| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP HET HOGER ONDERWIJS EN
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK (WHW)
Tekst zoals deze geldt op
21 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel
- Regeling
aanmelding en selectie hoger onderwijs
- Regeling financiën hoger onderwijs
- Uitvoeringsbesluit WHW
2008
WET van 8 oktober 1992, houdende
bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de
versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de
maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de
instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan
de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;
dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de
rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar
zijn afgestemd;
dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het
gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Titel 1. Definities en taakomschrijving
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek
op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger
beroepsonderwijs;
c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de
voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de
beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het
inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;
d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de
overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van
vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;
e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel
7.3a;
f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.2;
g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in
artikel 1.2, onder a of b;
h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van de
overheid;
i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
j. instellingsbestuur:
- voorzover het een bijzondere instelling betreft: het
bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
waarvan die instelling uitgaat;
- voorzover het een openbare instelling, uitgaande van een
gemeente, betreft: het college van burgemeester en wethouders
voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit
wenselijk acht, met inachtneming van door hem te stellen
regelen;
- voorzover het een openbare instelling betreft, uitgaande
van een openbaar lichaam ingesteld bij een gemeenschappelijke
regeling: het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde
orgaan;
- voorzover het een openbare instelling, uitgaande van het
Rijk, betreft: Onze minister;
- voorzover het een openbare instelling met
rechtspersoonlijkheid betreft: het ingevolge deze wet terzake
bevoegde orgaan;
k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt
op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het
onderwijstoezicht;
m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als
bedoeld in artikel 7.3;
n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7,
tweede lid, of artikel 7.7a ;
o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen
voor het beroep van arts zijn ingesteld;
p. waarborgfonds: het fonds bedoeld in artikel 2.15;
q. [vervallen;]
r. accreditatieorgaan: accreditatieorgaan hoger onderwijs als
bedoeld in artikel 5a.2;
s. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de
kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld;
t. toets nieuwe opleiding: de toets die tot uitdrukking brengt
dat de kwaliteit van een niet in het Centraal register opleidingen
hoger onderwijs opgenomen opleiding positief is beoordeeld;
u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste
lid;
v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag
totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van
opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb.
2003, 167);
w. Ad-programma: het programma, bedoeld in artikel 7.8a, eerste
lid;
x. toets nieuw Ad-programma: de toets die tot uitdrukking brengt
dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld;
x1. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven
onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.38, derde lid.
Artikel 1.2. Reikwijdte
Deze wet heeft betrekking op:
a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen en de
Open Universiteit,
b. universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 zijn
aangewezen,
c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische
ziekenhuizen, en
d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te
Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.
Artikel 1.3. Universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit
1.Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk
onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk
geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in
de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch
ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.
2.Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger
beroepsonderwijs. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit
verband houdt met het onderwijs aan de instelling. Zij verzorgen in
elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij
verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen in het hoger
beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve
van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen
waarop het onderwijs is gericht.
3.De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk
onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren
van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij
verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de
vorm van afstandsonderwijs.
4.De universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken
mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering
van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in
het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat
betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de
uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen
1.Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de
patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk
geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij
zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en
topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij
medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.
2.De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een
educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is
opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan
personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180
van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de
expertisecentra informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat
personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.
3.Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan
in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school
waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan
de leerling betreffen.
4.Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve
voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het
personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de
inspectie, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de
ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde
lid.
Artikel 1.5. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
1.De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is werkzaam
op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. In elk geval
bevordert zij de uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar
leden onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren
en wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister
desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het gebied
van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de wetenschapsbeoefening
door werkzaamheden op dat gebied te verrichten of te doen verrichten.
2.De Koninklijke Bibliotheek is als de nationale bibliotheek
werkzaam op het gebied van het bibliotheekwezen en de
informatieverzorging, zowel ten behoeve van het hoger onderwijs en het
wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van het openbaar bestuur en
de uitoefening van beroep of bedrijf. In elk geval draagt zij zorg
voor de nationale bibliotheekverzameling, bevordert zij de
totstandkoming en instandhouding van nationale voorzieningen op het
vorengenoemde gebied en bevordert zij de afstemming met de overige
wetenschappelijke bibliotheken.
Artikel 1.6. Academische vrijheid
Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.
Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek
Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de
ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het
stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen
van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de
werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel
mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven,
hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.
Titel 1a. Ruimte voor innovatie
Artikel 1.7a. Ruimte voor innovatie
1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of
doelmatigheid van het hoger onderwijs kan bij wijze van experiment bij
algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
a. titel 2 van hoofdstuk 2,
b. hoofdstuk 5a,
c. hoofdstuk 6,
d. hoofdstuk 7,
e. titel 2 van hoofdstuk 9,
f. titel 3 van hoofdstuk 10, en
g. paragraaf 4 van hoofdstuk 11.
2. In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene
maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid
genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het
experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitvoering van een experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar. Indien, voordat een
experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de
Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele
wettelijke regeling, kan Onze minister het experiment verlengen tot
het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking
treedt.
5. Onze minister zendt drie maanden voor het einde van de
werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een
standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur,
anders dan een voortzetting als experiment.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. In dat geval kan voor een instelling als
bedoeld in die wet afgeweken worden van artikel 8.1.1 van die wet,
indien paragraaf 1 van titel 3 van hoofdstuk 7 van deze wet van
toepassing wordt verklaard.
Titel 2. De instellingen
Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.8. Opsomming bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
1.De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de
instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met
h.
2.De in de bijlage van deze wet onder a, c en h opgenomen
instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.
3.Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of
vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het
tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is
medegedeeld.
Artikel 1.9. Bekostiging en graadverlening
1.Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en,
voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het
verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van
deze wet onder a, c en h opgenomen instellingen en de gemeenten en
openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet
opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s
Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen
accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding
met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid
wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het
daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.
2.Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële
opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad als
bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen
accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding
met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke
graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de
vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in
aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a
en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
3.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat
de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens
deze wet is bepaald ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de planning en bekostiging,
c. het personeel,
d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de
examens en de promoties,
e. vooropleidings- of toelatingseisen,
f. de studenten en extraneï,
g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en
h. het bestuur en de inrichting.
4.Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid
en in opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk
ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende
onderzoek is het derde lid, onder d, voor wat betreft het onderwijs,
de examens en de promoties, e en h, niet van toepassing, maar geldt
als voorwaarde dat dit onderwijs en onderzoek alsmede de inrichting en
het bestuur te dien aanzien worden geregeld bij of krachtens de
statuten van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan
de bijzondere instelling uitgaat of in de op die instelling betrekking
hebbende structuurregeling dan wel in het bestuursreglement.
5.De in het vierde lid bedoelde regeling alsmede wijzigingen
daarvan worden door het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk ter
kennis gebracht van Onze minister. Zij wordt geacht te beantwoorden
aan de in het vierde lid genoemde voorwaarde, indien Onze minister
niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan
het instellingsbestuur gerichte brief heeft verklaard tegen de
regeling of de desbetreffende wijziging daarvan uit oogpunt van
voldoende waarborg van deugdelijkheid bedenkingen te hebben.
6.Indien de bedenkingen, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen
drie maanden worden ondervangen, kan Onze minister besluiten dat aan
de desbetreffende opleiding de rechten, genoemd in het eerste en
tweede lid, ontnomen worden, onverminderd het overigens met betrekking
tot ontneming van rechten in hoofdstuk 6, titel 1, bepaalde.
Artikel 1.10. Aard bepalingen
1.De volgende bepalingen regelen het openbaar hoger onderwijs:
a. artikel 1.18,
b. artikel 2.2 en de bepalingen van de titels 2, 3 en 4 van
hoofdstuk 2,
c. de bepalingen van hoofdstuk 4,
d. artikel 6.2,
e. de bepalingen van hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel
7.3b en paragraaf 4 van titel 1,
f. artikel 8.1,
g. de bepalingen van de titels 1 en 2 van hoofdstuk 9, met
uitzondering van artikel 9.46,
h. de bepalingen van hoofdstuk 10, met uitzondering van de
artikelen 10.8 en 10.33,
i. de bepalingen van hoofdstuk 11,
j. de artikelen 16.4 tot en met 16.9, 16.15, 16.17 en 16.18,
tot het tijdstip waarop deze vervallen, en
k. de artikelen 17.1 tot en met 17.3, 17.5 tot en met 17.8 en
17.10, tot het tijdstip waarop deze vervallen.
2.De volgende bepalingen zijn voorwaarde voor bekostiging van het
bijzonder hoger onderwijs:
a. artikel 1.18,
b. artikel 2.2 en de bepalingen van de titels 2, 3 en 4 van
hoofdstuk 2,
c. de bepalingen van hoofdstuk 4,
d. artikel 6.2,
e. de bepalingen van hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel
7.3b en paragraaf 4 van titel 1,
f. artikel 8.1,
g. artikel 9.51, tenzij het betreft onderwijs in opleidingen
als bedoeld in artikel 1.9, vierde lid,
h. de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 4 van titel 1 van
hoofdstuk 10 en de bepalingen van titel 3 van hoofdstuk 10, met
uitzondering van artikel 10.33,
i. de artikelen 16.4 tot en met 16.9, 16.15, 16.17 en 16.18,
tot het tijdstip waarop deze vervallen, en
j. de artikelen 17.1 tot en met 17.3, 17.5 tot en met 17.8 en
17.10, tot het tijdstip waarop deze vervallen.
3.Voor het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde
lid, gelden in plaats van de bepalingen van de titels 1 en 2 van
hoofdstuk 7 de bepalingen van artikel 1.9, vierde tot en met zesde
lid, als zodanige voorwaarden.
Paragraaf 2. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 1.11. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
Andere dan de in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen voor
hoger onderwijs kunnen worden aangewezen.
Artikel 1.12. Graadverlening aangewezen instellingen
1.Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële
opleidingen, verzorgd door aangewezen instellingen, is een graad als
bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen
accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding
met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke
graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de
vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in
aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a
en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de
desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het
vijfde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten
aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,
c. de vooropleidingseisen.
3.In aanvulling op het tweede lid geldt voor de lerarenopleidingen
als voorwaarde dat de desbetreffende hogeschool in acht neemt hetgeen
bij artikel 16.3 is bepaald.
4.Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een
opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan
een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid
voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is
bepaald in het vijfde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten
aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs
wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement
van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de
instelling uitgaat.
5.Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige
inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze
minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van
de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van
kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere
gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.
Paragraaf 2a. Postinitiële masteropleidingen
Artikel 1.12a. Graadverlening postinitiële masteropleidingen
Aan de met goed gevolg afgelegde examens van opleidingen als bedoeld
in artikel 7.3b, verzorgd door rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden,
voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die
opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben
ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend, zijn
gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graad Master,
bedoeld in artikel 7.10a, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te
brengen.
Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen
Artikel 1.13. Academische ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid
1.Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding
voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De
academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel i van de bijlage
van deze wet.
2.De academische ziekenhuizen, opgenomen in onderdeel i, onder 1,
van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.
Artikel 1.14. Bekostiging academische ziekenhuizen
1.De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen
van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het
wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een
door Onze minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond
van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het
academisch ziekenhuis is verbonden.
2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de
desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet
voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:
a. de planning en bekostiging,
b. het personeel, en
c. het bestuur en de inrichting.
Artikel 1.15. Aard bepalingen
1.De volgende bepalingen regelen de academische ziekenhuizen bij de
openbare universiteiten:
a. de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en de bepalingen van titel 5
van hoofdstuk 2,
b. de bepalingen van hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel
4.7, en
c. de bepalingen van hoofdstuk 12, met uitzondering van artikel
12.18.
2.De volgende bepalingen zijn met betrekking tot de academische
ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten voorwaarden voor
bekostiging van het bijzonder onderwijs:
a. de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en de bepalingen van titel 5
van hoofdstuk 2,
b. de bepalingen van hoofdstuk 4, en
c. de artikelen 12.2 en 12.18.
Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid KNAW en KB
De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de
Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.
Artikel 1.17. Bekostiging
1.De in artikel 1.16 genoemde instellingen voor wetenschappelijk
onderzoek hebben aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten
behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen
werkzaamheden.
2.Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de
desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet
bepaalde ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de planning en bekostiging,
c. het personeel, en
d. het bestuur en de inrichting.
3.De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b
voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak
van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Titel 3. Kwaliteitszorg
Artikel 1.18. Kwaliteitszorg
1.Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d,
bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in
samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een
regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de
kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij
instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het
oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de
instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door
onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar.
2.Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij
kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden
van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in
artikel 1.2, onderdeel d.
3.Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onderdelen a en b,
bedoelde instelling draagt er tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in
samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een
regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de
kwaliteit van de opleidingen. De laatste twee volzinnen van het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing. De beoordeling bevat een
samenvattend oordeel. Bij de beoordeling worden ten minste de
accreditatiekaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en de
aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, in acht
genomen.
4.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid.
Titel 4. Overige voorschriften [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 1.19. Nevenvestiging buitenland [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Een instelling voor hoger onderwijs kan geaccrediteerde
opleidingen in het buitenland verzorgen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen in ieder geval regels worden gesteld met
betrekking tot de aanwending van de rijksbijdrage in verband met deze
opleidingen.
2. De artikelen 1.12 en 1.12a zijn van toepassing.
Artikel 1.20. Verplichting tot overleg en aangifte inzake
zedenmisdrijven [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is
geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast
persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf
tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht
jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd
gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in
artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden
geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de
desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf
als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de
instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de
vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het
instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de
ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten
behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de
hoogte.
3. Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve
van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig
maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid
jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het
personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.
Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
Artikel 2.1. Reikwijdte
1.Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 2.13 en titel 5,
heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen, de
Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met dien verstande dat
artikel 2.15 uitsluitend van toepassing is op de hogescholen.
2.Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen
2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.
Titel 1. Planning
Artikel 2.2. Instellingsplan
Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot
de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de
specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die
periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband
met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren
van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het
instellingsbestuur maakt het plan openbaar.
Artikel 2.2a. Procedure en inhoud instellingsplan
onderzoekinstellingen
1.Het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen en het instellingsbestuur van de Koninklijke
Bibliotheek stellen in afwijking van artikel 2.2 een instellingsplan
vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het
vorige plan en zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze
minister.
2.In het instellingsplan wordt rekening gehouden met het
wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse
organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingsplannen van
universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen een
en ander voorzover die naar het oordeel van het instellingsbestuur van
belang zijn voor de uitvoering van de taken van de instelling.
3.Het instellingsplan omvat in elk geval:
a. de doelstellingen van de instelling voor wetenschappelijk
onderzoek op middellange termijn,
b. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te
stellen prioriteiten, en
c. de financiële, personele, materiële en organisatorische
voorwaarden die moeten worden vervuld.
4.Onze minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan
binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het
instellingsbestuur. Onze minister doet daarvan en van het
instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers der
Staten-Generaal.
5.Onze minister kan zijn standpunt over het instellingsplan
gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een
nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan
1.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor
onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke
omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in
de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de
werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en
onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten
minste vier jaren.
2.Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten
aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
3.Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder
geval:
a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang
zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste
ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien
van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek,
b. algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in
artikel 6.2, vierde lid, worden opgenomen, en
c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de
daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.
Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan
1.Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk
vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger
onderwijs- en onderzoekplan.
2.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt
uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger
onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een
ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.
3.Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar
gemaakt, doet Onze minister mededeling in de Staatscourant.
Titel 2. Bekostiging
Artikel 2.5. Rijksbijdrage aan instellingen voor hoger onderwijs
1.De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde
aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een
algemene berekeningswijze en voorzover het betreft investeringen in
gebouwen en terreinen, hetzij op de grondslag van die algemene
berekeningswijze hetzij op de grondslag van een andere door Onze
minister te bepalen wijze. Artikel 4:32 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op de rijksbijdrage.
1a.In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden
berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze:
a. voor de universiteiten voorzover het betreft onderwijs
gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de
eerste graad, of
b. voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse
Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit
Limburg (Trb. 2001, 38).
2.Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan
universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de
kwaliteitszorg.
3.De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld
in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat
begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de rijksbijdrage
van een hogeschool kan worden vermeerderd of verminderd wegens het in
dienst nemen van personeel dat een uitkering na ontslag verwerft of
zal verwerven, onderscheidenlijk wegens het beëindigen van het
dienstverband van zodanig personeel.
4.Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het
desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt
gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader
vastgesteld.
5.De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze minister te
bepalen kasritme.
6.Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld,
wordt daarop door Onze minister een voorschot verstrekt. Het vijfde
lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.6. Berekening rijksbijdrage
1.De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze
wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De
algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen
van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven
hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de
uitvoering daarvan.
2.De bijzondere berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a,
wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In
die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten
aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De
bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval
betrekking hebben op de studieresultaten.
3.Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met
uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk
geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De
maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groepen van
opleidingen.
4.Bij de vaststelling van het aantal studenten tellen die studenten
mee die zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens als
bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Studenten die niet zijn opgenomen in de basisadministratie
persoonsgegevens tellen alleen mee, indien
a. zij onderwijs in Nederland volgen,
b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten
Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de
Bondsrepubliek Duitsland wonen, en
c. het instellingsbestuur na verificatie van de gegevens
betreffende naam, adres en woonplaats van de betrokken studenten
die gegevens heeft laten opnemen in het register, bedoeld in
artikel 7.52,
In afwijking van de tweede volzin tellen studenten die op 1 oktober
in verband met het volgen van onderwijs aan een instelling tijdelijk
in een ander land of een andere Duitse bondsstaat dan die, bedoeld in
de tweede volzin, onderdeel b, wonen, mee, indien zij direct
voorafgaand aan het wonen in dat land of die Duitse bondsstaat aan de
desbetreffende instelling onderwijs volgden en voldeden aan de eerste
volzin of onderdeel b van de tweede volzin. Studenten die voor 1
oktober een verzoek tot uitschrijving hebben ingediend, worden niet
meegeteld, onverminderd het bepaalde in artikel 7.42, eerste lid,
onderdeel c.
5.De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek
aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de
maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek,
waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen
alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.
6.Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel
van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die
voorlegging zijn verstreken.
Artikel 2.6a. Rijksbijdrage aan instellingen voor wetenschappelijk
onderzoek
1.De inkomsten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek bestaan uit:
a. de bijdrage uit 's Rijks kas,
b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de
rijksbijdrage is verleend, en
c. andere inkomsten.
2.De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de
vaststelling of nadere vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van
de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld.
3.De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot
zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de
instelling nodig is.
4.Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld,
wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze minister
te stellen regels.
5.Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als
bedoeld in het eerste lid, onder c, buiten beschouwing.
6.Onze minister stelt regels met betrekking tot de bestemming van
saldi die voortvloeien uit de inkomsten, bedoeld in het eerste lid,
onder a en b.
Artikel 2.7. Mededeling geraamde en bekendmaking vastgestelde
rijksbijdrage
1.Onze minister maakt aan elke instelling, bedoeld in artikel 1.9,
eerste lid, jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het
komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt
daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.
2.Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de
in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke
rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel
2.5, vierde lid, bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage.
Artikel 2.7a [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 2.8. Begroting
1.Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het
desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast.
Het instellingsbestuur zendt de begroting, alsmede wijzigingen van de
begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan
Onze minister. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het
bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit,
neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk
wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve
van het academisch ziekenhuis in acht.
2.De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven
alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht
te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie
van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het
instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a. De in de begroting voorziene
inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het
desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde,
onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader
vastgestelde rijksbijdrage.
3.Het instellingsbestuur draagt zorg voor wijziging van de
begroting indien de vastgestelde rijksbijdrage afwijkt van de in de
begroting opgenomen geraamde rijksbijdrage, alsmede in geval van een
nader vastgestelde rijksbijdrage.
4.Het instellingsbestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de
grenzen van de vastgestelde of gewijzigde begroting.
5.Af- en overschrijving op de uitgaafposten van de begroting kunnen
door het instellingsbestuur geschieden in de gevallen, voorzien in de
door dat bestuur terzake vast te stellen regels.
Artikel 2.9. Verslaglegging
1.Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze
minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met
bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële
gegevens. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van
een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de
rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de
rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet
doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake,
voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei
wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld,
examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft de bijdrage,
bedoeld in artikel 7.46, tweede lid, anders dan op grond van artikel
7.46, derde lid, artikel 7.51 of artikel 7.51a.
2.In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van
het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande
begrotingsjaar. Het jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten
aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van
de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en
andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de
instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan een
academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21
bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere
universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de
onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het
academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk
geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande
volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het
overzicht reeds aan een eerder jaarverslag is toegevoegd en het
sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.
3.Het instellingsbestuur doet het verslag vergezeld gaan van een
verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Die
verklaring heeft mede betrekking op de gegevens die op enigerlei wijze
een rol spelen in de algemene berekeningswijze, bedoeld in artikel
2.5, eerste lid. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen
dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de
controlerapporten van de accountant.
4.Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of
krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de
rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de
rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat
de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de
rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de
jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.
5.Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene
reserve van de instelling.
6.De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van
een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn
persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge
van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of
krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die
uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de
rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven
niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te
bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling
terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten
behoeve van de instelling.
Artikel 2.9a. Verrekening van vorderingen
Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens
deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen
van of op Onze Minister krachtens een andere wet.
Artikel 2.10. Informatieplicht en doelmatigheidscontrole
ministeriële accountant
De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van
de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van
dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze
minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid
van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle
inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig
oordeelt.
Artikel 2.10a. Controleprotocol
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de
administratie van de instellingen.
Artikel 2.11. Bijzondere bepaling universitaire
eerstegraadslerarenopleidingen
Het gedeelte van de rijksbijdrage dat wordt berekend op de wijze,
bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, onderdeel a, wordt besteed aan het
desbetreffende onderwijs.
Artikel 2.12. Bijzondere bepaling academische ziekenhuizen
Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde
universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de
rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen,
aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld
het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op
grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.
Artikel 2.13. Buitengebruikstelling gebouwen en terreinen
1.Het instellingsbestuur dat voornemens is om gebouwen of terreinen
ten behoeve waarvan een rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer
voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling
aan Onze minister.
2.Onze minister kan binnen negentig dagen na ontvangst van de
mededeling, bedoeld in het eerste lid, beslissen dat de gebouwen of
terreinen worden overgedragen aan het Rijk dan wel ten behoeve van
onderwijs of onderzoek aan een andere door hem aan te wijzen
rechtspersoon. De overdracht geschiedt door de inschrijving van de
desbetreffende beslissing van Onze minister in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
3.Het instellingsbestuur kan de gebouwen of terreinen niet
verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht onderwerpen tenzij
Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën,
mededeelt van zijn in het tweede lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik
te maken.
4.Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen
ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen
of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en
hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze minister te
bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot
de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.
Titel 3. Inrichting begroting en verslag
Artikel 2.14. Inrichting begroting en verslag
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld
voor de inrichting van de begroting en het verslag.
Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en
leningen
Artikel 2.15. Waarborgfonds hogescholen
1.Elke instelling is aangesloten bij de door de instellingsbesturen
gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid,
zonder winstoogmerk. Deze rechtspersoon stelt zich ten doel zich borg
te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen,
voortvloeiend uit de door het instellingsbestuur aangegane leningen
door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds, dat
uitsluitend de in dit artikel genoemde functies uitoefent.
