Nadere regelgeving:
- Besluit bekostiging WPO
- Besluit
bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
- Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair onderwijs (Bbwo)
- Besluit vernieuwde kerndoelen WPO
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Bwoo)
- Besluit
ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bza)
- Kaderbesluit
rechtspositie PO
WET van 2 juli 1981, houdende Wet op het
basisonderwijs
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van
een ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen, gewenst is de
afzonderlijke onderwijsvormen kleuteronderwijs en gewoon lager onderwijs
samen te voegen tot een onderwijsvorm die gericht is op een doorlopend
ontwikkelingsproces van de leerlingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Basisonderwijs
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
Onze minister:
Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
inspectie of inspecteur:
de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, voor zover
belast met taken op het gebied van het basisonderwijs;
school:
een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij het
tegendeel blijkt;
basisschool:
een school waar basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speciale
school voor basisonderwijs;
speciale school voor basisonderwijs:
een school waar basisonderwijs wordt gegeven aan kinderen voor wie
vaststaat dat overwegend een zodanige orthopedagogische en
orthodidactische benadering aangewezen is, dat zij althans gedurende
enige tijd op een speciale school voor basisonderwijs moeten worden
opgevangen;
school voor speciaal onderwijs:
een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de expertisecentra;
school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:
een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
school voor voortgezet speciaal onderwijs:
een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
van de Wet op de expertisecentra;
instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:
een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, van de Wet op de
expertisecentra;
school voor voortgezet onderwijs:
een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
voortgezet onderwijs;
openbare school:
a. een door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid in
stand gehouden school;
b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47 in
stand gehouden school; dan wel
c. een door een stichting als bedoeld in artikel 17 of artikel 48 in
stand gehouden school;
bijzondere school:
door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon,
niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 48, in stand gehouden
school;
openbare rechtspersoon:
een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in
artikel 47;
nevenvestiging:
deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven
voordat het een deel van de school werd als zelfstandige school
functioneerde;
bevoegd gezag van volgens deze wet bekostigde scholen: voor wat betreft
a. een openbare school:
1°. burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt,
en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen
regelen;
2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling
bevoegde orgaan;
3°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 47; dan wel
4°. de stichting, bedoeld in artikel 17 of artikel 48;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 55;
c. een samenwerkingsschool: de stichting, bedoeld in artikel 17d;
persoonsgebonden nummer:
het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze minister
uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 40b, vierde lid;
sociaal-fiscaalnummer:
het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder k, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
ouders:
ouders, voogden of verzorgers;
schooljaar:
het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
samenwerkingsverband:
een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18, tenzij het tegendeel
blijkt;
personeel:
a. de benoemde directeur, het personeel benoemd in een functie voor het
geven van onderwijs, het personeel benoemd in een andere functie dan het
geven van onderwijs, het personeel dat is benoemd voor het verrichten
van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan een
school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, waaronder begrepen
de leden van het bestuur van die scholen die zijn benoemd door een raad
van toezicht als bedoeld in artikel 17c, derde lid, voor zover die leden
mede zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst of een akte van
aanstelling;
b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld,
tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 33, 33a, 34, 37, 38,
52, 53, eerste en tweede lid, 59, eerste tot en met vierde lid, 60 tot
en met 62, 68, 138 en 139, voor zover niet anders is bepaald, en de
toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
leerlinggebonden budget:
een leerlinggebonden budget voor een leerling als bedoeld in artikel
70a;
schoolbegeleiding:
activiteiten ten behoeve van de schoolorganisatie of het onderwijs aan
een school die dienen tot begeleiding, ontwikkeling, advisering,
informatieverstrekking en evaluatie, alsmede activiteiten tot
bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen;
Vroegschoolse educatie:
uitvoering van een programma, gericht op het verbeteren van de
voorwaarden voor het met succes doorstromen in het basisonderwijs, dat
wordt verzorgd in groep 1 en 2 van een basisschool als vervolg op de
voorschoolse educatie, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
basisregister onderwijs:
basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het
onderwijstoezicht.
Artikel 1a. Inkomensbegrip
In deze wet wordt onder inkomen verstaan: het inkomensgegeven, bedoeld
in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 2. Doelgroep
Het basisonderwijs is het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf de
leeftijd van omstreeks 4 jaar. Het legt mede de grondslag voor het
volgen van aansluitend voortgezet onderwijs.
Artikel 3. Bevoegdheid schoolonderwijs
1. Schoolonderwijs mag, onverminderd het derde lid, slechts worden
gegeven door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van:
1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat ten aanzien
van dat onderwijs of ten aanzien van een of meer bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen daartoe behorende onderwijsactiviteiten als
bedoeld in artikel 9 is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn
vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, van deze wet, of
krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs, of
2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien
van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of
3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is
uitgesloten.
2. Het onderwijs in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke
oefening in het derde tot en met achtste schooljaar kan in afwijking van
het eerste lid, onderdeel b. 1°, behalve door degene die beschikt over
een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat
wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het geven van lichamelijke
opvoeding in het voortgezet onderwijs, uitsluitend worden gegeven door
degene die:
a. beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift
waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn
vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, en
b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen
getuigschrift dat specifiek is gericht op de bekwaamheid tot het geven
van dat onderwijs, of onderwijs volgt ter verkrijging van een dergelijk
getuigschrift, in welk laatste geval betrokkene het onderwijs in deze
onderwijsactiviteit mag geven gedurende ten hoogste twee aaneengesloten
schooljaren, gerekend vanaf het moment waarop betrokkene het onderwijs
ter verkrijging van dit getuigschrift voor de eerste maal volgt.
3. Onze minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten
Nederland behaald bewijsstuk waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de
bevoegdheid tot het geven van schoolonderwijs verlenen. Hij kan daarbij
voorwaarden en beperkingen stellen.
4. Ten aanzien van studenten die een duale opleiding volgen als bedoeld
in artikel 7.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek leidend tot een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid,
onder b.1°, en aan die opleiding ten minste 180 studiepunten hebben
behaald, kan worden afgeweken van de eisen in het eerste lid onder b,
met dien verstande dat het tijdelijk dienstverband van de student een
periode beslaat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf
maanden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van studenten die ten minste 166 doch nog geen 180 studiepunten hebben
behaald, indien door de desbetreffende hogeschool wordt verklaard dat de
student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare en tevens voor
het dienstverband relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De
toepassing van de vorige volzin vervalt ten aanzien van die student die
niet binnen vier weken na aanvang van het dienstverband over 180
studiepunten beschikt. De in artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst
vermeldt tevens de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken
student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.
Artikel 3a. Bevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden
1. Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 32a,
derde lid, mogen slechts worden verricht door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
ingevolge de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven krachtens de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de Wet educatie en
beroepsonderwijs, waaruit blijkt dat is voldaan aan de in artikel 32a,
derde lid, bedoelde bekwaamheidseisen of
c. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hem te
verrichten werkzaamheden, of
d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn
bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van deze werkzaamheden.
2. De onderwijsondersteunende functionaris die niet voldoet aan de eisen
van het eerste lid, onder b, c of d, mag voor zover het werkzaamheden
betreft waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen
zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor
een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de eerste volzin wordt
uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in
ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is
zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de
bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag beschikt
over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de eerste
volzin.
3. Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel
7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs die in het kader van die opleiding
onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van
artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de
duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b
tot en met d.
Artikel 4. Kosten van leerlingenvervoer
1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en
wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op
aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk
te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere
regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
2. De regeling maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder
onderwijs.
3. De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de
ouders berustende keuze van een school.
4. De regeling voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een
wijze die voor de leerling passend is.
5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de
afstand tussen de woning van de leerling en
a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke basisschool of,
indien een leerling op het onderwijs van een speciale school voor
basisonderwijs is aangewezen, de dichtstbijzijnde voor de leerling
toegankelijke speciale school voor basisonderwijs,
b. een andere basisschool of speciale school voor basisonderwijs, indien
het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee
zou brengen dan het vervoer naar de basisschool onderscheidenlijk
speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a, en de ouders met
het vervoer naar die andere school instemmen,
c. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school
voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool
waarvan de leerling afkomstig is, indien de ouders met het vervoer naar
die speciale school voor basisonderwijs instemmen, of
d. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder c
bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor
de gemeente minder kosten met zich zou brengen dan het vervoer naar de
speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder c, en de ouders met
het vervoer naar die andere school instemmen.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid worden de afstanden gemeten
langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg en
wordt de keuze van de ouders, bedoeld in het derde lid, in acht genomen.
7. De regeling kan ten aanzien van ouders wier inkomen tezamen meer
bedraagt dan € 17 700 bepalen dat slechts bekostiging wordt verstrekt
voor zover de kosten van vervoer de kosten van het openbaar vervoer over
de door de gemeenteraad op grond van het achtste lid vastgestelde
afstand te boven gaan, welke afstand ten hoogste 6 kilometer bedraagt.
Bij de berekening van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen in het
tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het
schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd, begint. De kosten van
het openbaar vervoer, bedoeld in de eerste volzin, betreffen de kosten
van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de regeling
die is gebaseerd op artikel 27, eerste lid, van de Wet personenvervoer,
voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de
aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.
Ingeval toepassing wordt gegeven aan het tiende lid voorziet de regeling
in een overeenkomstig de derde volzin berekende financiële bijdrage van
de ouders. Het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, wordt met ingang van
1 januari 1999 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer
van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten
opzichte van het voorafgaande jaar, en afgerond op een veelvoud van €
450. Het aangepaste bedrag treedt in de plaats van het in de eerste
volzin bedoelde bedrag.
8. De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op
grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en
de woning van de leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling
voldoende begaanbare en veilige weg.
9. De regeling kan bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een
bepaalde leeftijd, de aanspraak op bekostiging wordt beperkt tot de
kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan
worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de
regeling erin te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde
in het vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer
ontbreekt en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van
vervoer in redelijkheid niet kan worden verlangd.
10. De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van bekostiging
in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
11. De regeling kan voor leerlingen voor wie de afstand bedoeld in het
vijfde lid, meer bedraagt dan 20 kilometer, bepalen dat de hoogte van de
bekostiging afhankelijk is van de financiële draagkracht van de ouders,
of dat het vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen geschiedt
tegen een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijke
bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer van de
desbetreffende leerling. In dat geval bevat de regeling tevens
voorschriften omtrent de bepaling van de financiële draagkracht van de
ouders. De eerste volzin is niet van toepassing voor een leerling van
een speciale school voor basisonderwijs voor wie geldt dat de afstand
tot de dichtstbijzijnde openbare of bijzondere speciale school voor
basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt.
12. De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere
gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders van de inhoud
van de regeling af te wijken.
13. Het zevende tot en met negende lid en het elfde lid zijn niet van
toepassing op leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of
zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Artikel 4a. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
1. Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon zich mogelijk
schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als
bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een leerling
van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de
vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het
onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden
geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de
desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als
bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, doet het
bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur
daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het
doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken leerling,
onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de school met taken
belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk
schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het
eerste lid jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid
het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 5. Niet uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs
Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft binnen vier weken na
de oprichting van de school onder overlegging van de statuten van de
rechtspersoon, die de school in stand houdt, en van de reglementen, van
die oprichting kennis aan Onze minister. Indien de statuten of
reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, wordt eveneens binnen vier
weken van de wijziging of van de intrekking van de statuten of
reglementen aan Onze minister kennis gegeven.
Artikel 5a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 6. Uitgaven uit de openbare kas
Ten laste van een andere openbare kas dan van Rijk en gemeente worden
geen scholen in stand gehouden, noch uitgaven voor een school gedaan.
Gemeenten doen geen uitgaven voor een niet door de gemeente in stand
gehouden school dan krachtens de wet.
Artikel 7. Reikwijdte wet
1. Deze wet is niet van toepassing op scholen die uitsluitend bestemd
zijn voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben.
2. Bij twijfel of op een school het eerste lid van toepassing is,
besluit de Kroon, de Raad van State gehoord.
Titel II. Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder
onderwijs
Afdeling 1. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor
bekostiging van het bijzonder onderwijs
§ 1. Onderwijs
Artikel 8. Uitgangspunten en doelstelling onderwijs
1. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een
ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd
op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.
2. Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en de
verstandelijke ontwikkeling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op
het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en
lichamelijke vaardigheden.
3. Het onderwijs:
a. gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme
samenleving,
b. is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale
integratie, en
c. is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken
met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten.
4. Ten aanzien van leerlingen die extra zorg behoeven, is het onderwijs
gericht op individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van
de leerling.
5. Het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs is tevens
erop gericht leerlingen waar mogelijk tot het volgen van onderwijs in
basisscholen of scholen voor voortgezet onderwijs te brengen.
6. De scholen voorzien in een voortgangsregistratie omtrent de
ontwikkeling van leerlingen die extra zorg behoeven, en omtrent
leerlingen die onderwijs volgen als bedoeld in artikel 165.
7. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat:
a. de leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van 8 aaneensluitende
schooljaren de school kunnen doorlopen;
b. de leerlingen in 8 schooljaren ten minste 7520 uren onderwijs
ontvangen, met dien verstande dat de leerlingen in de eerste 4
schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en in de laatste 4
schooljaren ten minste 3760 uren onderwijs ontvangen, en aan de
leerlingen in de laatste 6 schooljaren ten hoogste 7 weken van het
schooljaar 4 dagen per week onderwijs wordt gegeven, die evenwichtig
zijn verdeeld over het schooljaar, bij een schoolweek van in beginsel
niet minder dan 5 dagen onderwijs, en
c. de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de dag worden verdeeld,
tenzij afwijking van deze verdeling van belang is in verband met
activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden van
onderwijsachterstanden.
8. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen die in verband
met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op
adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.
9. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en
herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van
achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal,
waarin ook door middel van vroegschoolse educatie kan worden voorzien.
Artikel 9. Inhoud onderwijs
1. Het onderwijs omvat, waar mogelijk in samenhang:
a. zintuiglijke en lichamelijke oefening;
b. Nederlandse taal;
c. rekenen en wiskunde;
d. Engelse taal;
e. enkele kennisgebieden;
f. expressie-activiteiten;
g. bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer;
h. bevordering van gezond gedrag.
2. Bij de kennisgebieden wordt in elk geval aandacht besteed aan:
a. aardrijkskunde;
b. geschiedenis;
c. de natuur, waaronder biologie;
d. maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting;
e. geestelijke stromingen.
3. Het onderwijs kan naast de onderwijsactiviteiten, genoemd in het
eerste en tweede lid, tevens de Duitse taal of de Franse taal omvatten.
4. Op de scholen in de provincie Fryslân wordt tevens onderwijs gegeven
in de Friese taal, tenzij gedeputeerde staten op verzoek van het bevoegd
gezag ontheffing van deze verplichting hebben verleend.
5. Ten aanzien van de onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste,
tweede en vierde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur
kerndoelen vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in de
vorige volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van
beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
6. Voor de school geldt de eis dat zij tenminste de kerndoelen bij haar
onderwijsactiviteiten als aan het eind van het basisonderwijs te
bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van
kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en
vaardigheden. Indien de eerste volzin niet kan worden toegepast voor een
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is dan wel
voor een visueel gehandicapte leerling, wordt in het handelingsplan,
bedoeld in artikel 40a, aangegeven wat daarvan de reden is en welke
vervangende onderwijsdoelen worden gehanteerd.
7. Indien een bevoegd gezag van een bijzondere school dringend
bedenkingen heeft tegen de krachtens het vijfde lid vastgestelde
kerndoelen, kan het bevoegd gezag eigen kerndoelen voor de school
vaststellen. Deze kerndoelen zijn van gelijk niveau als de kerndoelen,
bedoeld in het vijfde lid. Het bevoegd gezag zendt de vastgestelde
kerndoelen aan de inspecteur.
8. Bij de verzorging van het onderwijs op basis van de kerndoelen voor
Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, neemt het bevoegd gezag, met
inachtneming van artikel 8, eerste lid, de referentieniveaus Nederlandse
taal en de referentieniveaus rekenen, bedoeld in artikel 2, tweede lid,
aanhef en onderdeel a, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en
rekenen, als uitgangspunt.
9. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
10. Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Daar waar naast de
Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is,
kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal bij het onderwijs
worden gebruikt. Voor de opvang in en de aansluiting bij het Nederlandse
onderwijs van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond
kan de taal van het land van oorsprong mede als voertaal bij het
onderwijs worden gebruikt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag
vastgestelde gedragscode.
11. Onze minister kan in bijzondere gevallen op verzoek van het bevoegd
gezag toestaan dat wordt afgeweken van de voorschriften in het eerste en
tweede lid. De toestemming wordt verleend voor een bepaald tijdvak; zij
kan voorwaarden bevatten.
Artikel 9a. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
1. Bij het geven van onderwijs aan een leerling die is opgenomen in een
ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd
gezag van een school worden ondersteund.
2. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid,
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien
de leerling is opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst, indien de leerling is opgenomen in een
ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de
leerling in verband met ziekte thuis verblijft.
3. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming
tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en
de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van
onderwijs aan de leerling betreffen.
Artikel 10. Kwaliteit onderwijs
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de
school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in
elk geval verstaan: het uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in
artikel 12, beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke
opdrachten voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het
schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden
gerealiseerd.
Artikel 10a. Ernstig of langdurig tekortschieten leerresultaten taal en
rekenen basisschool
1. Het bevoegd gezag van een basisschool voldoet in elk geval niet aan
de wettelijke opdrachten voor het onderwijs, bedoeld in artikel 10,
indien de leerresultaten op de school aan het eind van het zevende of
het achtste schooljaar op groepsniveau ernstig of langdurig
tekortschieten.
2. Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste
lid indien:
a. op de school de leerresultaten op het gebied van de Nederlandse taal
en op het gebied van rekenen en wiskunde, gemeten over een periode van 3
schooljaren, liggen onder de minimum normering die daarvoor geldt in
vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren van
scholen met een vergelijkbaar leerlingenbestand; dan wel
b. geen leerresultaten door de school kunnen worden aangetoond.
3. De leerresultaten op de school worden beoordeeld op basis van alle
leerlingen die onderwijs volgen in het zevende of achtste schooljaar met
uitzondering van de leerlingen die aansluitend onderwijs gaan volgen op
een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op
de expertisecentra, in het praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs en leerlingen die aan het begin van het achtste
schooljaar 4 jaar of korter in Nederland zijn.
4. Er is sprake van ernstig of langdurig tekortschieten van de kwaliteit
van het onderwijs als bedoeld in het eerste lid indien de inspectie op
grond van artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht Onze minister
meedeelt dat uit het onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen, bedoeld
in artikel 11, derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat
sprake is van onvoldoende verbeteringen dan wel dat het bevoegd gezag
niet bereid is afspraken te maken over kwaliteitsverbeteringen naar
aanleiding van het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de
Wet op het onderwijstoezicht.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de wijze waarop leerresultaten worden gemeten en,
indien zij niet gemeten kunnen worden, op welke andere wijze zij worden
aangetoond. Voorts wordt de normering, bedoeld in het derde lid, bepaald
en wordt bepaald bij welk aantal leerlingen in het zevende of achtste
schooljaar van een bepaalde school voor die school voor de periode van 3
schooljaren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt gelezen 5
schooljaren.
6. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 10b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 11. Rapportage vorderingen van leerlingen
Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan
hun ouders.
Artikel 11a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 11b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 12. Schoolplan
1. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking
tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd,
en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid
en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid ten
aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke
bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving
gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op
zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de
activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het
bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden
geconfronteerd. In het schoolplan wordt aangegeven op welke wijze
invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de
identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool. Het
schoolplan kan op een of meer scholen voor basisonderwijs en een of meer
scholen voor ander onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag betrekking
hebben.
2. Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de
wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd
gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in
een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de voorzieningen
die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en
voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is.
3. Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot
uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met
betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de
uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld
in artikel 30 van de wet.
4. Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval:
a. de wijze waarop het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt
gerealiseerd,
b. de wijze waarop het bevoegd gezag vaststelt welke maatregelen ter
verbetering van de kwaliteit nodig zijn, en
c. maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn
bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 13. Schoolgids
1. De schoolgids bevat voor ouders, verzorgers en leerlingen informatie
over de werkwijze van de school en bevat in elk geval informatie over:
a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het
onderwijsleerproces worden bereikt, met dien verstande dat bij algemene
maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven met betrekking
tot de wijze waarop
1°. de resultaten worden beschreven die met het onderwijsleerproces
worden bereikt, en
2°. de context wordt vermeld waarin de onder 1° bedoelde resultaten
dienen te worden geplaatst.
b. de wijze waarop aan de zorg voor het jonge kind wordt vormgegeven,
c. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke
onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, wordt vormgegeven
d. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut,
e. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 40, eerste lid, waarbij
een ontwerp van een overeenkomst voor een dergelijke bijdrage, die
voldoet aan de eisen die in artikel 40, eerste lid, zijn geformuleerd,
in de schoolgids wordt opgenomen,
f. de rechten en plichten van de ouders, de verzorgers, de leerlingen en
het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling,
bedoeld in artikel 14, en de gronden voor vrijstelling van het
onderwijs, bedoeld in artikel 41, tweede lid, en
g. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 12, eerste
lid, omschreven bijdragen,
i. het beleid met betrekking tot de veiligheid,
j. de wijze waarop de voorzieningen, bedoeld in artikel 45, worden
georganiseerd, en
k. het verzuimbeleid,
k. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter
onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een
samenwerkingsschool.
2. Het bevoegd gezag reikt de schoolgids uit aan de ouders dan wel de
verzorgers bij de inschrijving en jaarlijks na de vaststelling van de
schoolgids.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onder
a, wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een der
kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 13bis [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13c1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13e1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13e2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13e3 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13e4 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13e5 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 14. Klachtenregeling
1. Ouders dan wel verzorgers, en personeelsleden kunnen bij de
klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een klacht
indienen over gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag,
personeel of de permanente commissie leerlingenzorg, waaronder
discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van
beslissingen door het bevoegd gezag, het personeel of de permanente
commissie leerlingenzorg.
2. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de behandeling van
klachten. Deze regeling vermeldt in ieder geval:
a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt,
b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht,
c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen en
d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld
in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn
wordt gehandeld.
3. Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op grond
van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging
van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling,
niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of heeft
opengestaan.
4. Deze regeling
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een
klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een
voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam
is voor of bij het bevoegd gezag en
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt
deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks
betrekking heeft.
5. De klager en degene over wie is geklaagd dan wel de instantie
waarover is geklaagd krijgen de gelegenheid:
a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en
b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
6. De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van
de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen,
schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd dan wel de
instantie waarover is geklaagd en het bevoegd gezag.
7. Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst van het in het
zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of
hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar
aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij
afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet het bevoegd
gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de
klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd
gezag zijn standpunt bekend zal maken.
8. Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij
de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke
karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot
geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
9. Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een
plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de
klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 15. Meetellen tijd op andere school of school of instelling voor
s.o. of v.s.o.; vaststellen zomervakantie
1. Indien een leerling gedurende een deel van de week onderwijs ontvangt
op een andere school, op een school voor speciaal onderwijs, op een
school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel op een
instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs telt de tijd
gedurende welke de leerling dit onderwijs ontvangt mee voor het aantal
uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen begin en eind van de zomervakantie
worden vastgesteld die niet voor alle scholen gelijk behoeven te zijn.
Artikel 16. Vaststelling schoolplan en schoolgids
1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar het
schoolplan vast.
2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve van
het eerstvolgende schooljaar.
3. Het bevoegd gezag zendt het schoolplan dan wel de wijzigingen daarvan
en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling aan de inspecteur.
Artikel 17. Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen
1. De instandhouding van een of meer openbare en een of meer bijzondere
scholen kan worden opgedragen of overgedragen aan een stichting die met
dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht. De besluitvorming van de
zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
2. Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van
openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in
afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder
onderwijs.
3. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de
opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het
bevoegd gezag uit.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de openbare school en niet zonder
benoeming is tewerkgesteld, wordt benoemd krachtens een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de
gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar openbaar onderwijs
wordt gegeven, gevestigd is,
e. de wijze waarop de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is, toezicht op het bestuur
van die school uitoefent,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is
verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
6. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is. Instemming kan slechts
worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het
bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
7. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente
waarin de school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is,
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt bekendgemaakt.
8. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school
is gelegen, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van
het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs
betreft.
Artikel 17a. Scheiding toezicht en bestuur
1. Het bevoegd gezag draagt mede in verband met de verplichting, bedoeld
inartikel 10, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding
tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop en met een
rechtmatig bestuur en beheer.
2. De benoeming in de functies van het toezicht op het bestuur, bedoeld
in het eerste lid, geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte
profielen. Bij de benoeming van de leden van de raad van toezicht wordt
de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 van de Wet
medezeggenschap op scholen, in de gelegenheid gesteld een bindende
voordracht te doen voor een lid.
Artikel 17b. Intern toezicht
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de functies van bestuur en
intern toezicht op het bestuur in functionele of organieke zin zijn
gescheiden.
2. Een intern toezichthouder of een lid van het interne toezichthoudend
orgaan functioneert onafhankelijk van het bestuur.
Artikel 17c. Inhoud intern toezicht
1. De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt
toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de
bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. De
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan is ten minste belast met:
a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en, indien van
toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school;
b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke
verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 171,
eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code;
c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en
rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school
verkregen op grond van deze wet;
d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan, en
e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de
taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met
d, in het jaarverslag.
2. De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne
toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en
onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Indien sprake is van meer
dan een toezichthouder of van een toezichthoudend orgaan is de eerste
volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de combinatie
van de toezichthouders of de samenstelling van het toezichthoudend
orgaan.
3. Indien het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van
toezicht, zijn het eerste lid en het tweede lid van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een raad van toezicht. Een raad van toezicht
is tevens belast met het benoemen, schorsen en ontslaan en de
vaststelling van de beloning van de leden van het bestuur, alsmede de
toepassing van deartikelen 29, vijfde lid, 33, 33a, 34, 37, 38, 53, 59,
60 en de daarmee verband houdende wettelijke bepalingen op leden van het
bestuur die mede tot het personeel behoren.
Artikel 17d. Samenwerkingsschool
1. Een rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, en een
rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, kunnen de
instandhouding van hun school overdragen aan een stichting waarvan het
statutaire doel in ieder geval is het in stand houden van een
samenwerkingsschool, onverminderd de artikelen 17, derde lid, 47, derde
lid, en 48, vijfde lid. Een samenwerkingsschool is een school waarin
zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden.
Deartikelen 49 en 56 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien
daardoor de continuïteit van het openbaar of het bijzonder onderwijs
gehandhaafd kan blijven en met totstandkoming van een
samenwerkingsschool wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van de artikelen 151 tot en met 161 wordt
opgeheven of niet meer voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd
gezag van de betreffende school toont dat aan op basis van een prognose
van de ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die
school binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of
niet meer te worden bekostigd.
3. Een samenwerkingsschool is toegankelijk voor alle leerlingen zonder
onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de samenwerkingsschool, en niet is
tewerkgesteld zonder benoeming, wordt benoemd krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De rechtspersoon die de instandhouding van de bijzondere school heeft
overgedragen, of zijn rechtsopvolger, dan wel een daartoe aangewezen
rechtspersoon houdt toezicht op de identiteit, voor zover het betreft
het bijzonder onderwijs in de samenwerkingsschool, overeenkomstig
hetgeen is bepaald in de statuten van de stichting die de
samenwerkingsschool in stand houdt.
6. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. het doel van de stichting, waarin in elk geval is opgenomen het geven
van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs binnen een
samenwerkingsschool,
b. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting, met dien verstande dat in de statuten wordt voorzien in een
evenwichtige zeggenschapsverdeling wat betreft openbaar onderwijs
onderscheidenlijk bijzonder onderwijs dat wordt gegeven binnen de
samenwerkingsschool,
c. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat:
1° het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool in stand
houdt, wordt benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid, en
2° dat het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool in stand
houdt, niet bestaat uit personen die deel uitmaken van het
gemeentebestuur van de gemeente en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid,
d. de wijze waarop door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid, toezicht op het bestuur van de samenwerkingsschool wordt
uitgeoefend, waaronder voor wat betreft het openbaar onderwijs in ieder
geval wordt begrepen een jaarlijks door het bestuur van de stichting aan
de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd
is, uit te brengen verslag waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan het beleid ten aanzien van het openbaar onderwijs in de
samenwerkingsschool,
e. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
f. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
g. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
7. Overdracht, opheffing of fusie van de samenwerkingsschool en
wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in
stand houdt, is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van
de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid.
8. De voorschriften van deze wet en van andere wetten die het primair
onderwijs betreffen, alsmede de daarop gebaseerde regelingen, voor zover
die voorschriften en regelingen betrekking hebben op een bijzondere
school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool
als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt. De Algemene
wet bestuursrecht is niet van toepassing voor zover het beslissingen
betreft van de rechtspersoon die de samenwerkingsschool in stand houdt.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om
de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het
openbaar onderwijs betreft. De bedoelde maatregelen kunnen tevens worden
getroffen door de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, voor zover
het bijzonder onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt
beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, gezamenlijk genomen
besluit.
10. Een geschil tussen een bestuursorgaan van de gemeente en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, omtrent het toezicht op de
samenwerkingsschool en omtrent de uitlegging van de statuten van de
stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, wordt voorgelegd
aan een geschillencommissie, bestaande uit een of meer door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon in onderling overleg aangewezen deskundigen.
§ 2. Zorgstructuur
Artikel 18. Samenwerkingsverbanden
1. Het bevoegd gezag is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een
samenwerkingsverband met een of meer basisscholen en een of meer
speciale scholen voor basisonderwijs. Dit samenwerkingsverband stelt
zich ten doel een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en
tussen basisscholen en in samenwerking met speciale scholen voor
basisonderwijs te realiseren en wel zodanig dat zoveel mogelijk
leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.
2. De scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband hebben tezamen
ten minste 2000 leerlingen. In afwijking van de eerste volzin kunnen de
scholen in een samenwerkingsverband gedurende 2 achtereenvolgende
schooljaren of in het eerste en derde schooljaar van 3 achtereenvolgende
schooljaren tezamen minder dan 2000 leerlingen hebben. Uiterlijk met
ingang van 1 augustus volgend op de in de vorige volzin bedoelde
schooljaren nemen de scholen deel aan een samenwerkingsverband dat op 1
oktober daaropvolgend voldoet aan de norm van 2000 leerlingen.
3. Indien het aantal leerlingen in een samenwerkingsverband op 1 oktober
minder bedraagt dan 2000 leerlingen, deelt Onze minister dit voor 1
februari daaropvolgend schriftelijk mee aan de bevoegde gezagsorganen
van de scholen in het samenwerkingsverband.
4. Een bevoegd gezag kan de deelname aan een samenwerkingsverband voor
een school beëindigen indien
a. een regeling is getroffen met de overige bevoegde gezagsorganen ten
aanzien van de financiële en personele consequenties daarvan en
b. door de beëindiging van de deelname geen aanspraken ontstaan op
ontslaguitkeringen voor personeel dat werkzaam is bij de deelnemende
scholen, waaronder de school waarvoor de deelname wordt beëindigd.
5. Bij de beëindiging van de deelname op grond van het vierde lid wordt
een termijn van 1 jaar in acht genomen. Deze termijn geldt niet voor
scholen die deelnemen aan een samenwerkingsverband dat gedurende het
tweede achtereenvolgende schooljaar dan wel het tweede van 3
achtereenvolgende schooljaren niet voldoet aan de norm van 2000
leerlingen.
6. De beëindiging van de deelname aan een samenwerkingsverband en de
aansluiting bij een nieuw samenwerkingsverband gaan in op 1 augustus van
een schooljaar. Voor 1 oktober of in het geval, bedoeld in het vijfde
lid, tweede volzin, 1 april van het daaraan voorafgaande schooljaar
meldt het bevoegd gezag de beëindiging onderscheidenlijk de aansluiting
aan Onze minister.
7. Onze minister kan ermee instemmen dat, in afwijking van het eerste
lid, eerste volzin, van het samenwerkingsverband geen speciale school
voor basisonderwijs deel uitmaakt en dat het eerste lid, tweede volzin,
niet van toepassing is voor zover het betreft de samenwerking met
speciale scholen voor basisonderwijs. Onze minister stemt slechts in
indien
a. in een adequate onderwijskundige opvang van leerlingen wordt voorzien
en de inspectie hierover een positief advies heeft uitgebracht, en
b. alle bevoegde gezagsorganen van de scholen in het
samenwerkingsverband met het samenwerkingsverband waarvoor de instemming
is gevraagd, instemmen.
8. Het bevoegd gezag kan per basisschool slechts deelnemen aan 1
samenwerkingsverband. Bij deelname aan meer dan één
samenwerkingsverband is voor de toepassing van deze wet en de daarop
gebaseerde voorschriften uitsluitend de deelname van belang aan het
samenwerkingsverband waarbij voor het eerst werd aangesloten.
9. Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een
samenwerkingsverband, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen
van het samenwerkingsverband niet geweigerd.
Artikel 19. Zorgplan
1. De bevoegde gezagsorganen van de scholen die samenwerken in een
samenwerkingsverband stellen jaarlijks voor 1 mei een zorgplan vast voor
het daaropvolgende schooljaar.
2. Het zorgplan bevat in elk geval:
a. de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 18, eerste lid,
b. de wijze, waarop de bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld in
artikel 120, vierde lid, en artikel 132, en het daaraan gerelateerde
personeel wordt ingezet, alsmede de basisscholen waaraan de bekostiging,
bedoeld inartikel 132, wordt overgedragen,
c. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten
aanzien van de onderwijskundige opvang van de leerlingen die extra zorg
behoeven,
d. de samenstelling, werkwijze en financiering van een permanente
commissie leerlingenzorg als bedoeld in artikel 23,
e. de procedures voor onderzoek van leerlingen en plaatsing van
leerlingen op een speciale school voor basisonderwijs,
f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de
zorgvoorzieningen en de criteria die de permanente commissie
leerlingenzorg hanteert,
g. de wijze waarop de ouders in de gelegenheid worden gesteld informatie
te verstrekken aan de permanente commissie leerlingenzorg,
h. de wijze waarop de permanente commissie leerlingenzorg informatie
verstrekt aan de klachtencommissie, en
i. de wijze waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 118 en artikel
118awordt ingezet, en de basisscholen onderscheidenlijk de speciale
scholen voor basisonderwijs waaraan de bekostiging, bedoeld in artikel
118onderscheidenlijk artikel 118a, wordt overgedragen.
3. Het zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop
het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.
Artikel 20. Reglement samenwerkingsverband
1. Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een
samenwerkingsverband stellen zij een reglement vast. Het reglement bevat
in elk geval een regeling voor:
a. de wijze waarop het zorgplan, bedoeld in artikel 19, wordt
vastgesteld,
b. de wijze waarop over het zorgplan in het kader van de medezeggenschap
overleg plaatsvindt,
c. de wijze waarop over arbeidsvoorwaardelijke aspecten van het zorgplan
decentraal georganiseerd overleg wordt gevoerd,
d. de wijze waarop wordt bepaald of de situaties, bedoeld in de
artikelen 118 en 124, zich voordoen, waaronder de vaststelling van de in
artikel 124, eerste en tweede lid, bedoelde peildatum, die is gelegen in
de periode van 2 oktober tot en met 31 juli daaropvolgend,
e. de wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de
onderscheiden scholen is in de overdracht van de bekostiging voor
materiële instandhouding in een situatie als bedoeld in artikel 118 en
van de bekostiging voor zorgvoorzieningen in een situatie als bedoeld in
artikel 124, zesde of zevende lid, of artikel 125, zesde lid, en
f. de wijze waarop beslissingen worden genomen, onverminderd het tweede
lid, alsmede het aantal stemmen voor elk afzonderlijk bevoegd gezag.
2. Bij reglement kan met inachtneming van de tweede volzin, onderdelen
a, b en c, per onderwerp verschillend de wijze van beslissen worden
geregeld. Indien voor een onderwerp geen wijze van beslissen is
geregeld, geschiedt de wijze van beslissen bij meerderheid van stemmen,
met dien verstande dat
a. voor een beslissing over de inzet van de bekostiging voor
zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, tevens de
instemming is vereist van de bevoegde gezagsorganen van alle speciale
scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband,
b. voor een beslissing tot samenvoeging van 2 of meer speciale scholen
voor basisonderwijs tevens de instemming is vereist van de bevoegde
gezagsorganen van de desbetreffende scholen, en
c. voor een beslissing tot wijziging van het reglement of tot algehele
samenvoeging van het verband met een ander verband in plaats van
meerderheid van stemmen de instemming is vereist van de bevoegde
gezagsorganen van alle scholen in het samenwerkingsverband.
Artikel 20a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 21. Centrale dienst van samenwerkingsverband
Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een
samenwerkingsverband zijn zij aangesloten bij dezelfde centrale dienst.
Artikel 21a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 22. Geschillencommissie samenwerkingsverbanden
1. Onze minister stelt een landelijke geschillencommissie voor
samenwerkingsverbanden in.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter en 4 leden, die allen door
Onze minister worden benoemd. De 4 leden worden benoemd op voordracht
van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist.
3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van 4 jaar.
Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag
verleend.
4. Het bevoegd gezag van een school kan voorziening vragen bij de
landelijke geschillencommissie tegen
a. beslissingen en andere handelingen inzake de totstandkoming van het
reglement,
b. beslissingen en andere handelingen in het kader van het
samenwerkingsverband,
c. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een speciale
school voor basisonderwijs met een beslissing als bedoeld in artikel 20,
tweede lid onder a, en
d. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een school met
een beslissing als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder c.
Het vragen van voorziening als bedoeld in de eerste volzin wordt
gelijkgesteld met het instellen van administratief beroep.
5. De uitspraak van de geschillencommissie is bindend voor de bevoegde
gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband.
6. Tegen de uitspraak van de geschillencommissie kan beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De
uitspraak bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld met een
uitspraak in administratief beroep.
7. Het reglement, bedoeld in artikel 20, kan erin voorzien dat de in het
vierde lid bedoelde geschillen worden voorgelegd aan een
geschillencommissie die door het samenwerkingsverband, al dan niet
tezamen met andere samenwerkingsverbanden is ingesteld. In dat geval is
het vierde lid niet van toepassing en zijn het vijfde en zesde lid van
toepassing.
Artikel 22a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 22b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 23. Permanente commissie leerlingenzorg
1. Het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorganen van scholen in een
samenwerkingsverband stellen een permanente commissie leerlingenzorg in.
Deze commissie bepaalt op aanvraag van de ouders of plaatsing van een
leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. De
commissie weigert de toelaatbaarheid tot een speciale school voor
basisonderwijs niet op grond van het feit dat de leerling aangewezen zou
zijn op een onderwijssoort binnen een cluster als bedoeld in artikel 2,
vierde lid onder b of c, dan wel tot het cluster, bedoeld in genoemd
artikel onder d, van de Wet op de expertisecentra, indien een commissie
voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c van genoemde wet,
heeft geoordeeld dat die leerling niet toelaatbaar is tot een
onderwijssoort binnen dat cluster dan wel tot het cluster, bedoeld in
artikel 2, vierde lid onder d, van die wet. De commissie kan voorts
worden belast met andere taken. Indien sprake is van een
samenwerkingsverband zonder speciale school voor basisonderwijs is de
tweede volzin niet van toepassing en adviseert de commissie in elk geval
a. op verzoek van de ouders of het bevoegd gezag van de basisschool die
de leerling bezoekt over de wijze waarop een leerling op die school kan
worden begeleid, en
b. indien in het samenwerkingsverband voorzieningen zijn getroffen ten
behoeve van de basisscholen voor de opvang van kinderen die extra zorg
behoeven over de verwijzing naar die voorzieningen.
2. De permanente commissie leerlingenzorg bestaat uit ten minste 3
leden.
