| |
|
|
|
|
vorige
WET
OP HET ONDERWIJSTOEZICHT
(Wot)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 20 juni 2002, houdende Wet op het
onderwijstoezicht
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels
vast te stellen met betrekking tot het toezicht op het onderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van
landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,
b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs,
c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het
onderwijs,
d. onderwijswet:
1.
– Leerplichtwet 1969,
– Wet op het primair onderwijs,
– Wet op de expertisecentra,
– Wet op het voortgezet onderwijs,
– Wet educatie en beroepsonderwijs,
– Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek,
– Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of
– Experimentenwet onderwijs,
2.
– Leerplichtwet BES
– Wet primair onderwijs BES
– Wet voortgezet onderwijs BES
– Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of
– Wet sociale kanstrajecten jongeren BES
e. onderwijs: bij of krachtens een onderwijswet geregeld
onderwijs,
f. voorschoolse educatie: voorschoolse educatie als bedoeld in de
artikelen 1.1, eerste lid, en 2.1, van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
g. instelling: school, instelling of exameninstelling in de zin
van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde
instelling en waaronder mede worden begrepen werkzaamheden als
bedoeld in de artikelen 176e, eerste lid, en 176g, eerste lid, van
de Wet op het primair onderwijs, 162h, eerste lid, en 162j, eerste
lid, van de Wet op de expertisecentra, en 118n, eerste lid, en 118p,
eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
h. exameninstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.6.1 van
de Wet educatie en beroepsonderwijs,
i. regionaal expertisecentrum: regionaal expertisecentrum als
bedoeld in artikel 28b van de Wet op de expertisecentra, waaronder
begrepen de commissie voor de indicatiestelling die door het
regionaal expertisecentrum in stand wordt gehouden,
j. bestuur: bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, met
dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 of de
Leerplichtwet BES betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de
school of instelling, en met dien verstande dat waar het het
toezicht op de uitoefening van de taken van het regionaal
expertisecentrum betreft hieronder wordt verstaan het bestuur van de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 28b, vijfde lid, van de Wet op de
expertisecentra,
k. onderwijsdeelnemer: leerling, deelnemer, student of extraneus
in de zin van een onderwijswet,
l. ouders: met het gezag over het kind belaste ouders, hun
geregistreerde partners, voogden en verzorgers,
m. maatregel: maatregel als bedoeld in artikel 1d van de
Leerplichtwet 1969, artikel 164a van de Wet op het primair
onderwijs, artikel 146a van de Wet op de expertisecentra, de
artikelen 104a en 261a van de Wet op het voortgezet onderwijs, de
artikelen 6.1.5a, 6.2.3a en 6.3.3 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, en artikel 6.1.7 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs BES,
n. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden
voor het komende jaar neerlegt.
Artikel 2. De inspectie
1.Er is een Inspectie van het onderwijs, die onder Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorteert. Aan het hoofd van de
inspectie staat de inspecteur-generaal.
2.Onze Minister geeft met betrekking tot de uitoefening van de in
deze wet aan de inspectie toegekende bevoegdheden uitsluitend in
schriftelijke vorm zijn aanwijzingen, onder mededeling daarvan aan de
Staten-Generaal.
Hoofdstuk 2. Taken en bevoegdheden bij het toezicht
Artikel 3. Taken
1. Het toezicht is opgedragen aan de inspectie.
2. Het toezicht omvat de volgende taken:
a. het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs, van de
kwaliteit van de uitoefening van de taken van het regionaal
expertisecentrum en van de kwaliteitsvoorwaarden van de
voorschoolse educatie op peuterspeelzalen en kindercentra op basis
van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij of
krachtens een onderwijswet of de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschriften en naar
andere aspecten van kwaliteit,
b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde taak
bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs en van de kwaliteit
van de uitoefening van de taken van het regionaal
expertisecentrum, onder meer door het voeren van overleg met het
bestuur, het personeel van de instelling dan wel van het regionaal
expertisecentrum, en zo nodig, het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente, gedeputeerde staten van de provincie,
dan wel het bestuurscollege en de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Wet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
c. het rapporteren over de ontwikkeling van het onderwijs en
van de uitoefening van de taken van het regionaal
expertisecentrum, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan,
d. het beoordelen van de rechtmatigheid en de doeltreffendheid
van de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van
burgemeester en wethouders bij of krachtens hoofdstuk 1,
afdelingen 3 en 6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen, met uitzondering van de bij of krachtens artikel
1.50b vastgestelde bepalingen omtrent de kwaliteit van
voorschoolse educatie,
e. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de
inspectie opgedragen taken.
Artikel 4. Uitgangspunten voor het toezicht
1.De inspectie oefent het toezicht uit met inachtneming van de
vrijheid van onderwijs.
2.De inspectie oefent het toezicht uit op zodanige wijze dat
instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige
uitoefening van het toezicht noodzakelijk is.
3.De uitoefening van het toezicht is er mede op gericht betrokkenen
te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit,
van het onderwijs.
Artikel 5. Uitoefening toezicht op beroepsopleidingen in overleg met
andere ministeries
Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een
beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het
gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen
beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog
op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de
inspectie overleg met door Onze Minister wie het aangaat, aangewezen
ambtenaren.
Artikel 6. Vertrouwensinspecteurs
1. Bij de inspectie zijn vertrouwensinspecteurs werkzaam voor:
a. onderwijsdeelnemers die het slachtoffer zijn van seksueel
misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld,
discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van
de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer
van de instelling,
b. ten behoeve van een instelling met taken belaste personen
die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele
intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of
radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling
met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de
instelling, en
c. onderwijsdeelnemers, ten behoeve van een instelling met
taken belaste personen, besturen, ouders, op instellingen
ingestelde klachtencommissies en op instellingen aangestelde
vertrouwenspersonen, die geconfronteerd worden met een geval van
seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch
geweld, discriminatie of radicalisering als bedoeld onder a of b.
