en met negende lid, de vrijheid van inrichting van het onderwijs in ernstige mate aantast, kan het instellingsbestuur daartegen beroep instellen bij Onze minister. Op het beroep zijn de hoofdstukken 6 en 7, met uitzondering van de artikelen 7:24 en 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

12.Onze minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het beroepschrift. Indien Onze minister het beroep gegrond acht, bepaalt hij dat een of meer van de voorwaarden niet in het saneringsplan behoeven te worden opgenomen. De instelling stelt met inachtneming van de uitspraak van Onze minister het saneringsplan opnieuw vast en treedt daarover in overleg met het fonds. De laatste twee volzinnen van het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

13.Indien een instelling één of meer leningen bij het fonds heeft geborgd, dient de instelling voorafgaand aan het aangaan van leningen waarvoor de instelling het fonds niet om borging verzoekt, dit te melden aan het fonds.

14.Van de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, kan Onze minister op verzoek van het bestuur van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts, indien het instellingsbestuur aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.

15.Het fonds kan batig saldo uitkeren aan de instellingen. De instellingen besteden deze uitkeringen ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling, waarvoor de rijksbijdrage wordt verstrekt.

16.De statuten van de rechtspersoon die het fonds in stand houdt voldoen aan het gestelde in dit artikel.

 

Artikel 2.16. Opheffing instellingen

1.Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.

3.Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien.

 

Artikel 2.17. Beheer van de middelen

Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

 

Titel 5. Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening

 

Artikel 2.18. Subsidie educatieve voorziening

1.Jaarlijks verstrekt Onze minister een subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, in stand houdt, ter tegemoetkoming in de kosten van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in de artikelen 9a van de Wet op het primair onderwijs, 18a van de Wet op de expertisecentra, 18 en 138a van de Wet op het voortgezet onderwijs en 7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

2.De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.

3.Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.

 

Artikel 2.19. Begroting en verslaglegging

Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag.

 

Artikel 2.20. Controle en terugvordering

1.Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

2.Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.

 

Hoofdstuk 3. Overleg

 

Artikel 3.1. Algemeen overleg

1.Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen.

2.Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk.

 

Artikel 3.2. Overleg met afzonderlijke instellingen

Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, 4.2, tweede lid, en 7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.

 

Artikel 3.3. Overleg met studentenorganisaties

1.Onze minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

2.Onze minister treft een regeling ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten werkzaamheden.

 

Hoofdstuk 4. Het personeel

 

Artikel 4.1. Reikwijdte

1.Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit.

2.Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 4.2, tweede tot en met vierde lid, heeft tevens betrekking op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.

 

Artikel 4.2. Personeelsbeleid

1.Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.

2.Onze minister kan het instellingsbestuur van een universiteit richtlijnen geven met betrekking tot het minimum aantal assistenten in opleiding.

3.Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.

4.Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.

5.Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.

 

Artikel 4.3 [Vervallen per 03-08-2005]

 

Artikel 4.4 [Vervallen per 01-01-1995]

 

Artikel 4.5. Regeling van de rechtspositie

1.Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels als bedoeld in het tweede en derde lid regelt het instellingsbestuur van een openbare instelling de rechtspositie van het personeel en draagt het instellingsbestuur van een bijzondere instelling zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.

2.Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende:

a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het instellingsbestuur in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, onderscheidenlijk

b. rechten en plichten van het personeel en het instellingsbestuur bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het instellingsbestuur deze rechten en plichten zelf regelt dan wel voor de regeling daarvan zorg draagt.

3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.

4.Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare instellingen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

5.Over de regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende instelling, wordt door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in de vorige volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.

 

Artikel 4.6 [Vervallen per 01-01-1995]

 

Artikel 4.7. Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen

1.Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij door elk personeelslid van die instelling dat rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing, door of namens het instellingsbestuur genomen, inhoudende:

a. een disciplinaire maatregel,

b. schorsing,

c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,

d. het direct of indirect onthouden van bevordering, of

e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.

2.Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over een of meer instellingen.

3.De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, een of meer plaatsvervangende voorzitters. De besturen en het personeel van de aangesloten instellingen benoemen onderscheidenlijk kiezen elk de helft van het aantal gewone leden en plaatsvervangende leden. De gewone leden kiezen de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.

4.De leden en de eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep mogen geen lid zijn van het bestuur van een aangesloten instelling noch deel uitmaken van het personeel van de vereniging of stichting waarvan die instelling uitgaat.

5.Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

6.De uitspraak van de commissie van beroep is voor het instellingsbestuur bindend.

7.De besturen van de aangesloten instellingen stellen voor de commissie van beroep een beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat een onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de commissie is gewaarborgd. Bij of krachtens het beroepsreglement worden geregeld:

a. de omvang en samenstelling van de commissie van beroep,

b. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van de commissie van beroep,

c. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap eindigt,

d. de rechtsgang bij de commissie van beroep, daaronder begrepen de inhoud en indiening van het beroepschrift, de behandeling ter zitting en de voorbereiding daarvan, de uitspraak alsmede de mogelijkheden van verzet, voorlopige voorziening en herziening van uitspraken, alsmede

e. de wijze waarop in het secretariaat van de commissie van beroep wordt voorzien.

8.Het beroepsreglement wordt niet gewijzigd dan nadat de commissie van beroep over de voorgenomen wijziging is gehoord.

9.Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen terzake van beslissingen die aan het oordeel van de commissie van beroep zijn onderworpen.

 

Hoofdstuk 5 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 5.1 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 5.2 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 5.3 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 5.4 [Vervallen per 11-05-2001]

 

Artikel 5.5 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs

 

Artikel 5a.1. Reikwijdte

1.Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

2.Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b verzorgen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder instellingsbestuur mede begrepen het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin.

 

Titel 1. Accreditatieorgaan

 

Artikel 5a.2. Instelling en taken accreditatieorgaan

1.De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, gevestigd te Den Haag, en bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag, is het accreditatieorgaan hoger onderwijs. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.

2.Het accreditatieorgaan is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie aan opleidingen in het hoger onderwijs en het afnemen van de toets nieuwe opleiding in het hoger onderwijs.

3.Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak de accreditatiekaders en toetsingskaders te bespreken met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.

4.Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met de voorbereiding van een stelsel van bacheloropleidingen en masteropleidingen in Nederland, het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

 

Artikel 5a.3. Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan

1.Voordat Onze minister een voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de gezamenlijke instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel gehoord.

2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in verband met de voordracht van twee bestuursleden.

3.De bestuursleden die door Onze minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze minister ondergeschikte ambtenaren.

4.Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de instellingen en vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door Onze minister gehoord.

 

Artikel 5a.3a. Vergaderingen accreditatieorgaan

De inspectie wordt in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van het accreditatieorgaan bij te wonen.

 

Artikel 5a.4. Bezoldiging of schadeloosstelling

1.Aan het lidmaatschap van het accreditatieorgaan is, indien dat bestuurslid door Onze minister is voorgedragen, een bezoldiging dan wel een schadeloosstelling verbonden.

2.Onze minister stelt de bezoldiging of de schadeloosstelling vast.

3.Buiten de bezoldiging of de schadeloosstelling en de vergoeding van bijzondere kosten in verband met zijn functie geniet een bestuurslid van het accreditatieorgaan geen inkomsten ten laste van het accreditatieorgaan.

4.Ten aanzien van de bestuursleden van het accreditatieorgaan wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 383 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verslag gedaan in het jaarverslag, bedoeld in artikel 5a.7.

 

Artikel 5a.5. Personeel

Op het personeel in dienst van het accreditatieorgaan, zijn de rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, van overeenkomstige toepassing. De in die regels neergelegde bevoegdheden, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels, worden uitgeoefend door het accreditatieorgaan. Voorzover in die regels is bepaald dat bevoegdheden worden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden deze bevoegdheden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze minister.

 

Artikel 5a.6. Begroting

1.Het accreditatieorgaan zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.

2.Indien gedurende een kalenderjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet het accreditatieorgaan daarvan onverwijld mededeling aan Onze minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

 

Artikel 5a.6a. Inrichting begroting

1.De begroting, bedoeld in artikel 5a.6, behelst een raming van de baten en lasten, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een raming van de inkomsten en uitgaven.

2.De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.

3.Uit de toelichting blijkt steeds welke begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of krachtens de wet aan het accreditatieorgaan opgedragen taken dan wel op andere activiteiten.

4.Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde jaarrekening.

5.De begroting omvat voorts voorstellen aan Onze minister voor het bedrag dat in het desbetreffende jaar in de rijksbegroting zal worden opgenomen en voor de in het desbetreffende jaar te hanteren tarieven.

6.Indien het accreditatieorgaan andere baten of inkomsten raamt, worden deze afzonderlijk vermeld en van een toelichting voorzien.

 

Artikel 5a.6b. Financiële middelen

1.Onze minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag.

2.Onze minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

3.Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar.

4.Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.

 

Artikel 5a.6c. Voorafgaande instemming

Onze minister kan bepalen dat het accreditatieorgaan zijn voorafgaande instemming behoeft voor:

a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon,

b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen,

c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan,

d. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening,

e. het aangaan van overeenkomsten waarbij het accreditatieorgaan zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt,

f. het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 5a.6d,

g. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling.

 

Artikel 5a.6d. Egalisatiereserve

1.Het accreditatieorgaan vormt een egalisatiereserve.

2.Het verschil tussen de gerealiseerde baten van het accreditatieorgaan en de gerealiseerde lasten van de activiteiten komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.

3.De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.

 

Artikel 5a.7. Jaarverslag

1.Het accreditatieorgaan stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.

2.Het verslag wordt aan Onze minister gezonden.

 

Artikel 5a.7a. Jaarrekening

Tegelijk met het jaarverslag, bedoeld in artikel 5a.7, dient het accreditatieorgaan de jaarrekening bij Onze minister in.

 

Artikel 5a.7b. Inrichting jaarrekening

1.De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het accreditatieorgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het accreditatieorgaan dat aan Onze minister desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.

3.De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door het accreditatieorgaan.

4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van het accreditatieorgaan voldoen aan eisen van doelmatigheid.

 

Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding

 

Artikel 5a.8. Accreditatiekaders en toetsingskaders

1.Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de accreditatie van opleidingen vast in afzonderlijke accreditatiekaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen. In de accreditatiekaders wordt tevens bepaald welke gegevens het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om accreditatie, waartoe in elk geval behoort de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur kan worden verleend.

2.Bij het verlenen van accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit, die betrekking hebben op het niveau van de opleiding, de onderwijsinhoud, het onderwijsproces, de opbrengsten van het onderwijs van de opleiding, voldoende voorzieningen die noodzakelijk zijn om de opleiding te kunnen verzorgen, en op een adequate methode die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, wordt gehanteerd.

3.Bij de toepassing van het tweede lid wordt begrepen onder:

a. het niveau van de opleiding: dit is gericht op het eindniveau van de opleiding gelet op hetgeen gewenst en gangbaar is, bij voorkeur gemeten naar internationale standaard;

b. de onderwijsinhoud: deze omvat in ieder geval de aard van het onderwijs, voldoende samenhang in het opleidingsprogramma van de opleiding, de studielast en een duidelijke relatie tussen de doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma;

c. het onderwijsproces: dit omvat in ieder geval een voldoende afstemming tussen vormgeving van het onderwijs en de inhoud, voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke beoordeling en toetsing van het onderwijs;

d. de opbrengsten van het onderwijs: deze omvatten in ieder geval voldoende maatschappelijke relevantie van de bereikte eindkwalificaties van afgestudeerden van de opleiding en voldoende rendement van de opleiding in relatie tot de beargumenteerde streefcijfers;

e. de voorzieningen: deze omvatten in ieder geval de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg;

f. de methoden die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, worden gehanteerd: deze hebben in ieder geval betrekking op de mogelijkheid de opleiding te vergelijken met andere opleidingen en op een internationaal beoordelingskader.

4.Alvorens een accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.

5.Een accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.

6.De accreditatiekaders worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

7.Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de toets nieuwe opleiding vast in afzonderlijke toetsingskaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen. De tweede volzin van het eerste lid en het tweede tot en met zesde lid, met uitzondering van het derde lid, onderdeel f, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 5a.8a. Bekendmaking beoordelende instanties

Het accreditatieorgaan maakt jaarlijks aan de instellingen bekend welke instanties met behulp van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 1.18, derde lid, eerste volzin, opleidingen beoordelen op de wijze, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, vierde volzin.

 

Artikel 5a.9. Accreditatie opleiding

1. Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.

2. Een aanvraag om accreditatie wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het vorige accreditatiebesluit of van het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, bij het accreditatieorgaan ingediend.

3. Het accreditatiebesluit wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.

4. Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om accreditatie een besluit. Het accreditatiebesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige accreditatiebesluit vervalt of, indien aan een opleiding voor de eerste maal accreditatie wordt verbonden, met ingang van de dag van bekendmaking van het accreditatiebesluit.

5. Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zesde lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het zevende lid, op de aanvraag om accreditatie is beslist.

6. De accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het accreditatiebesluit.

7. Indien een instellingsbestuur binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zesde lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zesde lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

8. De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.

 

Artikel 5a.10. Accreditatierapport

1.Het accreditatieorgaan legt de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid, en het besluit over de accreditatie van de opleiding vast in een accreditatierapport. Het accreditatieorgaan kan in het accreditatierapport overige opmerkingen opnemen over de bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding.

2.Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.

3.Het accreditatieorgaan zendt het accreditatierapport na vaststelling onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het rapport tegelijkertijd openbaar.

4.Het accreditatieorgaan verstrekt een afschrift van het accreditatierapport op verzoek. Het accreditatieorgaan vraagt een vergoeding van de kosten voor de afgifte van een afschrift van het accreditatierapport overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.

 

Artikel 5a.11. Toets nieuwe opleiding

1.Een opleiding die niet is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, kan een toets nieuwe opleiding ondergaan. Indien deze toets positief is, kan het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding laten registreren in dat register. In afwijking van de tweede volzin kan het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.