3. Alvorens een beslissing te nemen op een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid, tweede volzin, vraagt de commissie aan de school van de
leerling de gegevens, bedoeld in artikel 43, eerste onderscheidenlijk
tweede lid.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, wordt niet
in behandeling genomen indien de leerling afkomstig is van een
basisschool van een ander samenwerkingsverband dan dat van de permanente
commissie leerlingenzorg en de permanente commissie leerlingenzorg van
dat andere samenwerkingsverband geen onherroepelijk geworden beslissing
als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, heeft genomen. De eerste
volzin is niet van toepassing indien de aanvraag plaatsvindt in verband
met een verhuizing van de leerling.
5. Alvorens een beslissing te nemen op een bezwaarschrift vraagt de
permanente commissie leerlingenzorg advies aan de regionale
verwijzingscommissie, bedoeld in artikel 24.
6. Een beslissing van de permanente commissie leerlingenzorg als bedoeld
in het eerste lid, tweede volzin, wordt aangemerkt als een beschikking
van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht. Deze beschikking is geen besluit als bedoeld
in artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht.
7. De permanente commissie leerlingenzorg stelt indien de ouders bij een
ingediende aanvraag of een ingediend verzoek of bezwaarschrift daarom
hebben verzocht een termijn waarbinnen de ouders een deskundigenadvies
of overige informatie kunnen indienen. De commissie betrekt de door de
ouders tijdig overgelegde informatie bij de besluitvorming.
8. Beslissingen en adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg
worden in de school die de leerling bezocht toen het advies werd
uitgebracht, bewaard tot 3 jaar nadat de leerling de school heeft
verlaten, met dien verstande dat bij plaatsing van een leerling op een
andere school in het samenwerkingsverband de beslissing of het advies in
die school wordt bewaard tot 3 jaar nadat de leerling die school heeft
verlaten.
Artikel 24. Regionale verwijzingscommissies
1. Onze minister kan een regionale verwijzingscommissie instellen. Een
regionale verwijzingscommissie brengt binnen 4 weken na een verzoek als
bedoeld in artikel 23, vijfde lid, advies uit aan de permanente
commissie leerlingenzorg.
2. Een regionale verwijzingscommissie is werkzaam voor een bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regio.
3. Het verzoek, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, wordt ingediend bij
a. de regionale verwijzingscommissie die werkzaam is voor de regio
waarin de school of de school voor speciaal onderwijs of speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs die de leerling bezoekt, is gelegen,
b. bij gebreke daarvan de commissie van de regio waarbinnen de leerling
woonachtig is, en
c. indien er in een regio geen regionale verwijzingscommissie is, een
regionale verwijzingscommissie die is gevestigd in een aangrenzende
regio.
4. In een regio kan slechts één regionale verwijzingscommissie
werkzaam zijn. Indien in een regio meer dan één
schoolbegeleidingsdienst regionaal werkzaam is, hoort Onze minister de
desbetreffende schoolbegeleidingsdiensten, alvorens een regionale
verwijzingscommissie te erkennen of in te stellen.
5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is
niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer
te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3
volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 25. Regionale verwijzingscommissie verbonden aan een
rechtspersoon
Een regionale verwijzingscommissie die door Onze minister is ingesteld,
kan worden verbonden aan rechtspersonen die voldoen aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en die daartoe
door Onze minister zijn aangewezen.
Artikel 26 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 26a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 27. Bekostiging regionale verwijzingscommissies
1. Onze minister brengt een regionale verwijzingscommissie die is
ingesteld, voor bekostiging in aanmerking indien zij:
a. jaarlijks voor 1 mei verslag uitbrengt over haar werkzaamheden in het
voorafgaande kalenderjaar, en
b. jaarlijks voor 1 mei over het voorafgaande kalenderjaar rekening en
verantwoording aflegt van het geldelijk beheer.
2. Onze minister stelt jaarlijks, op basis van het aantal leerlingen in
het basisonderwijs, bedoeld in artikel 161 van de Wet op het primair
onderwijs, van dat jaar in de desbetreffende regio, de bekostiging vast
voor de werkzaamheden van de regionale verwijzingscommissie voor het
daaropvolgende jaar.
Artikel 28. Nadere voorschriften regionale verwijzingscommissies
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven
omtrent de taak, samenstelling, werkwijze en totstandkoming van de
regionale verwijzingscommissies. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan
nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn
niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in
die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan
wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het
ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is
overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de
procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
§ 3. Personeel
Artikel 29. Directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel
1. Aan elke school zijn 1 of 2 directeuren verbonden, bij wie onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijskundige,
organisatorische en huishoudelijke leiding berust. De functie van
directeur kan minder dan een volledige formatieplaats omvatten. De
directeur van een school kan tevens met de leiding worden belast van een
andere school waar de functie van directeur vacant is. De directeur van
een school kan tevens directeur zijn van een andere school of van een
school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
2. Aan een school zijn een of meer leraren verbonden.
3. Een of meer leraren kunnen tevens tot adjunct-directeur worden
benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Indien geen
adjunct-directeur wordt benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming
en aan de school slechts 1 directeur is verbonden, wijst het bevoegd
gezag een leraar aan als plaatsvervanger van de directeur.
4. Voor zover het betreft de functie van directeur en adjunct-directeur,
wordt in geval van samenvoeging van scholen de overblijvende school
gelijkgesteld met een nieuwe school. De directeur, onderscheidenlijk de
adjunct-directeur of adjunct-directeuren, kan slechts een van de
directeuren onderscheidenlijk kunnen slechts een of meer van de
adjunct-directeuren van de samen te voegen scholen zijn, tenzij geen van
de betrokkenen de desbetreffende functie wenst te aanvaarden.
5. Het bevoegd gezag kan tevens personeel, dat werkzaamheden verricht
ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld
in de Wet op de expertisecentra, benoemen of te werk stellen zonder
benoeming waaronder begrepen leden van het bestuur van die scholen voor
zover het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van toezicht
als bedoeld in artikel 17c, derde lid.
6. Aan een school kan onderwijsondersteunend personeel zijn verbonden.
7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
rechtspositionele gevolgen zijn verbonden aan functies die zowel
onderwijsgevende als onderwijsondersteunende taken omvatten.
8. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot
de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school.
Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, stelt het bevoegd gezag
tevens jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van dat
personeel. Zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de
eerste en tweede volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie,
bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de
school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van
bestuur te geven nadere voorschriften, en in voorkomend geval functies
en taken van het in het vijfde lid bedoelde personeel.
Artikel 29a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 29b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 29c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 30. Document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in
de schoolleiding
1. Het bevoegd gezag stelt ten behoeve van de directies van zijn
scholen, indien aan het totaal van die scholen van een
ondervertegenwoordiging van vrouwen in de functie van directeur
onderscheidenlijk adjunct-directeur sprake is, eenmaal in de 4 jaar een
document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de
schoolleiding vast.
2. Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald
tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand
waarvan door het bevoegd gezag een beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding wordt gevoerd, opdat
aan de scholen te zamen in de functie van directeur onderscheidenlijk
adjunct-directeur vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen
zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de
verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel
dat werkzaam is in het door de school verzorgde onderwijs, zoals die
blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde
cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het bevoegd
gezag heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin
bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de
beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding gedurende de periode
waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het
vorige document gold.
3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
document in het gebouw van de school ter inzage wordt gelegd op een voor
het personeel, de ouders en de leerlingen toegankelijke plaats, alsmede
dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de school.
Artikel 30a. Overdracht taken en bevoegdheden
1. Het bestuur kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en
bevoegdheden overdragen aan de directeur van de school of indien
toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid
bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met
betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op de
expertisecentra.
2. De directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan
artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor
zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en
de scholen, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, kan hem bij
wettelijk voorschrift opgedragen, of door het bevoegd gezag
overgedragen, taken en bevoegdheden overdragen aan de adjunct-directeur.
Artikel 31. Vaststelling managementstatuut
1. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de directeur en indien
toepassing is gegeven aanartikel 29, vijfde lid, met het in dat
artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met
managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in
de Wet op de expertisecentra, een managementstatuut vast. In het
managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de
bevoegdheden van de directeur en indien toepassing is gegeven aan
artikel 29, vijfde lid, tevens van de bevoegdheden van het in dat
artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met
managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in
de Wet op de expertisecentra, met betrekking tot de toedeling,
bestemming en aanwending van de bekostiging.
2. Het managementstatuut bevat tevens de aanduiding van de andere aan
het bevoegd gezag bij wettelijk voorschrift toegekende taken en
bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de directeur
van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde
lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast
met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld
in de Wet op de expertisecentra deze in naam van het bevoegd gezag kan
uitoefenen. Het managementstatuut bevat voorts instructies ten aanzien
van deze taken en bevoegdheden.
3. In het managementstatuut worden tevens vastgelegd:
a. de taken en bevoegdheden die het bestuur overdraagt aan de directeur
van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde
lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast
met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld
in de Wet op de expertisecentra, indien toepassing is gegeven aan
artikel 30a, eerste lid;
b. de taken en bevoegdheden die het bestuur, de directeur van de school
of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat
artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met
managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in
de Wet op de expertisecentra overdraagt aan de adjunct-directeur, indien
toepassing is gegeven aan artikel 30a, tweede lid; en
c. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken en
bevoegdheden.
4. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
managementstatuut in het gebouw van de school ter inzage beschikbaar is
op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een
exemplaar van het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo
spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie.
Artikel 32. Vereisten benoeming of tewerkstelling personeel
1. Directeuren, adjunct-directeuren en leraren worden door het bevoegd
gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.
2. Tot directeur of adjunct-directeur kan slechts worden benoemd of
tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van:
1°. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens,
2°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, en
b. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van
artikel 32a, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het
bezit is van:
1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat aan die eisen
is voldaan, of
2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien
van de in artikel 32a, tweede lid, bedoelde werkzaamheden die betrokkene
zal verrichten, of
3°. een bewijsstuk dat hij volgens bij algemene maatregel van bestuur
te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van de werkzaamheden waarop de benoeming of de tewerkstelling
zonder benoeming is gericht.
3. De directeur of adjunct-directeur die niet voldoet aan de eisen van
het tweede lid, onder b, mag voor zover het werkzaamheden betreft
waarvoor op grond van artikel 32a, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor een
periode van ten hoogste twee jaren.
4. De directeur of adjunct-directeur die op grond van artikel 3 bevoegd
is tot het geven van onderwijs of die op grond van artikel 3a bevoegd is
tot het verrichten van de daar bedoelde onderwijsondersteunende
werkzaamheden, kan tevens worden belast met het geven van onderwijs
respectievelijk met het verrichten van die onderwijsondersteunende
werkzaamheden.
5. Om te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming tot
leraar dient betrokkene te voldoen aan artikel 3, eerste lid, of op
grond van het derde lid van dat artikel bevoegd te zijn tot het geven
van onderwijs.
6. De onderwijsondersteunend functionaris die wordt belast met
werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid,
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, dient te voldoen aan artikel 3a,
eerste lid, onverminderd het tweede en derde lid van dat artikel.
7. De onderwijsondersteunend functionaris die wordt belast met andere
werkzaamheden dan die waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid,
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, dient:
a. in het bezit te zijn van de verklaring, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onder a, en
b. te voldoen aan de overige vereisten voor de te vervullen functie.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de vereisten, bedoeld in het zevende lid, onder b.
9. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, onder a.1°, artikel 3,
eerste lid, onder a, en artikel 3a, eerste lid, onder a, die in verband
met de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming wordt overgelegd,
mag op het tijdstip van overlegging niet ouder zijn dan een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen periode.
10. Indien betrokkene in het bezit is van een geschiktheidsverklaring
als bedoeld in artikel 176b vindt de benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten
schooljaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet
onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste
twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het
bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor
de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of
tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van benoeming
of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring.
11. Directeuren en adjunct-directeuren die zijn benoemd of tewerkgesteld
zonder benoeming voordat de Wet op de beroepen in het onderwijs in
werking is getreden en bij hun benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming niet beschikten over een getuigschrift als bedoeld in het
tweede lid, onder a.2°, zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding
van die wet benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming als directeur
respectievelijk adjunct-directeur indien zij in elk geval voldoen aan de
vereisten van het tweede lid, onder a.1° en c. Het derde lid is niet
van toepassing op deze directeuren en adjunct-directeuren.
Artikel 32a. Bekwaamheidseisen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor leraren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband
houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die
onderwijskundige leiding omvatten, en kunnen ook voor andere
werkzaamheden van leidinggevende aard bekwaamheidseisen worden
vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende
werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het
onderwijsleerproces.
4. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het
handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen
en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval
eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
6. Onze minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt
van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als
bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de
in het eerste, tweede of derde lid voorgeschreven bekwaamheidseisen en
kan een representatief geachte beroepsorganisatie in de gelegenheid
stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van
het tweede lid kunnen worden vastgesteld. Onze minister stelt deze
organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de
gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of
wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een
voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in
hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van
bevoegde gezagsorganen en ouders van de leerlingen.
Artikel 32b. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een
functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid
en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge
vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de
inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 33. Rechtspositieregeling personeel
1. Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde voorschriften als bedoeld in het tweede en vierde lid
regelt het bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie van
het personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school zorg
voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor het
personeel, bedoeld in artikel 32, voorschriften vastgesteld betreffende:
a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het bevoegd gezag
in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, en
b. vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire
dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere
rechten en verplichtingen, dan wel de voorwaarden waaronder het bevoegd
gezag een of meer onderdelen van in dit onderdeel bedoelde rechten en
verplichtingen zelf regelt of voor de regeling daarvan zorg draagt.
3. Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid
wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen omtrent
aanstelling, benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag
van het personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van
de openbare scholen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor
werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen
van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.
Artikel 33a. Benoeming, schorsing en ontslag
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel. Van een
benoeming in vaste dienst en in tijdelijke dienst voor langer dan een
half jaar, alsmede van een ontslag uit een zodanige betrekking, doet het
bevoegd gezag terstond mededeling aan de inspecteur.
Artikel 34. Benoeming in algemene dienst
1. Het bevoegd gezag benoemt de directeur en de adjunct-directeur, de
leraren en het onderwijsondersteunend personeel in algemene dienst van
het bevoegd gezag.
2. Onder benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt in dit
artikel en in de artikelen 53 en 59 verstaan een benoeming ten behoeve
van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand
gehouden scholen.
Artikel 35 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 36. Verplichting tot bieden van stagemogelijkheden
1. Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn
voor een functie in het basisonderwijs of in het voortgezet onderwijs,
gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste
ervaring in de school te verkrijgen.
2. De verplichting bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. studenten die op een school voor de opleiding van onderwijzend
personeel zijn ingeschreven of anderszins studeren om aan de
bekwaamheidseisen te voldoen;
b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder
a, dan de helft van het aantal groepsleraren in dat jaar.
3. Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school
ontzeggen indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en
doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de
toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of
uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken
opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en
aan de inspectie.
4. De directeur regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd
gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door het
onderwijzend personeel van de studenten in de school in overeenstemming
met dit personeel, alsmede in overeenstemming met de betrokken
opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich
voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen om te voldoen aan de
bekwaamheidseisen, in overeenstemming met de betrokken
staatsexamencommissie.
5. Onze minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere
omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting
verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.
6. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid, zijn
toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie belast met het toezicht
op de opleidingsinstellingen, voor de directeuren en de door deze aan te
wijzen leraren van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van
de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover zulks voor
de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming,
onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de
school aanwezige studenten noodzakelijk is.
Artikel 37. Landelijk georganiseerd overleg
Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het
personeel bedoeld in artikel 32, wordt volgens bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in
aanmerking komende personeelsorganisaties en, voor zover zij daarbij
belang hebben, organisaties van gemeente- en schoolbesturen. De algemene
maatregel van bestuur bepaalt tevens de gevallen waarin in dat overleg
overeenstemming met de personeelsorganisaties dient te worden bereikt.
Artikel 38. Georganiseerd overleg bij scholen
Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 33 te treffen
regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor
de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende
school, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de
daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.
In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in
de eerste volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de
inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen
het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie
bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden
aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende
kracht.
Artikel 38a. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het
beroep
1. Degene die beschikt over een in artikel 176b bedoelde
geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt of
tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die
werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 176g, eerste lid onder a,
sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat
met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en
begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel
176c, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst
blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan
worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende
vervangende voorziening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid,
waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit
van het daarin bepaalde.
3. Tevens worden bij algemene maatregel van bestuur bijzondere zonodig
van deze wet afwijkende voorschriften gegeven voor gevallen waarin men
voor dezelfde werkzaamheden wenst te worden benoemd of tewerkgesteld
zonder benoeming aan scholen die niet uitgaan van hetzelfde bevoegd
gezag.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede en derde
lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
§ 4. Leerlingen
Artikel 39. Toelatingsleeftijd; duur onderwijs
1. Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de
leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.
2. Het bevoegd gezag kan voor kinderen die nog niet eerder tot een
school, een school of afdeling voor speciaal onderwijs, een school voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs zijn toegelaten,
toelatingstijdstippen vaststellen op ten minste eenmaal per maand.
3. In de periode vanaf de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot het
bereiken van de leeftijd van 4 jaar kan het bevoegd gezag kinderen
gedurende ten hoogste 5 dagen toelaten. Deze kinderen zijn geen
leerlingen in de zin van de wet.
4. Leerlingen bij wie naar het oordeel van de directeur van de school de
grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in
voldoende mate is gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de
school, mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk
geval verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar
waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.
Artikel 40. Toelating en verwijdering van leerlingen
1. De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust
bij het bevoegd gezag. De toelating tot de school is niet afhankelijk
van het houden van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000. De toelating mag niet afhankelijk worden gesteld
van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten waarbij ouders
worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn
nietig, behoudens voorzover zij na de toelating van de leerling tot de
school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende
schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een
vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te
worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een
verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat.
Zodanige overeenkomsten zijn evenzeer nietig, indien deze niet hebben
voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor
te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te
gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te
onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige
overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen
reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die regeling
niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens
voor de periode van een schooljaar aangegaan.
2. Toelating van leerlingen afkomstig van een school voor speciaal
onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of
een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede
overgang van een leerling naar een dergelijke school of instelling,
vindt slechts plaats in overeenstemming met de ouders.
3. Een leerling wordt niet toegelaten tot een speciale school voor
basisonderwijs dan nadat de permanente commissie leerlingenzorg van het
samenwerkingsverband waarvan de speciale school voor basisonderwijs deel
uitmaakt, heeft bepaald dat plaatsing van de leerling op een zodanige
school noodzakelijk is. Indien de permanente commissie leerlingenzorg,
bedoeld in de eerste volzin, heeft bepaald dat plaatsing van de leerling
op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is, wordt de
leerling toegelaten uiterlijk met ingang van het eerste van de volgende
tijdstippen: de eerste dag na de voor de school geldende zomervakantie,
de eerste dag na de voor de school geldende kerstvakantie dan wel 1
april.
4. De toelating tot een speciale school voor basisonderwijs wordt niet
geweigerd op de grond dat de leerling niet is aangewezen op het
onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs, indien de
permanente commissie leerlingenzorg van het samenwerkingsverband waaraan
de speciale school voor basisonderwijs deelneemt heeft bepaald dat
plaatsing van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs
noodzakelijk is. De toelating van een leerling van een basisschool tot
een speciale school voor basisonderwijs van het samenwerkingsverband
waaraan de basisschool deelneemt wordt voorts niet geweigerd op
denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te
verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen
respecteren.
5. Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de
betrokken groepsleraar. Definitieve verwijdering van een leerling vindt
niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat
een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bereid is de leerling toe te
laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht
naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen, kan
in afwijking van de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden
overgegaan.
6. Indien tegen het besluit, bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd
gezag van een openbare school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd
gezag in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht
binnen 4 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Artikel 40a. Handelingsplan
1. Het bevoegd gezag van een school waar een visueel gehandicapte
leerling is ingeschreven of een leerling voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, stelt in overeenstemming met de ouders voor elk
schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de
eerste volzin bedoelde leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt
het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die
inschrijving opgesteld.
