Nadere regelgeving:
- Besluit LSOP
- Regeling landelijke politieopleidingen
PO2002
WET van 23 januari 2003, houdende regels
met betrekking tot het LSOP Politie onderwijs- en kenniscentrum, de
landelijke werving, de selectie, het onderwijs voor de politie, alsmede
het overdragen van kennis aan de politie (Wet op het LSOP en het
politieonderwijs)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een Wet
op het LSOP en het politieonderwijs vast te stellen ter vervanging van
de LSOP-wet in verband met de evaluatie van de LSOP-wet, de aanpassing
aan de Aanwijzingen voor de
regelgeving inzake de zelfstandige
bestuursorganen, de concentratie van beheersbevoegdheden op rijksniveau
met betrekking tot de regionale politiekorpsen bij Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de wijziging van de
bestuursstructuur en het financieringsstelsel van het LSOP, alsmede de
vernieuwing van het politieonderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie,
Politie onderwijs- en kenniscentrum;
b. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
c. initiële opleidingen: de door Onze Minister aangewezen
opleidingen voor ambtenaren van politie, gericht op de voorbereiding
van de uitoefening van algemene politietaken, waarvoor in het kader
van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14,
competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;
d. postinitiële opleidingen: de door Onze Minister aangewezen
opleidingen voor ambtenaren van politie of andere door Onze Minister
aan te wijzen categorieën van personen, gericht op de voorbereiding
van de uitoefening van specialistische en leidinggevende
politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke
kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte
eindtermen zijn vastgesteld;
e. college van bestuur: het college van bestuur, bedoeld in
artikel 5;
f. raad van toezicht: de raad van toezicht, bedoeld in artikel 7;
g. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de
studenten de politietaak bij de politie uitoefenen in het kader van
de initiële en postinitiële opleidingen;
h. politieonderwijsraad: het advies- en afstemmingsorgaan,
bedoeld in artikel 19;
i. competentiegerichte eindtermen: als zodanig omschreven
kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding
en ervaring waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog
op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren dient te
beschikken, en die in voorkomende gevallen betekenis hebben voor de
doorstroming naar vervolgonderwijs;
j. deelkwalificatie: een combinatie van competentiegerichte
eindtermen, vastgesteld voor een initiële of postinitiële
opleiding, die in het licht van de uitoefening van de politietaak
waarop de opleiding is gericht een zelfstandige betekenis heeft.
Artikel 2
1.Er is een Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie,
Politie onderwijs- en kenniscentrum, belast met de in artikel 3,
eerste lid, bedoelde taak.
2.Het LSOP bezit rechtspersoonlijkheid.
Hoofdstuk II. Taken van het LSOP
Artikel 3
1. Het LSOP heeft tot taak:
a. het ondersteunen van de landelijke werving en het uitvoeren
van de selectie van de studenten voor de initiële opleidingen;
b. het ontwikkelen en het verzorgen van de initiële
opleidingen;
c. het ontwikkelen en het verzorgen van de postinitiële
opleidingen;
d. het examineren van de studenten die de initiële en
postinitiële opleidingen hebben gevolgd;
e. het overdragen van kennis aan de Nederlandse politie en het
bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de
politietaak waarop het onderwijs is gericht, onder meer door het
verrichten van onderzoek, en
f. het ontwikkelen of het verzorgen van andere dan de in het
eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde opleidingen van een door
Onze Minister aan te wijzen categorie van personen.
2. Het LSOP kan andere werkzaamheden uitvoeren, dan die welke
rechtstreeks voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde taken,
mits die werkzaamheden:
a. samenhangen met de in het eerste lid bedoelde taken;
b. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van
private aanbieders van vergelijkbare diensten, en
c. tegen ten minste kostendekkende prijzen worden verricht.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels over de uit te
voeren andere werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, gesteld.
Hoofdstuk III. De organen van het LSOP
Artikel 4
De organen van het LSOP zijn het college van bestuur en de raad van
toezicht.
Artikel 5
1.Het college van bestuur is belast met het bestuur en het beheer
van het LSOP. Daartoe oefent het college van bestuur de taken en
bevoegdheden uit die niet zijn voorbehouden aan de raad van toezicht.
2.Het college van bestuur vertegenwoordigt het LSOP in en buiten
rechte.
