Nadere regelgeving:
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel
- Regeling
aanmelding en selectie hoger onderwijs
- Regeling financiën hoger onderwijs
- Uitvoeringsbesluit WHW
2008
WET van 8 oktober 1992, houdende
bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de
versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de
maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de
instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan
de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;
dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de
rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar
zijn afgestemd;
dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het
gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Titel 1. Definities en
taakomschrijving
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft
het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en
natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
b. hoger onderwijs:
wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;
c. wetenschappelijk onderwijs:
onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige
beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van
wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van
de wetenschappen bevordert;
d. hoger beroepsonderwijs:
onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische
kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe
aansluiting op de beroepspraktijk;
e. initieel onderwijs: hoger
onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;
f. instelling: een instelling of
rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.2;
g. instelling voor hoger
onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel
a, of een rechtspersoon voor hoger onderwijs;
h. openbare instelling: een
instelling die uitgaat van een publiekrechtelijke rechtspersoon;
i. bijzondere instelling: een
instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid;
j. instellingsbestuur:
– van een bekostigde
instelling: het college van bestuur, tenzij anders bepaald;
– van een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen
verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is
aangewezen;
k. studiejaar: het tijdvak dat
aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het
daaropvolgende jaar;
l. inspectie: de inspectie,
bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
m. opleiding: een
bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel
7.3 waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe
opleiding met positief gevolg heeft ondergaan;
n. duale opleiding: een opleiding
als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,;
o. faculteit der geneeskunde: de
faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn
ingesteld;
p. [vervallen;]
q. [vervallen;]
r. accreditatieorgaan: de
Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel
1 van het Accreditatieverdrag;
s. accreditatie: het keurmerk dat
tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door
het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
t. toets nieuwe opleiding: het
keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een
voorgenomen opleiding door het accreditatieorgaan positief is
beoordeeld;
t1. instellingstoets
kwaliteitszorg: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de
interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de
resultaten van een instelling voor hoger onderwijs voor zover
die betrekking heeft op de kwaliteit van haar opleidingen door
het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
u. studiepunt: een studiepunt in
de zin van artikel 7.4, eerste lid;
v. Accreditatieverdrag: het op 3
september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België
inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en
Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167);
w. Ad-programma: het programma,
bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid;
x. toets nieuw Ad-programma: de
toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw
Ad-programma positief is beoordeeld;
x1. persoonsgebonden nummer:
burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van
de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door
Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel
7.38, derde lid;
y. college van bestuur:
– van een bijzondere
instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in
de statuten is aangewezen;
– van een openbare
instelling: het orgaan van de instelling dat op grond van
deze wet terzake bevoegd is;
z. graad: een graad als bedoeld
in artikel 7.10a of artikel 7.18;
aa. rechtspersoon voor hoger
onderwijs: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die
initiële opleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat of
een instelling of een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgt
met uitzondering van de Staat;
bb. openbaar lichaam BES:
openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Artikel 1.1a. Reikwijdte WHW
Deze wet is mede van toepassing in de
openbare lichamen BES.
Artikel 1.2. Reikwijdte
Deze wet heeft betrekking op:
a. de in artikel 1.8 bedoelde
universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de
levensbeschouwelijke universiteiten,
b. rechtspersonen voor hoger
onderwijs met volledige rechtsbevoegdheid die initiële
opleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat en
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële
masteropleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat,
c. de in artikel 1.13, eerste
lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en
d. de Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke
Bibliotheek te 's-Gravenhage.
Artikel 1.3. Instellingen voor hoger
onderwijs
1. Universiteiten zijn gericht op
het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van
wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële
opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij
wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot
wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen
zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.
2. Levensbeschouwelijke
universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk
onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij
verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk
terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker
en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij.
3. Hogescholen zijn gericht op het
verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en
ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk.
Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger
beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen
masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in
elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen
bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is
gericht.
4. De Open Universiteit is gericht
op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger
beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de
Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en
onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van
een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij
verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in
de vorm van afstandsonderwijs.
5. De universiteiten,
levensbeschouwelijke universiteiten, hogescholen en de Open
Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke
ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk
verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun
werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft
Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de
uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
Artikel 1.4. Academische ziekenhuizen
1.Academische ziekenhuizen zijn
werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten
dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en
onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij
vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de
gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding
tot medisch specialist.
2.De academische ziekenhuizen
dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het
onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch
ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een
schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op
het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de
expertisecentra informatie verstrekt, die relevant is voor de door
dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.
3.Het ondersteunen van leerlingen,
bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de
educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is
ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling
betreffen.
4.Het academisch ziekenhuis, de
rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede
lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening
zijn gehouden aan de inspectie, alle gevraagde inlichtingen te
geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het
tweede en het derde lid.
Artikel 1.5. Instellingen voor
wetenschappelijk onderzoek
1.De Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen is werkzaam op het gebied van het
wetenschappelijk onderzoek. In elk geval bevordert zij de
uitwisseling van gedachten en informatie tussen haar leden
onderling en tussen deze leden en andere wetenschapsbeoefenaren en
wetenschappelijke organisaties, adviseert zij Onze minister
desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden op het
gebied van de wetenschapsbeoefening en bevordert zij de
wetenschapsbeoefening door werkzaamheden op dat gebied te
verrichten of te doen verrichten.
2.De Koninklijke Bibliotheek is als
de nationale bibliotheek werkzaam op het gebied van het
bibliotheekwezen en de informatieverzorging, zowel ten behoeve van
het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als ten
behoeve van het openbaar bestuur en de uitoefening van beroep of
bedrijf. In elk geval draagt zij zorg voor de nationale
bibliotheekverzameling, bevordert zij de totstandkoming en
instandhouding van nationale voorzieningen op het vorengenoemde
gebied en bevordert zij de afstemming met de overige
wetenschappelijke bibliotheken.
Artikel 1.6. Academische vrijheid
Aan de instellingen wordt de
academische vrijheid in acht genomen.
Artikel 1.7. Richtlijnen ethiek
Het instellingsbestuur stelt
richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden
aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen
niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem
daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de
werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan
wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of
proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.
Titel 1a. Ruimte voor innovatie
Artikel 1.7a. Ruimte voor innovatie
1. Met het oog op verbetering van
de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het hoger
onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van
bestuur worden afgeweken van:
a. titel 2 van hoofdstuk 2,
b. hoofdstuk 5a,
c. hoofdstuk 6,
d. hoofdstuk 7,
e. titel 2 van hoofdstuk 9,
f. titel 3 van hoofdstuk 10, en
g. paragraaf 4 van hoofdstuk
11.
2. In geval van toepassing van het
eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder
geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke
artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken,
titels of paragrafen wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment,
en
d. op welke wijze en aan de
hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten
worden geëvalueerd.
De voordracht voor die algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een
experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste
zes jaar. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een
voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het
experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling,
kan Onze minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop
het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
5. Onze minister zendt drie maanden
voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment
in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die
algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als
experiment.
6. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een
instelling voor hoger onderwijs en een instelling als bedoeld in
artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs. In dat geval kan voor een instelling als bedoeld
in die wet afgeweken worden van artikel 8.1.1 van die wet,
indienparagraaf 1 van titel 3 van hoofdstuk 7 van deze wet van
toepassing wordt verklaard.
Titel 2. De instellingen
Paragraaf 1. Bekostigde instellingen
voor hoger onderwijs
Artikel 1.8. Opsomming bekostigde
instellingen voor hoger onderwijs
1. De bekostigde instellingen voor
hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van
deze wet onder a tot en met i.
2. De in de bijlage van deze wet
onder a, c, h en j opgenomen instellingen bezitten
rechtspersoonlijkheid.
3. Een wijziging van de statutaire
naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is
van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging
schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.
Artikel 1.9. Bekostiging en
graadverlening
1. Ten behoeve van het verzorgen
van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft,
mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek
hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen
instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet
opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s
Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden
opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets
nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de
toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten
en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen
gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs.
2. Aan de met goed gevolg afgelegde
examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde
instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een
dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben
voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd
in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd
in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot
uitdrukking te brengen.
3. Voorwaarde voor het bepaalde in
het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in
acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten
aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de planning en bekostiging,
c. het personeel,
d. het onderwijsaanbod, de
registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,
e. de vooropleidings- of
toelatingseisen,
f. de studenten en extraneï,
g. de rechtsbescherming van
studenten en extraneï, en
h. het bestuur en de
inrichting.
Artikel 1.10. Aard bepalingen
De bepalingen in deze wet die het
openbaar hoger onderwijs regelen, gelden voor het bekostigde
bijzonder hoger onderwijs als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders
is bepaald.
Paragraaf 2. Rechtspersonen met
geaccrediteerd initieel onderwijs.
Artikel 1.11 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 1.12. Graadverlening
1. Aan de met goed gevolg afgelegde
examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen
voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a
verbonden.
2. Voorwaarde voor het bepaalde in
het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspersoon in acht
neemt hetgeen is bepaald in het derde lid, alsmede hetgeen is
bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de registratie, het
onderwijs en de examens,
c. de vooropleidingseisen.
3. Het bestuur van de rechtspersoon
verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de
rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze minister
jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de
rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van
kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere
gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de
rechtspersoon.
Paragraaf 2a. Instellingen of
rechtspersonen met geaccrediteerd postinitieel onderwijs
Artikel 1.12a. Graadverlening
postinitiële masteropleidingen
Aan de met goed gevolg afgelegde
examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door
rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld
in artikel 7.10averbonden. Artikel 1.12, tweede en derde lid, is van
toepassing.
Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen
Artikel 1.13. Academische
ziekenhuizen; rechtspersoonlijkheid
1. Bij elke in artikel 1.8 bedoelde
universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt,
is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn
opgenomen in onderdeel j van de bijlage van deze wet.
2. De academische ziekenhuizen,
opgenomen in onderdeel j, onder 1, van de bijlage van deze wet,
bezitten rechtspersoonlijkheid.
Artikel 1.14. Bekostiging academische
ziekenhuizen
1.De academische ziekenhuizen
hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet
opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk
geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze
minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van
artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteit waaraan het
academisch ziekenhuis is verbonden.
2.Voorwaarde voor het bepaalde in
het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt
het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen
bepaalde ten aanzien van:
a. de planning en bekostiging,
b. het personeel, en
c. het bestuur en de
inrichting.
Artikel 1.15. Aard bepalingen
1.De volgende bepalingen regelen de
academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten:
a. de artikelen 2.10, 2.12 en
2.13 en de bepalingen van titel 5 van hoofdstuk 2,
b. de bepalingen van hoofdstuk
4, met uitzondering van artikel 4.7, en
c. de bepalingen van hoofdstuk
12, met uitzondering van artikel 12.18.
2.De volgende bepalingen zijn met
betrekking tot de academische ziekenhuizen bij de bijzondere
universiteiten voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder
onderwijs:
a. de artikelen 2.10, 2.12 en
2.13 en de bepalingen van titel 5 van hoofdstuk 2,
b. de bepalingen van hoofdstuk
4, en
c. deartikelen 12.2 en 12.18.
Paragraaf 4. Instellingen voor
wetenschappelijk onderzoek
Artikel 1.16. Rechtspersoonlijkheid
KNAW en KB
De Koninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten
rechtspersoonlijkheid.
Artikel 1.17. Bekostiging
1.De in artikel 1.16 genoemde
instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hebben aanspraak op
een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van
hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden.
2.Voorwaarde voor het bepaalde in
het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt
het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de planning en bekostiging,
c. het personeel, en
d. het bestuur en de
inrichting.
3.De voorwaarden, bedoeld in het
tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning,
hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Titel 3. Kwaliteitszorg
Artikel 1.18. Kwaliteitszorg
1. Het instellingsbestuur van een
in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er
zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere
instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede
door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de
werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen
voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel
van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de
instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door
onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar.
Indien het instellingsbestuur van een instelling voor hoger
onderwijs gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld inartikel
5a.13a, vindt de beoordeling ten minste plaats op basis van het
deel van het accreditatiekader voor de instellingstoets
kwaliteitszorg en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel
5a.13b, tweede lid.
2. Onze minister ziet toe op de
uitvoering van het eerste lid met uitzondering van de laatste
volzin. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van
de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de
instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel d.
3. Het instellingsbestuur van een
in artikel 1.2, onderdelen a en b, bedoelde instelling draagt er
tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere
instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, door
onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen.
De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. De
beoordeling bevat een samenvattend oordeel. De beoordeling vindt
ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader
voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en
de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f,
eerste lid.
4. Het eerste lid, laatste volzin
en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een
rechtspersoon voor hoger onderwijs die geaccrediteerde
postinitiële masteropleidingen verzorgt.
Titel 4. Overige voorschriften
Artikel 1.19. Nevenvestiging
buitenland [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een instelling voor hoger
onderwijs kan geaccrediteerde opleidingen in het buitenland
verzorgen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot de
aanwending van de rijksbijdrage in verband met deze opleidingen.
2. Deartikelen 1.12 en 1.12a zijn
van toepassing.
Artikel 1.20. Verplichting tot
overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
1. Indien het instellingsbestuur op
enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn
instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt
of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in
Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige
student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in
overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de
Wet op het onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld
in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van
een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig
heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid
jegens een minderjarige student van de instelling, doet het
instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar
als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de
vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het
instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het
de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de
betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste
persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid bekend
is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast
persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een
misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige
student van de instelling, stelt het personeelslid het
instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.
Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
Artikel 2.1. Reikwijdte
1. Dit hoofdstuk, met uitzondering
vanartikel 2.13 en titel 5, heeft betrekking op de bekostigde
universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de
levensbeschouwelijke universiteiten, de Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.
2. Op de academische ziekenhuizen
zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van
toepassing.
Titel 1. Planning
Artikel 2.2. Instellingsplan
Het instellingsbestuur stelt eenmaal
per zes jaren een plan met betrekking tot de instelling vast. Het
plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het
voorgenomen beleid van de instelling voor de duur van het plan. In
het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de
bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van
de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het
instellingsbestuur maakt het plan openbaar.
Artikel 2.2a. Procedure en inhoud
instellingsplan onderzoekinstellingen
1.Het instellingsbestuur van de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het
instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek stellen in
afwijking van artikel 2.2 een instellingsplan vast uiterlijk vier
jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan en
zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze minister.
2.In het instellingsplan wordt
rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel
16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk
onderzoek, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen,
rapporten, adviezen en aanbevelingen een en ander voorzover die
naar het oordeel van het instellingsbestuur van belang zijn voor
de uitvoering van de taken van de instelling.
3.Het instellingsplan omvat in elk
geval:
a. de doelstellingen van de
instelling voor wetenschappelijk onderzoek op middellange
termijn,
b. de hoofdlijnen van het te
voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten, en
c. de financiële, personele,
materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden
vervuld.
4.Onze minister brengt zijn
standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst
van het plan ter kennis van het instellingsbestuur. Onze minister
doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de
beide Kamers der Staten-Generaal.
5.Onze minister kan zijn standpunt
over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen,
indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe
aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en
onderzoekplan
1.Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied
van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stelt mede op
grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het
voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de
instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan
heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
2.Het hoger onderwijs- en
onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze
minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek.
3.Het hoger onderwijs- en
onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:
a. een overzicht van
omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met
betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen,
daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de
maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek,
b. algemene voornemens die in
de beleidregels, bedoeld in artikel 6.2, vierde lid, worden
opgenomen, en
c. een financiële raming in
verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking
komende werkzaamheden van de instellingen.
Artikel 2.4. Vaststelling hoger
onderwijs- en onderzoekplan
1. Het hoger onderwijs- en
onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het
tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en
onderzoekplan. Na overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal
kan het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk zes maanden na
het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, worden vastgesteld.
2. Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan
het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk
moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide
Kamers der Staten-Generaal aan.
3. Over de wijze waarop het
vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister
mededeling in de Staatscourant.
Titel 2. Bekostiging
Artikel 2.5. Rijksbijdrage aan
instellingen voor hoger onderwijs
1. De rijksbijdrage waarop de in
artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft,
wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze.
In afwijking van de eerste volzin kan de rijksbijdrage worden
berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze,
voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap
van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb.
2001, 38).
1a. In afwijking van het eerste lid
kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een
bijzondere berekeningswijze:
a. voor de universiteiten
voorzover het betreft onderwijs gericht op het beroep van
leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad, of
b. voorzover dit voortvloeit
uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake
de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).
2. Onze minister kan aan de
bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden
verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.
3. De rijksbijdrage wordt jaarlijks
door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het
desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar
vastgestelde rijksbegroting.
4. Indien het in het derde lid
bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar
vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de
rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.
5. De rijksbijdrage wordt betaald
volgens een door Onze minister te bepalen kasritme.
6. Zolang de rijksbijdrage niet is
vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze minister
een voorschot verstrekt. Het vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.6. Berekening rijksbijdrage
1. De in artikel 2.5, eerste lid,
bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze
bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen
gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking
op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering
daarvan.
2. De bijzondere berekeningswijze,
bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, wordt bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van
bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs
dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze
bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de
studieresultaten.
3. Wat betreft de instellingen voor
hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben
de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en
op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per
opleiding of groepen van opleidingen.
4. De maatstaven voor bekostiging
van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in
ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke
behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met
het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het
onderzoek.
5. Onze minister legt het ontwerp
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste
en tweede lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De
voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet
gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
Artikel 2.6a. Rijksbijdrage aan
instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
1.De inkomsten van de Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke
Bibliotheek bestaan uit:
a. de bijdrage uit 's Rijks
kas,
b. inkomsten, die samenhangen
met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend, en
c. andere inkomsten.
2.De rijksbijdrage wordt
vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere
vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting
waarop zij is voorgesteld.
3.De rijksbijdrage wordt betaald in
zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van
de betalingen door de instelling nodig is.
4.Zolang de rijksbijdrage niet is
vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot
betaald overeenkomstig door Onze minister te stellen regels.
5.Bij vaststelling van de
rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid,
onder c, buiten beschouwing.
6.Onze minister stelt regels met
betrekking tot de bestemming van saldi die voortvloeien uit de
inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.
Artikel 2.7. Mededeling geraamde en
bekendmaking vastgestelde rijksbijdrage
1. Onze minister maakt aan elke
instelling, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, jaarlijks
uiterlijk in oktober bekend welke rijksbijdrage voor het komende
begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij
mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.
2. Onze minister maakt aan elke
instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid,
bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de
instelling is vastgesteld.
3. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.5, vierde lid,
bedoelde nadere vaststelling van de rijksbijdrage.
Artikel 2.7a [Vervallen per
11-05-2001]
Artikel 2.8. Begroting
1. Het instellingsbestuur stelt
jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor
de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen
met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste
lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de
begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de
vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch
ziekenhuis in acht.
2. De begroting behelst een raming
van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de
instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de
Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen
die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in
artikel 2.2a. De in de begroting voorziene inkomsten uit de
rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende
begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk
vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde
rijksbijdrage.
3. Het instellingsbestuur draagt
zorg voor wijziging van de begroting indien de vastgestelde
rijksbijdrage afwijkt van de in de begroting opgenomen geraamde
rijksbijdrage, alsmede in geval van een nader vastgestelde
rijksbijdrage.
4. Het instellingsbestuur doet de
noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde of
gewijzigde begroting.
5. Af- en overschrijving op de
uitgaafposten van de begroting kunnen door het instellingsbestuur
geschieden in de gevallen, voorzien in de door dat bestuur terzake
vast te stellen regels.
Artikel 2.9. Verslaglegging
1. Het instellingsbestuur dient
jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het
verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting,
het jaarverslag en overige financiële gegevens, alsmede een
verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed
bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code
overeenkomstigartikel 2.14 is aangewezen. Uit het verslag dient te
blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van
de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend
en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het
licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van
de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen
daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor
erkenning van verworven competenties het op enigerlei wijze
compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld,
examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft het
instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46, tweede lid,
anders dan op grond van de tweede volzin van dat lid of artikel
7.51.
2. In de jaarrekening wordt
rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van
de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het
jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de
werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de
uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18
en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van
de instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan
een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21
bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere
universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende
de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit
en het academisch ziekenhuis op het gebied van het
wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing
van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document,
onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder jaarverslag
is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is
vastgesteld.
3. Indien uitgaven zijn geschied in
strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien
werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend,
niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is
aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide
bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij
maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening
bekend aan het instellingsbestuur.
4. Het resultaat van het
verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de
instelling.
5. De leden van het college van
bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid
bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk
jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn
geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet,
voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven
gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de
rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven
niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te
bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de
instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan
namens en ten behoeve van de instelling.
Artikel 2.9a. Verrekening van
vorderingen
Onze Minister is bevoegd tot
verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd
gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister
krachtens een andere wet.
Artikel 2.10. Informatieplicht en
doelmatigheidscontrole ministeriële accountant
De accountant die door Onze minister
is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft
met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke
instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden
belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de
instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die
hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Artikel 2.10a. Controleprotocol
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de
jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de door de
instellingen opgegeven bekostigingsgegevens.
Artikel 2.11 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 2.12. Bijzondere bepaling
academische ziekenhuizen
Het bestuur van een in artikel 1.13,
eerste lid, bedoelde universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5
bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een
voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden
academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage
waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste
lid, aanspraak heeft.
Artikel 2.13. Buitengebruikstelling
gebouwen en terreinen
1.Het instellingsbestuur dat
voornemens is om gebouwen of terreinen ten behoeve waarvan een
rijksbijdrage is verleend, blijvend niet meer voor de instelling
te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan Onze
minister.
2.Onze minister kan binnen negentig
dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid,
beslissen dat de gebouwen of terreinen worden overgedragen aan het
Rijk dan wel ten behoeve van onderwijs of onderzoek aan een andere
door hem aan te wijzen rechtspersoon. De overdracht geschiedt door
de inschrijving van de desbetreffende beslissing van Onze minister
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Het instellingsbestuur kan de
gebouwen of terreinen niet verhuren, vervreemden of aan enig
beperkt recht onderwerpen tenzij Onze minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, mededeelt van zijn in het tweede
lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik te maken.
4.Bij de overgang van de eigendom
van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het
Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon
uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage
werd verstrekt, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze
minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het
economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.
Titel 3. Inrichting verslag en
aanwijzing branchecode
Artikel 2.14. Inrichting verslag en
aanwijzing branchecode
Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag
en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer
branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen.