2. In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste schooljaar
van de periode gedurende welke voor de leerling een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, wordt aangegeven dat de voortzetting van de
voorzieningen die voor de leerling zijn getroffen op basis van het
leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een nieuwe beoordeling door
een zodanige commissie voor de indicatiestelling.
3. Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders geëvalueerd.
Artikel 40b. Te verstrekken gegevens bij toelating
1. Onverminderd bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften
met betrekking tot de in- en uitschrijving van leerlingen, vindt
toelating van een leerling als bedoeld in artikel 40 slechts plaats
nadat de ouders de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de
voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden
nummer van de leerling hebben overgelegd. Indien de ouders aannemelijk
maken dat zij geen persoonsgebonden nummer van de leerling kunnen
overleggen, vindt de toelating plaats met inachtneming van het derde
lid.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel
van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere
school of een school voor ander onderwijs verstrekt bewijs van
uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3. Indien de ouders aannemelijk maken dat zij geen persoonsgebonden
nummer van de leerling kunnen overleggen, meldt het bevoegd gezag binnen
twee weken na het besluit tot toelating aan Onze minister de beschikbare
gegevens van de leerling, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres
en woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
4. Onze minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het
burgerservicenummer van de leerling, dan wel, indien is gebleken dat hem
niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het
onderwijsnummer van de leerling. Het onderwijsnummer is een door Onze
minister uitgegeven en aan de leerling toegekend persoonsgebonden
nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde
gegevens op in de leerlingenadministratie van de school. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere gegevens in de
leerlingenadministratie worden opgenomen.
6. Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het
bevoegd gezag de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt
het bevoegd gezag dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden
nummer op in de leerlingenadministratie van de school in de plaats van
het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee
weken aan Onze minister onder opgave van het burgerservicenummer en het
onderwijsnummer van de leerling.
Artikel 41. Verplichte deelname leerlingen aan het onderwijs
1. De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde
onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten
voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.
2. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders een leerling
vrijstellen van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten. Een
vrijstelling kan slechts worden verleend op door het bevoegd gezag
vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling
welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die
waarvan vrijstelling is verleend.
Artikel 42. Onderwijskundig rapport
Over iedere leerling die de school verlaat, stelt de directeur, na
overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende
school of school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra dan wel als
bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs een onderwijskundig
rapport op. Afschrift van dit rapport wordt aan de ouders van de
leerling verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften omtrent dit rapport worden gegeven.
Artikel 42a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 43. Onderwijskundig rapport ten behoeve van een permanente
commissie leerlingenzorg of een commissie voor de indicatiestelling
1. Binnen vier weken na een daartoe strekkend verzoek van een permanente
commissie leerlingenzorg als bedoeld in artikel 23 zendt de basisschool
de commissie de gegevens waaruit blijkt om welke reden naar het oordeel
van de directeur van de basisschool, mede op advies van het onderwijzend
personeel van de school, de leerling niet op de school kan worden
gehandhaafd en een beschrijving van de maatregelen die tijdens het
verblijf van de leerling op de school zijn getroffen om te
bewerkstelligen dat de leerling wel op de school zou kunnen worden
gehandhaafd. De basisschool verstrekt de commissie desgevraagd tevens
binnen vier weken alle nadere gegevens die de commissie verlangt en die
redelijkerwijs door de school kunnen worden verstrekt.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij overgang van een
leerling van een speciale school voor basisonderwijs naar een dergelijke
school in een ander samenwerkingsverband, met dien verstande dat de
gegevens inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de
leerling.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een
verzoek van de permanente commissie leerlingenzorg met betrekking tot
een leerling van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra,
met dien verstande dat de gegevens inzicht geven in de voortgang van de
ontwikkeling van de leerling.
4. Afschrift van het rapport, bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid, wordt aan de ouders van de leerling verstrekt.
5. Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, meldt
de basisschool wanneer en aan welke permanente commissie leerlingenzorg
door haar reeds eerder dergelijke gegevens over de leerling werden
verstrekt.
6. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het een
verzoek betreft van ouders van een leerling in het kader van hun verzoek
aan de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, van
de Wet op de expertisecentra
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
gegeven omtrent de in dit artikel bedoelde gegevens.
§ 5. Ouders
Artikel 44. Ondersteunende werkzaamheden ouders
Het bevoegd gezag stelt de ouders van de leerlingen in de gelegenheid
ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs
te verrichten. De ouders zijn daarbij gehouden de aanwijzingen op te
volgen van de directeur en het overige onderwijzend personeel, die
verantwoordelijk blijven voor de gang van zaken.
Artikel 45. Tussenschoolse opvang en organisatie van de buitenschoolse
opvang
1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een voorziening voor leerlingen om
de middagpauze onder toezicht door te brengen, indien ouders hierom
verzoeken. Ingeval de voorziening, bedoeld in de eerste volzin, tot
stand komt, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
a. er een overblijfaanpak tot stand komt,
b. overleg over de overblijfaanpak tot stand komt met degenen die met
het toezicht op de leerlingen worden belast, en met de ouders,
c. het overblijven plaats vindt in een veilige en kindvriendelijke
ruimte, en
d. met ingang van 1 augustus 2011 ten minste de helft van degenen die
met het toezicht op de leerlingen worden belast, een scholing heeft
gevolgd op het gebied van het overblijven.
De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de ouders,
voogden of verzorgers. Indien de leerlingen van de voorziening, bedoeld
in de eerste volzin, gebruik maken, draagt het bevoegd gezag er zorg
voor dat degene, die met het toezicht op de leerlingen wordt belast,
voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd is. Het bevoegd gezag van
een bijzondere school is, telkenmale voor de duur van een schooljaar,
ontheven van de verplichting tot verzekering indien:
a. deze verplichting zich naar zijn oordeel niet verdraagt met de
godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten
grondslag ligt; en
b. het bevoegd gezag van zijn oordeel mededeling heeft gedaan aan de
ouders.
Van de ontheffing van de verplichting bedoeld in de vorige volzin doet
het bevoegd gezag tijdig mededeling aan de inspecteur.
1a. Diegene die met het toezicht op de leerlingen is belast, als bedoeld
in het eerste lid, is in het bezit van een verklaring omtrent het
gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan het
bevoegd gezag overgelegd en is op het moment dat zij wordt overgelegd,
niet ouder dan twee maanden.
2. Het bevoegd gezag van een basisschool draagt op daarvoor met ouders
afgesproken dagen, zorg voor de organisatie van kinderopvang in de zin
van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, voor
leerlingen, op doordeweekse niet-schooldagen, niet zijnde algemeen
erkende feestdagen en op schooldagen gedurende de voor-en naschoolse
periode, tussen 07:30 uur en 18:30 uur, indien een of meer ouders hierom
verzoeken. De kosten die uit de opvang als bedoeld in de eerste volzin
voortvloeien, komen voor rekening van de ouders.
3. Indien een of meer ouders gebruik maken van andere kinderopvang in de
zin van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen dan
bedoeld in het tweede lid, verstrekt het bevoegd gezag van een
basisschool op verzoek van die andere kinderopvang de praktische
informatie die nodig is voor de opvang van kinderen door die
kinderopvang.
Artikel 45a. Informeren ouders bij zeer zwakke school
Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11
of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het
inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het
oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school, informeert
het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover
door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie
opgestelde samenvatting van het inspectierapport welke samenvatting
gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het
bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt
binnen vier weken na de vaststelling van het inspectierapport.
Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Artikel 46. Karakter openbaar onderwijs
1. Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de
leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving
en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die
waarden.
2. Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder
onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.
3. Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders
godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 47. Instandhouding openbare school door een openbare
rechtspersoon
1. Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon
instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen in de gemeente
in stand te houden, al dan niet te zamen met openbare scholen als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra of openbare scholen als bedoeld
in de Wet op het voortgezet onderwijs. Een openbare rechtspersoon kan
ook worden ingesteld door meer dan een gemeente ten behoeve van het in
stand houden van openbare scholen in die gemeenten door het vaststellen
van een voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid,
gelijkluidende verordening, in welk geval de openbare rechtspersoon niet
eerder tot stand komt dan nadat alle daartoe strekkende verordeningen in
werking zijn getreden.
2. De gemeenteraad of gemeenteraden maken het voornemen tot een besluit
als bedoeld in het eerste lid bekend.
3. De openbare rechtspersoon oefent met uitzondering van de
besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en
bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Hij bezit rechtspersoonlijkheid.
4. De verordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in
een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden
benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op
bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn
ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de
jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het
bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden, en
g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt,
met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de
overheid in het bestuur is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in
onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het
algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de
gemeente.
5. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt openbaar gemaakt.
6. De vergaderingen van het bestuur van de openbare rechtspersoon zijn
openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de
verordening.
7. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de
begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de
maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen.
8. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet
bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de
openbare rechtspersoon te ontbinden.
9. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het vierde lid niet
van toepassing en voorziet de verordening, bedoeld in het eerste lid,
onverminderd artikel 17c, in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht
van de openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de
raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden
en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
e. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, met dien verstande dat in de regeling een overheersende
invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het
vijfde, zesde en achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48. Instandhouding openbare school door een stichting
1. Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de
gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel
stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet
te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra of openbare scholen als bedoeld in de Wet op het
voortgezet onderwijs.
2. De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in
het eerste lid bekend.
3. Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht
door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
4. Het statutaire doel van de stichting is uitsluitend het geven van
openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 46.
5. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de
opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het
bevoegd gezag uit.
6. Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in
een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden
benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op
bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn
ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de
jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het
bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is
verzekerd.
De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het
financiële belang van de gemeente.
7. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.
8. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt openbaar gemaakt.
9. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
10. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de
begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de
maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen.
11. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet
bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de
stichting te ontbinden.
12. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet
van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 17c, in
ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht
van de stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de
raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden
en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van
toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 49. Bestuursoverdracht openbare scholen
1. De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de
instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon
die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht
geschiedt bij notariële akte.
2. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de
rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken
over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld
in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt
overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde
voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school
aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
4. Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden treedt de
verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en
verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van
bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar
burgerlijk recht is vereist.
Artikel 50. Mogelijkheid godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school,
binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs te ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden worden
ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren
onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en
onder b, ten minste moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit
onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere
onderwijsactiviteiten op de school.
Artikel 51. Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs
Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door
kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van
godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door
volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke
grondslag.
Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt
gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring
van de aanwijzende instantie:
a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 32a, eerste
lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 51a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 52. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door
Gedeputeerde Staten
In afwijking van artikel 33, derde lid, zijn Gedeputeerde Staten van de
desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing
op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een
directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend
personeel van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van
de gemeente die de school in stand houdt.
Artikel 52a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 52b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 53. Akte van aanstelling
1. Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag
getekende akte van aanstelling. De akte van aanstelling bevat in elk
geval:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de omvang van de betrekking;
f. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst
geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de
duur van de aanstelling;
g. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het
salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst
van het bevoegd gezag; en
i. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis
nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent
geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit
anderen hoofde is verzekerd.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de geschiktheidsverklaringen,
van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van
aanstelling van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.
3. Het eerste lid, aanhef en onder i, en het tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder
aanstelling.
Artikel 54. Horen directeur bij aanstelling personeel
De aanstelling of tewerkstelling zonder aanstelling van de
mede-directeur, de adjunct-directeur of leraren geschiedt de directeur
gehoord.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen
van het bijzonder onderwijs
Artikel 55. Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon
Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen
het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van
winst te beogen.
Artikel 56. Bestuursoverdracht
1. De rechtspersoon die de school in stand houdt, kan de instandhouding
van de school overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan
artikel 55. De overdracht geschiedt bij notariële akte.
2. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de
rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken
over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in
artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt
overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde
voorwaarden als vermeld in de akte van benoeming, benoemt met ingang van
de datum van overdracht.
4. Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de
verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en
verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school,
onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk
recht is vereist.
5. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een school in stand houdt,
wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende
rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke verkrijgende
rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat. In het laatste
geval zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 57. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Onverminderd artikel 9 kunnen de onderwijsactiviteiten
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs omvatten.
Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per
schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen
krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en onder b, ten minste moeten
ontvangen. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school
verbonden leraar.
Artikel 58. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige
gezindheid of levensbeschouwing
1. Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen
gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de
toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige
gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing
indien de school uitsluitend is bestemd voor interne leerlingen.
2. Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet
worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs te volgen.
Artikel 59. Akte van benoeming
1. De akte van benoeming bevat tenminste bepalingen van gelijke inhoud
als zijn vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in
artikel 33, tweede lid onder a en b, voor zover deze geen rechtstreekse
aanspraak op het Rijk geven.
2. Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag en
hemzelf getekende akte van benoeming. De akte van benoeming bevat in elk
geval:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de benoeming;
d. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd;
e. de omvang van de betrekking;
f. de bepaling of de benoeming in vaste of tijdelijke dienst geschiedt
en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van
de benoeming;
g. de op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde schaal en het
salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst
van het bevoegd gezag; en
i. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis
nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent
geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit
anderen hoofde is verzekerd.
3. De akte van benoeming bevat bepalingen inzake gronden voor schorsing,
ontslag en disciplinaire maatregelen.
4. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de geschiktheidsverklaringen,
van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van
benoeming van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.
5. Het tweede lid, aanhef en onder i, en het vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder
benoeming.
Artikel 60. Beroepsrecht personeel
1. Het bevoegd gezag is aangesloten bij een commissie van beroep. Het
personeel kan bij die commissie beroep instellen tegen een beslissing
van het bevoegd gezag inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel;
b. schorsing;
c. het direct of indirect onthouden van promotie;
d. het verminderen van de omvang van de betrekking;
e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde
leeftijd is bereikt;
f. de beslissing van het bevoegd gezag ten aanzien van een personeelslid
op basis waarvan op termijn vermindering van diens betrekkingsomvang kan
plaatsvinden;
g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
h. de aanwijzing als personeelslid boven de basisformatie voortvloeiend
uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing op termijn kan
leiden tot ontslag, vermindering van de betrekkingsomvang of
beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een
personeelslid werkzaamheden zal verrichten.
2. Een beslissing als bedoeld in het vorige lid, aanhef, wordt
schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld. Daarbij wordt tevens vermeld
de beroepstermijn en het adres van de commissie waar het beroep kan
worden ingesteld.
3. Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.
Artikel 61. Beroepstermijn
1. Het beroep bedoeld in artikel 60, wordt schriftelijk ingesteld binnen
6 weken, nadat de beslissing aan betrokkene is medegedeeld. Bij
overschrijding van deze termijn ten gevolge van omstandigheden die de
betrokkene niet kunnen worden verweten, laat de commissie
niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege.
2. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen
verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van beslissingen
die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.
Artikel 62. Commissie van beroep personeel
1. Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over ten
minste 50 bijzondere scholen. Onze minister kan dit aantal lager
stellen.
2. Tot scholen bedoeld in het eerste lid, kunnen ook scholen voor
speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, of speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs, instellingen voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs behoren.
3. De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden,
waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden worden gekozen door het
bevoegd gezag en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel
van de aangesloten scholen. Deze 4 leden kiezen het vijfde lid, tevens
voorzitter, en diens plaatsvervanger.
4. De leden en plaatsvervangende leden mogen niet behoren tot het
bevoegd gezag of het personeel van een aangesloten school of tot de
inspectie van het onderwijs.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven omtrent de samenstelling en de werkwijze van de commissie van
beroep.
Artikel 63. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en
verwijdering en bezwaarprocedure
1. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van
artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het deze
beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of
uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
2. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van
artikel 40 weigert een leerling toe te laten dan wel een leerling
verwijdert, deelt het de beslissing daartoe, schriftelijk en met redenen
omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt
tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin,
vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond
van dat artikellid beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het
de ouders van de leerling, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
Het bevoegd gezag neemt de beslissing, bedoeld in de eerste volzin, zo
spoedig mogelijk, met dien verstande dat de beslissing over de toelating
van een leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is
uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek tot toelating wordt
genomen.
3. Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de
ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken
tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na
ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag
de ouders.
Artikel 63a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 63b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 63c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 63d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 63e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 63f [Vervallen per 01-08-1998]
Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare
kassen bekostigd onderwijs
Afdeling 1. Fusietoets
Artikel 64. Begripsbepalingen
1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. fusie: een bestuurlijke of institutionele fusie,
b. institutionele fusie: een fusie waarbij een school ontstaat door
samenvoeging van twee of meer scholen,
c. bestuurlijke fusie: een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de
instandhouding van een school, een school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra dan wel de Wet op het voortgezet onderwijs overdragen.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op het instellen
van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
eerste volzin, of de instandhouding van een of meer openbare scholen
door een stichting als bedoeld in artikel 48, eerste lid.
Artikel 64a. Toestemmingsplichtige fusies en verplichte
fusie-effectrapportage
1. Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring
is verleend door Onze minister.
2. De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, is niet vereist voor:
a. een institutionele fusie waarbij het totaal aantal leerlingen van de
betrokken scholen minder dan 500 bedraagt, of
b. een bestuurlijke fusie, met uitzondering van de bestuurlijke fusie
bedoeld in artikel 17, waarbij het aantal betrokken scholen minder dan
10 bedraagt.
3. De rechtspersoon dan wel de betrokken rechtspersonen stellen een
fusie-effectrapportage op voor iedere institutionele of bestuurlijke
fusie.
Artikel 64b. Aanvraag en fusie-effectrapportage
1. De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk dienen
een aanvraag in bij Onze minister voor het verkrijgen van de
goedkeuring, bedoeld in artikel 64a, eerste lid. De aanvraag gaat
vergezeld van:
a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde
fusie-effectrapportage, en
b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie door de
medezeggenschapsraden dan wel de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraden, dan wel
c. de bindende uitspraak van de geschillencommissie, bedoeld in artikel
32, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen, dan wel de
bindende uitspraak van de ondernemingskamer, bedoeld in artikel 36,
derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen.
2. De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. de motieven voor de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de
effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en
scholen in het voedingsgebied en de onderwijskundige en bestuurlijke
diversiteit van het onderwijsaanbod in het voedingsgebied,
f. de kosten en baten van de fusie,
g. de gevolgen van de fusie voor het personeel en leerlingen, waaronder
begrepen de gevolgen voor de voorzieningen,
h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd,
i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd, en
j. een advies van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten
over de wenselijkheid van de voorgestelde fusie.
3. Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de
fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 64c. Toets
1. Onze minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de
fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in het
opzicht van richting en pedagogisch-didactische aanpak binnen het
voedingsgebied van de te fuseren scholen of rechtspersonen, op
significante wijze wordt belemmerd.
2. Onze minister verleent slechts goedkeuring aan een bestuurlijke fusie
als bedoeld in artikel 17, indien daardoor de continuïteit van het
openbaar of het bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven en met de
bestuurlijke fusie wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van de artikelen 151 tot en met 161 wordt
opgeheven of niet meer voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd
gezag van de betreffende school toont dat aan op basis van een prognose
van de ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die
school binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of
niet meer te worden bekostigd.
3. Onze minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in
het eerste en tweede lid, adviseren door een onafhankelijke
adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld
in de eerste volzin.
4. Onze minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 64d. Toetsingstermijn en verlenging
1. Onze minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in
artikel 64b.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste met 13 weken
worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken bedoeld
in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Artikel 65. Schoolwijken
1. De gemeenteraad is bevoegd uitsluitend in het belang van een
doelmatige spreiding van de leerlingen over de openbare scholen, het
grondgebied van de gemeente in schoolwijken te verdelen.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt voor ten minste 3
schooljaren, met dien verstande dat tussentijdse wijziging mogelijk is
in geval van veranderingen in het scholenbestand. Burgemeester en
wethouders zenden binnen 4 weken nadat het besluit is genomen afschrift
daarvan aan gedeputeerde staten.
3. De toelating tot een openbare school geschiedt in overeenstemming met
de vastgestelde schoolwijken, tenzij de ouders van een leerling
schriftelijk aan het bevoegd gezag te kennen geven toelating tot een
school in een andere schoolwijk te wensen.
Artikel 66. Overlegorgaan b.o. – s.o.