2.De leden van het bestuur van het fonds worden benoemd door de
instellingsbesturen. De leden stemmen zonder last of ruggespraak.
3.Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat
door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is
gewaarborgd.
4.Het instellingsbestuur kan het fonds verzoeken zich geheel of
gedeeltelijk borg te stellen voor de nakoming van rente- en
aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit een door het
instellingsbestuur afgesloten lening.
5.Het fonds kan aan het verlenen van een waarborg algemeen geldende
voorwaarden verbinden met betrekking tot de vorm van de te waarborgen
lening en met betrekking tot een door de instelling aan het fonds te
betalen borgstellingsvergoeding. Een verzoek om borgstelling van een
instelling dat aan deze algemene voorwaarden voldoet kan, onverminderd
het bepaalde in het negende lid, niet worden geweigerd.
6.Het instellingsbestuur legt jaarlijks een afschrift van de
vastgestelde begroting als bedoeld in artikel 2.8 en het vastgestelde
verslag als bedoeld in artikel 2.9 over aan het bestuur van het fonds.
7.Indien het aan het instellingsbestuur bij de vaststelling van de
begroting blijkt dat het op enig moment in het kalenderjaar waarop die
begroting betrekking heeft, niet in staat zal zijn tot nakoming van de
rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds
geborgde leningen, meldt het instellingsbestuur dit voor de aanvang
van het in dit artikellid bedoelde kalenderjaar aan het fonds. Binnen
acht weken na de melding, bedoeld in de eerste volzin, legt het
instellingsbestuur aan het fonds een door hem vastgesteld
saneringsplan over, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen
welke termijn het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de
instelling hersteld kan worden. Het bestuur van het fonds kan ten
aanzien van het saneringsplan voorwaarden van financiële aard stellen
die zijn gericht op het herstel van het financieel evenwicht tussen de
inkomsten en uitgaven van de instelling, die door de instelling in het
door haar vastgestelde saneringsplan worden opgenomen.
8.Indien het aan het instellingsbestuur in de loop van een
kalenderjaar blijkt dat het niet in staat zal zijn tot nakoming van de
rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds
geborgde leningen, terwijl dat bij de vaststelling van de begroting
met betrekking tot dat kalenderjaar niet was voorzien, meldt het
instellingsbestuur dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voordat
de toestand, bedoeld in deze volzin, intreedt aan het fonds. De tweede
en derde volzin van het zevende lid zijn van toepassing.
9.Indien een lening, waarvan de instelling bij het fonds om borging
verzoekt, naar het oordeel van het fonds tot gevolg heeft dat het
instellingsbestuur niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente-
en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde
leningen, bepaalt het bestuur van het fonds dat de borging niet wordt
verleend dan nadat een door het instellingsbestuur vastgesteld
saneringsplan is overgelegd dan wel geheel of gedeeltelijk is
uitgevoerd, waarin is aangegeven op welke wijze het evenwicht tussen
de inkomsten en de uitgaven van de instelling kan worden behouden dan
wel hersteld. De derde volzin van het zevende lid is van toepassing.
10.Het negende lid is niet van toepassing op de leningen die door
het instellingsbestuur worden afgesloten in verband met de betaling
van het bedrag, bedoeld in artikel II van de Wet van 11 november 1993,
Stb. 628, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van
huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname
van het economisch claimrecht.
11.Indien een of meer voorwaarden van het fonds als bedoeld in het
zevende tot en met negende lid, de vrijheid van inrichting van het
onderwijs in ernstige mate aantast, kan het instellingsbestuur
daartegen beroep instellen bij Onze minister. Op het beroep zijn de
hoofdstukken 6 en 7, met uitzondering van de artikelen 7:24 en 7:25
van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
12.Onze minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het
beroepschrift. Indien Onze minister het beroep gegrond acht, bepaalt
hij dat een of meer van de voorwaarden niet in het saneringsplan
behoeven te worden opgenomen. De instelling stelt met inachtneming van
de uitspraak van Onze minister het saneringsplan opnieuw vast en
treedt daarover in overleg met het fonds. De laatste twee volzinnen
van het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
13.Indien een instelling één of meer leningen bij het fonds heeft
geborgd, dient de instelling voorafgaand aan het aangaan van leningen
waarvoor de instelling het fonds niet om borging verzoekt, dit te
melden aan het fonds.
14.Van de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, kan Onze minister
op verzoek van het bestuur van een bijzondere instelling ontheffing
verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of
levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing
slechts, indien het instellingsbestuur aantoont dat een afdoende
andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het
voortbestaan van de instelling.
15.Het fonds kan batig saldo uitkeren aan de instellingen. De
instellingen besteden deze uitkeringen ten behoeve van de
werkzaamheden van de instelling, waarvoor de rijksbijdrage wordt
verstrekt.
16.De statuten van de rechtspersoon die het fonds in stand houdt
voldoen aan het gestelde in dit artikel.
Artikel 2.16. Opheffing instellingen
1.Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de
beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt
het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel
beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een
eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en
gaat vergezeld van een verklaring van een door hem aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
2.Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is
het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de
eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze
minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de
eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening
gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan
investeringen bestede gelden.
3.Bij de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging als
bedoeld in het eerste lid, maakt het instellingsbestuur zo spoedig
mogelijk aan Onze minister bekend welke maatregelen het heeft genomen
teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven
studenten de opleiding aan een andere instelling kunnen voltooien.
Artikel 2.17. Beheer van de middelen
Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op
zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van
de instelling zijn verzekerd.
Titel 5. Subsidiëring academische ziekenhuizen ten behoeve van de
educatieve voorziening
Artikel 2.18. Subsidie educatieve voorziening
1.Jaarlijks verstrekt Onze minister een subsidie aan het academisch
ziekenhuis dan wel aan de rechtspersoon die de educatieve voorziening,
bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, in stand houdt, ter tegemoetkoming
in de kosten van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
als bedoeld in de artikelen 9a van de Wet op het primair onderwijs,
18a van de Wet op de expertisecentra, 18 en 138a van de Wet op het
voortgezet onderwijs en 7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
2.De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel
aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in
stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het
gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot
en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen
als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de
expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren
opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag
per leerling.
3.Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de
rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt
de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de
aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt
benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de
scholen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op
de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij
het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die
de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking
tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat
de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor
de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold
aan die scholen.
Artikel 2.19. Begroting en verslaglegging
Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4,
tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het
bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand
houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een
jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister.
Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de
begroting en het jaarverslag.
Artikel 2.20. Controle en terugvordering
1.Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de
subsidie is toegekend, legt het bestuur van het academisch ziekenhuis
dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening
in stand houdt, een verklaring van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over
aan Onze minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie
is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.
2.Voorzover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid,
blijkt dat de subsidie is besteed in overeenstemming met de bepalingen
van deze wet, vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.
Hoofdstuk 3. Overleg
Artikel 3.1. Algemeen overleg
1.Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging
van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten en
hogescholen, de Open Universiteit, de Koninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden
van algemeen beleid met betrekking tot die instellingen.
2.Onze minister pleegt geregeld overleg met een vertegenwoordiging
van de instellingsbesturen van de bekostigde universiteiten waaraan
een academisch ziekenhuis is verbonden en van de academische
ziekenhuizen over aangelegenheden van algemeen beleid betreffende de
academische ziekenhuizen dan wel betreffende de academische
ziekenhuizen en de universiteiten gezamenlijk.
Artikel 3.2. Overleg met afzonderlijke instellingen
Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde
lid, 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, 4.2, tweede lid, en
7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur
in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn
desbetreffend voornemen.
Artikel 3.3. Overleg met studentenorganisaties
1.Onze minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in
aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over
aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.
2.Onze minister treft een regeling ter financiële ondersteuning
van de vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde
belangenorganisaties, in verband met door hen te verrichten
werkzaamheden.
Hoofdstuk 4. Het personeel
Artikel 4.1. Reikwijdte
1.Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en
hogescholen en de Open Universiteit.
2.Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 4.2, tweede tot en
met vierde lid, heeft tevens betrekking op de academische
ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en
de Koninklijke Bibliotheek.
Artikel 4.2. Personeelsbeleid
1.Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het
personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven
voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.
2.Onze minister kan het instellingsbestuur van een universiteit
richtlijnen geven met betrekking tot het minimum aantal assistenten in
opleiding.
3.Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de
Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op
het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het
instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een
ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het
gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in
de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van
vrouwen in leidinggevende functies vast.
4.Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald
tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand
waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt
gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid
werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt
uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het
personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in
het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die
blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde
cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het
instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste
volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van
de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de
periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode
waarvoor het vorige document gold.
5.Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van
het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd
op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats,
alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de
instelling.
Artikel 4.3 [Vervallen per 03-08-2005]
Artikel 4.4 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 4.5. Regeling van de rechtspositie
1.Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gestelde regels als bedoeld in het tweede en derde lid regelt
het instellingsbestuur van een openbare instelling de rechtspositie
van het personeel en draagt het instellingsbestuur van een bijzondere
instelling zorg voor de regeling van de rechtspositie van het
personeel.
2.Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende:
a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het
instellingsbestuur in te richten functiewaarderingssysteem moet
voldoen, onderscheidenlijk
b. rechten en plichten van het personeel en het
instellingsbestuur bij ziekte, bevalling, zwangerschap,
arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze bij wet
voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, dan wel de
voorwaarden waaronder het instellingsbestuur deze rechten en
plichten zelf regelt dan wel voor de regeling daarvan zorg draagt.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.
4.Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid
wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake benoeming,
schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De
bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare
instellingen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor
werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen
van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
5.Over de regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede
over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere
rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende instelling,
wordt door of namens het instellingsbestuur overleg gevoerd met de
daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.
In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld
in de vorige volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de
inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen
het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie
bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden
aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende
kracht.
Artikel 4.6 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 4.7. Commissies van beroep personeel bijzondere instellingen
1.Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van
beroep, waarbij door elk personeelslid van die instelling dat
rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan worden ingesteld
tegen een beslissing, door of namens het instellingsbestuur genomen,
inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de
pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,
d. het direct of indirect onthouden van bevordering, of
e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.
2.Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over een
of meer instellingen.
3.De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en, wanneer
dit in het beroepsreglement is bepaald, evenveel plaatsvervangende
leden, een voorzitter, tevens lid, en, wanneer dit in het
beroepsreglement is bepaald, een of meer plaatsvervangende
voorzitters. De besturen en het personeel van de aangesloten
instellingen benoemen onderscheidenlijk kiezen elk de helft van het
aantal gewone leden en plaatsvervangende leden. De gewone leden kiezen
de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters. De
voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de
overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden benoemd
voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.
4.De leden en de eventuele plaatsvervangende leden van de commissie
van beroep mogen geen lid zijn van het bestuur van een aangesloten
instelling noch deel uitmaken van het personeel van de vereniging of
stichting waarvan die instelling uitgaat.
5.Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden
van de commissie van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de
leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van
de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van
ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede
indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de
derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het
voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid
geboden zich terzake te doen horen.
6.De uitspraak van de commissie van beroep is voor het
instellingsbestuur bindend.
7.De besturen van de aangesloten instellingen stellen voor de
commissie van beroep een beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat
een onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de commissie is
gewaarborgd. Bij of krachtens het beroepsreglement worden geregeld:
a. de omvang en samenstelling van de commissie van beroep,
b. de zittingstermijn van de leden en eventuele
plaatsvervangende leden van de commissie van beroep,
c. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend
lidmaatschap eindigt,
d. de rechtsgang bij de commissie van beroep, daaronder
begrepen de inhoud en indiening van het beroepschrift, de
behandeling ter zitting en de voorbereiding daarvan, de uitspraak
alsmede de mogelijkheden van verzet, voorlopige voorziening en
herziening van uitspraken, alsmede
e. de wijze waarop in het secretariaat van de commissie van
beroep wordt voorzien.
8.Het beroepsreglement wordt niet gewijzigd dan nadat de commissie
van beroep over de voorgenomen wijziging is gehoord.
9.Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen
verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen terzake van
beslissingen die aan het oordeel van de commissie van beroep zijn
onderworpen.
Hoofdstuk 5 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.1 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.2 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.3 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.4 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 5.5 [Vervallen per 01-09-2002]
Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs
Artikel 5a.1. Reikwijdte
1.Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en
hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en
hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
2.Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid die een opleiding als bedoeld in artikel
7.3b verzorgen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder
instellingsbestuur mede begrepen het bestuur van de rechtspersoon,
bedoeld in de eerste volzin.
Titel 1. Accreditatieorgaan
Artikel 5a.2. Instelling en taken accreditatieorgaan
1.De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, gevestigd te Den
Haag, en bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag, is het
accreditatieorgaan hoger onderwijs. Het accreditatieorgaan bezit
rechtspersoonlijkheid.
2.Het accreditatieorgaan is belast met activiteiten in het kader
van het verlenen van accreditatie aan opleidingen in het hoger
onderwijs en het afnemen van de toets nieuwe opleiding in het hoger
onderwijs.
3.Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak de
accreditatiekaders en toetsingskaders te bespreken met instanties in
de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.
4.Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden
bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met de
voorbereiding van een stelsel van bacheloropleidingen en
masteropleidingen in Nederland, het beoordelen van ander onderwijs dan
hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
Artikel 5a.3. Voordracht bestuursleden accreditatieorgaan
1.Voordat Onze minister een voordracht doet voor bestuursleden als
bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de
gezamenlijke instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b,
en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel gehoord.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van
de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in
verband met de voordracht van twee bestuursleden.
3.De bestuursleden die door Onze minister worden voorgedragen zijn
geen aan Onze minister ondergeschikte ambtenaren.
4.Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het
Accreditatieverdrag, een door Onze minister voorgedragen bestuurslid
schorst of ontslaat, worden de instellingen en vakorganisaties,
bedoeld in het eerste lid, door Onze minister gehoord.
Artikel 5a.3a. Vergaderingen accreditatieorgaan
De inspectie wordt in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van het
accreditatieorgaan bij te wonen.
Artikel 5a.4. Bezoldiging of schadeloosstelling
1.Aan het lidmaatschap van het accreditatieorgaan is, indien dat
bestuurslid door Onze minister is voorgedragen, een bezoldiging dan
wel een schadeloosstelling verbonden.
2.Onze minister stelt de bezoldiging of de schadeloosstelling vast.
3.Buiten de bezoldiging of de schadeloosstelling en de vergoeding
van bijzondere kosten in verband met zijn functie geniet een
bestuurslid van het accreditatieorgaan geen inkomsten ten laste van
het accreditatieorgaan.
4.Ten aanzien van de bestuursleden van het accreditatieorgaan wordt
met overeenkomstige toepassing van artikel 383 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek verslag gedaan in het jaarverslag, bedoeld in
artikel 5a.7.
Artikel 5a.5. Personeel
Op het personeel in dienst van het accreditatieorgaan, zijn de
rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld
bij ministeries, van overeenkomstige toepassing. De in die regels
neergelegde bevoegdheden, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende
bevoegdheden tot het stellen van regels, worden uitgeoefend door het
accreditatieorgaan. Voorzover in die regels is bepaald dat bevoegdheden
worden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden deze bevoegdheden
uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze minister.
Artikel 5a.6. Begroting
1.Het accreditatieorgaan zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze
minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.
2.Indien gedurende een kalenderjaar aanmerkelijke verschillen
ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote
baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet het
accreditatieorgaan daarvan onverwijld mededeling aan Onze minister
onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
Artikel 5a.6a. Inrichting begroting
1.De begroting, bedoeld in artikel 5a.6, behelst een raming van de
baten en lasten, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en
een raming van de inkomsten en uitgaven.
2.De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting
voorzien.
3.Uit de toelichting blijkt steeds welke begrotingsposten
betrekking hebben op de uitoefening van de bij of krachtens de wet aan
het accreditatieorgaan opgedragen taken dan wel op andere
activiteiten.
4.Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog
niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking met
de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde
jaarrekening.
5.De begroting omvat voorts voorstellen aan Onze minister voor het
bedrag dat in het desbetreffende jaar in de rijksbegroting zal worden
opgenomen en voor de in het desbetreffende jaar te hanteren tarieven.
6.Indien het accreditatieorgaan andere baten of inkomsten raamt,
worden deze afzonderlijk vermeld en van een toelichting voorzien.
Artikel 5a.6b. Financiële middelen
1.Onze minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten
laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het
Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de
vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en
tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
2.Onze minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig
kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het
accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het
daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking
zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot
vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap.
3.Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het
kalenderjaar.
4.Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het
eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze
minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot
aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 5a.6c. Voorafgaande instemming
Onze minister kan bepalen dat het accreditatieorgaan zijn
voorafgaande instemming behoeft voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon,
b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van
registergoederen,
c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging,
vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur
of pacht daarvan,
d. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten
van geldlening,
e. het aangaan van overeenkomsten waarbij het accreditatieorgaan
zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van
zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als
borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde
sterk maakt,
f. het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de
egalisatiereserve, bedoeld in artikel 5a.6d,
g. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen
van zijn surséance van betaling.
Artikel 5a.6d. Egalisatiereserve
1.Het accreditatieorgaan vormt een egalisatiereserve.
2.Het verschil tussen de gerealiseerde baten van het
accreditatieorgaan en de gerealiseerde lasten van de activiteiten komt
ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.
3.De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
egalisatiereserve toegevoegd.
Artikel 5a.7. Jaarverslag
1.Het accreditatieorgaan stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op
van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de
doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze
in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.
2.Het verslag wordt aan Onze minister gezonden.
Artikel 5a.7a. Jaarrekening
Tegelijk met het jaarverslag, bedoeld in artikel 5a.7, dient het
accreditatieorgaan de jaarrekening bij Onze minister in.
Artikel 5a.7b. Inrichting jaarrekening
1.De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd
van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het
verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door het accreditatieorgaan aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het
accreditatieorgaan dat aan Onze minister desgevraagd inzicht wordt
geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
3.De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede betrekking
op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door het
accreditatieorgaan.
4.De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid,
tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en
de organisatie van het accreditatieorgaan voldoen aan eisen van
doelmatigheid.
Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding
Artikel 5a.8. Accreditatiekaders en toetsingskaders
1.Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de accreditatie
van opleidingen vast in afzonderlijke accreditatiekaders voor
opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger
beroepsonderwijs, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen
bacheloropleidingen en masteropleidingen. In de accreditatiekaders
wordt tevens bepaald welke gegevens het instellingsbestuur meezendt
bij een aanvraag om accreditatie, waartoe in elk geval behoort de
aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur kan worden
verleend.
2.Bij het verlenen van accreditatie wordt aandacht geschonken aan
de aspecten van kwaliteit, die betrekking hebben op het niveau van de
opleiding, de onderwijsinhoud, het onderwijsproces, de opbrengsten van
het onderwijs van de opleiding, voldoende voorzieningen die
noodzakelijk zijn om de opleiding te kunnen verzorgen, en op een
adequate methode die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18,
derde lid, wordt gehanteerd.
3.Bij de toepassing van het tweede lid wordt begrepen onder:
a. het niveau van de opleiding: dit is gericht op het
eindniveau van de opleiding gelet op hetgeen gewenst en gangbaar
is, bij voorkeur gemeten naar internationale standaard;
b. de onderwijsinhoud: deze omvat in ieder geval de aard van
het onderwijs, voldoende samenhang in het opleidingsprogramma van
de opleiding, de studielast en een duidelijke relatie tussen de
doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma;
c. het onderwijsproces: dit omvat in ieder geval een voldoende
afstemming tussen vormgeving van het onderwijs en de inhoud,
voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke beoordeling en
toetsing van het onderwijs;
d. de opbrengsten van het onderwijs: deze omvatten in ieder
geval voldoende maatschappelijke relevantie van de bereikte
eindkwalificaties van afgestudeerden van de opleiding en voldoende
rendement van de opleiding in relatie tot de beargumenteerde
streefcijfers;
e. de voorzieningen: deze omvatten in ieder geval de materiële
voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en
de interne kwaliteitszorg;
f. de methoden die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18,
derde lid, worden gehanteerd: deze hebben in ieder geval
betrekking op de mogelijkheid de opleiding te vergelijken met
andere opleidingen en op een internationaal beoordelingskader.
4.Alvorens een accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen
voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de
instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties
als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.
5.Een accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de
goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister
verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken
nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal
is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken
na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het
accreditatieorgaan.
6.De accreditatiekaders worden bekendgemaakt door plaatsing in de
Staatscourant.
7.Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de toets nieuwe
opleiding vast in afzonderlijke toetsingskaders voor opleidingen in
het wetenschappelijk onderwijs en opleidingen in het hoger
beroepsonderwijs waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen
bacheloropleidingen en masteropleidingen. De tweede volzin van het
eerste lid en het tweede tot en met zesde lid, met uitzondering van
het derde lid, onderdeel f, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5a.8a. Bekendmaking beoordelende instanties
Het accreditatieorgaan maakt jaarlijks aan de instellingen bekend
welke instanties met behulp van onafhankelijke deskundigen als bedoeld
in artikel 1.18, derde lid, eerste volzin, opleidingen beoordelen op de
wijze, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, vierde volzin.
Artikel 5a.9. Accreditatie opleiding
1. Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het
instellingsbestuur.
2. Een aanvraag om accreditatie wordt ten minste een jaar voor de
vervaldatum van het vorige accreditatiebesluit of van het besluit
waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is
ondergaan, bij het accreditatieorgaan ingediend.
3. Het accreditatiebesluit wordt gebaseerd op de beoordeling,
bedoeld in artikel 1.18, derde lid.
4. Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na ontvangst
van de aanvraag om accreditatie een besluit. Het accreditatiebesluit
treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige
accreditatiebesluit vervalt of, indien aan een opleiding voor de
eerste maal accreditatie wordt verbonden, met ingang van de dag van
bekendmaking van het accreditatiebesluit.
5. Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie
wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18,
derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid,
vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het
vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van
bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een
nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het
zesde lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het
moment dat, onder de voorwaarden van het zevende lid, op de aanvraag
om accreditatie is beslist.
6. De accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding
van het accreditatiebesluit.
7. Indien een instellingsbestuur binnen de termijn, bedoeld in het
tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in
afwijking van het zesde lid, de periode van de accreditatie verlengd
tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien
het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het
zesde lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode
van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of,
indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.
8. De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding
verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie
overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het
accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
Artikel 5a.10. Accreditatierapport
1.Het accreditatieorgaan legt de bevindingen naar aanleiding van de
beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid, en
het besluit over de accreditatie van de opleiding vast in een
accreditatierapport. Het accreditatieorgaan kan in het
accreditatierapport overige opmerkingen opnemen over de bijzondere
kwaliteitskenmerken van de opleiding.
2.Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het
accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een
door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over
het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.
3.Het accreditatieorgaan zendt het accreditatierapport na
vaststelling onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het
rapport tegelijkertijd openbaar.