2.De toets nieuwe opleiding vindt plaats op aanvraag van het instellingsbestuur.

3.Bij de toets nieuwe opleiding wordt in ieder geval rekening gehouden met het door het instellingsbestuur verstrekte document waarin ten minste zijn opgenomen:

a. het opleidingsprogramma,

b. het financieel overzicht waarin inzicht wordt verschaft in de uitgaven die voor het tot stand brengen van de opleiding noodzakelijk zijn,

c. een beschrijving van het voor de opleiding benodigde personeel naar omvang en kwalificatie,

d. de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur kan worden verleend.

4.Het accreditatieorgaan besluit dat een toets nieuwe opleiding niet positief is, indien uit de gegevens van de betreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waaraan accreditatie is onthouden.

5.Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit. Het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, vervalt na zes jaar.

6.De artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10 zijn van overeenkomstige toepassing.

7.Indien voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd en voor laatstbedoelde opleiding accreditatie is verleend, besluit het accreditatieorgaan dat voor de masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan. Dit besluit is geldig voor de termijn waarop de accreditatie betrekking had.

8.Tenzij Onze minister voor een opleiding anders besluit, is dit artikel niet van toepassing op opleidingen waarvoor de artikelen 7.53 of 7.56 zijn toegepast.

 

Artikel 5a.12. Gevolgen verlies accreditatie

1.Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. De instelling stelt de redelijke termijn vast gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van studenten voor wie het niet mogelijk is de opleiding aan een andere instelling te voltooien, indien zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen.

2.Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

3.Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien van een aangewezen instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

4.Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs wordt beëindigd.

5.Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, eerste lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.11, vijfde lid, geen accreditatie is verleend.

6.In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.

 

Artikel 5a.12a. Herstelperiode

1. Indien het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, kan het eenmaal de geldigheidsduur van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, verlengen met een periode van ten hoogste twee jaar. Daartoe gaat het accreditatieorgaan over indien het naar zijn oordeel aannemelijk is dat de opleiding binnen de gestelde termijn alsnog aan het accreditatiekader voldoet.

2. Het accreditatieorgaan maakt in het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur melding van de te verbeteren aspecten van kwaliteit. Tevens kan het daarin procedurele voorwaarden opnemen.

3. Artikel 5a.9, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot verlenging.

4. In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om een besluit tot vaststelling dat de opleiding alsnog aan het accreditatiekader voldoet, in ten minste een half jaar voor afloop van de geldigheidsduur van het besluit tot verlenging van accreditatie.

5. Het besluit van het accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde lid, geldt met ingang van het moment waarop het accreditatieorgaan de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan. Op het vaststellingsbesluit is artikel 5a.9, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

 

Titel 3. Overige bepalingen

 

Artikel 5a.13 [Vervallen per 01-02-2005]

 

Artikel 5a.14. Inlichtingen

1.Het accreditatieorgaan verstrekt desgevraagd aan Onze minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen.

2.Onze minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

 

Artikel 5a.15. Vernietiging van besluiten

1.Onze minister kan een besluit van het accreditatieorgaan vernietigen, indien dit besluit is genomen in strijd met het recht of het algemeen belang.

2.In afwijking van artikel 5a.12, kan Onze minister bij toepassing van het eerste lid bepalen dat een instelling gedurende een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, of dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.

3.Van het vernietigingsbesluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

 

Artikel 5a.16. Taakverwaarlozing

Indien naar het oordeel van het Comité van Ministers ingevolge artikel 12 van het Accreditatieverdrag het accreditatieorgaan zijn taak ernstig verwaarloost, worden die voorzieningen, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het accreditatieorgaan in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

 

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

 

Artikel 6.1. Reikwijdte

1.De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.

2.Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

3.Titel 3 heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.3b.

 

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

 

Artikel 6.2. Onderwijsaanbod

1. Het instellingsbestuur legt het voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Het instellingsbestuur verstrekt daarbij het gegeven, in welke gemeente de opleiding wordt gevestigd. Artikel 7.17, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie.

3. De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

4. Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 6.3 [Vervallen per 26-09-2003]

 

Artikel 6.4 [Vervallen per 26-09-2003]

 

Artikel 6.5. Ontneming rechten aan opleidingen

1.Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:

a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of

b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.

2.Bij een besluit tot ontneming van rechten bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke termijn kunnen voltooien.

 

Artikel 6.6. Procedure ontneming rechten aan opleidingen

1.Onze minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte.

2.Voordat Onze minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

 

Artikel 6.7 [Vervallen per 01-09-1998]

 

Artikel 6.8 [Vervallen per 26-09-2003]

 

Titel 2. Aanwijzing en intrekking aanwijzing van niet bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

 

Artikel 6.9. Aanwijzing van instellingen

1.Het besluit tot aanwijzing van een andere dan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling voor hoger onderwijs wordt genomen door Onze minister.

2.Het besluit tot aanwijzing wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het initiële onderwijs, alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede onderscheidenlijk derde lid, bedoelde voorwaarde.

3.Het besluit tot aanwijzing van universiteiten wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek.

4.Het besluit tot aanwijzing kan slechts worden genomen op een daartoe strekkende aanvraag van het instellingsbestuur.

 

Artikel 6.10. Ontneming rechten verbonden aan de aanwijzing van opleidingen

1.Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.

2.Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.

3.Artikel 6.5, tweede lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

 

Artikel 6.11 [Vervallen per 26-09-2003]

 

Artikel 6.12. Intrekking aanwijzing instelling

1.Het besluit tot intrekking van de aanwijzing wordt door Onze minister genomen, indien de instelling geen opleiding die is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, meer verzorgt.

2.De aanwijzing kan door Onze minister worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede of derde lid, bedoelde voorwaarden. Artikel 6.10, vierde lid, is van toepassing.

 

Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

 

Artikel 6.12a. Begripsbepalingen titel 3

In deze titel wordt mede begrepen onder:

a. instelling: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid,

b. instellingsbestuur: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, en

c. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, tenzij anders bepaald.

 

Artikel 6.13. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs

1. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.

2. [Vervallen.]

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.

4. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:

a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,

b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

c. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,

d. de indeling in het register,

e. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijk afstudeerprogramma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding of het afstudeerprogramma wordt verzorgd,

f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,

g. de studielast,

h. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden,

i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,

j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,

k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,

l. de gemeente of de gemeenten waar de opleiding is gevestigd;

m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, eerste lid, tweede volzin, vastgestelde termijn,

n. de door Onze minister op grond van de artikelen 5a.12, vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, vastgestelde termijn,

o. indien toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a: de termijn, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en het door het accreditatieorgaan genomen besluit op grond van vijfde lid van dat artikel,

p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,

q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,

r. indien artikel 5a.9, zevende lid, van toepassing is: de door het accreditatieorgaan vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede volzin van dat artikellid.

5. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:

a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en

b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c, m en n.

6. Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

 

Artikel 6.14. De registratieprocedure

1. Het instellingsbestuur kan een opleiding na de verlening van accreditatie aanmelden voor registratie. Het instellingsbestuur kan een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, aanmelden voor registratie, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan. In afwijking van de tweede volzin kan het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.

2. De aanmelding geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanmelding van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en bewijst door middel van een voornemen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of een besluit als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, dat er geen sprake is van een ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen.

3. Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

4. Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, vijfde lid, onderdeel a. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen en indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.

5. Onze Minister stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van registratie als bedoeld in het vierde lid. Indien de weigering gegrond is op de indeling van de opleiding, maakt Onze minister het besluit houdende weigering van de registratie bekend en doet daarvan mededeling in de Staatscourant.

6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde en vijfde lid.

 

Artikel 6.15. Beëindiging registratie

1. Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:

a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,

b. de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde of vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, is verstreken,

c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel

d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.10 of 6.12 heeft besloten dat de aanwijzing niet betrekking zal hebben op de opleiding.

2. Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.

3. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de bacheloropleiding dan wel inschrijving voor de masteropleiding niet meer openstaat.

 

Titel 4

 

Artikel 6.16 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Hoofdstuk 7. Onderwijs

 

Artikel 7.1. Reikwijdte

1.Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.

2.De titels 1, 2 en 2a van dit hoofdstuk met uitzondering van artikel 7.17 hebben betrekking op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

3.Artikel 7.10a heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.3b.

 

Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties

 

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

 

Artikel 7.2. Taal

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:

a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft,

b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of

c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.

 

Artikel 7.3. Opleidingen en onderwijseenheden

1.Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

2.Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.

3.Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.

4.Elke opleiding wordt op de voet van titel 3 van hoofdstuk 6 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.

 

Artikel 7.3a. Bachelor- en masteropleidingen

1.Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden:

a. bacheloropleidingen, en

b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a.

2.Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:

a. bacheloropleidingen, en

b. masteropleidingen die door Onze minister als zodanig zijn aangemerkt.

3.Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt uitsluitend genomen, indien in een opleiding niet of in onvoldoende mate is voorzien en de instandhouding van die opleiding wordt gevorderd door:

a. het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod, en

b. een aantoonbare maatschappelijke behoefte.

 

Artikel 7.3b. Postinitiële masteropleidingen

Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden:

a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en

b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.

 

Artikel 7.3c. Gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting

1. Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse instellingen of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9, 7.10a, 7.11, 7.12, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.

2. Voor andere dan de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden die betrekking hebben op een opleiding of afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de uitoefening daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen blijven voor de uitoefening van deze taken en bevoegdheden gezamenlijk verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden buiten de instelling.

3. Als een student zich bij een instelling laat inschrijven voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting, wordt die student ook ingeschreven bij de opleiding van de andere instelling voorzover het een Nederlandse instelling betreft.

4. Indien een instellingsbestuur als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, ten aanzien van een ingeschreven student bevoegd is de hoogte van het collegegeld te bepalen, geldt in het geval die student ook is ingeschreven bij een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting in de zin van dit artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het collegegeld niet het bij of krachtens de wet vastgestelde minimumbedrag.

 

Artikel 7.3d. Vrij onderwijsprogramma in het wetenschappelijk onderwijs

1. Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, met toestemming van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.

2. De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het eerste lid bedoelde toestemming aan tot welke door de instelling aangeboden opleiding het door de betrokkene samengestelde programma voor de toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.

 

Artikel 7.4. Studielast en studiepunten

1.De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie.

2.Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in artikel 10.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000, of de norm vastgesteld krachtens artikel 10.6, derde lid, van die wet.

 

Artikel 7.4a. Studielast opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

1.De studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 180 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin kan de studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs ten hoogste 240 studiepunten bedragen, indien Onze minister voor die opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is op het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.

2.Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.

3.De studielast van de masteropleidingen tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.

4.De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van tandarts en voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.

5.De studielast van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 120 studiepunten.

6.De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts, voor het beroep van apotheker en voor het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten.

7.De studielast van de masteropleidingen geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.

8.Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.

 

Artikel 7.4b. Studielast opleidingen in het hoger beroepsonderwijs

1.De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten.

2.De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.

3.Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.

 

Artikel 7.5 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 7.6. Beroepsvereisten

1.Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.

2.Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke ten aanzien van artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen, dierenartsen, architecten en apothekers zijn neergelegd in richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).

3.Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

 

Artikel 7.7. Voltijdse, deeltijdse en duale inrichting van opleidingen

1.Opleidingen aan universiteiten en hogescholen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen.

2.Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Deze beroepsuitoefening vindt in het wetenschappelijk onderwijs niet plaats gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel.

3.De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs, bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten.

4.In de onderwijs- en examenregeling wordt voor een duale opleiding aangegeven:

a. de minimale studielast van het onderwijsdeel,

b. de tijdsduur van de periode of de gezamenlijke tijdsduur van de perioden die ten minste in de beroepsuitoefening wordt doorgebracht, en

c. de minimale studielast van het deel van de opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening.

5.De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde ten minste bepalingen over:

a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening,

b. de begeleiding van de student,

c. dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder c, dat de student tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan, en

d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

 

Artikel 7.7a [Vervallen per 25-01-2003]

 

Artikel 7.8. Propedeutische fase en propedeutisch examen

1.Het instellingsbestuur van een universiteit of van de Open Universiteit kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een propedeutische fase instellen.

2.Een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs omvat een propedeutische fase.

3.Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden.

4.De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 60 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale bacheloropleiding bedraagt 60 studiepunten.

5.De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de bacheloropleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het eind van die fase.

 

Artikel 7.8a. Associate-degreeprogramma

1.Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een Associate-degreeprogramma instellen.

2.De studielast van het programma bedraagt ten minste 120 studiepunten.

3.De artikelen 7.8b, 7.53, 7.54, 7.56, 7.57b, 7.57c, 7.57d en 7.57g zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase

1.Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

2.Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

3.Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

4.Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

5.Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen.

6.Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.

7.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

8.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.

 

Artikel 7.9. Verwijzing in postpropedeutische fase

1.Indien een bacheloropleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is.

2.Bij de toepassing van het eerste lid baseert het instellingsbestuur zijn beslissing:

a. op de studieresultaten van de student,

b. op het door de student gevolgde studieprogramma, of

c. op een combinatie van a en b.

Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

3.Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

4.Bij de weging van het studieprogramma van de student, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de door de student gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende aansluiten op de door de student gewenste afstudeerrichting.

5.Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid.

6.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten.

 

Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole tempobeurs

1. Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

2. Het instellingsbestuur deelt aan Onze Minister mee welke van de in het eerste lid bedoelde studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in artikel 10.6, tweede of derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, met inachtneming van artikel 10.6 van die wet, niet hebben behaald. Die mededeling geschiedt voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.

3. Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de gegevens die aan Onze Minister zijn verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.

 

Artikel 7.9b [Vervallen per 01-11-2004]

 

Artikel 7.9ba [Vervallen per 01-09-2000]

 

Artikel 7.9bb [Vervallen per 01-09-2000]

 

Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid.