3.Het college van bestuur stelt een bestuursreglement vast. In het
bestuursreglement worden ten minste vastgelegd:
a. de werkwijze van het college van bestuur,
b. de samenstelling en de werkwijze van de leiding van de
instellingen en vestigingen van het LSOP,
c. de wijze waarop het college van bestuur de uitoefening van
zijn taken en bevoegdheden afstemt met die van de raad van
toezicht, en
d. de wijze waarop de leden van het college van bestuur en van
de raad van toezicht het voornemen tot het aanvaarden van een
nevenfunctie anders dan uit hoofde van hun functie aan Onze
Minister melden.
4.Het bestuursreglement, alsmede de wijzigingen daarvan behoeven de
instemming van Onze Minister. Het college van bestuur legt daartoe het
bestuursreglement en een document waaruit de opvatting van de raad van
toezicht hierover blijkt, voor aan Onze Minister.
5.Het bestuursreglement, alsmede de wijzigingen daarvan worden
bekendgemaakt in de Staatscourant.
6.Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de
voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere
gegevens.
Artikel 6
1. Het college van bestuur bestaat uit drie leden, onder wie de
voorzitter.
2. De leden worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij
koninklijk besluit. Een voordracht wordt niet gedaan dan nadat de raad
van toezicht in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hierover
kenbaar te maken.
3. Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt ervoor
zorg gedragen dat ten minste één lid ambtenaar is als bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, en dat
onderwijskundige expertise wordt gewaarborgd.
4. De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar. Zij
kunnen eenmaal worden herbenoemd.
5. Zolang in een vacature van het college van bestuur niet is
voorzien, vormen de overblijvende leden het college, met de
bevoegdheid van het voltallige college, met dien verstande dat
rechtsgeldige besluiten slechts kunnen worden genomen door ten minste
twee leden.
Artikel 7
1.De raad van toezicht is belast met:
a. het bewaken van de doelstelling en de strategie van het LSOP,
en
b. het toezien op de taakuitoefening door het college van
bestuur.
2.Onverminderd artikel 26, behoeven de volgende besluiten van het
college van bestuur de instemming van de raad van toezicht:
a. besluiten inzake fusie, splitsing, reorganisatie, sluiting
of opheffing van instellingen of vestigingen van het LSOP, en
b. besluiten inzake het aankopen, bezwaren of vervreemden van
onroerende zaken.
3.De raad van toezicht geeft gevraagd en ongevraagd het college van
bestuur zijn zienswijze over de taakuitoefening door het college van
bestuur.
Artikel 8
1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste
zeven leden, onder wie de voorzitter.
2. De functie van lid van de raad van toezicht is niet verenigbaar
met de functie van lid van het college van bestuur.
3. In de raad van toezicht worden geen ambtenaren benoemd voor wie
Onze Minister het bevoegd gezag is.
4. De raad van toezicht stelt regels vast omtrent zijn werkwijze.
Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister.
5. Het college van bestuur draagt zorg voor de ondersteuning van de
raad van toezicht.
6. Onze Minister kent de leden van de raad van toezicht, ten laste
van het LSOP, een vergoeding toe voor hun werkzaamheden. De leden
hebben aanspraak op vergoeding door het LSOP van de door hen in de
uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.
Artikel 9
1. De leden van de raad van toezicht worden benoemd, herbenoemd,
geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.
2. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij
kunnen eenmaal worden herbenoemd.
3. Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is
voorzien, vormen de overblijvende leden de raad, met de bevoegdheid
van de voltallige raad.
Hoofdstuk IV. Het personeel
Artikel 10
1. Tot het personeel van het LSOP worden in ieder geval gerekend:
a. de leden van het college van bestuur,
b. de ambtenaren in dienst van het LSOP, en
c. de bij het LSOP anders dan met het oog op het ontvangen van
onderwijs gedetacheerde ambtenaren van politie.
2. Het personeel van het LSOP, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur,
voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ambtenaren, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, worden aangewezen, die worden benoemd,
geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.
4. Ambtenaren van politie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
worden door de korpschef op verzoek van het college van bestuur bij
het LSOP gedetacheerd.
5. Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald,
zijn de bij of krachtens artikel 47, eerste lid, van de Politiewet
2012 gestelde regels van overeenkomstige toepassing op het personeel
van het LSOP. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gegeven, indien dit in verband met enige andere
bepaling uit deze wet is vereist. De Wet veiligheidsonderzoeken is van
overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.
6. Artikel 47, derde lid, van de Politiewet 2012 is van
overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.
7. Artikel 47, vierde lid, van de Politiewet 2012 is van
overeenkomstige toepassing op het LSOP.
Hoofdstuk V. Onderwijs
Artikel 11
Het politieonderwijs is gericht op de verwerving van kennis, inzicht,
vaardigheden, houding en ervaring, nodig voor de uitoefening van de
politietaak. Het politieonderwijs bevordert tevens de algemene vorming
en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot hun
maatschappelijk functioneren.
Artikel 12
Het politieonderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten
met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving
en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die
waarden.
Artikel 13
1. Het LSOP biedt in samenwerking met de politie, met de regionale
opleidingencentra, bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, en met de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld
in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, het onderwijs aan in de vorm van initiële en postinitiële
opleidingen.
2. De niveaus waarop de initiële opleidingen, genoemd in de
onderdelen a tot en met c van het derde lid, zich richten, komen
overeen met de opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening, als
bedoeld in artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs. De
niveaus waarop de initiële opleidingen, genoemd in de onderdelen d en
e van het derde lid, zich richten, komen overeen met de niveaus van de
opleidingen die op grond van artikel 7:21 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek recht geven op het voeren van
de titels bachelor respectievelijk master.
3. De initiële opleidingen richten zich op de volgende niveaus
waarop de politietaak kan worden uitgeoefend:
a. assistent politiemedewerker (niveau 2),
b. politiemedewerker (niveau 3),
c. allround politiemedewerker (niveau 4),
d. politiekundige (niveau 5),
e. politiekundige (niveau 6).
4. Aan de initiële opleidingen kunnen ten behoeve van individuele
studenten voorbereidende of ondersteunende activiteiten worden
toegevoegd ter bevordering van de toelating tot en het met gunstig
gevolg voltooien van de opleiding. Deze activiteiten maken geen deel
uit van de opleiding. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten
zijn bestemd voor studenten wier vooropleiding naar het oordeel van
het college van bestuur zonder deze activiteiten onvoldoende uitzicht
biedt op het voldoen aan de competentiegerichte eindtermen binnen
redelijke tijd.
5. Het college van bestuur is belast met de beoordeling van eerder
verworven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden,
houding en ervaring, al dan niet blijkend uit eerder behaalde
kwalificaties, met het oog op het verlenen van vrijstellingen.
6. De studielast van de initiële opleidingen bedraagt voor de
onderscheiden in het derde lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde
initiële opleidingen ten minste:
a. 2400 studiebelastinguren,
b. 4800 studiebelastinguren,
c. 6400 studiebelastinguren,
d. 6720 studiebelastinguren, en
e. 6720 studiebelastinguren.
Van de studielast kan overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, worden
afgeweken.
7. Van elke opleiding maakt een praktisch opleidingsdeel deel uit.
8. Het praktische opleidingsdeel bedraagt voor de initiële
opleidingen ten minste 40 % van de studielast, bedoeld in het zesde
lid.
9. Het praktische opleidingsdeel wordt verzorgd op grondslag van
een standaard onderwijsovereenkomst, gesloten door het college van
bestuur en de korpschef. De afspraken in de onderwijsovereenkomst
betreffen: de precieze omvang van de periode van het praktische
opleidingsdeel, de begeleiding van de student, dat deel van de
competentiegerichte eindtermen dat de student tijdens het praktische
opleidingsdeel dient te realiseren, en de beoordeling van de student
tijdens het praktische opleidingsdeel.
Artikel 14
1. Onze Minister wijst de initiële en postinitiële opleidingen
aan die voor bekostiging ingevolge artikel 27 in aanmerking komen, en
draagt met het oog op de totstandkoming van een landelijke
kwalificatiestructuur zorg voor het vaststellen en onderhouden van een
samenhangend en gedifferentieerd geheel van competentiegerichte
eindtermen, indien mogelijk onderverdeeld in deelkwalificaties, voor
de initiële en postinitiële opleidingen.