4.Het accreditatieorgaan verstrekt een afschrift van het
accreditatierapport op verzoek. Het accreditatieorgaan vraagt een
vergoeding van de kosten voor de afgifte van een afschrift van het
accreditatierapport overeenkomstig een door Onze minister, na overleg
met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
Artikel 5a.11. Toets nieuwe opleiding
1.Een opleiding die niet is opgenomen in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, kan een toets
nieuwe opleiding ondergaan. Indien deze toets positief is, kan het
instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding laten
registreren in dat register. In afwijking van de tweede volzin kan het
instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs
eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding
toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.
2.De toets nieuwe opleiding vindt plaats op aanvraag van het
instellingsbestuur.
3.Bij de toets nieuwe opleiding wordt in ieder geval rekening
gehouden met het door het instellingsbestuur verstrekte document
waarin ten minste zijn opgenomen:
a. het opleidingsprogramma,
b. het financieel overzicht waarin inzicht wordt verschaft in
de uitgaven die voor het tot stand brengen van de opleiding
noodzakelijk zijn,
c. een beschrijving van het voor de opleiding benodigde
personeel naar omvang en kwalificatie,
d. de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur
kan worden verleend.
4.Het accreditatieorgaan besluit dat een toets nieuwe opleiding
niet positief is, indien uit de gegevens van de betreffende aanvraag
blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die
geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door
diezelfde instelling, waaraan accreditatie is onthouden.
5.Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van
de aanvraag een besluit. Het besluit waaruit blijkt dat de toets
nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, vervalt na zes
jaar.
6.De artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10 zijn van overeenkomstige
toepassing.
7.Indien voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die
de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het
hoger beroepsonderwijs, een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd
en voor laatstbedoelde opleiding accreditatie is verleend, besluit het
accreditatieorgaan dat voor de masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is
ondergaan. Dit besluit is geldig voor de termijn waarop de
accreditatie betrekking had.
8.Tenzij Onze minister voor een opleiding anders besluit, is dit
artikel niet van toepassing op opleidingen waarvoor de artikelen 7.53
of 7.56 zijn toegepast.
Artikel 5a.12. Gevolgen verlies accreditatie
1.Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van
de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, niet
opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan
studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid
wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling.
De instelling stelt de redelijke termijn vast gedurende welke de
opleiding wordt voortgezet ten behoeve van studenten voor wie het niet
mogelijk is de opleiding aan een andere instelling te voltooien,
indien zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen.
2.Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en
zevende lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot
gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde
termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op
bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens
geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de
registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs,
bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
3.Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en
zevende lid, heeft ten aanzien van een aangewezen instelling tot
gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde
termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als
bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het
Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel
6.13, wordt beëindigd.
4.Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en
zevende lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 5a.1, tweede lid, tot gevolg dat na het verstrijken van de
door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid,
aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en
dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs wordt beëindigd.
5.Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel
5a.11, eerste lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal
register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn,
genoemd in artikel 5a.11, vijfde lid, geen accreditatie is verleend.
6.In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het
belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit
vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld
in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, besluiten dat een bekostigde
instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn
aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste
lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft
verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen
hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
Artikel 5a.12a. Herstelperiode
1. Indien het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet
voldoet aan het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste
lid, kan het eenmaal de geldigheidsduur van het laatstgenomen
accreditatiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe
opleiding met positief gevolg is ondergaan, verlengen met een periode
van ten hoogste twee jaar. Daartoe gaat het accreditatieorgaan over
indien het naar zijn oordeel aannemelijk is dat de opleiding binnen de
gestelde termijn alsnog aan het accreditatiekader voldoet.
2. Het accreditatieorgaan maakt in het besluit tot verlenging van
de geldigheidsduur melding van de te verbeteren aspecten van
kwaliteit. Tevens kan het daarin procedurele voorwaarden opnemen.
3. Artikel 5a.9, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige
toepassing op het besluit tot verlenging.
4. In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het
instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om een
besluit tot vaststelling dat de opleiding alsnog aan het
accreditatiekader voldoet, in ten minste een half jaar voor afloop van
de geldigheidsduur van het besluit tot verlenging van accreditatie.
5. Het besluit van het accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde
lid, geldt met ingang van het moment waarop het accreditatieorgaan de
vaststelling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan. Op het
vaststellingsbesluit is artikel 5a.9, zevende en achtste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Titel 3. Overige bepalingen
Artikel 5a.13 [Vervallen per 01-02-2005]
Artikel 5a.14. Inlichtingen
1.Het accreditatieorgaan verstrekt desgevraagd aan Onze minister
alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen.
2.Onze minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en
bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
nodig is.
Artikel 5a.15. Vernietiging van besluiten
1.Onze minister kan een besluit van het accreditatieorgaan
vernietigen, indien dit besluit is genomen in strijd met het recht of
het algemeen belang.
2.In afwijking van artikel 5a.12, kan Onze minister bij toepassing
van het eerste lid bepalen dat een instelling gedurende een door Onze
minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als
bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, of dat aan de examens een graad
als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in
het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel
6.13, niet wordt beëindigd.
3.Van het vernietigingsbesluit wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 5a.16. Taakverwaarlozing
Indien naar het oordeel van het Comité van Ministers ingevolge
artikel 12 van het Accreditatieverdrag het accreditatieorgaan zijn taak
ernstig verwaarloost, worden die voorzieningen, spoedeisende gevallen
uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het accreditatieorgaan in
de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze minister te stellen
termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod
Artikel 6.1. Reikwijdte
1.De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op
bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.
2.Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op
universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn
aangewezen.
3.Titel 3 heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld
in artikel 7.3b.
Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 6.2. Onderwijsaanbod
1. Het instellingsbestuur legt het voornemen tot het verzorgen van
een nieuwe opleiding ter instemming aan Onze minister voor met het oog
op de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de
instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied
van het hoger onderwijs. Het instellingsbestuur verstrekt daarbij het
gegeven, in welke gemeente de opleiding wordt gevestigd. Artikel 7.17,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen,
bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie.
3. De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding
niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is
geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs,
bedoeld in artikel 6.13.
4. Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de
aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden
meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 6.3 [Vervallen per 26-09-2003]
Artikel 6.4 [Vervallen per 26-09-2003]
Artikel 6.5. Ontneming rechten aan opleidingen
1.Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten,
genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:
a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de
mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger
onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende
opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig
kan worden geacht, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens
deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het
onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of
toelatingseisen.
2.Bij een besluit tot ontneming van rechten bepaalt Onze minister
het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor
de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde
instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke termijn
kunnen voltooien.
Artikel 6.6. Procedure ontneming rechten aan opleidingen
1.Onze minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste
lid, onderdeel a, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het
voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een
afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat.
Onze minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen
aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot
ontneming van rechten op de hoogte.
2.Voordat Onze minister een besluit neemt op de grond, genoemd in
artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b, geeft hij het instellingsbestuur
een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem
plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg
moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
Artikel 6.7 [Vervallen per 01-09-1998]
Artikel 6.8 [Vervallen per 26-09-2003]
Titel 2. Aanwijzing en intrekking aanwijzing van niet bekostigde
instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 6.9. Aanwijzing van instellingen
1.Het besluit tot aanwijzing van een andere dan een in de bijlage
van deze wet genoemde instelling voor hoger onderwijs wordt genomen
door Onze minister.
2.Het besluit tot aanwijzing wordt niet genomen dan nadat ten
genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is
geleverd van voldoende kwaliteit van het initiële onderwijs, alsmede
het bewijs dat wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede
onderscheidenlijk derde lid, bedoelde voorwaarde.
3.Het besluit tot aanwijzing van universiteiten wordt niet genomen
dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur
het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het
wetenschappelijk onderzoek.
4.Het besluit tot aanwijzing kan slechts worden genomen op een
daartoe strekkende aanvraag van het instellingsbestuur.
Artikel 6.10. Ontneming rechten verbonden aan de aanwijzing van
opleidingen
1.Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten,
genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien niet of
niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het
onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.
2.Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de
examens van de desbetreffende opleiding geen graad als bedoeld in
artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal
register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt
beëindigd.
3.Artikel 6.5, tweede lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4.Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid
neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder
bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet
zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan
vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn
gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
Artikel 6.11 [Vervallen per 26-09-2003]
Artikel 6.12. Intrekking aanwijzing instelling
1.Het besluit tot intrekking van de aanwijzing wordt door Onze
minister genomen, indien de instelling geen opleiding die is
geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs,
meer verzorgt.
2.De aanwijzing kan door Onze minister worden ingetrokken, indien
niet meer wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede of derde lid,
bedoelde voorwaarden. Artikel 6.10, vierde lid, is van toepassing.
Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
Artikel 6.12a. Begripsbepalingen titel 3
In deze titel wordt mede begrepen onder:
a. instelling: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1,
tweede lid,
b. instellingsbestuur: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld
in artikel 5a.1, tweede lid, en
c. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, tenzij
anders bepaald.
Artikel 6.13. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
1. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een
systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de
opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd
worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de
bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie
uit het register.
2. [Vervallen.]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de
werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie
uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken
van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop
deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur
vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van
bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover
nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs.
De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van
onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek,
recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts
voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel
lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel
taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het
gebied van de kunst.
4. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke
opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding
verzorgt,
b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk
onderwijs betreft,
c. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe
opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de
geldigheidsduur daarvan,
d. de indeling in het register,
e. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijk
afstudeerprogramma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke
instellingen de opleiding of het afstudeerprogramma wordt
verzorgd,
f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,
g. de studielast,
h. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is
verbonden,
i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft,
waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,
j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,
k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als
bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,
l. de gemeente of de gemeenten waar de opleiding is gevestigd;
m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, eerste
lid, tweede volzin, vastgestelde termijn,
n. de door Onze minister op grond van de artikelen 5a.12,
vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, vastgestelde termijn,
o. indien toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a: de termijn,
bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en het door het
accreditatieorgaan genomen besluit op grond van vijfde lid van dat
artikel,
p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de
opleiding mogelijk is,
q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het
tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het
tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische
fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de
eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer
mogelijk is,
r. indien artikel 5a.9, zevende lid, van toepassing is: de door
het accreditatieorgaan vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede
volzin van dat artikellid.
5. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke
opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:
a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de
opleiding uitgaat, en
b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c, m en
n.
6. Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur
wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn
verstreken.
Artikel 6.14. De registratieprocedure
1. Het instellingsbestuur kan een opleiding na de verlening van
accreditatie aanmelden voor registratie. Het instellingsbestuur kan
een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, aanmelden
voor registratie, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met
positief gevolg heeft ondergaan. In afwijking van de tweede volzin kan
het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die
opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.
2. De aanmelding geschiedt onder vermelding van de gegevens,
bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een
geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het
accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de
aanmelding van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met
positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het
rapport van de toets nieuwe opleiding en bewijst door middel van een
voornemen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of een besluit als
bedoeld in artikel 6.2, derde lid, dat er geen sprake is van een
ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen.
3. Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de
opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte
gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
4. Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het
Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van
Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de
opleiding, stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de
gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te
voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te
herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid,
derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn,
bedoeld in artikel 5a.11, vijfde lid, onderdeel a. Onverminderd
artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register
uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet
of niet volledig heeft ontvangen en indien de herziene indeling naar
het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld
kan worden voor de opleiding.
5. Onze Minister stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk
op de hoogte van een besluit houdende weigering van registratie als
bedoeld in het vierde lid. Indien de weigering gegrond is op de
indeling van de opleiding, maakt Onze minister het besluit houdende
weigering van de registratie bekend en doet daarvan mededeling in de
Staatscourant.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van
de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde en vijfde lid.
Artikel 6.15. Beëindiging registratie
1. Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als
bedoeld in artikel 7.3a indien:
a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de
instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,
b. de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde of
vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, is verstreken,
c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten
dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel
1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel
d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.10 of 6.12
heeft besloten dat de aanwijzing niet betrekking zal hebben op de
opleiding.
2. Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in
artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld
in artikel 7.17a.
3. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt
uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het
eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase
van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de
inschrijving voor de bacheloropleiding dan wel inschrijving voor de
masteropleiding niet meer openstaat.
Titel 4
Artikel 6.16 [Vervallen per 01-09-2002]
Hoofdstuk 7. Onderwijs
Artikel 7.1. Reikwijdte
1.Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en
hogescholen en op de Open Universiteit.
2.De titels 1, 2 en 2a van dit hoofdstuk met uitzondering van
artikel 7.17 hebben betrekking op universiteiten en hogescholen die
ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
3.Artikel 7.10a heeft tevens betrekking op masteropleidingen als
bedoeld in artikel 7.3b.
Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties
Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens
Artikel 7.2. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het
Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden
gebezigd:
a. wanneer het een opleiding met betrekking tot die taal betreft,
b. wanneer het onderwijs betreft dat in het kader van een
gastcollege door een anderstalige docent gegeven wordt, of
c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van
het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe
noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur
vastgestelde gedragscode.
Artikel 7.3. Opleidingen en onderwijseenheden
1.Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de
vorm van opleidingen.
2.Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden,
gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het
gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de
opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan
betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de
beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het
onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder
begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.
3.Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke
onderwijseenheid is een tentamen verbonden.
4.Elke opleiding wordt op de voet van titel 3 van hoofdstuk 6
geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
Artikel 7.3a. Bachelor- en masteropleidingen
1.Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden:
a. bacheloropleidingen, en
b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen,
bedoeld onder a.
2.Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:
a. bacheloropleidingen, en
b. masteropleidingen die door Onze minister als zodanig zijn
aangemerkt.
3.Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt
uitsluitend genomen, indien in een opleiding niet of in onvoldoende
mate is voorzien en de instandhouding van die opleiding wordt
gevorderd door:
a. het belang van het instandhouden van een doelmatig
onderwijsaanbod, en
b. een aantoonbare maatschappelijke behoefte.
Artikel 7.3b. Postinitiële masteropleidingen
Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het
hoger onderwijs onderscheiden:
a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs, en
b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
Artikel 7.3c. Gezamenlijke opleiding of gezamenlijke
afstudeerrichting
1. Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse
instellingen of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een
opleiding of afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het
instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling
onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken
Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de taken en
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a,
derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9, 7.10a, 7.11,
7.12, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a,
9.18, 10.3c en 11.11.
2. Voor andere dan de in het eerste lid bedoelde taken en
bevoegdheden die betrekking hebben op een opleiding of
afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in een overeenkomst
vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de uitoefening
daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen blijven voor de
uitoefening van deze taken en bevoegdheden gezamenlijk
verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden buiten de
instelling.
3. Als een student zich bij een instelling laat inschrijven voor
een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting, wordt die student ook
ingeschreven bij de opleiding van de andere instelling voorzover het
een Nederlandse instelling betreft.
4. Indien een instellingsbestuur als bedoeld in het eerste lid,
tweede volzin, ten aanzien van een ingeschreven student bevoegd is de
hoogte van het collegegeld te bepalen, geldt in het geval die student
ook is ingeschreven bij een buitenlandse instelling voor hoger
onderwijs voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting in de
zin van dit artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het
collegegeld niet het bij of krachtens de wet vastgestelde
minimumbedrag.
Artikel 7.3d. Vrij onderwijsprogramma in het wetenschappelijk
onderwijs
1. Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het
wetenschappelijk onderwijs, kan, met toestemming van de
examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit
onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een
programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig
wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de
eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
2. De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het eerste
lid bedoelde toestemming aan tot welke door de instelling aangeboden
opleiding het door de betrokkene samengestelde programma voor de
toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.
Artikel 7.4. Studielast en studiepunten
1.De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt
door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast
voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten
is gelijk aan 1680 uren studie.
2.Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in
redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de
studievoortgang, genoemd in artikel 10.6, tweede lid, van de Wet
studiefinanciering 2000, of de norm vastgesteld krachtens artikel
10.6, derde lid, van die wet.
Artikel 7.4a. Studielast opleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs
1.De studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs bedraagt 180 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin
kan de studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs ten hoogste 240 studiepunten bedragen, indien Onze minister
voor die opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is
op het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld
in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.
2.Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid
bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs 60 studiepunten.
3.De studielast van de masteropleidingen tot leraar voor de periode
van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs
bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten.
In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen opleidingen als bedoeld
in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180
studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de
opleiding.
4.De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van
tandarts en voor het beroep van wijsgeer van een bepaald
wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.
5.De studielast van de bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt
120 studiepunten.
6.De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts,
voor het beroep van dierenarts, voor het beroep van apotheker en voor
het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten.
7.De studielast van de masteropleidingen geneeskunde, klinisch
onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.
8.Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld
in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
Artikel 7.4b. Studielast opleidingen in het hoger beroepsonderwijs
1.De studielast van een bacheloropleiding in het hoger
beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten.
2.De studielast van een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.
3.Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld
in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
Artikel 7.5 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 7.6. Beroepsvereisten
1.Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een
bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten
aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen
zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven,
draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze
opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten
te voldoen.
2.Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke ten
aanzien van artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen,
dierenartsen, architecten en apothekers zijn neergelegd in richtlijn
nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties (PbEU L 255).
3.Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde
beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de
beroepsuitoefening.
Artikel 7.7. Voltijdse, deeltijdse en duale inrichting van
opleidingen
1.Opleidingen aan universiteiten en hogescholen kunnen voltijds,
deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als
voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen.
2.Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van
onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met
beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Deze
beroepsuitoefening vindt in het wetenschappelijk onderwijs niet plaats
gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien
die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die
opleiding met een studielast van 60 studiepunten. Het gedeelte van een
duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt
aangeduid als onderwijsdeel.
3.De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt
gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs,
bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en
examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten.
4.In de onderwijs- en examenregeling wordt voor een duale opleiding
aangegeven:
a. de minimale studielast van het onderwijsdeel,
b. de tijdsduur van de periode of de gezamenlijke tijdsduur van
de perioden die ten minste in de beroepsuitoefening wordt
doorgebracht, en
c. de minimale studielast van het deel van de opleiding dat
wordt gevormd door de beroepsuitoefening.
5.De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op
basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en
het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De
overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat
met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet
bepaalde ten minste bepalingen over:
a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode
of perioden van de beroepsuitoefening,
b. de begeleiding van de student,
c. dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in artikel 7.13, tweede
lid, onder c, dat de student tijdens de periode of de perioden van
beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan,
en
d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst
voortijdig kan worden ontbonden.
Artikel 7.7a [Vervallen per 25-01-2003]
Artikel 7.8. Propedeutische fase en propedeutisch examen
1.Het instellingsbestuur van een universiteit of van de Open
Universiteit kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs een propedeutische fase instellen.
2.Een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs omvat een
propedeutische fase.
3.Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en
examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen
verbonden.
4.De studielast van de propedeutische fase waaraan een
propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 60 studiepunten. De
studielast van de propedeutische fase van een duale bacheloropleiding
bedraagt 60 studiepunten.
5.De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van
artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van
inzicht in de inhoud van de bacheloropleiding met de mogelijkheid van
verwijzing en selectie aan het eind van die fase.
Artikel 7.8a. Associate-degreeprogramma
1.Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het hoger
beroepsonderwijs een Associate-degreeprogramma instellen.
2.De studielast van het programma bedraagt ten minste 120
studiepunten.
3.De artikelen 7.8b, 7.53, 7.54, 7.56, 7.57b, 7.57c, 7.57d en 7.57g
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase
1.Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of
hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens
eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een
voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting
van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van
een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het
tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.
2.Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies
aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet
met goed gevolg heeft afgelegd.
3.Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het
instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het
instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid
bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste
jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan
slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het
instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke
omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding,
doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het
bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan
de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de
afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende
opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het
instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts
gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de
desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de
mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.
4.Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het
de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een
redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat
bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student
alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden
gehoord.
5.Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt
de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken
instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling
voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur
toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of
tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden
ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen
van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met
vrucht zal kunnen volgen.
6.Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande
leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking
op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid,
alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.
7.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het
instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.
8.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische
fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch
examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden
in de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.9. Verwijzing in postpropedeutische fase
1.Indien een bacheloropleiding na de propedeutische fase meer dan
een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien
van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn
aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student
slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven
afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid
krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van
de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van
elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd
is.
2.Bij de toepassing van het eerste lid baseert het
instellingsbestuur zijn beslissing:
a. op de studieresultaten van de student,
b. op het door de student gevolgde studieprogramma, of
c. op een combinatie van a en b.
Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing
over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.
3.Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid,
onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de
persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het
instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.
4.Bij de weging van het studieprogramma van de student, bedoeld in
het tweede lid, onder b en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de
door de student gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende
aansluiten op de door de student gewenste afstudeerrichting.
5.Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel
nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het
verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de
studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van
programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding,
bedoeld in het vierde lid.
6.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische
fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.9a. Studievoortgangscontrole tempobeurs
1. Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling
ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel
10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de
studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat
artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november,
volgend op het desbetreffende studiejaar.
2. Het instellingsbestuur deelt aan Onze Minister mee welke van de
in het eerste lid bedoelde studenten de norm van de studievoortgang,
bedoeld in artikel 10.6, tweede of derde lid, van de Wet
studiefinanciering 2000, met inachtneming van artikel 10.6 van die
wet, niet hebben behaald. Die mededeling geschiedt voor 1 november,
volgend op het desbetreffende studiejaar.
3. Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid,
informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de
gegevens die aan Onze Minister zijn verstrekt. Daarbij geeft zij
tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000
zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.
Artikel 7.9b [Vervallen per 01-11-2004]
Artikel 7.9ba [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 7.9bb [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens bij studievoortgangscontrole
Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten
onder artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt
het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, over
alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling,
bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid.
Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen
Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand
volgend op de maand waarin een student, bedoeld in artikel 5.7 van de
Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft
afgelegd, daarvan mededeling aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig
met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
Artikel 7.9e. Aanleveren gegevens vrijstelling op grond van artikel
7.31a
Het instellingsbestuur van een op grond van artikel 6.9 aangewezen
instelling doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand
waarin een student op grond van artikel 7.31a vrijstelling heeft
gekregen van het afleggen van tentamens, daarvan mededeling aan Onze
Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het
verzenden daarvan aan de betrokkene.
Artikel 7.9f [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 7.10. Examens en tentamens
1.Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en
de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de
uitkomsten van dat onderzoek.
2.Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische
fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed
gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de
examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een
door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
3.De examencommissie kan, in afwijking van het tweede lid en onder
door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van
een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.
Artikel 7.10a. Verlening van graden
1.Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad
Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een
bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk
het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met
goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding
onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een
masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd
«of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan
voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een
in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de
tweede volzin, worden vastgesteld.
2.Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad
Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een
bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het
afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs heeft afgelegd. Het instellingsbestuur kan voor een
opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit
lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het
eerste lid, tweede volzin, vaststellen.
3.Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede
lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het
afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b,
onder a of b, heeft afgelegd. De tweede volzin van het eerste lid is
van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in
artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in
artikel 7.3b, onder b.
4.Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon,
bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van
het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.
Artikel 7.10b. Verlening van de graad Associate degree
1.Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree aan
degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een
Ad-programma waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde
lid, of een accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde
lid, is genomen.
2.Indien toepassing is gegeven aan artikel 7.10a, tweede lid,
tweede volzin, voegt het instellingsbestuur dezelfde toevoeging toe
aan de graad Associate degree.
3.Artikel 7.11, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7.11. Getuigschriften en verklaringen
1. Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt
door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop
betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt.
2. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt
door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het
getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld:
a. welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in
artikel 6.13, het betreft,
b. welke onderdelen het examen omvatte,
c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is
verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,
d. welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede
lid, is verleend, en
e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is
geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets
nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed
gevolg heeft ondergaan, en
f. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke
afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3b betreft, de naam van
de instelling of, bij een gezamenlijke opleiding, instellingen die
de bedoelde opleiding of afstudeerrichting mede heeft of hebben
verzorgd.
3. De examencommissie voegt aan een getuigschrift van het met goed
gevolg afgelegde afsluitend examen, een supplement toe. Het supplement
heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de
afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid
van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende
gegevens:
a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding
verzorgt,
b. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan
wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft,
c. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, en
d. de studielast van de opleiding.
Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels.
4. Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd
en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het tweede lid kan worden
uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende
examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de
tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.
Artikel 7.12. Examencommissie en examinatoren
1.Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de
organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het
instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding
of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien
van het door de student samengestelde programma is de examencommissie
bevoegd die de in artikel 7.3c, eerste lid, bedoelde toestemming heeft
verleend.
2.Het instellingsbestuur benoemt de leden van de examencommissie
uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs
in die opleiding of opleidingen zijn belast.
3.Ten behoeve van het afnemen van de tentamens wijst de
examencommissie examinatoren aan. Als examinator kunnen slechts worden
aangewezen leden van het personeel die met het verzorgen van het
onderwijs in de desbetreffende onderwijseenheid zijn belast alsmede
deskundigen van buiten de instelling. De examinatoren verstrekken de
examencommissie de gevraagde inlichtingen.
4.De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede
gang van zaken tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat
verband te nemen maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in
het geval van fraude door een student door de examencommissie,
gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten
hoogste één jaar, aan die student het recht wordt ontnomen een of
meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de instelling af
te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen en
aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die
het tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de
uitslag van het tentamen.
Artikel 7.12a. Benoeming en samenstelling examencommissie [Treedt in
werking per 01-09-2010]
1. Het instellingsbestuur stelt de examencommissie in en benoemt de
leden op basis van hun deskundigheid op het terrein van de
desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. Ten minste één
lid is als docent verbonden aan de opleiding of aan een van de
opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort.
2. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onafhankelijk
en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende wordt
gewaarborgd.
3. Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het
instellingsbestuur de leden van de desbetreffende examencommissie.
Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie [Treedt in
werking per 01-09-2010]
1. Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en
7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en
bevoegdheden:
a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens
onverminderd artikel 7.12c,
b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het
kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel
7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast
te stellen,
c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende
examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een
door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel
7.3d te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van
een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke
opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren
voor de toepassing van deze wet, en
d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of
meer tentamens.
2. Indien een student of extraneus fraudeert, kan de
examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de
examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen,
gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten
hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op
voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van
de betrokkene definitief beëindigen.
3. De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de
taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en
d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband
kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen
voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd
hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is
afgelegd.
4. Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een
klacht indient waarbij een examinator betrokken is die lid is van de
examencommissie, neemt de betrokken examinator geen deel aan de
behandeling van het verzoek of de klacht.
5. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
werkzaamheden. De examencommissie verstrekt het verslag aan het
instellingsbestuur of de decaan.
Artikel 7.12c. Examinatoren [Treedt in werking per 01-09-2010]
1. Voor het afnemen van tentamens en het vaststellen van de uitslag
daarvan wijst de examencommissie examinatoren aan.
2. De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde
inlichtingen.
Artikel 7.13. Onderwijs- en examenregeling
1.Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling
aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en
examenregeling vast.
2.In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het
overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:
a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden
examens,
b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding,
c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en
vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de
opleiding moet hebben verworven,
d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,
e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan
deel uitmakende onderwijseenheden,
f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid,
en 7.9, vijfde lid,
g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is
gegeven aan artikel 7.4a, achtste lid,
h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede
de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,
i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de
opleiding,
j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en
het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden
tot het afleggen van de tentamens en examens,
k. waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde
tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die
geldigheidsduur te verlengen,
l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere
wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de
examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,
m. de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte
studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de
tentamens af te leggen,
n. de openbaarheid van mondeling af te nemen tentamens,
behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere
gevallen anders te bepalen,
o. de termijn waarbinnen de uitslag van een tentamen bekend
wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan
worden afgeweken,
p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een
schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn
beoordeelde werk,
q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen
kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het
kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan
de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,
r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed
gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan
wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of
vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een
of meer tentamens,
s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van
tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van
andere tentamens,
t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische
oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het
desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de
examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al
dan niet onder oplegging van vervangende eisen,
u. de bewaking van studievoortgang en de individuele
studiebegeleiding, en
v. de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van
gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid.
3.In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de
doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in artikel
7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een
afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een
masteropleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of
die afstudeerrichting.
4.De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de
desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke
redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het
instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit
overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere
universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt
de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde
lid, wordt gewaarborgd. De overeenkomst behoeft de voorafgaande
instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken
universiteiten.
Artikel 7.14. Beoordeling onderwijs- en examenregeling
Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling
van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de
bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat
daaruit voor de studenten voortvloeit.
Artikel 7.15. Openbaarheid onderwijsaanbod
Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onderwijsaanbod en
andere relevante informatie tijdig openbaar worden gemaakt, zodanig dat
de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen over de inhoud en
de inrichting van het onderwijs en de examens.
Artikel 7.16 [Vervallen per 01-08-2006]
Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding
Artikel 7.17. Vestigingsplaats opleiding
1.Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de
gemeente waar die opleiding blijkens het Centraal register opleidingen
hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is gevestigd.
2.Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een
gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten te vestigen. Hij legt
het voornemen daartoe ter instemming voor aan Onze minister.
3.Onze minister wordt geacht met het voornemen, bedoeld in het
tweede lid, in te stemmen, indien hij niet binnen vier maanden na
ontvangst daarvan heeft verklaard dat aan het voornemen geen
uitvoering kan worden gegeven in verband met een ondoelmatige
spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs die als gevolg
daarvan zou ontstaan.
4.Voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in het
tweede lid overlegt het instellingsbestuur met de daarvoor in
aanmerking komende instellingen.
5.De instemming, bedoeld in het derde lid, vervalt, indien het
instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding niet
binnen zes maanden heeft laten registreren in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
Artikel 7.17a. Opheffing vestigingsplaats opleiding
1.Onze minister kan besluiten dat een opleiding die in twee of meer
gemeenten is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde
gemeente is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die
gemeente, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van
het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan
worden geacht.
2.Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met
ingang waarvan de opleiding niet langer in de in het eerste lid
bedoelde gemeente is gevestigd.
Paragraaf 3. De promoties
Artikel 7.18. Verlening van graad Doctor; toegang en inrichting
promotie
1. Het college voor promoties van een universiteit of van de Open
Universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de
promotie.
2. Tot de promotie heeft toegang ieder die:
a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde
lid, de graad Master is verleend,
b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van
de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een
proefontwerp heeft vervaardigd, en
c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19
bedoelde promotiereglement.
3. In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen
die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat
lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.
4. Voor elke promotie wijst het college voor promoties een
hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt
plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het
college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten
aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende
bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met
inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
5. Voor de toepassing van het vierde lid worden de kerkelijke
hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren
bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die
universiteit.
6. Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of
buitenlandse instellingen de graad Doctor verlenen op grond van een
promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de
uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement.
Artikel 7.19. Promotiereglement; eredoctoraat
1. Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt
het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat
reglement worden geregeld:
a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de
promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder
begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is
of kan worden betrokken,
b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen
die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de
promotie zelf kunnen voordoen, en
c. indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot
artikel 7.18, zesde lid.
2. Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het
instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan
natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen.
Paragraaf 4. Graden en titulatuur
Artikel 7.19a. Graden Bachelor, Master en Associate degree
1.Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend,
is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te
brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel
7.10a, vierde lid.
2.De graad, bedoeld in het eerste lid, en de toevoegingen, bedoeld
in artikel 7.10a, eerste lid, worden als volgt aangeduid:
a. Bachelor: B,
b. Master: M,
c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA,
d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc,
e. Bachelor met een andere toevoeging als bedoeld in artikel
7.10a, eerste lid, derde volzin,
f. Master met de toevoeging «of Arts»: MA,
g. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en
h. Master met een andere toevoeging als bedoeld in onderdeel e.
3.Indien artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin, toepassing heeft
gevonden, worden de afkorting van de desbetreffende graden met
toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld.
4.Degene aan wie op grond van artikel 7.10b de graad Associate
degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen
naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad
is Ad.
5.De graad en de toevoeging worden, afgekort, in de naamsvermelding
achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding,
bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.
Artikel 7.20. Titels ir., mr., drs., ing. en bc.
1.Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in
het wetenschappelijk onderwijs in de eigen naamsvermelding tot
uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:
a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het een
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het
gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied
van de techniek,
b. de titel meester, afgekort tot mr., indien het een
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het
gebied van het recht, of
c. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het een
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop
de onderdelen a en b niet van toepassing zijn.
2.Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in
het hoger beroepsonderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking
te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:
a. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het een
bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft op het
gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied
van de techniek, of
b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het een
bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft waarop
onderdeel a niet van toepassing is.
3.De in het eerste en tweede lid genoemde titels worden, afgekort,
voor de naam geplaatst.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op masteropleidingen,
bedoeld in artikel 7.3b.
5.De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in
de eigen naamsvermelding van een graad als bedoeld in artikel 7.10a en
het voeren van een titel als bedoeld in dit artikel.
Artikel 7.20a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 7.21 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 7.22. Graad Doctor
1.Degene aan wie op grond van de promotie, bedoeld in artikel 7.18,
dan wel ingevolge artikel 7.19, tweede lid, de graad Doctor is
verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot
uitdrukking te brengen.
2.Degene die op grond van het eerste lid gerechtigd is de in dat
lid bedoelde graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te
brengen, is tevens gerechtigd de titel doctor te voeren.
3.De in het eerste lid bedoelde graad wordt, aangeduid als D, in de
naamsvermelding achter de naam geplaatst. De in het tweede lid
bedoelde titel wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.
4.De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in
de eigen naamsvermelding van de graad, bedoeld in het eerste lid, en
het voeren van de titel, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 7.22a. Handhaving titels oude stijl
1.Degenen die op grond van de artikelen 7.20 en 7.22, zoals die
bepalingen op 31 augustus 2002 luidden, gerechtigd waren tot het
voeren van een in de desbetreffende bepalingen genoemde titel, blijven
gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig die artikelen.
2.Degenen die op grond van artikel 7.21, zoals die bepaling op 31
augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel
Master of de titel Bachelor, blijven gerechtigd die titel te voeren
overeenkomstig dat artikel.
Artikel 7.23. Buiten Nederland verkregen graden en titels
1. Degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland
gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en
die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen
naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die
graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te
brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.
2. Degene aan wie op grond van een bij ministeriële regeling
aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor
hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad
in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking
te brengen, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland een
van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren. In de in de eerste
volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke
graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking kan worden gebracht.
3. Onze Minister kan aan degene aan wie op grond van een examen aan
een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een
graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde
ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die
graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in
Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren,
indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend,
naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan een
overeenkomstige Nederlandse opleiding.
4. Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde instelling
voor hoger onderwijs een graad als bedoeld in artikel 7.22 is verleend
en die gerechtigd is op grond daarvan een graad in het desbetreffende
land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is
eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding
tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende
land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen
van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel.
Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen
Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen.
Artikel 7.23a. Begripsbepaling paragraaf 1
In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een
bacheloropleiding.
Artikel 7.24. Vooropleidingseisen
1.Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een
opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als vooropleidingseis het
bezit van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.
2.Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een
opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het
bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of
hoger algemeen voortgezet onderwijs of een diploma van een
middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Met een diploma als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de
toepassing van dit lid gelijkgesteld het diploma van de bij
ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3.Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een
onderwijseenheid behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit
gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving voor een opleiding
of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, staat open
voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
Artikel 7.25. Nadere vooropleidingseisen
1.Bij ministeriële regeling worden het profiel of de profielen,
bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
en het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs betrekking moeten
hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of
groep van opleidingen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen tevens worden aangewezen,
vakken en andere programmaonderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt
van het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld
diploma om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding
of groep van opleidingen, indien het betreft:
a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het
profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere
programmaonderdelen omvat;
b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan
een krachtens het eerste lid aangewezen profiel;
c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel
profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.
3.Bij de ministeriële regeling kunnen vakken en andere
programmaonderdelen worden aangewezen die deel moeten hebben
uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma van een
middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onder d onderscheidenlijk e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs dan wel een bij de ministeriële
regeling, bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, aangewezen
vakopleiding, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding of
groep van opleidingen aan een hogeschool.
4.Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een
diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de
in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt
ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt
voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen
moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande
dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen
voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en
onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de
eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische
fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in die
opleiding met een studielast van 60 studiepunten. De eisen worden
opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
Artikel 7.26. Aanvullende eisen
1.Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een
opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het
onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of
vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het
voortgezet onderwijs of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs” onderscheidenlijk specifieke eisen
stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij
ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in
aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van
toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en
lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.
2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld ten aanzien
van welke opleidingen het eerste lid toepassing kan vinden.
3.Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij
treedt in werking op een tijdstip dat nadat 30 dagen na de overlegging
zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij
binnen die termijn door of namens een der kamers de wens te kennen
wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde
onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de
algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 7.26a. Aanvullende eisen voor opleidingen en
lerarenopleidingen op het gebied van de kunst
1.Bij ministeriële regeling worden voor de opleidingen op het
gebied van de kunst en voor de lerarenopleidingen op het gebied van de
kunst in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs
dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en
extraneï specifieke eisen gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld
in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als
eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde
lid.
2.Met betrekking tot de opleidingen waarop het eerste lid van
toepassing is, stelt het instellingsbestuur ter uitwerking van de in
het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria
vast betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï.
3.Voor elke opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie
in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of
extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het
tweede lid bedoelde criteria. De commissie brengt het
instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit.
4.Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande
student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het
eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria.
Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag
van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat
van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een
bewijs van toelating uit.
Artikel 7.27. Eisen werkkring
Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een
deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen
omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de
opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de
onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.
Artikel 7.28. Vrijstelling op grond van andere diploma’s
1. Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is
verleend, en de bezitter van een met goed gevolg afgelegd
propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs zijn
vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede
lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde
lid. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is
eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk
onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een
verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties
betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137)
heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het
instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde
verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen
betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar
de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens
deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid,
derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26,
7.26a en 7.27.
2. Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel
7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis
aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat
bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig
aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het
derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen
van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde
vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland
afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde
ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het
oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het
in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma,
onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland
afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen
examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen
van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van
voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht
kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens
bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de
voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
3. Indien bij ministeriële regeling eisen als bedoeld in artikel
7.25, eerste, tweede of derde lid, zijn vastgesteld kan de bezitter
van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid geen
examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te
bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond
te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld
in artikel 7.25, betrekking hebben.
4. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een
diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden
ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld
in artikel 7.25, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan
worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de
opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het
derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis
en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het
instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een
aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan
worden van die eisen.
5. De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee
tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en
examenregeling.
Artikel 7.29. Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek
1.Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en
ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan
krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis
vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het
instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van
geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende
beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen
van dat onderwijs.
2.De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de
onderwijs- en examenregeling.
3.Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een
buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft
tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken
van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die
leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in
bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd.
4.Het instellingsbestuur kan ten aanzien van opleidingen op het
gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het
eerste lid genoemde leeftijd.
Artikel 7.30. Postpropedeutische fase
1.Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch
examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed
gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met
goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of
meer andere opleidingen gemeen hebben.
2.Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het
eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in
Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van
het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het
eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland
afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen
dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten
genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd
van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht
kunnen volgen van het onderwijs.
3.Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en
examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste
lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang
, tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend
examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de
desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen
Artikel 7.30a. Toelatingseisen aansluitende masteropleidingen in het
wetenschappelijk onderwijs
1.Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs die in relatie tot een bacheloropleiding is
aangewezen op grond van artikel 7.13, derde lid, geldt als
toelatingseis dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel
7.10a, eerste lid, is verleend, van de desbetreffende
bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aan dezelfde
instelling. Indien op grond van de in de eerste volzin genoemde
bepaling een afstudeerrichting is aangewezen, geldt in afwijking van
de eerste volzin als toelatingseis voor een in die volzin bedoelde
masteropleiding dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel
7.10a, eerste lid, is verleend die betrekking heeft op die
afstudeerrichting. In afwijking van de eerste volzin kan het
instellingsbestuur besluiten dat degene die voor een bacheloropleiding
als bedoeld in die volzin is ingeschreven, toch wordt ingeschreven
voor een masteropleiding als bedoeld in die volzin onder de voorwaarde
dat is voldaan aan bij de onderwijs- en examenregeling van de
desbetreffende masteropleiding te stellen eisen.
2.Het eerste lid heeft ook betrekking op een masteropleiding als
bedoeld in artikel 7.13, vierde lid, tweede volzin.
3.Voor de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in het eerste
en tweede lid van personen aan wie geen graad als bedoeld in het
eerste lid is verleend, geldt als toelatingseis het bezit van een
bewijs van toelating voor die opleiding. Het instellingsbestuur
verstrekt desgevraagd een bewijs van toelating, indien:
a. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur
voor de opleiding vast te stellen eisen, en
b. voorzover het instellingsbestuur het aantal ten hoogste voor
de opleiding in te schrijven personen heeft vastgesteld, dat
aantal niet wordt overschreden.
De onder a bedoelde eisen worden opgenomen in de onderwijs- en
examenregeling. Deze komen overeen met de kwaliteiten op het gebied
van kennis, inzicht en vaardigheden die moeten zijn verworven bij
beëindiging van de bacheloropleiding, bedoeld in het eerste en tweede
lid.
4.Artikel 7.27 is van overeenkomstige toepassing.
5.Het bewijs van toelating, bedoeld in het derde lid, heeft
betrekking op het studiejaar dat gelegen is na het studiejaar waarin
de aanvraag voor dat bewijs is ingediend, tenzij het
instellingsbestuur anders beslist.
Artikel 7.30b. Toelatingseisen overige masteropleidingen
1.Voor de inschrijving voor een andere masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs dan die, bedoeld in artikel 7.30a, eerste
en tweede lid, of voor een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van
toelating voor die opleiding. Artikel 7.30a, derde lid, tweede volzin,
is van toepassing. De door het instellingsbestuur vast te stellen
eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze eisen
hebben uitsluitend betrekking op kennis, inzicht en vaardigheden die
kunnen zijn verworven bij beëindiging van een bacheloropleiding.
2.Artikel 7.30a, vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 7.30c. Toelatingseisen voor masteropleidingen in het
wetenschappelijk onderwijs op het gebied van onderwijs; vrijstelling
daarvan
1.Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van
voorbereidend hoger onderwijs gelden als toelatingseisen dat:
a. aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a,
is verleend, en
b. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te
stellen eisen.
2.Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de
toelatingseis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien uit een
door hem ingesteld onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over
vergelijkbare kennis, inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis
betrekking heeft.
Artikel 7.30d. Toelatingseisen niet van toepassing a.g.v.
Lissabon-afspraken
Op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin,
zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond
van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties
betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een
aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende
de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie
werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van
toepassing:
a. artikel 7.30a, met uitzondering van het derde lid, tweede
volzin, onderdeel b, en de in het derde lid, vierde volzin, bedoelde
kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden,
b. artikel 7.30b, met uitzondering van de in het eerste lid,
vierde volzin, bedoelde eisen op het gebied van kennis, inzicht en
vaardigheden, en
c. artikel 7.30c, met uitzondering van de in het tweede lid
bedoelde kennis, inzicht en vaardigheden.
Artikel 7.30e. Wegnemen tekortkoming bij niet voldoen aan
toelatingseisen
Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in
de artikelen 7.30a tot en met 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan
worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan
voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen
en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.
Artikel 7.31. Bekendmaking procedure; procedureregels
1.Het instellingsbestuur maakt tijdig de procedure bekend, op grond
waarvan de toewijzing van bewijzen van toelating zal plaatsvinden
ingeval het aantal aanvragen voor een bewijs van toelating voor een
masteropleiding het vastgestelde aantal personen, bedoeld in de
artikelen 7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, tweede volzin, zou
overschrijden.
2.Het instellingsbestuur stelt een toelatingsreglement vast.
TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN
HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS
Artikel 7.31a. Vrijstelling op grond van verwante opleidingen in het
beroepsonderwijs
1.In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van
tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke
studielast van 60 studiepunten, degene
a. die in het bezit is van een diploma van een
middenkaderopleiding, een specialistenopleiding of een
vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, voorzover aangewezen bij
ministeriële regeling, en
b. die is ingeschreven voor een bacheloropleiding in het hoger
beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde
ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op
een in onderdeel a bedoelde opleiding.
2.Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het
eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop
aansluitende bacheloropleiding of voor de groep van daarop
aansluitende bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De
regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en
examenregeling.
3.In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur,
indien naar zijn oordeel het niveau van betrokkene op grond van een
aantoonbaar gebrek aan tijdens een opleiding als bedoeld in het eerste
lid, onder a, aangeboden kennis of vaardigheden een vrijstelling van
de in dat lid bedoelde omvang niet toelaat, een vrijstelling van een
geringere omvang verlenen. In dat geval maakt het instellingsbestuur
de omvang en de inhoud van de verleende vrijstelling aan de betrokkene
bekend.
Artikel 7.31b. Toegang tot onderdelen van het afsluitend examen
Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en
examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is
vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende
tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het
afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat
hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met
goed gevolg heeft afgelegd.
Titel 3. Studenten en extraneï
Paragraaf 1. Inschrijving
Artikel 7.32. Algemene bepaling inschrijving
1.Ieder die wenst gebruik te kunnen maken van
onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van
andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling,
dient zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te
laten inschrijven.
2.In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale
opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als
student.
3.De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande
dat de inschrijving aan de Open Universiteit ook kan geschieden voor
een of meer onderwijseenheden.
4.De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele
studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het
studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.
5.De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor
degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel,
indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont
dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een
wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag
waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal
inschrijving wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop
de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving
wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin
van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,
d. vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de
eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal
de inschrijving wordt gewenst, of
e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de
voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming
met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van
een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog
niet is voltooid.
6.Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook
niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt
de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd.
Artikel 7.33. Procedure inschrijving
1. Onverminderd artikel 7.39, geschiedt de inschrijving
overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van
procedurele aard.
2. Aan degene die is ingeschreven, wordt door het
instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn
rechten zijn omschreven.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de in het eerste lid bedoelde
regels.
Artikel 7.34. Rechten inschrijving als student
1.De inschrijving als student geeft het recht:
a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen,
behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een
universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de
artikelen 7.9, eerste lid, 7.30a, derde lid, 7.30b, eerste lid,
7.53, derde lid, of 7.56 anders te beslissen,
b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend
tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die
opleiding,
c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen
en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het
instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het
onderzoek zich daartegen verzet,
d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten
getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open
Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en
e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt
daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die
behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de
deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft
bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een
dergelijke minderheid.