 

Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen

Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in artikel 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

 

Artikel 7.9e. Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van artikel 7.31a

Het instellingsbestuur van een op grond van artikel 6.9 aangewezen instelling doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin een student op grond van artikel 7.31a vrijstelling heeft gekregen van het afleggen van tentamens, daarvan mededeling aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

 

Artikel 7.9f [Vervallen per 01-09-2000]

 

Artikel 7.10. Examens en tentamens

1.Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.

2.Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

3.De examencommissie kan, in afwijking van het tweede lid en onder door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.

 

Artikel 7.10a. Verlening van graden

1.Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.

2.Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vaststellen.

3.Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder b.

4.Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.

 

Artikel 7.10b. Verlening van de graad Associate degree

1.Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een Ad-programma waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid, of een accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde lid, is genomen.

2.Indien toepassing is gegeven aan artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin, voegt het instellingsbestuur dezelfde toevoeging toe aan de graad Associate degree.

3.Artikel 7.11, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 7.11. Getuigschriften en verklaringen

1. Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt.

2. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld:

a. welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft,

b. welke onderdelen het examen omvatte,

c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,

d. welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend, en

e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan, en

f. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3b betreft, de naam van de instelling of, bij een gezamenlijke opleiding, instellingen die de bedoelde opleiding of afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd.

3. De examencommissie voegt aan een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen, een supplement toe. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende gegevens:

a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,

b. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft,

c. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, en

d. de studielast van de opleiding.

Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels.

4. Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het tweede lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.

 

Artikel 7.12. Examencommissie en examinatoren

1.Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien van het door de student samengestelde programma is de examencommissie bevoegd die de in artikel 7.3c, eerste lid, bedoelde toestemming heeft verleend.

2.Het instellingsbestuur benoemt de leden van de examencommissie uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in die opleiding of opleidingen zijn belast.

3.Ten behoeve van het afnemen van de tentamens wijst de examencommissie examinatoren aan. Als examinator kunnen slechts worden aangewezen leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in de desbetreffende onderwijseenheid zijn belast alsmede deskundigen van buiten de instelling. De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.

4.De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat verband te nemen maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in het geval van fraude door een student door de examencommissie, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste één jaar, aan die student het recht wordt ontnomen een of meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de instelling af te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die het tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen.

 

Artikel 7.12a. Benoeming en samenstelling examencommissie [Treedt in werking per 01-09-2010]

1. Het instellingsbestuur stelt de examencommissie in en benoemt de leden op basis van hun deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. Ten minste één lid is als docent verbonden aan de opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort.

2. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende wordt gewaarborgd.

3. Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het instellingsbestuur de leden van de desbetreffende examencommissie.

 

Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie [Treedt in werking per 01-09-2010]

1. Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:

a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,

b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,

c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3d te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet, en

d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens.

2. Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.

3. De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.

4. Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een examinator betrokken is die lid is van de examencommissie, neemt de betrokken examinator geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.

5. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. De examencommissie verstrekt het verslag aan het instellingsbestuur of de decaan.

 

Artikel 7.12c. Examinatoren [Treedt in werking per 01-09-2010]

1. Voor het afnemen van tentamens en het vaststellen van de uitslag daarvan wijst de examencommissie examinatoren aan.

2. De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.

 

Artikel 7.13. Onderwijs- en examenregeling

1.Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

2.In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:

a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,

b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding,

c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven,

d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,

e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,

f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,

g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, achtste lid,

h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,

i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,

j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,

k. waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen,

l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

m. de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen,

n. de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,

o. de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken,

p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,

q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,

r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens,

s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens,

t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen,

u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, en

v. de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid.

3.In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een masteropleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die afstudeerrichting.

4.De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt gewaarborgd. De overeenkomst behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.

 

Artikel 7.14. Beoordeling onderwijs- en examenregeling

Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.

 

Artikel 7.15. Openbaarheid onderwijsaanbod

Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onderwijsaanbod en andere relevante informatie tijdig openbaar worden gemaakt, zodanig dat de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen over de inhoud en de inrichting van het onderwijs en de examens.

 

Artikel 7.16 [Vervallen per 01-08-2006]

 

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

 

Artikel 7.17. Vestigingsplaats opleiding

1.Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de gemeente waar die opleiding blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is gevestigd.

2.Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten te vestigen. Hij legt het voornemen daartoe ter instemming voor aan Onze minister.

3.Onze minister wordt geacht met het voornemen, bedoeld in het tweede lid, in te stemmen, indien hij niet binnen vier maanden na ontvangst daarvan heeft verklaard dat aan het voornemen geen uitvoering kan worden gegeven in verband met een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs die als gevolg daarvan zou ontstaan.

4.Voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in het tweede lid overlegt het instellingsbestuur met de daarvoor in aanmerking komende instellingen.

5.De instemming, bedoeld in het derde lid, vervalt, indien het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding niet binnen zes maanden heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.

 

Artikel 7.17a. Opheffing vestigingsplaats opleiding

1.Onze minister kan besluiten dat een opleiding die in twee of meer gemeenten is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die gemeente, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht.

2.Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet langer in de in het eerste lid bedoelde gemeente is gevestigd.

 

Paragraaf 3. De promoties

 

Artikel 7.18. Verlening van graad Doctor; toegang en inrichting promotie

1. Het college voor promoties van een universiteit of van de Open Universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie.

2. Tot de promotie heeft toegang ieder die:

a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is verleend,

b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en

c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

3. In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.

4. Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.

5. Voor de toepassing van het vierde lid worden de kerkelijke hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.

6. Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graad Doctor verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement.

 

Artikel 7.19. Promotiereglement; eredoctoraat

1. Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:

a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken,

b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en

c. indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zesde lid.

2. Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen.

 

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

 

Artikel 7.19a. Graden Bachelor, Master en Associate degree

1.Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.

2.De graad, bedoeld in het eerste lid, en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, worden als volgt aangeduid:

a. Bachelor: B,

b. Master: M,

c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA,

d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc,

e. Bachelor met een andere toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin,

f. Master met de toevoeging «of Arts»: MA,

g. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en

h. Master met een andere toevoeging als bedoeld in onderdeel e.

3.Indien artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin, toepassing heeft gevonden, worden de afkorting van de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld.

4.Degene aan wie op grond van artikel 7.10b de graad Associate degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad is Ad.

5.De graad en de toevoeging worden, afgekort, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.

 

Artikel 7.20. Titels ir., mr., drs., ing. en bc.

1.Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in het wetenschappelijk onderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:

a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek,

b. de titel meester, afgekort tot mr., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht, of

c. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en b niet van toepassing zijn.

2.Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in het hoger beroepsonderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:

a. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek, of

b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel a niet van toepassing is.

3.De in het eerste en tweede lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.

4.Het eerste lid is niet van toepassing op masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3b.

5.De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van een graad als bedoeld in artikel 7.10a en het voeren van een titel als bedoeld in dit artikel.

 

Artikel 7.20a [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 7.21 [Vervallen per 01-09-2002]

 

Artikel 7.22. Graad Doctor

1.Degene aan wie op grond van de promotie, bedoeld in artikel 7.18, dan wel ingevolge artikel 7.19, tweede lid, de graad Doctor is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

2.Degene die op grond van het eerste lid gerechtigd is de in dat lid bedoelde graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd de titel doctor te voeren.

3.De in het eerste lid bedoelde graad wordt, aangeduid als D, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst. De in het tweede lid bedoelde titel wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.

4.De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van de graad, bedoeld in het eerste lid, en het voeren van de titel, bedoeld in het tweede lid.

 

Artikel 7.22a. Handhaving titels oude stijl

1.Degenen die op grond van de artikelen 7.20 en 7.22, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden, gerechtigd waren tot het voeren van een in de desbetreffende bepalingen genoemde titel, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig die artikelen.

2.Degenen die op grond van artikel 7.21, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel Master of de titel Bachelor, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.

 

Artikel 7.23. Buiten Nederland verkregen graden en titels

1. Degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.

2. Degene aan wie op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking kan worden gebracht.

3. Onze Minister kan aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

4. Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad als bedoeld in artikel 7.22 is verleend en die gerechtigd is op grond daarvan een graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel.

 

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

 

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen.

 

Artikel 7.23a. Begripsbepaling paragraaf 1

In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een bacheloropleiding.

 

Artikel 7.24. Vooropleidingseisen

1.Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als vooropleidingseis het bezit van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.

2.Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs of een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met een diploma als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

3.Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

 

Artikel 7.25. Nadere vooropleidingseisen

1.Bij ministeriële regeling worden het profiel of de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen.

2.Bij ministeriële regeling kunnen tevens worden aangewezen, vakken en andere programmaonderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen, indien het betreft:

a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen omvat;

b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel;

c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.

3.Bij de ministeriële regeling kunnen vakken en andere programmaonderdelen worden aangewezen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma van een middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel een bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, aangewezen vakopleiding, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding of groep van opleidingen aan een hogeschool.

4.Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

 

Artikel 7.26. Aanvullende eisen

1.Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs” onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.

2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld ten aanzien van welke opleidingen het eerste lid toepassing kan vinden.

3.Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

 

Artikel 7.26a. Aanvullende eisen voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst

1.Bij ministeriële regeling worden voor de opleidingen op het gebied van de kunst en voor de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.

2.Met betrekking tot de opleidingen waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria vast betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï.

3.Voor elke opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. De commissie brengt het instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit.

4.Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van toelating uit.

 

Artikel 7.27. Eisen werkkring

Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.

 

Artikel 7.28. Vrijstelling op grond van andere diploma’s

1. Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is verleend, en de bezitter van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde lid. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.

2. Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.

3. Indien bij ministeriële regeling eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld in artikel 7.25, betrekking hebben.

4. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in artikel 7.25, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.

5. De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

 

Artikel 7.29. Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek

1.Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs.

2.De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

3.Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd.

4.Het instellingsbestuur kan ten aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd.

 

Artikel 7.30. Postpropedeutische fase

1.Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere opleidingen gemeen hebben.

2.Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.

3.Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang , tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

 

Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen

 

Artikel 7.30a. Toelatingseisen aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs

1.Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in relatie tot een bacheloropleiding is aangewezen op grond van artikel 7.13, derde lid, geldt als toelatingseis dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, van de desbetreffende bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aan dezelfde instelling. Indien op grond van de in de eerste volzin genoemde bepaling een afstudeerrichting is aangewezen, geldt in afwijking van de eerste volzin als toelatingseis voor een in die volzin bedoelde masteropleiding dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend die betrekking heeft op die afstudeerrichting. In afwijking van de eerste volzin kan het instellingsbestuur besluiten dat degene die voor een bacheloropleiding als bedoeld in die volzin is ingeschreven, toch wordt ingeschreven voor een masteropleiding als bedoeld in die volzin onder de voorwaarde dat is voldaan aan bij de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende masteropleiding te stellen eisen.

2.Het eerste lid heeft ook betrekking op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.13, vierde lid, tweede volzin.

3.Voor de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in het eerste en tweede lid van personen aan wie geen graad als bedoeld in het eerste lid is verleend, geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die opleiding. Het instellingsbestuur verstrekt desgevraagd een bewijs van toelating, indien:

a. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur voor de opleiding vast te stellen eisen, en

b. voorzover het instellingsbestuur het aantal ten hoogste voor de opleiding in te schrijven personen heeft vastgesteld, dat aantal niet wordt overschreden.

De onder a bedoelde eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze komen overeen met de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die moeten zijn verworven bij beëindiging van de bacheloropleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.Artikel 7.27 is van overeenkomstige toepassing.

5.Het bewijs van toelating, bedoeld in het derde lid, heeft betrekking op het studiejaar dat gelegen is na het studiejaar waarin de aanvraag voor dat bewijs is ingediend, tenzij het instellingsbestuur anders beslist.

 

Artikel 7.30b. Toelatingseisen overige masteropleidingen

1.Voor de inschrijving voor een andere masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan die, bedoeld in artikel 7.30a, eerste en tweede lid, of voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die opleiding. Artikel 7.30a, derde lid, tweede volzin, is van toepassing. De door het instellingsbestuur vast te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze eisen hebben uitsluitend betrekking op kennis, inzicht en vaardigheden die kunnen zijn verworven bij beëindiging van een bacheloropleiding.

2.Artikel 7.30a, vijfde lid, is van toepassing.

 

Artikel 7.30c. Toelatingseisen voor masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van onderwijs; vrijstelling daarvan

1.Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs gelden als toelatingseisen dat:

a. aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, en

b. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen.

2.Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de toelatingseis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien uit een door hem ingesteld onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over vergelijkbare kennis, inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis betrekking heeft.

 

Artikel 7.30d. Toelatingseisen niet van toepassing a.g.v. Lissabon-afspraken

Op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin, zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van toepassing:

a. artikel 7.30a, met uitzondering van het derde lid, tweede volzin, onderdeel b, en de in het derde lid, vierde volzin, bedoelde kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden,

b. artikel 7.30b, met uitzondering van de in het eerste lid, vierde volzin, bedoelde eisen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden, en

c. artikel 7.30c, met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde kennis, inzicht en vaardigheden.

 

Artikel 7.30e. Wegnemen tekortkoming bij niet voldoen aan toelatingseisen

Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30a tot en met 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.

 

Artikel 7.31. Bekendmaking procedure; procedureregels

1.Het instellingsbestuur maakt tijdig de procedure bekend, op grond waarvan de toewijzing van bewijzen van toelating zal plaatsvinden ingeval het aantal aanvragen voor een bewijs van toelating voor een masteropleiding het vastgestelde aantal personen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, tweede volzin, zou overschrijden.

2.Het instellingsbestuur stelt een toelatingsreglement vast.

 

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS

 

Artikel 7.31a. Vrijstelling op grond van verwante opleidingen in het beroepsonderwijs

1.In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten, degene

a. die in het bezit is van een diploma van een middenkaderopleiding, een specialistenopleiding of een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voorzover aangewezen bij ministeriële regeling, en

b. die is ingeschreven voor een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op een in onderdeel a bedoelde opleiding.