2. Op voorstel van de politieonderwijsraad, worden daartoe, indien
noodzakelijk, jaarlijks voor 1 september bij ministeriële regeling
per aangewezen opleiding de beroepsprofielen, de competentiegerichte
eindtermen en indien mogelijk de indeling daarvan in deelkwalificaties
alsmede de examenverplichting vastgesteld.
3. Uit het voorstel dient te blijken dat de politieonderwijsraad
voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting van door het LSOP
verzorgde opleidingen bij de opleidingen voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs, de beroepsopleidingen, de opleidingen voor hoger
beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.
4. Indien ten aanzien van bepaalde uitvoerende functies of taken
bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld met betrekking tot
de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden,
houding, ervaring of persoonlijke eigenschappen waarover degenen die
die functie of taak gaan vervullen, moeten beschikken, neemt Onze
Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de
competentiegerichte eindtermen.
5. Op voorstel van de politieonderwijsraad stelt Onze Minister met
inachtneming van artikel 13, zesde lid, per opleiding de studieduur en
de studielast vast. De studieduur of de studielast kan verschillen
voor onderscheiden studenten of groepen van studenten, zo nodig in
afwijking van de in artikel 13, zesde lid, genoemde studieduur of
studielast.
6. Het college van bestuur draagt er zorg voor dat de opleidingen
zodanig zijn ingericht dat de studenten de competentiegerichte
eindtermen binnen de vastgestelde studielast kunnen bereiken. Het
college van bestuur draagt zorg voor de aanleg, het beheer en de
bekendmaking van een centraal register politieopleidingen waarin de
competentiegerichte eindtermen van de onderscheiden opleidingen zijn
opgenomen.
Artikel 15
1. Het college van bestuur stelt tijdig, ten behoeve van de
studenten, voor elke door Onze Minister aangewezen opleiding een
onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling
omvat ten minste:
a. de competentiegerichte eindtermen,
b. de uitwerking van de competentiegerichte eindtermen in de
inhoud en inrichting van de opleiding, met inbegrip van de inhoud
en inrichting van het praktische opleidingsdeel,
c. de inhoud, en in voorkomende gevallen, de indeling in
onderdelen van het examen,
d. de overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, vastgestelde
studieduur en studielast van de opleiding,
e. de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal
malen dat gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van het
examen of onderdelen daarvan,
f. de wijze waarop het examen of onderdelen daarvan worden
afgenomen,
g. de termijn waarbinnen de uitslag van een examen of
examenonderdeel wordt bekendgemaakt en de wijze waarop en de
termijn waarbinnen de student inzage verkrijgt in zijn beoordeelde
examen of examenonderdeel.
2. De onderwijs- en examenregeling wordt door het college van
bestuur tijdig voor de aanvang van het studiejaar bekendgemaakt,
zodanig dat de aanstaande student zich een adequaat beeld kan vormen
van de inhoud en inrichting van het onderwijs en de examens.
Artikel 16
Elke opleiding wordt afgesloten met een examen dat door het LSOP
wordt afgenomen. Het examen omvat een onafhankelijk onderzoek naar de
competenties waarover de student bij voltooiing van de opleiding dient
te beschikken.
Artikel 17
1.Het college van bestuur geeft de studenten de gelegenheid een
examen af te leggen en draagt zorg voor de uitvoering van het examen.
2.Ten bewijze dat een examenonderdeel met goed gevolg is afgelegd,
wordt een bewijsstuk uitgereikt. Indien het examenonderdeel een
deelkwalificatie betreft, wordt een certificaat uitgereikt. Ten
bewijze dat een examen met goed gevolg is afgelegd wordt een diploma
uitgereikt. Het examen van een opleiding is eerst dan met goed gevolg
afgesloten indien zowel het duale opleidingsdeel als het overige deel
van het onderricht met goed gevolg is afgesloten.
3.Het college van bestuur stelt ten minste een examencommissie in
ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke
door het LSOP verzorgde opleiding of groepen van opleidingen.
4.Het college van bestuur benoemt de leden van de examencommissie.
5.Ten behoeve van het afnemen van het examen wijst de
examencommissie examinatoren aan. Het college van bestuur kan in
afwijking van de eerste volzin bepalen dat een of meer examens worden
afgenomen door andere examinatoren dan bedoeld in die volzin.
Artikel 18
1. Het college van bestuur stelt ten minste een commissie van
beroep voor de examens in.