2.Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt
dat bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt,
zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding
aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd
kunnen voltooien.
3.De inschrijving aan de Open Universiteit geeft tevens het recht
het benodigde cursusmateriaal te ontvangen en de daarbij behorende
begeleiding te genieten. Het instellingsbestuur van de Open
Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten
Nederland, regels vast met betrekking tot de in de eerste volzin en de
in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.
4.In afwijking van het eerste lid, onder b, heeft de student,
bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin, niet het recht de
examens van die opleiding af te leggen.
Artikel 7.35 [Vervallen per 01-09-1996]
Artikel 7.36. Rechten inschrijving als extraneus
De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld
in artikel 7.34, eerste lid onder b en c. Artikel 7.34, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.37. Voorwaarden inschrijving
1. De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in
titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b,
vijfde lid, en met dien verstande dat de inschrijving als extraneus
uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het
instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich
daartegen niet verzet.
2. Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs
is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld wordt voldaan, het
verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving
aan de Open Universiteit, het verschuldigde cursusgeld is voldaan.
3. Indien een meerderjarige student of extraneus het collegegeld,
het examengeld of het cursusgeld niet zelf voldoet, wordt niet
overgegaan tot inschrijving dan nadat door de student of extraneus
schriftelijk is verklaard dat hij ermee instemt dat een in die
verklaring vermelde derde namens hem het collegegeld, het examengeld
of het cursusgeld voldoet.
4. Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een
bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een
bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste
periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60
studiepunten wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te
voren met inachtneming van artikel 7.38 en, overeenkomstig bij
ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard,
bij Onze Minister heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling
en de bacheloropleiding waarop de inschrijving betrekking heeft. Onze
Minister levert de aanmeldingsgegevens aan de instelling van eerste
voorkeur.
5. Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat
degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag
en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving
kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de
grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De
weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt
schriftelijk en is met redenen omkleed.
6. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden
geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de
betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik
zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van
die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die
inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft
gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt
schriftelijk en is met redenen omkleed.
7. De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het
vijfde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de
opleiding aan een andere instelling te volgen.
Artikel 7.37a. Afwijkende voorwaarde voor inschrijving in het
studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren
In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor
een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 6 of artikel 8 van
de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing,
eveneens open voor degene die voldoet aan de in die artikelen bedoelde
eisen.
Artikel 7.37b. Aanvullende voorwaarde voor inschrijving in het
studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren
In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor
een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 7 van de
Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, in
voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan een experimenteel
programma, slechts open voor degene die tevens voldoet aan de in dat
artikel bedoelde eisen.
Artikel 7.38. Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij aanmelding
1. Bij de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid, legt de
student mede zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student
aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen,
vindt de aanmelding plaats met inachtneming van het derde lid.
2. Het persoonsgebonden nummer wordt overgelegd door middel van een
van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens
betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het
geslacht van de student zijn vermeld.
3. Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen
persoonsgebonden nummer kan overleggen, verstrekt Onze Minister binnen
acht weken na ontvangst van de aanmelding aan hem zijn
onderwijsnummer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister
uitgegeven en aan de student toegekend persoonsgebonden nummer.
4. Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de
aanmelding aan het bestuur van de instelling van eerste voorkeur van
de student, het persoonsgebonden nummer van de student en de gegevens,
bedoeld in artikel 7.52, tweede lid, voorzover die door de student
zijn verstrekt.
Artikel 7.39. Te verstrekken persoonsgebonden nummer bij inschrijving
1. Bij de inschrijving legt de student of extraneus tevens zijn
persoonsgebonden nummer over. Indien de student of extraneus
aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen,
vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het tweede lid.
Artikel 7.38, tweede lid, is van toepassing.
2. Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen
persoonsgebonden nummer kan overleggen, meldt het instellingsbestuur
binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep de beschikbare
gegevens van de student of extraneus, bedoeld in het eerste lid,
alsmede zijn adres en woonplaats.
3. De Informatie Beheer Groep verstrekt binnen acht weken na
ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid, aan het
instellingsbestuur het burgerservicenummer van de student of
extraneus, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege
een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de
student of extraneus.
4. Het instellingsbestuur neemt het persoonsgebonden nummer van de
student of extraneus op in de administratie van de instelling.
5. Indien aan een student of extraneus een onderwijsnummer is
toegekend en het instellingsbestuur daarna de beschikking krijgt over
zijn burgerservicenummer, neemt het instellingsbestuur dit
burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de
administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer.
Het instellingsbestuur meldt deze wijziging binnen twee weken aan de
Informatie Beheer Groep onder opgave van het burgerservicenummer en
het onderwijsnummer van de student of extraneus.
Artikel 7.40 [Vervallen per 01-09-1996]
Artikel 7.41 [Vervallen per 01-09-1996]
Artikel 7.42. Procedure beëindiging inschrijving
1.Op het verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding
aan een universiteit of hogeschool:
a. wordt de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar
door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand
volgend op die waarin het afsluitend examen van de desbetreffende
opleiding met goed gevolg is afgelegd;
b. wordt in geval van ziekte of bijzondere
familie-omstandigheden, ter beoordeling van het
instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende
studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van
de maand volgend op de tweede hele maand waarin betrokkene niet
aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen;
c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van
inschrijving voor de propedeutische fase van een bacheloropleiding
of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een
bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten
beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand
waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;
d. wordt de inschrijving beëindigd met ingang van de eerste
maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van
de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de
inrichting van de opleiding wat betreft de volgtijdelijkheid van
praktische oefeningen alsmede de momenten waarop deze gevolgd
kunnen worden, gedurende enige tijd geen onderwijs kan volgen;
e. wordt, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de
inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het
instellingsbestuur beëindigd met ingang van de tweede hele maand
volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan.
2.Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met
betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Paragraaf 2. Eigen bijdragen
Artikel 7.43. Collegegeld voor voltijdse opleidingen
1. Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan
een universiteit of hogeschool is een collegegeld verschuldigd van
naar de maatstaf van 1 september 2009 € 1 620,– door degene die
voor de aanvang van het studiejaar de leeftijd van 30 jaren nog niet
heeft bereikt, en die
a. behoort tot een van de groepen van personen, bedoeld in
artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000, of
b. de Surinaamse nationaliteit bezit.
2. Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan
een universiteit of hogeschool is een door het instellingsbestuur vast
te stellen collegegeld verschuldigd door degene die niet onder het
bereik valt van het eerste lid. Het collegegeld bedraagt ten minste
het bedrag, bedoeld in het eerste lid.
3. Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het
studiejaar zorg voor openbaarmaking van de op grond van het tweede lid
vastgestelde bedragen en stelt regels van procedurele aard vast met
betrekking tot de toepassing van dat lid.
4. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de studiejaren
2010–2011 tot en met 2018–2019 jaarlijks verhoogd met € 22 euro.
5. Bij ministeriële regeling wordt het in het eerste lid bedoelde
bedrag na verhoging daarvan overeenkomstig het vierde lid, jaarlijks
geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex. De
ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand
aan het studiejaar waarvoor het geïndexeerde collegegeld zal gelden.
De indexering wordt bepaald door de procentuele wijziging die de
consumentenprijsindex over de maand april, voorafgaand aan de
vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten
opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus
verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het
naastbij gelegen gehele getal. Het overeenkomstig dit lid gewijzigde
bedrag treedt in de plaats van het in het eerste lid bedoelde bedrag.
Hetgeen onder consumentenprijsindex wordt verstaan, wordt geregeld bij
ministeriële regeling.
Artikel 7.43a. Collegegeld voor bepaalde voltijdse opleidingen in het
studiejaar 2005–2006 en de volgende studiejaren
1.Het instellingsbestuur stelt in afwijking van artikel 7.43 voor
een opleiding die of voor een experimenteel programma dat is
aangewezen op grond van artikel 9 van de Experimentenwet
vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, een collegegeld
vast. Het collegegeld bedraagt ten hoogste vijf keer het collegegeld,
bedoeld in artikel 7.43, eerste lid.
2.Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het
studiejaar zorg voor openbaarmaking van het op grond van het eerste
lid vastgestelde bedrag.
3.Indien het eerste lid voor een opleiding toepassing heeft
gevonden, komt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde
collegegeld in de plaats van het collegegeld, genoemd in artikel 7.43,
eerste lid.
4.Artikel 7.43, vierde lid met uitzondering van de vijfde volzin,
is van overeenkomstige toepassing.
5.Artikel 7.47, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 7.44. Collegegeld voor deeltijdse en duale opleidingen
1.Voor de inschrijving als student voor een deeltijdse of duale
opleiding aan een universiteit of hogeschool stelt het
instellingsbestuur het collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten
minste € 567,23.
2.Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.45. Examengeld extraneus
1.Voor de inschrijving als extraneus is een door het
instellingsbestuur vast te stellen examengeld verschuldigd.
2.Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.46. Overige bijdragen
1.De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere
geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43, eerste en tweede lid,
7.44, eerste lid, en 7.45, eerste lid, bedoelde bedragen.
2.In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool
met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de
artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag
verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het
onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke
kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk
bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.
3.Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële
ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede
lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het
instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de
toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële
ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 7.47. Voldoening collegegeld
1.Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door:
a. betaling ineens, dan wel
b. gespreide betaling, overeenkomstig een door het
instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden
te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur
administratiekosten in rekening kunnen worden gebracht. Deze
bedragen ten hoogste € 13,61. In geval van betaling in termijnen
is sprake van ten minste vijf termijnen, die over het hele
studiejaar zijn gespreid.
2.De belanghebbende, bedoeld in de artikelen 7.43, tweede lid, en
7.44, eerste lid, is collegegeld verschuldigd met ingang van het door
het instellingsbestuur te bepalen tijdstip.
Artikel 7.48. Vermindering en vrijstelling wettelijk collegegeld
1.Vermindering of vrijstelling van het collegegeld, bedoeld in
artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze
als omschreven in het tweede tot en met het vierde lid.
2.Het collegegeld wordt met een twaalfde deel voor elke maand dat
betrokkene niet is ingeschreven, verminderd:
a. voor degene die in de loop van het studiejaar wordt
ingeschreven;
b. voor degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een
universiteit of hogeschool, en wiens inschrijving op zijn verzoek
in de loop van het studiejaar door of namens het
instellingsbestuur is beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste
lid, onder b, c, d of e, en die in de loop van hetzelfde
studiejaar opnieuw voor een opleiding wenst te worden
ingeschreven.
3.Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een
universiteit of hogeschool dan wel aan een instelling van
wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 16.21, of degene die
voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of
cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en
die in plaats daarvan, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats
daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en
daarvoor een hoger collegegeld is verschuldigd dan de reeds voldane
bijdrage, is voor de tweede inschrijving een collegegeld verschuldigd,
dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het
bedoelde, hogere collegegeld.
4.Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een
universiteit of hogeschool dan wel een instelling van wetenschappelijk
onderwijs als bedoeld in artikel 16.21, of degene die voor het volgen
van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld
verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die
daarnaast, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in
hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven, voor welke
inschrijving een collegegeld is verschuldigd, dat lager is dan of
gelijk is aan de reeds voldane bijdrage, wordt voor de tweede
inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld.
Artikel 7.49. Terugbetaling wettelijk collegegeld
1.Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43,
eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven
in het tweede tot en met vierde lid.
2.Met ingang van de maand waarin de student, bedoeld in artikel
7.42, eerste lid, onder a, is uitgeschreven, wordt hem op zijn
schriftelijk verzoek voor elke maand die in dat studiejaar nog
resteert, een tiende gedeelte van het betaalde collegegeld
terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer
opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid. Voor de
toepassing van dit artikellid tellen de laatste twee maanden van het
studiejaar niet mee.
3.Indien de inschrijving van degene op wiens schriftelijk verzoek
in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur
wordt beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d
of e, wordt met ingang van de maand waarin de inschrijving wordt
beëindigd, voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een
twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij
deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als
bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid.
4.Indien een student in de loop van het studiejaar is overleden,
wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens
overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld
terugbetaald.
5.De in dit artikel bedoelde terugbetaling geschiedt overeenkomstig
door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele
aard.
Artikel 7.49a. Terugbetaling collegegeld voor bepaalde voltijdse
opleidingen
1.Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43a,
vindt plaats in het geval en op de wijze als omschreven in het tweede
tot en met vijfde lid.
2.Indien een student of extraneus aannemelijk kan maken dat een
opleiding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Experimentenwet
vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing waarvoor hij is
ingeschreven, in voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan
een experimenteel programma, niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld
in het tweede lid van dat artikel, dan wel niet of niet volledig
beantwoordt aan de eisen die aan die opleiding in verband met het
hogere collegegeldbedrag redelijkerwijs kunnen worden gesteld, heeft
hij naar rato van het vastgestelde collegegeldbedrag aanspraak op
terugbetaling van ten hoogste vier keer het collegegeld, bedoeld in
artikel 7.43.
3.De aanvraag om terugbetaling van collegegeld wordt schriftelijk
en voorzien van een motivering bij het instellingsbestuur ingediend.
4.Het instellingsbestuur zendt de student binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag een beslissing daarop.
5.Artikel 7.49, vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 7.50. Cursusgeld Open Universiteit
1.Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt het voor
een inschrijving verschuldigde cursusgeld vast. Bij de vaststelling
van de bedragen houdt het instellingsbestuur rekening met de
toegankelijkheid van het onderwijs aan de Open Universiteit.
2.Het instellingsbestuur stelt een regeling vast, waarin een
voorziening in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling ten aanzien
van het cursusgeld wordt getroffen, ten behoeve van personen waarvan
de draagkracht uit inkomen beneden een door Onze minister te bepalen
grens ligt. De hoogte van de vrijstelling is afhankelijk van het
inkomen van de betrokkene.
3.Het instellingsbestuur draagt zorg voor openbaarmaking van de
cursusgelden, bedoeld in het eerste lid, en van de regeling, bedoeld
in het tweede lid. Deze openbaarmaking geschiedt in elk geval door
plaatsing in de Staatscourant.
4.Het instellingsbestuur zendt de regeling, bedoeld in het tweede
lid, binnen veertien dagen na de vaststelling aan Onze minister en
brengt jaarlijks voor 1 juli verslag uit aan Onze minister over de
uitvoering van de regeling.
Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeerfonds)
1.Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft
voorzieningen ter financiële ondersteuning van de student ten aanzien
van wie zich ieder van de navolgende feiten voordoet:
a. de student is aan de desbetreffende instelling ingeschreven
voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met
goed gevolg heeft afgelegd,
b. de student geniet of heeft in verband met het volgen van de
opleiding, bedoeld onder a, dan wel het volgen van dezelfde
opleiding aan een andere instelling, studiefinanciering op de voet
van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de
studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet
studiefinanciering 2000 genoten,
c. in de periode waarin met het oog op het volgen van een
opleiding aan een in de bijlage van deze wet onder a tot en met g
opgenomen instelling studiefinanciering op de voet van de
artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering
dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering
2000 werd genoten, doen zich een of meer, in het tweede lid
genoemde, bijzondere omstandigheden voor of hebben deze zich
voorgedaan, en
d. de in onderdeel c bedoelde bijzondere omstandigheden hebben
tot studievertraging geleid of zullen dat naar verwachting doen.
2.De bijzondere omstandigheden van de student die bij de toepassing
van het eerste lid in aanmerking worden genomen zijn:
a. ziekte of zwangerschap;
b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;
c. bijzondere familieomstandigheden;
d. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap,
van:
1°. bij universiteiten: de universiteitsraad, de
faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de
medezeggenschapregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid,
of artikel 9.51, tweede lid, het bestuur van een opleiding of
een opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting
die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van
voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan
wel van een daarmee naar het oordeel van het
instellingsbestuur, gelet op de taak, gelijk te stellen
orgaan;
2°. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, de deelraad,
een studentencommissie of opleidingscommissie, alsmede het
bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel
heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de
studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het
oordeel van het instellingsbestuur, gelet op haar taak, gelijk
te stellen orgaan;
e. andere door het instellingsbestuur te bepalen omstandigheden
waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de
organisatie en het bestuur van de instelling;
f. ter beoordeling van het instellingsbestuur: het lidmaatschap
van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met
volledige rechtsbevoegdheid;
g. een onvoldoende studeerbare opleiding;
h. verlies van accreditatie van de opleiding waaraan de student
is ingeschreven;
i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde
omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om
financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou
worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard.
3.Het instellingsbestuur deelt de student schriftelijk de
beslissing op de aanvraag om toekenning van financiële ondersteuning
zo spoedig mogelijk mede, nadat de student een bijzondere
omstandigheid heeft aangemeld. De financiële ondersteuning wordt de
student zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld of op een ander,
door de student te bepalen tijdstip.
4.De omvang van de financiële ondersteuning is gelijk aan de
studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3
van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien
hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.
5.Bij de vaststelling van de tijdsduur van de financiële
ondersteuning wordt het verband tussen de bijzondere omstandigheden,
bedoeld in het tweede lid, en de onderwijsprogrammering in aanmerking
genomen. Het instellingsbestuur kan aan de beschikbaarstelling van de
voorziening de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk
studerende is. Het instellingsbestuur kan aan toekenning van
financiële ondersteuning op grond van de bijzondere omstandigheden,
bedoeld in het tweede lid, onder e en f, voorwaarden verbinden. Het
instellingsbestuur stelt regels betreffende de voorwaarden, bedoeld in
de derde volzin.
6.De omvang en de duur van een aan een student aan de
desbetreffende instelling eerder toegekende aanspraak op financiële
ondersteuning op grond van dit artikel zoals dat luidde op 31 augustus
2000 worden geëerbiedigd, indien deze gunstiger voor de student zijn
dan bij toepassing van dit artikel. De student die een opleiding aan
een andere, in de bijlage van deze wet onder a tot en met g opgenomen
instelling heeft gevolgd, en op grond van dit artikel een eerder
toegekende aanspraak op financiële ondersteuning heeft of zou hebben
gehad, indien hij daarom zou hebben verzocht, heeft, met inachtneming
van de eerste volzin, aanspraak op financiële ondersteuning als ware
die opleiding genoten aan de instelling waaraan de student is
ingeschreven.
7.Onze minister treft voorzieningen ter financiële ondersteuning
van een student die gedurende een maand of langer deelneemt aan een
beoordeling als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, of een student
die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige
omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de
behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de
voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de voorwaarden vastgesteld
waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.
Artikel 7.51a. Financiële ondersteuning studenten (studiefonds)
1.Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële
voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.8,
tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000 geen
aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3
van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld
in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang
dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze
voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere
financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering
zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.8, tweede lid,
onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat
de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op
een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de
studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van
artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is
verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het
afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.
2.Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële
voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6
van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op
prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding
waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, achtste lid, heeft
toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een
slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij
studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel
5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de
voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal
opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt
met de studielast van de masteropleiding, die uitgaat boven het aantal
van 60 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg
het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.
3.Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast
voor de toepassing van dit artikel.
Paragraaf 3. Centraal register inschrijving hoger onderwijs
Artikel 7.52. Centraal register inschrijving hoger onderwijs
1. Er is een Centraal register inschrijving hoger onderwijs, dat
ten doel heeft:
a. de instellingsbesturen, dat van de Open Universiteit
daaronder niet begrepen, op hun verzoek de noodzakelijke
informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen
te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een
instelling,
b. Onze Minister op diens verzoek ten behoeve van beslissingen
op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te
verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg
hebben afgelegd van het afsluitend examen, en
c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie
te verstrekken ten behoeve van de planning en bekostiging van de
instellingen.
2. Gegevens, opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger
onderwijs, waaraan informatie herleidbaar tot natuurlijke personen,
kan worden ontleend, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan de
geregistreerde personen zelf of hun gemachtigden, alsmede aan de in
het eerste lid bedoelde instellingsbesturen. Aan burgemeester en
wethouders, onderscheidenlijk aan de Sociale verzekeringsbank, worden
kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in
jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet.
Tevens worden desgevraagd aan het Centraal bureau voor de statistiek
gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn
taak, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau voor de
statistiek. Voorts kunnen desgevraagd aan andere door Onze Minister
aan te wijzen instanties gegevens als bedoeld in de eerste volzin
worden verstrekt uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen
onderzoeksdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register,
kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door Onze Minister aan te
wijzen instanties.
3. Van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs is Onze
Minister verantwoordelijke in de zin van artikel 1 van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
4. Onze Minister kan ten behoeve van het Centraal register
inschrijving hoger onderwijs gebruikmaken van het burgerservicenummer,
bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering
van de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Algemene Kinderbijslagwet
en de Wet studiefinanciering 2000.
5. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen stellen
het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor een
door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen
datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van elke door hen
genomen beslissing met betrekking tot de inschrijving als student of
extraneus de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in artikel
7.9a, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg
hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De
instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen zijn gehouden
medewerking te verlenen aan procedures die er op zijn gericht te
bevorderen dat de in het Centraal register inschrijving hoger
onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk juist en volledig zijn.
Onze minister kan terzake nadere regels stellen.
Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving
Artikel 7.52a. Begripsbepalingen paragraaf 4
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. opleiding: een bacheloropleiding, en
b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die
fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding
met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.53. Beperking eerste inschrijving op grond van beschikbare
onderwijscapaciteit
1. Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten
vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden
ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende
opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1
december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor
de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan
mededeling aan Onze Minister. Voor een opleiding die na deze datum
voor de eerste maal is opgenomen in het register, bedoeld in artikel
6.13, en waarvan het onderwijs zal aanvangen met ingang van het
daaropvolgende studiejaar, geldt 1 april als uiterste datum voor de
mededeling aan Onze Minister van de onderwijscapaciteit van die
opleiding.
2. Indien uit de gegevens betreffende de aanmelding, bedoeld in
artikel 7.37, vierde lid, blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen
van studenten voor de propedeutische fase van een opleiding meer
bedraagt dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond
van het eerste lid heeft vastgesteld, doet Onze Minister daarvan voor
1 april mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur
deelt Onze Minister voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het aantal
plaatsen te verhogen. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen
als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid.
3. Indien ook na toepassing van het tweede lid bij een of meer
instellingen die de desbetreffende opleiding verzorgen, het aantal
aanmeldingen op 1 mei het aantal plaatsen overtreft, stelt Onze
Minister vast dat een toelatingsbeperking van kracht is, waarna
paragraaf 4a van deze titel wordt toegepast.
4. Indien het instellingsbestuur in de verwachting verkeert dat het
aantal inschrijvingen voor een opleiding meer zal bedragen dan het
aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid
heeft vastgesteld, is, in afwijking van de procedure van het tweede en
derde lid, eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van
kracht en wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits
het instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft
aangemeld bij Onze Minister.
5. Indien een besluit ingevolge artikel 7.56 van toepassing is op
de opleiding, blijft dit artikel buiten toepassing.
Artikel 7.54. Beperking inschrijving voor de postpropedeutische fase
1.Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de
onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een
opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is
vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving,
besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die
opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn
geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.
2.In dit artikel wordt, indien in een opleiding geen propedeutische
fase is ingesteld, onder «postpropedeutische fase» mede verstaan de
fase in een bacheloropleiding die volgt op de eerste periode in een
opleiding met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.54a
[Door vernummering vervallen.]