2.Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop aansluitende bacheloropleiding of voor de groep van daarop aansluitende bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

3.In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur, indien naar zijn oordeel het niveau van betrokkene op grond van een aantoonbaar gebrek aan tijdens een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a, aangeboden kennis of vaardigheden een vrijstelling van de in dat lid bedoelde omvang niet toelaat, een vrijstelling van een geringere omvang verlenen. In dat geval maakt het instellingsbestuur de omvang en de inhoud van de verleende vrijstelling aan de betrokkene bekend.

 

Artikel 7.31b. Toegang tot onderdelen van het afsluitend examen

Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

 

Titel 3. Studenten en extraneï

 

Paragraaf 1. Inschrijving

 

Artikel 7.32. Algemene bepaling inschrijving

1.Ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.

2.In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student.

3.De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit ook kan geschieden voor een of meer onderwijseenheden.

4.De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.

5.De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,

b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,

c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,

d. vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt gewenst, of

e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.

6.Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd.

 

Artikel 7.33. Procedure inschrijving

1. Onverminderd artikel 7.39, geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

2. Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de in het eerste lid bedoelde regels.

 

Artikel 7.34. Rechten inschrijving als student

1.De inschrijving als student geeft het recht:

a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.30a, derde lid, 7.30b, eerste lid, 7.53, derde lid, of 7.56 anders te beslissen,

b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,

c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,

d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en

e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid.

2.Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

3.De inschrijving aan de Open Universiteit geeft tevens het recht het benodigde cursusmateriaal te ontvangen en de daarbij behorende begeleiding te genieten. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in de eerste volzin en de in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.

4.In afwijking van het eerste lid, onder b, heeft de student, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin, niet het recht de examens van die opleiding af te leggen.

 

Artikel 7.35 [Vervallen per 01-09-1996]

 

Artikel 7.36. Rechten inschrijving als extraneus

De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b en c. Artikel 7.34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 7.37. Voorwaarden inschrijving

1. De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.

2. Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde cursusgeld is voldaan.

3. Indien een meerderjarige student of extraneus het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat door de student of extraneus schriftelijk is verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld voldoet.

4. Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren met inachtneming van artikel 7.38 en, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij Onze Minister heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de bacheloropleiding waarop de inschrijving betrekking heeft. Onze Minister levert de aanmeldingsgegevens aan de instelling van eerste voorkeur.

5. Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

6. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

7. De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vijfde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.

 

Artikel 7.37a. Afwijkende voorwaarde voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren

In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 6 of artikel 8 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, eveneens open voor degene die voldoet aan de in die artikelen bedoelde eisen.

 

Artikel 7.37b. Aanvullende voorwaarde voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren

In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 7 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, in voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan een experimenteel programma, slechts open voor degene die tevens voldoet aan de in dat artikel bedoelde eisen.

 

Artikel 7.38. Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij aanmelding

1. Bij de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid, legt de student mede zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de aanmelding plaats met inachtneming van het derde lid.

2. Het persoonsgebonden nummer wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de student zijn vermeld.

3. Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, verstrekt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan hem zijn onderwijsnummer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de student toegekend persoonsgebonden nummer.

4. Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan het bestuur van de instelling van eerste voorkeur van de student, het persoonsgebonden nummer van de student en de gegevens, bedoeld in artikel 7.52, tweede lid, voorzover die door de student zijn verstrekt.

 

Artikel 7.39. Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij inschrijving

1. Bij de inschrijving legt de student of extraneus tevens zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het tweede lid. Artikel 7.38, tweede lid, is van toepassing.

2. Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, meldt het instellingsbestuur binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep de beschikbare gegevens van de student of extraneus, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats.

3. De Informatie Beheer Groep verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid, aan het instellingsbestuur het burgerservicenummer van de student of extraneus, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of extraneus.

4. Het instellingsbestuur neemt het persoonsgebonden nummer van de student of extraneus op in de administratie van de instelling.

5. Indien aan een student of extraneus een onderwijsnummer is toegekend en het instellingsbestuur daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het instellingsbestuur dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het instellingsbestuur meldt deze wijziging binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep onder opgave van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de student of extraneus.

 

Artikel 7.40 [Vervallen per 01-09-1996]

 

Artikel 7.41 [Vervallen per 01-09-1996]

 

Artikel 7.42. Procedure beëindiging inschrijving

1.Op het verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool:

a. wordt de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op die waarin het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg is afgelegd;

b. wordt in geval van ziekte of bijzondere familie-omstandigheden, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op de tweede hele maand waarin betrokkene niet aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen;

c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;

d. wordt de inschrijving beëindigd met ingang van de eerste maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de inrichting van de opleiding wat betreft de volgtijdelijkheid van praktische oefeningen alsmede de momenten waarop deze gevolgd kunnen worden, gedurende enige tijd geen onderwijs kan volgen;

e. wordt, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan.

2.Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

 

Paragraaf 2. Eigen bijdragen

 

Artikel 7.43. Collegegeld voor voltijdse opleidingen

1. Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een collegegeld verschuldigd van naar de maatstaf van 1 september 2009 € 1 620,– door degene die voor de aanvang van het studiejaar de leeftijd van 30 jaren nog niet heeft bereikt, en die

a. behoort tot een van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000, of

b. de Surinaamse nationaliteit bezit.

2. Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een door het instellingsbestuur vast te stellen collegegeld verschuldigd door degene die niet onder het bereik valt van het eerste lid. Het collegegeld bedraagt ten minste het bedrag, bedoeld in het eerste lid.

3. Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van de op grond van het tweede lid vastgestelde bedragen en stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dat lid.

4. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de studiejaren 2010–2011 tot en met 2018–2019 jaarlijks verhoogd met € 22 euro.

5. Bij ministeriële regeling wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag na verhoging daarvan overeenkomstig het vierde lid, jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het geïndexeerde collegegeld zal gelden. De indexering wordt bepaald door de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. Het overeenkomstig dit lid gewijzigde bedrag treedt in de plaats van het in het eerste lid bedoelde bedrag. Hetgeen onder consumentenprijsindex wordt verstaan, wordt geregeld bij ministeriële regeling.

 

Artikel 7.43a. Collegegeld voor bepaalde voltijdse opleidingen in het studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren

1.Het instellingsbestuur stelt in afwijking van artikel 7.43 voor een opleiding die of voor een experimenteel programma dat is aangewezen op grond van artikel 9 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, een collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten hoogste vijf keer het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid.

2.Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag.

3.Indien het eerste lid voor een opleiding toepassing heeft gevonden, komt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde collegegeld in de plaats van het collegegeld, genoemd in artikel 7.43, eerste lid.

4.Artikel 7.43, vierde lid met uitzondering van de vijfde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

5.Artikel 7.47, tweede lid, is van toepassing.

 

Artikel 7.44. Collegegeld voor deeltijdse en duale opleidingen

1.Voor de inschrijving als student voor een deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool stelt het instellingsbestuur het collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten minste € 567,23.

2.Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 7.45. Examengeld extraneus

1.Voor de inschrijving als extraneus is een door het instellingsbestuur vast te stellen examengeld verschuldigd.

2.Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 7.46. Overige bijdragen

1.De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43, eerste en tweede lid, 7.44, eerste lid, en 7.45, eerste lid, bedoelde bedragen.

2.In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.

3.Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.

 

Artikel 7.47. Voldoening collegegeld

1.Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door:

a. betaling ineens, dan wel

b. gespreide betaling, overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening kunnen worden gebracht. Deze bedragen ten hoogste € 13,61. In geval van betaling in termijnen is sprake van ten minste vijf termijnen, die over het hele studiejaar zijn gespreid.

2.De belanghebbende, bedoeld in de artikelen 7.43, tweede lid, en 7.44, eerste lid, is collegegeld verschuldigd met ingang van het door het instellingsbestuur te bepalen tijdstip.

 

Artikel 7.48. Vermindering en vrijstelling wettelijk collegegeld

1.Vermindering of vrijstelling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met het vierde lid.

2.Het collegegeld wordt met een twaalfde deel voor elke maand dat betrokkene niet is ingeschreven, verminderd:

a. voor degene die in de loop van het studiejaar wordt ingeschreven;

b. voor degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool, en wiens inschrijving op zijn verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur is beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, en die in de loop van hetzelfde studiejaar opnieuw voor een opleiding wenst te worden ingeschreven.

3.Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel aan een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 16.21, of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in plaats daarvan, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor een hoger collegegeld is verschuldigd dan de reeds voldane bijdrage, is voor de tweede inschrijving een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde, hogere collegegeld.

4.Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 16.21, of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die daarnaast, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven, voor welke inschrijving een collegegeld is verschuldigd, dat lager is dan of gelijk is aan de reeds voldane bijdrage, wordt voor de tweede inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld.

 

Artikel 7.49. Terugbetaling wettelijk collegegeld

1.Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met vierde lid.

2.Met ingang van de maand waarin de student, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, onder a, is uitgeschreven, wordt hem op zijn schriftelijk verzoek voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een tiende gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid. Voor de toepassing van dit artikellid tellen de laatste twee maanden van het studiejaar niet mee.

3.Indien de inschrijving van degene op wiens schriftelijk verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur wordt beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, wordt met ingang van de maand waarin de inschrijving wordt beëindigd, voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid.

4.Indien een student in de loop van het studiejaar is overleden, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald.

5.De in dit artikel bedoelde terugbetaling geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

 

Artikel 7.49a. Terugbetaling collegegeld voor bepaalde voltijdse opleidingen

1.Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43a, vindt plaats in het geval en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met vijfde lid.

2.Indien een student of extraneus aannemelijk kan maken dat een opleiding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing waarvoor hij is ingeschreven, in voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan een experimenteel programma, niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, dan wel niet of niet volledig beantwoordt aan de eisen die aan die opleiding in verband met het hogere collegegeldbedrag redelijkerwijs kunnen worden gesteld, heeft hij naar rato van het vastgestelde collegegeldbedrag aanspraak op terugbetaling van ten hoogste vier keer het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43.

3.De aanvraag om terugbetaling van collegegeld wordt schriftelijk en voorzien van een motivering bij het instellingsbestuur ingediend.

4.Het instellingsbestuur zendt de student binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing daarop.

5.Artikel 7.49, vijfde lid, is van toepassing.

 

Artikel 7.50. Cursusgeld Open Universiteit

1.Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt het voor een inschrijving verschuldigde cursusgeld vast. Bij de vaststelling van de bedragen houdt het instellingsbestuur rekening met de toegankelijkheid van het onderwijs aan de Open Universiteit.

2.Het instellingsbestuur stelt een regeling vast, waarin een voorziening in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling ten aanzien van het cursusgeld wordt getroffen, ten behoeve van personen waarvan de draagkracht uit inkomen beneden een door Onze minister te bepalen grens ligt. De hoogte van de vrijstelling is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.

3.Het instellingsbestuur draagt zorg voor openbaarmaking van de cursusgelden, bedoeld in het eerste lid, en van de regeling, bedoeld in het tweede lid. Deze openbaarmaking geschiedt in elk geval door plaatsing in de Staatscourant.

4.Het instellingsbestuur zendt de regeling, bedoeld in het tweede lid, binnen veertien dagen na de vaststelling aan Onze minister en brengt jaarlijks voor 1 juli verslag uit aan Onze minister over de uitvoering van de regeling.

 

Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeerfonds)

1.Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van de student ten aanzien van wie zich ieder van de navolgende feiten voordoet:

a. de student is aan de desbetreffende instelling ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd,

b. de student geniet of heeft in verband met het volgen van de opleiding, bedoeld onder a, dan wel het volgen van dezelfde opleiding aan een andere instelling, studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 genoten,

c. in de periode waarin met het oog op het volgen van een opleiding aan een in de bijlage van deze wet onder a tot en met g opgenomen instelling studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 werd genoten, doen zich een of meer, in het tweede lid genoemde, bijzondere omstandigheden voor of hebben deze zich voorgedaan, en

d. de in onderdeel c bedoelde bijzondere omstandigheden hebben tot studievertraging geleid of zullen dat naar verwachting doen.

2.De bijzondere omstandigheden van de student die bij de toepassing van het eerste lid in aanmerking worden genomen zijn:

a. ziekte of zwangerschap;

b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;

c. bijzondere familieomstandigheden;

d. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:

1°. bij universiteiten: de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of artikel 9.51, tweede lid, het bestuur van een opleiding of een opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op de taak, gelijk te stellen orgaan;

2°. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, de deelraad, een studentencommissie of opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op haar taak, gelijk te stellen orgaan;

e. andere door het instellingsbestuur te bepalen omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de instelling;

f. ter beoordeling van het instellingsbestuur: het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid;

g. een onvoldoende studeerbare opleiding;

h. verlies van accreditatie van de opleiding waaraan de student is ingeschreven;

i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3.Het instellingsbestuur deelt de student schriftelijk de beslissing op de aanvraag om toekenning van financiële ondersteuning zo spoedig mogelijk mede, nadat de student een bijzondere omstandigheid heeft aangemeld. De financiële ondersteuning wordt de student zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld of op een ander, door de student te bepalen tijdstip.

4.De omvang van de financiële ondersteuning is gelijk aan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.

5.Bij de vaststelling van de tijdsduur van de financiële ondersteuning wordt het verband tussen de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, en de onderwijsprogrammering in aanmerking genomen. Het instellingsbestuur kan aan de beschikbaarstelling van de voorziening de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk studerende is. Het instellingsbestuur kan aan toekenning van financiële ondersteuning op grond van de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder e en f, voorwaarden verbinden. Het instellingsbestuur stelt regels betreffende de voorwaarden, bedoeld in de derde volzin.

6.De omvang en de duur van een aan een student aan de desbetreffende instelling eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning op grond van dit artikel zoals dat luidde op 31 augustus 2000 worden geëerbiedigd, indien deze gunstiger voor de student zijn dan bij toepassing van dit artikel. De student die een opleiding aan een andere, in de bijlage van deze wet onder a tot en met g opgenomen instelling heeft gevolgd, en op grond van dit artikel een eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning heeft of zou hebben gehad, indien hij daarom zou hebben verzocht, heeft, met inachtneming van de eerste volzin, aanspraak op financiële ondersteuning als ware die opleiding genoten aan de instelling waaraan de student is ingeschreven.