2. Beslissingen van het college van bestuur ter uitvoering van de
artikelen 13, zevende lid juncto negende lid, of 17, of beslissingen
van de degenen die het examenonderdeel of het examen hebben
samengesteld of afgenomen, kunnen worden onderworpen aan het oordeel
van de commissie.
3. De commissie bestaat uit een oneven aantal leden, onder wie de
voorzitter. De leden worden benoemd, herbenoemd, geschorst en
ontslagen door het college van bestuur. De leden maken geen deel uit
van het college van bestuur, en hebben niet het examenonderdeel of het
examen samengesteld of afgenomen dat aan het oordeel van de commissie
is onderworpen.
4. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van het beroepschrift zes dagen.
In afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht beslist de commissie binnen vier weken gerekend vanaf de
dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift
is verstreken tenzij zij deze termijn heeft verlengd met ten hoogste
twee weken.
5. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij
stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de student in
de gelegenheid zal worden gesteld het examen of het examenonderdeel
alsnog of opnieuw af te leggen. De beslissing van de commissie wordt
bekendgemaakt aan de student, de leiding van de desbetreffende
instelling van het LSOP alsmede aan de korpschef.
6. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de
beslissing geheel of gedeeltelijk. In afwijking van artikel 7:25 van
de Algemene wet bestuursrecht, is de commissie niet bevoegd in de
plaats van het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit een nieuw
besluit te nemen. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing
is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het
examenonderdeel of het examen opnieuw wordt afgenomen onder door de
commissie te stellen voorwaarden. Het college van bestuur of degene
die het examenonderdeel of het examen heeft samengesteld of afgenomen,
van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw
in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie. De
commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
7. In zaken waarin het belang van de appellant een onverwijlde
voorziening bij voorraad vordert, kan deze bij met redenen omkleed
verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, aan de
voorzitter van de commissie van beroep voor de examens een voorlopige
voorziening vragen. De voorzitter beslist op dat verzoek na de
desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben
opgeroepen.
8. Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van
elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten
of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een
andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Artikel 19
1. Er is een politieonderwijsraad.
2. De politieonderwijsraad bestaat uit dertien leden, onder wie de
onafhankelijke voorzitter.
3. De leden van de politieonderwijsraad wijzen uit hun midden een
plaatsvervangend voorzitter aan.
4. De leden van de politieonderwijsraad worden bij koninklijk
besluit benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen.
5. De leden van de politieonderwijsraad worden benoemd voor een
periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden
herbenoemd.
6. In de politieonderwijsraad hebben, naast de voorzitter, als lid
zitting:
a. een burgemeester,
b. drie strategisch leidinggevenden van het politiekorps,
c. een lid van het openbaar ministerie,
d. twee vertegenwoordigers vanuit de politievakorganisaties,
e. een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs,
f. een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs,
g. twee leden vanuit het LSOP, en
h. een onafhankelijk lid dat deskundig is op het terrein van
het beroepsonderwijs.
7. Tevens kunnen zoveel adviserende leden of waarnemers worden
benoemd als Onze Minister dienstig oordeelt.
Artikel 20
1. De politieonderwijsraad draagt bij aan het ontwikkelen en
onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de
aansluiting en afstemming tussen het aanbod van politieonderwijs en de
behoefte daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven
voor afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen
in internationaal verband.
2. De politieonderwijsraad draagt zorg voor het ontwikkelen van
voorstellen welke opleidingen voor bekostiging door het Ministerie van
Veiligheid en Justitie in aanmerking komen mede in het licht van een
doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen.
3. De politieonderwijsraad adviseert Onze Minister omtrent de eisen
die moeten worden gesteld aan de plaatsen waar het praktische
opleidingsdeel wordt uitgevoerd, en omtrent het aantal plaatsen in de
regionale en landelijke eenheden van de politie waar het praktische
opleidingsdeel wordt uitgevoerd.
4. De politieonderwijsraad heeft tot taak toe te zien op de
aansluiting van het politieonderwijs op de kwalificatiestructuur van
het beroepsonderwijs zoals neergelegd in de Wet educatie en
beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
5. De politieonderwijsraad geeft Onze Minister desgevraagd of uit
eigen beweging zijn zienswijze.