Artikel 7.55. Beperking inschrijving OU op grond van beschikbare
organisatorische en technische capaciteit
Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de
inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of
onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische
en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of
onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming
van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de
inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende
opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast
te stellen regels van procedurele aard.
Artikel 7.56. Beperking inschrijving universiteiten en hogescholen op
grond van de behoefte van de arbeidsmarkt
1.Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding
de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te
overtreffen of daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting
gedurende een reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij
ministeriële regeling worden vastgesteld:
a. het aantal personen dat voor de twee daaropvolgende
studiejaren ten hoogste voor de eerste maal kan worden
ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende
opleiding aan al de universiteiten of hogescholen waaraan deze is
verbonden, en
b. de verdeling van dat aantal over elk van de onder a bedoelde
instellingen, waarbij in geval van door hogescholen verzorgde
lerarenopleidingen binnen het voor een instelling vastgestelde
aantal onderscheid kan worden gemaakt tussen voltijdse, duale en
deeltijdse opleidingen. Bij de verdeling wordt het door alle
betrokken instellingen gezamenlijk gedane voorstel gevolgd. Dit
voorstel wordt gedaan binnen twee maanden nadat Onze minister aan
de desbetreffende instellingen en aan de beide Kamers der
Staten-Generaal heeft bekendgemaakt dat hij het voornemen heeft
een ministeriële regeling vast te stellen. Blijft een dergelijk
voorstel achterwege dan wordt zoveel mogelijk een evenredige
spreiding over de afzonderlijke instellingen naar rato van het
gemiddelde aantal over de voorafgaande drie jaren voor de eerste
maal voor de propedeutische fase ingeschreven studenten in acht
genomen. Indien de instelling de opleiding voor het tweede of het
derde jaar verzorgt heeft het gemiddelde aantal betrekking op het
eerste, onderscheidenlijk het eerste en tweede jaar dat de
opleiding is verzorgd.
2.Indien op grond van het eerste lid een toelatingsbeperking is
vastgesteld, wordt paragraaf 4a van deze titel toegepast.
3.Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt
uiterlijk vastgesteld op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het
studiejaar waarin deze regeling voor het eerst van toepassing is.
Artikel 7.56a [Vervallen per 01-12-2002]
Artikel 7.57. Identificatie opleidingen
Voor de toepassing van deze paragraaf en de artikelen 7.57d en 7.57f,
vierde en vijfde lid, gelden door universiteiten onderscheidenlijk
hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde
opleidingen. Voor de toepassing van de artikelen 7.56, 7.57d en 7.57f,
vierde en vijfde lid, gelden bovendien door universiteiten
onderscheidenlijk hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen
als dezelfde opleidingen.
Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen
met een toelatingsbeperking
Artikel 7.57a. Algemeen
1. De eerste inschrijving van een student voor de propedeutische
fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit of een
hogeschool, waarvoor op grond van paragraaf 4 van deze titel een
toelatingsbeperking van kracht is, geschiedt slechts met inachtneming
van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf, onverminderd het
bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.
2. De inschrijving geschiedt niet dan na overlegging van een door
Onze Minister afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens
deze paragraaf anders is bepaald.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. selectieprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen
7.57b tot en met 7.57e;
b. lotingsprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen
7.57b, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder b tot en met e,
derde en vierde lid, en 7.57c, tweede en derde lid;
c. opleiding: een bacheloropleiding;
d. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die
fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding
met een studielast van 60 studiepunten.
4. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld in
verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van
toelating.
Artikel 7.57b. Voorbereiding afgifte bewijzen van toelating
1. Onze Minister deelt degenen die op grond van artikel 7.24,
eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan
de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen
in.
2. De in het eerste lid bedoelde klassen hebben als grenzen:
a. hoger dan of gelijk aan 8,
b. lager dan 8 maar hoger dan of gelijk aan 7,5,
c. lager dan 7,5 maar hoger dan of gelijk aan 7,
d. lager dan 7 maar hoger dan of gelijk aan 6,5 en
e. lager dan 6,5.
De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.
3. De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid,
van degenen die een onderwijsvorm hebben afgerond waaraan geen
cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
4. Onze Minister deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28
of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid,
bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het
tweede lid onder c, in.
5. Onze Minister deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten
uit de Nederlandse Antillen en Aruba in de klasse, bedoeld in het
tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en
het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen,
wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a,
vierde lid.
Artikel 7.57c. Afgifte bewijzen van toelating
1. Onze Minister verstrekt een bewijs van toelating aan degenen die
zijn ingedeeld in de klasse, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid,
onder a.
2. Onze Minister verstrekt aan degenen die in de lotingsklassen,
bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, zijn
ingedeeld, en die door het lot zijn aangewezen, een bewijs van
toelating.
3. Bij de loting, bedoeld in het tweede lid, verhouden de
inlotingskansen, voorzover kleiner dan honderd procent, zich voor de
in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, bedoelde
lotingsklassen als respectievelijk 9 : 6 : 4 : 3.
4. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde
lid, kan worden bepaald dat Onze Minister ten hoogste een in die
regeling vast te stellen percentage van het aantal plaatsen per
opleiding kan toewijzen aan gegadigden jegens wie uitloting een
onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
Artikel 7.57d. Afgifte bewijzen van toelating voor dezelfde opleiding
aan meer dan een universiteit
1. Indien een opleiding door meer dan één universiteit wordt
verzorgd, wordt de selectieprocedure voor die opleidingen gezamenlijk
uitgevoerd. Daarbij worden de artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met
inachtneming van het tweede en derde lid. De gegadigden delen aan Onze
Minister de volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.
2. Onze Minister bepaalt, zoveel mogelijk rekening houdend met de
voorkeur van de aanstaande student, doch overigens aan de hand van het
lot voor welke universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel
7.57c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan ten hoogste vijf procent van het aantal
plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van
het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor
dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste
voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou
opleveren.
Artikel 7.57e. Selectie door instellingen
1. Een instellingsbestuur kan een door hem te bepalen percentage
van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hem
zelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over
bijzondere kwalificaties. Dat percentage is aan een maximum gebonden,
doordat:
a. in elk geval ten minste de helft van het aantal
opleidingsplaatsen dient te worden toegewezen door toepassing van
artikel 7.57c, tweede lid,
b. op dat percentage tevens in mindering wordt gebracht het
aantal gegadigden dat een bewijs van toelating ontvangt door
toepassing van artikel 7.57c, eerste lid.
2. Indien het instellingsbestuur toepassing geeft aan het eerste
lid, maakt het
a. de bijzondere kwalificaties die het in aanmerking wil nemen,
b. eventuele nadere selectiecriteria,
c. regels van administratieve aard, voorzover niet
voortvloeiend uit het vierde lid,
d. het door hem te bepalen percentage, bedoeld in het eerste
lid, en
e. de beslissing of gegadigden één, twee dan wel drie maal
tot deelname aan de selectieprocedure zullen worden toegelaten,
tijdig bekend.
3. Tot de bijzondere kwalificaties, bedoeld in het eerste en tweede
lid, behoren niet de behaalde eindexamencijfers.
4. De gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor de selectie,
bedoeld in het eerste lid, wordt op zijn verzoek door Onze Minister
aan het desbetreffende instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan
de lotingsprocedure blijft deelnemen.
5. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde
lid, worden nadere voorschriften opgenomen voor de toepassing van dit
artikel.
Artikel 7.57f. Beperkingen van deelname aan de selectieprocedure
1. Indien krachtens artikel 7.25 nadere vooropleidingseisen zijn
gesteld, kan aan de selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen
door degene die ten genoegen van Onze Minister het bewijs levert, dat
door hem uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in
artikel 7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt
voldaan.
2. Indien na toepassing van het eerste lid blijkt dat bij een of
meer instellingen die toepassing hebben gegeven aan artikel 7.25,
vierde lid, tweede volzin, nog plaatsen beschikbaar zijn, vindt, in
afwijking van het eerste lid, alsnog selectie plaats van degenen die
zich overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 7.37, vierde lid,
hebben aangemeld, doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25
gestelde nadere vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met
toepassing van artikel 7.57c, eerste lid, en met overeenkomstige
toepassing van de lotingsprocedure. In de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van
dit lid nadere regels worden gesteld.
3. Degene die heeft deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een
bepaalde opleiding en geen bewijs van toelating heeft verkregen, kan
nadien nog ten hoogste twee maal aan de lotingsprocedure voor die
opleiding deelnemen.
4. Bij de toepassing van het tweede lid telt deelname aan de
lotingsprocedure voor het studiejaar 1998–1999 of eerdere
studiejaren niet mee. Bovendien telt deelname aan de lotingsprocedure
voor het studiejaar 1999–2000 niet mee voor degene die voor dat
studiejaar voor de eerste maal aan de lotingsprocedure voor dezelfde
opleiding heeft deelgenomen.
5. Aan de selectieprocedure kan niet worden deelgenomen door degene
die voor een opleiding is ingeschreven of in enig studiejaar was
ingeschreven en inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een
andere instelling.
Artikel 7.57g. Afwijkende bezwaar- en reactietermijnen
In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet
bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een
bezwaarschrift tegen een besluit van Onze Minister inzake afgifte van
een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van
het bezwaarschrift voor de beslissing van Onze Minister.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 7.57h. Huisregels en ordemaatregelen
Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen
met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen
van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de
bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en
terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar
wordt ontzegd.
Artikel 7.57i. Ondersteuning ter bevordering van goede doorstroming
van hoger beroepsonderwijs naar een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs
De onderwijs- en examenregelingen van de betreffende hogescholen en
universiteiten regelen de wijze waarop aan degene die met goed gevolg
het afsluitend examen, verbonden aan een verwante bacheloropleiding in
het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd, door het instellingsbestuur
ondersteuning wordt geboden ter bevordering van een goede doorstroming
naar een verwante masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 7.58. Afgifte getuigschrift
1.Degene die een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 wenst te
verkrijgen, dient overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te
stellen regels een verzoek in, ertoe strekkende dat door dit bestuur
wordt verklaard, dat het getuigschrift kan worden afgegeven.
2.Bij het verzoek worden overgelegd:
a. de bewijzen van met goed gevolg afgelegde tentamens,
b. het bewijs dat is voldaan aan de bij de onderwijs- en
examenregeling gestelde verplichting betreffende het deelnemen aan
praktische oefeningen, en
c. de desbetreffende bewijzen van inschrijving.
3.Ingeval de in het tweede lid bedoelde bewijzen van inschrijving
niet worden overgelegd, kan het instellingsbestuur beslissen dat de
verzochte verklaring wordt afgegeven, maar niet dan nadat het in
verband met de inschrijving voor de desbetreffende onderwijseenheden
verschuldigde collegegeld, examengeld onderscheidenlijk cursusgeld is
voldaan.
4.Een examencommissie geeft geen getuigschrift af dan nadat het
instellingsbestuur heeft verklaard dat het getuigschrift kan worden
afgegeven.
Artikel 7.59. Studentenstatuut
1.Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt
dit bekend.
2.Het instellingsbestuur reikt aan iedere student bij de eerste
inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut uit. Indien
noodzakelijk reikt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor
een volgend studiejaar het studentenstatuut uit.
3.Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek deel en een
instellingsspecifiek deel.
4.Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende
faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden,
waaronder in ieder geval worden begrepen:
1°. informatie over de opzet, organisatie en uitvoering
van het onderwijs,
2°. de studentenvoorzieningen, en
3°. de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding,
b. de vastgestelde onderwijs- en examenregeling, bedoeld in
artikel 7.13, eerste lid, en
c. een beschrijving van procedures die in aanvulling op de
procedures, bedoeld in het vijfde lid onder b ten 2°, op de
opleiding van toepassing zijn.
5.Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de
studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de
wet, en
b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van
studenten te beschermen, waarin worden opgenomen:
1°. een beschrijving van de procedures voor bezwaar en
beroep binnen de instelling, alsmede van de beroepsrechten die
kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke
regelingen, en
2°. een beschrijving van aanvullende procedures ter
bescherming van de rechten van studenten die door het
instellingsbestuur worden getroffen.
Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï
Paragraaf 1. College van beroep voor de examens
Artikel 7.60. College van beroep voor de examens
1. Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een college van
beroep voor de examens.
2. Het college van beroep heeft drie of vijf leden. Het aantal
plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden. Het
college houdt voltallig zitting.
3. Het college kan besluiten kamers in te stellen. Indien het
college daartoe besluit, bestaat het college uit ten minste zes en ten
hoogste vijftien leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet
groter dan het aantal leden. Elke kamer heeft drie of vijf leden. Zij
houdt voltallig zitting.
4. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en
de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden door
het instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en
ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor een
termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden en
plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het instellingsbestuur
of van de inspectie. Buiten de voorzitter bestaat het college voor
tenminste de helft uit docenten, onderscheidenlijk leden van de
wetenschappelijke staf.
5. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters
moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk
ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren.
6. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden
van het college van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de
leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van
de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van
ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede
indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de
derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het
voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid
geboden zich terzake te doen horen.
Artikel 7.61. Bevoegdheid college van beroep voor de examens
1. Een betrokkene kan beroep instellen bij het college van beroep
voor de examens tegen:
a. beslissingen als bedoeld in de artikelen 7.8b, derde en
vijfde lid, 7.9, eerste lid, en 16.6a, derde lid,
b. beslissingen inzake vaststelling van het aantal behaalde
studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.9a of 7.9b, alsmede
beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het
afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d,
c. beslissingen inzake de omvang van de vrijstelling, bedoeld
in artikel 7.31a, derde lid,
d. beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking,
genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit
hoofdstuk, met het oog op de toelating tot examens,
e. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek,
bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, en 7.28, vierde lid,
f. beslissingen van examencommissies en examinatoren,
g. beslissingen van commissies als bedoeld in artikel 7.29,
eerste lid, en
h. beslissingen, genomen op grond van de artikelen 7.30a en
7.30b met het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde
opleidingen.
2. Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in
afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden
ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.
3. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat
de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht, vier weken.
4. Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college
van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is
gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of
een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare
instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet
bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van
een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde
toezending aan de desbetreffende examencommissie. Het desbetreffende
orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder
overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke
uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet
mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in
behandeling genomen.
5. Het college van beroep beslist binnen tien weken gerekend vanaf
de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het
beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in
afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
6. Indien het college van beroep het beroep gegrond acht,
vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is
niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde
beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare
instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet
bestuursrecht. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is
geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen,
het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig
onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van
beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is
vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met
inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college
kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.
7. Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het
college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van
de indiener van het beroepschrift, onverminderd het bepaalde in
artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het
desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben
gehoord, althans te hebben opgeroepen.
Artikel 7.62. Reglement van orde
1.Het college van beroep voor de examens stelt een reglement van
orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:
a. de omvang en samenstelling van het college van beroep,
b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling
van de werkzaamheden over de verschillende kamers,
c. de zittingstermijn van de leden en eventuele
plaatsvervangende leden van het college van beroep,
d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend
lidmaatschap van het college van beroep eindigt,
e. de in artikel 7.61, vierde lid, bedoelde procedure en de
gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten,
f. de wijze waarop in het secretariaat van het college van
beroep wordt voorzien, alsmede
g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
2.Het reglement van orde alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de
instemming van het instellingsbestuur.
Artikel 7.63. Inlichtingenplicht
De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de
instelling verstrekken aan het college van beroep voor de examens de
gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig
oordeelt.
Paragraaf 2. College van beroep voor het hoger onderwijs
Artikel 7.64. College van beroep voor het hoger onderwijs
1.Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd
te 's-Gravenhage.
2.Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven
leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het
aantal leden.
3.Het college van beroep houdt zitting in kamers van drie of vijf
leden.
Artikel 7.65. Benoeming en ontslag leden en plaatsvervangende leden
1. De leden en de plaatsvervangende leden van het college van
beroep voor het hoger onderwijs worden benoemd voor een termijn van
ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. De benoeming geschiedt bij
koninklijk besluit.
2. De voorzitter van het college van beroep wordt bij koninklijk
besluit aangewezen uit de leden. Bij verhindering of ontstentenis van
de voorzitter wordt deze vervangen door een plaatsvervangende
voorzitter overeenkomstig het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde
reglement van orde. De leden en de plaatsvervangende leden moeten
voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk
ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren. De voorzitter van een kamer wordt door het college van
beroep aangewezen uit de leden. De tweede volzin is van toepassing.
3. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden
van het college van beroep bij koninklijk besluit ontslag verleend.
Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren wordt hun bij
koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende
maand. Zij worden bij koninklijk besluit ontslagen indien zij uit
hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn hun functie te
vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op
grond van het in de voorgaande volzin bepaalde wordt verleend, wordt
de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt
hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.
4. De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de
plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te
nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze
Minister van Financiën.
5. Het college van beroep wordt bijgestaan door een bezoldigd
secretaris, die bij koninklijk besluit wordt benoemd. Aan de
secretaris kan Onze minister een of meer ambtenaren toevoegen.
Artikel 7.66. Bevoegdheid college van beroep voor het hoger onderwijs
1.Het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt bij
uitsluiting, voorzover niet op grond van artikel 7.61, eerste lid,
beroep openstaat op een college van beroep voor de examens, dan wel
niet op grond van artikel 7.68 beroep openstaat op een college van
beroep voor het bijzonder onderwijs, over het beroep dat door een
betrokkene is ingesteld tegen:
a. beslissingen genomen op grond van het bepaalde bij of
krachtens titel 2 van dit hoofdstuk met het oog op inschrijving,
b. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond
van het bepaalde bij of krachtens titel 3 van dit hoofdstuk, en
c. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond
van artikel 17.10.
2.Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1,
eerste en tweede lid, en 8:13.
3.Het college van beroep stelt ten behoeve van zijn werkzaamheden
een reglement van orde vast waarin in elk geval de splitsing in kamers
en de verdeling van werkzaamheden voor de verschillende kamers worden
geregeld alsmede de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
4.Tegen uitspraken van het college van beroep staat generlei beroep
open.
5.De besturen van de instellingen verstrekken aan het college van
beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak
nodig oordeelt.
6.Op het beroep op het college van beroep tegen een beslissing van
een bijzondere instelling zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.67. Griffierecht
Het griffierecht bedraagt € 41. Artikel 8:41, vijfde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
Paragraaf 4. Colleges van beroep bijzonder onderwijs [Treedt in
werking per 01-09-2010]
Artikel 7.68. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
1.Het bestuur van een bijzondere instelling voor hoger onderwijs
kan, al dan niet in samenwerking met de besturen van een of meer
andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs, een college van
beroep instellen ter behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel
7.66, eerste lid, niet zijnde beslissingen als bedoeld in artikel
7.61, eerste lid, dan wel zich aansluiten bij een dergelijk college.
De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, bevat
tevens een regeling van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62,
eerste lid, alsmede van de rechtsgang bij het college. De beslissing
waarbij een college van beroep wordt ingesteld, alsmede wijzigingen
daarvan, dan wel een beslissing tot aansluiting bij een college wordt
zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister gebracht.
2.De artikelen 7.60, vierde lid eerste en tweede volzin, vijfde en
zesde lid, 7.61, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, en 7.63
zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep
van leraar en docent
Artikel 7a.1. Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 7a.2, en
b. bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 176f
van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162i van de Wet op de
expertisecentra of artikel 118o van de Wet op het voortgezet
onderwijs.
Artikel 7a.2. Reikwijdte
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde en ingevolge artikel
6.9 aangewezen instellingen voor hoger onderwijs die voldoen aan artikel
176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162j van de Wet op de
expertisecentra of artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 7a.3. Getuigschrift bekwaamheidsonderzoek WPO, WEC en WVO
Ten bewijze dat het bekwaamheidsonderzoek met goed gevolg is
afgesloten, wordt door de examencommissie van een instelling die
daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift
bekwaamheidsonderzoek uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld,
welke onderdelen het bekwaamheidsonderzoek omvatte en, in een voorkomend
geval, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met
artikel 7.6, eerste lid.
Artikel 7a.4. Getuigschrift pedagogisch-didactische scholing WEB
Ten bewijze dat de scholing, bedoeld in artikel 4.2.5 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, ertoe heeft geleid dat betrokkene voldoet
aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a, van die wet bedoelde
bekwaamheidseisen, wordt door de examencommissie van een instelling die
daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift
pedagogisch-didactische scholing uitgereikt. Op het getuigschrift wordt
vermeld, welke onderdelen het onderzoek dat tot het getuigschrift
leidde, omvatte.
Artikel 7a.5. Titulatuur
1.Degene die met goed gevolg het bekwaamheidsonderzoek heeft
afgesloten, is gerechtigd tot het voeren van:
a. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het betreft
een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden
op het niveau van wetenschappelijk onderwijs zijn getoetst, of
b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het betreft
een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden
op het niveau van hoger beroepsonderwijs zijn getoetst.
2.De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de
naam geplaatst.
Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger
onderwijs
Artikel 8.1. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger
onderwijs
1.Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer, in de bijlage
van deze wet onder a tot en met h opgenomen instellingen kunnen de
besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten.
2.De regeling omvat bepalingen omtrent wijziging, opheffing,
toetreding en uittreding.
3.Bij de regeling kan een samenwerkingsinstituut worden ingesteld.
De regeling omvat bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van
het instituut, en omtrent het verstrekken van inlichtingen door het
instituut aan de besturen van de deelnemende instellingen.
4.De regeling kan voorzien in de overdracht van bepaalde
bevoegdheden van organen van de deelnemende instellingen aan organen
van een andere deelnemende instelling of aan organen van het
samenwerkingsinstituut.
5.Op de besluiten van het samenwerkingsinstituut, genomen krachtens
enige door het bestuur van een openbare instelling overgedragen
bevoegdheid zijn de wettelijke bepalingen omtrent schorsing en
vernietiging van besluiten van dat bestuur krachtens de overgedragen
bevoegdheid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten
TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN
Artikel 9.1. Reikwijdte
Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.
Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit
Artikel 9.2. Algemene bevoegdheden college van bestuur
1.Het college van bestuur is belast met het bestuur van de
universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de
bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.
2.Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die
bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen,
voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
3.De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de
universiteit in en buiten rechte.
Artikel 9.3. Samenstelling college van bestuur; rechtspositie leden
1.Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden,
waaronder de rector magnificus van de universiteit.
2.De leden van het college van bestuur worden door de raad van
toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt
zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van
de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door
de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand
waarin een lid de voor de openbare dienst geldende functionele
leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.
3.Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van
bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de
universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de
universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in
artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het
voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit
hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig
tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
4.De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door
de raad van toezicht benoemd.
5.In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven
omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.
6.Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen
tussentijds worden ontslagen.
7.Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:
a. lid van de raad van toezicht van de desbetreffende
universiteit,
b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan,
tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat,
c. lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met
toepassing van artikel 9.17 is ingesteld, of
d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur
van een andere universiteit.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de
andere leden van het college van bestuur.
Artikel 9.4. Bestuurs- en beheersreglement
Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter
regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de
universiteit vast.
Artikel 9.5. Richtlijnen aan decanen
Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de
organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen
9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.
Artikel 9.6. Verantwoordings- en inlichtingenplicht college van
bestuur
1.Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de
raad van toezicht.
2.Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de
gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere
handelingen.
3.Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde
inlichtingen omtrent de universiteit.
Artikel 9.7. Samenstelling raad van toezicht
1.De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste
vijf leden.