7.Onze minister treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die gedurende een maand of langer deelneemt aan een beoordeling als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, of een student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij algemene maatregel van bestuur worden de voorwaarden vastgesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.

 

Artikel 7.51a. Financiële ondersteuning studenten (studiefonds)

1.Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.8, tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.8, tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.

2.Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, achtste lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de masteropleiding, die uitgaat boven het aantal van 60 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.

3.Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast voor de toepassing van dit artikel.

 

Paragraaf 3. Centraal register inschrijving hoger onderwijs

 

Artikel 7.52. Centraal register inschrijving hoger onderwijs

1. Er is een Centraal register inschrijving hoger onderwijs, dat ten doel heeft:

a. de instellingsbesturen, dat van de Open Universiteit daaronder niet begrepen, op hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een instelling,

b. Onze Minister op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, en

c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten behoeve van de planning en bekostiging van de instellingen.

2. Gegevens, opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, waaraan informatie herleidbaar tot natuurlijke personen, kan worden ontleend, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan de geregistreerde personen zelf of hun gemachtigden, alsmede aan de in het eerste lid bedoelde instellingsbesturen. Aan burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk aan de Sociale verzekeringsbank, worden kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Tevens worden desgevraagd aan het Centraal bureau voor de statistiek gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Voorts kunnen desgevraagd aan andere door Onze Minister aan te wijzen instanties gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden verstrekt uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen onderzoeksdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door Onze Minister aan te wijzen instanties.

3. Van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs is Onze Minister verantwoordelijke in de zin van artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

4. Onze Minister kan ten behoeve van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs gebruikmaken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet studiefinanciering 2000.

5. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen stellen het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van elke door hen genomen beslissing met betrekking tot de inschrijving als student of extraneus de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in artikel 7.9a, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen zijn gehouden medewerking te verlenen aan procedures die er op zijn gericht te bevorderen dat de in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk juist en volledig zijn. Onze minister kan terzake nadere regels stellen.

 

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving

 

Artikel 7.52a. Begripsbepalingen paragraaf 4

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. opleiding: een bacheloropleiding, en

b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten.

 

Artikel 7.53. Beperking eerste inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit

1. Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan Onze Minister. Voor een opleiding die na deze datum voor de eerste maal is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 6.13, en waarvan het onderwijs zal aanvangen met ingang van het daaropvolgende studiejaar, geldt 1 april als uiterste datum voor de mededeling aan Onze Minister van de onderwijscapaciteit van die opleiding.

2. Indien uit de gegevens betreffende de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid, blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen van studenten voor de propedeutische fase van een opleiding meer bedraagt dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, doet Onze Minister daarvan voor 1 april mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur deelt Onze Minister voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het aantal plaatsen te verhogen. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid.

3. Indien ook na toepassing van het tweede lid bij een of meer instellingen die de desbetreffende opleiding verzorgen, het aantal aanmeldingen op 1 mei het aantal plaatsen overtreft, stelt Onze Minister vast dat een toelatingsbeperking van kracht is, waarna paragraaf 4a van deze titel wordt toegepast.

4. Indien het instellingsbestuur in de verwachting verkeert dat het aantal inschrijvingen voor een opleiding meer zal bedragen dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, is, in afwijking van de procedure van het tweede en derde lid, eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van kracht en wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits het instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft aangemeld bij Onze Minister.

5. Indien een besluit ingevolge artikel 7.56 van toepassing is op de opleiding, blijft dit artikel buiten toepassing.

 

Artikel 7.54. Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase

1.Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.

2.In dit artikel wordt, indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, onder «postpropedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die volgt op de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten.

 

Artikel 7.54a

[Door vernummering vervallen.]

 

Artikel 7.55. Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare organisatorische en technische capaciteit

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

 

Artikel 7.56. Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt

1.Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te overtreffen of daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld:

a. het aantal personen dat voor de twee daaropvolgende studiejaren ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding aan al de universiteiten of hogescholen waaraan deze is verbonden, en

b. de verdeling van dat aantal over elk van de onder a bedoelde instellingen, waarbij in geval van door hogescholen verzorgde lerarenopleidingen binnen het voor een instelling vastgestelde aantal onderscheid kan worden gemaakt tussen voltijdse, duale en deeltijdse opleidingen. Bij de verdeling wordt het door alle betrokken instellingen gezamenlijk gedane voorstel gevolgd. Dit voorstel wordt gedaan binnen twee maanden nadat Onze minister aan de desbetreffende instellingen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal heeft bekendgemaakt dat hij het voornemen heeft een ministeriële regeling vast te stellen. Blijft een dergelijk voorstel achterwege dan wordt zoveel mogelijk een evenredige spreiding over de afzonderlijke instellingen naar rato van het gemiddelde aantal over de voorafgaande drie jaren voor de eerste maal voor de propedeutische fase ingeschreven studenten in acht genomen. Indien de instelling de opleiding voor het tweede of het derde jaar verzorgt heeft het gemiddelde aantal betrekking op het eerste, onderscheidenlijk het eerste en tweede jaar dat de opleiding is verzorgd.

2.Indien op grond van het eerste lid een toelatingsbeperking is vastgesteld, wordt paragraaf 4a van deze titel toegepast.

3.Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk vastgesteld op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin deze regeling voor het eerst van toepassing is.

 

Artikel 7.56a [Vervallen per 01-12-2002]

 

Artikel 7.57. Identificatie opleidingen

Voor de toepassing van deze paragraaf en de artikelen 7.57d en 7.57f, vierde en vijfde lid, gelden door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing van de artikelen 7.56, 7.57d en 7.57f, vierde en vijfde lid, gelden bovendien door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen.

 

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

 

Artikel 7.57a. Algemeen

1. De eerste inschrijving van een student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit of een hogeschool, waarvoor op grond van paragraaf 4 van deze titel een toelatingsbeperking van kracht is, geschiedt slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf, onverminderd het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.

2. De inschrijving geschiedt niet dan na overlegging van een door Onze Minister afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is bepaald.

3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. selectieprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b tot en met 7.57e;

b. lotingsprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder b tot en met e, derde en vierde lid, en 7.57c, tweede en derde lid;

c. opleiding: een bacheloropleiding;

d. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten.

4. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van toelating.

 

Artikel 7.57b. Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating

1. Onze Minister deelt degenen die op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.

2. De in het eerste lid bedoelde klassen hebben als grenzen:

a. hoger dan of gelijk aan 8,

b. lager dan 8 maar hoger dan of gelijk aan 7,5,

c. lager dan 7,5 maar hoger dan of gelijk aan 7,

d. lager dan 7 maar hoger dan of gelijk aan 6,5 en

e. lager dan 6,5.

De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.

3. De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een onderwijsvorm hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.

4. Onze Minister deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.

5. Onze Minister deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten uit de Nederlandse Antillen en Aruba in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.

 

Artikel 7.57c. Afgifte bewijzen van toelating

1. Onze Minister verstrekt een bewijs van toelating aan degenen die zijn ingedeeld in de klasse, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder a.

2. Onze Minister verstrekt aan degenen die in de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, zijn ingedeeld, en die door het lot zijn aangewezen, een bewijs van toelating.

3. Bij de loting, bedoeld in het tweede lid, verhouden de inlotingskansen, voorzover kleiner dan honderd procent, zich voor de in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, bedoelde lotingsklassen als respectievelijk 9 : 6 : 4 : 3.

4. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kan worden bepaald dat Onze Minister ten hoogste een in die regeling vast te stellen percentage van het aantal plaatsen per opleiding kan toewijzen aan gegadigden jegens wie uitloting een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

 

Artikel 7.57d. Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit

1. Indien een opleiding door meer dan één universiteit wordt verzorgd, wordt de selectieprocedure voor die opleidingen gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij worden de artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met inachtneming van het tweede en derde lid. De gegadigden delen aan Onze Minister de volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.

2. Onze Minister bepaalt, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorkeur van de aanstaande student, doch overigens aan de hand van het lot voor welke universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel 7.57c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Onze Minister kan ten hoogste vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.

 

Artikel 7.57e. Selectie door instellingen

1. Een instellingsbestuur kan een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hem zelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over bijzondere kwalificaties. Dat percentage is aan een maximum gebonden, doordat:

a. in elk geval ten minste de helft van het aantal opleidingsplaatsen dient te worden toegewezen door toepassing van artikel 7.57c, tweede lid,

b. op dat percentage tevens in mindering wordt gebracht het aantal gegadigden dat een bewijs van toelating ontvangt door toepassing van artikel 7.57c, eerste lid.

2. Indien het instellingsbestuur toepassing geeft aan het eerste lid, maakt het

a. de bijzondere kwalificaties die het in aanmerking wil nemen,

b. eventuele nadere selectiecriteria,

c. regels van administratieve aard, voorzover niet voortvloeiend uit het vierde lid,

d. het door hem te bepalen percentage, bedoeld in het eerste lid, en

e. de beslissing of gegadigden één, twee dan wel drie maal tot deelname aan de selectieprocedure zullen worden toegelaten, tijdig bekend.

3. Tot de bijzondere kwalificaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoren niet de behaalde eindexamencijfers.

4. De gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor de selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt op zijn verzoek door Onze Minister aan het desbetreffende instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan de lotingsprocedure blijft deelnemen.

5. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, worden nadere voorschriften opgenomen voor de toepassing van dit artikel.

 

Artikel 7.57f. Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure

1. Indien krachtens artikel 7.25 nadere vooropleidingseisen zijn gesteld, kan aan de selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen door degene die ten genoegen van Onze Minister het bewijs levert, dat door hem uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt voldaan.

2. Indien na toepassing van het eerste lid blijkt dat bij een of meer instellingen die toepassing hebben gegeven aan artikel 7.25, vierde lid, tweede volzin, nog plaatsen beschikbaar zijn, vindt, in afwijking van het eerste lid, alsnog selectie plaats van degenen die zich overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 7.37, vierde lid, hebben aangemeld, doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25 gestelde nadere vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met toepassing van artikel 7.57c, eerste lid, en met overeenkomstige toepassing van de lotingsprocedure. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.

3. Degene die heeft deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een bepaalde opleiding en geen bewijs van toelating heeft verkregen, kan nadien nog ten hoogste twee maal aan de lotingsprocedure voor die opleiding deelnemen.

4. Bij de toepassing van het tweede lid telt deelname aan de lotingsprocedure voor het studiejaar 1998–1999 of eerdere studiejaren niet mee. Bovendien telt deelname aan de lotingsprocedure voor het studiejaar 1999–2000 niet mee voor degene die voor dat studiejaar voor de eerste maal aan de lotingsprocedure voor dezelfde opleiding heeft deelgenomen.

5. Aan de selectieprocedure kan niet worden deelgenomen door degene die voor een opleiding is ingeschreven of in enig studiejaar was ingeschreven en inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een andere instelling.

 

Artikel 7.57g. Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen

In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van Onze Minister inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van Onze Minister.

 

Paragraaf 5. Overige bepalingen

 

Artikel 7.57h. Huisregels en ordemaatregelen

Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd.

 

Artikel 7.57i. Ondersteuning ter bevordering van goede doorstroming van hoger beroepsonderwijs naar een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs

De onderwijs- en examenregelingen van de betreffende hogescholen en universiteiten regelen de wijze waarop aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een verwante bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd, door het instellingsbestuur ondersteuning wordt geboden ter bevordering van een goede doorstroming naar een verwante masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs.

 

Artikel 7.58. Afgifte getuigschrift

1.Degene die een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 wenst te verkrijgen, dient overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels een verzoek in, ertoe strekkende dat door dit bestuur wordt verklaard, dat het getuigschrift kan worden afgegeven.

2.Bij het verzoek worden overgelegd:

a. de bewijzen van met goed gevolg afgelegde tentamens,

b. het bewijs dat is voldaan aan de bij de onderwijs- en examenregeling gestelde verplichting betreffende het deelnemen aan praktische oefeningen, en

c. de desbetreffende bewijzen van inschrijving.

3.Ingeval de in het tweede lid bedoelde bewijzen van inschrijving niet worden overgelegd, kan het instellingsbestuur beslissen dat de verzochte verklaring wordt afgegeven, maar niet dan nadat het in verband met de inschrijving voor de desbetreffende onderwijseenheden verschuldigde collegegeld, examengeld onderscheidenlijk cursusgeld is voldaan.

4.Een examencommissie geeft geen getuigschrift af dan nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven.

 

Artikel 7.59. Studentenstatuut

1.Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt dit bekend.

2.Het instellingsbestuur reikt aan iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut uit. Indien noodzakelijk reikt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend studiejaar het studentenstatuut uit.

3.Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek deel en een instellingsspecifiek deel.

4.Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval:

a. een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval worden begrepen:

1°. informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs,

2°. de studentenvoorzieningen, en

3°. de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding,

b. de vastgestelde onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en

c. een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures, bedoeld in het vijfde lid onder b ten 2°, op de opleiding van toepassing zijn.

5.Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:

a. een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en

b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen:

1°. een beschrijving van de procedures voor bezwaar en beroep binnen de instelling, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en

2°. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen.

 

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

 

Paragraaf 1. College van beroep voor de examens

 

Artikel 7.60. College van beroep voor de examens

1. Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een college van beroep voor de examens.

2. Het college van beroep heeft drie of vijf leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Het college houdt voltallig zitting.

3. Het college kan besluiten kamers in te stellen. Indien het college daartoe besluit, bestaat het college uit ten minste zes en ten hoogste vijftien leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Elke kamer heeft drie of vijf leden. Zij houdt voltallig zitting.

4. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden door het instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor een termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden en plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het instellingsbestuur of van de inspectie. Buiten de voorzitter bestaat het college voor tenminste de helft uit docenten, onderscheidenlijk leden van de wetenschappelijke staf.

5. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

6. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

 

Artikel 7.61. Bevoegdheid college van beroep voor de examens

1. Een betrokkene kan beroep instellen bij het college van beroep voor de examens tegen:

a. beslissingen als bedoeld in de artikelen 7.8b, derde en vijfde lid, 7.9, eerste lid, en 16.6a, derde lid,

b. beslissingen inzake vaststelling van het aantal behaalde studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.9a of 7.9b, alsmede beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d,

c. beslissingen inzake de omvang van de vrijstelling, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid,

d. beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk, met het oog op de toelating tot examens,

e. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, en 7.28, vierde lid,

f. beslissingen van examencommissies en examinatoren,

g. beslissingen van commissies als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, en

h. beslissingen, genomen op grond van de artikelen 7.30a en 7.30b met het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen.

2. Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.

3. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, vier weken.

4. Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.

5. Het college van beroep beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Indien het college van beroep het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.

7. Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het beroepschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.

 

Artikel 7.62. Reglement van orde

1.Het college van beroep voor de examens stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:

a. de omvang en samenstelling van het college van beroep,

b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers,

c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college van beroep,

d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college van beroep eindigt,

e. de in artikel 7.61, vierde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten,

f. de wijze waarop in het secretariaat van het college van beroep wordt voorzien, alsmede

g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.

2.Het reglement van orde alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de instemming van het instellingsbestuur.

 

Artikel 7.63. Inlichtingenplicht

De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep voor de examens de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

 

Paragraaf 2. College van beroep voor het hoger onderwijs

 

Artikel 7.64. College van beroep voor het hoger onderwijs

1.Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd te 's-Gravenhage.

2.Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden.

3.Het college van beroep houdt zitting in kamers van drie of vijf leden.

 

Artikel 7.65. Benoeming en ontslag leden en plaatsvervangende leden

1. De leden en de plaatsvervangende leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. De benoeming geschiedt bij koninklijk besluit.

2. De voorzitter van het college van beroep wordt bij koninklijk besluit aangewezen uit de leden. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een plaatsvervangende voorzitter overeenkomstig het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde reglement van orde. De leden en de plaatsvervangende leden moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De voorzitter van een kamer wordt door het college van beroep aangewezen uit de leden. De tweede volzin is van toepassing.

3. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bij koninklijk besluit ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren wordt hun bij koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden bij koninklijk besluit ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.

4. De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze Minister van Financiën.

5. Het college van beroep wordt bijgestaan door een bezoldigd secretaris, die bij koninklijk besluit wordt benoemd. Aan de secretaris kan Onze minister een of meer ambtenaren toevoegen.

 

Artikel 7.66. Bevoegdheid college van beroep voor het hoger onderwijs

1.Het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt bij uitsluiting, voorzover niet op grond van artikel 7.61, eerste lid, beroep openstaat op een college van beroep voor de examens, dan wel niet op grond van artikel 7.68 beroep openstaat op een college van beroep voor het bijzonder onderwijs, over het beroep dat door een betrokkene is ingesteld tegen:

a. beslissingen genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk met het oog op inschrijving,

b. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 3 van dit hoofdstuk, en

c. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van artikel 17.10.

2.Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, en 8:13.

3.Het college van beroep stelt ten behoeve van zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk geval de splitsing in kamers en de verdeling van werkzaamheden voor de verschillende kamers worden geregeld alsmede de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.

4.Tegen uitspraken van het college van beroep staat generlei beroep open.

5.De besturen van de instellingen verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

6.Op het beroep op het college van beroep tegen een beslissing van een bijzondere instelling zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 7.67. Griffierecht

Het griffierecht bedraagt € 41. Artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

 

Paragraaf 3. Colleges van beroep bijzonder onderwijs

 

Paragraaf 4. Colleges van beroep bijzonder onderwijs [Treedt in werking per 01-09-2010]

 

Artikel 7.68. Colleges van beroep bijzonder onderwijs

1.Het bestuur van een bijzondere instelling voor hoger onderwijs kan, al dan niet in samenwerking met de besturen van een of meer andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs, een college van beroep instellen ter behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel 7.66, eerste lid, niet zijnde beslissingen als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid, dan wel zich aansluiten bij een dergelijk college. De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, bevat tevens een regeling van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62, eerste lid, alsmede van de rechtsgang bij het college. De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, alsmede wijzigingen daarvan, dan wel een beslissing tot aansluiting bij een college wordt zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister gebracht.

2.De artikelen 7.60, vierde lid eerste en tweede volzin, vijfde en zesde lid, 7.61, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, en 7.63 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

 

Artikel 7a.1. Begripsbepaling

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 7a.2, en

b. bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 176f van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162i van de Wet op de expertisecentra of artikel 118o van de Wet op het voortgezet onderwijs.

 

Artikel 7a.2. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde en ingevolge artikel 6.9 aangewezen instellingen voor hoger onderwijs die voldoen aan artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162j van de Wet op de expertisecentra of artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs.

 

Artikel 7a.3. Getuigschrift bekwaamheidsonderzoek WPO, WEC en WVO

Ten bewijze dat het bekwaamheidsonderzoek met goed gevolg is afgesloten, wordt door de examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift bekwaamheidsonderzoek uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het bekwaamheidsonderzoek omvatte en, in een voorkomend geval, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid.

 

Artikel 7a.4. Getuigschrift pedagogisch-didactische scholing WEB

Ten bewijze dat de scholing, bedoeld in artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, ertoe heeft geleid dat betrokkene voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a, van die wet bedoelde bekwaamheidseisen, wordt door de examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift pedagogisch-didactische scholing uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het onderzoek dat tot het getuigschrift leidde, omvatte.

 

Artikel 7a.5. Titulatuur

1.Degene die met goed gevolg het bekwaamheidsonderzoek heeft afgesloten, is gerechtigd tot het voeren van:

a. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van wetenschappelijk onderwijs zijn getoetst, of

b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van hoger beroepsonderwijs zijn getoetst.

2.De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.

 

Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

 

Artikel 8.1. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

1.Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer, in de bijlage van deze wet onder a tot en met h opgenomen instellingen kunnen de besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten.

2.De regeling omvat bepalingen omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding.

3.Bij de regeling kan een samenwerkingsinstituut worden ingesteld. De regeling omvat bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van het instituut, en omtrent het verstrekken van inlichtingen door het instituut aan de besturen van de deelnemende instellingen.

4.De regeling kan voorzien in de overdracht van bepaalde bevoegdheden van organen van de deelnemende instellingen aan organen van een andere deelnemende instelling of aan organen van het samenwerkingsinstituut.

5.Op de besluiten van het samenwerkingsinstituut, genomen krachtens enige door het bestuur van een openbare instelling overgedragen bevoegdheid zijn de wettelijke bepalingen omtrent schorsing en vernietiging van besluiten van dat bestuur krachtens de overgedragen bevoegdheid van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

 

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

 

Artikel 9.1. Reikwijdte

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

 

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit

 

Artikel 9.2. Algemene bevoegdheden college van bestuur

1.Het college van bestuur is belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.

2.Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

3.De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte.

 

Artikel 9.3. Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden

1.Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit.

2.De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand waarin een lid de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.

3.Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

4.De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.

5.In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.

6.Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

7.Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:

a. lid van de raad van toezicht van de desbetreffende universiteit,

b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat,

c. lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met toepassing van artikel 9.17 is ingesteld, of

d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.

8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

 

Artikel 9.4. Bestuurs- en beheersreglement

Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit vast.

 

Artikel 9.5. Richtlijnen aan decanen

Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.

 

Artikel 9.6. Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van bestuur

1.Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.

2.Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen.

3.Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.

 

Artikel 9.7. Samenstelling raad van toezicht

1.De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

2.De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.

3.Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van toezicht over te gaan, hoort Onze minister de universiteitsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, vertrouwelijk over het door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

4.Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

5.Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:

a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn van een in de bijlage van deze wet opgenomen universiteit of voor het merendeel werkzaam zijn aan een onderzoekinstituut of onderzoekschool,

b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of

c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.

6.Het college van bestuur voorziet in de administratieve ondersteuning van de raad van toezicht.

7.De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende stem.

8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.

 

Artikel 9.8. Taken en bevoegdheden raad van toezicht

1.De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur van de universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de op de universiteit betrekking hebbende wetten alsmede de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen naleeft.

2.De raad van toezicht is belast met de goedkeuring dan wel instemming van:

a. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,

b. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

c. de begroting, bedoeld in artikel 2.8,

d. het verslag, bedoeld in artikel 2.9,

e. het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,

f. het besluit of de herroeping daarvan, bedoeld in artikel 9.30, en, in voorkomende gevallen, van de daarbij behorende medezeggenschapsregeling, en

g. een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1.

3.De goedkeuring, bedoeld in onderdeel d, kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

 

Artikel 9.9. Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht

1.De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister.

2.De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

 

Artikel 9.10. College voor promoties

1.Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.

2.Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.

3.In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.

 

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening

 

Artikel 9.11. Faculteiten en opleidingen

In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn ingesteld.

 

Artikel 9.12. Faculteit; decaan

1.De verzorging van het onderwijs en de beoefening van de wetenschap geschieden in de faculteit. Aan het hoofd van de faculteit staat de decaan van de faculteit.

2.In afwijking van het eerste lid kan in het bestuurs- en beheersreglement worden bepaald dat aan het hoofd van de faculteit een bestuur staat, bestaande uit de decaan van de faculteit, tevens voorzitter, en een of meer andere leden. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit. Indien aan het hoofd van de faculteit een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen.

3.Indien een universiteit slechts een faculteit omvat:

a. is de rector magnificus tevens decaan,

b. staat aan het hoofd van de faculteit een bestuur,

c. wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de faculteit, en

d. worden de taken en bevoegdheden van het bestuur van de faculteit uitgeoefend door het college van bestuur.

4.Een lid van het bestuur van de faculteit kan niet tevens lid zijn van de faculteitsraad van die faculteit.

 

Artikel 9.13. Benoeming en ontslag decaan

1.De decaan wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De benoeming geschiedt voor een door het college van bestuur te bepalen termijn.

2.Alvorens tot benoeming of ontslag van de decaan over te gaan, hoort het college van bestuur vertrouwelijk de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

3.De decaan kan om gewichtige redenen worden geschorst of tussentijds worden ontslagen.

4.De decaan bezit de hoedanigheid van hoogleraar.

5.Indien aan het hoofd van de faculteit een bestuur als bedoeld in artikel 9.12, tweede lid, staat, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

6.Dit artikel is niet van toepassing, indien de rector magnificus tevens decaan is.

 

Artikel 9.14. Taken en bevoegdheden decaan algemeen; faculteitsreglement

1.De decaan is belast met de algemene leiding van de faculteit. De decaan is voorts belast met het bestuur en de inrichting van de faculteit voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening.

2.De decaan werkt mede aan het bestuur van de universiteit door onder meer het plegen van overleg met het college van bestuur terzake van de voorbereiding van het instellingsplan en de begroting.

3.Onverminderd artikel 9.5 stelt de decaan ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement vast.

4.Het faculteitsreglement behoeft de goedkeuring van het college van bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

5.Indien binnen een door het college van bestuur te bepalen termijn het faculteitsreglement niet of niet volledig is vastgesteld, stelt het college van bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vast.

 

Artikel 9.15. Overige taken en bevoegdheden decaan

1.De decaan is, onverminderd artikel 9.5, voorts belast met:

a. het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan,

b. het vaststellen van algemene richtlijnen voor de wetenschapsbeoefening,

c. het vaststellen van het jaarlijks onderzoekprogramma van de faculteit,

d. het houden van toezicht op de uitvoering van de onderwijs- en examenregeling en op het jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede het uitbrengen van regelmatig verslag hieromtrent aan het college van bestuur,

e. het instellen van de examencommissies en de commissie, bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, alsmede de benoeming van de leden van die commissies,

f. de uitvoering van de artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, eerste lid,

g. het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, 7.28, tweede tot en met vierde lid, en 7.29, eerste lid, kan worden verkregen,

h. het verstrekken van een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.30a, derde lid, alsmede de toepassing van artikel 7.30a, vijfde lid, en

i. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten.

2.De decaan oefent het recht tot voordracht, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, uit.

3.In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder i.

 

Artikel 9.16. Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan

De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstrekt het college de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit.

 

Artikel 9.17. Bestuur opleidingen

1.De decaan voorziet in een meerhoofdig bestuur van elke opleiding die in de faculteit is ingesteld. In afwijking van de eerste volzin kan volstaan worden met een opleidingsdirecteur.

2.Indien in een meerhoofdig bestuur wordt voorzien, maakt daarvan een student deel uit.

3.In het faculteitsreglement worden nadere regels gesteld omtrent het bestuur van de opleidingen.

4.Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van die opleiding.

5.Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.

 

Artikel 9.18. Opleidingscommissies

1.Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:

a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13,

b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en

c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.

2.Op een advies als bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.

3.In het faculteitsreglement wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.

4.Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.

5.Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.

 

Artikel 9.19. Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren

1.Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.

2.De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17.

3.Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.

4.De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.

 

Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen

 

Artikel 9.20. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen binnen een faculteit

1.In het faculteitsreglement kunnen binnen de faculteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld. De decaan regelt het bestuur en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

2.In het faculteitsreglement worden regels gesteld omtrent het bestuur en beheer van onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

 

Artikel 9.21. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer faculteiten binnen een universiteit

1.In het bestuurs- en beheersreglement kunnen binnen de universiteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld waarop artikel 9.20 niet van toepassing is. Het college van bestuur regelt het bestuur, beheer en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.

2.In het bestuurs- en beheersreglement kan een faculteit worden aangewezen waarvan de decaan de bevoegdheden uitoefent die bij of krachtens deze wet met betrekking tot een onderzoekinstituut of onderzoekschool aan het college van bestuur zijn toegekend.

 

Artikel 9.22. Interne verzelfstandiging van onderzoekinstituten en onderzoekscholen

1.In het faculteitsreglement kan worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.20 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast.