Titel 4. Bijzondere bepalingen in
verband met investeringen en leningen
Artikel 2.15 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 2.16. Opheffing instellingen
1.Bij de opheffing van een openbare
instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een
bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig
mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging,
zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De
eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld
van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2.Tenzij met Onze minister een
andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het
Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig
saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en
mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de
vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het
instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede
gelden.
3.Bij de opheffing dan wel
beëindiging van de bekostiging als bedoeld in het eerste lid,
maakt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk aan Onze minister
bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen
dat de aan die instelling ingeschreven studenten de opleiding aan
een andere instelling kunnen voltooien.
Artikel 2.17. Beheer van de middelen
Het instellingsbestuur beheert de
middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke
exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.
Titel 5. Subsidiëring academische
ziekenhuizen ten behoeve van de educatieve voorziening
Artikel 2.18. Subsidie educatieve
voorziening
1.Jaarlijks verstrekt Onze minister
een subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan de
rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in artikel
1.4, tweede lid, in stand houdt, ter tegemoetkoming in de kosten
van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als
bedoeld in de artikelen 9a van de Wet op het primair onderwijs,
18a van de Wet op de expertisecentra, 18 en 138a van de Wet op het
voortgezet onderwijs en 7.1.4 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
2.De hoogte van de subsidie aan het
academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon
die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op
basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de
hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van
het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld
in artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de
expertisecentra, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die
waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en
een bedrag per leerling.
3.Het bestuur van het academisch
ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening
in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid,
onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde
formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was
benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra, zoals
dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het
academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve
voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een
formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de
formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor
de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden
gold aan die scholen.
Artikel 2.19. Begroting en
verslaglegging
Met betrekking tot de educatieve
voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur
van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de
rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt,
jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een
jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze
minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de
inrichting van de begroting en het jaarverslag.
Artikel 2.20. Controle en
terugvordering
1.Binnen tien maanden na afloop van
het kalenderjaar waarover de subsidie is toegekend, legt het
bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de
rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze minister,
waaruit blijkt in hoeverre de toegekende subsidie is besteed in
overeenstemming met de bepalingen van deze wet.
2.Voorzover niet uit de verklaring,
bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de subsidie is besteed in
overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze
minister het desbetreffende bedrag terug.
Hoofdstuk 3. Overleg
Artikel 3.1. Algemeen overleg
1.Onze minister pleegt geregeld
overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van
de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit,
de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de
Koninklijke Bibliotheek over aangelegenheden van algemeen beleid
met betrekking tot die instellingen.
2.Onze minister pleegt geregeld
overleg met een vertegenwoordiging van de instellingsbesturen van
de bekostigde universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is
verbonden en van de academische ziekenhuizen over aangelegenheden
van algemeen beleid betreffende de academische ziekenhuizen dan
wel betreffende de academische ziekenhuizen en de universiteiten
gezamenlijk.
Artikel 3.2. Overleg met
afzonderlijke instellingen
Onze minister neemt besluiten als
bedoeld in de artikelen 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid,
en 7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken
instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te
overleggen over zijn desbetreffend voornemen.
Artikel 3.3. Overleg met
studentenorganisaties
1.Onze minister pleegt geregeld
overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties
van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor
studenten.
2.Onze minister treft een regeling
ter financiële ondersteuning van de vertegenwoordigers van de in
het eerste lid bedoelde belangenorganisaties, in verband met door
hen te verrichten werkzaamheden.
Hoofdstuk 4. Het personeel
Artikel 4.1. Reikwijdte
1. Dit hoofdstuk heeft betrekking
op universiteiten, hogescholen, de Open Universiteiten en de
levensbeschouwelijke universiteiten.
2. Dit hoofdstuk, met uitzondering
van artikel 4.2, tweede en derde lid, heeft tevens betrekking op
de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.
Artikel 4.2. Personeelsbeleid
1. Het instellingsbestuur bepaalt
het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt
daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede
de eisen van zorgvuldigheid in acht.
2. Het instellingsbestuur van een
universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten
behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs
onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur
uitgaande instelling, indien daaraan van een
ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op
het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is,
eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.
3. Het document bevat
streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen
deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door
het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt
gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar
evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige
vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en
vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs
en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde
onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks
door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt
tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en
zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers
te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte
resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van
vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor
het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het
vorige document gold.
4. Het instellingsbestuur draagt er
zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de
instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de
studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt
bewaard bij de administratie van de instelling.
Artikel 4.3 [Vervallen per
03-08-2005]
Artikel 4.4 [Vervallen per
01-01-1995]
Artikel 4.5. Regeling van de
rechtspositie
1.Met inachtneming van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels als
bedoeld in het tweede en derde lid regelt het instellingsbestuur
van een openbare instelling de rechtspositie van het personeel en
draagt het instellingsbestuur van een bijzondere instelling zorg
voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende:
a. salarisschalen en
uitgangspunten waaraan een door het instellingsbestuur in te
richten functiewaarderingssysteem moet voldoen,
onderscheidenlijk
b. rechten en plichten van het
personeel en het instellingsbestuur bij ziekte, bevalling,
zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, voorzover deze
bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven
gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het instellingsbestuur
deze rechten en plichten zelf regelt dan wel voor de regeling
daarvan zorg draagt.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende
algemene arbeidsduur.
4.Onder regeling van de
rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen
het vaststellen van bepalingen inzake benoeming, schorsing,
disciplinaire maatregelen en ontslag van personeel. De bepalingen
omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare instellingen
niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met
een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van
dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
5.Over de regelingen, bedoeld in
het eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van
algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het
personeel van de desbetreffende instelling, wordt door of namens
het instellingsbestuur overleg gevoerd met de daarvoor in
aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen
wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het
overleg, bedoeld in de vorige volzin, alsmede in geval van een
geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg
leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een
geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie
personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De
uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.
Artikel 4.6 [Vervallen per
01-01-1995]
Artikel 4.7. Commissies van beroep
personeel bijzondere instellingen
1.Elke bijzondere instelling is
aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij door elk
personeelslid van die instelling dat rechtstreeks in zijn belang
is getroffen, beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing,
door of namens het instellingsbestuur genomen, inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. ontslag anders dan op eigen
verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,
d. het direct of indirect
onthouden van bevordering, of
e. de beëindiging van een
verlengd tijdelijk dienstverband.
2.Een commissie van beroep strekt
haar werkzaamheden uit over een of meer instellingen.
3.De commissie bestaat uit een even
aantal gewone leden en, wanneer dit in het beroepsreglement is
bepaald, evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens
lid, en, wanneer dit in het beroepsreglement is bepaald, een of
meer plaatsvervangende voorzitters. De besturen en het personeel
van de aangesloten instellingen benoemen onderscheidenlijk kiezen
elk de helft van het aantal gewone leden en plaatsvervangende
leden. De gewone leden kiezen de voorzitter en de
plaatsvervangende voorzitter of voorzitters. De voorzitter, de
plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en
de eventuele plaatsvervangende leden worden benoemd voor een
termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.
4.De leden en de eventuele
plaatsvervangende leden van de commissie van beroep mogen geen lid
zijn van het bestuur van een aangesloten instelling noch deel
uitmaken van het personeel van de vereniging of stichting waarvan
die instelling uitgaat.
5.Op eigen verzoek wordt aan de
leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep
ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig
jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende
maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of
gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien
zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het
in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene
van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de
gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.
6.De uitspraak van de commissie van
beroep is voor het instellingsbestuur bindend.
7.De besturen van de aangesloten
instellingen stellen voor de commissie van beroep een
beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat een onpartijdig en
onafhankelijk functioneren van de commissie is gewaarborgd. Bij of
krachtens het beroepsreglement worden geregeld:
a. de omvang en samenstelling
van de commissie van beroep,
b. de zittingstermijn van de
leden en eventuele plaatsvervangende leden van de commissie
van beroep,
c. de wijze waarop het
lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap eindigt,
d. de rechtsgang bij de
commissie van beroep, daaronder begrepen de inhoud en
indiening van het beroepschrift, de behandeling ter zitting en
de voorbereiding daarvan, de uitspraak alsmede de
mogelijkheden van verzet, voorlopige voorziening en herziening
van uitspraken, alsmede
e. de wijze waarop in het
secretariaat van de commissie van beroep wordt voorzien.
8.Het beroepsreglement wordt niet
gewijzigd dan nadat de commissie van beroep over de voorgenomen
wijziging is gehoord.
9.Tijdens de behandeling door de
commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot
rechtsvorderingen terzake van beslissingen die aan het oordeel van
de commissie van beroep zijn onderworpen.
Hoofdstuk 5 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 5.1 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 5.2 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 5.3 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 5.4 [Vervallen per
11-05-2001]
Artikel 5.5 [Vervallen per
01-09-2002]
Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het
hoger onderwijs
Artikel 5a.1. Reikwijdte
1. Dit hoofdstuk heeft betrekking
op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open
Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
2. Dit hoofdstuk heeft tevens
betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid
die geaccrediteerde initiële of postinitiële opleidingen
verzorgen of willen verzorgen.
Titel 1. Accreditatieorgaan
Artikel 5a.2. Instelling en taken
accreditatieorgaan
1. Er is een accreditatieorgaan dat
is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van
accreditatie, de toets nieuwe opleiding en de instellingstoets
kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk. Het
accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.
2. Het accreditatieorgaan is tevens
belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die
adviseert over de aanvraag om toets nieuwe opleiding of de
instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het
accreditatieorgaan in met een door het instellingsbestuur
samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling,
bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om
accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd
heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig
is. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van
deskundigen maakt een student deel uit.
3. Het accreditatieorgaan is
desgevraagd belast met het adviseren van Onze minister over het
gebruiken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5a.12b en 5a.13e,
tweede lid. Voordat het accreditatieorgaan een advies als bedoeld
in de eerste volzin uitbrengt, kan hij een onderzoek instellen
waarbij de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing zijn en schakelt hij
een commissie van deskundigen in.
4. Het accreditatieorgaan
rapporteert desgevraagd aan Onze minister over de kwaliteit van
opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de
vergelijkbaarheid aan de hand van zijn beoordelingen op grond van
dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet op grond daarvan
voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen
in het hoger onderwijs nodig acht.
5. Het accreditatieorgaan heeft
tevens tot taak het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a,
te bespreken met instanties in de Europese landen, in het
bijzonder met instanties in de grenslanden.
6. Bij ministeriële regeling
worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan
verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan
hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
7. Onverminderd het
Accreditatieverdrag en het daarop gebaseerde Beheersreglement is
op het accreditatieorgaan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
van toepassing.
Artikel 5a.2a. Accreditatiekader
1. Het accreditatieorgaan legt zijn
werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe
opleiding en instellingstoets kwaliteitszorg en de uitwerking van
de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid,5a.10a, tweede
lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid,
vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten
minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk
onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen
bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil
in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a
ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen.
2. Alvorens het accreditatiekader
vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan
overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere
betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld inartikel
3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van
overheids- en onderwijspersoneel.
3. Het accreditatiekader of een
wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De
goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of
het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet
dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe
aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit
omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter
goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.
4. Het accreditatiekader of de
wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 5a.3. Voordracht
bestuursleden accreditatieorgaan
1.Voordat Onze minister een
voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van
het Accreditatieverdrag, worden de gezamenlijke instellingen,
bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, en de daarvoor in
aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel gehoord.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke
studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in verband met de
voordracht van twee bestuursleden.
3.De bestuursleden die door Onze
minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze minister
ondergeschikte ambtenaren.
4.Voordat het Comité van
Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze
minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de
instellingen en vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door
Onze minister gehoord.
Artikel 5a.3a [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 5a.4 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.5 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.6 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.6a [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.6b. Financiële middelen
1.Onze minister stelt jaarlijks aan
het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de
artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag
financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn
taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het
Accreditatieverdrag.
2.Onze minister stelt jaarlijks
voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij
daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag
vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het
accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit
bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de
begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
3.Het boekjaar van het
accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar.
4.Zolang de wet tot vaststelling
van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in
werking is getreden, verstrekt Onze minister met ingang van het
kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van
maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan
tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 5a.6c [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.6d [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.7 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.7a [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.7b [Vervallen per
01-09-2010]
Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe
opleiding
Artikel 5a.8. Uitgebreide
beoordelingscriteria voor verlenen van accreditatie
1. In het accreditatiekader,
bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van
accreditatie op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan
vastgelegd:
a. de gegevens die het
instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om accreditatie,
b. de wijze waarop de
onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd,
c. de procedure voor het
instemmen met een commissie van deskundigen, bedoeld in
artikel 5a.2, tweede lid, en
d. de voorwaarden voor het
verlenen van de oordelen onvoldoende, voldoende, goed en
excellent aan de onderdelen, bedoeld in het tweede lid.
2. Bij de beoordeling van de
aanvraag om accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten
van kwaliteit die betrekking hebben op de opleiding, waarbij ten
minste worden beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau van
de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en
gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het
onderwijsprogramma,
c. het gerealiseerde
eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en
gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling,
toetsing en examinering van de studenten,
d. de kwaliteit en kwantiteit
van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat
van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,
e. de opleidingsspecifieke
voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die
van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder
mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die
de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een
functiebeperking bevorderen, en
f. de opzet en organisatie van
de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische
verbetering van de opleiding.
Artikel 5a.8a [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 5a.9. Accreditatie opleiding
1. Accreditatie wordt verleend op
aanvraag van het instellingsbestuur.
2. Een aanvraag om accreditatie
wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het vorige
besluit tot het verlenen van accreditatie of van het besluit tot
het verlenen van een toets nieuwe opleiding, bij het
accreditatieorgaan ingediend.
3. Het besluit tot het verlenen van
accreditatie wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel
1.18, derde lid.
4. Het accreditatieorgaan neemt
binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om accreditatie
een besluit. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag
waarop het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie of het
besluit tot het verlenen van toets nieuwe opleiding vervalt.
5. Het accreditatieorgaan verleent
geen accreditatie indien het criterium, bedoeld in artikel 5a.8,
tweede lid, onder c, door hem onvoldoende is beoordeeld.
6. Indien het accreditatieorgaan
besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de
beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de
onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin,
niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid,
dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking
daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe
aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het
zevende lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot
het moment dat, onder de voorwaarden van het achtste lid, op de
aanvraag om accreditatie is beslist.
7. Het besluit tot het verlenen van
accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van
het besluit.
8. Indien een instellingsbestuur
binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om
accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zevende
lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op
de aanvraag om accreditatie is beslist indien het
accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het
zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de
periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het
studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop
volgende studiejaar het accreditatieorgaan niet voor afloop van de
periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In
dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan
het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde
van het daarop volgende studiejaar.
9. De instelling is het
accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van
de aanvraag om accreditatie overeenkomstig een door Onze minister,
na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
Artikel 5a.10. Accreditatierapport
1. Het accreditatieorgaan legt haar
oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de
volgende onderdelen:
a. het besluit op de aanvraag
om accreditatie,
b. de bevindingen naar
aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in
artikel 5a.9, derde lid,
c. een eindoordeel onvoldoende,
voldoende, goed of excellent voor de opleiding, of
d. de bijzondere kenmerken van
de opleiding.
2. Het accreditatierapport is een
besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Alvorens het accreditatierapport
vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het
instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het
accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het
voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.
4. Het accreditatieorgaan zendt het
accreditatierapport na vaststelling onverwijld aan het
instellingsbestuur en maakt het rapport tegelijkertijd openbaar.
5. Het accreditatieorgaan verstrekt
een afschrift van het accreditatierapport op verzoek. Het
accreditatieorgaan vraagt een vergoeding van de kosten voor de
afgifte van een afschrift van het accreditatierapport
overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het
accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
Artikel 5a.10a. Uitgebreide
beoordelingscriteria voor verlenen toets nieuwe opleiding
1. In het accreditatiekader,
bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de toets
nieuwe opleiding op grond van dit artikel door het
accreditatieorgaan vastgelegd:
a. de gegevens die het
instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om een toets
nieuwe opleiding, en
b. voor zover een toets nieuwe
opleiding onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5a.11,
vierde lid, is verleend, de procedure en voorwaarden voor de
instelling.
2. Bij de beoordeling van de
aanvraag om een toets nieuwe opleiding wordt aandacht geschonken
aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de
voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau van
de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en
gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het
onderwijsprogramma,
c. de wijze van beoordeling,
toetsing en examinering van de studenten,
d. de kwaliteit en kwantiteit
van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat
van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,
e. de opleidingsspecifieke
voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die
van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder
mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die
de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een
functiebeperking bevorderen, en
f. de opzet en organisatie van
de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische
verbetering van de opleiding.
3. Onverminderd het tweede lid,
legt het accreditatieorgaan zijn werkwijze vast voor de toets
nieuwe opleiding van de eerste opleiding die wordt verzorgd door
een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen
overeenkomstig de kaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en
op grond van artikel 5a.9, derde lid.
Artikel 5a.11. Toets nieuwe opleiding
1. De toets nieuwe opleiding wordt
verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.
2. Het accreditatieorgaan neemt
binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om de toets nieuwe
opleiding een besluit. In dit besluit geeft het accreditatieorgaan
aan welk onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, naar zijn oordeel voor de
opleiding passend is.
3. Het accreditatieorgaan besluit
gedurende drie jaar geen toets nieuwe opleiding te verlenen,
indien uit de gegevens van de desbetreffende aanvraag blijkt dat
de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel
of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door
diezelfde instelling, waarvoor geen accreditatie is verleend of
het besluit tot het verlenen van accreditatie is ingetrokken.
4. Het accreditatieorgaan kan een
toets nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het
accreditatieorgaan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden
kan verlenen en welke voorwaarden hieraan gesteld kunnen worden.
Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar
niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding
een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de toets
nieuwe opleiding onder voorwaarden is genomen deze toets nieuwe
opleiding.Artikel 5a.12, vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing. Onze minister legt het ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede volzin voor aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene
maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na
die voorlegging zijn verstreken.
5. Met een besluit tot het verlenen
van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die
opleiding als nieuwe opleiding registeren in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
6. Het besluit tot het verlenen van
een toets nieuwe opleiding vervalt:
a. na zes jaar,
b. in afwijking van onderdeel
a, een jaar na de dag waarop het besluit tot het verlenen van
een toets nieuwe opleiding is genomen, indien niet aan de
voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, is voldaan,
c. na tien maanden, indien het
instellingsbestuur de bekostigde opleiding niet binnen deze
termijn heeft laten registreren in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of
d. na zes maanden, indien het
instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding
onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registeren in
het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in
artikel 6.13.
7. Deartikelen 5a.9, negende lid en
5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, zijn
van overeenkomstige toepassing.
8. Indien een toets nieuwe
opleiding wordt aangevraagd voor een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële
masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, waarvoor
accreditatie is verleend, verleent het accreditatieorgaan de toets
nieuwe opleiding zonder nader onderzoek voor dezelfde termijn als
gold voor de accreditatie.
Artikel 5a.12. Gevolgen verlies
accreditatie
1. Indien de accreditatie van een
opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel
5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, niet
opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan
studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid
wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere
instelling. Voor de studenten voor wie dat niet mogelijk is, wordt
de opleiding aan de instelling voortgezet. Het instellingsbestuur
maakt de inhoud van het besluit waarbij de accreditatie niet
opnieuw wordt verleend, binnen zes weken bekend. Daarbij maakt het
instellingsbestuur tevens bekend:
a. aan welke andere instelling
studenten die opleiding kunnen voltooien,
b. de termijn gedurende welke
de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de studenten,
bedoeld in de tweede volzin, met dien verstande dat zij die
opleiding zonder onderbreking blijven volgen en die termijn
ten hoogste de voor die studenten resterende aan de studielast
gerelateerde duur vermeerderd met één jaar bedraagt.
2. Het verstrijken van de periode,
bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a,
eerste lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot
gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling
vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak
bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat
aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is
verbonden en dat de registratie in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt
beëindigd.
3. Het verstrijken van de periode,
bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien
van een rechtspersoon voor hoger onderwijs tot gevolg dat na het
verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn,
genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld
in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het
Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel
6.13, wordt beëindigd.
4. Onze minister kan in de
situatie, bedoeld in het tweede of derde lid, een bestuurlijke
boete opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat de
desbetreffende instelling of de desbetreffende rechtspersoon de
termijn van zes weken, genoemd in het eerste lid, derde volzin,
overschrijdt.
5. Het eerste tot en met vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding
die op grond van artikel 5a.11, vijfde lid, als nieuwe opleiding
is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.11, zesde lid,
of artikel 5a.12a, eerste lid, geen accreditatie is verleend.
6. In afwijking van het eerste tot
en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van
een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na
het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en
zevende lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een
door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op
bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de
examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en
dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
Artikel 5a.12a. Herstelperiode
1. Indien het accreditatieorgaan
vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan de aspecten van
kwaliteit, bedoeld artikel 5a.8, tweede lid, kan het eenmaal de
geldigheidsduur van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het
besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief
gevolg is ondergaan, verlengen met een periode van ten hoogste
twee jaar. Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is
van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
gevallen.
2. Het accreditatieorgaan maakt in
het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur melding van de
te verbeteren aspecten van kwaliteit. Tevens kan het daarin
voorwaarden opnemen.
3. Artikel 5a.9, achtste en negende
lid, is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot
verlenging.
4. In afwijking van artikel 5a.9,
tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het
accreditatieorgaan een aanvraag om een besluit tot vaststelling
dat de opleiding alsnog aan het accreditatiekader voldoet, in ten
minste een half jaar voor afloop van de geldigheidsduur van het
besluit tot verlenging van accreditatie.
5. Het besluit van het
accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde lid, geldt met ingang
van het moment waarop het accreditatieorgaan de vaststelling,
bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan. Op het
vaststellingsbesluit is artikel 5a.9, zevende en achtste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5a.12b. Intrekken
accreditatie en toets nieuwe opleiding
1. Onze minister kan, na advies van
het accreditatieorgaan, een besluit tot het verlenen van
accreditatie of toets nieuwe opleiding intrekken, indien de
beoordeling van de aspecten van kwaliteit van de opleiding,
bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13f,
eerste lid, of 5a.13g, eerste lid, zodanig is gewijzigd dat deze
beoordeling van die aspecten tot een afwijzing van de aanvraag om
accreditatie of toets nieuwe opleiding zou leiden.
2. Alvorens een besluit als bedoeld
in het eerste lid te nemen, hoort Onze minister het
instellingsbestuur.