2. Naast zijn taken, voortvloeiend uit artikel 3, heeft de
vertrouwensinspecteur ten behoeve van de in het eerste lid genoemde
personen en organen de volgende taken:
a. het fungeren als aanspreekpunt,
b. het adviseren over eventueel te nemen stappen,
c. het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken
naar een oplossing, en
d. het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht
of het doen van aangifte.
3. De vertrouwensinspecteur is, voorzover het betreft misdrijven
als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of titel XIV
van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een onderwijsdeelnemer of
een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon,
vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld
in de artikelen 160, eerste lid, en 162, eerste lid, van het Wetboek
van Strafvordering of de artikelen 198, eerste lid, en 200, eerste
lid, van het Wetboek van Strafvordering BES.
4. De vertrouwensinspecteur is voorzover het betreft een geval van
seksueel misbruik of seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste
lid, onder a of b, verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in de
uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een
onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten
behoeve van een instelling met taken belast persoon.
5. De vertrouwensinspecteur is bevoegd zonder toestemming van
degene die het betreft bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16
van de Wet bescherming persoonsgegevens te verwerken met betrekking
tot de personen, bedoeld in het eerste lid, indien uit een melding
redelijkerwijs een vermoeden van seksueel misbruik, seksuele
intimidatie, psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of
radicalisering kan worden afgeleid.
6. De vertrouwensinspecteur verstrekt de door hem verzamelde
gegevens niet aan derden. In het verslag over de staat van het
onderwijs, bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden slechts
geabstraheerde gegevens opgenomen.
7. In afwijking van het zesde lid is de vertrouwensinspecteur
bevoegd rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister
van Justitie vallende instanties in kennis te stellen van een geval of
vermoeden van een geval van psychisch geweld, fysiek geweld,
discriminatie of radicalisering:
a. in het belang van de onderwijsdeelnemers,
b. in het belang van ten behoeve van een instelling met taken
belaste personen, of
c. indien de ernst van de situatie waarop de melding betrekking
heeft daartoe aanleiding geeft.
Artikel 7. Jaarwerkplan
1.De inspectie stelt jaarlijks een jaarwerkplan vast. Het
jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2.Onze Minister zendt het jaarwerkplan van de inspectie aan de
Staten-Generaal.
Artikel 8. Rapportages van de inspectie
1.De inspectie rapporteert desgevraagd en uit eigen beweging aan
Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit,
van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het
belang van het onderwijs nodig acht.
2.De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk de derde woensdag van mei
het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23,
achtste lid, van de Grondwet vast. Onze Minister zendt het verslag,
vergezeld van een reactie, namens de regering onverwijld aan de
Staten-Generaal.
3.Onze Minister geeft geen aanwijzingen met betrekking tot de in de
rapportages neergelegde oordelen van de inspectie over de
ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.
Artikel 9. Bevoegdheden
1. Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn, voorzover
deze niet het toezicht op de naleving van bij of krachtens een
onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, sub 1, gegeven
voorschriften betreffen, de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste
lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen
personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Hoofdstuk 3. Uitoefening van het toezicht
Artikel 9a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 10. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. de universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de
levensbeschouwelijke universiteiten, bedoeld in artikel 1.8 van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
b. de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 van
de wet, bedoeld in onderdeel b, zijn aangewezen, en
c. de rechtspersonen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel
1.1, onder aa, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek,
d. de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van
burgemeester en wethouders bij of krachtens hoofdstuk 1, afdelingen
3 en 6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Artikel 11. Periodiek kwaliteitsonderzoek
1.Ter uitvoering van de in artikel 3 bedoelde taken onderzoekt de
inspectie jaarlijks het onderwijs aan elke instelling, behoudens
bijzondere omstandigheden. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de
inspectie een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs.
2.De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of
krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het
betreft een instelling voor primair of voortgezet onderwijs, de
aspecten van kwaliteit, te weten
a. voor wat betreft de opbrengsten van het onderwijs:
1°. leerresultaten,
2°. voortgang in de ontwikkeling van leerlingen,
b. voor wat betreft de inrichting van het onderwijsleerproces:
1°. het leerstofaanbod,
2°. de leertijd,
3°. het pedagogisch klimaat,
4°. het schoolklimaat,
5°. het didactisch handelen van de leraren,
6°. de leerlingenzorg,
7°. de inhoud, het niveau en de uitvoering van de toetsen,
tests, opdrachten of examens.
Indien uit het onderzoek een redelijk vermoeden voortvloeit dat de
kwaliteit tekortschiet, stelt zij nader onderzoek in, waarbij tevens
de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht.
3.Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in
het vorige lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij
na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de
kwaliteitsverbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd.
4.De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel
van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid. Kennisgeving
geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek.
5.Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het tweede of
derde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.
Artikel 12. Aansluiting bij zelfevaluatie instelling
1.De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 11,
tweede of derde lid, uit van de uitkomsten van een evaluatie van de
kwaliteit door of vanwege de instelling, waaronder worden verstaan de
uitkomsten van het beleid met betrekking tot de bewaking en
verbetering van de kwaliteit van het onderwijs door of vanwege de
instelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op het
primair onderwijs, artikel 21 van de Wet op de expertisecentra,
artikel 24, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en het
verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
2.De uitkomsten van een evaluatie, bedoeld in het eerste lid, zijn
richtinggevend voor het oordeel van de inspectie indien:
a. alle aspecten van kwaliteit die de inspectie bij haar
oordeel betrekt, zoals neergelegd in een toezichtskader als
bedoeld in artikel 13, daarin aan de orde komen,
b. de wijze van uitvoering en de hoedanigheid van de evaluatie
voldoende betrouwbaar zijn, en
c. de kwaliteitsdoelen die de instelling zichzelf heeft
gesteld, van voldoende niveau zijn.
3.Waar niet aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden is
voldaan, verricht de inspectie aanvullend onderzoek.
Artikel 13. Toezichtskader
1.De inspectie legt haar werkwijze voor een onderzoek als bedoeld
in artikel 11, vast in een of meer toezichtskaders. De toezichtskaders
behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2.Alvorens een toezichtskader vast te stellen of te wijzigen voert
de inspectie overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en
andere betrokkenen, terwijl bij onderwerpen betrekking hebbend op de
vrijheid van inrichting in ieder geval overleg wordt gevoerd met de
erkende richtingen.