Artikel 21
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de organisatie, de werkwijze en de bekostiging van de
politieonderwijsraad.
Hoofdstuk VI. Beheer, planning en bekostiging
Artikel 22
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven over het beheer van het LSOP.
2. Onze Minister houdt toezicht op het financiële beheer van het
LSOP. De artikelen 203, 205 tot en met 211 van de Gemeentewet zijn
daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden over deze toepassing nadere
regels gegeven.
3. Het college van bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden
van het LSOP, voor zover deze niet zijn overgebracht naar het Algemeen
Rijksarchief. Onze Minister kan bij de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, regels geven over de zorg voor en de
bewaring van de archiefbescheiden van het LSOP.
4. Het oprichten of mede-oprichten van privaatrechtelijke
rechtspersonen door het LSOP is slechts toegestaan met instemming van
Onze Minister.
Artikel 23
Bij ministeriële regeling worden criteria vastgesteld aan de hand
waarvan het college van bestuur na overleg met de politiekorpsen de
studenten verdeelt over de instellingen en de vestigingen van het LSOP.
Artikel 24
In het beleidsplan, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de
Politiewet 2012, worden door Onze Minister tevens de hoofdzaken van het
beleid op rijksniveau met betrekking tot de werving, selectie en
opleiding van ambtenaren van politie en van andere door Onze Minister
aan te wijzen categorieën van personen aangegeven.
Artikel 25
Onze Minister voert jaarlijks overleg met het college van bestuur
over de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Artikel 26
1. Het college van bestuur stelt, met inachtneming van het in
artikel 24 bedoelde beleidsplan, ten minste eenmaal in de vier jaar
een beleidsplan vast.
2. Het college van bestuur stelt jaarlijks een begroting voor het
volgende kalenderjaar en een meerjarenraming voor de daarop volgende
drie jaren vast, alsmede een jaarplan, de organisatie en de formatie
voor het volgende kalenderjaar. Het jaarplan en de begroting bevatten
een nadere uitwerking van het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid.
3. De door het college van bestuur vastgestelde stukken, bedoeld in
het eerste en tweede lid, behoeven de instemming van de raad van
toezicht. Indien de raad van toezicht zijn instemming aan een of meer
van deze stukken onthoudt, legt het college van bestuur deze stukken
en een document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht
hierover blijkt, voor aan Onze Minister die alsdan een besluit neemt.
4. De stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden na de
vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 15 november aan
Onze Minister gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar
gesteld.
Artikel 27
1. Onze Minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van het
Ministerie van Veiligheid en Justitie aan het LSOP bijdragen ter
beschikking.
2. Onverminderd het eerste lid, kan het LSOP geldmiddelen verwerven
door het aanvaarden van geldmiddelen van derden in de vorm van
schenkingen en legaten, door het aangaan van geldleningen, door
inkomsten uit eigen beheer, en uit andere hoofde.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP
aan de politie.
4. Het LSOP gebruikt de geldmiddelen, bedoeld in het eerste tot en
met het derde lid, uitsluitend ter vervulling van de taken,
voortvloeiend uit artikel 3.
5. Indien blijkt dat de geldmiddelen voor het LSOP aanmerkelijk
tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien,
kan door Onze Minister aan het LSOP een aanvullende bijdrage
beschikbaar worden gesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gegeven betreffende de omvang en de bestemming van het vermogen van
het LSOP. Indien het LSOP niet voldoet aan deze regels kan Onze
Minister besluiten tot aanpassing van de hoogte van de bijdragen die
aan het LSOP beschikbaar worden gesteld.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht
van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
kunnen regels worden gegeven over de wijze waarop dit artikel wordt
uitgevoerd.
8. Het sluiten van geldleningen, bedoeld in het tweede lid, kan
onder voorwaarden geschieden bij Onze Minister van Financiën ten
laste van de begroting van Nationale Schuld.
9. Het LSOP houdt zijn liquide middelen rentedragend aan in 's
Rijks schatkist.