3. Na intrekking van het besluit
tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding is
artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, op de opleiding van
overeenkomstige toepassing.
Titel 2a. Instellingstoets
kwaliteitszorg
Artikel 5a.13a. Instellingstoets
kwaliteitszorg
Een instelling voor hoger onderwijs
kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
Artikel 5a.13b. Beoordelingscriteria
instellingstoets kwaliteitszorg
1. In het accreditatiekader,
bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de
instellingstoets kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan
vastgelegd:
a. de gegevens die het
instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om
instellingstoets kwaliteitszorg, en
b. de wijze waarop de
onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd.
2. Bij de beoordeling van de
aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg worden voor zover
die betrekking hebben op de kwaliteit van haar opleidingen
beoordeeld:
a. de visie op de kwaliteit van
haar onderwijs,
b. de vormgeving en de
effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een
instelling,
c. het gevoerde beleid op het
gebied van personeel en voorzieningen,
d. de voorzieningen die de
toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een
functiebeperking bevorderen.
Artikel 5a.13c. Aanvraag
instellingstoets kwaliteitszorg
1. Het besluit tot het verlenen van
een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt zes jaar na de dag van
inwerkingtreding van het besluit.
2. Een aanvraag om verlenging van
het besluit tot het verlenen van een instellingstoets
kwaliteitszorg wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van
het besluit tot het verlenen van de vorige instellingstoets
kwaliteitszorg bij het accreditatieorgaan ingediend.
3. Indien een instellingsbestuur
overeenkomstig de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag
om een instellingstoets kwaliteitszorg heeft ingediend, wordt, in
afwijking van het eerste lid, de periode van het geldende besluit
tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg verlengd
tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.
4. Artikel 5a.9, negende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5a.13d. Beoordeling door
accreditatieorgaan
1. Het accreditatieorgaan neemt
binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om een
instellingstoets kwaliteitszorg een besluit.
2. Het besluit tot het verlenen van
een instellingstoets kwaliteitszorg treedt in werking met ingang
van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van een
instellingstoets kwaliteitszorg vervalt, of indien een instelling
voor de eerste maal een instellingstoets kwaliteitszorg wordt
verleend, met ingang van de dag van bekendmaking van het besluit.
3. Het besluit tot het verlenen van
een instellingstoets kwaliteitszorg wordt gebaseerd op de
beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid.
4. Artikel 5a.10, met uitzondering
van het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
5. Indien het accreditatieorgaan
besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, kan een
instellingsbestuur gedurende drie jaar vanaf de datum van het
besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan aan
het besluit tot het verlenen van een instellingstoets
kwaliteitszorg voorwaarden kan verbinden en welke voorwaarden
hierbij kunnen worden gesteld. Indien naar het oordeel van het
accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde
voorwaarden is voldaan, verliest de instelling een jaar na de dag
waarop het besluit tot verlenen van de instellingstoets
kwaliteitszorg is genomen de instellingstoets kwaliteitszorg. Onze
minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in de eerste volzin voor aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van
bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die
voorlegging zijn verstreken.
Artikel 5a.13e. Gevolgen besluit
instellingstoets kwaliteitszorg
1. Indien een instellingsbestuur
beschikt over een besluit tot het verlenen van een
instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de
instelling bij accreditatie beoordeeld op grond van artikel 5a.13f
en bij de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g,
tenzij het instellingsbestuur het accreditatieorgaan verzoekt een
aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding te beoordelen
op grond van titel 2.
2. Artikel 5a.12b, eerste en tweede
lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de
beoordeling betrekking heeft op de aspecten van kwaliteit, bedoeld
in artikel 5a.13b, tweede lid.
3. Indien een instelling niet
langer beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg worden de
opleidingen van de instelling bij accreditatie of toets nieuwe
opleiding beoordeeld op grond van titel 2 van dit hoofdstuk met
uitzondering van de opleidingen waarvoor een volledige aanvraag
bij het accreditatieorgaan is ingediend voor de dag dat op de
aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg is beslist.
4. Indien bij het verlenen van de
instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden zijn gesteld op grond
van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld inartikel 5a.13d,
zesde lid, heeft een besluit tot het verlenen van accreditatie op
grond van artikel 5a.13f onderscheidenlijk de toets nieuwe
opleiding op grond van artikel 5a.13g op een volledige aanvraag
die bij het accreditatieorgaan is ingediend gedurende het jaar
waarin aan de voorwaarden moet worden voldaan, een geldigheidsduur
van een jaar.
5. Indien een instelling op grond
van het bepaalde in de tweede volzin vanartikel 5a.13d, zesde lid,
de instellingstoets kwaliteitszorg verliest, wordt de
geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid
verlengd tot een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan
het oordeel heeft bekendgemaakt dat niet aan de gestelde
voorwaarden is voldaan. Het instellingsbestuur is verplicht binnen
zes maanden na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel,
bedoeld in de vorige volzin, heeft bekendgemaakt een aanvraag om
toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen
d tot en met f, of artikel 5a.10, tweede lid, onderdelen d tot en
met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen
tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding
die zijn gedaan gedurende het jaar waarin de voorwaarden voor de
instellingstoets kwaliteitszorg golden.
6. Het accreditatieorgaan besluit
binnen drie maanden op een aanvraag, bedoeld in het vijfde lid.
Bij een positief besluit van het accreditatieorgaan op de aanvraag
wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding
verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het
accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde
lid, enartikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing. Indien het
accreditatieorgaan niet binnen een jaar na de datum, waarop aan
het instellingsbestuur het oordeel is bekendgemaakt dat niet aan
de gestelde voorwaarden is voldaan, op de aanvraag heeft besloten,
wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde
lid verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig
tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.
7. Indien de instelling naar het
oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar heeft voldaan
aan de voorwaarden, gesteld bij het verlenen van de
instellingstoets kwaliteitszorg, wordt de geldigheidsduur van een
besluit, bedoeld in het vierde lid, verlengd tot zes jaar.
Artikel 5a.13f. Beperkte
beoordelingscriteria accreditatie bij instellingen met een
instellingstoets kwaliteitszorg
1. Bij de beoordeling van de
aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een
instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets
kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van
kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding
waarbij ten minste wordt beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau,
gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het
onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het
ingezette personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen,
en
c. het gerealiseerde
eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en
gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling,
toetsing en examinering van de studenten.
2. Deartikelen 5a.8, eerste lid,
5a.9, 5a.10, 5a.12 en 5a.12a zijn van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria
op grond van dit artikel.
Artikel 5a.13g. Beperkte
beoordelingscriteria toets nieuwe opleiding bij instellingen met een
instellingstoets kwaliteitszorg
1. Bij de beoordeling van de
aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen
opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een
instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de
volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het
niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste wordt
beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau,
gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het
onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het in te
zetten personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en
c. de wijze van beoordeling,
toetsing en examinering van de studenten.
2. Deartikelen 5a.10a, eerste lid,
5a.11 en 5a.12, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria
op grond van dit artikel.
Titel 3. Overige bepalingen
Artikel 5a.13 [Vervallen per
01-02-2005]
Artikel 5a.14 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 5a.15. Gevolgen vernietiging
van besluiten
Onze minister kan bij toepassing van
de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, bepalen dat een instelling gedurende
een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op
bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de
examens een graad blijft verbonden en dat de registratie in het
Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel
6.13, niet wordt beëindigd.
Artikel 5a.16 [Vervallen per
01-09-2010]
Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod
Artikel 6.1. Reikwijdte
1. De titels 1 en 3 van dit
hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en
hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke
universiteiten.
2. Titel 2 heeft uitsluitend en
titel 3 heeft tevens betrekking op rechtspersonen voor hoger
onderwijs.
Titel 1. Opleidingen bekostigde
instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 6.2. Onderwijsaanbod
1. Het instellingsbestuur legt het
voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding ter
instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling
van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op
het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger
onderwijs. Het instellingsbestuur verstrekt daarbij het gegeven,
in welke gemeente of welk openbaar lichaam BES de opleiding wordt
gevestigd. Artikel 7.17, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Onze minister kan zich bij de
beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten
bijstaan door een adviescommissie.
3. De instemming van Onze minister
vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de
instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
4. Onze minister stelt
beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt.
Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide
Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 6.3 [Vervallen per
26-09-2003]
Artikel 6.4 [Vervallen per
26-09-2003]
Artikel 6.5. Ontneming rechten aan
opleidingen
1.Onze minister kan besluiten dat
aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en
tweede lid, worden ontnomen, indien:
a. de verzorging van die
opleiding, gelet op de spreiding en de mate van
verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs,
en het profiel van de instelling die de desbetreffende
opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer
doelmatig kan worden geacht, of
b. niet of niet meer wordt
voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over
de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens,
de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.
2.Bij een besluit tot ontneming van
rechten bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van
kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven
studenten de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere
instelling binnen een redelijke termijn kunnen voltooien.
Artikel 6.6. Procedure ontneming
rechten aan opleidingen
1.Onze minister neemt een besluit
op grond van artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk acht
weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van
rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft
gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze
bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze minister
stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de
Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot
ontneming van rechten op de hoogte.
2.Voordat Onze minister een besluit
neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel
b, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder
bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg
moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden.
De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn
gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
Artikel 6.7. Toestemming voor
specifieke selectiecriteria en hoger collegegeld
1. Onze minister kan op aanvraag
van het instellingsbestuur toestemming verlenen gegadigden bij de
inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het
instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang
daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te
stellen dat hoger is dan het volledige wettelijke collegegeld
volgens het basistarief dat op grond van artikel 7.45, zevende
lid, bij algemene maatregel van bestuur is vastgesteld en op de
wijze daarin bepaald is geïndexeerd.
2. De toestemming van Onze minister
heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald
programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen
gelijk zijn aan die van de opleiding.
3. Onze minister verleent
uitsluitend zijn toestemming, indien:
a. de aanvraag kleinschalig en
intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een
bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten
binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en
b. de toestemming geen afbreuk
doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger
onderwijs.
4. Het hogere collegegeld bedoeld
in het eerste lid, bedraagt ten hoogste vijf maal het volledige
wettelijk collegegeld volgens het basistarief dat op grond van
artikel 7.45, zevende lid, bij algemene maatregel van bestuur is
vastgesteld en op de wijze daarin bepaald is geïndexeerd.
Artikel 6.7a. Aan toestemming
verbonden verplichtingen
1. Aan de toestemming, bedoeld in
artikel 6.7, eerste lid, zijn de volgende verplichtingen voor het
instellingsbestuur verbonden:
a. het selecteren van
gegadigden;
b. het vaststellen van een
regeling voor de selectiecriteria en-procedure;
c. het vaststellen van een
regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van
betaling van het hogere collegegeld; en
d. het meewerken aan een
eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in artikel
6.7c.
2. Onze minister kan andere
verplichtingen aan de toestemming, bedoeld inartikel 6.7, eerste
lid, verbinden.
Artikel 6.7b. Aanvraag voor
toestemming en advisering door accreditatieorgaan
1. Het instellingsbestuur dient een
aanvraag als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, in bij het
accreditatieorgaan.
2. Na ontvangst van een aanvraag
stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van
Onze minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op
over:
a. het aspect, bedoeld in
artikel 6.7, derde lid, onder a, en;
b. de vraag, of de
desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma
binnen een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid,
ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet
worden beschouwd als een nieuwe opleiding
3. Het accreditatieorgaan zendt het
advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag,
binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze minister.
4. Onze minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de
daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.
5. In het accreditatiekader,
bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, legt het accreditatieorgaan
het advieskader en zijn werkwijze vast.
Artikel 6.7c. Toetsing aan de
praktijk
1. Indien Onze minister aan het
instellingsbestuur toestemming als bedoeld inartikel 6.7, eerste
lid, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect,
bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende
opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel
6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de
verlening éénmalig toetsen aan de praktijk.
2. Bij het verlenen van de
toestemming, bedoeld in artikel 6.7, kan Onze minister bepalen dat
de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het
tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de
toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe
inzichten zijn te verwachten.
3. Het accreditatieorgaan zendt
zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk
aan Onze minister.
4. Onze minister kan nadere regels
stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in
het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 6.7d. Intrekking toestemming
Onze minister kan de toestemming,
bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, intrekken, indien:
a. de opleiding dan wel het
programma binnen een opleiding, bedoeld inartikel 6.7, tweede
lid, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7,
derde lid, onder a;
b. de opleiding of het programma
binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, moet
worden beschouwd als een nieuwe opleiding;
c. de kwaliteit of de
toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of
d. het instellingsbestuur de
verplichtingen, bedoeld in artikel 6.7a, niet naleeft.
Artikel 6.8 [Vervallen per
26-09-2003]
Titel 2. Opleidingen rechtspersonen
voor hoger onderwijs
Artikel 6.9. Verlening rechten
verbonden aan een eerste opleiding van een rechtspersoon
1. Een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 5a.8, achtste lid, dient een verzoek om graden te mogen
verlenen in bij Onze minister onder overlegging van een positief
oordeel als bedoeld in artikel 5a.8, achtste lid, van het
accreditatieorgaan.
2. Naar aanleiding van het verzoek,
bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze minister
over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de
naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen
1.12, tweede lid en 1.12a.
3. Naar aanleiding van het verzoek
en mede op grond van het advies beslist Onze minister of de
artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd
door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn.
4. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon
de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12of 1.12a op het moment
van de overdracht niet van toepassing zijn.
5. Indien door de in het eerste lid
bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen
hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde
opleidingen meer worden verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts
opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met
derde lid.
Artikel 6.10. Ontneming rechten
verbonden aan opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger
onderwijs
1. Onze minister kan besluiten dat
aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een
rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel
1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien niet of niet meer wordt
voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten
aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de
examens of de vooropleidingseisen.
2. Een besluit op grond van het
eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende
opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in
artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal
register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13,
wordt beëindigd.
3. Artikel 6.5, tweede lid, en
artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Voordat Onze minister een
besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het
instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn
waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en
desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De
termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven,
bedraagt ten minste drie maanden.
5. Indien Onze minister een besluit
als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle
opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan
deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing
van artikel 6.9.
Artikel 6.11 [Vervallen per
26-09-2003]
Artikel 6.12. Intrekking aanwijzing
instelling
1.Het besluit tot intrekking van de
aanwijzing wordt door Onze minister genomen, indien de instelling
geen opleiding die is geregistreerd in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, meer verzorgt.
2.De aanwijzing kan door Onze
minister worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de
in artikel 1.12, tweede of derde lid, bedoelde voorwaarden.
Artikel 6.10, vierde lid, is van toepassing.
Titel 3. Het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs
Artikel 6.12a [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 6.13. Het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs
1. Het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende
verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de
instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister
is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het
register en met het verstrekken van informatie uit het register.
2. [Vervallen.]
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal
register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat
bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het
register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van
informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop
deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van
bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene
maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in
onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen
betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste
onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs,
landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en
cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het
onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel
lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het
onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel
opleidingen op het gebied van de kunst.
4. Het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld
in artikel 7.3a de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding en
de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het
Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere
internationale taal die gangbaar is,
b. of het hoger
beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,
c. of de opleiding is
geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief
gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,
d. de indeling in het register,
e. indien het een gezamenlijke
opleiding of een gezamenlijk afstudeerprogramma als bedoeld in
artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding of
het afstudeerprogramma wordt verzorgd,
f. het voltijdse, deeltijdse of
duale karakter,
g. de studielast waarbij ten
aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is
vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of,
wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs, op zijn verzoek door Onze minister,
h. of aan een bacheloropleiding
een propedeutisch examen is verbonden,
i. of het een opleiding gericht
op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de
wet vereisten zijn vastgesteld,
j. of toepassing is gegeven aan
artikel 7.25, vierde lid,
k. of eisen omtrent het
verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27
gesteld worden,
l. de gemeente, de gemeenten,
het openbaar lichaam BES of de openbare lichamen BES waar de
opleiding is gevestigd,
m. de door de instelling op
grond van artikel 5a.12, vierde volzin, onderdeel b
vastgestelde termijn,
n. de door Onze minister op
grond van artikel 5a.12, zesde lid, of5a.15, vastgestelde
termijn,
o. indien toepassing is gegeven
aan artikel 5a.12a: de termijn, bedoeld in het eerste lid van
dat artikel, en het door het accreditatieorgaan genomen
besluit op grond van vijfde lid van dat artikel,
p. het tijdstip waarop voor het
eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,
q. indien de opleiding niet
langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie
zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het
eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding
of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in
een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met
een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,
r. indienartikel 5a.9, zevende
lid, van toepassing is: de door het accreditatieorgaan
vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede volzin van dat
artikellid.
s. of Onze minister met
betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor
het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld
inartikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen
van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,
t. of binnen de opleiding een
programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze minister
toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke
selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang
daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als
bedoeld in dat artikel.
5. Het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld
in artikel 7.3b:
a. de naam van de opleiding en
de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en
b. de gegevens, bedoeld in het
vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o en q.
6. Onze minister legt het ontwerp
van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid,
voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor
die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat
dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
Artikel 6.14. De registratieprocedure
1. Het instellingsbestuur kan een
opleiding na de verlening van accreditatie aanmelden voor
registratie. Het instellingsbestuur kan een opleiding die de
instelling voornemens is te verzorgen, aanmelden voor registratie,
nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg
heeft ondergaan. In afwijking van de tweede volzin kan het
instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van
die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid,
onder b.
2. De aanmelding geschiedt onder
vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
Bij de aanmelding van een geaccrediteerde opleiding, voegt het
instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel
5a.10, eerste lid. Bij de aanmelding van een opleiding die de
toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt
het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding
en bewijst door middel van een voornemen als bedoeld in artikel
6.2, eerste lid, of een besluit als bedoeld in artikel 6.2, derde
lid, dat er geen sprake is van een ondoelmatige taakverdeling
tussen de instellingen. Indien de indeling van het Centraal
register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het
instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur
met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het
gebied van de opleiding het best omschrijft. Het
instellingsbestuur dat een masteropleiding in het hoger
beroepsonderwijs aanmeldt voor registratie als bekostigde
opleiding, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, aanhef en onder b,
voegt het besluit van Onze minister, bedoeld in dat artikel toe.
Het instellingsbestuur dat een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs aanmeldt voor registratie, voegt zo
nodig het besluit van Onze minister, bedoeld in artikel 7.4a,
vijfde lid, eerste volzin, toe.
3. Onze Minister registreert binnen
een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het
instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs.
4. Indien de gegevens niet volledig
zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet
passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt Onze Minister
het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze
Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende
gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het
betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin,
stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in
artikel 5a.11, vijfde lid, onderdeel a. Onverminderd artikel 6.15
weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend,
indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet
volledig heeft ontvangen, indien zij constateert dat de gegevens
niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel
van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan
worden voor de opleiding.
5. Indien de Informatie Beheer
Groep of Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal
register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of
de indeling niet passend is voor de opleiding, worden de gegevens
door de Informatie Beheer Groep of de indeling door Onze minister
aangepast.
6. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld
in artikel 6.13, vierde en vijfde lid.
Artikel 6.15. Beëindiging
registratie
1. Onze Minister beëindigt de
registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:
a. het instellingsbestuur te
kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet
langer zal verzorgen,
b. de termijn, bedoeld in de
artikelen 5a.12, eerste, vierde of vijfde lid, of artikel
5a.15, is verstreken,
c. Onze minister met toepassing
van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de
opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede
lid, ontnomen worden, dan wel
d. Onze minister met toepassing
van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat
ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld inartikel
1.12, ontnomen worden.
2. Onze Minister wijzigt de
registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid,
onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.
3. Onze minister wijzigt de
registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid,
onderdeel r of s, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel
6.7d.
4. De kennisgeving, bedoeld in het
eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het
kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de
inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding
of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de
bacheloropleiding dan wel inschrijving voor de masteropleiding
niet meer openstaat.
Titel 4
Artikel 6.16 [Vervallen per
01-09-2002]
Hoofdstuk 7. Onderwijs
Artikel 7.1. Reikwijdte
1. Dit hoofdstuk heeft betrekking
op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open
Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
2. De titels 1 en 2 van dit
hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 7.8b, 7.17,7.17a,
7.18, 7.22, 7.25, 7.30a, en 7.30b, met uitzondering van het eerste
lid, vierde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op de
rechtspersonen voor hoger onderwijs.
Titel 1. Het onderwijs, de examens en
de promoties
Paragraaf 1. Het onderwijs en de
examens
Artikel 7.2. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de
examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de
eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:
a. wanneer het een opleiding met
betrekking tot die taal betreft,
b. wanneer het onderwijs betreft
dat in het kader van een gastcollege door een anderstalige
docent gegeven wordt, of
c. indien de specifieke aard, de
inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst
van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het
instellingsbestuur vastgestelde gedragscode.
Artikel 7.3. Opleidingen en
onderwijseenheden
1. Het onderwijs wordt door de
instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.
2. Een opleiding is een
samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de
verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van
kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding
voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking
hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en
op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale
opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het
instellingsbestuur plaatsvinden.
3. Aan elke opleiding is een examen
verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.
4. Elke opleiding wordt op de voet
van titel 3 van hoofdstuk 6 geregistreerd in het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs.
Artikel 7.3a. Bachelor- en
masteropleidingen
1.Binnen het wetenschappelijk
onderwijs worden onderscheiden:
a. bacheloropleidingen, en
b. masteropleidingen, volgend
op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a.
2.Binnen het hoger beroepsonderwijs
worden onderscheiden:
a. bacheloropleidingen, en
b. masteropleidingen die door
Onze minister als zodanig zijn aangemerkt.
3.Een besluit als bedoeld in het
tweede lid, onder b, wordt uitsluitend genomen, indien in een
opleiding niet of in onvoldoende mate is voorzien en de
instandhouding van die opleiding wordt gevorderd door:
a. het belang van het
instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod, en
b. een aantoonbare
maatschappelijke behoefte.
Artikel 7.3b. Postinitiële
masteropleidingen
Naast de opleidingen, bedoeld in
artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden:
a. postinitiële
masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en
b. postinitiële
masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
Artikel 7.3c. Gezamenlijke opleiding
of gezamenlijke afstudeerrichting
1. Een instelling kan gezamenlijk
met een of meer Nederlandse instellingen of buitenlandse
instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of
afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het
instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling
onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken
Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de
taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2,
6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9,
7.10a, 7.11, 7.12, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37,
7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.