3.Een toezichtskader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 13a. Informeren ouders
Indien het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel
1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, niet of niet tijdig voldoet
aan de verplichting, bedoeld in artikel 45a van de Wet op het primair
onderwijs, artikel 48a van de Wet op de expertisecentra of artikel 23c
van de Wet op het voortgezet onderwijs, zendt de inspectie de
samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in die artikelen, in de
vijfde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van
de leerlingen.
Artikel 14. Informeren van Onze Minister
1.Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs
ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij Onze Minister en
doet voorstellen over te treffen maatregelen.
2.De inspectie stelt het bestuur van de betreffende instelling in
kennis van haar voorstellen aan Onze Minister.
Artikel 15. Incidenteel onderzoek
1.Naast het periodieke kwaliteitsonderzoek, bedoeld in artikel 11,
kan de inspectie uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze
Minister incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van het
onderwijs onderscheidenlijk, indien het een exameninstelling betreft,
van de externe legitimering waaronder mede wordt verstaan naar de
naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven
voorschiften.
2.De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij
de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage
verzetten.
Hoofdstuk 3a. Toezicht regionaal expertisecentrum
Artikel 15a. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van
de taken van het regionaal expertisecentrum.
Artikel 15b. Taken en bevoegdheden bij het toezicht
Artikel 4 en artikel 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15c. Uitoefening van het toezicht
1.Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de inspectie het onderzoek tevens verricht aan de hand van
aspecten van kwaliteit, te weten:
a. coördinatie van de ambulante begeleiding,
b. ondersteuning van de ouders,
c. organisatie van de commissie voor de indicatiestelling door
het regionaal expertisecentrum,
d. onafhankelijkheid van de commissie voor de
indicatiestelling,
e. duur van de indicatieprocedure en
f. toepassing van de indicatiecriteria, bedoeld in artikel 28c,
achtste lid, van de Wet op de expertisecentra, door de commissie
voor de indicatiestelling.
2.De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15d. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten
De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3b. Toezicht College voor examens
Artikel 15e. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het College voor examens, genoemd
in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor examens.
Artikel 15f. Toezicht College voor examens
1. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het functioneren
van het College voor examens en op de naleving van de bij of krachtens
de Wet College voor examens, de Wet op het voortgezet onderwijs en de
Wet voortgezet onderwijs BES gegeven voorschriften.
2. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kan de
inspectie Onze Minister onder meer voorstellen een voorziening te
treffen als bedoeld in artikel 23 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen, indien:
a. is gebleken dat de kwaliteit van het functioneren van het
College voor examens onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens
de Wet College voor examens is bepaald.
Hoofdstuk 3c. Toezicht voorschoolse educatie
Artikel 15g. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de
kwaliteitsvoorwaarden voor voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en
kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen.
Artikel 15h. Taken en bevoegdheden bij het toezicht
1. Deartikelen 4, tweede lid, 7, 8, eerste en derde lid, en 9 zijn
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 4,
tweede lid, onder »instellingen» wordt verstaan «kindercentra en
peuterspeelzalen als bedoeld in de artikelen 1.1, eerste lid, en 2.1,
van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen»en dat in
artikel 9, eerste lid, onder «het toezicht op de naleving van bij of
krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften» wordt verstaan: het
toezicht op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet of de
bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen gegeven voorschriften omtrent de kwaliteit van
voorschoolse educatie.
2. De inspectie houdt toezicht op de naleving van de afspraken
onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167 van de Wet op het
primair onderwijs.
Artikel 15i. Uitoefening van het toezicht
1. De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15f,
eerste lid, aan de hand van de kwaliteitsvoorwaarden van de
voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in
de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen, te weten:
a. de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie,
b. het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid,
c. de kwaliteit van de educatie,
d. ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen,
e. kwaliteitszorg,
f. de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.
2. De inspectie rapporteert over de bevindingen van het toezicht
aan de houder van een peuterspeelzaal of een kindercentrum en aan het
college van burgemeester en wethouders.
3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie
uit eigen beweging incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit
van de voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra,
bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen.
4. Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat onder«andere betrokkenen» in ieder geval wordt verstaan:
vertegenwoordigers van houders van kindercentra en peuterspeelzalen
als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
5. De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15f,
tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college
van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen
initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 167, tweede lid,
van de Wet op het primair onderwijs aan het college hierom verzoekt.
Artikel 15j. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten
De artikelen 20, 21, 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat in artikel 20, tweede lid, onder «een bij of
krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift» wordt verstaan «een
bij of krachtens een onderwijswet of een bij of krachtens de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschrift
omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie» en dat in het derde en
vierde lid onder «het bestuur» moet worden verstaan: de houder van een
kindercentrum of peuterspeelzaal als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1
van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Artikel 15k. Informeren van het college van burgemeester en
wethouders
1. Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van de
voorschoolse educatie in peuterspeelzalen of kindercentra als bedoeld
in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen, ernstig of langdurig
tekortschiet, informeert zij het college van burgemeester en
wethouders van de desbetreffende gemeente en doet voorstellen over te
treffen maatregelen.
2. De inspectie stelt de houder van de betreffende peuterspeelzaal
of van het betreffende kindercentrum in kennis van haar voorstellen
aan het college van burgemeester en wethouders.
Hoofdstuk 4. Toezicht hoger onderwijs
Artikel 16. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het accreditatieorgaan, bedoeld in
artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, de in artikel 1.8 van die wet bedoelde universiteiten,
hogescholen en de Open Universiteit en op de rechtspersonen voor hoger
onderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van die wet.
Artikel 17. Toezicht accreditatie
1.De inspectie houdt toezicht op het accreditatieorgaan, bedoeld in
artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, de accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van
die wet, en de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel t , van die wet.