2.In het bestuurs- en beheersreglement kan door het college van bestuur worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.21 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast. Het besluit van het college van bestuur behoeft de instemming van de decanen van de desbetreffende faculteiten.

3.Indien het tweede lid toepassing heeft gevonden, stelt het college van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.

 

Artikel 9.23. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of meer universiteiten

1.Een onderzoekinstituut of onderzoekschool tussen twee of meer universiteiten wordt in overeenstemming met de decanen van de betrokken faculteiten ingesteld bij gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1. Daarin kan de bepaling worden opgenomen dat het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool met beheerstaken wordt belast.

2.Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, stellen de colleges van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.

 

Paragraaf 4. Schorsing en vernietiging besluiten faculteit en voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit

 

Artikel 9.24. Schorsing en vernietiging besluiten decaan en examencommissies

1.De besluiten van de decaan kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. In geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren.

2.Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit van de decaan betreffende de benoeming van leden van de commissies, bedoeld in artikel 9.15, eerste lid onderdeel e.

3.De besluiten van de examencommissie kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. Schorsing of vernietiging kan, in afwijking van artikel 10:38, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend plaatsvinden, voorzover tegen de desbetreffende besluiten geen beroep krachtens deze wet openstaat of heeft opengestaan. In geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren.

 

Artikel 9.25 [Vervallen per 11-05-2001]

 

Artikel 9.26 [Vervallen per 11-05-2001]

 

Artikel 9.27. Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan

1.Ingeval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van een faculteit of een deel daarvan treft het college van bestuur, zo nodig met afwijking van de paragrafen 2 en 3 van deze titel en paragraaf 2 van titel 2, voor een door het college van bestuur te bepalen tijdvak van ten hoogste één jaar de voorzieningen die het noodzakelijk oordeelt. Het college doet hiervan onverwijld mededeling aan de raad van toezicht.

2.De voorzieningen vervallen, indien zij niet binnen drie weken na de ontvangst van de mededeling van het college van bestuur door de raad van toezicht zijn bekrachtigd.

 

Paragraaf 5. Klachtrecht studenten

 

Artikel 9.28. Collectief recht van beklag voor studenten

1.Het faculteitsreglement bepaalt op welke wijze aan een groep van studenten de gelegenheid wordt geboden bij de decaan hun beklag te doen terzake van de naleving van verplichtingen van de universiteit jegens studenten, zomede binnen welke termijn de decaan voorzieningen treft in de gevallen waarin naar zijn oordeel het beklag gegrond is.

2.Het beklag, bedoeld in het eerste lid, evenals de op grond daarvan door de decaan getroffen voorzieningen laten onverlet de rechten die een belanghebbende ingevolge de wet heeft.

 

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

 

Artikel 9.29. Reikwijdte

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

 

Artikel 9.30. Keuze uit medezeggenschapsstelsels

1.Het college van bestuur besluit:

a. dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is op de universiteit, dan wel

b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de universiteit.

2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.

3.Het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a, stelt de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel buiten werking voor de desbetreffende universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 van deze titel.

4.Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, zijn de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel van toepassing op de desbetreffende universiteit.

5.In het geval dat het eerste lid aanhef en onderdeel a toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid.

6.De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het vijfde lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 9.30a. Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering personeel/studenten

1.Indien een besluit als bedoeld in artikel 9.30, eerste lid onderdeel a, is genomen, is er aan een universiteit een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid tweede volzin.

2.Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:

a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin, en

c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.

3.Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. Artikel 9.34, tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f en g, is van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.

4.De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het tweede of derde lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen de universiteit

 

Artikel 9.31. Universiteitsraad

1.Aan een universiteit is een universiteitsraad verbonden.

2.Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden.

3.De raad bestaat voor de helft uit leden die door en uit het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die door en uit de studenten worden gekozen.

4.Zij die deel uitmaken van het college van bestuur of de raad van toezicht dan wel belast zijn met de functie van decaan van een faculteit, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.

5.Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel.

6.De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.

7.De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het college van bestuur beschikbaar gestelde middelen voor die raad en de eventuele faculteitsraden en commissies als bedoeld in artikel 9.47 worden verdeeld.

8.De raad kiest al dan niet uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

 

Artikel 9.32. Algemene bevoegdheden en taken universiteitsraad en raadsleden

1.Het college van bestuur stelt de universiteitsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de universiteit met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het college van bestuur, de raad, het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, of het deel van de raad dat uit en door de studenten is gekozen.

2.De raad is bevoegd over alle aangelegenheden de universiteit betreffende aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

3.De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de universiteit.

4.De raad waakt voorts in de universiteit in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 9.34, bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

5.Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur, de raad van toezicht, de organisatie binnen de universiteit en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de raad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het instellingsplan. Voorts verschaft het college van bestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.

6.Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaats heeft.

7.De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de universiteit betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de faculteitsraden en aan de eventuele commissies, bedoeld in artikel 9.47, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de universiteit ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.

8.Het college van bestuur draagt er jegens de raad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.

9.De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de universiteit werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.

 

Artikel 9.33. Instemmingsbevoegdheid universiteitsraad

Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,

b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid tweede volzin,

c. het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59,

d. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,

e. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,

f. de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 9.30, eerste lid, en

g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.

 

Artikel 9.34. Reglement universiteitsraad

1.Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een reglement voor de universiteitsraad vast.

2.Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de raad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.

3.In het reglement worden ten minste geregeld:

a. de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd artikel 9.33, instemmingsrecht heeft,

b. de aangelegenheden waarover de raad adviesrecht heeft, met dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend inzake aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen, alsmede inzake de begroting,

c. het aantal leden van de raad,

d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,

e. de zittingsduur van de leden van de raad,

f. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft aan de raad,

g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,

h. de bevoegdheden die door de faculteitsraden worden uitgeoefend,

i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,

j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,

k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de universiteit voorzover deze niet betreffen te nemen besluiten van het college van bestuur, bedoeld in artikel 9.33 onderdeel e, en

l. welke van de geschillen tussen het college van bestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.

4.In het reglement kan, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze titel, worden bepaald dat een of meer groepen van personen die anders dan krachtens publiekrechtelijke aanstelling of op grond van een arbeidsovereenkomst dan wel anders dan op grond van een inschrijving als student of extraneus aan de universiteit zijn verbonden, worden aangemerkt als personeelsleden onderscheidenlijk studenten.

 

Artikel 9.35. Advies

Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur er zorg voor dat:

a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,

b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht,

c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en

d. de raad, indien het college van bestuur het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.

 

Artikel 9.36. Bijzondere bevoegdheden

1.Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de universiteit.

2.Indien het college van bestuur op grond van het eerste lid voor een te nemen besluit de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft, wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen, in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.

3.Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend, voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de universiteit reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.

 

Paragraaf 2. Medezeggenschap binnen de faculteit

 

Artikel 9.37. Faculteitsraad

1.Indien een universiteit meer dan een faculteit omvat, is aan elke faculteit een faculteitsraad verbonden.

2.De faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit het instemmingsrecht en het adviesrecht uit die toekomen aan de universiteitsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend.

3.Artikel 9.31, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.Indien een universiteit slechts een faculteit omvat, worden de taken en bevoegdheden van de faculteitsraad uitgeoefend door de universiteitsraad.

5.De personeelsgeleding van de faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit de rechten uit, bedoeld in artikel 9.50, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend.

 

Artikel 9.38. Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad

De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

a. het faculteitsreglement, bedoeld in artikel 9.14, en

b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, derde volzin, en 7.30b, eerste lid, derde volzin.

 

Artikel 9.38a. Algemene bevoegdheden en taken faculteitsraad en leden

Artikel 9.32, eerste, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 9.38b. Faculteitsreglement

In het faculteitsreglement worden ten minste geregeld de onderwerpen, genoemd in artikel 9.34, derde lid onderdelen c, d en e.

 

Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap

 

Artikel 9.39. Commissie voor geschillen

1.Er is een commissie voor geschillen inzake universitaire medezeggenschapsaangelegenheden.

2.De commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de colleges van bestuur en een lid en een plaatsvervangend lid door de universiteitsraden. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger. De leden en plaatsvervangende leden worden gekozen voor een termijn van vier jaar en zijn een keer herkiesbaar.

3.De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van een college van bestuur, een raad van toezicht, het bestuur van een faculteit, het bestuur van een opleiding, een universiteitsraad of een faculteitsraad.

 

Artikel 9.40. Competentie commissie voor geschillen

1.De commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:

a. op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 9.33 en 9.34, derde lid onderdeel a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven,

b. op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur ten aanzien van de inhoud van het reglement voorzover aangegeven in artikel 9.34, derde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven,

c. op verzoek van de universiteitsraad, indien het college van bestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 9.34, derde lid onderdeel b, advies door de raad is uitgebracht, het college van bestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de universiteit of de belangen van de raad ernstig worden geschaad, en

d. op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.

2.De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het college van bestuur en de raad dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.41, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.Indien er een geschil is tussen het college van bestuur en de universiteitsraad, meldt het college van bestuur dan wel de universiteitsraad dit geschil aan bij de raad van toezicht. Het college van bestuur dan wel de universiteitsraad legt het geschil voor aan de commissie voor geschillen, tenzij de raad van toezicht van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel het college van bestuur als de universiteitsraad mee instemt.

4.Indien er een geschil is tussen de decaan en een faculteitsraad, meldt de decaan dan wel de faculteitsraad dit geschil aan bij het college van bestuur. Het college van bestuur legt het geschil voor aan de commissie voor geschillen, tenzij het college van bestuur van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel de decaan als de faculteitsraad mee instemt.

5.Een uitspraak van de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.41, wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit, genomen in administratief beroep.

 

Artikel 9.41. Geschil instemmingsbevoegdheid

1.Indien aan een te nemen besluit van het college van bestuur instemming, vereist ingevolge artikel 9.33 of het reglement, bedoeld in artikel 9.34, is onthouden, deelt het college van bestuur binnen drie maanden aan de universiteitsraad mede of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

2.Het college van bestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel a, onder overlegging van de door het college van bestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het college van bestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.

3.De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het college van bestuur en de raad.

 

Artikel 9.42. Geschil inhoud reglement voor de universiteitsraad

1.Voorzover aan een voorstel van het college van bestuur tot vaststelling of wijziging van het reglement, bedoeld in artikel 9.34, wat onderwerpen betreft als bedoeld in het derde lid van dat artikel, de instemming die is vereist ingevolge het tweede lid van dat artikel is onthouden, deelt het college van bestuur aan de universiteitsraad dan wel de raad aan het college van bestuur binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

2.Indien het college van bestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, is artikel 9.41, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het college van bestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.

3.De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De commissie geeft, voorzover zij van oordeel is dat het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het college van bestuur het reglement, bedoeld in artikel 9.34, vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.

 

Artikel 9.43. Geschil adviesbevoegdheid

1.Indien het college van bestuur een besluit neemt waarbij het een advies van de universiteitsraad, vereist ingevolge artikel 9.34, derde lid onderdeel b, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.

2.De universiteitsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel c, binnen vier weken nadat het betrokken besluit door het college van bestuur is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de universiteit of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie voor geschillen stelt het college van bestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.

3.De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur en van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad:

a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze titel of het reglement, bedoeld in artikel 9.34,

b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad,

c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of

d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.

4.De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.

 

Artikel 9.44. Geschil interpretatie

Op een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel d, doet de commissie voor geschillen de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, dient te worden gegeven.

 

Artikel 9.45. Nadere geschillen

Indien in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, ingevolge de toepassing van het derde lid onderdeel l van dat artikel, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.

 

Paragraaf 4. Overige bepalingen

 

Artikel 9.46. Procesbevoegdheid universiteitsraad

1.De universiteitsraad kan in rechte optreden, indien de vordering strekt tot naleving door het college van bestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze titel.

2.In afwijking van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 9.47 op, indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.

 

Artikel 9.47. Commissies

1.Het college van bestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de universiteitsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

2.Op verzoek van een commissie stelt de universiteitsraad het college van bestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.32, tweede lid derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 9.48. Voorzieningen en scholing

1.Het college van bestuur staat de universiteitsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

2.Het college van bestuur stelt de leden van de universiteitsraad in de gelegenheid om gedurende een door het college van bestuur en de raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de universiteit wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.

3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de faculteitsraden met dien verstande dat de decaan in de plaats treedt van het college van bestuur.

 

Paragraaf 5. Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en onderzoekscholen

 

Artikel 9.49. Medezeggenschapsraad onderzoekinstituten en onderzoekscholen

De paragrafen 1 tot en met 4 van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekinstituten en onderzoekscholen waarvan ingevolge artikel 9.23 het bestuur is belast met de beheerstaken.

 

Paragraaf 6. Medezeggenschap binnen centrale diensten

 

Artikel 9.50. Dienstraad t.b.v. centrale diensten

1.Indien in het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald dat er bij een universiteit centrale diensten zijn, worden door het college van bestuur, met inachtneming van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een of meer dienstraden ingesteld ten behoeve van het personeel dat bij die diensten werkzaam is.

2.Het college van bestuur voorziet er in dat een dienstraad tijdig in de gelegenheid wordt gesteld advies aan het hoofd van de desbetreffende dienst uit te brengen en overleg te voeren over voorgenomen maatregelen met betrekking tot:

a. de wijze waarop de arbeids- en dienstvoorwaarden bij een centrale dienst worden toegepast,

b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij een centrale dienst wordt uitgevoerd,

c. aangelegenheden op het gebied van de arbeidsomstandigheden in verband met de arbeid in een centrale dienst,

d. de organisatie en werkwijze binnen een centrale dienst, en

e. de technische en economische dienstuitvoering bij een centrale dienst.

3.De dienstraad is bevoegd het hoofd van de desbetreffende dienst voorstellen te doen met betrekking tot de in het tweede lid genoemde aangelegenheden.

4.Het hoofd van de desbetreffende dienst behoeft de voorafgaande instemming van de dienstraad voor elke maatregel die hij bevoegd is te treffen en waarover de dienstraad op grond van het tweede lid heeft geadviseerd.