2. Voor andere dan de in het eerste
lid bedoelde taken en bevoegdheden die betrekking hebben op een
opleiding of afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in
een overeenkomst vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is
voor de uitoefening daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen
blijven voor de uitoefening van deze taken en bevoegdheden
gezamenlijk verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden
buiten de instelling.
3. Als een student zich bij een
instelling laat inschrijven voor een gezamenlijke opleiding of
afstudeerrichting, wordt die student ook ingeschreven bij de
opleiding van de andere instelling voorzover het een Nederlandse
instelling betreft.
4. Indien een instellingsbestuur
als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, ten aanzien van een
ingeschreven student bevoegd is de hoogte van het collegegeld te
bepalen, geldt in het geval die student ook is ingeschreven bij
een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs voor een
gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting in de zin van dit
artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het collegegeld
niet het bij of krachtens de wet vastgestelde minimumbedrag.
Artikel 7.3d. Vrij onderwijsprogramma
in het wetenschappelijk onderwijs
Een student die is ingeschreven voor
een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, zelf uit
onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een
programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig
wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in
de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
Artikel 7.4. Studielast en
studiepunten
1.De studielast van elke opleiding
en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur
uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar
bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan
1680 uren studie.
2.Een opleiding wordt zodanig
ingericht dat een student in redelijkheid in staat wordt gesteld
om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in
artikel 10.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000, of
de norm vastgesteld krachtens artikel 10.6, derde lid, van die
wet.
Artikel 7.4a. Studielast opleidingen
in het wetenschappelijk onderwijs
1. De studielast van een
bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 180
studiepunten. In afwijking van de eerste volzin kan de studielast
van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs ten
hoogste 240 studiepunten bedragen, indien Onze minister voor die
opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is op
het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld
in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.
2. Behoudens het bepaalde in het
derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.
3. De studielast van de
masteropleidingen tot leraar voor de periode van voorbereidend
hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten
minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In
afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van door
Onze minister aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin
ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het
instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
4. De studielast van de
masteropleiding voor het beroep van wijsgeer van een bepaald
wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.
5. De studielast van de door Onze
minister aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs bedraagt 120 studiepunten. Onze minister kan bepalen dat
de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk
onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of
beroep, 180 studiepunten bedraagt en dat de studielast van de
masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een
buitenlandse instelling als bedoeld in artikel 7.3c 90
studiepunten bedraagt.
6. De studielast van de
masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van
dierenarts, voor het beroep van apotheker, voor het beroep van
tandarts en voor het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180
studiepunten.
7. De studielast van de
masteropleidingen geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240
studiepunten.
8. Het instellingsbestuur kan
bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een
grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
Artikel 7.4b. Studielast opleidingen
in het hoger beroepsonderwijs
1. De studielast van een
bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240
studiepunten.
2. De studielast van een
masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60
studiepunten.
3. De studielast van de
masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste
60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het
instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
4. De studielast van de
masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste
graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten.
5. De studielast van de
masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120
studiepunten.
6. De studielast van de
masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten.
7. De studielast van de
masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240
studiepunten.
8. Het instellingsbestuur kan
bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een
grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
Artikel 7.5 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 7.6. Beroepsvereisten
1. Indien een instelling een
opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of
krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis,
het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van
de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het
instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding
volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te
voldoen.
2. Tot de in het eerste lid
bedoelde vereisten behoren die welke ten aanzien van artsen,
verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen, dierenartsen,
architecten en apothekers zijn neergelegd in richtlijn nr.
2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties (PbEU L 255).
3. Opleidingen die in het bijzonder
zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een
praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
4. Het eerste en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van opleidingen die leiden
tot een getuigschrift als bedoeld in artikel 33, lid 1a, van de
Wet op het voortgezet onderwijs en als bedoeld in artikel 80,
derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES.
Artikel 7.7. Voltijdse, deeltijdse en
duale inrichting van opleidingen
1. Opleidingen aan bekostigde
instellingen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en
worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse
onderscheidenlijk duale opleidingen.
2. Een duale opleiding is zodanig
ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer
perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met
dat onderwijs. Deze beroepsuitoefening vindt in het
wetenschappelijk onderwijs niet plaats gedurende de propedeutische
fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is
ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een
studielast van 60 studiepunten. Het gedeelte van een duale
opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt
aangeduid als onderwijsdeel.
3. De studielast van het deel van
de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in
verband met het onderwijs, bedraagt een door het
instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te
beargumenteren aantal studiepunten.
4. In de onderwijs- en
examenregeling wordt voor een duale opleiding aangegeven:
a. de minimale studielast van
het onderwijsdeel,
b. de tijdsduur van de periode
of de gezamenlijke tijdsduur van de perioden die ten minste in
de beroepsuitoefening wordt doorgebracht, en
c. de minimale studielast van
het deel van de opleiding dat wordt gevormd door de
beroepsuitoefening.
5. De beroepsuitoefening binnen een
duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst,
gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend
bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt
de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met
inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet
bepaalde ten minste bepalingen over:
a. de duur van de overeenkomst
en de tijdsduur van de periode of perioden van de
beroepsuitoefening,
b. de begeleiding van de
student,
c. dat deel van de kwaliteiten,
bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder c, dat de student
tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient
te realiseren, en de beoordeling daarvan, en
d. de gevallen waarin en de
wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
Artikel 7.7a [Vervallen per
25-01-2003]
Artikel 7.8. Propedeutische fase en
propedeutisch examen
1. Het instellingsbestuur kan in
een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een
propedeutische fase instellen.
2. Een bacheloropleiding in het
hoger beroepsonderwijs omvat een propedeutische fase.
3. Aan de propedeutische fase is,
voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is
bepaald, een propedeutisch examen verbonden.
4. De studielast van de
propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden,
bedraagt 60 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase
van een duale bacheloropleiding bedraagt 60 studiepunten.
5. De propedeutische fase wordt met
het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er
sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de
bacheloropleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie
aan het eind van die fase.
Artikel 7.8a.
Associate-degreeprogramma
1.Het instellingsbestuur kan in een
bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een
Associate-degreeprogramma instellen.
2.De studielast van het programma
bedraagt ten minste 120 studiepunten.
3.De artikelen 7.8b,7.53, 7.54,
7.56, 7.57b, 7.57c, 7.57d en 7.57g zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7.8b. Studieadvies
propedeutische fase
1.Het instellingsbestuur van een
bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student
uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving
voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale
bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie
binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse
bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip
waarop dat advies wordt uitgebracht.
2.Onverminderd het eerste lid kan
het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang
deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.
3.Aan een advies als bedoeld in het
eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van
opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn
aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch
niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van
inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts
worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het
instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke
omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de
opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de
vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het
instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het
instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen
die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen
gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid
krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de
propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor
zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede
studievoortgang zijn gewaarborgd.
4.Voordat het instellingsbestuur
tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een
waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen
de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn
verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot
een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.
5.Van de student die op grond van
het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de
desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd.
De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding
worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing
heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de
betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden
ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten
genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die
opleiding met vrucht zal kunnen volgen.
6.Het instellingsbestuur stelt ter
uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels
hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de
voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn,
bedoeld in het vierde lid.
7.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld
in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling
betrekt.
8.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de
eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de
toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen»
mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de
eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.9. Verwijzing in
postpropedeutische fase
1.Indien een bacheloropleiding na
de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan
het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe
door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een
voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot
een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het
instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid
slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de
verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van
elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid
gerechtvaardigd is.
2.Bij de toepassing van het eerste
lid baseert het instellingsbestuur zijn beslissing:
a. op de studieresultaten van
de student,
b. op het door de student
gevolgde studieprogramma, of
c. op een combinatie van a en
b.
Het instellingsbestuur stelt de
student alvorens tot een beslissing over te gaan in de gelegenheid
te worden gehoord.
3.Bij de weging van de
studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt
het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden
van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn
beoordeling betrekt.
4.Bij de weging van het
studieprogramma van de student, bedoeld in het tweede lid, onder b
en c, beoordeelt het instellingsbestuur of de door de student
gekozen programmaonderdelen van de opleiding voldoende aansluiten
op de door de student gewenste afstudeerrichting.
5.Het instellingsbestuur stelt ter
uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben
in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen,
bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het
derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de
afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid.
6.Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de
eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.9a.
Studievoortgangscontrole tempobeurs
1. Het instellingsbestuur stelt van
iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig
moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet
studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang
vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het
deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend
op het desbetreffende studiejaar.
2. Het instellingsbestuur deelt aan
Onze Minister mee welke van de in het eerste lid bedoelde
studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in artikel 10.6,
tweede of derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, met
inachtneming van artikel 10.6 van die wet, niet hebben behaald.
Die mededeling geschiedt voor 1 november, volgend op het
desbetreffende studiejaar.
3. Gelijktijdig met de mededeling,
bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de
betrokken student over de gegevens die aan Onze Minister zijn
verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties
volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke
beroepsgang voor de student openstaat.
Artikel 7.9b. Selectie voor een
speciaal traject gericht op het behalen van een hoger niveau
1. Indien een instellingsbestuur
binnen een opleiding een speciaal traject aanbiedt, dat is gericht
op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten, kan het
instellingsbestuur daarvoor studenten selecteren.
2. Het instellingsbestuur stelt
regels vast met betrekking tot de selectie, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 7.9ba [Vervallen per
01-09-2000]
Artikel 7.9bb [Vervallen per
01-09-2000]
Artikel 7.9c. Ontbreken van gegevens
bij studievoortgangscontrole
Indien het instellingsbestuur niet
kan vaststellen welke studenten onder artikel 10.6 van de Wet
studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens,
bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, over alle studenten. In
dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de
artikelen 7.9a, tweede lid.
Artikel 7.9d. Met goed gevolg
afleggen van het afsluitend examen
Het instellingsbestuur doet voor het
einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student,
bedoeld in artikel 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het
afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling
aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling
bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
Artikel 7.9e [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 7.9f [Vervallen per
01-09-2000]
Artikel 7.10. Examens en tentamens
1. Elk tentamen omvat een onderzoek
naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus,
alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.
2. Indien de tentamens van de tot
een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding
behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het
examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald
dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten
onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.10a. Verlening van graden
1.Het instellingsbestuur verleent
de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed
gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen
van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft
afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg
afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding
onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een
masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad
toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële
regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met
betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging
dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.
2.Het instellingsbestuur verleent
de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed
gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het
hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van
een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd.
Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van
opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een
andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede
volzin, vaststellen.
3.Het bestuur van de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan
degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een
masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft
afgelegd. De tweede volzin van het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in
artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in
artikel 7.3b, onder b.
4.Het instellingsbestuur of het
bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan
een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld
waarop de graad betrekking heeft.
Artikel 7.10b. Verlening van de graad
Associate degree
1.Het instellingsbestuur verleent
de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het
examen heeft afgelegd van een Ad-programma waarvoor een besluit
als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid, of een
accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde lid, is
genomen.
2.Indien toepassing is gegeven aan
artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin, voegt het
instellingsbestuur dezelfde toevoeging toe aan de graad Associate
degree.
3.Artikel 7.11, tweede en derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.11. Getuigschriften en
verklaringen
1. Ten bewijze dat een tentamen met
goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator
of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk
uitgereikt.
2. Ten bewijze dat het examen met
goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een
getuigschrift uitgereikt, nadat het instellingsbestuur heeft
verklaard dat aan de procedurele eisen voor de afgifte is voldaan.
Per opleiding wordt één getuigschrift uitgereikt. Op het
getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen worden
relevante gegevens vermeld, waaronder in ieder geval:
a. de naam van de instelling en
welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in
artikel 6.13, het betreft,
b. welke onderdelen het examen
omvatte,
c. in voorkomende gevallen
welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met
artikel 7.6, eerste lid,
d. welke graad als bedoeld in
artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend, en
e. op welk tijdstip de
opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk
tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in
artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan, en
f. indien het een gezamenlijke
opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in
artikel 7.3b betreft, de naam van de instelling of, bij een
gezamenlijke opleiding, instellingen die de bedoelde opleiding
of afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd.
3. Degene die aanspraak heeft op
uitreiking van een getuigschrift, kan overeenkomstig door het
instellingsbestuur vast te stellen regels de examencommissie
verzoeken daartoe nog niet over te gaan.
4. De examencommissie voegt aan een
getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen,
een supplement toe. Het supplement heeft tot doel inzicht te
verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede
met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het
supplement bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding en
de instelling die de opleiding verzorgt,
b. of het een opleiding in het
wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger
beroepsonderwijs betreft,
c. een beschrijving van de
inhoud van de opleiding, en
d. de studielast van de
opleiding.
Het supplement wordt opgesteld in
het Nederlands of Engels en voldoet aan het Europese
overeengekomen standaardformat.
5. Degene die meer dan een tentamen
met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als
bedoeld in het tweede lid kan worden uitgereikt, ontvangt
desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven
verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door
hem met goed gevolg zijn afgelegd.
Artikel 7.12. Examencommissie
1. Elke opleiding of groep van
opleidingen aan de instelling heeft een examencommissie.
2. De examencommissie is het orgaan
dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student
voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling
stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig
zijn voor het verkrijgen van een graad.
Artikel 7.12a. Benoeming en
samenstelling examencommissie
1. Het instellingsbestuur stelt de
examencommissie in en benoemt de leden op basis van hun
deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of
groep van opleidingen. Ten minste één lid is als docent
verbonden aan de opleiding of aan een van de opleidingen die tot
de groep van opleidingen behoort.
2. Het instellingsbestuur draagt er
zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de
examencommissie voldoende wordt gewaarborgd.
3. Alvorens tot benoeming van een
lid over te gaan, hoort het instellingsbestuur de leden van de
desbetreffende examencommissie.
Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden
examencommissie
1. Naast de taken en bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een
examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:
a. het borgen van de kwaliteit
van de tentamens en examens onverminderdartikel 7.12c,
b. het vaststellen van
richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs-
en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van
tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,
c. het door de meest daarvoor
in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming
aan een student om een door die student samengesteld programma
als bedoeld in artikel 7.3d te volgen, waarvan het examen
leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de
examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de
instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de
toepassing van deze wet, en
d. het verlenen van
vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens.
2. Indien een student of extraneus
fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen
één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of
examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te
bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan
het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de
inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief
beëindigen.
3. De examencommissie stelt regels
vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in
het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over
de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De
examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen
dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om
vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.
4. Indien een student bij de
examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een
examinator betrokken is die lid is van de examencommissie, neemt
de betrokken examinator geen deel aan de behandeling van het
verzoek of de klacht.
5. De examencommissie stelt
jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. De
examencommissie verstrekt het verslag aan het instellingsbestuur
of de decaan.
Artikel 7.12c. Examinatoren
1. Voor het afnemen van tentamens
en het vaststellen van de uitslag daarvan wijst de examencommissie
examinatoren aan.
2. De examinatoren verstrekken de
examencommissie de gevraagde inlichtingen.
Artikel 7.13. Onderwijs- en
examenregeling
1. Het instellingsbestuur stelt
voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van
opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs-
en examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de
opleiding of groep van opleidingen.
2. In de onderwijs- en
examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet
terzake bepaalde, per opleiding of groep van opleidingen de
geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met
betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten
minste begrepen:
a. de inhoud van de opleiding
en van de daaraan verbonden examens,
b. de inhoud van de
afstudeerrichtingen binnen een opleiding,
c. de kwaliteiten op het gebied
van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij
beëindiging van de opleiding moet hebben verworven,
d. waar nodig, de inrichting
van praktische oefeningen,
e. de studielast van de
opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende
onderwijseenheden,
f. de nadere regels, bedoeld in
de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,
g. ten aanzien van welke
masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a,
achtste lid,
h. het aantal en de
volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop
deze afgelegd kunnen worden,
i. de voltijdse, deeltijdse of
duale inrichting van de opleiding,
j. waar nodig, de volgorde
waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per
studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen
van de tentamens en examens,
k. waar nodig, de
geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens,
behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die
geldigheidsduur te verlengen,
l. of de tentamens mondeling,
schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens
de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen
anders te bepalen,
m. de wijze waarop lichamelijk
of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de
gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen,
n. de openbaarheid van
mondeling af te nemen tentamens, behoudens de bevoegdheid van
de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,
o. de termijn waarbinnen de
uitslag van een tentamen bekend wordt gemaakt alsmede of en op
welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken,
p. de wijze waarop en de
termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen
heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,
q. de wijze waarop en de
termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen
en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een
schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand
waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,
r. de gronden waarop de
examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde
tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor
buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden,
vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer
tentamens,
s. waar nodig, dat het met goed
gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de
toelating tot het afleggen van andere tentamens,
t. waar nodig, de verplichting
tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de
toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen,
behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling
van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging
van vervangende eisen,
u. de bewaking van
studievoortgang en de individuele studiebegeleiding,
v. indien van toepassing: de
wijze waarop de selectie van studenten voor een speciaal
traject binnen een opleiding, bedoeld in artikel 7.9b,
plaatsvindt, en
w. de procedureregels die
gelden bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin.
3. In de onderwijs- en
examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen
aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is
verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk
onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting
binnen een bacheloropleiding ten minste een masteropleiding
aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die
afstudeerrichting.
4. De in het derde lid bedoelde
masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit
aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit
niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze
universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de
betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt
aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop
de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt
gewaarborgd. De overeenkomst behoeft de voorafgaande instemming
van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.
Artikel 7.14. Beoordeling onderwijs-
en examenregeling
Het instellingsbestuur draagt zorg
voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling
en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig
bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de
studenten voortvloeit.
Artikel 7.15. Informatieverstrekking
aan studenten en aanstaande studenten
1. Het instellingsbestuur verstrekt
zodanige informatie aan studenten en aanstaande studenten over de
instelling, het te volgen onderwijs en de opleidingsnamen dat het
die personen in staat stelt opleidingsmogelijkheden te
vergelijken, zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en de
inrichting van het gevolgde of te volgen onderwijs en de examens.
2. De vertegenwoordiging van de
instellingen en de daarvoor in aanmerking komende
belangenorganisaties van studenten maken gezamenlijke afspraken
over de specificaties van de informatie, bedoeld in het eerste
lid. Indien zij daarin niet slagen, kunnen bij ministeriële
regeling die nadere specificaties worden gegeven van inhoud en
vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van
opleidingen en het kiezen van een passende opleiding. In de
ministeriële regeling kunnen voor verschillende groepen van
instellingen verschillende specificaties worden gegeven.
Artikel 7.16. Erkenning verworven
competenties
Het instellingsbestuur kan procedures
en criteria voor de erkenning van verworven competenties vaststellen
voor degenen die niet zijn ingeschreven.
Paragraaf 2. Vestigingsplaats
opleiding
Artikel 7.17. Vestigingsplaats
opleiding
1. Onverminderd het tweede lid
wordt een opleiding verzorgd in de gemeente of het openbaar
lichaam BES waar die opleiding blijkens het Centraal register
opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is
gevestigd.
2. Het instellingsbestuur kan
besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer
andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES te vestigen.
Hij legt het voornemen daartoe ter instemming voor aan Onze
minister.
3. Onze minister wordt geacht met
het voornemen, bedoeld in het tweede lid, in te stemmen, indien
hij niet binnen vier maanden na ontvangst daarvan heeft verklaard
dat aan het voornemen geen uitvoering kan worden gegeven in
verband met een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het
hoger onderwijs die als gevolg daarvan zou ontstaan.
4. Voorafgaand aan het nemen van
een besluit als bedoeld in het tweede lid overlegt het
instellingsbestuur met de daarvoor in aanmerking komende
instellingen.
5. De instemming, bedoeld in het
derde lid, vervalt, indien het instellingsbestuur van een
bekostigde instelling de opleiding niet binnen zes maanden heeft
laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
Artikel 7.17a. Opheffing
vestigingsplaats opleiding
1. Onze minister kan besluiten dat
een opleiding die in twee of meer gemeenten, in twee of meer
openbare lichamen BES of in een of meer gemeenten en een of meer
openbare lichamen BES is gevestigd, niet langer in een bij zijn
besluit genoemde gemeente of openbaar lichaam BES is gevestigd,
indien de verzorging van de opleiding in die gemeente of dat
openbaar lichaam BES, gelet op het geheel van de voorzieningen op
het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet
meer doelmatig kan worden geacht.
2. Bij zijn besluit bepaalt Onze
minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet
langer in de gemeente of het openbaar lichaam BES, bedoeld in het
eerste lid, is gevestigd.
Paragraaf 3. De promoties
Artikel 7.18. Verlening van graad
Doctor; toegang en inrichting promotie
1. Het college voor promoties van
een universiteit, de Open Universiteit of een levensbeschouwelijke
universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van
de promotie.
2. Tot de promotie heeft toegang
ieder die:
a. aan wie op grond van artikel
7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is
verleend,
b. als proeve van bekwaamheid
tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een
proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft
vervaardigd, en
c. heeft voldaan aan de eisen,
gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
3. In bijzondere gevallen kan het
college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid
onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de
promotie toegang verlenen.
4. Voor elke promotie wijst het
college voor promoties een hoogleraar van een universiteit, een
levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit aan als
promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college
of van een commissie, door het college samen te stellen uit
hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft
geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de
commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel
7.19 bedoelde promotiereglement.
5. Voor de toepassing van het
vierde lid worden en de bijzondere hoogleraren bij een openbare
universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
6. Een instelling kan gezamenlijk
met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graad
Doctor verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met
vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen
kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het
bepaalde in het promotiereglement.
Artikel 7.19. Promotiereglement;
eredoctoraat
1. Met inachtneming van het
daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties
het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:
a. de gang van zaken met
betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met
betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en
bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden
betrokken,
b. de voorzieningen betreffende
de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de
voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen
voordoen, en
c. indien van toepassing, de
gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zesde lid.
2. Het college voor promoties is
bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer
uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor
honoris causa te verlenen.
Paragraaf 4. Graden en titulatuur
Artikel 7.19a. Graden Bachelor,
Master en Associate degree
1.Degene aan wie op grond van
artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de
eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst
aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.
2.De graad, bedoeld in het eerste
lid, en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid,
worden als volgt aangeduid:
a. Bachelor: B,
b. Master: M,
c. Bachelor met de toevoeging
«of Arts»: BA,
d. Bachelor met de toevoeging
«of Science»: BSc,
e. Bachelor met een andere
toevoeging als bedoeld inartikel 7.10a, eerste lid, derde
volzin,
f. Master met de toevoeging
«of Arts»:MA,
g. Master met de toevoeging«of
Science»: MSc, en
h. Master met een andere
toevoeging als bedoeld in onderdeel e.