2.De inspectie kan Onze minister voorstellen een voorziening te
treffen in het geval het accreditatieorgaan zijn taak verwaarloost,
indien:
a. is gebleken dat de kwaliteit van de accreditatie en de toets
nieuwe opleiding door het accreditatieorgaan onvoldoende is of is
geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens
deze wet en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek is bepaald.
Artikel 18. Onderzoek hoger onderwijs
1.De inspectie voert de in artikel 3 bedoelde taken uit door
onderzoek naar de naleving door instellingen van de voorschriften,
bedoeld in de artikelen 6.5, eerste lid onderdeel b, en 6.10, eerste
lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2.De artikelen 11, derde tot en met vijfde lid, en 14 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 19. Incidenteel onderzoek hoger onderwijs
1.Naast het onderzoek, bedoeld in artikel 18, kan de inspectie
incidenteel onderzoek verrichten naar:
a. aspecten van de kwaliteit van het stelsel van hoger
onderwijs in zijn geheel, en
b. de naleving door instellingen van de voorschriften, bedoeld
in de artikelen 6.5, eerste lid onderdeel b, en 6.10, eerste lid,
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2.De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij
de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage
verzetten.
Hoofdstuk 5. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten
Artikel 20. Vaststelling van inspectierapporten
1.De inspectie legt haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek
als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid, vast in een
inspectierapport.
2.Indien de inspectie oordeelt dat een bij of krachtens een
onderwijswet gegeven voorschrift niet is nageleefd, vermeldt zij dit
in het rapport.
3.Alvorens een rapport vast te stellen, stelt de inspectie het
bestuur in de gelegenheid van het ontwerp-rapport kennis te nemen en
daarover overleg te voeren.
4.Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door
het bestuur gewenste wijzigingen van het ontwerp-rapport, wordt de
zienswijze van het bestuur in een bijlage bij het inspectierapport
opgenomen.
5.De inspectie zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan
onverwijld aan het bestuur.
Artikel 21. Openbaarmaking van inspectierapporten
1.De inspectie maakt een inspectierapport in de vijfde week na
vaststelling daarvan openbaar.
2.Tevens verstrekt de inspectie een inspectierapport op verzoek. De
inspectie kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een door
haar vast te stellen tarief voor de afgifte van een inspectierapport.
3.De inspectie verstrekt een inspectierapport niet eerder dan nadat
het op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.
Hoofdstuk 6. Kwaliteit van de uitoefening van het toezicht
Artikel 22. Verantwoorde toezichtsuitoefening
De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde uitoefening van het
toezicht.
Artikel 23. Klachtadviesprocedure en -commissie
1.Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en
advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de
behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.1.3
van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
2.De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die
worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit. De leden maken geen deel uit van en zijn niet
werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen
uit hun midden een voorzitter.
3.De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig
op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de
vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling.
4.De klachtadviescommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
Artikel 24. Raad van advies inzake de inspectie
1.Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft
de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en
professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de
inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en
ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in
het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 13 en 22.
2.De raad bestaat uit drie leden, die worden benoemd en ontslagen
door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De benoeming
geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit
hun midden een voorzitter.
3.De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig
op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.
4.De raad bepaalt zijn eigen werkwijze.
Hoofdstuk 6a. Het basisregister onderwijs en het meldingsregister
relatief verzuim
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 24a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. basisregister onderwijs: basisregister onderwijs als bedoeld
in artikel 24b;
b. meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief
verzuim als bedoeld in artikel 24h;
c. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer of, bij ontbreken daarvan, door Onze Minister
uitgegeven onderwijsnummer;
d. startkwalificatie: startkwalificatie als bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969.
Paragraaf 2. Het basisregister onderwijs
Artikel 24b. Het basisregister onderwijs
1. Er is een basisregister onderwijs, dat ten doel heeft:
a. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de
bekostiging van scholen en instellingen, de begrotings- en
beleidsvoorbereiding, de planning en bekostiging van de
instellingen voor hoger onderwijs en ten behoeve van de uitvoering
van zijn overige wettelijke taken;
b. de inspectie gegevens te verstrekken ten behoeve van het
toezicht op het onderwijs;
c. het Centraal bureau voor de statistiek gegevens te
verstrekken teneinde het Centraal bureau voor de statistiek in
staat te stellen:
1°. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van
de beleidsvoorbereiding;
2°. de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van
de toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet
participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de
begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke
taken op het gebied van het onderwijs; en
d. het meldingsregister relatief verzuim te voorzien van de
gegevens die noodzakelijk zijn in het kader van het doel van dat
register.
2. Het beheer van het basisregister onderwijs berust bij Onze
Minister.
3. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld
in deze paragraaf, is Onze Minister de verantwoordelijke, bedoeld in
artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 24c. Inhoud van het basisregister onderwijs
1. In het basisregister onderwijs zijn de volgende gegevens
opgenomen:
a. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn
ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare
kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel
178a, tweede en zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;
b. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn
ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare
kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra,
tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 164a, tweede en
achtste lid, van de Wet op de expertisecentra;
c. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn
ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare
kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel
103b, tweede en achtste lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs;
c1. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn
ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een school die is
aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet
onderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel
103b, tweede en achtste lid, in samenhang met artikel 58, zevende
lid, onderdeel a, van die wet;
d. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een
opleiding educatie die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn
geweest aan een instelling waaraan door het gemeentebestuur op
grond van artikel 2 van de Wet participatiebudget uitkeringen zijn
toegekend, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel
2.3.6a, derde en zesde lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
d1. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een
opleiding educatie die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn
geweest aan een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een
instelling als bedoeld in die wet voor een opleiding educatie ten
aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de
andere gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid,
in samenhang met artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdeel a, van die
wet;
e. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een
beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn
geweest aan een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de
andere gegevens, genoemd in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e1. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een
beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn
geweest aan een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een
instelling als bedoeld in die wet voor een beroepsopleiding ten
aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de
andere gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid,
in samenhang met artikel 1.4.1, zesde lid, onderdeel a, van die
wet;
f. de persoonsgebonden nummers van de studenten en extraneï
die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit ’s
Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
met uitzondering van de Open Universiteit, tezamen met de andere
gegevens, genoemd in artikel 7.52, tweede en vijfde lid, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
g. de hierna te noemen gegevens zoals die over de personen,
bedoeld in de onderdelen a tot en met f, zijn opgenomen in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens:
1°. geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteland,
geslacht, overlijdensdatum, geboorteland moeder en
geboorteland vader;
2°. de gegevens over de nationaliteit;
3°. de gegevens over het verblijf in Nederland en het
vertrek uit Nederland;
h. de gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling zoals
die over de personen, bedoeld in de onderdelen e, e1 en f, zijn
opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie.