Vertegenwoordigers van het basisonderwijs en het speciaal onderwijs
kunnen ten behoeve van de scholen en instellingen die zij
vertegenwoordigen een overlegorgaan oprichten met het doel de
samenwerking tussen die scholen en instellingen te bevorderen ten
aanzien van de toelating van leerlingen en de inrichting van het
onderwijs.
Artikel 67. Overlegorgaan b.o. – aansluitend v.o.
Met betrekking tot het basisonderwijs en het aansluitend voortgezet
onderwijs is artikel 66 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 68. Centrale dienst
1. Op het personeel van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die
a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan niet met een
of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op
de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling,
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, uitsluitend ten doel
stelt om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit
's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter
verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het
leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van
werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding,
c. niet het maken van winst beoogt,
d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde
gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder begrepen de
bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid,
of artikel 132, en
e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit
artikel werkzaam te willen zijn,
zijn van toepassing de in artikel 33 bedoelde voorschriften en regels.
Voor de toepassing van de eerste volzin, onder b, wordt onder het geven
van onderwijs niet begrepen het onderwijs dat wordt gegeven door
personeel dat is benoemd of aangesteld op bekostiging voor
zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132.
2. Onder bevoegd gezag en bevoegde gezagsorganen in het eerste lid
onderdeel a wordt mede verstaan burgemeester en wethouders.
3. Het bestuur van de rechtspersoon is aangesloten bij een commissie van
beroep als bedoeld in artikel 60. De leden en plaatsvervangende leden
van een commissie van beroep mogen niet behoren tot het bestuur of het
personeel van de rechtspersoon.
4. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen delen
Onze minister mede dat zij het bestuur vormen van een rechtspersoon in
de zin van dit artikel. Voorts verschaffen zij Onze minister en de door
hem aangewezen personen desgevraagd alle inlichtingen omtrent de
rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het eerste lid onder a
bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze minister mededelen dat zij
erin toestemmen dat de gevraagde inlichtingen rechtstreeks door het
bestuur van de rechtspersoon zelf aan Onze minister en de door hem
aangewezen personen worden verschaft.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag dat deel uitmaakt van
het bestuur van de rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de
in de voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.
6. De artikelen 37, 38, 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het personeel van de rechtspersoon met dien verstande dat
een geschillencommissie haar werkzaamheden uitstrekt over ten minste
vijf rechtspersonen als bedoeld in dit artikel.
7. De artikelen 164, 171, 172, 175, 177 en 182 zijn van overeenkomstige
toepassing voor de centrale diensten die op grond van artikel 132
personeelsbekostiging voor zorgvoorzieningen ontvangen.
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 69. Grondslag bekostiging
1. De openbare en de bijzondere scholen worden door het Rijk bekostigd
volgens de bepalingen van deze titel met uitzondering van afdeling 3.
Geen bekostiging vindt plaats indien groepen van leerlingen van
verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag
gezamenlijk onderwijs ontvangen. De bedragen die de gemeente krachtens
deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt blijven ten
laste van de gemeente.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften
gegeven ter uitvoering van het eerste lid. Deze algemene maatregel van
bestuur bevat in elk geval een regeling omtrent de termijnen binnen
welke besluiten moeten worden genomen.
3. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, bevat
tevens:
a. een regeling omtrent de betaling van de bedragen van de bekostiging
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
voortvloeiende uit het gebruik door een school van voorzieningen die
voor meer dan een school of voor andere doeleinden zijn bestemd;
b. een financiële regeling tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen
die personeel in dienst hebben dat niet door het Rijk wordt bekostigd
ter zake van een korting op de bekostiging ter compensatie van de kosten
van de voor dat personeel geldende rechtspositionele voorzieningen, voor
zover deze ten laste van 's Rijks kas komen.
4. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, wordt
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo
spoedig mogelijk ingediend.
5. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de bekostiging van scholen.
Artikel 70. Aanvullende middelen
Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende
middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van
het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve
daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering
van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan
het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het
verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van
de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 70a. Leerlinggebonden budget
1. Indien op verzoek van de ouders van een leerling voor wie op basis
van een beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling als
bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, die leerling wordt ingeschreven
bij een school, dan wel indien een dergelijk budget beschikbaar komt
voor een leerling die al staat ingeschreven bij een school, meldt het
bevoegd gezag van die school die inschrijving, respectievelijk het
beschikbaar komen van een leerlinggebonden budget voor de desbetreffende
leerling, aan Onze minister.
2. Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een school als
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, dan wel
indien een leerlinggebonden budget beschikbaar komt voor een leerling
die al staat ingeschreven bij een school, wordt met ingang van de eerste
dag van de maand volgend op de inschrijving, respectievelijk het
beschikbaar komen van het leerlinggebonden budget, aan het bevoegd gezag
van die school ten behoeve van die leerling een leerlinggebonden budget
toegekend, dat wordt berekend op een bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur vastgestelde wijze. De omvang van het leerlinggebonden
budget is afhankelijk van de onderwijssoort waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard, waarbinnen onderscheid kan worden gemaakt op
grond van leerlingkenmerken. Indien een leerling voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt, dan wel blijft,
ingeschreven bij een speciale school voor basisonderwijs, meldt het
bevoegd gezag de reden voor inschrijving, respectievelijk het
ingeschreven blijven, bij die speciale school voor basisonderwijs aan
Onze minister.
3. Indien ten behoeve van een leerling voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is in het lopende schooljaar dat budget aan het
bevoegd gezag van een school is toegekend, wordt bij inschrijving van
die leerling bij een andere school, het in het tweede lid bedoelde
leerlinggebonden budget aan het bevoegd gezag van laatstbedoelde school
toegekend met ingang van het nieuwe schooljaar.
4. Het bevoegd gezag van de school is verplicht een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden budget te
besteden bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
waarbinnen onderwijs wordt gegeven van de soort waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard of van de soort die behoort tot hetzelfde
cluster als de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is
verklaard. Het in de eerste volzin bedoelde deel kan voor de
onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de
expertisecentra, verschillend worden vastgesteld. De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leerling die
toelaatbaar is verklaard tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde
lid onder d, van de Wet op de expertisecentra.
5. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd gezag
tevens aan bij welke school bedoeld in de Wet op de expertisecentra het
in het vierde lid bedoelde deel van het leerlinggebonden budget wordt
besteed. Op grond van deze melding kent Onze minister dat deel van het
leerlinggebonden budget toe aan laatstbedoelde school.
6. In afwijking van de tweede volzin van het tweede lid, kan bij
algemene maatregel van bestuur worden bepaald in welke gevallen en in
welke mate de omvang van het leerlinggebonden budget bij inschrijving,
dan wel het ingeschreven blijven, van een leerling bij een speciale
school voor basisonderwijs lager wordt vastgesteld dan bij inschrijving
van die leerling bij een basisschool.
7. Een krachtens het tweede, vierde en zesde lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na
de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld,
tenzij binnen die termijn door of namens de kamer de wens te kennen
wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur
bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend
voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3 volzinnen
zijn niet van toepassing, voor zover het ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur voordien aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
is voorgelegd en door of namens de kamer te kennen is gegeven dat van de
procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 70b. Indicatiestelling op verzoek van bevoegd gezag
1. De commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c van de
Wet op de expertisecentra, beoordeelt, indien de ouders van een leerling
niet overgaan tot een verzoek als bedoeld in artikel 28c, eerste lid,
van de Wet op de expertisecentra, op verzoek van het bevoegd gezag van
de school van een leerling, die zijn woonplaats heeft in het gebied van
het regionaal expertisecentrum dat de desbetreffende commissie voor de
indicatiestelling in stand houdt, of een leerling op basis van de in het
achtste lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra bedoelde
criteria:
a. in aanmerking komt voor een leerlinggebonden budget indien de
leerling wordt dan wel is ingeschreven bij een school alsmede
b. toelaatbaar is tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid,
onder d, van de Wet op de expertisecentra, waarvoor de commissie voor de
indicatiestelling werkzaam is.
2. Het tweede, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, tiende en elfde
lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Het bevoegd gezag informeert de ouders van de desbetreffende leerling
schriftelijk over zijn voornemen om tot een verzoek als bedoeld in het
eerste lid over te gaan en stelt hen daarbij in de gelegenheid binnen
ten minste vier weken na dagtekening van de informatieve mededeling aan
te geven of zij zelf tot een verzoek overgaan. Bij het
aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, geeft het
bevoegd gezag de reactie van de ouders weer.
Artikel 71. Beroep
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen:
a. een besluit of een van rechtswege verleende goedkeuring als bedoeld
in de afdelingen 2 en 9 van deze titel,
b. een besluit als bedoeld in artikel 123, tweede lid, en
c. een besluit als bedoeld in artikel 135.
Artikel 72. Instandhouding openbare scholen door een stichting of een
openbare rechtspersoon
1. Voor de toepassing van deze titel zijn de voorschriften die
betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing
op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als
bedoeld in artikel 48 of een openbare rechtspersoon als bedoeld in
artikel 47, tenzij het tegendeel blijkt.
2. Indien een openbare school in stand wordt gehouden door een stichting
of een openbare rechtspersoon, wordt deze aangemerkt als een door de
gemeente in stand gehouden openbare school voor de toepassing van
afdeling 2 en afdeling 9.
Artikel 72a. Afwijking van de reguliere bekostiging
1. Onze minister kan op aanvraag van een bevoegd gezag besluiten dat,
met het oog op de ontwikkeling door scholen van instrumenten voor
planning en beheer, de artikelen 123, tweede en derde lid, 129, 148 en
149 niet van toepassing zijn op de bekostiging van de scholen van dat
bevoegd gezag. Voor een dergelijk besluit komen ten hoogste
vijfentwintig bevoegde gezagsorganen in aanmerking. Onze minister kan
een tijdstip vaststellen voor welke de aanvragen moeten worden
ingediend.
2. Onze minister bepaalt bij zijn besluit welke regelen en voorwaarden
voor de bekostiging zullen gelden in plaats van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen, genoemd in het eerste lid, alsmede de wijze van
bekostiging. Onze minister kan aan het besluit voorschriften verbinden
omtrent het afleggen van rekening en verantwoording van het financieel
beheer, alsmede, zo nodig in afwijking van het bepaalde krachtens
artikel 182, tweede volzin, omtrent de inrichting van de boekhouding.
3. Onze minister stelt, na overleg met de aanvrager, een ontwerp op van
het besluit en zendt dit ontwerp aan de aanvrager. Indien de aanvrager
zijn aanvraag niet binnen twee weken na verzending van het ontwerp van
het besluit door Onze minister heeft ingetrokken, besluit Onze minister
overeenkomstig het ontwerp.
4. Voor zover nodig neemt Onze minister, na overleg met de gemeente of
gemeenten die het aangaat, een besluit omtrent toepassing van de
overschrijdingsregeling, bedoeld in de artikelen 142 tot en met 147,
door de gemeente of gemeenten waar een of meer scholen waarop een
besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, gevestigd zijn.
Onze minister kan daarbij afwijken van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 142 tot en met 147.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van
ten hoogste vier jaren.
6. Indien voor het einde van de geldigheidsduur van het besluit een
voorstel van wet tot invoering van lumpsumbekostiging voor de personeels-
en exploitatiekosten van scholen als bedoeld in deze wet bij de
Staten-Generaal wordt ingediend, kan de minister het besluit, bedoeld in
het eerste lid, na overleg met het bevoegd gezag, zodanig aanpassen en
in afwijking van het vijfde lid verlengen, dat een goede overgang wordt
gewaarborgd naar het bekostigingssysteem dat geldt op het moment waarop
de periode eindigt waarop het besluit betrekking heeft.
Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging
§ 1. Basisscholen
Artikel 73. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.
Artikel 74. Plan van nieuwe scholen
1. De bekostiging van een openbare en een bijzondere school kan slechts
een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van
vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. De bekostiging van een
nevenvestiging neemt slechts een aanvang op grond van artikel 85. De
artikelen 74, tweede lid, tot en met 83 zijn niet van toepassing op
nevenvestigingen, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in
een bekostigde openbare school of omgekeerd, bij omzetting van een
bekostigde bijzondere school in een bekostigde bijzondere school van een
andere richting, bij uitbreiding van het onderwijs aan een school met
onderwijs van een of meer andere richtingen, en bij de totstandkoming
van een samenwerkingsschool. De bekostiging kan slechts aanvangen per 1
augustus van een schooljaar.
2. De gemeenteraad stelt het plan, bedoeld in het eerste lid, eerste
volzin, al dan niet in samenwerking met de raad van een of meer andere
gemeenten, elk jaar voor 1 augustus vast. Het plan bestrijkt 3
achtereenvolgende schooljaren volgende op het jaar van de vaststelling
en vermeldt in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste
schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de
reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen. Het
plan vermeldt verder van elke school de plaats van vestiging en de te
verwachten omvang. Het plan behoeft de goedkeuring van Onze minister,
bedoeld in artikel 79.
3. Bij de goedkeuring van Onze minister van het plan, treden voor de
toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht
burgemeester en wethouders in de plaats van het bevoegd gezag van de
bijzondere scholen.
Artikel 75. Plaatsing openbare school op plan
1. Een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat
de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, gaat
vergezeld van:
a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
b. de beschrijving van het voedingsgebied,
c. de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet
worden gegeven en
d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging.
2. De gemeenteraad neemt een openbare school in elk geval in het plan
op, indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het
onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig
is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van
openbaar onderwijs behoefte bestaat. De gemeenteraad neemt een openbare
school voorts in het plan op, indien op grond van de bij het voorstel
overgelegde gegevens aannemelijk is, dat zij voldoet aan de normen van
artikel 77, eerste lid.
3. De in het eerste lid bedoelde prognose:
a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen voor elk jaar
van het tijdvak waarop de prognose betrekking heeft,
b. is gebaseerd op statistische gegevens over een tijdvak van 5 jaar en
c. vermeldt de berekeningen die tot de uitkomsten hebben geleid.
De prognose bevat gegevens omtrent:
1°. het voedingsgebied,
2°. de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven,
3°. de bevolking in het voedingsgebied van 0 tot en met 14 jaar,
verdeeld in leeftijdsgroepen van 1 jaar,
4°. de te verwachten instroom naar en uitstroom uit die bevolking,
5°. het te verwachten aantal levendgeborenen en
6°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor nog geen
basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het
belangstellingspercentage voor het openbaar basisonderwijs in een
vergelijkbare gemeente, of
7°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor reeds een school
binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de
openbare school of scholen binnen de gemeente.
De prognose kan tevens gegevens bevatten naar aanleiding van de directe
meting.
4. Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor het
verstrekken van de prognose, bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt
aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.
Artikel 76. Verzoek om opneming in plan van bijzondere school
1. Een verzoek om opneming in het plan van een bijzondere school moet
voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan bij de
gemeenteraad worden ingediend.
2. Het verzoek vermeldt de richting van de school en naam en adres van
het bevoegd gezag en gaat vergezeld van de gegevens genoemd in artikel
75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid, met dien verstande dat in
afwijking van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid onder
c 6°en c 7° de prognose gegevens bevat omtrent:
a. indien het betreft een richting waarvoor nog geen basisonderwijs
binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het
basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente, of
b. indien het betreft een school van een richting waarvoor reeds een
school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage
voor de school of scholen van die richting binnen de gemeente.
Indien de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens onvoldoende zijn om
het verzoek te kunnen beoordelen, delen burgemeester en wethouders voor
1 maart volgend op de in het eerste lid genoemde datum aan het bevoegd
gezag mede dat de gegevens voor 1 april daaropvolgend dienen te worden
aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 1 april zijn
verstrekt, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten.
Artikel 77. Opneming bijzondere school in plan
1. De gemeenteraad neemt een bijzondere school in elk geval in het plan
op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens
aannemelijk is dat zij binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de
bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal
worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met
de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.
2. Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een
stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente
geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 154. De uitkomst
wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het
eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden
verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter
de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt
minimaal 200.
3. De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, zijn in afwijking van
het tweede lid, eerste volzin, voor de eerste maal opgenomen in de bij
deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van
kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor
een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de
opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling
aangepast. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt
voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de
stichtingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant.
4. In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een
grenscorrectie als bedoeld in artikel 283 van de Gemeentewet, stelt Onze
minister op de wijze als aangegeven in het tweede lid de nieuwe
stichtingsnormen voor de betrokken gemeenten vast, voor zover deze
afwijken van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde
stichtingsnormen. De nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de
op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden
in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling,
bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet algemene regels
herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling
blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de
gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de
stichtingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de
datum van herindeling.
5. In het geval van een wijziging van de naam van een gemeente of een
wijziging van het gemeentenummer past Onze minister de ministeriële
regeling, bedoeld in het tweede lid, of de bijlage, bedoeld in het derde
lid, dienovereenkomstig aan.
Artikel 78. Berekening aantal leerlingen
Bij de berekening van het aantal leerlingen dat een openbare of een
bijzondere school zal bezoeken, worden niet meegeteld leerlingen die
wonen binnen redelijke afstand van een openbare school,
onderscheidenlijk van een bijzondere school van de desbetreffende
richting of richtingen en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig
is.
Artikel 79. Goedkeuring plan door minister
1. Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet
zijn ingewilligd en de motivering daarvan. In het plan wordt aangegeven
op welke wijze artikel 78 ten aanzien van de op het plan geplaatste
scholen is toegepast. Deze stukken worden door de gemeenteraad binnen 2
weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met
vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze
minister is gezonden. Het plan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd
in het gemeentehuis.
2. Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan
Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken
en de stukken genoemd in het eerste lid. Indien de bij het verzoek
gevoegde gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen,
deelt Onze minister voor 15 september volgend op de in de eerste volzin
bedoelde datum aan burgemeester en wethouders mede dat de gegevens voor
15 oktober daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de
aanvullende gegevens niet voor 15 oktober zijn verstrekt, wordt het
verzoek buiten behandeling gelaten.
3. Onze minister besluit voor 1 januari voorafgaande aan de planperiode.
Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan de gemeenteraad
gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 januari heeft besloten, wordt
het plan geacht te zijn goedgekeurd.
4. Onze minister onthoudt zijn goedkeuring voor zover:
a. de in artikel 75, tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich
voordoet en geen openbare school in het plan werd opgenomen;
b.
1°. op grond van de bij het verzoek om goedkeuring overgelegde gegevens
niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78
zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal
leerlingen, dan wel
2°. indien het in een zodanig geval betreft een openbare school de
stichting daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, tweede
lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet voordoet;
c.
1°. wegens een in het plan opgenomen andere school of een in een plan
van een andere gemeente opgenomen school, die voor bekostiging in
aanmerking zal worden gebracht, niet aannemelijk is dat een school
overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden bezocht door het
ingevolge artikel 77 vereiste aantal leerlingen, dan wel
2°. indien het in een zodanig geval betreft een openbare school de
stichting daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, tweede
lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet meer zal voordoen;
d. niet is voldaan aan het bij en krachtens deze wet bepaalde met
betrekking tot de prognoses;
e. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses, of
f. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet
is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt bij de aanvang
van het eerste schooljaar van de planperiode.
5. Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder
a, draagt Onze minister de gemeenteraad op alsnog een openbare school in
het plan op te nemen. Indien goedkeuring wordt onthouden op grond van
het vierde lid onder f draagt Onze minister de gemeenteraad op in het
plan alsnog te vermelden dat de betrokken school bij de aanvang van het
eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking
komt.
6. Indien ten gevolge van een besluit van Onze minister op grond van het
vierde lid een school uit het plan moet vervallen, maakt Onze minister
dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indiener van het verzoek om
opneming in het plan van de betrokken school.
7. Indien tegen een besluit van Onze minister als bedoeld in het zesde
lid beroep is ingesteld en de uitspraak dan wel het naar aanleiding
daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor
bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad
de school op in het na de uitspraak onderscheidenlijk het besluit vast
te stellen plan.
8. Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang
kan nemen, maakt Onze minister dit bekend aan het bevoegd gezag.