10. Het sluiten van huur-, verkoop- en lease-overeenkomsten door
het LSOP met een waarde gelijk aan of meer dan het bedrag zoals
vastgesteld in de nadere voorschriften gesteld krachtens artikel 34
van de Comptabiliteitswet, dan wel voor een periode langer dan tien
jaar, geschiedt na verkregen instemming van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 28
Onze Minister stelt jaarlijks, nadat de regioburgemeesters, de
korpschef en de hoofdofficieren van justitie in de gelegenheid zijn
gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, en gelet op het advies terzake
van de politieonderwijsraad, de voor de taakuitvoering van het LSOP
benodigde bijdragen, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, vast.
Artikel 29
1. Het college van bestuur stelt jaarlijks een jaarverslag vast van
de werkzaamheden van het LSOP, het gevoerde beleid in het algemeen en
de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het
bijzonder in het afgelopen kalenderjaar, alsmede een jaarrekening. Het
college van bestuur stelt de raad van toezicht in de gelegenheid zijn
zienswijze over het jaarverslag en de jaarrekening kenbaar te maken.
2. De jaarrekening behoeft de instemming van Onze Minister.
3. De stukken, bedoeld in het eerste lid, worden, vergezeld van een
document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht over de
stukken blijkt, na de vaststelling ervan door het college van bestuur
vóór 1 april aan Onze Minister gezonden. De stukken worden algemeen
verkrijgbaar gesteld.
4. Onverminderd het eerste lid, zijn de artikelen 361 tot en met
391 en 405 tot en met 414 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die
betrekking hebben op het in aandelen verdeeld zijn van het kapitaal
van een vennootschap.
5. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 27, zevende lid, kunnen regels worden gegeven over het te
voeren financieel beheer en de verantwoording daarover.
Artikel 30
1.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid en een beoordeling van de rechtmatigheid, afgegeven door
een door de raad van toezicht aangewezen accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking
op de rechtmatige besteding van de middelen van het LSOP. De
accountant voegt bij de verklaring tevens een verslag van zijn
bevindingen of het beheer en de organisatie van het LSOP voldoen aan
eisen van doelmatigheid.
3.Artikel 393, derde tot en met zevende lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek is op het in te stellen onderzoek van
overeenkomstige toepassing.
4.Onze Minister kan de accountantsdienst van zijn ministerie
belasten met een onderzoek naar controlewerkzaamheden van de
accountant, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister kan de
departementale accountantsdienst tevens belasten met een onderzoek
naar de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van
het LSOP. Aan de departementale accountantsdienst wordt desgevraagd
inzage gegeven in de boeken en bescheiden en worden alle inlichtingen
verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Hoofdstuk VII. Inspectiefunctie en kwaliteitszorg
Artikel 31
Onze Minister heeft de bevoegdheid tot het toetsen van de wijze
waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van de
taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP. Onze Minister
kan aan het college van bestuur aanwijzingen van algemene aard geven met
het oog op de goede uitoefening van zijn taak. De werkzaamheden die in
het kader van het toetsen bedoeld in de eerste volzin worden uitgevoerd,
worden jaarlijks door Onze Minister vastgesteld.
Artikel 32
1. Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen en de
examinering is opgedragen aan Onze Minister.
2. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57
van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in
het kader van het eerste lid worden uitgevoerd.
Artikel 33
1. De artikelen 65, 66 en 67 van de Politiewet 2012 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de wijze waarop het college van bestuur zorg
draagt voor de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het
beheer van het LSOP, alsmede over verstrekking van informatie hierover
aan Onze Minister.
Artikel 34
Het college van bestuur verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging
aan Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde
inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens
en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is.
Artikel 35
Indien de taken van het LSOP, voortvloeiend uit artikel 3, naar het
oordeel van Onze Minister worden verwaarloosd, kan deze al die
maatregelen nemen die hij met het oog op de continuïteit van de
werkzaamheden of beperking van de schade noodzakelijk acht. Onze
Minister doet hiervan terstond mededeling aan de Staten-Generaal.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 36
[Wijzigt de Politiewet 1993]
Artikel 37
Degenen die op het tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze wet de leden zijn van de bestuursraad en de directie van het LSOP,
bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 6, tweede lid, van de LSOP-wet,
zijn voor de resterende duur van hun benoeming als zodanig met ingang
van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de leden van de raad
van toezicht onderscheidenlijk het college van bestuur.
Artikel 38
De LSOP-wet wordt ingetrokken.
Artikel 39
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 40
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het LSOP en het
politieonderwijs.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 januari 2003
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achttiende februari 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|