2. Indien de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde gegevens van
een leerling, deelnemer, student of extraneus aan een school of
instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f,
niet zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens worden in het basisregister onderwijs alleen
opgenomen de gegevens die het bevoegd gezag verstrekt op basis van
a. artikel 178a, tweede en zevende lid, van de Wet op het
primair onderwijs,
b. artikel 164a, tweede en achtste lid, van de Wet op de
expertisecentra,
c. artikel 103b, tweede en achtste lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs,
c1. artikel 103b, tweede en achtste lid, in samenhang met
artikel 58, zevende lid, onderdeel a, van de Wet op het voortgezet
onderwijs,
d. artikel 2.3.6a, derde en zesde lid, of 2.5.5a, tweede of
zevende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
d1. artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, in samenhang met
artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs en artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, in
samenhang met artikel 1.4.1, zesde lid, onderdeel a, van die wet,
of
e. artikel 7.52, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek.
3. De persoonsgegevens van de leerlingen, deelnemers, studenten en
extraneï die niet langer zijn ingeschreven aan een school of
instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f,
worden tot vijf jaren na beëindiging van de laatste inschrijving
bewaard in het basisregister onderwijs in een vorm die het mogelijk
maakt de betrokkene te identificeren. Artikel 10, tweede lid, van de
Wet bescherming persoonsgegevens is niet van toepassing. In afwijking
van de eerste volzin geldt voor de geslachtsnaam, voornamen,
geboortedatum, instelling voor hoger onderwijs waar een opleiding is
gevolgd, naam van die opleiding, datum diploma en het aantal jaren
genoten hoger onderwijs van studenten die niet langer zijn
ingeschreven aan een instelling als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel f, een bewaartermijn van vijftig jaren.
Artikel 24d. Het verstrekken van gegevens aan betrokkene
Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden
verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 24e. Het verstrekken van gegevens aan Minister en inspectie
Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden
verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat noodzakelijk
is voor de uitoefening van hun wettelijke taken.
Artikel 24f. Het verstrekken van gegevens aan derden
1. Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden
verstrekt aan de school of instelling waar de betrokkene als leerling,
deelnemer, student of extraneus is of was ingeschreven, voorzover de
gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan de
desbetreffende school of instelling is of was ingeschreven.
2. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos
persoonsgegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, voorzover
dat verplicht is op grond van artikel 64 van de Wet werk en bijstand,
artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 45 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
3. Uit het basisregister onderwijs worden aan burgemeester en
wethouders de naam, het adres, het persoonsgebonden nummer, de
behaalde diploma’s, het laatst genoten onderwijs, de laatst bezochte
school of instelling, de data van in- en uitschrijving bij die school
of instelling en de reden van uitstroom verstrekt van degenen die:
a. woonachtig zijn in de desbetreffende gemeente of in een
gemeente die behoort tot de regio waarvan de desbetreffende
gemeente contactgemeente is als bedoeld in artikel 8.3.2, derde
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 162b, derde
lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 118h, derde lid,
van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. ouder dan vier jaar en jonger dan 23 jaar zijn,
c. niet in het bezit zijn van een startkwalificatie en niet
behoren tot de jongeren, bedoeld in artikel 4a, tweede lid, van de
Leerplichtwet 1969.
4. In afwijking van het derde lid worden van degenen die wel
voldoen aan het derde lid, onderdelen a en b, maar die niet voldoen
aan het derde lid, onderdeel c, de in de aanhef van het derde lid
bedoelde gegevens aan burgemeester en wethouders verstrekt, indien dit
de eerste verstrekking uit het basisregister onderwijs aan
burgemeester en wethouders betreft waaruit blijkt dat diegenen niet
voldoen aan het derde lid, onderdeel c.
5. Uit het basisregister onderwijs worden persoonsgegevens
verstrekt aan door Onze Minister aangewezen instellingen ten behoeve
van onderzoeksactiviteiten naar de kwaliteit en de toegankelijkheid
van het beroepsonderwijs, de educatie en het hoger onderwijs.
6. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos
persoonsgegevens verstrekt aan:
a. de Sociale verzekeringsbank, voor zover dat noodzakelijk is
voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene
nabestaandenwet;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor zover
dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, 30a, eerste en tweede lid, 30b, 30d en 31
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
7. Uit het basisregister onderwijs worden kosteloos
persoonsgegevens aan het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt.
Het Centraal bureau voor de statistiek gebruikt deze gegevens in ieder
geval om:
a. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de
beleidsvoorbereiding; en
b. de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van de
toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet
participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de
begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke taken
op het gebied van het onderwijs.
8. Het Centraal bureau voor de statistiek mag de gegevens die het
op grond van het zevende lid heeft ontvangen, openbaar maken in de
vorm van overzichten die betrekking hebben op afzonderlijke scholen,
instellingen of opleidingen, mits aan deze overzichten geen herkenbare
gegevens over een afzonderlijk persoon of een afzonderlijk huishouden
kunnen worden ontleend.
9. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos
persoonsgegevens verstrekt aan de rijksbelastingdienst, voor zover dat
noodzakelijk is voor de uitvoering van de wetgeving op het gebied van
rijksbelastingen zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
10. Uit het basisregister onderwijs worden kosteloos aan
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel
1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs de gegevens, bedoeld in
artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen c, d, i en j, van die wet,
alsmede de leeftijd van de deelnemer bij aanvang van de
beroepspraktijkvorming verstrekt.
11. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos
persoonsgegevens en andere gegevens verstrekt aan Onze Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie voor zover dit noodzakelijk is voor de
uitvoering van zijn taken op grond van de Wet inburgering.
12. Aan de instellingen en organen, genoemd in het eerste tot en
met het elfde lid, wordt geen rechtstreekse toegang tot het
basisregister verleend.
13. Onze Minister verstrekt uit het basisregister onderwijs geen
persoonsgebonden nummer van een leerling, deelnemer, student of
extraneus ter uitvoering van artikel 107, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet 2000.
14. Uit het basisregister worden aan het meldingsregister relatief
verzuim toegevoegd de persoonsgebonden nummers van de leerlingen en
deelnemers, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdelen a tot en
met e, met van elke leerling of deelnemer de naam, het geslacht, de
geboortedatum, het adres en het gegeven of betrokkene al dan niet
beschikt over een startkwalificatie.
15. De toevoeging, bedoeld in het veertiende lid, gebeurt op het
moment van de kennisgeving, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de
Leerplichtwet 1969, of de opgave, bedoeld in artikel 8.1.8a, eerste
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b, eerste lid,
van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, eerste lid, van de
Wet op het voortgezet onderwijs.
16. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ter uitvoering van het derde en vierde lid.
Artikel 24g. Autorisatie voor en toezicht op het basisregister
onderwijs
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de
autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking
van persoonsgegevens uit het basisregister onderwijs.
2. Onze Minister benoemt een functionaris voor de
gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming
persoonsgegevens die in elk geval is belast met het toezicht op de
verwerking van persoonsgegevens in het basisregister onderwijs.
Paragraaf 3. Het meldingsregister relatief verzuim
Artikel 24h. Het meldingsregister relatief verzuim
1. Er is een meldingsregister relatief verzuim dat ten doel heeft
burgemeester en wethouders, het hoofd, bedoeld in artikel 21a van de
Leerplichtwet 1969, en het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 8.1.8a
van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b van de Wet op de
expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs,
te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van hun taken inzake:
a. het verzuim, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet
1969; en
b. het zonder geldige reden niet meer volgen van het onderwijs
of de educatie, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, of van het onderwijs, bedoeld in artikel 47b van
de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het
voortgezet onderwijs.
2. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld
in deze paragraaf, is Onze Minister de verantwoordelijke, bedoeld in
artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 24i. Inhoud van het meldingsregister relatief verzuim
1. In het meldingsregister relatief verzuim zijn de volgende
gegevens opgenomen:
a. de gegevens van de leerlingen en deelnemers, bedoeld in
artikel 21a, eerste, tweede en zesde lid, van de Leerplichtwet
1969, artikel 8.1.8a, eerste en vijfde lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, artikel 47b, eerste en vijfde lid, van de Wet op
de expertisecentra en artikel 28a, eerste en vijfde lid, van de
Wet op het voortgezet onderwijs.
b. de gegevens, bedoeld in artikel 24f, veertiende lid.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in het
meldingsregister relatief verzuim bewaard gedurende het schooljaar
waarin de kennisgeving, bedoeld in artikel 21a, eerste en tweede lid,
van de Leerplichtwet 1969, of de opgave, bedoeld in artikel 8.1.8a,
eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b,
eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, eerste
lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, is gedaan en het
daaropvolgende schooljaar.
Artikel 24j. Autorisatie voor en toezicht op het meldingsregister
relatief verzuim
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de
autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking
van gegevens uit het meldingsregister relatief verzuim.
2. De functionaris voor de gegevensbescherming, bedoeld in artikel
24g, tweede lid, is tevens belast met het toezicht op de verwerking
van persoonsgegevens in het meldingsregister relatief verzuim.
Artikel 24k. Het verstrekken van gegevens
1. Uit het meldingsregister relatief verzuim kunnen
persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens
wettelijke vertegenwoordiger.
2. Uit het meldingsregister relatief verzuim worden aan Onze
Minister gegevens verstrekt ten behoeve van de beleidsvorming ten
aanzien van de taken, bedoeld in artikel 24h, eerste lid.
3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden op een zodanige
wijze verstrekt, dat degenen van de leerlingen of deelnemers, bedoeld
inartikel 24i, op wie zij betrekking hebben, niet geïdentificeerd of
identificeerbaar zijn.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ter uitvoering van het tweede en derde lid.
5. Uit het meldingsregister relatief verzuim worden kosteloos
gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, het hoofd, bedoeld
in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969, en het bevoegd gezag,
bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet
op het voortgezet onderwijs, voor zover dat bij wet is vereist of
toegestaan.
6. Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief
verzuim geen persoonsgebonden nummers ter uitvoering van artikel 107,
tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 24k1. Niet bekostigd onderwijs
De artikelen 24h tot en met 24k zien mede op beroepsopleidingen ten
aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs, opleidingen educatie ten aanzien
waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van die
wet, en scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet
op het voortgezet onderwijs.
Hoofdstuk 6b. Het diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs,
voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, NT2 en inburgering [Treedt
in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 24l. Begripsbepalingen [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. diplomaregister: diplomaregister, bedoeld in artikel 24m;
b. diplomagegevens: gegevens, bedoeld in artikel 24o;
c. betrokkene: degene op wie een diplomagegeven betrekking heeft;
d. derde: derde als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet
bescherming persoonsgegevens;
e. waardedocument: een getuigschrift, diploma, cijferlijst of
certificaat als bedoeld inartikel 24n;
f. College voor examens: College voor examens, genoemd in artikel
2 van de Wet College voor examens, of één van diens
rechtsvoorgangers, genoemd in artikel 12 van die wet, op het gebied
van staatsexamens;
g.