Artikel 80. Administratief beroep bij weigering opneming school in plan
1. Indien de gemeenteraad een verzoek tot opneming in het plan van een
bijzondere of een openbare school niet heeft ingewilligd, kunnen de
verzoekers administratief beroep instellen bij Onze minister.
2. Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een
uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar
aanleiding daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor
bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad
de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het
besluit vast te stellen plan.
Artikel 81. Bekostiging van op het plan voorkomende scholen
1. Scholen die gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren in het plan
zijn opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht,
brengt de gemeenteraad voor het daaropvolgende schooljaar voor
bekostiging in aanmerking.
2. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, zevende lid, in
het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het
eerste lid, aan met ingang van het eerste schooljaar van het plan waarin
de school was opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge
artikel 80, tweede lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt
de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste
schooljaar van het plan waarvoor het verzoek werd ingediend.
Artikel 82. Scholen uit voorgaand plan
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de
scholen uit het voorgaande plan opgenomen die:
a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, of
b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het
onderwijs nog niet is aangevangen.
2. Uit het voorgaande plan wordt een school niet opgenomen:
a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten
vervallen;
b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen
bij aanvang van het tweede schooljaar volgend op het schooljaar waarvoor
de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij
opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde
gegevens gerechtvaardigd is, of
c. indien zich naar het oordeel van de gemeenteraad omstandigheden
hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend
waren, en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit
zouden hebben geleid.
3. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing indien een school
ingevolge het tweede lid onder c niet in een volgend plan wordt
opgenomen.
Artikel 83. Achterwege blijven vaststelling plan
1. De vaststelling van een plan blijft achterwege indien:
a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der
ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,
b. stichting van een openbare school niet noodzakelijk is, omdat de in
artikel 75, tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet
voordoet en
c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in
aanmerking komen.
2. Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft uitsluitend de
goedkeuring van Onze minister, indien in het voorafgaande jaar een
zelfde besluit werd genomen en daarvoor geen goedkeuring is gevraagd.
Het goed te keuren besluit wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de
betrokken planperiode aan Onze minister gezonden. Artikel 79, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een onherroepelijk geworden besluit van Onze minister of een
naar aanleiding van het besluit van Onze minister in beroep als bedoeld
in artikel 71 gegeven beslissing strekt tot het voor bekostiging in
aanmerking brengen van een openbare school, neemt de gemeenteraad de
school op in het na het onherroepelijk geworden besluit
onderscheidenlijk de in dat beroep gegeven beslissing vast te stellen
plan.
4. Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het
eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken
planperiode, afschrift gezonden van het desbetreffende raadsbesluit.
Artikel 84. Omzetting; uitbreiding richting; totstandkoming
samenwerkingsschool; verplaatsing
1. Onze minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor
bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet, als
bedoeld in artikel 74, eerste lid derde volzin, of waaraan het onderwijs
wordt uitgebreid met onderwijs van een of meer andere richtingen dan wel
een school die tot stand komt als samenwerkingsschool.
2. Onze minister kan toestaan dat een bekostigde school een andere
plaats van vestiging krijgt. Onze minister kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden.
3. Een verzoek om een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid,
is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in
artikel 75, eerste lid. Onze minister willigt het verzoek slechts in,
ingeval:
a. de school, indien deze in een plan van scholen zou zijn opgenomen,
bij toepassing van de artikelen 77 tot en met 79 door hem zou worden
goedgekeurd,
b. indien op de onder a genoemde grond geen goedkeuring zou kunnen
worden verleend en het een omzetting in een openbare school, de
totstandkoming van een samenwerkingsschool, of een verplaatsing van een
school waaraan openbaar onderwijs wordt gegeven betreft, binnen 10
kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden
gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar
onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs
behoefte bestaat,
c. de bekostiging van de school, indien daaraan het onderwijs wordt
uitgebreid met onderwijs van een of meer andere richtingen, van
uitsluitend een of meer op te heffen scholen, met inachtneming van de
artikelen 154 tot en met 156 gedurende ten minste 20 achtereenvolgende
jaren zou kunnen worden voortgezet, of
d. een samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 17d tot stand
zou kunnen komen.
Artikel 85. Bekostiging nevenvestiging
1. De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een
aanvang met ingang van 1 augustus indien:
a. de nevenvestiging overeenkomstig artikel 158 voldoet aan een der
normen voor bekostiging, genoemd in dat artikel en, voor zover het een
nevenvestiging betreft die voor bekostiging in aanmerking komt op grond
van het eerste lid, onder e, van dat artikel, op die grond aan alle
scholen van het bevoegd gezag of, bij toepassing van artikel 157, derde
lid, de samenwerkende bevoegde gezagsorganen, niet meer nevenvestigingen
worden verbonden dan het verschil tussen het totale aantal leerlingen
van die scholen gedeeld door 260 en het totale aantal leerlingen van die
scholen gedeeld door 290, waarbij de quotiënten naar beneden worden
afgerond op een geheel getal,
b. de nevenvestiging niet wordt verbonden aan een school die met
toepassing van artikel 157 in stand wordt gehouden,
c.
1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
ingang van de bekostiging als nevenvestiging, als zelfstandige school
van de desbetreffende richting dan wel indien het betreft een
nevenvestiging van een openbare school als zelfstandige openbare school
werd bekostigd, of
2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als
nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°,
d. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in
stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op
wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij
notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is
geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en
e. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan
de datum, bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze minister,
en indien het betreft een situatie als bedoeld onder d, onder
overlegging van gegevens waaruit blijkt dat aan het vereiste onder d is
voldaan.
2. Bij de akte, bedoeld in het eerste lid onder d, worden tevens
overgedragen de rechten die het bevoegd gezag van een school toekomen,
ten aanzien van het gebouw en terrein, alsmede ten aanzien van de
roerende zaken. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie
wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder
dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de
school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid, treedt
de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten
en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn
hoedanigheid van bevoegd gezag betroffen.
4. Onze minister maakt voor 1 mei volgend op de mededeling, bedoeld in
het eerste lid onder e, aan het bevoegd gezag van de beoogde
nevenvestiging bekend of de nevenvestiging zal worden bekostigd.
§ 2. Speciale scholen voor basisonderwijs
Artikel 86. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: speciale school voor
basisonderwijs.
Artikel 87. Besluit minister tot bekostiging
1. Onze minister kan een school op aanvraag van het bevoegd gezag van de
school voor bekostiging in aanmerking brengen. Onze minister willigt de
aanvraag slechts in, indien
a. de bevoegde gezagsorganen van alle basisscholen in het
samenwerkingsverband met het verzoek instemmen,
b. het samenwerkingsverband meer dan de helft van de basisscholen omvat
in een nieuwe woningbouwlocatie van ten minste 15 000 woningen of in aan
elkaar grenzende woningbouwlocaties waar binnen 10 jaar in totaal ten
minste 15 000 woningen worden gebouwd,
c. het samenwerkingsverband nog niet over een speciale school voor
basisonderwijs beschikt, en
d. als gevolg van de oprichting van het samenwerkingsverband niet een
reeds bestaand samenwerkingsverband onder de norm van artikel 18, tweede
lid, terecht zou komen.
2. De bekostiging kan slechts aanvangen met ingang van 1 augustus van
een schooljaar.
Artikel 88. Omzetting; wijziging van richting; uitbreiding richting;
totstandkoming samenwerkingsschool; verplaatsing
1. Onze minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor
bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet van een
openbare in een bijzondere school of omgekeerd, waaraan de richting van
het onderwijs verandert, waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met
onderwijs van een of meer andere richtingen, of die tot stand komt als
samenwerkingsschool.
2. Onze minister kan ermee instemmen dat een bekostigde school een
andere plaats van vestiging krijgt. Onze minister kan aan zijn
instemming voorwaarden verbinden.
3. Een aanvraag van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid
is met redenen omkleed en gaat vergezeld van
a. een opgave van het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden
waaraan de school deelneemt en zal gaan deelnemen,
b. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en,
c.
1°. indien het betreft een aanvraag van een besluit als bedoeld in het
eerste lid, het openbaar onderwijs of de richting of richtingen van het
bijzonder onderwijs dat de school voor en na de omzetting, wijziging van
richting, totstandkoming van een samenwerkingsschool of uitbreiding met
een of meer andere richtingen omvat, of
2°. indien het betreft een aanvraag van een besluit als bedoeld in het
tweede lid, de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het
onderwijs moet worden gegeven.
4. Onze minister willigt de aanvraag van een besluit als bedoeld in het
tweede lid slechts in, ingeval binnen het betrokken samenwerkingsverband
of de betrokken samenwerkingsverbanden sprake blijft van een goede
bereikbaarheid van speciale scholen voor basisonderwijs.
5. De omzetting, wijziging van richting, totstandkoming van een
samenwerkingsschool of uitbreiding met ander bijzonder onderwijs kan
slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van een schooljaar.
6. Artikel 17d, tweede lid, is niet van toepassing bij de totstandkoming
van een samenwerkingsschool.
Artikel 89. Bekostiging nevenvestiging
1. De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een
aanvang met ingang van 1 augustus indien:
a.
1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
ingang van de bekostiging als nevenvestiging, bekostigd werd als een
zelfstandige school, of
2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als
nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°,
b. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in
stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op
wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij
notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is
geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en
c. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan
de datum, bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze minister,
en indien het betreft een situatie als bedoeld onder b, onder
overlegging van de gegevens waaruit blijkt dat aan het vereiste onder b
is voldaan.
2. Bij de akte, bedoeld in het eerste lid onder b, worden tevens
overgedragen de rechten die het bevoegd gezag van een school toekomen
ten aanzien van het gebouw en terrein, alsmede ten aanzien van de
roerende zaken. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie
wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder
dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de
school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid, treedt
de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten
en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn
hoedanigheid van bevoegd gezag betroffen.
4. Onze minister maakt voor 1 mei volgend op de mededeling, bedoeld in
het eerste lid onder c, aan het bevoegd gezag van de beoogde
nevenvestiging bekend of de nevenvestiging zal worden bekostigd.
§ 3. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2
Artikel 90. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
gegeven voor de uitvoering van deze afdeling.
2. Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
eerste lid wordt geplaatst in de Staatscourant. De algemene maatregel
van bestuur treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de plaatsing
zijn verstreken.
Artikel 90a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 90b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 90c [Vervallen per 01-08-1998]
Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting
Artikel 91. Voorziening in huisvesting door de gemeente
1. De gemeenteraad draagt onderscheidenlijk burgemeester en wethouders
dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en
ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg
voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de
gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Hij behandelt
onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de door de gemeente in stand
gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen
op gelijke voet.
2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een niet door de
gemeente in stand gehouden school mede begrepen een op het grondgebied
van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de
hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.
Artikel 92. Voorzieningen in de huisvesting
1. Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de
huisvesting begrepen:
a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde
voorzieningen, bestaande uit:
1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan,
verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan,
terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en
meubilair,
2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;
b. voorzieningen, bestaande uit:
1°. aanpassingen met uitzondering van het aanbrengen van een
invalidentoilet en het toegankelijk maken van het gebouw voor
gehandicapten, en
2°. vervanging binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en
sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor
de centrale verwarming, alsmede onderhoud aan de buitenzijde van het
gebouw met uitzondering van het buitenschilderwerk;
c. herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en
vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en
meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per
gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de
huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per
schoolsoort verschillend worden vastgesteld.
Artikel 93. Vaststelling door burgemeester en wethouders van
bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks ten behoeve van het
eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een
bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de
huisvesting voor:
a. scholen,
b. scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal
onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan
wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en
c. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend
beroepsonderwijs.
2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs
kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde
scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 94. Indiening aanvraag
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag
voor opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel
95, in bij burgemeester en wethouders.
2. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van voorzieningen als
bedoeld in artikel 92 bekostiging verstrekken ter zake van de kosten van
bouwvoorbereiding.
3. Burgemeester en wethouders stellen vast, voor welk tijdstip de
aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de
gemeente in stand gehouden scholen.
Artikel 95. Programma huisvestingsvoorzieningen
1. Burgemeester en wethouders stellen, na overleg met de bevoegde
gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in
de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied
van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een programma als
bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op
scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
2. Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in
artikel 92, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor
bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de
gemeente in stand gehouden scholen alsmede voorzieningen die nodig zijn
voor door de gemeente in stand gehouden scholen.
3. Burgemeester en wethouders nemen uitsluitend voorzieningen in de
huisvesting in het programma op, voor zover:
a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van
vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden
gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar
kunnen worden gerealiseerd, en
b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, van
toepassing is.
4. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 93, niet
toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die
uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde
wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 102,
eerste lid, onderdeel c.
5. De beschikking van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de
gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst
omvatten.
6. Burgemeester en wethouders kunnen aan de opneming in het programma
voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of
buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
7. Burgemeester en wethouders nemen bij de vaststelling van het
programma de criteria, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel c,
in acht.
8. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treden
burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de
wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt,
delen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat zij niet
kunnen instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van
uitvoering.
9. Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kunnen burgemeester en
wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de
vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot
de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek
wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit
eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen
waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken
uitgebracht aan burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend
gemaakt tezamen met het programma.
Artikel 95a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96. Overzicht
Burgemeester en wethouders stellen gelijktijdig met het programma,
bedoeld in artikel 95, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied
van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een overzicht vast
van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet
op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de
desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt
ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld
in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 96a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96b1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96c1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96c2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96d.1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96d.2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 97. Geen vaststelling van programma en overzicht
Burgemeester en wethouders stellen geen programma als bedoeld in artikel
95 en geen overzicht als bedoeld in artikel 96 vast, indien geen
voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend
voor scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en
c.
Artikel 98. Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het
programma, bedoeld in artikel 95, is opgenomen, maar die gelet op de
voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag
om bekostiging van die voorziening in bij burgemeester en wethouders.
2. De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel
een andere voorziening dan gewenst omvatten. Burgemeester en wethouders
wijzen de aanvraag af, indien:
a. het besluit over de voorziening kan worden genomen bij de
vaststelling van het eerstvolgende programma, of
b. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, eerste lid,
onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.
Artikel 99. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op
bekostiging
1. Burgemeester en wethouders beslissen bij beschikking met ingang van
welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het
programma, bedoeld in artikel 95, de bekostiging van een voorziening die
in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen,
onverminderd het bepaalde in artikel 101.
2. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet
binnen een in de verordening op basis van artikel 102 te bepalen termijn
na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de
voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 100. Weigeringsgronden
1. Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:
a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 92,
b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard
en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt,
voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen,
bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel b,
c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige
ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 102,
eerste lid, onderdelen c en d,
d. op andere wijze dan wordt gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan
huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke
afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel
medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking
gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 93, niet toereikend is
voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a, b en c, van dat artikel, of
f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot
en met d niet noodzakelijk is.
2. Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien
de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk
onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de
voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door
schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
Artikel 101. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
en omstandigheden
Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 95, zijn
opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip
dat daarvoor op grond van artikel 99, eerste lid, is vastgesteld,
a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en
b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte
van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 102. Gemeentelijke regeling
1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met
betrekking tot:
a. de voorzieningen die ingevolge artikel 92 voor bekostiging in
aanmerking kunnen worden gebracht,
b. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,
c. de urgentiecriteria,
d. de prognosecriteria,
e. de termijn bedoeld in artikel 99,
f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van
ruimten voor het onderwijs,
g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of
nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van
artikel 110, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te
maken staat van onderhoud, en
h. de gegevens bedoeld in artikel 112.
2. De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de
redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de
gemeente stelt.
3. De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de bedragen
worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting.
4. Burgemeester en wethouders betalen volgens door hen te stellen regels
de bedragen aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde normen.
5. De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel
een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming
gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de
niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te
wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure
vast.
6. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de
Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling
of wijziging van de gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid
van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan
indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen
beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover
advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht
aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met de
verordening of de wijziging daarvan.
Artikel 103. Bouwheerschap
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond
van de artikelen 95 en 98 kan worden overgegaan, tot stand te brengen
met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het
met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze
voorziening tot stand brengt.
2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door
de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden
gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij
burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.
3. Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid,
niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geven burgemeester
en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 104. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door de
gemeente in stand gehouden school
Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de
huisvesting, met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente
deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de
desbetreffende begrotingen de instemming van burgemeester en wethouders.
Artikel 105. Totstandbrenging voorziening voor een niet door de gemeente
in stand gehouden school
De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door
de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen
burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat
over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.
Artikel 105a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105a1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105a2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105i [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105j [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 105k [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 106. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de
roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te
gebruiken en te onderhouden.
2. Vervreemding door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in
stand gehouden school anders dan op grond van artikel 49 of artikel 56
van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt
genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van
een niet door de gemeente in stand gehouden school van zodanige gebouwen
en terreinen, is zonder toestemming van burgemeester en wethouders
nietig.
3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van
opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke
voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd
gezag van de betrokken school.
Artikel 107. Vorderingsrecht
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gedeelte van een gebouw
of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig
zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als
huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas
bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere
culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het
voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in
het gebouw gevestigde school. Tevens zijn burgemeester en wethouders
bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening of
expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte
daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel
niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd
als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas
bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere
culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.
2. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de
gemeente in stand gehouden school plegen burgemeester en wethouders
vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook
met het bevoegd gezag van die school of nevenvestiging waarvoor de
huisvesting is bestemd.
Artikel 107a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 107b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 107c [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 107d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 107e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 107f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 108. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1. Voor zover artikel 107 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag
een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van
uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele,
maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor
uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een
gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover
het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin
van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand
gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en
wethouders vereist.
2. De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:
a. indien burgemeester en wethouders gebruik maken van hun bevoegdheid
op grond van artikel 107 zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of
b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor
gebruik door de eigen school.
3. Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet
indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan
de in het gebouw gevestigde school.
4. Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is artikel
230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
5. Het zonder toestemming van burgemeester en wethouders verhuren van
een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school alsmede elk met dit artikel strijdig
beding opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot
schoolgebouwen, is nietig.
Artikel 108a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 108b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 109. Voorziening niet ten laste van de gemeente
Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens
de artikelen 108 of 110 door het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school komen niet ten laste van de gemeente.
Artikel 110. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de
gemeente in stand gehouden school
1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en
terrein, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag
blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of
terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor
de school te gebruiken.
2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het eerste lid desgevraagd besluiten dat het bevoegd
gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw
of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan,
voor de school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt gedaan
door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school.
Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten de
wederpartij.
3. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan,
blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld
mededeling aan burgemeester en wethouders.
4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het
tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit
onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als
bedoeld in artikel E 33 van de Overgangswet WBO, ingeschreven in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de
eigendom.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw,
kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het
gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer
voor het onderwijs nodig zal zijn.
6. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het vijfde lid desgevraagd besluiten dat een gedeelte van
het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet
meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt
gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de
school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten
de wederpartij.
7. Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het zesde lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het
zesde lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met
toestemming van burgemeester en wethouders verhuren.
8. De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een
tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan
dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3
jaren.
9. Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
Artikel 110a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110h [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110i [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110j [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110k [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110l [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 110m [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 111. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door
de gemeente in stand gehouden school
In afwijking van deze afdeling kan de gemeenteraad besluiten dat
jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt
gehouden. De gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het
bevoegd gezag.
Artikel 111a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 112. Informatieverstrekking aan burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag van een niet door de desbetreffende gemeente in stand
gehouden school is gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de
gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders voor een
adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk
achten.
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Artikel 113. Vaststelling programma's van eisen
1. Bij ministeriële regeling worden eenmaal in de vijf jaar voor 1
oktober programma's van eisen vastgesteld die de grondslag vormen voor
de bekostiging van de voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De
programma's van eisen gelden voor de vijf jaar volgend op het jaar
waarin de vaststelling dient plaats te vinden. In de programma's van
eisen wordt een extra bekostiging opgenomen voor de gezamenlijke
speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband en voor
de basisscholen van een samenwerkingsverband dat een instemming als
bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft verkregen.
Elk programma van eisen omvat:
a. een omschrijving van de in aanmerking genomen componenten waaruit de
voorzieningen zijn opgebouwd,
b. de daarvoor noodzakelijk geachte bedragen en
c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen bekostiging
wordt berekend.