5.Het college van bestuur stelt, in overeenstemming met de dienstraad, een reglement vast in verband met de uitoefening van de rechten, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid. Het reglement bevat in elk geval een geschillenregeling.

 

Paragraaf 7. Afwijking van titel 1 of titel 2

 

Artikel 9.50a. Afwijking van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2

1.Op verzoek van de raad van toezicht kan Onze minister onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat, al dan niet voor een bepaald tijdvak, wordt afgeweken van een of meer onderdelen van titel 1 of titel 2. Het college van bestuur toont aan in geval van afwijking van titel 1 dat is voorzien in een doelmatige bestuursorganisatie, dan wel toont aan in geval van afwijking van titel 2 dat is voorzien in een doelmatige vorm van medezeggenschap voor personeel en studenten.

2.Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de afwijkende regeling in het bestuurs- en beheersreglement opgenomen.

 

Titel 3. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN EN DE MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE BIJZONDERE UNIVERSITEITEN

 

Artikel 9.51. Structuurregeling bijzondere universiteiten, inlichtingenplicht

1.De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid of stichtingen, waarvan de in de bijlage van deze wet onder b opgenomen universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister te brengen.

2.Onverminderd artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, stellen de in het eerste lid bedoelde besturen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister.

3.De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder h, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling aan het bestuur heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.

4.De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

5.De besturen verstrekken aan Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de universiteit.

 

Titel 4. Bijzonder onderwijs aan openbare universiteiten

 

Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren

 

Artikel 9.52. Kerkelijke hoogleraren

1.De hoogleraren aan de bij het in werking treden van de wet van 28 april 1876 (Stb. 102) bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een na die inwerkingtreding vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel gevestigde leerstoel bekleden, hebben, voorzover die kweekscholen, seminaria of leerstoelen op 1 januari 1904 waren gevestigd in gemeenten waar een rijksuniversiteit is, tot het einde van de maand waarin zij de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens hebben bereikt, toegang met raadgevende stem in de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt. Bij de examens in die faculteit mogen zij examineren in de door hen onderwezen vakken. De hoogleraren aan de op 1 september 1986 te Amsterdam gevestigde kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een op dat tijdstip vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel te Amsterdam gevestigde leerstoel bekleden, hebben dezelfde rechten.

2.De kerkelijke hoogleraren kunnen onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.

3.Op de kerkelijke hoogleraren is artikel 9.19, derde en vierde lid, van toepassing.

 

Paragraaf 2. De bijzondere leerstoelen

 

Artikel 9.53. Bevoegdverklaring tot vestiging bijzondere leerstoel

Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid bevoegd verklaren bij die universiteit een bijzondere leerstoel te vestigen. Het besluit vermeldt de faculteit waarbij en het wetenschapsgebied waarin door de bijzondere hoogleraar onderwijs zal worden gegeven.

 

Artikel 9.54. Indiening verzoek bevoegdverklaring

1.De bevoegdverklaring geschiedt op een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald op welke wijze een verzoek dient te worden ingericht en welke bescheiden bij het verzoek dienen te worden overgelegd.

2.Het in het voorgaande lid bedoelde bestuur geeft het college van bestuur de nodige inlichtingen omtrent de door het eerstbedoelde bestuur gevestigde leerstoel.

 

Artikel 9.55. Vereisten bijzonder hoogleraarschap

1.Om als bijzonder hoogleraar onderwijs te kunnen geven wordt vereist dat aan betrokkene de graad Doctor is verleend door een universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onder a of b, of door de Open Universiteit, dat betrokkene in het bezit is van een doctoraat, verkregen aan een zodanige instelling, dan wel dat betrokkene in het bezit is van een bewijs dat de aanstelling door het college van bestuur is bekrachtigd.

2.De bekrachtiging wordt geacht te zijn verleend, indien binnen acht weken na de ontvangst der aanvraag daarop geen beslissing is genomen. Door het college van bestuur kan deze termijn tot ten hoogste vier maanden worden verlengd. De bekrachtiging kan slechts bij een met redenen omkleed besluit worden geweigerd.

3.Het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid geeft van elke aanstelling van een hoogleraar binnen vier weken kennis aan het college van bestuur.

 

Artikel 9.56. Toegankelijkheid onderwijs bijzonder hoogleraar

Het onderwijs, gegeven door een bijzonder hoogleraar, is te allen tijde voor hen, die gerechtigd zijn het onderwijs aan de universiteiten bij te wonen, toegankelijk.

 

Artikel 9.57. Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar

1.De bijzonder hoogleraar kan, onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden, gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.

2.De bijzonder hoogleraar heeft toegang met raadgevende stem tot de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit waarbij hij is aangesteld.

3.Met het einde van de maand, waarin een bijzonder hoogleraar de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.

4.Op de bijzonder hoogleraar is artikel 9.19, derde en vierde lid, van toepassing.

 

Artikel 9.58. Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere leerstoel

De in artikel 9.53 bedoelde bevoegdverklaring wordt door het college van bestuur, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, ingetrokken:

a. indien het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde niet langer wordt nagekomen;

b. indien de bijzonder hoogleraar het onderwijs veronachtzaamt dan wel zonder goede grond dit onderwijs gedurende een vol jaar heeft onderbroken;

c. indien het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich ten gevolge van wijzigingen in de omstandigheden met de bevoegdverklaring niet langer verdraagt.

 

Artikel 9.59. Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt

Op een bijzondere leerstoel bij de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt zijn de artikelen 9.54, tweede lid, en 9.55 niet van toepassing.

 

Artikel 9.60 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.61 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.62 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.63 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.64 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.65 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.66 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.67 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.68 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.69 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.70 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.71 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.72 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.73 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.74 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.75 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.76 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.77 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.78 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.79 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.80 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.81 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.82 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.83 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.84 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 9.85 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

 

Artikel 10.1. Reikwijdte

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in de bijlage van deze wet opgenomen hogescholen.

 

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen zonder rechtspersoonlijkheid

 

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool

 

Artikel 10.2. Centrale directie of college van bestuur

1.Elke hogeschool, met uitzondering van de hogescholen met rechtspersoonlijkheid, heeft hetzij een centrale directie hetzij een college van bestuur. Een centrale directie dan wel een college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een door het instellingsbestuur wordt benoemd tot voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.

2.Een lid van een centrale directie, onderscheidenlijk college van bestuur kan niet tezelfdertijd lid zijn van een centrale directie of college van bestuur van een tweede hogeschool.

3.De centrale directie heeft onder verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur de leiding van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de hogeschool alsmede de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en van het beheer van de hogeschool. Het college van bestuur is belast met de taken en bevoegdheden van de centrale directie alsmede met de door het instellingsbestuur aan het college overgedragen taken en bevoegdheden.

 

Artikel 10.3. Delegatie taken en bevoegdheden

1.Het instellingsbestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan in de plaats van de centrale directie in te stellen college van bestuur.

2.Het college van bestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het instellingsbestuur overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.

 

Artikel 10.3a. Faculteiten en andere organisatorische eenheden

Het instellingsbestuur kan bij bestuursreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.

 

Artikel 10.3b. Bestuursreglement

1.Het instellingsbestuur stelt een bestuursreglement vast. In het bestuursreglement wordt ten minste vastgesteld:

a. de taken en bevoegdheden welke het instellingsbestuur overdraagt aan het college van bestuur, indien het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, eerste lid,

b. de richtlijnen voor de uitoefening van de aan het college van bestuur overgedragen taken en bevoegdheden,

c. nadere regels met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8, en

d. indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat:

1°. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, indien het college van bestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, tweede lid,

2°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het instellingsbestuur, het college van bestuur of de centrale directie,

3°. welke faculteiten of andere organisatorische eenheden de desbetreffende hogeschool omvat,

4°. welke opleidingen in die faculteiten of organisatorische eenheden zijn ingesteld.

2.Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, worden bij of krachtens het bestuursreglement de samenstelling en de werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid vastgesteld.

3.Het instellingsbestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.

 

Artikel 10.3c. Opleidingscommissies

1.Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De commissie heeft tot taak:

a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling alvorens het instellingsbestuur de regeling vaststelt,

b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en

c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.

De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad.

2.Voorzover bij de vaststelling, nadere regeling of uitvoering van de onderwijs- en examenregeling het advies van de desbetreffende commissie niet wordt gevolgd, wordt de desbetreffende beslissing met redenen omkleed.

3.In het bestuursreglement wordt de wijze van benoemen en samenstellen van de commissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.

4.Indien een faculteit of een andere organisatorische eenheid slechts één opleiding omvat, kan het bestuursreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.

 

Paragraaf 2. Geschillenregeling

 

Artikel 10.4 [Vervallen per 19-03-1997]

 

Artikel 10.5. Geschillenregeling

Het instellingsbestuur van een hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.

 

Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een openbare hogeschool

 

Artikel 10.6. Inlichtingenplicht

Het instellingsbestuur van een openbare hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.

 

Artikel 10.7. Schorsing en ontslag personeelslid tevens gemeenteraadslid

In afwijking van het bepaalde krachtens artikel 4.5, vierde lid, zijn gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een personeelslid van een gemeentelijke hogeschool dat tevens lid is van de raad van de gemeente die de hogeschool in stand houdt.

 

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een bijzondere hogeschool

 

Artikel 10.8. Bestuur bijzondere hogeschool

1.Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.

2.Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan de bijzondere hogeschool uitgaat, bepalen dat het college van bestuur optreedt als instellingsbestuur, wordt in de statuten tevens voorzien in het toezicht op het beleid door een bestuursraad door middel van de uitoefening van instemmingsrecht.

3.De bevoegdheden van de bestuursraad zijn ten minste:

a. het vaststellen en wijzigen van de statuten van de rechtspersoon,

b. de benoeming, de schorsing en het ontslag van de leden van de bestuursraad en van het college van bestuur.

4.Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze minister. Het bestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de hogeschool.

 

Artikel 10.8a. Afwijking bestuursreglement

Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan een bijzondere hogeschool uitgaat, de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.3b, eerste lid, tweede volzin, onder a en b, regelen, kan het instellingsbestuur beslissen deze regeling niet op te nemen in het bestuursreglement.

 

Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid

 

Artikel 10.9. Bestuursorganen

1.De bestuursorganen van een hogeschool met rechtspersoonlijkheid zijn het college van bestuur en de bestuursraad.

2.Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, alsmede de in artikel 10.2, derde lid, tweede volzin, bedoelde taken en bevoegdheden van de centrale directie.

 

Artikel 10.10. College van bestuur

1.Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een wordt benoemd tot voorzitter. De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen, de bestuursraad gehoord. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door Onze minister te bepalen termijn.

2.De voorzitter en de andere leden kunnen tussentijds worden ontslagen. Dat ontslag geschiedt niet dan nadat Onze minister de bestuursraad en het college van bestuur heeft gehoord. Met het einde van de maand waarin betrokkene de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem, behoudens in zeer bijzondere gevallen, eervol ontslag verleend.

3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

4.De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de hogeschool in en buiten rechte.

5.Het college van bestuur verstrekt de bestuursraad de gevraagde inlichtingen omtrent zijn handelingen. Het verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.

 

Artikel 10.11. Bestuursraad

1.De bestuursraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf andere leden. Bij koninklijk besluit worden regels vastgesteld omtrent de benoeming en het ontslag van de voorzitter en de andere leden van de bestuursraad alsmede omtrent de duur van hun benoeming, met dien verstande dat bij de benoeming zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.

2.De bestuursraad heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het college van bestuur. Hij staat het college van bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van zijn taak richt de bestuursraad zich naar het belang van de hogeschool.

 

Artikel 10.12. Bestuursreglement

1.Het college van bestuur stelt met instemming van de bestuursraad ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de hogeschool het bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden tevens regels vastgesteld omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de vergaderstukken van het college van bestuur en de bestuursraad. In het bestuursreglement worden nadere regels gesteld met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8.

2.Het bestuursreglement of een wijziging daarvan behoeft de instemming van Onze minister.

3.Het college van bestuur zendt een beslissing als bedoeld in het tweede lid, binnen dertig dagen aan Onze minister. Onze minister beslist omtrent de instemming met deze beslissing binnen drie maanden na de dag waarop deze is ontvangen. De instemming wordt verleend of onthouden met betrekking tot een besluit in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen daarvan. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien Onze minister daaromtrent niet heeft beslist binnen de in de tweede volzin genoemde termijn. Onze minister kan deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste drie maanden.

 

Artikel 10.13. Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende bevoegdheidsverdeling en geschillenregeling

De artikelen 10.3a, 10.3b, 10.3c en 10.5 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogeschool met rechtspersoonlijkheid.

 

Artikel 10.14. Schorsing en vernietiging besluiten van bestuursorganen

1.De besluiten van het college van bestuur en van de bestuursraad kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2.Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.

 

Artikel 10.15 [Vervallen per 11-05-2001]

 

Artikel 10.16. Voorziening bij verwaarlozing van het bestuur

In geval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van de hogeschool kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig met afwijking van de artikelen 10.9 en 10.11, in dat bestuur worden voorzien.

 

Titel 3. Medezeggenschap

 

Artikel 10.17. Medezeggenschapsraad

1.Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.

2.Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250 studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten hoogste vierentwintig leden.

3.De raad bestaat voor de helft uit leden die uit en door het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die uit en door de studenten worden gekozen.

4.Zij die deel uitmaken van het instellingsbestuur, het college van bestuur, de bestuursraad, de centrale directie dan wel het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.

5.Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel.

6.De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.

7.De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het instellingsbestuur betaalde bedragen ten behoeve van de raad en de eventuele deelraden en commissies als bedoeld in artikel 10.34, worden verdeeld.

 

Artikel 10.18. Voorzitter medezeggenschapsraad

De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

 

Artikel 10.19. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden

1.Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het instellingsbestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het instellingsbestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.

2.De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het instellingsbestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het instellingsbestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het instellingsbestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

3.De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool.

4.De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van geha