3.Indien artikel 7.10a, eerste lid,
derde volzin, toepassing heeft gevonden, worden de afkorting van
de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële
regeling vastgesteld.
4.Degene aan wie op grond van
artikel 7.10b de graad Associate degree is verleend, is gerechtigd
die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
De afkorting van die graad is Ad.
5.De graad en de toevoeging worden,
afgekort, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst,
desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a,
vierde lid.
Artikel 7.20. Titels ir., mr., drs.,
ing. en bc.
1.Degene die op grond van artikel
7.19a gerechtigd is een graad in het wetenschappelijk onderwijs in
de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens
gerechtigd tot het voeren van:
a. de titel ingenieur, afgekort
tot ir., indien het een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de
landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de
techniek,
b. de titel meester, afgekort
tot mr., indien het een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het
recht, of
c. de titel doctorandus,
afgekort tot drs., indien het een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en b
niet van toepassing zijn.
2.Degene die op grond van artikel
7.19a gerechtigd is een graad in het hoger beroepsonderwijs in de
eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens
gerechtigd tot het voeren van:
a. de titel ingenieur, afgekort
tot ing., indien het een bacheloropleiding in het hoger
beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en
natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek, of
b. de titel baccalaureus,
afgekort tot bc., indien het een bacheloropleiding in het
hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel a niet van
toepassing is.
3.De in het eerste en tweede lid
genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing op masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3b.
5.De betrokkene maakt een keuze uit
het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van een
graad als bedoeld in artikel 7.10a en het voeren van een titel als
bedoeld in dit artikel.
Artikel 7.20a [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 7.21 [Vervallen per
01-09-2002]
Artikel 7.22. Graad Doctor
1.Degene aan wie op grond van de
promotie, bedoeld in artikel 7.18, dan wel ingevolge artikel 7.19,
tweede lid, de graad Doctor is verleend, is gerechtigd die graad
in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
2.Degene die op grond van het
eerste lid gerechtigd is de in dat lid bedoelde graad in de eigen
naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd
de titel doctor te voeren.
3.De in het eerste lid bedoelde
graad wordt, aangeduid als D, in de naamsvermelding achter de naam
geplaatst. De in het tweede lid bedoelde titel wordt, afgekort tot
dr., voor de naam geplaatst.
4.De betrokkene maakt een keuze uit
het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van de
graad, bedoeld in het eerste lid, en het voeren van de titel,
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 7.22a. Handhaving titels oude
stijl
1.Degenen die op grond van de
artikelen 7.20 en 7.22, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002
luidden, gerechtigd waren tot het voeren van een in de
desbetreffende bepalingen genoemde titel, blijven gerechtigd die
titel te voeren overeenkomstig die artikelen.
2.Degenen die op grond van artikel
7.21, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd
waren tot het voeren van de titel Master of de titel Bachelor,
blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.
Artikel 7.23. Buiten Nederland
verkregen graden en titels
1. Degene aan wie op grond van een
examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger
onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in
het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot
uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in
Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen
op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.
2. Degene aan wie op grond van een
bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in
Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is
verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land
in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens
gerechtigd in plaats daarvan in Nederland een van de titels,
genoemd in artikel 7.20, te voeren. In de in de eerste volzin
bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke
graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking kan worden
gebracht.
3. Onze Minister kan aan degene aan
wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde
instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in
de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen,
toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding
tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd
in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan
die andere graad is verleend, naar het oordeel van Onze Minister
ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse
opleiding.
4. Degene aan wie door een niet in
Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad als
bedoeld in artikel 7.22 is verleend en die gerechtigd is op grond
daarvan een graad in het desbetreffende land in de eigen
naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd
die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking
te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het
derde lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen
het verkrijgen van een titel.
Titel 2. Vooropleidingseisen en
toelatingseisen
Paragraaf 1. Vooropleidingseisen
bacheloropleidingen.
Artikel 7.23a. Begripsbepaling
paragraaf 1
In deze paragraaf wordt onder
«opleiding» verstaan een bacheloropleiding.
Artikel 7.24. Vooropleidingseisen
1. Onverminderd het derde lid geldt
voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk
onderwijs als opleidingseis het bezit van:
a. het diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op
het voortgezet onderwijs, of
b. het diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet
voortgezet onderwijs BES.
2. Onverminderd het derde lid geldt
voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger
beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van:
a. het diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op
het voortgezet onderwijs,
b. het diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet
voortgezet onderwijs BES,
c. het diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het
voortgezet onderwijs,
d. het diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet
voortgezet onderwijs BES,
e. het diploma van een
middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d,
onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
of
f. het diploma van de bij
ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
3. Voor de inschrijving voor een
opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding,
aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze
inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid
behorend tot een opleiding, staat open voor ieder die de leeftijd
van achttien jaren heeft bereikt.
Artikel 7.25. Nadere
vooropleidingseisen
1. Bij ministeriële regeling wordt
het profiel of worden de profielen, bedoeld in artikel 12 van de
Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 38 van de Wet
voortgezet onderwijs BES aangewezen waarop de hierna te noemen
diploma’s betrekking moeten hebben om te kunnen worden
ingeschreven voor een bepaalde opleiding of een groep van
opleidingen:
a. het diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op
het voortgezet onderwijs,
b. het diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet
voortgezet onderwijs BES,
c. het diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het
voortgezet onderwijs, of
d. het diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet
voortgezet onderwijs BES.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen tevens worden aangewezen, vakken en andere
programmaonderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het
examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma
om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of
groep van opleidingen, indien het betreft:
a. een diploma dat betrekking
heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle
kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen
omvat;
b. een diploma dat betrekking
heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid
aangewezen profiel;
c. in bijzondere gevallen, een
opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede
voorbereiding geeft.
3. Bij de ministeriële regeling
kunnen vakken en andere programmaonderdelen worden aangewezen die
deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van
het diploma van een middenkaderopleiding of een
specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onder d onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs dan wel een bij de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, aangewezen vakopleiding, om
te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding of groep van
opleidingen aan een hogeschool.
4. Het instellingsbestuur kan
bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of
derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde
lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de
voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan
inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn
voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat
bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen
voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en
onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan
de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de
propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de
eerste periode in die opleiding met een studielast van 60
studiepunten. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en
examenregeling.
Artikel 7.26. Aanvullende eisen
1. Indien de uitoefening van het
beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de
organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen
stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in
voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs,
bedoeld in de wet op het voortgezet onderwijs en in de Wet
voortgezet onderwijs BES, of van het beroepsonderwijs, bedoeld in
de Wet educatie en beroepsonderwijs, onderscheidenlijk specifieke
eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student,
kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden
gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit
lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de
kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt vastgesteld ten aanzien van welke opleidingen het
eerste lid toepassing kan vinden.
3. Een krachtens het tweede lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide
kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op
een tijdstip dat nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken
bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die
termijn door of namens een der kamers de wens te kennen wordt
gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde
onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt
de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 7.26a. Aanvullende eisen voor
opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst
1.Bij ministeriële regeling worden
voor de opleidingen op het gebied van de kunst en voor de
lerarenopleidingen op het gebied van de kunst in verband met de
organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of
vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke
eisen gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24.
Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit
van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.
2.Met betrekking tot de opleidingen
waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het
instellingsbestuur ter uitwerking van de in het eerste lid
bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria vast
betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï.
3.Voor elke opleiding stelt het
instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het
onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in
het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde
criteria. De commissie brengt het instellingsbestuur een
gemotiveerd advies uit.
4.Het instellingsbestuur neemt ten
aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of
deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het
tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de
student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende
onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek
daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van
toelating uit.
Artikel 7.27. Eisen werkkring
Het instellingsbestuur kan met het
oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een
universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van
werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de
desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als
onderwijseenheden zijn aangemerkt.
Artikel 7.28. Vrijstelling op grond
van andere diploma’s
1. Degene aan wie een graad als
bedoeld in artikel 7.10a is verleend, en de bezitter van een met
goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor
hoger onderwijs zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen,
onverminderd het derde en vierde lid. Van de in de eerste volzin
bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die
toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger
beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het
Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger
onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft
geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het
instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde
verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene
eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde
land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of
krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het
tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de
artikelen 7.26, 7.26a en7.27.
2. Het instellingsbestuur verleent
vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk
tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al
dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële
regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het
desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en
vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van
de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde
vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in
Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin
genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma
naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste
gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk
tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid.
Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het
instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan
worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende
examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing
van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het
onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat
betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande
volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
3. Indien bij ministeriële
regeling eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of
derde lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als
bedoeld in het eerste dan wel tweede lid geen examens afleggen
voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op
grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken
over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld in artikel
7.25, betrekking hebben.
4. Het instellingsbestuur kan
bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste
dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur
van oordeel is dat de eisen, bedoeld in artikel 7.25, van dien
aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens
het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van
een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond
kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden
waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt
op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek
met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die
eisen.
5. De bij het onderzoek, bedoeld in
onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen
worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
Artikel 7.29. Vrijstelling op grond
van toelatingsonderzoek
1.Het instellingsbestuur kan
personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in
artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde
vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn
vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij
een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen
commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het
desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de
Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat
onderwijs.
2.De bij het onderzoek te stellen
eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
3.Het instellingsbestuur kan ten
aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven
diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan
een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste
lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het
instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen
geen diploma kan worden overgelegd.
4.Het instellingsbestuur kan ten
aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere
gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd.
Artikel 7.30. Postpropedeutische fase
1. Voor de inschrijving voor een
opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van
een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch
examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde
propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere
opleidingen gemeen hebben.
2. Het instellingsbestuur kan
vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de
bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma,
indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten
minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde
getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma
betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen
examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten
genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is
geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het
met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.
3. Met inachtneming van het terzake
bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de
examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die
is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het
afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen
verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de
desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
Paragraaf 2. Toelatingseisen
masteropleidingen
Artikel 7.30a. Toelatingseisen
aansluitende masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
1.Voor de inschrijving voor een
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in relatie
tot een bacheloropleiding is aangewezen op grond van artikel 7.13,
derde lid, geldt als toelatingseis dat aan betrokkene een graad
als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, van de
desbetreffende bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs
aan dezelfde instelling. Indien op grond van de in de eerste
volzin genoemde bepaling een afstudeerrichting is aangewezen,
geldt in afwijking van de eerste volzin als toelatingseis voor een
in die volzin bedoelde masteropleiding dat aan betrokkene een
graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend die
betrekking heeft op die afstudeerrichting. In afwijking van de
eerste volzin kan het instellingsbestuur besluiten dat degene die
voor een bacheloropleiding als bedoeld in die volzin is
ingeschreven, toch wordt ingeschreven voor een masteropleiding als
bedoeld in die volzin onder de voorwaarde dat is voldaan aan bij
de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende
masteropleiding te stellen eisen.
2.Het eerste lid heeft ook
betrekking op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.13,
vierde lid, tweede volzin.
3.Voor de inschrijving voor een
opleiding als bedoeld in het eerste en tweede lid van personen aan
wie geen graad als bedoeld in het eerste lid is verleend, geldt
als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die
opleiding. Het instellingsbestuur verstrekt desgevraagd een bewijs
van toelating, indien:
a. de betrokkene voldoet aan de
door het instellingsbestuur voor de opleiding vast te stellen
eisen, en
b. voorzover het
instellingsbestuur het aantal ten hoogste voor de opleiding in
te schrijven personen heeft vastgesteld, dat aantal niet wordt
overschreden.
De onder a bedoelde eisen worden
opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze komen overeen
met de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en
vaardigheden die moeten zijn verworven bij beëindiging van de
bacheloropleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.Artikel 7.27 is van
overeenkomstige toepassing.
5.Het bewijs van toelating, bedoeld
in het derde lid, heeft betrekking op het studiejaar dat gelegen
is na het studiejaar waarin de aanvraag voor dat bewijs is
ingediend, tenzij het instellingsbestuur anders beslist.
Artikel 7.30b. Toelatingseisen
overige masteropleidingen
1.Voor de inschrijving voor een
andere masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan die,
bedoeld in artikel 7.30a, eerste en tweede lid, of voor een
masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs geldt als
toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die
opleiding. Artikel 7.30a, derde lid, tweede volzin, is van
toepassing. De door het instellingsbestuur vast te stellen eisen
worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze eisen
hebben uitsluitend betrekking op kennis, inzicht en vaardigheden
die kunnen zijn verworven bij beëindiging van een
bacheloropleiding.
2.Artikel 7.30a, vijfde lid, is van
toepassing.
Artikel 7.30c. Toelatingseisen voor
masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied
van onderwijs; vrijstelling daarvan
1.Voor de inschrijving voor een
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor
de periode van voorbereidend hoger onderwijs gelden als
toelatingseisen dat:
a. aan de betrokkene de graad
Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, en
b. de betrokkene voldoet aan de
door het instellingsbestuur te stellen eisen.
2.Het instellingsbestuur kan
vrijstelling verlenen van de toelatingseis, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, indien uit een door hem ingesteld onderzoek
blijkt dat de betrokkene beschikt over vergelijkbare kennis,
inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis betrekking heeft.
Artikel 7.30d. Toelatingseisen niet
van toepassing a.g.v. Lissabon-afspraken
Op de personen, bedoeld in artikel
7.28, eerste lid, tweede volzin, zijn, onverminderd de bevoegdheid
van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het
Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger
onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk
verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de
toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de
kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze
wet, niet van toepassing:
a. artikel 7.30a, met
uitzondering van het derde lid, tweede volzin, onderdeel b, en
de in het derde lid, vierde volzin, bedoelde kwaliteiten op het
gebied van kennis, inzicht en vaardigheden,
b. artikel 7.30b, met
uitzondering van de in het eerste lid, vierde volzin, bedoelde
eisen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden, en
c. artikel 7.30c, met
uitzondering van de in het tweede lid bedoelde kennis, inzicht
en vaardigheden.
Artikel 7.30e. Wegnemen tekortkoming
bij niet voldoen aan toelatingseisen
Indien de betrokkene niet voldoet aan
de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30a tot en met 7.30c,
en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen
een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid
geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de
toelatingseisen te voldoen.
Artikel 7.31. Bekendmaking procedure;
procedureregels
1.Het instellingsbestuur maakt
tijdig de procedure bekend, op grond waarvan de toewijzing van
bewijzen van toelating zal plaatsvinden ingeval het aantal
aanvragen voor een bewijs van toelating voor een masteropleiding
het vastgestelde aantal personen, bedoeld in de artikelen 7.30a,
derde lid, en 7.30b, eerste lid, tweede volzin, zou overschrijden.
2.Het instellingsbestuur stelt een
toelatingsreglement vast.
TITEL 2A [Vervallen per 01-09-2010]
Artikel 7.31a [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 7.31b [Vervallen per
01-09-2010]
Titel 3. Studenten en extraneï
Paragraaf 1. Inschrijving
Artikel 7.32. Algemene bepaling
inschrijving
1. Ieder die wenst gebruik te
kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of
voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs
aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als
student of extraneus te laten inschrijven.
2. In afwijking van het eerste lid
is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open
Universiteit uitsluitend mogelijk als student.
3. De inschrijving geschiedt voor
een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open
Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden.
4. De inschrijving voor een
opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de
inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij
voor het resterende gedeelte van het studiejaar.
5. De inschrijving als student of
extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders,
voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig
en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit
bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander
wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is
dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint
waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of
ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor
voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag
rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000,
d. vreemdeling is en buiten
Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding
begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt
gewenst, of
e. vreemdeling is, niet meer
voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d,
en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is
ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke
opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
6. Indien na de inschrijving blijkt
dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het
vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de
student of extraneus onmiddellijk beëindigd.
Artikel 7.33. Procedure inschrijving
1. Onverminderd artikel 7.39,
geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het
instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
2. Aan degene die is ingeschreven,
wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving
verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent
de in het eerste lid bedoelde regels.
Artikel 7.34. Rechten inschrijving
als student
1. De inschrijving als student
geeft het recht:
a. aan het initieel onderwijs
van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van
het instellingsbestuur van een universiteit, hogeschool of
levensbeschouwelijke universiteit in geval van toepassing van
deartikelen 6.7a, 7.9, eerste lid, 7.30a, derde lid, 7.30b,
eerste lid, 7.42a,7.53, derde lid, 7.56 of 7.57h anders te
beslissen,
b. de tentamens af te leggen
van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de
examens af te leggen van die opleiding,
c. van toegang tot de bij de
instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij
naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het
belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen
verzet,
d. gebruik te maken van andere
ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen,
daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit
betreft, de diensten van een studentendecaan, en
e. op studiebegeleiding; het
instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de
begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of
culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger
onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van
Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid.
2. Indien het instellingsbestuur
een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop
die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding
ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere
instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
3. Het instellingsbestuur van de
Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig
buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in het eerste
lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.
4. In afwijking van het eerste lid,
onder b, heeft de student, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid,
derde volzin, niet het recht het examen van de masteropleiding af
te leggen.
Artikel 7.35 [Vervallen per
01-09-1996]
Artikel 7.36. Rechten inschrijving
als extraneus
De inschrijving als extraneus geeft
uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b
en c. Artikel 7.34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.37. Voorwaarden
inschrijving
1. De inschrijving staat open voor
degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde
eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en met dien
verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat,
indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het
belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.
2. Tot de inschrijving wordt niet
overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het
verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan, het verschuldigde
examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de
Open Universiteit, het verschuldigde collegegeld OU is of wordt
voldaan.
3. Indien een meerderjarige student
of extraneus het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld
niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan
nadat door de student of extraneus schriftelijk is verklaard dat
hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens
hem het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld voldoet.
4. Tot de inschrijving als student
voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase van een
bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase
niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met
een studielast van 60 studiepunten wordt niet overgegaan dan nadat
de betrokkene zich te voren met inachtneming van artikel 7.38en,
overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels
van procedurele aard, bij Onze Minister heeft aangemeld, onder
vermelding van de instelling en de bacheloropleiding waarop de
inschrijving betrekking heeft. Onze Minister levert de
aanmeldingsgegevens aan de instelling van eerste voorkeur.
5. Het bestuur van een bijzondere
instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden
ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van
de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd
dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de
doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering
dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk
en is met redenen omkleed.
6. De inschrijving aan een
bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken
indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die
inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door
in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die
instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die
inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft
gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving
geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
7. De inschrijving kan niet worden
ingetrokken op grond van het vijfde lid, indien voor betrokkene
geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te
volgen.
Artikel 7.37a. Afwijkende voorwaarde
voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende
studiejaren
In afwijking van artikel 7.37, eerste
lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op
grond van artikel 6 of artikel 8 van de Experimentenwet
vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, eveneens open
voor degene die voldoet aan de in die artikelen bedoelde eisen.
Artikel 7.37b. Aanvullende voorwaarde
voor inschrijving in het studiejaar 2005–2006 en de volgende
studiejaren
In afwijking van artikel 7.37, eerste
lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op
grond van artikel 7 van de Experimentenwet vooropleidingseisen,
selectie en collegegeldheffing, in voorkomende gevallen in verband
met het deelnemen aan een experimenteel programma, slechts open voor
degene die tevens voldoet aan de in dat artikel bedoelde eisen.
Artikel 7.38. Te verstrekken
persoonsgebonden nummer bij aanmelding
1. Bij de aanmelding, bedoeld in
artikel 7.37, vierde lid, legt de student mede zijn
persoonsgebonden nummer over. Indien de student aannemelijk maakt
dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de
aanmelding plaats met inachtneming van het derde lid.
2. Het persoonsgebonden nummer
wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt
document, waarop tevens de gegevens betreffende de geslachtsnaam,
de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de student
zijn vermeld.
3. Indien de student aannemelijk
maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen,
verstrekt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de
aanmelding aan hem zijn onderwijsnummer. Het onderwijsnummer is
een door Onze Minister uitgegeven en aan de student toegekend
persoonsgebonden nummer.
4. Onze Minister verstrekt binnen
acht weken na ontvangst van de aanmelding aan het bestuur van de
instelling van eerste voorkeur van de student, het
persoonsgebonden nummer van de student en de gegevens, bedoeld in
artikel 7.52, tweede lid, voorzover die door de student zijn
verstrekt.
Artikel 7.39. Te verstrekken
persoonsgebonden nummer bij inschrijving
1. Bij de inschrijving legt de
student of extraneus tevens zijn persoonsgebonden nummer over.
Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen
persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de inschrijving
plaats met inachtneming van het tweede lid. Artikel 7.38, tweede
lid, is van toepassing.
2. Indien de student of extraneus
aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan
overleggen, meldt het instellingsbestuur binnen twee weken aan de
Informatie Beheer Groep de beschikbare gegevens van de student of
extraneus, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en
woonplaats.
3. De Informatie Beheer Groep
verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld
in het tweede lid, aan het instellingsbestuur het
burgerservicenummer van de student of extraneus, dan wel, indien
is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer
is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of extraneus.
4. Het instellingsbestuur neemt het
persoonsgebonden nummer van de student of extraneus op in de
administratie van de instelling.
5. Indien aan een student of
extraneus een onderwijsnummer is toegekend en het
instellingsbestuur daarna de beschikking krijgt over zijn
burgerservicenummer, neemt het instellingsbestuur dit
burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de
administratie van de instelling in de plaats van het
onderwijsnummer. Het instellingsbestuur meldt deze wijziging
binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep onder opgave van
het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de student of
extraneus.
Artikel 7.40 [Vervallen per
01-09-1996]
Artikel 7.41 [Vervallen per
01-09-1996]
Artikel 7.42. Beëindiging
inschrijving
1. Het instellingsbestuur
beëindigt op verzoek van degene die is ingeschreven voor een
opleiding diens inschrijving met ingang van de volgende maand.
2. Indien degene die is
ingeschreven voor een opleiding zijn wettelijk collegegeld,
instellingscollegegeld, collegegeld OU of examengeld na aanmaning
niet heeft voldaan, kan het instellingsbestuur de inschrijving,
met ingang van de tweede maand volgend op de aanmaning
beëindigen.
3. Indien een inschrijving wordt
beëindigd in een geval als bedoeld inartikel 7.8b, vijfde lid,
artikel 7.12b, artikel 7.37, vijfde of zesde lid, artikel 7.42a of
artikel 7.57h, eerste of tweede lid, beëindigt het
instellingsbestuur de inschrijving met ingang van de volgende
maand.