2. De programma's van eisen voldoen aan de redelijke behoeften van een
in normale omstandigheden verkerende school, onverminderd het vierde tot
en met negende lid, en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten
die op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
92, tweede lid, worden voorgeschreven.
3. Programma's van eisen worden, onverminderd artikel 118, vastgesteld
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van
de scholen, daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in
lichamelijke oefening.
4. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de
overeenkomstig het zesde lid, aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus
vastgestelde bedragen zijn de definitieve bedragen, geldend voor het
jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden.
5. Onze minister kan bij de vaststelling van de ministeriële regeling,
bedoeld in het vierde lid, wijzigingen in de programma's van eisen
aanbrengen indien de toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige
ontwikkelingen dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts
toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling, bedoeld in
het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt vastgesteld.
6. De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de
bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede
jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld,
aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële
consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar
verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde
jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te
passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële
consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar
verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand
aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar
waarvoor de bedragen worden vastgesteld.
7. De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid,
worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en
vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in de Staatscourant, onder
gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De
ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn
verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die
termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de
ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede
Kamer overleg is gevoerd.
8. Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen
wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan,
bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 113a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 114. Onderverdeling programma's van eisen
De programma's van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, worden
onderverdeeld in programma's van eisen omtrent:
a. onderhoud,
b. energie- en waterverbruik,
c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter
zake van onroerende zaken,
d. middelen, en
e. administratie, beheer en bestuur.
Artikel 114a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 114b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 115. Extra bekostiging materiële instandhouding
1. De bekostiging, bedoeld in artikel 113, eerste lid derde volzin, voor
de materiële instandhouding bestaat voor de gezamenlijke speciale
scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband uit een bedrag
vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van het
samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar
waarover de bekostiging plaatsvindt. Het Rijk verdeelt deze bekostiging
over de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband
naar rato van het aantal leerlingen van elke speciale school voor
basisonderwijs op die datum.
2. Het aantal leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs die
deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband wordt bij het bepalen
van het in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde aantal leerlingen van
elk samenwerkingsverband en het in het eerste lid, tweede volzin,
bedoelde aantal leerlingen van de speciale school voor basisonderwijs
aan de desbetreffende verbanden toegerekend naar rato van het aantal
basisschoolleerlingen van elk verband op 1 oktober van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt.
3. De bekostiging, bedoeld in artikel 113, eerste lid derde volzin,
bestaat voor basisscholen in een samenwerkingsverband dat een instemming
als bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft verkregen uit een bedrag
vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van de desbetreffende
school.
Artikel 116. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding
1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs daartoe
aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden
vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de
materiële instandhouding.
2. Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 123 wordt
toegekend, kan Onze minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die
bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging
voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
3. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede
lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval
worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling
vastgesteld.
Artikel 116a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 116b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 116c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 117. Grondslag bekostiging voor materiële instandhouding
lichamelijke oefening
1. Burgemeester en wethouders stellen na overleg met de bevoegde
gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het
aantal klokuren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste
a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in
lichamelijke oefening, of
b. voor bekostiging voor de materiële instandhouding van een ruimte
voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
2. Het aantal klokuren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op
ten minste 1,5 voor basisscholen en ten minste 2,25 voor speciale
scholen voor basisonderwijs.
3. Burgemeester en wethouders stellen de hoogte vast van
a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, en
b. de bekostiging voor de vaste kosten van de materiële instandhouding
van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij
het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school.
4. Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, kan onderscheid worden
gemaakt naar gelang de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten
voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving
bekostiging wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.
Artikel 118. Bekostiging samenwerkingsverband materiële instandhouding
samenhangend met inrichting zorgstructuur
1. Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een
samenwerkingsverband, wordt aan het bestuur van de centrale dienst een
bekostiging toegekend voor materiële instandhouding die samenhangt met
de inrichting van de zorgstructuur.
2. Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in
stand houdt, wordt de bekostiging voor materiële instandhouding die
samenhangt met de inrichting van de zorgstructuur toegekend aan dat
bevoegd gezag.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging is afhankelijk
van het aantal leerlingen van de afzonderlijke basisscholen op 1 oktober
van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging
plaatsvindt.
4. De bekostiging, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt
jaarlijks vastgesteld bij ministeriële regeling. Deze ministeriële
regeling wordt tezamen met de ministeriële regelingen, bedoeld in
artikel 113, zevende lid, binnen 4 weken na de vaststelling
bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Artikel 113, zevende lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien op 1 oktober het aantal leerlingen van de gezamenlijke
speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer
bedraagt dan 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband,
draagt het bestuur van de centrale dienst voor elke leerling van een
speciale school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% het in artikel
115, eerste lid, bedoelde bedrag over aan de speciale scholen voor
basisonderwijs, met dien verstande dat artikel 115, eerste lid, tweede
volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
6. In het zorgplan wordt vastgelegd welk deel van de bekostiging voor
materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de
zorgstructuur voorzover na toepassing van het vijfde lid en artikel 118a
die bekostiging nog resteert, op welke basisschool in het
samenwerkingsverband wordt ingezet.
7. Bij de berekening op grond van het vijfde lid wordt 2% van het aantal
leerlingen van het samenwerkingsverband rekenkundig afgerond op een
geheel getal.
8. De overdracht op grond van het vijfde lid door het bestuur van de
centrale dienst heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de in
het vijfde lid bedoelde teldatum en vindt ten hoogste plaats voor het
aan het bestuur van de centrale dienst op grond van het eerste lid dan
wel het bevoegd gezag op grond van het tweede lid toegekende bekostiging
van de materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de
zorgstructuur.
Artikel 118a. Overdracht bekostiging materiële instandhouding
samenhangend met inrichting zorgstructuur bij overgang leerling naar
ander samenwerkingsverband
Indien artikel 125 van toepassing is, wordt door het bestuur van de
centrale dienst dan wel het bevoegd gezag van alle scholen in een
samenwerkingsverband tevens een bij het zorgplan bepaald gedeelte van de
bekostiging bedoeld in artikel 118 overgedragen aan de speciale school
voor basisonderwijs. De in de eerste volzin bedoelde overdracht vindt
plaats voor zover nog niet het maximum van de op grond van artikel 118,
eerste lid, aan het bestuur van de centrale dienst dan wel op grond van
artikel 118, tweede lid, aan het bevoegd gezag toegekende bekostiging
van de materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de
zorgstructuur op grond van artikel 118, vijfde lid, is overgedragen.
Artikel 119. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een
schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding
waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder a, b en
c, betrekking hebben.
2. Het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van
een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid,
toepassing heeft gevonden en dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan
met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het in het
eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of
gedeeltelijk verzorgt.
3. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd
gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het
eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd
gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële
instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
4. Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd
gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare
nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing
heeft gevonden, met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het
in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel
of gedeeltelijk verzorgt.
5. Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële
instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114,
onder d en e, betrekking hebben.
Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten
Artikel 119a. Inwerkingtreding algemene maatregel van bestuur op grond
van de artikelen 120, 124, 125en 132
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld inartikel 120, 124, 125 en
132, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3
volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene
maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of
namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de
vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 120. Grondslag bekostiging personeel basisscholen en speciale
scholen voor basisonderwijs
1. Voor de bekostiging van personeel wordt een bedrag per leerling
toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt
vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de
school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar
waarin een nieuwe basisschool respectievelijk nieuwe speciale school
voor basisonderwijs wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde
landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande
schooljaar van de leraren van basisscholen respectievelijk van de
leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval
verschillend worden vastgesteld voor leerlingen:
a. van een basisschool in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar;
b. van een basisschool in de leeftijd van 8 jaar en ouder; en
c. van speciale scholen voor basisonderwijs.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en
onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten
kan worden toegekend. In ieder geval wordt aanvullende bekostiging
toegekend voor kleine basisscholen, schoolleiding, de bestrijding van
onderwijsachterstanden, groei van het aantal leerlingen van basisscholen
gedurende het schooljaar en indien onderwijs wordt gegeven in een of
meer nevenvestigingen van een basisschool. De omvang van de aanvullende
vergoeding wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgesteld.
4. De gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs van een
samenwerkingsverband ontvangen tevens een bekostiging voor
zorgvoorzieningen. De in de eerste volzin bedoelde bekostiging is
gebaseerd op 2% van het aantal leerlingen van alle scholen in het
samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar,
rekenkundig afgerond op een geheel getal. Het aantal leerlingen, bedoeld
in de tweede volzin, wordt aan de afzonderlijke speciale scholen voor
basisonderwijs toegerekend naar rato van het aantal leerlingen van elk
van die scholen op die datum. De speciale school voor basisonderwijs
ontvangt voor elke van de aan die school toegerekende leerling een
bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt
vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van
die school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Artikel 115,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste
lid en het vierde lid vastgesteld. Het bedrag per leerling en het
vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging zijn de uitkomst van een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per
leerling vermenigvuldigd met een bedrag.
6. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, wordt
in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde
landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde
personeelslasten van leraren van basisscholen dan wel speciale scholen
voor basisonderwijs, en worden nadere regels vastgesteld met betrekking
tot de vaststelling van de in het eerste en het vierde lid bedoelde
gewogen gemiddelde leeftijd en geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een
bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin
rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten
van die categorie personeel.
7. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostiging voor
kleine basisscholen, schoolleiding, groei van het aantal leerlingen van
een basisschool gedurende het schooljaar en een of meer nevenvestigingen
van een basisschool, bedoeld in de tweede volzin van het derde lid, is
redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor
het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden
die verband houden met het onderwijs aan de school.
Artikel 121. Aantal leerlingen
1. Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, geldt het aantal
leerlingen van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2. Voor de toepassing vanartikel 120, eerste lid, voor het schooljaar
waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende
schooljaar geldt het aantal leerlingen van de school op 1 oktober
volgende op de opening.
3. Voor de toepassing vanartikel 120, eerste lid, geldt ingeval van
samenvoeging van scholen het aantal leerlingen van alle bij de
samenvoeging betrokken scholen, voor elke school vastgesteld volgens het
eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle
bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande
schooljaar.
Artikel 122 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 123. Bijzondere bekostiging personeelskosten
1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs daartoe
aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden
vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor
personeelskosten.
2. In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek
van het bevoegd gezag van een basisschool onder door hem op te leggen
verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten
hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere
omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar
waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze
minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede
lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden
kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis
en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien.
4. Onze minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid
bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval
worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling
vastgesteld.
Artikel 124. Overdracht van bekostiging personeelskosten aan speciale
scholen voor basisonderwijs
1. Indien op de overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder d,
vastgestelde peildatum het aantal leerlingen van de speciale scholen
voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het
aantal leerlingen van die scholen op 1 oktober daaraan voorafgaand,
draagt het bevoegd gezag van alle scholen in het verband dan wel, indien
verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het
bestuur van de centrale dienst voor het verschil per leerling een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale
scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag
dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
2. Indien op de overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder d,
vastgestelde peildatum het aantal leerlingen van de speciale scholen
voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2% van
het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober daaraan
voorafgaand, draagt het bevoegd gezag van alle scholen in het verband
dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het
verband, het bestuur van de centrale dienst voor elke leerling van een
speciale school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% per leerling een
bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale
scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag
dat afhankelijk is van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd
van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
3. Bij de vaststelling ingevolge het eerste en tweede lid van het aantal
leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een
samenwerkingsverband op de overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder
d, vastgestelde peildatum, worden leerlingen voor wie op grond van
artikel 125 al een overdracht plaatsvindt vanuit een ander
samenwerkingsverband buiten beschouwing gelaten. De uitkomst van de
berekening van 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband
op grond van het tweede lid wordt rekenkundig afgerond op een geheel
getal.
4. Het aantal leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs die
deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband wordt bij het bepalen
van het in het eerste en tweede lid bedoelde aantal leerlingen van de
speciale scholen in elk samenwerkingsverband en het in het tweede lid
bedoelde aantal leerlingen van elk samenwerkingsverband aan de
desbetreffende verbanden toegerekend naar rato van het aantal
basisschoolleerlingen van elk verband op 1 oktober van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. Van de
toepassing van de eerste volzin op de in het eerste en tweede lid
bedoelde overdrachten wordt afgeweken indien de bevoegde gezagsorganen
van alle scholen in de betrokken samenwerkingsverbanden daarmee
schriftelijk instemmen.
5. De overdracht op grond van het eerste en tweede lid heeft betrekking
op het schooljaar dat volgt op de in het eerste onderscheidenlijk tweede
lid bedoelde peildatum.
6. Het aandeel van de onderscheiden basisscholen in de
overdrachtsverplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op grond van artikel 20,
eerste lid onder e, in het reglement van het samenwerkingsverband is
opgenomen.
7. Indien de in artikel 132, eerste lid, bedoelde bekostiging niet
voldoende is om daaruit de verplichtingen, bedoeld in dit artikel na te
komen, dragen de bevoegde gezagsorganen van de gezamenlijke basisscholen
in het samenwerkingsverband de ontbrekende bekostiging over aan het
bestuur van de centrale dienst van het verband. Het aandeel van de
onderscheiden basisscholen in de overdrachtsverplichting, bedoeld in de
eerste volzin, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op
grond van artikel 20, eerste lid onder e, in het reglement van het
samenwerkingsverband is opgenomen.
8. Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste en het tweede lid, en
het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste en
het tweede lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling,
vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen
wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de
geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde
gemiddelde personeelslast van leraren van speciale scholen voor
basisonderwijs.
9. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het
samenwerkingsverband besluiten dat in plaats van met de landelijk
gewogen leeftijd, wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde
leeftijd van de leraren van de desbetreffende speciale school voor
basisonderwijs.
Artikel 125. Overdracht van bekostiging personeelskosten bij overgang
leerling naar ander samenwerkingsverband
1. Het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband dan
wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het
verband, het bestuur van de centrale dienst draagt per leerling een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale
school voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag
dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs indien
a. de speciale school voor basisonderwijs een leerling toelaat van een
basisschool in het desbetreffende samenwerkingsverband,
b. de speciale school geen deel uitmaakt van het desbetreffende
samenwerkingsverband, en
c. de permanente commissie leerlingenzorg van het desbetreffende
samenwerkingsverband heeft bepaald dat de leerling op het onderwijs van
een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen.
2. Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, en het
vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste lid,
zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een
bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval
rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van
leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. In de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, kan voor de
verschillende schooljaren en afhankelijk van het moment van de toelating
tot de speciale school voor basisonderwijs een verschillende hoeveelheid
formatie worden vastgesteld.
3. De in het eerste lid bedoelde overdracht vindt voor het eerst plaats
voor het schooljaar volgend op het schooljaar van de toelating tot de
speciale school voor basisonderwijs.
4. De in het eerste lid bedoelde overdracht vindt niet plaats als de
toelating plaatsvindt binnen 6 maanden voor of na een verhuizing van de
ouders van een woning buiten het gebied van het samenwerkingsverband van
de speciale school voor basisonderwijs naar een woning binnen dat
gebied.
5. De overdracht, bedoeld in het eerste lid, eindigt met ingang van het
schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin de leerling de speciale
school voor basisonderwijs verlaat.
6. Artikel 124, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing
op de overdrachtsverplichting, bedoeld in het eerste lid, met dien
verstande dat ook speciale scholen voor basisonderwijs een aandeel
kunnen hebben in de overdrachtsverplichting.
Artikel 126. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van personeel
wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur
of bij ministeriële regeling, uitkeringen aan gewezen personeel en
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
1. Aan de school wordt in verband met de kosten van vervanging van
personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel
van bestuur of bij ministeriële regeling en de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
2. De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen
en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de
artikelen 120, 123, 124, 125 en132.
Artikel 127 [Vervallen per 23-01-2004]
Artikel 128 [Vervallen per 23-01-2004]
Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid
Artikel 129. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid
1. Bij ministeriële regeling wordt de grondslag vastgesteld voor de
omvang van de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Deze
grondslag kan verschillend worden vastgesteld voor basisscholen en
speciale scholen voor basisonderwijs en voor groepen van basisscholen.
De omvang van de bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede
afhankelijk van het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in artikel
121, en de samenstelling van het leerlingenbestand. Bij het vaststellen
van de bekostiging wordt in ieder geval rekening gehouden met de
ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren
van basisscholen dan wel speciale scholen voor basisonderwijs.
2. Met inachtneming van het eerste lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan
het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen bekostiging ten
behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid.
Artikel 130 [Vervallen per 23-01-2004]
Artikel 131 [Vervallen per 23-01-2004]
Afdeling 7. Gezamenlijke personeelsbekostiging voor zorgvoorzieningen
basisscholen
Artikel 132. Grondslag personeelsbekostiging zorgvoorzieningen
basisscholen
1. Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een
samenwerkingsverband wordt personeelsbekostiging toegekend voor
zorgvoorzieningen aan het bestuur van de centrale dienst van dat
verband.
2. Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in
stand houdt, wordt de in het eerste lid bedoelde bekostiging toegekend
aan dat bevoegd gezag.
3. De grondslag voor de berekening van de personeelsbekostiging voor
zorgvoorzieningen is een bij ministeriële regeling vast te stellen
bedrag per leerling van de afzonderlijke basisscholen in het
samenwerkingsverband, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat
wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
4. In een samenwerkingsverband dat de instemming, bedoeld in artikel 18,
zevende lid, heeft verkregen, wordt de in het eerste en het tweede lid
bedoelde bekostiging verhoogd. De verhoging wordt vastgesteld door 2%
van het aantal leerlingen van elke basisschool in een
samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, te
vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen
bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt
vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd
van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
5. De bedragen per leerling, bedoeld in het derde en vierde lid, en de
vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in het derde en
vierde lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met
een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval
rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van de
leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
Afdeling 8. Wijze van bekostiging
§ 1. Huisvesting
Artikel 133. Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken
De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der
in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van
onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met
betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen.
§ 2. Materiële instandhouding
Artikel 134. Bekostiging door Rijk aan bevoegd gezag en gemeente
1. Behoudens het tweede lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd
gezag bekostiging ten behoeve van de materiële instandhouding waarop de
programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben,
waarbij voor het bevoegd gezag geldt dat indien toepassing is gegeven
aan artikel 119, tweede lid, dan wel indien geen overeenkomst als
bedoeld in artikel 119, derde of vierde lid tot stand is gekomen, dit
bevoegd gezag de bekostiging aan de gemeente dan wel aan het
desbetreffende bevoegd gezag overdraagt voor zover deze de materiële
instandhouding verzorgt.
2. Het Rijk verstrekt jaarlijks aan de provincie Fryslân bekostiging
ten behoeve van de materiële instandhouding, voor zover het betreft het
onderwijs in de Friese taal, bedoeld in artikel 9, vierde lid. De
provincie Fryslân draagt zorg voor verdeling van de bekostiging over de
betrokken scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt
van dat onderwijs.
3. Grondslag voor de bekostiging van de in het eerste en tweede lid
bedoelde kosten zijn de voor het desbetreffende jaar vastgestelde
bedragen.
4. Grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen zijn:
a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de
maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waarbij
rekening wordt gehouden met de samenstelling van het leerlingenbestand
in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene
maatregel van bestuur, en
b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het
jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, verhoogd met 3% daarvan,
waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal.
5. Voor nieuwe basisscholen zijn gedurende de periode van 1 augustus tot
1 januari volgend op de opening, grondslag voor de bekostiging ten
behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113:
a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de
maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, waarbij
rekening wordt gehouden met de samenstelling van het leerlingenbestand
in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene
maatregel van bestuur, en
b. het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, verhoogd met 3%
daarvan, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel
getal.
6. Indien op 1 maart van het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt,
het aantal leerlingen met ten minste een bij de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 69, vastgesteld aantal is toegenomen ten
opzichte van het aantal leerlingen, zoals dat luidt na de verhoging
overeenkomstig het vierde lid onder b, en toepassing van de in dit lid
bedoelde grondslag niet tot een lagere bekostiging zou leiden, zijn
grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen:
a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de
maatstaf van het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de
bekostiging plaatsvindt, waarbij rekening wordt gehouden met de
samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze
als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur, en
b. het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de bekostiging
plaatsvindt.
7. Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 januari en 1 oktober
daaropvolgend, wordt de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de
samenvoeging plaatsvond.
8. Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 oktober en 1 januari
daaropvolgend, wordt de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de
samenvoeging plaatsvond, en wordt de bekostiging van de uitgaven voor
die voorzieningen voor het jaar volgend op de samenvoeging, gebaseerd op
de bekostiging van de uitgaven voor die voorzieningen van alle bij de
samenvoeging betrokken scholen, zoals die golden op 1 oktober van het
jaar van samenvoeging.
Artikel 135. Verhoging bekostiging bij bijzondere omstandigheden
1. Jaarlijks voor 1 maart kan Onze minister verhoging van de bekostiging
worden gevraagd, indien op grond van bijzondere omstandigheden van de
school in dat jaar het totale bedrag niet voldoende is voor de
noodzakelijke uitgaven van de school.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gedaan
door het bevoegd gezag voor zover het betreft de materiële
instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114,
betrekking hebben. In afwijking van de vorige volzin kan ingeval artikel
119, tweede, derde of vierde lid, is toegepast, het bevoegd gezag dat
dan wel de gemeente die de materiële instandhouding geheel of
gedeeltelijk verzorgt, het verzoek indienen.
3. Onze minister wijst het verzoek in elk geval af indien:
a. in het jaar waarvoor de programma's van eisen zijn vastgesteld, het
totaal van de noodzakelijke uitgaven voor de materiële instandhouding
van de school, niet ten minste 5% meer zal bedragen dan het totaal van
de uit 's Rijks kas daarvoor te verstrekken inkomsten,
b. de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van een bij algemene
maatregel van bestuur aan te geven omstandigheid of afwijking van de
omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de
bijzondere omstandigheden zouden bestaan,
c. de bijzondere omstandigheid het gevolg is van een verschil tussen het
prijsniveau in enig jaar en de op grond van artikel 113 vastgestelde of
aangepaste bedragen, of
d. het bevoegd gezag dat of de gemeente die het verzoek heeft ingediend,
niet aantoont dat het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei
wijze had kunnen voorkomen.
4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens
die bij het verzoek zijn gevoegd.
5 . [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
6. Onze minister besluit binnen drie maanden. Indien technisch onderzoek
zulks noodzakelijk maakt, kan Onze minister deze termijn eenmaal met ten
hoogste zes maanden verdagen.
7. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde
verhoging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 136. Bekostiging door gemeente aan bevoegd gezag
1. De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte
voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de
gemeente
a. een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 117 en het
derde lid, en
b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een
overeenkomstig het tweede lid vast te stellen bekostigingsbedrag.
2. Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in
artikel 117, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat
geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke
oefening een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 117,
eerste lid onder b, en derde lid onder a, en het derde lid.
3. Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend
overeenkomstig artikel 134, vierde lid onder a, vijfde lid onder a, en
zesde lid onder a, en de ter uitvoering daarvan vastgestelde algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat groepen waarvoor van
rijkswege bekostiging wordt verstrekt voor de kosten van de materiële
instandhouding van een speellokaal niet in aanmerking worden genomen.
4. Het aantal groepen leerlingen voor speciale scholen voor
basisonderwijs wordt berekend door het aantal leerlingen op 1 oktober
van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging
plaatsvindt te delen door 15 en de uitkomst rekenkundig af te ronden op
een geheel getal.
§ 3. Personeel
Artikel 137. Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten
1. Met inachtneming van de artikelen 120, 121 en 132, tweede lid,
verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag een
bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeelskosten.
2. In geval van het verstrekken van een bijzondere bekostiging als
bedoeld inartikel 123 verstrekt het Rijk aan het desbetreffende bevoegd
gezag het bedrag van deze bekostiging.
3. Met inachtneming van artikel 132, eerste lid, verstrekt het Rijk
jaarlijks aan het bestuur van een centrale dienst een bedrag ten behoeve
van de personeelskosten van zorgvoorzieningen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
gegeven met betrekking tot het betalen van het in het eerste, tweede en
derde lid bedoelde bedrag.
5. Op het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bedrag worden op
een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze in mindering
gebracht de inkomsten die het bevoegd gezag dan wel het bestuur van de
centrale dienst direct of indirect geniet vanwege uitkeringen of
toelagen waarop door het personeel aanspraak kan worden gemaakt.
Artikel 138. Aftrekposten bekostiging
1. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 137, worden in mindering
gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop
aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan
van personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft
uitgeoefend aan een school van het bevoegd gezag, voor zover
laatstbedoeld personeel
a. gebruik maakt van een krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde
regeling voor onvrijwillige taakvermindering, of
b. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder a, in het genot
is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die
ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst
is geweest van het bevoegd gezag.
Voor de toepassing van de eerste volzin wordt, indien het betreft
openbaar onderwijs, onder «school van het bevoegd gezag» verstaan elke
binnen de desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van
de binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de
hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.
2. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 137, worden eveneens in
mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere
bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat langer dan 1
jaar anders dan wegens vervanging onafgebroken, met een onderbreking van
een week of minder, dan wel met een of meer onderbrekingen gedurende een
schoolvakantie, in een gelijksoortige functie in tijdelijke dienst
verbonden is geweest aan een school van het bevoegd gezag.
De termijn van 1 jaar kan ingeval van een of meer ziekteperioden van
langer dan 4 weken met deze ziekteperioden worden verlengd.
3. Op de bekostiging worden eveneens in mindering gebracht de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet
van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een
daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het
ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen
van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste
volzin.
4. Het eerste lid is eveneens van toepassing, indien de benoeming heeft
plaatsgevonden in aansluiting op een benoeming in tijdelijke dienst in
dezelfde functie.
5. Met gewezen personeel dat in het genot is van wachtgeld of van een
andere ontslaguitkering als bedoeld in het eerste lid onder b, wordt
gelijk gesteld personeel aan wie op grond van het leerlingenverloop op
of na 1 februari ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk
ontslag recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen
ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode tot
uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op een
andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder dat de
vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
6. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen
vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid plaatsvindt.
7. Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële
regeling bedoeld in het zesde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek
van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging,
bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit
binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien het besluit niet
binnen 4 maanden kan worden genomen, stelt Onze minister de verzoeker
daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen het
besluit wel tegemoet kan worden gezien. Uitsluitend op grond van door
het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze
minister bepalen dat het besluit, bedoeld in de eerste volzin,
betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan
de datum waarop het bevoegd gezag het in de eerste volzin bedoelde
verzoek heeft ingediend.
8. Onze minister kan projecten aanwijzen waarvoor het tweede lid niet
van toepassing is.
Artikel 139. Aftrekpost bekostiging i.v.m. eigen wachtgelder
1. Artikel 138 is van overeenkomstige toepassing indien de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, personeel benoemt met voorbijgaan
van gewezen personeel als bedoeld in artikel 138, eerste en vijfde lid,
van de rechtspersoon of van een bevoegd gezag waarvoor diensten worden
verricht, dan wel niet handelt overeenkomstig het bepaalde in
laatstgenoemde artikelleden. Van het gewezen personeel, bedoeld in de
eerste volzin, is uitgezonderd het personeel van het bevoegd gezag
waarvoor diensten worden verricht, waarvan de dienstbetrekking is
beëindigd op een tijdstip dat meer dan twee jaar ligt voor de aanvang
van de dienstverlening.
2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt het in mindering te
brengen bedrag in gelijke mate verdeeld over de scholen waarvoor
diensten worden verricht.
3. Artikel 138 is eveneens van overeenkomstige toepassing
a. indien een bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, personeel
benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel van de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 68, en
b. indien een bevoegd gezag waarvoor geen diensten meer worden verricht,
in het tijdvak van vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening
personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in
onderdeel a.
4. Artikel 138, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, personeel ontslaat zonder
voorafgaande instemming van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184,
met dien verstande dat het in mindering te brengen bedrag in gelijke
mate wordt verdeeld over de bevoegde gezagsorganen waarvan de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, uitgaat.
§ 4. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële
voorzieningen
Artikel 140. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare
scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
1. Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen
dan de gemeente openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor
basisonderwijs in stand houden of openbare basisscholen
onderscheidenlijk openbare speciale scholen voor basisonderwijs
ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die
scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad
bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 142 tot
en met 147 niet van toepassing.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen
openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van
basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs naar
dezelfde maatstaf.
3. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de
voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen,
niet door de gemeente in stand gehouden basisschool onderscheidenlijk
speciale school voor basisonderwijs kunnen worden aangevraagd en de
procedure voor het doen van een aanvraag.
4. De gemeenteraad kan besluiten dat burgemeester en wethouders de
regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met
nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen 1 week aan de bevoegde
gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden
basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs
gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt
deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de
bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft
besloten, wordt de aanvulling gelijk gesteld met een aanvulling die is
bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft
geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn
ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking
heeft.
5. Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging
daarvan. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht
kan tegen een aanvulling als bedoeld in het vierde lid geen beroep
worden ingesteld zolang de gemeenteraad deze nog niet heeft bekrachtigd.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging
aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de
hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het
eerste lid, aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om,
met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten
dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de
hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de
eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling
genoemde voorzieningen.
7. Burgemeester en wethouders maken jaarlijks in een van overheidswege
uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op
een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de op grond van de
regeling, bedoeld in het eerste lid, toegekende voorzieningen.
Artikel 140a. Gemeentelijk beleid bij verzelfstandiging van het openbaar
onderwijs in een gemeente
1. Indien de gemeenteraad ten aanzien van een of meer door de gemeente
in stand gehouden openbare scholen besluit dat deze met ingang van een
datum die is gelegen in de periode die aanvangt met een bij koninklijk
besluit te bepalen datum en eindigt met ingang van het negende
kalenderjaar daaropvolgend, in stand zullen worden gehouden door een of
meer andere rechtspersonen dan de gemeente, kan de regeling, bedoeld in
artikel 140, eerste lid, dan wel de regeling, bedoeld in artikel 141,
eerste lid, bij effectuering van dat besluit ten aanzien van die scholen
en in afwijking van artikel 140, tweede lid, dan wel een regeling op
grond van dit artikel bij effectuering van dat besluit ten aanzien van
die scholen, erin voorzien dat door de gemeente aan een of meer andere
rechtspersonen dan de gemeente die die scholen in stand houden, een
vergoeding voor administratie, beheer en bestuur wordt toegekend als
aangegeven in het tweede lid.
2. De vergoeding, die op grond van het eerste lid kan worden toegekend,
bedraagt gedurende het eerste en het tweede kalenderjaar volgend op het
tijdstip waarop de scholen, bedoeld in het eerste lid, niet langer door
de gemeente in stand worden gehouden, maximaal 4 maal het bedrag voor
administratie, beheer en bestuur, op grond van artikel 114, onderdeel e,
en gedurende het derde, vierde en vijfde kalenderjaar maximaal 3 maal
dat bedrag.
3. Indien de gemeenteraad besluit scholen niet langer in stand te houden
vanaf een andere datum dan 1 januari dan geldt als het eerste
kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid, het deel van het kalenderjaar
dat volgt op de datum waarop de gemeente die scholen niet langer in
stand houdt en bedraagt de vergoeding die voor dat eerste kalenderjaar
maximaal kan worden toegekend voor administratie, beheer en bestuur een
evenredig deel van de vergoeding die op grond van het tweede lid
maximaal kan worden toegekend.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt per school uitgegaan van
het leerlingenaantal, bedoeld in artikel 134, zoals dat gold voor de
berekening van het bedrag voor administratie, beheer en bestuur voor het
kalenderjaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop door de gemeente
de desbetreffende school niet langer in stand wordt gehouden en het
prijspeil in dat kalenderjaar. De korting wegens rente-ontvangsten uit
gevormde reserves van de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114,
onderdelen a en d, blijft daarbij buiten beschouwing.
5. De op grond van het eerste lid toe te kennen vergoeding kan in een
kalenderjaar niet hoger zijn dan de in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar op grond van dit artikel toegekende vergoeding. De eerste
volzin is niet van toepassing ten aanzien van de vergoeding voor het
tweede kalenderjaar indien de vergoeding voor het eerste kalenderjaar is
bepaald op grond van het derde lid. Bij de toepassing van de eerste
volzin blijft het teruggestorte bedrag, bedoeld in het zevende lid,
buiten beschouwing.
6. Het bevoegd gezag dat een school als bedoeld in het eerste lid in
stand houdt die voor die tijd door de gemeente in stand werd gehouden,
legt aan die gemeente en aan de andere rechtspersonen die een of meer
niet door de gemeente in stand gehouden scholen in die gemeente in stand
houden, jaarlijks een verklaring van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over met
betrekking tot de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en
bestuur.
7. Voor zover voor een school als bedoeld in het eerste lid, de
vergoeding, bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met de vergoeding op
grond van artikel 114, onderdeel e, in een kalenderjaar niet volledig is
aangewend voor uitgaven voor administratie, beheer en bestuur, wordt het
verschil door het bevoegd gezag, bedoeld in het zesde lid, teruggestort
in de gemeentekas.
Artikel 141. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare scholen
in stand houdt
1. Indien een gemeente zelf een of meer openbare basisscholen of
openbare speciale scholen voor basisonderwijs in stand houdt en zij
uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het
Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een
regeling vaststellen.
2. Artikel 140, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing.
§ 5. Overschrijdingsregeling
Artikel 142. Overschrijdingsbedrag; voorwaarde personeel buiten
overschrijding
1. Indien een gemeente ten behoeve van een of meer door haar in stand
gehouden basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs meer
uitgaven doet voor het personeel en de materiële instandhouding dan
door het Rijk worden bekostigd, wordt met inachtneming van de artikelen
142 tot en met 147 aan het bevoegd gezag van de in die gemeente
gevestigde, niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen
onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs om de vijf jaar
een overschrijdingsbedrag verstrekt. Voor de toepassing van de eerste
volzin worden ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid, tweede
volzin, gelijk gesteld met ontvangsten van het Rijk. Indien een gemeente
vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de
eerste volzin geen basisschool onderscheidenlijk speciale school voor
basisonderwijs in stand houdt, wordt het overschrijdingsbedrag in
afwijking van die volzin uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat
volgt op dat tijdstip waarop de gemeente niet langer een school in stand
houdt, toegekend.
2. Voor de toepassing van de artikelen 142 tot en met 147 worden
uitgaven ten behoeve van een nevenvestiging aangemerkt als uitgaven ten
behoeve van de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is
verbonden. Indien ten behoeve van een school of nevenvestiging uitgaven
worden gedaan door meer dan één gemeente, worden deze uitgaven
aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier grondgebied de
hoofdvestiging is gelegen. In het geval bedoeld in de vorige volzin
worden de besluiten ingevolge het vierde lid en de artikelen 143 tot en
met 147 genomen door burgemeester en wethouders van laatstbedoelde
gemeente en hebben deze mede betrekking op de uitgaven van de andere
gemeente of gemeenten.
3. Voor de toepassing van de artikelen 142 tot en met 147 wordt een
nevenvestiging in een andere gemeente dan waarin de hoofdvestiging is
gelegen, aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente
van de hoofdvestiging.
4. Burgemeester en wethouders kunnen in overeenstemming met het bevoegd
gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten
dat met betrekking tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag
uitgaven die de gemeente doet ten behoeve van een door haar in stand
gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen
van de bedragen, bedoeld in de artikelen 143 en 144.
Artikel 143. Voorschot overschrijding
1. Burgemeester en wethouders stellen, onderscheiden al naar gelang het
basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks
vast in welke mate zij ten behoeve van de door de gemeente in stand
gehouden scholen meer dan wel minder uitgaven zullen doen voor het
personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden
bekostigd. Deze vaststelling geschiedt voor het komende begrotingsjaar
en het resterende deel van het vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel
142, eerste lid.
2. Indien voor het komende begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden
gedaan voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het
Rijk worden bekostigd, verlenen burgemeester en wethouders in dat
begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in
stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor
basisonderwijs in de gemeente een voorschot op het te verwachten
overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 142, eerste lid. Indien uit
het besluit van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid,
blijkt dat de hiervoor bedoelde meer-uitgaven in de resterende jaren van
het vijfjarig tijdvak geheel of ten dele worden gecompenseerd door
minder uitgaven, wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de
hoogte van het voorschot.
3. Indien uit de jaarlijkse voorlopige vaststelling van de bedragen,
bedoeld in artikel 144, eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen
is vastgesteld bij het besluit van burgemeester en wethouders, bedoeld
in het eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan voor personeel en
materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, verlenen
burgemeester en wethouders alsnog een voorschot aan het bevoegd gezag
van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen
onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente.
Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot is de tweede volzin van
het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 144. Vaststelling overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in
percentage
1. Indien een gemeente een of meer scholen in stand houdt, stellen
burgemeester en wethouders onderscheiden al naar gelang het basisscholen
of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks voorlopig
vast:
a. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van de personeelskosten,
b. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld
in artikel 129 en ten behoeve van schoolbegeleiding,
c. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van de materiële instandhouding,
d. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in de artikelen 116 en 137, in
het voorafgaande kalenderjaar,
e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die
krachtensartikel 129, tweede lid, ten behoeve van personeels- en
arbeidsmarktbeleid en die ten behoeve van schoolbegeleiding voor het
kalenderjaar zijn vastgesteld,
f. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die
krachtens artikel 113 voor de voorzieningen voor de materiële
instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,
g. het totaal van de aanvullende ontvangsten waaronder worden verstaan
de bedragen die krachtens artikel 135 voor de voorzieningen ten behoeve
van de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,
h. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn
uitgegeven ten behoeve van de instandhouding van een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 68,
i. het totaal van de ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid,
tweede volzin, en
j. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld ten behoeve van de
door de gemeente in stand gehouden scholen.
2. Indien de gemeente een deel van de ontvangsten bedoeld, in het eerste
lid onder d of een deel van de ontvangsten, bedoeld in dat lid onder e,
f, g en i, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als
een uitgave als bedoeld in dat lid onder a, onderscheidenlijk als een
uitgave als bedoeld in dat lid onder b, c en h. Indien de gemeente ten
behoeve van de personeelskosten, de nascholingskosten, de kosten voor
materiële instandhouding of de kosten voor de instandhouding van een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, bedragen aan een voorziening
onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten als bedoeld in het
eerste lid onder d, e of f.
3. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder
c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en
ontvangsten voor:
a. administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 114 , onder e,
b. de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke
oefening en
c. de materiële instandhouding in verband met de toepassing van artikel
165.
4. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder
a, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven ten behoeve van
personeel dat door de gemeente met toepassing van artikel 165, aan een
openbare school wordt verbonden. Bij het vaststellen van de bedragen,
bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en h, worden voorts buiten
beschouwing gelaten de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van
bedragen die door derden zijn betaald, de uitgaven die worden gedekt
door ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 140,
zesde lid, tweede volzin, en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor
het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
op grond van de regeling, bedoeld in artikel 141, eerste lid, een
aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel gedurende de periode
waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan. Bij het vaststellen
van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en h, blijven
de uitgaven ten behoeve van een basisschool buiten beschouwing tot het
bedrag dat de gemeente voor die school overdraagt op grond van artikel
118, artikel 124 of artikel 125.
4a. Bij het vaststellen van de bedragen bedoeld in het eerste lid, onder
c, mogen voorzieningen die volgens de desbetreffende rijksbekostiging
een afschrijvingstermijn van ten minste 20 jaar hebben, over ten hoogste
20 jaar worden aangemerkt als jaarlijkse uitgaven op grond van rente op
basis van een fictieve lening met een looptijd van ten hoogste 20 jaar
en een lineaire aflossing.
5. Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor uitgaven voor
personeel en kosten voor materiële instandhouding overdraagt aan een
ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of onderdeel c. Indien door een
ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeelskosten en
kosten voor materiële instandhouding aan de gemeente wordt
overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f.
6. Om de vijf jaar stellen burgemeester en wethouders voorlopig vast het
totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande
vijf kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is
aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepalen
bur
|