2.De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister
benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel
mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de
zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in
het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel
het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op
grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde
lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt
voor een periode van ten hoogste vier jaren.
3.Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van
toezicht over te gaan, hoort Onze minister de universiteitsraad, dan
wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op
grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde
lid, tweede volzin, is ingesteld, vertrouwelijk over het door hem
voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit
hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig
tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
4.Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
5.Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:
a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn
van een in de bijlage van deze wet opgenomen universiteit of voor
het merendeel werkzaam zijn aan een onderzoekinstituut of
onderzoekschool,
b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of
c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.
6.Het college van bestuur voorziet in de administratieve
ondersteuning van de raad van toezicht.
7.De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van
de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben
daarin een adviserende stem.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van
toezicht.
Artikel 9.8. Taken en bevoegdheden raad van toezicht
1.De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur
van de universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat
het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op
toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden de op de universiteit betrekking hebbende wetten alsmede
de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen,
aanwijzingen en reglementen naleeft.
2.De raad van toezicht is belast met de goedkeuring dan wel
instemming van:
a. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,
b. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
c. de begroting, bedoeld in artikel 2.8,
d. het verslag, bedoeld in artikel 2.9,
e. het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,
f. het besluit of de herroeping daarvan, bedoeld in artikel
9.30, en, in voorkomende gevallen, van de daarbij behorende
medezeggenschapsregeling, en
g. een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in artikel 8.1.
3.De goedkeuring, bedoeld in onderdeel d, kan slechts worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 9.9. Verantwoordings- en inlichtingenplicht raad van toezicht
1.De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze
minister.
2.De raad van toezicht verstrekt Onze minister de gevraagde
inlichtingen betreffende zijn handelen.
Artikel 9.10. College voor promoties
1.Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het
college voor promoties bestaat uit hoogleraren.
2.Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het
verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
3.In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de
samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties
nader geregeld.
Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening
Artikel 9.11. Faculteiten en opleidingen
In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten
of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement
vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn
ingesteld.
Artikel 9.12. Faculteit; decaan
1.De verzorging van het onderwijs en de beoefening van de
wetenschap geschieden in de faculteit. Aan het hoofd van de faculteit
staat de decaan van de faculteit.
2.In afwijking van het eerste lid kan in het bestuurs- en
beheersreglement worden bepaald dat aan het hoofd van de faculteit een
bestuur staat, bestaande uit de decaan van de faculteit, tevens
voorzitter, en een of meer andere leden. Indien de eerste volzin
toepassing heeft gevonden, wordt in deze titel en in titel 2 met
uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan
tevens verstaan het bestuur van de faculteit. Indien aan het hoofd van
de faculteit een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de
desbetreffende faculteit in de gelegenheid gesteld de vergaderingen
van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een
adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt
bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt
aangewezen.
3.Indien een universiteit slechts een faculteit omvat:
a. is de rector magnificus tevens decaan,
b. staat aan het hoofd van de faculteit een bestuur,
c. wordt in deze titel en in titel 2 met uitzondering van
artikel 9.13, vierde en zesde lid, onder decaan tevens verstaan
het bestuur van de faculteit, en
d. worden de taken en bevoegdheden van het bestuur van de
faculteit uitgeoefend door het college van bestuur.
4.Een lid van het bestuur van de faculteit kan niet tevens lid zijn
van de faculteitsraad van die faculteit.
Artikel 9.13. Benoeming en ontslag decaan
1.De decaan wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college
van bestuur. De benoeming geschiedt voor een door het college van
bestuur te bepalen termijn.
2.Alvorens tot benoeming of ontslag van de decaan over te gaan,
hoort het college van bestuur vertrouwelijk de faculteitsraad van de
desbetreffende faculteit over het voorgenomen besluit tot benoeming of
ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen
geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan
zijn op de besluitvorming.
3.De decaan kan om gewichtige redenen worden geschorst of
tussentijds worden ontslagen.
4.De decaan bezit de hoedanigheid van hoogleraar.
5.Indien aan het hoofd van de faculteit een bestuur als bedoeld in
artikel 9.12, tweede lid, staat, zijn het eerste, tweede en derde lid
van overeenkomstige toepassing.
6.Dit artikel is niet van toepassing, indien de rector magnificus
tevens decaan is.
Artikel 9.14. Taken en bevoegdheden decaan algemeen;
faculteitsreglement
1.De decaan is belast met de algemene leiding van de faculteit. De
decaan is voorts belast met het bestuur en de inrichting van de
faculteit voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening.
2.De decaan werkt mede aan het bestuur van de universiteit door
onder meer het plegen van overleg met het college van bestuur terzake
van de voorbereiding van het instellingsplan en de begroting.
3.Onverminderd artikel 9.5 stelt de decaan ter nadere regeling van
het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement
vast.
4.Het faculteitsreglement behoeft de goedkeuring van het college
van bestuur. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd
met het recht of het algemeen belang.
5.Indien binnen een door het college van bestuur te bepalen termijn
het faculteitsreglement niet of niet volledig is vastgesteld, stelt
het college van bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte
daarvan vast.
Artikel 9.15. Overige taken en bevoegdheden decaan
1.De decaan is, onverminderd artikel 9.5, voorts belast met:
a. het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld
in artikel 7.13, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan,
b. het vaststellen van algemene richtlijnen voor de
wetenschapsbeoefening,
c. het vaststellen van het jaarlijks onderzoekprogramma van de
faculteit,
d. het houden van toezicht op de uitvoering van de onderwijs-
en examenregeling en op het jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede
het uitbrengen van regelmatig verslag hieromtrent aan het college
van bestuur,
e. het instellen van de examencommissies en de commissie,
bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, alsmede de benoeming van de
leden van die commissies,
f. de uitvoering van de artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering
van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b,
derde lid, en 7.9, eerste lid,
g. het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop
vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, 7.28,
tweede tot en met vierde lid, en 7.29, eerste lid, kan worden
verkregen,
h. het verstrekken van een bewijs van toelating als bedoeld in
artikel 7.30a, derde lid, alsmede de toepassing van artikel 7.30a,
vijfde lid, en
i. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve
van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere
faculteiten.
2.De decaan oefent het recht tot voordracht, bedoeld in artikel
7.19, tweede lid, uit.
3.In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld
omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder i.
Artikel 9.16. Verantwoordings- en inlichtingenplicht decaan
De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur.
Hij verstrekt het college de gevraagde inlichtingen omtrent de
faculteit.
Artikel 9.17. Bestuur opleidingen
1.De decaan voorziet in een meerhoofdig bestuur van elke opleiding
die in de faculteit is ingesteld. In afwijking van de eerste volzin
kan volstaan worden met een opleidingsdirecteur.
2.Indien in een meerhoofdig bestuur wordt voorzien, maakt daarvan
een student deel uit.
3.In het faculteitsreglement worden nadere regels gesteld omtrent
het bestuur van de opleidingen.
4.Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn
van de opleidingscommissie van die opleiding.
5.Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede
worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop
aansluitende masteropleidingen.
Artikel 9.18. Opleidingscommissies
1.Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld. De
commissie heeft tot taak:
a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling,
bedoeld in artikel 7.13,
b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de
onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan
het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid,
en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs
in de desbetreffende opleiding.
2.Op een advies als bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35,
aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.
3.In het faculteitsreglement wordt de wijze van benoeming en
samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande
dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt
uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
4.Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het
faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de
opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld
in artikel 9.37.
5.Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede
worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop
aansluitende masteropleidingen.
Artikel 9.19. Verantwoordelijkheden en rechten hoogleraren
1.Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de
hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het
wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en
onderzoektaken uitoefent.
2.De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de
ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de
inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de
bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17.
3.Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na
hun ontslag het recht als promotor op te treden.
4.De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De
oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig
vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de
openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als
hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.
Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen
Artikel 9.20. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen binnen een
faculteit
1.In het faculteitsreglement kunnen binnen de faculteit
onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld. De decaan
regelt het bestuur en de inrichting van deze onderzoekinstituten en
onderzoekscholen.
2.In het faculteitsreglement worden regels gesteld omtrent het
bestuur en beheer van onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
Artikel 9.21. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of
meer faculteiten binnen een universiteit
1.In het bestuurs- en beheersreglement kunnen binnen de
universiteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden ingesteld
waarop artikel 9.20 niet van toepassing is. Het college van bestuur
regelt het bestuur, beheer en de inrichting van deze
onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
2.In het bestuurs- en beheersreglement kan een faculteit worden
aangewezen waarvan de decaan de bevoegdheden uitoefent die bij of
krachtens deze wet met betrekking tot een onderzoekinstituut of
onderzoekschool aan het college van bestuur zijn toegekend.
Artikel 9.22. Interne verzelfstandiging van onderzoekinstituten en
onderzoekscholen
1.In het faculteitsreglement kan worden bepaald dat het bestuur van
een onderzoekinstituut of onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.20
gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt
belast.
2.In het bestuurs- en beheersreglement kan door het college van
bestuur worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of
onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.21 gedurende een tijdvak van
ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast. Het besluit van
het college van bestuur behoeft de instemming van de decanen van de
desbetreffende faculteiten.
3.Indien het tweede lid toepassing heeft gevonden, stelt het
college van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking
aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.
Artikel 9.23. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen tussen twee of
meer universiteiten
1.Een onderzoekinstituut of onderzoekschool tussen twee of meer
universiteiten wordt in overeenstemming met de decanen van de
betrokken faculteiten ingesteld bij gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in artikel 8.1. Daarin kan de bepaling worden opgenomen dat
het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool met
beheerstaken wordt belast.
2.Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, stellen de
colleges van bestuur jaarlijks de financiële middelen ter beschikking
aan het bestuur van het onderzoekinstituut of de onderzoekschool.
Paragraaf 4. Schorsing en vernietiging besluiten faculteit en
voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit
Artikel 9.24. Schorsing en vernietiging besluiten decaan en
examencommissies
1.De besluiten van de decaan kunnen door het college van bestuur
worden vernietigd. In geval van schorsing kan, in afwijking van
artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze
schorsing niet langer dan vier maanden duren.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit van de
decaan betreffende de benoeming van leden van de commissies, bedoeld
in artikel 9.15, eerste lid onderdeel e.
3.De besluiten van de examencommissie kunnen door het college van
bestuur worden vernietigd. Schorsing of vernietiging kan, in afwijking
van artikel 10:38, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
uitsluitend plaatsvinden, voorzover tegen de desbetreffende besluiten
geen beroep krachtens deze wet openstaat of heeft opengestaan. In
geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier
maanden duren.
Artikel 9.25 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 9.26 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 9.27. Voorziening bij verwaarlozing bestuur faculteit of deel
daarvan
1.Ingeval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren
van het bestuur van een faculteit of een deel daarvan treft het
college van bestuur, zo nodig met afwijking van de paragrafen 2 en 3
van deze titel en paragraaf 2 van titel 2, voor een door het college
van bestuur te bepalen tijdvak van ten hoogste één jaar de
voorzieningen die het noodzakelijk oordeelt. Het college doet hiervan
onverwijld mededeling aan de raad van toezicht.
2.De voorzieningen vervallen, indien zij niet binnen drie weken na
de ontvangst van de mededeling van het college van bestuur door de
raad van toezicht zijn bekrachtigd.
Paragraaf 5. Klachtrecht studenten
Artikel 9.28. Collectief recht van beklag voor studenten
1.Het faculteitsreglement bepaalt op welke wijze aan een groep van
studenten de gelegenheid wordt geboden bij de decaan hun beklag te
doen terzake van de naleving van verplichtingen van de universiteit
jegens studenten, zomede binnen welke termijn de decaan voorzieningen
treft in de gevallen waarin naar zijn oordeel het beklag gegrond is.
2.Het beklag, bedoeld in het eerste lid, evenals de op grond
daarvan door de decaan getroffen voorzieningen laten onverlet de
rechten die een belanghebbende ingevolge de wet heeft.
TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN
Artikel 9.29. Reikwijdte
Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.
Artikel 9.30. Keuze uit medezeggenschapsstelsels
1.Het college van bestuur besluit:
a. dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van
hoofdstuk VII B van toepassing is op de universiteit, dan wel
b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de
universiteit.
2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan telkens opnieuw
worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken
sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.
3.Het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a,
stelt de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel buiten werking voor
de desbetreffende universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de
vaststelling door het college van bestuur van een
medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de
universiteit en haar faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan
het bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 van deze titel.
4.Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en
onderdeel b, zijn de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel van
toepassing op de desbetreffende universiteit.
5.In het geval dat het eerste lid aanhef en onderdeel a toepassing
heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande
instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van
bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de
medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid.
6.De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt
kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien
het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet
gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het vijfde lid, instemming
behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college
van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde
en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.30a. Instemmingsbevoegdheid gezamenlijke vergadering
personeel/studenten
1.Indien een besluit als bedoeld in artikel 9.30, eerste lid
onderdeel a, is genomen, is er aan een universiteit een gezamenlijke
vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden
van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op
grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde
lid tweede volzin.
2.Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de
gezamenlijke vergadering voor elk door het college van bestuur te
nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:
a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg
overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen
beleid in het licht van de uitkomsten van de
kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede
volzin, en
c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.
3.Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de
voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de
gezamenlijke vergadering vast. Artikel 9.34, tweede lid en derde lid
aanhef en onderdelen f en g, is van overeenkomstige toepassing. In het
reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de
gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid,
instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen
leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste
lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide
geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming
binnen de gezamenlijke vergadering.
4.De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt
kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien
het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet
gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het tweede of derde lid,
instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het
college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen
9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen de universiteit
Artikel 9.31. Universiteitsraad
1.Aan een universiteit is een universiteitsraad verbonden.
2.Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig
leden.
3.De raad bestaat voor de helft uit leden die door en uit het
personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die door en uit
de studenten worden gekozen.
4.Zij die deel uitmaken van het college van bestuur of de raad van
toezicht dan wel belast zijn met de functie van decaan van een
faculteit, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.
5.Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit
en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door
personeelsleden en door organisaties van personeel.
6.De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime
schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt
slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding
groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.
7.De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke
aard en regelt tevens de wijze waarop door het college van bestuur
beschikbaar gestelde middelen voor die raad en de eventuele
faculteitsraden en commissies als bedoeld in artikel 9.47 worden
verdeeld.
8.De raad kiest al dan niet uit zijn midden een voorzitter en een
of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens
verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de
raad in rechte.
Artikel 9.32. Algemene bevoegdheden en taken universiteitsraad en
raadsleden
1.Het college van bestuur stelt de universiteitsraad ten minste
twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de
universiteit met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad
komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt
verzocht door het college van bestuur, de raad, het deel van de raad
dat uit en door het personeel is gekozen, of het deel van de raad dat
uit en door de studenten is gekozen.
2.De raad is bevoegd over alle aangelegenheden de universiteit
betreffende aan het college van bestuur voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de
voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een
schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm
van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in
de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de
raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen
over zijn voorstel.
3.De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en
onderling overleg in de universiteit.
4.De raad waakt voorts in de universiteit in het algemeen tegen
discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van
gehandicapten en allochtonen. Het reglement voor de raad, bedoeld in
artikel 9.34, bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit
als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel d, van de
Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede
lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van
overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld
in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
5.Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het
studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de
samenstelling van het college van bestuur, de raad van toezicht, de
organisatie binnen de universiteit en de hoofdpunten van het reeds
vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste
eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het
afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het
komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel,
organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur
stelt de raad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot
de aangelegenheden, beschreven in het instellingsplan. Voorts
verschaft het college van bestuur de raad, al dan niet gevraagd,
tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijze nodig heeft.
6.Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een
bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het
geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die
vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad bepaalt
dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in
een besloten vergadering plaats heeft.
7.De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn
werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de universiteit
betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er
zorg voor dat de agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de
raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de
faculteitsraden en aan de eventuele commissies, bedoeld in artikel
9.47, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats
op de universiteit ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de
in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in
de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie
in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
8.Het college van bestuur draagt er jegens de raad zorg voor dat de
leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan worden
benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
kandidaat-leden en voormalige leden.
9.De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van
een aan de universiteit werkzame persoon mag geen verband houden met
de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het
voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging
van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
Artikel 9.33. Instemmingsbevoegdheid universiteitsraad
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de
universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit
met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg
overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen
beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling,
bedoeld in artikel 2.9, tweede lid tweede volzin,
c. het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59,
d. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,
e. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
f. de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel
9.30, eerste lid, en
g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van
artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat
artikel.
Artikel 9.34. Reglement universiteitsraad
1.Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de
voorschriften bij of krachtens deze titel, een reglement voor de
universiteitsraad vast.
2.Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke
wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de raad voor en stelt
het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden
van het aantal leden van de raad heeft verworven.
3.In het reglement worden ten minste geregeld:
a. de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd artikel
9.33, instemmingsrecht heeft,
b. de aangelegenheden waarover de raad adviesrecht heeft, met
dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend
inzake aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van
zaken binnen de universiteit betreffen, alsmede inzake de
begroting,
c. het aantal leden van de raad,
d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van
de raad,
e. de zittingsduur van de leden van de raad,
f. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft
aan de raad,
g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van
instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke
advies dient te worden uitgebracht,
h. de bevoegdheden die door de faculteitsraden worden
uitgeoefend,
i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het
personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de
arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en
de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die
wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,
j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige
bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en
onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarbij dan
artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,
k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en
door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de
arbeidsomstandigheden in de universiteit voorzover deze niet
betreffen te nemen besluiten van het college van bestuur, bedoeld
in artikel 9.33 onderdeel e, en
l. welke van de geschillen tussen het college van bestuur en de
raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet,
worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in
artikel 9.39, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de
commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht,
voorzover de commissie voor geschillen in haar reglement daarvoor
de mogelijkheid biedt.
4.In het reglement kan, indien dit bevorderlijk is voor een goede
toepassing van deze titel, worden bepaald dat een of meer groepen van
personen die anders dan krachtens publiekrechtelijke aanstelling of op
grond van een arbeidsovereenkomst dan wel anders dan op grond van een
inschrijving als student of extraneus aan de universiteit zijn
verbonden, worden aangemerkt als personeelsleden onderscheidenlijk
studenten.
Artikel 9.35. Advies
Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het
reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid
onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad,
draagt het college van bestuur er zorg voor dat:
a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies
van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,
b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te
voeren voordat advies wordt uitgebracht,
c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt
gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt
gegeven, en
d. de raad, indien het college van bestuur het advies niet of
niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader
overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt
genomen.
Artikel 9.36. Bijzondere bevoegdheden
1.Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van
het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is
gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met
betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere
rechtstoestand van het personeel in de universiteit.
2.Indien het college van bestuur op grond van het eerste lid voor
een te nemen besluit de voorafgaande instemming van het deel van de
universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft,
wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen,
in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.
3.Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als
bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend, voorzover
de desbetreffende aangelegenheid voor de universiteit reeds
inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven
voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.
Paragraaf 2. Medezeggenschap binnen de faculteit
Artikel 9.37. Faculteitsraad
1.Indien een universiteit meer dan een faculteit omvat, is aan elke
faculteit een faculteitsraad verbonden.
2.De faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit het
instemmingsrecht en het adviesrecht uit die toekomen aan de
universiteitsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die de
faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden
tevens aan de decaan zijn toegekend.
3.Artikel 9.31, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4.Indien een universiteit slechts een faculteit omvat, worden de
taken en bevoegdheden van de faculteitsraad uitgeoefend door de
universiteitsraad.
5.De personeelsgeleding van de faculteitsraad oefent tegenover de
decaan van de faculteit de rechten uit, bedoeld in artikel 9.50,
voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het
bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de
decaan zijn toegekend.
Artikel 9.38. Instemmingsbevoegdheid faculteitsraad
De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad
voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de
vaststelling of wijziging van:
a. het faculteitsreglement, bedoeld in artikel 9.14, en
b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met
uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a
tot en met g, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het
derde lid, en met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen
7.30a, derde lid, derde volzin, en 7.30b, eerste lid, derde volzin.
Artikel 9.38a. Algemene bevoegdheden en taken faculteitsraad en leden
Artikel 9.32, eerste, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.38b. Faculteitsreglement
In het faculteitsreglement worden ten minste geregeld de onderwerpen,
genoemd in artikel 9.34, derde lid onderdelen c, d en e.
Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap
Artikel 9.39. Commissie voor geschillen
1.Er is een commissie voor geschillen inzake universitaire
medezeggenschapsaangelegenheden.
2.De commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie
plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid
worden gekozen door de colleges van bestuur en een lid en een
plaatsvervangend lid door de universiteitsraden. Deze twee leden
kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger. De
leden en plaatsvervangende leden worden gekozen voor een termijn van
vier jaar en zijn een keer herkiesbaar.
3.De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken
van een college van bestuur, een raad van toezicht, het bestuur van
een faculteit, het bestuur van een opleiding, een universiteitsraad of
een faculteitsraad.
Artikel 9.40. Competentie commissie voor geschillen
1.De commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de
volgende gevallen:
a. op verzoek van het college van bestuur, indien het college
van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd,
te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 9.33 en 9.34, derde
lid onderdeel a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet
heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te
handhaven,
b. op verzoek van het college van bestuur of van de
universiteitsraad, indien het college van bestuur ten aanzien van
de inhoud van het reglement voorzover aangegeven in artikel 9.34,
derde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming
heeft verworven,
c. op verzoek van de universiteitsraad, indien het college van
bestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing
van artikel 9.34, derde lid onderdeel b, advies door de raad is
uitgebracht, het college van bestuur daarbij het uitgebrachte
advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat
daardoor de belangen van de universiteit of de belangen van de
raad ernstig worden geschaad, en
d. op verzoek van het college van bestuur of van de
universiteitsraad, indien het college van bestuur en de raad van
mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of
krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement,
bedoeld in artikel 9.34.
2.De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt
van andere geschillen tussen het college van bestuur en de raad dan
bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.41, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien er een geschil is tussen het college van bestuur en de
universiteitsraad, meldt het college van bestuur dan wel de
universiteitsraad dit geschil aan bij de raad van toezicht. Het
college van bestuur dan wel de universiteitsraad legt het geschil voor
aan de commissie voor geschillen, tenzij de raad van toezicht van
oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van
de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een
voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel het college van
bestuur als de universiteitsraad mee instemt.
4.Indien er een geschil is tussen de decaan en een faculteitsraad,
meldt de decaan dan wel de faculteitsraad dit geschil aan bij het
college van bestuur. Het college van bestuur legt het geschil voor aan
de commissie voor geschillen, tenzij het college van bestuur van
oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van
de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een
voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel de decaan als de
faculteitsraad mee instemt.
5.Een uitspraak van de commissie voor geschillen, bedoeld in
artikel 9.41, wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de
Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit, genomen in
administratief beroep.
Artikel 9.41. Geschil instemmingsbevoegdheid
1.Indien aan een te nemen besluit van het college van bestuur
instemming, vereist ingevolge artikel 9.33 of het reglement, bedoeld
in artikel 9.34, is onthouden, deelt het college van bestuur binnen
drie maanden aan de universiteitsraad mede of het voorstel wordt
ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen.
Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt
het voorstel.