4. Het instellingsbestuur stelt
regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing
van dit artikel.
5. Het instellingsbestuur
informeert de betrokkene en de Informatie Beheer Groep over de
beëindiging van de inschrijving.
Artikel 7.42a. Gedragingen student in
relatie tot toekomstige beroepsuitoefening
1. Het instellingsbestuur kan in
bijzondere gevallen na advies van de examencommissie, de decaan of
een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na
zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de inschrijving van
een student voor een opleiding beëindigen dan wel weigeren, als
die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft
gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer
beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan
wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
2. Het instellingsbestuur dan wel
het instellingsbestuur van een andere instelling die een zelfde of
verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw
of niet voor die opleiding in te schrijven.
3. Indien de student, bedoeld in
het eerste lid, is ingeschreven voor een andere opleiding en
daarbinnen het onderwijs volgt van een afstudeerrichting die
overeenkomt met of gelet op de praktische voorbereiding op de
beroepsuitoefening verwant is aan de opleiding waarvoor de
inschrijving met toepassing van het eerste lid is beëindigd, kan
het instellingsbestuur na advies van de examencommissie, de decaan
of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en
na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen besluiten dat de
student die afstudeerrichting of andere onderdelen van die
opleiding niet mag volgen.
4. Artikel 7.42, vierde en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Eigen bijdragen
Artikel 7.43. Collegegeldverplichting
1. Een student is voor elk
studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding
is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling wettelijk
collegegeld als bedoeld in de artikelen 7.45 tot en met 7.45bof
instellingscollegegeld als bedoeld in artikel 7.46 verschuldigd.
Een student die door het instellingsbestuur van de Open
Universiteit voor een onderwijseenheid is ingeschreven, is het
collegegeld OU, bedoeld inartikel 7.45c, verschuldigd.
2. Met uitzondering van de
gevallen, bedoeld in artikel 7.48, eerste en tweede lid, is
artikel 7.42, tweede lid, van toepassing.
Artikel 7.44. Examengeldverplichting
1. Een extraneus is voor elk
studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding
is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling examengeld
verschuldigd.
2. Het instellingsbestuur stelt de
hoogte van het examengeld vast.
3. Artikel 7.42, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.45. Hoogte wettelijk
collegegeld
1. De bedragen van het volledige en
van het gedeeltelijke wettelijke collegegeld worden vastgesteld
volgens een basistarief en een verhoogd tarief. Het verhoogde
tarief bestaat uit het basistarief vermeerderd met een opslag.
2. Het basistarief en het verhoogde
tarief van het volledige wettelijke collegegeld worden bij
algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
3. De hoogte van het gedeeltelijke
wettelijke collegegeld wordt door het instellingsbestuur
vastgesteld en is gelegen tussen een minimum- en een
maximumbedrag. Deze bedragen worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgesteld.
4. Het gedeeltelijke wettelijke
collegegeld volgens het basistarief bedraagt niet meer dan het
volledige wettelijke collegegeld volgens het basistarief.
5. Het gedeeltelijke wettelijke
collegegeld volgens het verhoogde tarief bedraagt niet meer dan
het volledige wettelijke collegegeld volgens het verhoogde tarief.
6. Het instellingsbestuur
informeert Onze minister over de hoogte van de bedragen die het
instellingsbestuur op grond van het derde lid heeft vastgesteld.
7. De bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgestelde bedragen, bedoeld in het tweede
en het derde lid, worden jaarlijks volgens de
consumentenprijsindex geïndexeerd, op de wijze bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur bepaald.
Artikel 7.45a. Aanspraak op wettelijk
collegegeld
1. Het wettelijke collegegeld is
verschuldigd door een student die:
a. blijkens het Centraal
register inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel
7.52, sedert 1 september 1991 voor een inschrijving aan een
bacheloropleiding niet eerder een bachelor- of een mastergraad
heeft behaald of voor een inschrijving aan een masteropleiding
niet eerder een mastergraad heeft behaald,
b. woonachtig is in Nederland,
België, Luxemburg of een van de deelstaten
Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de
Bondsrepubliek Duitsland, en
c. tot één van de groepen van
personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering
2000, behoort of de Surinaamse nationaliteit bezit.
2. De voorwaarde, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, geldt niet voor een student die voor de
eerste maal een opleiding op het gebied van onderwijs of
gezondheidszorg volgt.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid,
worden uitgebreid.
4. Een student als bedoeld in het
eerste, tweede of derde lid, die is ingeschreven voor een
voltijdse opleiding is het volledige wettelijke collegegeld,
bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, verschuldigd.
5. Een student als bedoeld in het
eerste, tweede of derde lid, die is ingeschreven voor een
deeltijdse of duale opleiding, is het gedeeltelijke wettelijke
collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, derde lid, verschuldigd.
6. Indien een student als bedoeld
in het eerste, tweede of derde lid meer dan één opleiding volgt
en de opleiding waarvoor hij het eerst is ingeschreven met goed
gevolg afrondt, is deze student het wettelijke collegegeld
verschuldigd voor het resterende deel van het studiejaar. Het
verschuldigde bedrag wordt in dat geval berekend naar rato van het
aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.
7. Voor de voorwaarde, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een
bachelorgraad heeft behaald gelijkgesteld:
a. een student die met goed
gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een hogere
beroepsopleiding met een studielast van 168 studiepunten,
volgens de wet zoals die luidde op 31 augustus 2002, en
b. een student die met goed
gevolg het kandidaatsexamen heeft afgelegd van een opleiding
in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8,
zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002.
8. Voor de voorwaarde, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een
mastergraad heeft behaald, gelijkgesteld:
a. een student die met goed
gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding
in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3,
zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002;
b. een student die op grond van
artikel 18.14 met goed gevolg het afsluitend examen heeft
afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs;
en
c. een student die op grond van
artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft
afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 7.45b. Verhoogd wettelijk
collegegeld
1. Het wettelijke collegegeld
volgens het verhoogde tarief, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid,
is verschuldigd door een student die voldoet aan de voorwaarden
die in artikel 7.45a worden gesteld om in aanmerking te komen voor
het wettelijke collegegeld en die blijkens het Centraal register
inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52, sedert 1991
a. langer voor een opleiding
ingeschreven is geweest dan:
1°. vijf studiejaren,
indien de inschrijving een bacheloropleiding met een
studielast van 240 studiepunten betreft, of
2°. vier studiejaren,
indien de inschrijving een bacheloropleiding met een
studielast van 180 studiepunten betreft, dan wel
b. langer voor een
masteropleiding ingeschreven is geweest dan:
1°. vijf studiejaren,
indien de inschrijving een masteropleiding met een
studielast van 240 studiepunten betreft,
2°. vier studiejaren,
indien de inschrijving een masteropleiding met een
studielast van 180 studiepunten betreft,
3°. drie studiejaren,
indien de inschrijving een masteropleiding met een
studielast van 120 studiepunten betreft,
4°. twee studiejaren,
indien de inschrijving een masteropleiding met een
studielast van 60 studiepunten betreft, of
c. langer ingeschreven is
geweest voor een opleiding als bedoeld in artikel 18.15dan het
aantal jaren dat de som is van het aantal studiepunten van de
opleiding, bedoeld in artikel 7.4, zoals dat luidde op 31
augustus 2002, gedeeld door 42 en vermeerderd met een jaar.
2. Voor de berekening van de
studielast wordt het aantal studiepunten van de opleiding, bedoeld
in het eerste lid, onderdelen a en b, zo nodig naar boven afgerond
tot 240, 180 of 120 studiepunten.
3. Het aantal studiejaren van een
student, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door een
optelling van diens inschrijvingen op de peildatum in enig jaar
vanaf 1 september 1991. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt de peildatum, bedoeld in de eerste volzin,
vastgesteld en kunnen overige aspecten van de berekening van het
aantal studiejaren worden geregeld.
4. Een student die, nadat hij een
bachelorgraad of een mastergraad heeft behaald, voor de eerste
maal een opleiding op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg
volgt en op grond van artikel 7.45a in aanmerking komt voor het
wettelijke collegegeld, is voor die opleiding gedurende het aantal
studiejaren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
uitsluitend het wettelijke collegegeld volgens het basistarief,
bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, verschuldigd.
5. Indien een student op grond van
artikel 5.6, tiende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 een
jaar verlenging van de duur van de prestatiebeurs wordt verleend,
wordt eenmalig het aantal studiejaren, bedoeld in het eerste lid,
voor een opleiding als bedoeld in de onderdelen a, b, of c van dat
lid vermeerderd met een jaar.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen de categorieën studenten, bedoeld in het vierde en
het vijfde lid, worden uitgebreid.
7. Indien een student een
ongedeelde opleiding als bedoeld in artikel 18.15vervolgt met een
masteropleiding, telt het aantal studiejaren van die ongedeelde
opleiding, verminderd met drie, mee bij de vaststelling van het
aantal studiejaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 7.45c. Collegegeld OU
1. Een student als bedoeld in
artikel 7.45a, eerste, tweede of derde lid, die is ingeschreven
voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is collegegeld
OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één zestigste deel en
ten hoogste één dertigste deel van het volledige wettelijke
collegegeld volgens het basistarief, bedoeld inartikel 7.45,
eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een
onderwijseenheid groot is.
2. Een student die is ingeschreven
voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit en die niet
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste,
tweede, of derde lid, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte
van ten minste één dertigste deel van het volledige wettelijke
collegegeld volgens het basistarief, bedoeld in artikel 7.45,
eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een
onderwijseenheid groot is.
3. De hoogte van het collegegeld OU
wordt door het instellingsbestuur van de Open Universiteit
vastgesteld. Voor de categorie studenten, bedoeld in het tweede
lid, kan het instellingsbestuur van de Open Universiteit per
onderwijseenheid of groep van onderwijseenheden of per groep of
groepen studenten een verschillend collegegeld OU vaststellen.
4. Indien een student als bedoeld
in het tweede lid gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede of derde
lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn
verzoek het collegegeld OU, bedoeld in het eerste lid,
verschuldigd, en betaalt het instellingsbestuur OU hem het hogere
collegegeld OU, dat de student voor het restant van het studiejaar
heeft betaald, terug.
5. Het instellingsbestuur van de
Open Universiteit stelt regels vast met betrekking tot de
toepassing van dit artikel.
Artikel 7.46. Instellingscollegegeld
1. Een student die niet voldoet aan
de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede, derde of
zesde lid, en niet is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij
de Open Universiteit, is het instellingscollegegeld verschuldigd.
2. De hoogte van het
instellingscollegegeld wordt door het instellingsbestuur
vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van
opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend
instellingscollegegeld vaststellen.
3. Onverminderdartikel 7.3c, vierde
lid, bedraagt het instellingscollegegeld ten minste het volledige
wettelijke collegegeld volgens het basistarief, bedoeld in artikel
7.45, eerste lid.
4. Indien de student, bedoeld in
het eerste lid, gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede, derde of
zesde lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op
zijn verzoek het wettelijke collegegeld verschuldigd en betaalt
het instellingsbestuur hem het hogere instellingscollegegeld, dat
de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald,
terug.
5. Het instellingsbestuur stelt
regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 7.47. Voldoening collegegeld
Het collegegeld wordt door of namens
de student voldaan door:
a. betaling ineens, dan wel
b. betaling in termijnen,
overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die
zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling,
waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten in
rekening kunnen worden gebracht tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag.
Artikel 7.48. Vermindering,
vrijstelling en terugbetaling collegegeld
1. Indien een student als bedoeld
in artikel 7.45a bij een instelling is ingeschreven voor een
opleiding en aan dezelfde of een andere bekostigde instelling met
uitzondering van de Open Universiteit een tweede inschrijving
wenst, is hij voor de laatstbedoelde inschrijving vrijgesteld van
het betalen van collegegeld, tenzij het betaalde dan wel te
betalen bedrag voor de eerste inschrijving lager is dan het
volledige wettelijke collegegeld, bedoeld inartikel 7.45, eerste
lid. In dat geval is het verschil verschuldigd.
2. Degene die voor het volgen van
uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld
verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in
plaats daarvan, dan wel daarnaast in hetzelfde studiejaar wenst te
worden ingeschreven en daarvoor het wettelijk collegegeld, bedoeld
in artikel 7.45, eerste lid, is verschuldigd, is voor de
inschrijving voor een opleiding aan een bekostigde instelling met
uitzondering van de Open Universiteit een collegegeld
verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane
bijdrage en het bedoelde wettelijke collegegeld. Indien hij een
collegegeld verschuldigd is dat lager is dan het reeds voldane
bedrag wordt hij van het betalen van collegegeld vrijgesteld.
3. Een student is slechts een
gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld
verschuldigd, indien de student zich gedurende het studiejaar
inschrijft. In dat geval wordt het verschuldigde bedrag berekend
naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende
studiejaar.
4. De student heeft aanspraak op
terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem
verschuldigde wettelijk collegegeld voor elke maand dat het
studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurt, tenzij een
betalingsregeling als bedoeld in artikel 7.47, onderdeel b, is
getroffen. Indien een student in de loop van het studiejaar
overlijdt, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar
na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde
wettelijk collegegeld terugbetaald. Bij beëindiging van de
inschrijving met ingang van juli of augustus heeft de student geen
aanspraak op beëindiging van betaling van de termijnen, bedoeld
in artikel 7.47, onderdeel b, en op terugbetaling van het voor die
maanden betaalde collegegeld, tenzij het instellingsbestuur dat
anders heeft geregeld. Dit lid is niet van toepassing op de Open
Universiteit.
5. Vermindering of vrijstelling van
het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in het
eerste tot en met vierde lid, wordt aangemerkt als ondoelmatige
besteding van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.9, eerste
lid.
6. Het instellingsbestuur van de
Open Universiteit stelt een regeling vast waarin een voorziening
in de vorm van een verlaging van het collegegeld OU wordt
getroffen, voor studenten als bedoeld in artikel 7.45c, eerste
lid, van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste
tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon
bedraagt. In de regeling stelt het instellingsbestuur vast welke
aanvraagbescheiden moeten worden ingediend. De hoogte van de
verlaging, bedoeld in de eerste volzin, is in elk geval
afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.
7. Een student die aanspraak maakt
op wettelijk collegegeld op grond vanartikel 7.45a, tweede lid,
wordt voor een andere inschrijving niet vrijgesteld van het
betalen van collegegeld als bedoeld in de artikelen 7.45, 7.45a,
7.45b en7.46.
Artikel 7.49. Collegegeld voor
bepaalde voltijdse opleidingen vanaf het studiejaar 2005–2006
1. Het instellingsbestuur stelt in
afwijking van artikel 7.45, eerste lid, voor een opleiding die of
voor een experimenteel programma dat is aangewezen op grond van
artikel 9 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en
collegegeldheffing, een collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt
ten hoogste vijf keer het volledige wettelijke collegegeld volgens
het basistarief, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid.
2. Het instellingsbestuur draagt
tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking
van het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag.
3. Indien het eerste lid voor een
opleiding toepassing heeft gevonden, komt het overeenkomstig het
eerste lid vastgestelde collegegeld in de plaats van het
collegegeld, genoemd in artikel 7.45, eerste lid.
4. Artikel 7.45, zevende lid is van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 7.47 is van toepassing.
Artikel 7.50. Overige bijdragen
1. De inschrijving wordt niet
afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in
de artikelen 7.43 tot en met 7.49 bedoelde bedragen.
2. In afwijking van het eerste lid
kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het
instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de
inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26,
tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de
kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De
algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een
dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten
hoogste gevorderd kan worden.
3. Het instellingsbestuur treft
voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie
de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke
belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur
stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het
tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning,
bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 7.51. Profileringsfonds
1. Het instellingsbestuur treft
voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student
die:
a. aan de desbetreffende
instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.2,
onderdeel a, is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan
hem nog geen graad is verleend en wettelijk collegegeld
verschuldigd is,
b. in verband met de
aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid de opleiding
niet of niet geheel volgt, en voor die opleiding aanspraak
heeft of heeft gehad op prestatiebeurs als bedoeld in
hoofdstuk 5 van de Wet studiefinanciering 2000, en
c. studievertraging heeft
opgelopen of naar verwachting zal oplopen als gevolg van
bijzondere omstandigheden, of
d. is ingeschreven voor een
opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, achtste
lid, heeft toegepast, of
e. aan de desbetreffende
instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.2,
onderdeel a, is ingeschreven voor een opleiding waaraan niet
opnieuw accreditatie is verleend en waarvoor aan hem nog geen
graad is verleend.
2. De bijzondere omstandigheden,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zijn:
a. het lidmaatschap van het
bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met
volledige rechtsbevoegdheid, een opleidingscommissie, het
bestuur van een opleiding als bedoeld in artikel 9.17, de
universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is
ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in
artikel 9.30, derde lid, of 10.16a, derde lid, de
medezeggenschapsraad, de deelraad of de studentenraad,
b. activiteiten op bestuurlijk
of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het
instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling
of van het onderwijs dat de student volgt,
c. ziekte of zwangerschap en
bevalling,
d. een lichamelijke,
zintuiglijke of andere functiestoornis,
e. bijzondere
familieomstandigheden,
f. studievertraging die het
gevolg is van de wijze waarop de instelling de opleiding
feitelijk verzorgt.
g. overige door het
instellingsbestuur met in achtneming van het derde lid
vastgestelde bijzondere omstandigheden waarin een student
verkeert,
h. andere dan de in de
onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien
een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door
het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. Het instellingsbestuur kan
voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een
student die:
a. aan de desbetreffende
instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan hem
nog geen graad is verleend,
b. niet voldoet aan een
nationaliteitseis als bedoeld in artikel 7.45a, eerste lid, en
c. woonachtig is in Nederland,
België, Luxemburg of een van de deelstaten
Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de
Bondsrepubliek Duitsland.
4. Het instellingsbestuur stelt
regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing
van dit artikel, waartoe in ieder geval behoren regels over de
aanvang, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning.
Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de financiële
ondersteuning van een student als bedoeld in het eerste lid, die
als gevolg van de omstandigheden, bedoeld in het tweede lid,
onderdelen c, d en e, het verhoogde collegegeld is verschuldigd.
De duur van de financiële ondersteuning aan een student als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt de periode die
overeenstemt met de studielast die uitgaat boven 60 studiepunten.
De financiële ondersteuning is niet hoger dan de
studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk
3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten,
indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.
Het instellingsbestuur kan aan de toekenning van financiële
ondersteuning de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk
studerend is.
5. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op een student die aan de Open
Universiteit is ingeschreven voor een onderwijseenheid.
6. Onze minister treft
voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student
die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van
enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang
die voor het hoger onderwijs relevante activiteiten ontplooit en
die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij
ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaronder
deze financiële ondersteuning plaatsvindt.
7. In aanvulling op de
voorzieningen, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, kan een
voorziening voor financiële ondersteuning worden getroffen, die
samen met de financiële ondersteuning ingevolge de voorzieningen,
bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, hoger is dan de
studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk
3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten,
indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.
Deze aanvulling wordt verstrekt onder de benaming: voorziening
voor aanvullende ondersteuning.
8. Het instellingsbestuur
onderscheidenlijk Onze minister deelt de student schriftelijk de
hoogte van de financiële ondersteuning, bedoeld in het eerste tot
en met zevende lid, mee waarbij het bedrag van de aanvullende
ondersteuning, bedoeld in het zevende lid, afzonderlijk wordt
vermeld. Voorts legt het instellingsbestuur onderscheidenlijk Onze
minister de aan de student verstrekte financiële ondersteuning
vast in zijn administratie, onder vermelding van het
burgerservicenummer van de student en de hoogte van het toegekende
bedrag waarbij de hoogte van de aanvullende ondersteuning, bedoeld
in het zevende lid, afzonderlijk wordt vermeld.
Paragraaf 3. Centraal register
inschrijving hoger onderwijs
Artikel 7.52. Centraal register
inschrijving hoger onderwijs
1. Er is een Centraal register
inschrijving hoger onderwijs, dat ten doel heeft:
a. de instellingsbesturen op
hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de
inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel
zijn ingeschreven aan een instelling,
b. Onze Minister op diens
verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om
toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken
omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben
afgelegd van het afsluitend examen, en
c. Onze minister op diens
verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten behoeve
van de planning en bekostiging van de instellingen.
2. Gegevens, opgenomen in het
Centraal register inschrijving hoger onderwijs, waaraan informatie
herleidbaar tot natuurlijke personen, kan worden ontleend, kunnen
uitsluitend worden verstrekt aan de geregistreerde personen zelf
of hun gemachtigden, alsmede aan de in het eerste lid bedoelde
instellingsbesturen. Aan burgemeester en wethouders,
onderscheidenlijk aan de Sociale verzekeringsbank, worden
kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene
Kinderbijslagwet. Tevens worden desgevraagd aan het Centraal
bureau voor de statistiek gegevens verstrekt, die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 3 van de
Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Voorts kunnen
desgevraagd aan andere door Onze Minister aan te wijzen instanties
gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden verstrekt
uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen
onderzoeksdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register,
kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door Onze Minister aan te
wijzen instanties.
3. Van het Centraal register
inschrijving hoger onderwijs is Onze Minister verantwoordelijke in
de zin van artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
4. Onze Minister kan ten behoeve
van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs
gebruikmaken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer,
voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet werk
en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet studiefinanciering 2000.
5. De instellingsbesturen stellen
het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor
een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te
bepalen datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van
elke door hen genomen beslissing met betrekking tot de
inschrijving als student of extraneus de gegevens over de
studievoortgang, bedoeld in artikel 7.9a, alsmede van de gegevens
met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het
afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De instellingsbesturen
zijn gehouden medewerking te verlenen aan procedures die er op
zijn gericht te bevorderen dat de in het Centraal register
inschrijving hoger onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk
juist en volledig zijn. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld.
Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen
inschrijving
Artikel 7.52a. Begripsbepalingen
paragraaf 4
In deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. opleiding: een
bacheloropleiding, en
b. propedeutische fase: de
propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de
eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van
60 studiepunten.
Artikel 7.53. Beperking eerste
inschrijving op grond van beschikbare onderwijscapaciteit
1. Het instellingsbestuur kan per
opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor
de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase
van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor
een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande
aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet
het instellingsbestuur hiervan mededeling aan Onze Minister. Voor
een opleiding die na deze datum voor de eerste maal is opgenomen
in het register, bedoeld in artikel 6.13, en waarvan het onderwijs
zal aanvangen met ingang van het daaropvolgende studiejaar, geldt
1 april als uiterste datum voor de mededeling aan Onze Minister
van de onderwijscapaciteit van die opleiding.