1° het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het examen van
een opleiding van de Open Universiteit, voor zover dit examen
door die wet daarmee gelijk wordt gesteld,
2° het examen, bedoeld in artikel 7.10b van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 24m. Doel en functie diplomaregister [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Er is een diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs,
voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, inburgering en Nederlands
als tweede taal, dat ten doel heeft diplomagegevens te verstrekken
aan:
a. de betrokkene;
b. de instelling of school, bedoeld in artikel 24n, of de
school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs, waarbij de
betrokkene is ingeschreven of minder dan vijf jaar voor de
gegevensverstrekking was ingeschreven;
c. de instelling of school, bedoeld in artikel 24n, of het
College voor examens, waarbij de betrokkene minder dan vijf jaar
voor de gegevensverstrekking een waardedocument heeft behaald;
d. een instelling of school als bedoeld in artikel 24n, of het
College voor examens, voor zover de verwerking van die gegevens
noodzakelijk is voor de aanmelding, inschrijving of examinering
van de betrokkene;
e. overheidsinstanties, voor zover de verwerking van die
gegevens noodzakelijk is voor de goede vervulling van hun publieke
taak;
f. overige derden.
2. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens als
bedoeld in dit hoofdstuk is Onze Minister de verantwoordelijke,
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming
persoonsgegevens.
Artikel 24n. Reikwijdte diplomaregister [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Behoudens artikel 24r omvat het diplomaregister gegevens over:
a. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde propedeutische
examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger
beroepsonderwijs en met goed gevolg afgelegde afsluitende examens
van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs, met
uitzondering van de programma’s, bedoeld in artikel 7.8a, eerste
lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, die op of na 1 januari 1996 zijn afgegeven door
instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g van de
bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek;
b. diploma’s van uit ’s Rijks kas bekostigde
beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door
instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
c. diploma’s, cijferlijsten en certificaten van opleidingen als
bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie
en beroepsonderwijs die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door
instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, van die wet;
d. diploma’s van staatsexamens als bedoeld in artikel 60,
tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1
januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
e. diploma’s voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van de Wet inburgering die op of na 1 januari 2007
zijn afgegeven;
f. diploma’s en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in
artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1
januari 2006 zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64,
eerste lid, van die wet aan leerlingen die aan de desbetreffende
school zijn ingeschreven;
g. diploma’s en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in
artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na een
bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door scholen
als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen
die zijn ingeschreven aan een school of afdeling voor voortgezet
speciaal onderwijs;
h. diploma’s, cijferlijsten en certificaten van staatsexamens
als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het
College voor examens;
i. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende
examens van de uit ’s Rijks kas bekostigde programma’s, bedoeld
in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek die op of na 1 januari 2007 zijn
afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en
g, van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
j. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende
examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger
onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip zijn afgegeven door de instelling, bedoeld in onderdeel h
van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek;
k. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende
examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger
onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in onderdeel i
van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
Artikel 24o. Diplomagegevens [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
1. Het diplomaregister bevat voor alle daarin opgenomen
waardedocumenten gegevens over:
a. het persoonsgebonden nummer, de geslachtsnaam, de voornamen,
het geslacht en de geboortedatum van betrokkene zoals opgenomen in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of, bij het
ontbreken daarvan, zoals opgegeven door de organisatie die het
waardedocument heeft uitgereikt;
b. het soort waardedocument alsmede de naam van de organisatie
die dit heeft uitgereikt.
2. Het diplomaregister bevat voorts gegevens over:
a. in geval van een getuigschrift van een opleiding of
programma, opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: de desbetreffende
opleiding en het jaar, de maand en de aard van het examen;
b. in geval van een diploma van een opleiding, opgenomen in het
Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van
de Wet educatie en beroepsonderwijs: de kwalificatie en de
gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onder h, van die
wet;
c. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat van een
opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs, afgegeven door een instelling
als bedoeld in artikel 1.3.1 van die wet: de gegevens, bedoeld in
artikel 2.3.6a, tweede lid, onder f en g, van die wet;
d. in geval van een diploma voor een staatsexamen als bedoeld
in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
afgegeven door het College voor examens: het behaalde diploma, het
programma en de datum waarop het diploma is behaald;
e. in geval van een diploma voor het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering: het
behaalde diploma, het niveau, het profiel en de datum waarop het
diploma is behaald.
f. in geval van een diploma of cijferlijst van onderwijs als
bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
afgegeven door een school als bedoeld in artikel 64, eerste lid,
van die wet: de gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid,
onder c, d, f en g, van die wet;
g. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat voor
een staatsexamen als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet
op het voortgezet onderwijs, afgegeven door het College voor
examens: de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het
college-examen, het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk
betrekking heeft, de beoordeling van het sectorwerkstuk, alsmede
het thema van het sectorwerkstuk, de cijfers van het centraal
examen, de eindcijfers en de uitslag van het staatsexamen.
Artikel 24p. Correctie op verzoek [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
1. Indien een of meer van de gegevens in het diplomaregister
afwijken van de gegevens in het originele waardedocument, kan de
betrokkene Onze Minister elektronisch verzoeken eerstgenoemde gegevens
te verbeteren. Onze Minister verzoekt de organisatie die het document
heeft uitgereikt om hem elektronisch de juiste gegevens te
verstrekken. Indien de organisatie constateert dat een of meer
gegevens van de betrokkene in het diplomaregister niet overeenkomen
met de gegevens waarover zij beschikt, verzoekt zij Onze Minister om
deze gegevens te verbeteren.
2. Indien de organisatie die het document heeft uitgereikt,
constateert dat de gegevens van de betrokkene in het diplomaregister
overeenkomen met de gegevens waarover zij beschikt of indien zij niet
meer over de diplomagegevens van betrokkene beschikt, deelt zij dit
elektronisch mee aan Onze Minister en deelt Onze Minister dit
elektronisch mee aan de betrokkene. Indien de organisatie niet meer
over de diplomagegevens van de betrokkene beschikt, kan de betrokkene
op vertoon van het originele waardedocument aan Onze Minister
verzoeken om de gegevens in het diplomaregister te verbeteren.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
gegevens, bedoeld in artikel 24o, eerste lid, onder a, die zijn
overgenomen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 24q. Het verstrekken van diplomagegevens [Treedt in werking
op een nader te bepalen tijdstip]
1. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens
verstrekt aan betrokkene.
2. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens
verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of
aan een school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien betrokkene is
ingeschreven of was ingeschreven bij die instelling, school of
afdeling. Op grond van de eerste volzin kunnen uitsluitend
diplomagegevens worden verstrekt die zijn behaald voor onderwijs van
die instelling, school of afdeling.
3. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens
verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of
aan het College voor examens indien betrokkene een waardedocument
heeft behaald bij die instelling, die school of dat college. Op grond
van de eerste volzin kunnen uitsluitend diplomagegevens worden
verstrekt van waardedocumenten die zijn afgegeven door die instelling,
die school of dat college.
4. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens
verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of
aan het College voor examens ten behoeve van de aanmelding,
inschrijving of examinering van betrokkene.
5. Op grond van het vierde lid kunnen uitsluitend diplomagegevens
worden verstrekt van:
a. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder a tot en
met d en f tot en met k, indien het betreft een instelling als
bedoeld in artikel 24n, onder a, i, j of k,
b. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder b, c, f,
g en h, indien het betreft een instelling als bedoeld in artikel
24n, eerste lid, onder b,
c. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder c, f, g
en h, indien het betreft een school, instelling of afdeling als
bedoeld in artikel 24n, eerste lid, onder c, f of g,
d. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder c, d, f,
g en h, indien het betreft het College voor examens.
6. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens
verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat
noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taken. Voor
zover het betreft het gebruik door Onze Minister voor de begrotings-
en beleidsvoorbereiding, worden de diplomagegevens op een zodanige
wijze verstrekt, dat degenen op wie zij betrekking hebben niet
geïdentificeerd of identificeerbaar zijn. Artikel 24f, zevende en
achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens
verstrekt aan:
a. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als
beheerder van een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op
de beroepen in de individuele gezondheidszorg, ten behoeve van de
beoordeling van een aanvraag om inschrijving in dat register;
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
als beheerder van het Informatiesysteem Inburgering, bedoeld in
artikel 47, eerste lid, van de Wet inburgering ten behoeve van de
beoordeling van de aanwezigheid van een vrijstelling van de
inburgeringsplicht;
c. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor zover
dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, 30a, eerste en tweede lid, 30b, 30d en 31
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
8. Uit het diplomaregister wordt desgevraagd aan betrokkene een
elektronisch document met diplomagegevens verstrekt, dat is beveiligd
tegen wijzigingen en waarvan kan worden vastgesteld dat het is
afgegeven door Onze Minister.
9. De verstrekking van gegevens uit het diplomaregister geschiedt
elektronisch.
10. In afwijking van het negende lid geschiedt de verstrekking van
gegevens op grond van het eerste of achtste lid schriftelijk indien
betrokkene hierom verzoekt.
11. Voor de elektronische verstrekking van gegevens op grond van
het eerste tot en met zesde lid is geen vergoeding verschuldigd. Onze
Minister kan regels stellen over de vergoeding die verschuldigd is
voor de elektronische verstrekking van gegevens op grond van het
zevende en achtste lid en voor de schriftelijke verstrekking van
gegevens op grond van het tiende lid.
Artikel 24r. Bewaartermijn diplomagegevens [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Diplomagegevens worden tot 60 jaar na de maand van afgifte van het
laatst behaalde waardedocument of, indien dat eerder is, tot het
overlijden van betrokkene bewaard in het diplomaregister in een vorm die
het mogelijk maakt betrokkene te identificeren.
Artikel 24s. Autorisatie voor en toezicht op het diplomaregister
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de
autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking
van persoonsgegevens uit het diplomaregister.
2. Onze Minister benoemt een functionaris voor de
gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming
persoonsgegevens die in elk geval is belast met het toezicht op de
verwerking van persoonsgegevens in het diplomaregister.
Artikel 24t. Informatie over gegevensverstrekking [Treedt in werking
op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister houdt gedurende twintig jaren volgend op de
verstrekking van gegevens uit het diplomaregister met uitzondering van
de verstrekking op grond van artikel 24q, eerste lid of zesde lid,
tweede volzin, aantekening van de verstrekking, tenzij de verstrekking
van gegevens in de genoemde periode anderszins is te herleiden uit het
diplomaregister.
2. Onze Minister deelt aan de betrokkene mede of hem betreffende
gegevens gedurende twintig jaren voorafgaande aan het verzoek uit het
diplomaregister zijn verstrekt aan een overheidsorgaan, een
onderwijsinstelling of een andere derde. Onze Minister kan volstaan
met een in algemene termen gestelde mededeling omtrent de
verstrekkingen.
Artikel 24u. Gebruik persoonsgebonden nummer door derde [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een derde kan bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken
van het persoonsgebonden nummer voor zover dit noodzakelijk is in
verband met de verstrekking van gegevens aan hem uit het
diplomaregister.
Hoofdstuk 7. Wijzigingsbepalingen
Artikel 25. Wijziging van de Leerplichtwet 1969
[Wijzigt de Leerplichtwet 1969]
Artikel 26. Wijziging van de Wet op het primair onderwijs
[Wijzigt de Wet op het primair onderwijs]
Artikel 27. Wijziging van de Wet op de expertisecentra
[Wijzigt de Wet op de expertisecentra]
Artikel 28. Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 29. Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs]
Artikel 30. Wijziging van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen
[Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen]
Artikel 31. Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000
[Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000]
Artikel 32. Wijziging van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten
[Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten]
Artikel 33. Afstemming met andere wetsvoorstellen
a. [Wijzigt deze wet]
b. [Wijzigt deze wet]
c. [Wijzigt kamerstuk 26 935]
d. [Wijzigt deze wet]
c. [Wijzigt kamerstuk 27 728]
Hoofdstuk 8. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 34. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen vijf jaren na inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 35. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 36. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het onderwijstoezicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
K.Y.I.J. Adelmund
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de drieëntwintigste juli 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|