2.Het college van bestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel
9.40, eerste lid onderdeel a, onder overlegging van de door het
college van bestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor
het college van bestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken
deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het
betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het
onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.
3.De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college
van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur
dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop
geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen
gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van
het college van bestuur alsmede de instemming van de raad of het
betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het college van
bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot
zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is
bindend voor het college van bestuur en de raad.
Artikel 9.42. Geschil inhoud reglement voor de universiteitsraad
1.Voorzover aan een voorstel van het college van bestuur tot
vaststelling of wijziging van het reglement, bedoeld in artikel 9.34,
wat onderwerpen betreft als bedoeld in het derde lid van dat artikel,
de instemming die is vereist ingevolge het tweede lid van dat artikel
is onthouden, deelt het college van bestuur aan de universiteitsraad
dan wel de raad aan het college van bestuur binnen drie maanden mede,
of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen.
Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt
gedaan, vervalt het voorstel.
2.Indien het college van bestuur een verzoek doet als bedoeld in
artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, is artikel 9.41, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als
bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, wordt het verzoek met
redenen omkleed en stelt de commissie het college van bestuur in de
gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de
commissie naar voren te brengen.
3.De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college
van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur
dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien
de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar
voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur
alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het
college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in
redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De commissie geeft,
voorzover zij van oordeel is dat het college van bestuur bij afweging
van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft
kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden
gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het college van
bestuur het reglement, bedoeld in artikel 9.34, vast overeenkomstig de
uitspraak van de commissie.
Artikel 9.43. Geschil adviesbevoegdheid
1.Indien het college van bestuur een besluit neemt waarbij het een
advies van de universiteitsraad, vereist ingevolge artikel 9.34, derde
lid onderdeel b, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van
het besluit opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen
onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.
2.De universiteitsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel
9.40, eerste lid onderdeel c, binnen vier weken nadat het betrokken
besluit door het college van bestuur is genomen, onder overlegging van
de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat
door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de
universiteit of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie voor
geschillen stelt het college van bestuur in de gelegenheid om zijn
argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de
raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het
verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.
3.De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college
van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur
dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien
de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar
voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur en
van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij
het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad:
a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens
deze titel of het reglement, bedoeld in artikel 9.34,
b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het
advies van de raad,
c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of
d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid
niet tot het besluit heeft kunnen komen.
4.De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het
betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.
Artikel 9.44. Geschil interpretatie
Op een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel d,
doet de commissie voor geschillen de bindende uitspraak welke
interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het
bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, dient te worden
gegeven.
Artikel 9.45. Nadere geschillen
Indien in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, ingevolge de
toepassing van het derde lid onderdeel l van dat artikel, geschillen
worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor
geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de
commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in
het reglement, bedoeld in artikel 9.34.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 9.46. Procesbevoegdheid universiteitsraad
1.De universiteitsraad kan in rechte optreden, indien de vordering
strekt tot naleving door het college van bestuur van de verplichtingen
jegens de raad, voortvloeiend uit deze titel.
2.In afwijking van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
3.De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in
artikel 9.47 op, indien de rechten van die commissie specifiek aan de
orde zijn.
Artikel 9.47. Commissies
1.Het college van bestuur stelt het personeel en de studenten in de
gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie
dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden
personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in
te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener
beweging advies uit te brengen aan de universiteitsraad over die
aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder
aangaan.
2.Op verzoek van een commissie stelt de universiteitsraad het
college van bestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld
in het eerste lid. Artikel 9.32, tweede lid derde volzin, is ten
aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9.48. Voorzieningen en scholing
1.Het college van bestuur staat de universiteitsraad het gebruik
toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
2.Het college van bestuur stelt de leden van de universiteitsraad
in de gelegenheid om gedurende een door het college van bestuur en de
raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te
ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak
nodig hebben. Het personeel van de universiteit wordt in de
gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van
salaris te ontvangen.
3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de
faculteitsraden met dien verstande dat de decaan in de plaats treedt
van het college van bestuur.
Paragraaf 5. Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en
onderzoekscholen
Artikel 9.49. Medezeggenschapsraad onderzoekinstituten en
onderzoekscholen
De paragrafen 1 tot en met 4 van deze titel zijn van overeenkomstige
toepassing op de onderzoekinstituten en onderzoekscholen waarvan
ingevolge artikel 9.23 het bestuur is belast met de beheerstaken.
Paragraaf 6. Medezeggenschap binnen centrale diensten
Artikel 9.50. Dienstraad t.b.v. centrale diensten
1.Indien in het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald dat er
bij een universiteit centrale diensten zijn, worden door het college
van bestuur, met inachtneming van de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gegeven voorschriften, een of meer dienstraden
ingesteld ten behoeve van het personeel dat bij die diensten werkzaam
is.
2.Het college van bestuur voorziet er in dat een dienstraad tijdig
in de gelegenheid wordt gesteld advies aan het hoofd van de
desbetreffende dienst uit te brengen en overleg te voeren over
voorgenomen maatregelen met betrekking tot:
a. de wijze waarop de arbeids- en dienstvoorwaarden bij een
centrale dienst worden toegepast,
b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij een
centrale dienst wordt uitgevoerd,
c. aangelegenheden op het gebied van de arbeidsomstandigheden
in verband met de arbeid in een centrale dienst,
d. de organisatie en werkwijze binnen een centrale dienst, en
e. de technische en economische dienstuitvoering bij een
centrale dienst.
3.De dienstraad is bevoegd het hoofd van de desbetreffende dienst
voorstellen te doen met betrekking tot de in het tweede lid genoemde
aangelegenheden.
4.Het hoofd van de desbetreffende dienst behoeft de voorafgaande
instemming van de dienstraad voor elke maatregel die hij bevoegd is te
treffen en waarover de dienstraad op grond van het tweede lid heeft
geadviseerd.
5.Het college van bestuur stelt, in overeenstemming met de
dienstraad, een reglement vast in verband met de uitoefening van de
rechten, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid. Het reglement
bevat in elk geval een geschillenregeling.
Paragraaf 7. Afwijking van titel 1 of titel 2
Artikel 9.50a. Afwijking van een of meer onderdelen van titel 1 of
titel 2
1.Op verzoek van de raad van toezicht kan Onze minister onder door
hem te stellen voorwaarden toestaan dat, al dan niet voor een bepaald
tijdvak, wordt afgeweken van een of meer onderdelen van titel 1 of
titel 2. Het college van bestuur toont aan in geval van afwijking van
titel 1 dat is voorzien in een doelmatige bestuursorganisatie, dan wel
toont aan in geval van afwijking van titel 2 dat is voorzien in een
doelmatige vorm van medezeggenschap voor personeel en studenten.
2.Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de
afwijkende regeling in het bestuurs- en beheersreglement opgenomen.
Titel 3. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN EN DE MEDEZEGGENSCHAP
BINNEN DE BIJZONDERE UNIVERSITEITEN
Artikel 9.51. Structuurregeling bijzondere universiteiten,
inlichtingenplicht
1.De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid
of stichtingen, waarvan de in de bijlage van deze wet onder b
opgenomen universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de
statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis
van Onze minister te brengen.
2.Onverminderd artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, stellen de
in het eerste lid bedoelde besturen regelen vast inzake het bestuur en
de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij
de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden
de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen
aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel
van het bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke
faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Zij brengen die
regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van
Onze minister.
3.De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede
lid, worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder
h, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden
na de ontvangst van de mededeling aan het bestuur heeft verklaard van
oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de regelen of
de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten de titels 1 en 2
van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in
redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de
bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou
verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie
maanden wordt het bezwaar ondervangen.
4.De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het
derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
5.De besturen verstrekken aan Onze minister de nodige inlichtingen
omtrent de universiteit.
Titel 4. Bijzonder onderwijs aan openbare universiteiten
Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren
Artikel 9.52. Kerkelijke hoogleraren
1.De hoogleraren aan de bij het in werking treden van de wet van 28
april 1876 (Stb. 102) bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria
tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen
voor de geestelijke stand alsmede zij, die een na die inwerkingtreding
vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel gevestigde
leerstoel bekleden, hebben, voorzover die kweekscholen, seminaria of
leerstoelen op 1 januari 1904 waren gevestigd in gemeenten waar een
rijksuniversiteit is, tot het einde van de maand waarin zij de voor de
openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens hebben bereikt,
toegang met raadgevende stem in de vergaderingen van de
examencommissies van de faculteit die het onderwijs in opleidingen in
de godgeleerdheid verzorgt. Bij de examens in die faculteit mogen zij
examineren in de door hen onderwezen vakken. De hoogleraren aan de op
1 september 1986 te Amsterdam gevestigde kerkelijke kweekscholen en
seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of
kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een op dat
tijdstip vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel te
Amsterdam gevestigde leerstoel bekleden, hebben dezelfde rechten.
2.De kerkelijke hoogleraren kunnen onder door het college van
bestuur te stellen voorwaarden gebruikmaken van de collegelokalen,
inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.
3.Op de kerkelijke hoogleraren is artikel 9.19, derde en vierde
lid, van toepassing.
Paragraaf 2. De bijzondere leerstoelen
Artikel 9.53. Bevoegdverklaring tot vestiging bijzondere leerstoel
Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na
raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid bevoegd verklaren bij die
universiteit een bijzondere leerstoel te vestigen. Het besluit vermeldt
de faculteit waarbij en het wetenschapsgebied waarin door de bijzondere
hoogleraar onderwijs zal worden gegeven.
Artikel 9.54. Indiening verzoek bevoegdverklaring
1.De bevoegdverklaring geschiedt op een daartoe strekkend verzoek
van het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald op welke wijze een
verzoek dient te worden ingericht en welke bescheiden bij het verzoek
dienen te worden overgelegd.
2.Het in het voorgaande lid bedoelde bestuur geeft het college van
bestuur de nodige inlichtingen omtrent de door het eerstbedoelde
bestuur gevestigde leerstoel.
Artikel 9.55. Vereisten bijzonder hoogleraarschap
1.Om als bijzonder hoogleraar onderwijs te kunnen geven wordt
vereist dat aan betrokkene de graad Doctor is verleend door een
universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onder a of b, of door de Open
Universiteit, dat betrokkene in het bezit is van een doctoraat,
verkregen aan een zodanige instelling, dan wel dat betrokkene in het
bezit is van een bewijs dat de aanstelling door het college van
bestuur is bekrachtigd.
2.De bekrachtiging wordt geacht te zijn verleend, indien binnen
acht weken na de ontvangst der aanvraag daarop geen beslissing is
genomen. Door het college van bestuur kan deze termijn tot ten hoogste
vier maanden worden verlengd. De bekrachtiging kan slechts bij een met
redenen omkleed besluit worden geweigerd.
3.Het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
geeft van elke aanstelling van een hoogleraar binnen vier weken kennis
aan het college van bestuur.
Artikel 9.56. Toegankelijkheid onderwijs bijzonder hoogleraar
Het onderwijs, gegeven door een bijzonder hoogleraar, is te allen
tijde voor hen, die gerechtigd zijn het onderwijs aan de universiteiten
bij te wonen, toegankelijk.
Artikel 9.57. Bevoegdheden en ontslag bijzonder hoogleraar
1.De bijzonder hoogleraar kan, onder door het college van bestuur
te stellen voorwaarden, gebruikmaken van de collegelokalen,
inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.
2.De bijzonder hoogleraar heeft toegang met raadgevende stem tot de
vergaderingen van de examencommissies van de faculteit waarbij hij is
aangesteld.
3.Met het einde van de maand, waarin een bijzonder hoogleraar de
voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft
bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.
4.Op de bijzonder hoogleraar is artikel 9.19, derde en vierde lid,
van toepassing.
Artikel 9.58. Intrekking bevoegdverklaring vestiging bijzondere
leerstoel
De in artikel 9.53 bedoelde bevoegdverklaring wordt door het college
van bestuur, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in
artikel 9.10, ingetrokken:
a. indien het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde niet
langer wordt nagekomen;
b. indien de bijzonder hoogleraar het onderwijs veronachtzaamt
dan wel zonder goede grond dit onderwijs gedurende een vol jaar
heeft onderbroken;
c. indien het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich ten
gevolge van wijzigingen in de omstandigheden met de
bevoegdverklaring niet langer verdraagt.
Artikel 9.59. Bijzondere leerstoel bij faculteit die het onderwijs in
opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt
Op een bijzondere leerstoel bij de faculteit die het onderwijs in
opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt zijn de artikelen 9.54, tweede
lid, en 9.55 niet van toepassing.
Artikel 9.60 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.61 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.62 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.63 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.64 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.65 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.66 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.67 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.68 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.69 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.70 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.71 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.72 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.73 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.74 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.75 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.76 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.77 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.78 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.79 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.80 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.81 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.82 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.83 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.84 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 9.85 [Vervallen per 19-03-1997]
Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen
Artikel 10.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in de bijlage van deze wet
opgenomen hogescholen.
Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen zonder
rechtspersoonlijkheid
Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool
Artikel 10.2. Centrale directie of college van bestuur
1.Elke hogeschool, met uitzondering van de hogescholen met
rechtspersoonlijkheid, heeft hetzij een centrale directie hetzij een
college van bestuur. Een centrale directie dan wel een college van
bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een door het
instellingsbestuur wordt benoemd tot voorzitter. Bij de benoeming
wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling
van de zetels over mannen en vrouwen.
2.Een lid van een centrale directie, onderscheidenlijk college van
bestuur kan niet tezelfdertijd lid zijn van een centrale directie of
college van bestuur van een tweede hogeschool.
3.De centrale directie heeft onder verantwoordelijkheid van het
instellingsbestuur de leiding van de voorbereiding en de uitvoering
van het beleid van de hogeschool alsmede de coördinatie van de
dagelijkse gang van zaken en van het beheer van de hogeschool. Het
college van bestuur is belast met de taken en bevoegdheden van de
centrale directie alsmede met de door het instellingsbestuur aan het
college overgedragen taken en bevoegdheden.
Artikel 10.3. Delegatie taken en bevoegdheden
1.Het instellingsbestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel
10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en
bevoegdheden overdragen aan een alsdan in de plaats van de centrale
directie in te stellen college van bestuur.
2.Het college van bestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel
10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het
instellingsbestuur overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan
het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere
organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.
Artikel 10.3a. Faculteiten en andere organisatorische eenheden
Het instellingsbestuur kan bij bestuursreglement een of meer
faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.
Artikel 10.3b. Bestuursreglement
1.Het instellingsbestuur stelt een bestuursreglement vast. In het
bestuursreglement wordt ten minste vastgesteld:
a. de taken en bevoegdheden welke het instellingsbestuur
overdraagt aan het college van bestuur, indien het
instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3,
eerste lid,
b. de richtlijnen voor de uitoefening van de aan het college
van bestuur overgedragen taken en bevoegdheden,
c. nadere regels met betrekking tot het sluiten van een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8, en
d. indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische
eenheden omvat:
1°. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft
overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de
desbetreffende eenheid, indien het college van bestuur
toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, tweede lid,
2°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende
eenheid tot het instellingsbestuur, het college van bestuur of
de centrale directie,
3°. welke faculteiten of andere organisatorische eenheden
de desbetreffende hogeschool omvat,
4°. welke opleidingen in die faculteiten of
organisatorische eenheden zijn ingesteld.
2.Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische
eenheden omvat, worden bij of krachtens het bestuursreglement de
samenstelling en de werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur
van de desbetreffende eenheid vastgesteld.
3.Het instellingsbestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke
wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.
Artikel 10.3c. Opleidingscommissies
1.Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld,
behoudens het bepaalde in het vierde lid. De commissie heeft tot taak:
a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling
alvorens het instellingsbestuur de regeling vaststelt,
b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de
onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan
de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of
het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan
wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het
instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende
het onderwijs in de desbetreffende opleiding.
De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter
kennisneming aan de medezeggenschapsraad.
2.Voorzover bij de vaststelling, nadere regeling of uitvoering van
de onderwijs- en examenregeling het advies van de desbetreffende
commissie niet wordt gevolgd, wordt de desbetreffende beslissing met
redenen omkleed.
3.In het bestuursreglement wordt de wijze van benoemen en
samenstellen van de commissie geregeld, met dien verstande dat de
helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de
voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
4.Indien een faculteit of een andere organisatorische eenheid
slechts één opleiding omvat, kan het bestuursreglement bepalen dat
de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend
door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.
Paragraaf 2. Geschillenregeling
Artikel 10.4 [Vervallen per 19-03-1997]
Artikel 10.5. Geschillenregeling
Het instellingsbestuur van een hogeschool zonder
rechtspersoonlijkheid treft voorzieningen betreffende de beslechting van
geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet
reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.
Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een
openbare hogeschool
Artikel 10.6. Inlichtingenplicht
Het instellingsbestuur van een openbare hogeschool zonder
rechtspersoonlijkheid verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen
omtrent de hogeschool.
Artikel 10.7. Schorsing en ontslag personeelslid tevens
gemeenteraadslid
In afwijking van het bepaalde krachtens artikel 4.5, vierde lid, zijn
gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de
disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag
te verlenen, indien het betreft een personeelslid van een gemeentelijke
hogeschool dat tevens lid is van de raad van de gemeente die de
hogeschool in stand houdt.
Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een
bijzondere hogeschool
Artikel 10.8. Bestuur bijzondere hogeschool
1.Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de
statuten of reglementen het geven van onderwijs in de zin van deze wet
ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
2.Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan de bijzondere
hogeschool uitgaat, bepalen dat het college van bestuur optreedt als
instellingsbestuur, wordt in de statuten tevens voorzien in het
toezicht op het beleid door een bestuursraad door middel van de
uitoefening van instemmingsrecht.
3.De bevoegdheden van de bestuursraad zijn ten minste:
a. het vaststellen en wijzigen van de statuten van de
rechtspersoon,
b. de benoeming, de schorsing en het ontslag van de leden van
de bestuursraad en van het college van bestuur.
4.Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de
statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze
minister. Het bestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen
omtrent de hogeschool.
Artikel 10.8a. Afwijking bestuursreglement
Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan een bijzondere
hogeschool uitgaat, de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.3b, eerste
lid, tweede volzin, onder a en b, regelen, kan het instellingsbestuur
beslissen deze regeling niet op te nemen in het bestuursreglement.
Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met
rechtspersoonlijkheid
Artikel 10.9. Bestuursorganen
1.De bestuursorganen van een hogeschool met rechtspersoonlijkheid
zijn het college van bestuur en de bestuursraad.
2.Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die
bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen,
alsmede de in artikel 10.2, derde lid, tweede volzin, bedoelde taken
en bevoegdheden van de centrale directie.
Artikel 10.10. College van bestuur
1.Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden,
waarvan er een wordt benoemd tot voorzitter. De voorzitter en de
andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en
ontslagen, de bestuursraad gehoord. Bij de benoeming wordt zoveel
mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de
zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door
Onze minister te bepalen termijn.
2.De voorzitter en de andere leden kunnen tussentijds worden
ontslagen. Dat ontslag geschiedt niet dan nadat Onze minister de
bestuursraad en het college van bestuur heeft gehoord. Met het einde
van de maand waarin betrokkene de voor de openbare dienst geldende
functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem, behoudens in zeer
bijzondere gevallen, eervol ontslag verleend.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de
andere leden van het college van bestuur.
4.De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de
hogeschool in en buiten rechte.
5.Het college van bestuur verstrekt de bestuursraad de gevraagde
inlichtingen omtrent zijn handelingen. Het verstrekt Onze minister de
gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.
Artikel 10.11. Bestuursraad
1.De bestuursraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf
andere leden. Bij koninklijk besluit worden regels vastgesteld omtrent
de benoeming en het ontslag van de voorzitter en de andere leden van
de bestuursraad alsmede omtrent de duur van hun benoeming, met dien
verstande dat bij de benoeming zoveel mogelijk rekening wordt gehouden
met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
2.De bestuursraad heeft tot taak toezicht te houden op het beleid
van het college van bestuur. Hij staat het college van bestuur met
raad ter zijde. Bij de vervulling van zijn taak richt de bestuursraad
zich naar het belang van de hogeschool.
Artikel 10.12. Bestuursreglement
1.Het college van bestuur stelt met instemming van de bestuursraad
ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de hogeschool
het bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden tevens
regels vastgesteld omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de
vergaderstukken van het college van bestuur en de bestuursraad. In het
bestuursreglement worden nadere regels gesteld met betrekking tot het
sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk
8.
2.Het bestuursreglement of een wijziging daarvan behoeft de
instemming van Onze minister.
3.Het college van bestuur zendt een beslissing als bedoeld in het
tweede lid, binnen dertig dagen aan Onze minister. Onze minister
beslist omtrent de instemming met deze beslissing binnen drie maanden
na de dag waarop deze is ontvangen. De instemming wordt verleend of
onthouden met betrekking tot een besluit in zijn geheel dan wel met
betrekking tot een of meer onderdelen daarvan. De instemming wordt
geacht te zijn verleend indien Onze minister daaromtrent niet heeft
beslist binnen de in de tweede volzin genoemde termijn. Onze minister
kan deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste drie maanden.
Artikel 10.13. Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende
bevoegdheidsverdeling en geschillenregeling
De artikelen 10.3a, 10.3b, 10.3c en 10.5 zijn van overeenkomstige
toepassing op de hogeschool met rechtspersoonlijkheid.
Artikel 10.14. Schorsing en vernietiging besluiten van
bestuursorganen
1.De besluiten van het college van bestuur en van de bestuursraad
kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.
2.Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad
geplaatst.
Artikel 10.15 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 10.16. Voorziening bij verwaarlozing van het bestuur
In geval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van
het bestuur van de hogeschool kan bij algemene maatregel van bestuur, zo
nodig met afwijking van de artikelen 10.9 en 10.11, in dat bestuur
worden voorzien.
Titel 3. Medezeggenschap
Artikel 10.17. Medezeggenschapsraad
1.Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien
een hogeschool één of meer faculteiten of andere organisatorische
eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende
eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.
2.Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met
minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250
studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten
hoogste vierentwintig leden.
3.De raad bestaat voor de helft uit leden die uit en door het
personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die uit en door
de studenten worden gekozen.
4.Zij die deel uitmaken van het instellingsbestuur, het college van
bestuur, de bestuursraad, de centrale directie dan wel het bestuur van
een faculteit of een andere organisatorische eenheid, kunnen niet
tevens lid zijn van de raad.
5.Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit
en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door
personeelsleden en door organisaties van personeel.
6.De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime
schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt
slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding
groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.
7.De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke
aard en regelt tevens de wijze waarop door het instellingsbestuur
betaalde bedragen ten behoeve van de raad en de eventuele deelraden en
commissies als bedoeld in artikel 10.34, worden verdeeld.
Artikel 10.18. Voorzitter medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een
of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens
verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad
in rechte.
Artikel 10.19. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en
raadsleden
1.Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste
twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de
hogeschool met hem te bespreken. Het instellingsbestuur en de raad
komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt
verzocht door het instellingsbestuur, de raad of het deel van de raad
dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.
2.De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool
betreffende, aan het instellingsbestuur voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken. Het instellingsbestuur brengt op de
voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een
schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm
van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in
de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het instellingsbestuur de
raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen
over zijn voorstel.
3.De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en
onderling overleg in de hogeschool.
4.De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen
discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van
geha | |