2. Indien uit de gegevens
betreffende de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid,
blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen van studenten voor de
propedeutische fase van een opleiding meer bedraagt dan het aantal
plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid
heeft vastgesteld, doet Onze Minister daarvan voor 1 april
mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur
deelt Onze Minister voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het
aantal plaatsen te verhogen. Dit lid is niet van toepassing op
opleidingen als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid.
3. Indien ook na toepassing van het
tweede lid bij een of meer instellingen die de desbetreffende
opleiding verzorgen, het aantal aanmeldingen op 1 mei het aantal
plaatsen overtreft, stelt Onze Minister vast dat een
toelatingsbeperking van kracht is, waarna paragraaf 4a van deze
titel wordt toegepast.
4. Indien het instellingsbestuur in
de verwachting verkeert dat het aantal inschrijvingen voor een
opleiding meer zal bedragen dan het aantal plaatsen dat het
instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld,
is, in afwijking van de procedure van het tweede en derde lid,
eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van kracht en
wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits het
instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft
aangemeld bij Onze Minister.
5. Indien een besluit ingevolge
artikel 7.56 van toepassing is op de opleiding, blijft dit artikel
buiten toepassing.
Artikel 7.54. Beperking inschrijving
voor de postpropedeutische fase
1.Het instellingsbestuur kan,
indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de
postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking
van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor
een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de
postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die
niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling
verbonden opleiding.
2.In dit artikel wordt, indien in
een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, onder
«postpropedeutische fase» mede verstaan de fase in een
bacheloropleiding die volgt op de eerste periode in een opleiding
met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.54a
[Door vernummering vervallen.]
Artikel 7.55. Beperking inschrijving
OU op grond van beschikbare organisatorische en technische
capaciteit
Het instellingsbestuur van de Open
Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde
opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de
organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van
deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel
noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde
beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding
voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door
het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
Artikel 7.56. Beperking inschrijving
universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de
arbeidsmarkt
1.Indien het aanbod van
afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op
de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate dreigt te overtreffen of
daadwerkelijk overtreft en dit naar verwachting gedurende een
reeks van jaren het geval zal zijn, kan bij ministeriële regeling
worden vastgesteld:
a. het aantal personen dat voor
de twee daaropvolgende studiejaren ten hoogste voor de eerste
maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van
de desbetreffende opleiding aan al de universiteiten of
hogescholen waaraan deze is verbonden, en
b. de verdeling van dat aantal
over elk van de onder a bedoelde instellingen, waarbij in
geval van door hogescholen verzorgde lerarenopleidingen binnen
het voor een instelling vastgestelde aantal onderscheid kan
worden gemaakt tussen voltijdse, duale en deeltijdse
opleidingen. Bij de verdeling wordt het door alle betrokken
instellingen gezamenlijk gedane voorstel gevolgd. Dit voorstel
wordt gedaan binnen twee maanden nadat Onze minister aan de
desbetreffende instellingen en aan de beide Kamers der
Staten-Generaal heeft bekendgemaakt dat hij het voornemen
heeft een ministeriële regeling vast te stellen. Blijft een
dergelijk voorstel achterwege dan wordt zoveel mogelijk een
evenredige spreiding over de afzonderlijke instellingen naar
rato van het gemiddelde aantal over de voorafgaande drie jaren
voor de eerste maal voor de propedeutische fase ingeschreven
studenten in acht genomen. Indien de instelling de opleiding
voor het tweede of het derde jaar verzorgt heeft het
gemiddelde aantal betrekking op het eerste, onderscheidenlijk
het eerste en tweede jaar dat de opleiding is verzorgd.
2.Indien op grond van het eerste
lid een toelatingsbeperking is vastgesteld, wordt paragraaf 4a van
deze titel toegepast.
3.Een ministeriële regeling als
bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk vastgesteld op 1 mei van
het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin deze regeling voor
het eerst van toepassing is.
Artikel 7.56a [Vervallen per
01-12-2002]
Artikel 7.57. Identificatie
opleidingen
Voor de toepassing van deze paragraaf
en de artikelen 7.57d en 7.57f, vierde en vijfde lid, gelden door
universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen
met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing van
de artikelen 7.56, 7.57d en 7.57f, vierde en vijfde lid, gelden
bovendien door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen
verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen.
Paragraaf 4a. Regels voor de selectie
van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking
Artikel 7.57a. Algemeen
1. De eerste inschrijving van een
student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden
aan een universiteit of een hogeschool, waarvoor op grond van
paragraaf 4 van deze titel een toelatingsbeperking van kracht is,
geschiedt slechts met inachtneming van het bepaalde bij of
krachtens deze paragraaf, onverminderd het bepaalde bij of
krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.
2. De inschrijving geschiedt niet
dan na overlegging van een door Onze Minister afgegeven bewijs van
toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is
bepaald.
3. In deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. selectieprocedure: de
procedure, beschreven in de artikelen 7.57b tot en met 7.57e;
b. lotingsprocedure: de
procedure, beschreven in de artikelen 7.57b, eerste lid,
tweede lid, aanhef en onder b tot en met e, derde en vierde
lid, en 7.57c, tweede en derde lid;
c. opleiding: een
bacheloropleiding;
d. propedeutische fase: de
propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de
eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van
60 studiepunten;
e. universiteit: de
universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, en de
levensbeschouwelijke universiteit, bedoeld in artikel 1.2,
onderdeel c.
4. Bij ministeriële regeling
worden voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de
geldigheidsduur van het bewijs van toelating.
Artikel 7.57b. Voorbereiding afgifte
bewijzen van toelating
1. Onze Minister deelt degenen die
op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving
verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde
gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.
2. De in het eerste lid bedoelde
klassen hebben als grenzen:
a. hoger dan of gelijk aan 8,
b. lager dan 8 maar hoger dan
of gelijk aan 7,5,
c. lager dan 7,5 maar hoger dan
of gelijk aan 7,
d. lager dan 7 maar hoger dan
of gelijk aan 6,5 en
e. lager dan 6,5.
De klassen b tot en met e worden
aangeduid als lotingsklassen.
3. De wijze van indeling in de
klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een
onderwijsvorm hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is
verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in
artikel 7.57a, vierde lid.
4. Onze Minister deelt degenen die
op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in
artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen
in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.
5. Onze Minister deelt de door haar
aangewezen aanstaande studenten uit Aruba, Curaçao, Sint Maarten
en de openbare lichamen BES in de klasse, bedoeld in het tweede
lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het
aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen,
wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel
7.57a, vierde lid.
Artikel 7.57c. Afgifte bewijzen van
toelating
1. Onze Minister verstrekt een
bewijs van toelating aan degenen die zijn ingedeeld in de klasse,
bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder a.
2. Onze Minister verstrekt aan
degenen die in de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede
lid, onder b tot en met e, zijn ingedeeld, en die door het lot
zijn aangewezen, een bewijs van toelating.
3. Bij de loting, bedoeld in het
tweede lid, verhouden de inlotingskansen, voorzover kleiner dan
honderd procent, zich voor de in artikel 7.57b, tweede lid, onder
b tot en met e, bedoelde lotingsklassen als respectievelijk 9 : 6
: 4 : 3.
4. In de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kan worden bepaald dat Onze
Minister ten hoogste een in die regeling vast te stellen
percentage van het aantal plaatsen per opleiding kan toewijzen aan
gegadigden jegens wie uitloting een onbillijkheid van overwegende
aard zou opleveren.
Artikel 7.57d. Afgifte bewijzen van
toelating voor dezelfde opleiding aan meer dan een universiteit
1. Indien een opleiding door meer
dan één universiteit wordt verzorgd, wordt de selectieprocedure
voor die opleidingen gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij worden de
artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met inachtneming van het
tweede en derde lid. De gegadigden delen aan Onze Minister de
volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.
2. Onze Minister bepaalt, zoveel
mogelijk rekening houdend met de voorkeur van de aanstaande
student, doch overigens aan de hand van het lot voor welke
universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel 7.57c, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan ten hoogste
vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan
gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn
van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een
andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een
onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
Artikel 7.57e. Selectie door
instellingen
1. Met inachtneming van de
toelatingsrechten, bedoeld in artikel 7.57c, eerste lid, kan een
instellingsbestuur een door hem te bepalen percentage van de
opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hemzelf
geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over
bijzondere kwalificaties.
2. Indien het instellingsbestuur
toepassing geeft aan het eerste lid, maakt het
a. de bijzondere kwalificaties
die het in aanmerking wil nemen,
b. eventuele nadere
selectiecriteria,
c. regels van administratieve
aard, voorzover niet voortvloeiend uit het vierde lid,
d. het door hem te bepalen
percentage, bedoeld in het eerste lid, en
e. de beslissing of gegadigden
één, twee dan wel drie maal tot deelname aan de
selectieprocedure zullen worden toegelaten, tijdig bekend.
3. Tot de bijzondere kwalificaties,
bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen mede de behaalde
eindexamencijfers behoren. In dat geval bedraagt het aantal
bijzondere kwalificaties, bedoeld in het tweede lid, onder a, ten
minste twee.
4. De gegadigde die in aanmerking
wenst te komen voor de selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt
op zijn verzoek door Onze Minister aan het desbetreffende
instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan de lotingsprocedure
blijft deelnemen.
5. In de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, worden nadere voorschriften
opgenomen voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 7.57f. Beperkingen van
deelname aan de selectieprocedure
1. Indien krachtens artikel 7.25
nadere vooropleidingseisen zijn gesteld, kan aan de
selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen door degene die
ten genoegen van Onze Minister het bewijs levert, dat door hem
uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel
7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt
voldaan.
2. Indien na toepassing van het
eerste lid blijkt dat bij een of meer instellingen die toepassing
hebben gegeven aan artikel 7.25, vierde lid, tweede volzin, nog
plaatsen beschikbaar zijn, vindt, in afwijking van het eerste lid,
alsnog selectie plaats van degenen die zich overeenkomstig het
bepaalde krachtens artikel 7.37, vierde lid, hebben aangemeld,
doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25 gestelde nadere
vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met toepassing van
artikel 7.57c, eerste lid, en met overeenkomstige toepassing van
de lotingsprocedure. In de ministeriële regeling, bedoeld
inartikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van dit lid
nadere regels worden gesteld.
3. Degene die heeft deelgenomen aan
de lotingsprocedure voor een bepaalde opleiding en geen bewijs van
toelating heeft verkregen, kan nadien nog ten hoogste twee maal
aan de lotingsprocedure voor die opleiding deelnemen.
4. Bij de toepassing van het tweede
lid telt deelname aan de lotingsprocedure voor het studiejaar 1998–1999
of eerdere studiejaren niet mee. Bovendien telt deelname aan de
lotingsprocedure voor het studiejaar 1999–2000 niet mee voor
degene die voor dat studiejaar voor de eerste maal aan de
lotingsprocedure voor dezelfde opleiding heeft deelgenomen.
5. Aan de selectieprocedure kan
niet worden deelgenomen door degene die voor een opleiding is
ingeschreven of in enig studiejaar was ingeschreven en
inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een andere
instelling.
Artikel 7.57g. Afwijkende bezwaar- en
reactietermijnen
In afwijking van de artikelen 6:7 en
7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee
weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van
Onze Minister inzake afgifte van een bewijs van toelating,
onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift
voor de beslissing van Onze Minister.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 7.57h. Huisregels en
ordemaatregelen
1. Het instellingsbestuur kan
voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de
goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de
instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de
bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die
gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten
hoogste een jaar wordt ontzegd, of de inschrijving gedurende
eenzelfde periode wordt beëindigd.
2. Als de persoon die de
voorschriften, bedoeld in het eerste lid, overtreedt, ernstige
overlast binnen de gebouwen en terreinen van de instelling heeft
veroorzaakt en deze overlast ook na aanmaning door of vanwege het
instellingsbestuur niet heeft gestaakt, kan het instellingsbestuur
die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of
zijn inschrijving beëindigen.
Artikel 7.57i. Ondersteuning ter
bevordering van goede doorstroming van hoger beroepsonderwijs naar
een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs
De onderwijs- en examenregelingen van
de betreffende hogescholen en universiteiten regelen de wijze waarop
aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan
een verwante bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft
afgelegd, door het instellingsbestuur ondersteuning wordt geboden
ter bevordering van een goede doorstroming naar een verwante
masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 7.58 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 7.59. Studentenstatuut
1. Het instellingsbestuur stelt het
studentenstatuut vast en maakt dit bekend.
2. Het instellingsbestuur reikt aan
iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het
studentenstatuut uit. Indien noodzakelijk reikt het
instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend
studiejaar het studentenstatuut uit.
3. Het studentenstatuut omvat een
opleidingsspecifiek deel en een instellingsspecifiek deel.
4. Het opleidingsspecifiek deel
bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de
studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student
door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval
worden begrepen:
1°. informatie over de
opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs,
2°. de
studentenvoorzieningen, en
3°. de faciliteiten
betreffende de studiebegeleiding,
b. de vastgestelde onderwijs-
en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en
c. een beschrijving van
procedures die in aanvulling op de procedures, bedoeld in het
vijfde lid onder b ten 2°, op de opleiding van toepassing
zijn.
5. Het instellingsspecifiek deel
bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de
rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit
het bepaalde bij of krachtens de wet, en
b. een overzicht van de
regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen,
waarin worden opgenomen:
1°. een beschrijving van
de procedures voor de behandeling van klachten en
geschillen, bedoeld in titel 4, alsmede van de procedures
voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap,
alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend
aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en
2°. een beschrijving van
aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van
studenten die door het instellingsbestuur worden
getroffen.
Titel 4. Rechtsbescherming van
studenten en extraneï
Paragraaf 1. Toegankelijke
faciliteit; klachten
Artikel 7.59a. Toegankelijke
faciliteit
1. Het instellingsbestuur richt een
toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het instellingsbestuur
stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf
en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuurs- en
beheersreglement.
2. Een betrokkene dient een klacht
als bedoeld in artikel 7.59b en een beroep of bezwaar als bedoeld
in paragraaf 2 vanwege een genomen beslissing van een orgaan van
een instelling voor hoger onderwijs dan wel het ontbreken ervan op
grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen in bij de
faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene
aan een openbare instelling betreft, zijn de artikelen 6:4, eerste
en tweede lid, en 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
3. In deze paragraaf en de
paragrafen 2 tot en met 4 wordt onder «betrokkene» verstaan: een
student, een aanstaande student, een voormalige student, een
extraneus, een aanstaande extraneus of een voormalige extraneus.
4. De termijn voor het schriftelijk
indienen van een beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2
bedraagt zes weken.
5. De faciliteit bevestigt de
ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar
schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de
datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan
het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft,
is artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
6. De datum van ontvangst, bedoeld
in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep
of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling
betreft, is artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
7. Indien de faciliteit een klacht,
beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt
dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar
de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of
bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit
orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit.
Artikel 7.59b. Klachten
Het instellingsbestuur behandelt een
klacht van een betrokkene, wat een bijzondere instelling betreft met
overeenkomstige toepassing van titel 9.1 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Paragraaf 2. College van beroep voor
de examens; geschillenadviescommissie
Artikel 7.60. College van beroep voor
de examens
1. Elke instelling voor hoger
onderwijs heeft een college van beroep voor de examens.
2. Het college van beroep heeft
drie of vijf leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet
groter dan het aantal leden. Het college houdt voltallig zitting.
3. Het college kan besluiten kamers
in te stellen. Indien het college daartoe besluit, bestaat het
college uit ten minste zes en ten hoogste vijftien leden. Het
aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal
leden. Elke kamer heeft drie of vijf leden. Zij houdt voltallig
zitting.
4. De voorzitter, de
plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en
de eventuele plaatsvervangende leden worden door het
instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en
ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor
een termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden
en plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het
instellingsbestuur of van de inspectie. Buiten de voorzitter
bestaat het college voor tenminste de helft uit docenten,
onderscheidenlijk leden van de wetenschappelijke staf.
5. De voorzitter en de
plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de
vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld
in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
6. Op eigen verzoek wordt aan de
leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep
ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig
jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende
maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of
gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien
zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het
in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene
van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de
gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.
Artikel 7.61. Bevoegdheid college van
beroep voor de examens
1. Het college van beroep voor de
examens is bevoegd ten aanzien van de volgende beslissingen:
a. beslissingen als bedoeld in
de artikelen 7.8b, derde en vijfde lid, en7.9, eerste lid,
b. beslissingen inzake
vaststelling van het aantal behaalde studiepunten als bedoeld
in artikel 7.9a, alsmede beslissingen inzake het met goed
gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in
artikel 7.9d,
c. beslissingen inzake de
omvang van de vrijstelling, bedoeld in artikel 7.31a, derde
lid,
d. beslissingen, niet zijnde
besluiten van algemene strekking, genomen op grond van het
bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk, met het
oog op de toelating tot examens,
e. beslissingen, genomen op
grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen
7.25, vierde lid, en 7.28, vierde lid,
f. beslissingen van
examencommissies en examinatoren,
g. beslissingen van commissies
als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, en
h. beslissingen, genomen op
grond van de artikelen 7.30a en 7.30b met het oog op de
toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen.
2. Het beroep kan, wat de openbare
instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene
wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in
strijd is met het recht.
3. Alvorens het beroep in
behandeling te nemen zendt het college van beroep het
beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met
uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een
minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare
instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene
wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een
beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande
volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie.
Indien de examinator tegen wie het beroep is gericht, lid is van
de examencommissie, neemt hij geen deel aan de beraadslaging. Het
desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van
beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende
stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een
minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het
beroepschrift door het college in behandeling genomen.
4. Het college van beroep beslist
binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de
openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Indien het college van beroep
het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of
gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de
geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe
beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in
afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Het
kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd,
alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het
examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig
onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college
van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de
beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de
zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep.
Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.
6. Indien onverwijlde spoed dat
vereist kan de voorzitter van het college van beroep een
voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het
beroepschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede
lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De
voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan
wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te
hebben opgeroepen.
Artikel 7.62. Reglement van orde
1. Het college van beroep voor de
examens stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels
worden gesteld ten aanzien van:
a. de omvang en samenstelling
van het college van beroep,
b. indien nodig, de splitsing
in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de
verschillende kamers,
c. de zittingstermijn van de
leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college van
beroep,
d. de wijze waarop het
lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college
van beroep eindigt,
e. de in artikel 7.61, derde
lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure
achterwege kan worden gelaten,
f. de wijze waarop in het
secretariaat van het college van beroep wordt voorzien,
alsmede
g. de wijze waarop de
voorzitter wordt vervangen.
2. Het reglement van orde alsmede
wijzigingen daarvan, behoeven de instemming van het
instellingsbestuur.
Artikel 7.63. Inlichtingenplicht
De organen en personeelsleden alsmede
de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van
beroep voor de examens de gegevens die dit college voor de
uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Artikel 7.63a. Bevoegdheid en
samenstelling geschillenadviescommissie
1. Elke instelling voor hoger
onderwijs heeft een geschillenadviescommissie. Op een
geschillenadviescommissie is artikel 7:13, eerste tot en met zesde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn
functioneel onafhankelijk.
2. De geschillenadviescommissie
brengt aan het instellingsbestuur advies uit over bezwaren met
betrekking tot andere beslissingen dan wel het ontbreken ervan op
grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan die,
bedoeld in artikel 7.61.
3. De geschillenadviescommissie
gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is.
4. Indien sprake is van onverwijlde
spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie
desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig
mogelijk advies uitbrengt aan het instellingsbestuur. De
voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of
sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het
instellingsbestuur hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het
instellingsbestuur neemt dan, wat de openbare instellingen betreft
in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht,
binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit
een beslissing.
Artikel 7.63b. Beslissing op bezwaren
1. Het instellingsbestuur beslist
na ontvangst van het bezwaar binnen 10 weken, onverminderd de
beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in artikel 7.63a,
vierde lid. Wat de openbare instellingen betreft beslist het
instellingsbestuur in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht.
2. Wat bijzondere instellingen
betreft worden de artikelen 7:11, 7:12 en 7:13, zevende lid, van
de Algemene wet bestuursrecht overeenkomstig toegepast.
Paragraaf 3. College van beroep voor
het hoger onderwijs
Artikel 7.64. College van beroep voor
het hoger onderwijs
1. Er is een college van beroep
voor het hoger onderwijs, gevestigd te’s-Gravenhage.
2. Het college van beroep heeft ten
minste drie en ten hoogste zeven leden, onder wie de voorzitter.
Het college heeft een even groot aantal plaatsvervangende leden.
3. Het college van beroep wordt
bijgestaan door een secretaris. Onze minister kan aan de
secretaris ambtenaren toevoegen.
4. De ambtenaren die werkzaam zijn
voor het college van beroep staan onder het gezag van dat college
en leggen over werkzaamheden uitsluitend aan dat college
verantwoording af.
5. Het college van beroep houdt
zitting in kamers. Het college van beroep wijst de voorzitter van
een kamer aan uit de leden.
6. Het college van beroep stelt
voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk
geval worden geregeld:
a. de splitsing in kamers,
b. de verdeling van
werkzaamheden over de verschillende kamers, en
c. de wijze waarop de
voorzitter van het college van beroep en van een kamer wordt
vervangen.
Artikel 7.65. Rechtspositie leden van
het college van beroep voor het hoger onderwijs
1. De leden van het college van
beroep voor het hoger onderwijs en de plaatsvervangende leden
worden bij koninklijk besluit benoemd.
2. De secretaris wordt bij
koninklijk besluit benoemd en is bezoldigd.
3. De leden en plaatsvervangende
leden voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk
ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.
4. Een lid of plaatsvervangend lid
wordt bij koninklijk besluit ontslagen met ingang van de
eerstvolgende maand, nadat hij:
a. hiertoe een verzoek heeft
ingediend,
b. de leeftijd van zeventig
jaar heeft bereikt,
c. terzake gehoord, uit hoofde
van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is om zijn functie
te vervullen, of
d. bij onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld.
5. De toelage aan de voorzitter, de
overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij
koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van
Onze minister en Onze Minister van Financiën.
Artikel 7.66. Bevoegdheid en
procedure college van beroep voor het hoger onderwijs
1. Het college van beroep voor het
hoger onderwijs oordeelt over het beroep dat een betrokkene heeft
ingesteld tegen een beslissing van een orgaan van een instelling
voor hoger onderwijs die jegens hem op grond van deze wet en
daarop gebaseerde regelingen is genomen. Tegen uitspraken van het
college van beroep voor het hoger onderwijs staat geen hoger
beroep open.
2. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering
van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, en 8:13.
3. De organen van de instelling
verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college
voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Artikel 7.67. Griffierecht
Het griffierecht bedraagt € 42.
Artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Colleges van beroep
bijzonder onderwijs
Artikel 7.68. College van beroep
bijzonder onderwijs
1. In afwijking van artikel 7.66,
eerste lid, kan het bestuur van een bijzondere instelling in een
regeling bepalen dat de instelling in verband met de
levensbeschouwelijke aard van de instelling, al dan niet in
samenwerking met besturen van een of meer andere bijzondere
instellingen voor hoger onderwijs met een levensbeschouwelijke
aard, een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de
behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een
beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs
die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde
regelingen is genomen.
2. De regeling bevat een uitwerking
van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62, eerste lid, alsmede
de rechtsgang bij het college waarbij deartikelen 7.60, vierde
lid, eerste en tweede volzin, vijfde en zesde lid, 7.61, tweede,
vierde, vijfde, en zesde lid en 7.63 van overeenkomstige
toepassing zijn.
3. De regeling alsmede wijzigingen
daarvan worden vastgesteld met in achtneming van de artikelen
7.59a tot en met 7.67. De regeling alsmede de wijzigingen daarvan
worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder
g, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie
maanden heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij
de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.59a tot en met
7.67 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen
beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van
de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou
verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen
drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.
4. De werking van het besluit van
Onze minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat
de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld,
op het beroep is beslist.
Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van
de zij-instroom in het beroep van leraar en docent
Artikel 7a.1. Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. instelling: een instelling als
bedoeld in artikel 7a.2, en
b. bekwaamheidsonderzoek: het
onderzoek, bedoeld in artikel 176f van de Wet op het primair
onderwijs, artikel 148 van de Wet primair onderwijs BES, artikel
162i van de Wet op de expertisecentra, artikel 118o van de Wet
op het voortgezet onderwijs of artikel 203 van de Wet voortgezet
onderwijs BES.
Artikel 7a.2. Reikwijdte
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de
bekostigde en ingevolge artikel 6.9aangewezen instellingen voor
hoger onderwijs die voldoen aan artikel 176g van de Wet op het
primair onderwijs, artikel 149 van de Wet primair onderwijs BES,
artikel 162j van de Wet op de expertisecentra, artikel 118p van de
Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 204 van de Wet voortgezet
onderwijs BES.
Artikel 7a.3. Getuigschrift
bekwaamheidsonderzoek WPO, WPO BES, WEC, WVO en WVO BES
Ten bewijze dat het
bekwaamheidsonderzoek met goed gevolg is afgesloten, wordt door de
examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in
aanmerking komt een getuigschrift bekwaamheidsonderzoek uitgereikt.
Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het
bekwaamheidsonderzoek omvatte en, in een voorkomend geval, welke
bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6,
eerste lid.
Artikel 7a.4. Getuigschrift
pedagogisch-didactische scholing WEB
Ten bewijze dat de scholing, bedoeld
in artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, ertoe
heeft geleid dat betrokkene voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde
lid, onder a, van die wet bedoelde bekwaamheidseisen, wordt door de
examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in
aanmerking komt een getuigschrift pedagogisch-didactische scholing
uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het
onderzoek dat tot het getuigschrift leidde, omvatte.
Artikel 7a.5. Titulatuur
1.Degene die met goed gevolg het
bekwaamheidsonderzoek heeft afgesloten, is gerechtigd tot het
voeren van:
a. de titel doctorandus,
afgekort tot drs., indien het betreft een
bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden
op het niveau van wetenschappelijk onderwijs zijn getoetst, of
b. de titel baccalaureus,
afgekort tot bc., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek
waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van hoger
beroepsonderwijs zijn getoetst.
2.De in het eerste lid genoemde
titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.
Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde
instellingen voor hoger onderwijs
Artikel 8.1. Samenwerking bekostigde
instellingen voor hoger onderwijs
1.Met het oog op de samenwerking
tussen twee of meer, in debijlage van deze wet onder a tot en met
h opgenomen instellingen kunnen de besturen van die instellingen
een gemeenschappelijke regeling sluiten.
2.De regeling omvat bepalingen
omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding.
3.Bij de regeling kan een
samenwerkingsinstituut worden ingesteld. De regeling omvat
bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van het instituut,
en omtrent het verstrekken van inlichtingen door het instituut aan
de besturen van de deelnemende instellingen.
4.De regeling kan voorzien in de
overdracht van bepaalde bevoegdheden van organen van de
deelnemende instellingen aan organen van een andere deelnemende
instelling of aan organen van het samenwerkingsinstituut.
5.Op de besluiten van het
samenwerkingsinstituut, genomen krachtens enige door het bestuur
van een openbare instelling overgedragen bevoegdheid zijn de
wettelijke bepalingen omtrent schorsing en vernietiging van
besluiten van dat bestuur krachtens de overgedragen bevoegdheid
van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 9. Het bestuur en de
inrichting van de universiteiten
TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING
VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN
Artikel 9.1. Reikwijdte
Deze titel heeft betrekking op de
openbare universiteiten.
Paragraaf 1. Het bestuur van de
universiteit
Artikel 9.2. Algemene bevoegdheden
college van bestuur
1.Het college van bestuur is belast
met het bestuur van de universiteit in haar geheel en met het
beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van
toezicht volgens dit hoofdstuk.
2.Het college van bestuur oefent de
taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het
instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk
niet anders is bepaald.
3.De voorzitter van het college van
bestuur vertegenwoordigt de universiteit in en buiten rechte.
Artikel 9.3. Samenstelling college
van bestuur; rechtspositie leden
1. Het college van bestuur bestaat
uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de
universiteit. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening
gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen
en vrouwen.
2. Alvorens tot benoeming of
ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan,
hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of
de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op
grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30,
derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen
besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is
niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip
dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
3. De voorzitter van het college
van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.
4. In het bestuurs- en
beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van
voordracht en benoeming van de rector magnificus.
5. Een lid van het college van
bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
6. Een lid van het college van
bestuur kan niet tevens zijn:
a. lid van de raad van toezicht
van de desbetreffende universiteit,
b. decaan van een faculteit of
lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts
een faculteit omvat,
c. lid van het bestuur van een
opleiding, voorzover dat met toepassing van artikel 9.17 is
ingesteld, of
d. lid van de raad van toezicht
of van het college van bestuur van een andere universiteit.
7. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de
rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college
van bestuur.
Artikel 9.4. Bestuurs- en
beheersreglement
Het college van bestuur stelt een
bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het
beheer en de inrichting van de universiteit vast.
Artikel 9.5. Richtlijnen aan decanen
Het college van bestuur kan
richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en
coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde
lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.
Artikel 9.6. Inlichtingenplicht
college van bestuur
Het college van bestuur verstrekt
Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.
Artikel 9.7. Samenstelling raad van
toezicht
1. De raad van toezicht bestaat uit
ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
2. De voorzitter en de andere leden
worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van
de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan
wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de
medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid,
tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee
namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister
worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister
kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de
benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een
evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze
minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen
geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van
de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de
medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid,
tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt
voor een periode van ten hoogste vier jaren.
3. Een lid kan om gewichtige
redenen tussentijds worden ontslagen.
4. De samenstelling, taken en
bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een
deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van
de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de
universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij
een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der
Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en
oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming
van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar
gemaakte profielen.
5. De universiteitsraad dan wel de
ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond
van de medezeggenschapsregeling, bedoeld inartikel 9.30, derde
lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de
gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te
brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
6. Het college van bestuur voorziet
in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van
de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht
ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van
de raad.
7. De leden van het college van
bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij,
tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende
stem.
8. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent
tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
Artikel 9.8. Taken raad van toezicht
1. De raad van toezicht houdt, met
het oog op de taken van de universiteit, bedoeld in artikel 1.3,
eerste lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de
uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat
dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk
geval belast met:
a. het benoemen, schorsen,
ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het
college van bestuur;
b. het goedkeuren van het
bestuurs- en beheersreglement;
c. het goedkeuren van de
begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het
instellingsplan;
d. indien van toepassing, het
goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in
artikel 8.1;
e. het toezien op de naleving
door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en
de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
f. het toezien op de
rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige
bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond
van de artikelen 2.5en 2.6;
g. het aanwijzen van een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
h. het toezien op de vormgeving
van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel
1.18, en
i. het jaarlijks afleggen van
verantwoording over de uitvoering van de taken en de
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h,
in het jaarverslag van de universiteit.
2. De raad van toezicht pleegt ten
minste twee keer per jaar overleg met de universiteitsraad dan wel
de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op
grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld inartikel 9.30,
derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
Artikel 9.9. Verantwoordings- en
inlichtingenplicht raad van toezicht
1.De raad van toezicht is
verantwoording verschuldigd aan Onze minister.
2.De raad van toezicht verstrekt
Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.
Artikel 9.10. College voor promoties
1.Aan een universiteit is een
college voor promoties verbonden. Het college voor promoties
bestaat uit hoogleraren.
2.Het college voor promoties hoort
het college van bestuur over het verlenen van de graad, bedoeld in
artikel 7.19, tweede lid.
3.In het bestuurs- en
beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van
benoeming van het college voor promoties nader geregeld.
Paragraaf 2. Onderwijs en
wetenschapsbeoefening
Artikel 9.11. Faculteiten en
opleidingen
In het bestuurs- en beheersreglement
wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat.
Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die
faculteiten of faculteit zijn ingesteld.
Artikel 9.12. Faculteit; decaan
1.De verzorging van het onderwijs
en de beoefening van de wetenschap geschieden in de faculteit. Aan
het hoofd van de faculteit staat de decaan van de faculteit.
2.In afwijking van het eerste lid
kan in het bestuurs- en beheersreglement worden bepaald dat aan
het hoofd van de faculteit een bestuur staat, bestaande uit de
decaan van de faculteit, tevens voorzitter, en een of meer andere
leden. Indien de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in
deze titel en in titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde
en zesde lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de
faculteit. Indien aan het hoofd van de faculteit een meerhoofdig
bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit
in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te
wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem
heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op
welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt
aangewezen.
3.Indien een universiteit slechts
een faculteit omvat:
a. is de rector magnificus
tevens decaan,
b. staat aan het hoofd van de
faculteit een bestuur,
c. wordt in deze titel en in
titel 2 met uitzondering van artikel 9.13, vierde en zesde
lid, onder decaan tevens verstaan het bestuur van de
faculteit, en
d. worden de taken en
bevoegdheden van het bestuur van de faculteit uitgeoefend door
het college van bestuur.
4.Een lid van het bestuur van de
faculteit kan niet tevens lid zijn van de faculteitsraad van die
faculteit.
Artikel 9.13. Benoeming en ontslag
decaan
1.De decaan wordt benoemd,
geschorst en ontslagen door het college van bestuur. De benoeming
geschiedt voor een door het college van bestuur te bepalen
termijn.
2.Alvorens tot benoeming of ontslag
van de decaan over te gaan, hoort het college van bestuur
vertrouwelijk de faculteitsraad van de desbetreffende faculteit
over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van
dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een
zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de
besluitvorming.
3.De decaan kan om gewichtige
redenen worden geschorst of tussentijds worden ontslagen.
4.De decaan bezit de hoedanigheid
van hoogleraar.
5.Indien aan het hoofd van de
faculteit een bestuur als bedoeld in artikel 9.12, tweede lid,
staat, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige
toepassing.
6.Dit artikel is niet van
toepassing, indien de rector magnificus tevens decaan is.
Artikel 9.14. Taken en bevoegdheden
decaan algemeen; faculteitsreglement
1.De decaan is belast met de
algemene leiding van de faculteit. De decaan is voorts belast met
het bestuur en de inrichting van de faculteit voor het onderwijs
en de wetenschapsbeoefening.
2.De decaan werkt mede aan het
bestuur van de universiteit door onder meer het plegen van overleg
met het college van bestuur terzake van de voorbereiding van het
instellingsplan en de begroting.
3.Onverminderd artikel 9.5 stelt de
decaan ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de
faculteit het faculteitsreglement vast.
4.Het faculteitsreglement behoeft
de goedkeuring van het college van bestuur. De goedkeuring kan
slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
5.Indien binnen een door het
college van bestuur te bepalen termijn het faculteitsreglement
niet of niet volledig is vastgesteld, stelt het college van
bestuur het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vast.
Artikel 9.15. Overige taken en
bevoegdheden decaan
1. De decaan is, onverminderd
artikel 9.5, voorts belast met:
a. het vaststellen van de
onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, alsmede
de regelmatige beoordeling daarvan,
b. het vaststellen van algemene
richtlijnen voor de wetenschapsbeoefening,
c. het vaststellen van het
jaarlijks onderzoekprogramma van de faculteit,
d. het houden van toezicht op
de uitvoering van de onderwijs- en examenregeling en op het
jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede het uitbrengen van
regelmatig verslag hieromtrent aan het college van bestuur,
e. het instellen van de
examencommissies en de commissie, bedoeld in artikel 7.29,
eerste lid, alsmede de benoeming van de leden van die
commissies,
f. de uitvoering van de
artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering van de aanwijzing van
opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9,
eerste lid,
g. het vaststellen van nadere
regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de
artikelen 7.25, vierde lid, 7.28, tweede tot en met vierde
lid, en 7.29, eerste lid, kan worden verkregen,
h. het verstrekken van een
bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.30a, derde lid,
de toepassing van artikel 7.30a, vijfde lid, de uitvoering van
artikel 7.30c, en
i. het sluiten van een
gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer
opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten,
j. de uitvoering van de
artikelen 6.7a en7.9b,
j. het vaststellen van de
procedures en criteria met betrekking tot erkenning van
verworven competenties.
2. De decaan oefent het recht tot
voordracht, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, uit.
3. In het bestuurs- en
beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid,
bedoeld in het eerste lid, onder i.
Artikel 9.16. Verantwoordings- en
inlichtingenplicht decaan
De decaan is verantwoording
verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstrekt het college
de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit.
Artikel 9.17. Bestuur opleidingen
1.De decaan voorziet in een
meerhoofdig bestuur van elke opleiding die in de faculteit is
ingesteld. In afwijking van de eerste volzin kan volstaan worden
met een opleidingsdirecteur.
2.Indien in een meerhoofdig bestuur
wordt voorzien, maakt daarvan een student deel uit.
3.In het faculteitsreglement worden
nadere regels gesteld omtrent het bestuur van de opleidingen.
4.Een lid van het bestuur van de
opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van
die opleiding.
5.Voor de toepassing van dit
artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een
bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende
masteropleidingen.
Artikel 9.18. Opleidingscommissies
1. Voor elke opleiding of groep van
opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie
heeft tot taak:
a. advies uit te brengen over
de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13,
b. het jaarlijks beoordelen van
de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen
beweging advies uitbrengen aan het bestuur van de opleiding,
bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle
aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende
opleiding.
De commissie zendt de adviezen,
bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de faculteitsraad.
2. Op een advies als bedoeld in het
eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van
overeenkomstige toepassing.
3. In het faculteitsreglement
worden regels van procedurele aard met betrekking tot de
toepassing van het eerste lid gesteld en wordt de wijze van
benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld,
met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de
commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding
ingeschreven studenten.
4. Indien een faculteit slechts een
opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken
en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door
de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.
Artikel 9.19. Verantwoordelijkheden
en rechten hoogleraren
1.Tot het personeel van de
universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het
benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de
hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
2.De hoogleraren zijn bij uitstek
verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen
wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op
dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de
opleiding, bedoeld in artikel 9.17.
3.Eervol ontslagen hoogleraren
behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als
promotor op te treden.
4.De hoogleraren zijn gerechtigd de
titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om
gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel
bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende
functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is
verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.
Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en
onderzoekscholen
Artikel 9.20. Onderzoekinstituten en
onderzoekscholen binnen een faculteit
1.In het faculteitsreglement kunnen
binnen de faculteit onderzoekinstituten en onderzoekscholen worden
ingesteld. De decaan regelt het bestuur en de inrichting van deze
onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
2.In het faculteitsreglement worden
regels gesteld omtrent het bestuur en beheer van
onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
Artikel 9.21. Onderzoekinstituten en
onderzoekscholen tussen twee of meer faculteiten binnen een
universiteit
1.In het bestuurs- en
beheersreglement kunnen binnen de universiteit onderzoekinstituten
en onderzoekscholen worden ingesteld waarop artikel 9.20 niet van
toepassing is. Het college van bestuur regelt het bestuur, beheer
en de inrichting van deze onderzoekinstituten en onderzoekscholen.
2.In het bestuurs- en
beheersreglement kan een faculteit worden aangewezen waarvan de
decaan de bevoegdheden uitoefent die bij of krachtens deze wet met
betrekking tot een onderzoekinstituut of onderzoekschool aan het
college van bestuur zijn toegekend.
Artikel 9.22. Interne
verzelfstandiging van onderzoekinstituten en onderzoekscholen
1.In het faculteitsreglement kan
worden bepaald dat het bestuur van een onderzoekinstituut of
onderzoekschool als bedoeld in artikel 9.20 gedurende een tijdvak
van ten hoogste vijf jaar met beheerstaken wordt belast.
2.In het bestuurs- en
beheersreglement kan door het college van bestuur worden bepaald
dat het bestuur van een onderzoekinstituut of onderzoekschool als
bedoeld in artikel 9.21 gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf
jaar met beheerstaken wordt belast. Het besluit van het college
van bestuur behoeft de instemming van de decanen van de
desbetreffende faculteiten.
3.Indien het tweede lid toepassing
heeft gevonden, stelt het college van bestuur jaarlijks de
financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het
onderzoekinstituut of de onderzoekschool.
Artikel 9.23. Onderzoekinstituten en
onderzoekscholen tussen twee of meer universiteiten
1.Een onderzoekinstituut of
onderzoekschool tussen twee of meer universiteiten wordt in
overeenstemming met de decanen van de betrokken faculteiten
ingesteld bij gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel
8.1. Daarin kan de bepaling worden opgenomen dat het bestuur van
het onderzoekinstituut of de onderzoekschool met beheerstaken
wordt belast.
2.Indien het eerste lid toepassing
heeft gevonden, stellen de colleges van bestuur jaarlijks de
financiële middelen ter beschikking aan het bestuur van het
onderzoekinstituut of de onderzoekschool.
Paragraaf 4. Schorsing en
vernietiging besluiten faculteit en voorziening bij verwaarlozing
bestuur faculteit
Artikel 9.24. Schorsing en
vernietiging besluiten decaan en examencommissies
1. De besluiten van de decaan
kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. In geval
van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier
maanden duren.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een besluit van de decaan betreffende de benoeming
van leden van de commissies, bedoeld in artikel 9.15, eerste lid
onderdeel e.
Artikel 9.25 [Vervallen per
11-05-2001]
Artikel 9.26 [Vervallen per
11-05-2001]
Artikel 9.27. Voorziening bij
verwaarlozing bestuur faculteit of deel daarvan
1.Ingeval van verwaarlozing of in
strijd met de wet functioneren van het bestuur van een faculteit
of een deel daarvan treft het college van bestuur, zo nodig met
afwijking van de paragrafen 2 en 3 van deze titel en paragraaf 2
van titel 2, voor een door het college van bestuur te bepalen
tijdvak van ten hoogste één jaar de voorzieningen die het
noodzakelijk oordeelt. Het college doet hiervan onverwijld
mededeling aan de raad van toezicht.
2.De voorzieningen vervallen,
indien zij niet binnen drie weken na de ontvangst van de
mededeling van het college van bestuur door de raad van toezicht
zijn bekrachtigd.
Paragraaf 5 [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 9.28 [Vervallen per
01-09-2010]
TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE
OPENBARE UNIVERSITEITEN
Artikel 9.29. Reikwijdte
Deze titel heeft betrekking op de
openbare universiteiten.
Artikel 9.30. Keuze uit
medezeggenschapsstelsels
1. Het college van bestuur besluit:
a. dat de Wet op de
ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van
toepassing is op de universiteit, dan wel
b. dat de onder a bedoelde wet
niet van toepassing is op de universiteit.
2. Een besluit als bedoeld in het
eerste lid kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder
dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden
van het vorige besluit terzake.
3. Het besluit, bedoeld in het
eerste lid aanhef en onderdeel a, stelt de paragrafen 1, 2 en 4
tot en met 6 van deze titel buiten werking voor de desbetreffende
universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de vaststelling door
het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten
behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar
faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in
de paragrafen 1, 2, 4 en 5 van deze titel.
4. Ten gevolge van het besluit,
bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, zijn de
paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel van toepassing op de
desbetreffende universiteit.
5. In het geval dat het eerste lid
aanhef en onderdeel a toepassing heeft gevonden, behoeft het
college van bestuur de voorafgaande instemming van de
ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen
besluit met betrekking tot de keuze uit de
medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor
vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde
lid.
6. De in de
medezeggenschapsregeling vast te stellen
medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de
organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en
verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.
Artikel 9.30a. Instemmingsbevoegdheid
gezamenlijke vergadering personeel/studenten
1. Indien een besluit als bedoeld
in artikel 9.30, eerste lid onderdeel a, is genomen, is er aan een
universiteit een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze
vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de
leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de
medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid
tweede volzin.
2. Het college van bestuur behoeft
de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor
elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking
tot de vaststelling of wijziging van:
a. het instellingsplan, bedoeld
in artikel 2.2,
b. de vormgeving van het
systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste
lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de
uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel
2.9, tweede lid, tweede volzin, en
c. het bestuurs- en
beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.
3. Het college van bestuur stelt,
met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet,
een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. Artikel 9.34,
tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f, g en j1, is van
overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden
geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering,
onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het
reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad
en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens
geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in
gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke
vergadering.
4. De gezamenlijke vergadering is
bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit
te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van
een door haar opgestelde agenda.
Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen
de universiteit
Artikel 9.31. Universiteitsraad
1.Aan een universiteit is een
universiteitsraad verbonden.
2.Het aantal leden van de raad
bedraagt ten hoogste vierentwintig leden.
3.De raad bestaat voor de helft uit
leden die door en uit het personeel worden gekozen, en voor de
helft uit leden die door en uit de studenten worden gekozen.
4.Zij die deel uitmaken van het
college van bestuur of de raad van toezicht dan wel belast zijn
met de functie van decaan van een faculteit, kunnen niet tevens
lid zijn van de raad.
5.Kandidaten voor de verkiezingen
van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt
gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door
organisaties van personeel.
6.De verkiezing van de leden van de
raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor
een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal
kandidaat-leden van
|