Nadere regelgeving:
- Besluit bekostiging WPO
- Besluit
bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
- Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair onderwijs (Bbwo)
- Besluit vernieuwde kerndoelen WPO
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Bwoo)
- Besluit
ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bza)
- Kaderbesluit
rechtspositie PO
WET van 2 juli 1981, houdende Wet op het
basisonderwijs
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van
een ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen, gewenst is de
afzonderlijke onderwijsvormen kleuteronderwijs en gewoon lager onderwijs
samen te voegen tot een onderwijsvorm die gericht is op een doorlopend
ontwikkelingsproces van de leerlingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Basisonderwijs
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
Onze minister:
Onze minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap;
inspectie of inspecteur:
de inspectie, bedoeld in de Wet op
het onderwijstoezicht, voor zover belast met taken op het gebied van
het basisonderwijs;
school:
een basisschool of een speciale
school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;
basisschool:
een school waar basisonderwijs wordt
gegeven, niet zijnde een speciale school voor basisonderwijs;
speciale school voor basisonderwijs:
een school waar basisonderwijs wordt
gegeven aan kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een zodanige
orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is, dat
zij althans gedurende enige tijd op een speciale school voor
basisonderwijs moeten worden opgevangen;
school voor speciaal onderwijs:
een school voor speciaal onderwijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
school voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs:
een school voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
de expertisecentra;
school voor voortgezet speciaal
onderwijs:
een school voor voortgezet speciaal
onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
instelling voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs:
een instelling voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid
tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra;
school voor voortgezet onderwijs:
een school voor voortgezet onderwijs
als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;
openbare school:
a. een door een of meer
gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid in stand gehouden school;
b. een door een openbare
rechtspersoon als bedoeld in artikel 47 in stand gehouden
school; dan wel
c. een door een stichting als
bedoeld in artikel 17 of artikel 48 in stand gehouden school;
bijzondere school:
door een natuurlijk persoon of een
privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als
bedoeld in artikel 48, in stand gehouden school;
openbare rechtspersoon:
een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 47;
nevenvestiging:
deel van een school, dat op de plaats
waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de school
werd als zelfstandige school functioneerde;
bevoegd gezag van volgens deze wet
bekostigde scholen: voor wat betreft
a. een openbare school:
1°. burgemeester en
wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en,
indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te
stellen regelen;
2°. het krachtens de
desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
3°. de openbare
rechtspersoon, bedoeld in artikel 47; dan wel
4°. de stichting, bedoeld in
artikel 17 of artikel 48;
b. een bijzondere school: de
rechtspersoon bedoeld in artikel 55;
persoonsgebonden nummer:
het burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer, dan wel het door Onze minister uitgegeven
onderwijsnummer, bedoeld in artikel 40b, vierde lid;
sociaal-fiscaalnummer:
het nummer, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onder k, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
ouders:
ouders, voogden of verzorgers;
schooljaar:
het tijdvak van 1 augustus tot en met
31 juli daaraanvolgend;
samenwerkingsverband:
een samenwerkingsverband als bedoeld
in artikel 18, tenzij het tegendeel blijkt;
personeel:
a. de benoemde directeur, het
personeel benoemd in een functie voor het geven van onderwijs,
het personeel benoemd in een andere functie dan het geven van
onderwijs, het personeel dat is benoemd voor het verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan
een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;
b. het onder a bedoelde personeel
dat zonder benoeming is tewerkgesteld, tenzij het betreft de
toepassing van de artikelen 33, 33a, 34, 37, 38, 52, 53, eerste
en tweede lid, 59, eerste tot en met vierde lid, 60 tot en met
62, 68, 138 en 139, voor zover niet anders is bepaald, en de
toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
leerlinggebonden budget:
een leerlinggebonden budget voor een
leerling als bedoeld in artikel 70a;
schoolbegeleiding:
activiteiten ten behoeve van de
schoolorganisatie of het onderwijs aan een school die dienen tot
begeleiding, ontwikkeling, advisering, informatieverstrekking en
evaluatie, alsmede activiteiten tot bevordering van een optimale
schoolloopbaan van leerlingen;
basisregister onderwijs:
basisregister onderwijs als bedoeld
in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht.
Artikel 1a. Inkomensbegrip
In deze wet wordt onder inkomen
verstaan: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e,
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 2. Doelgroep
Het basisonderwijs is het onderwijs
bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar. Het
legt mede de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet
onderwijs.
Artikel 3. Bevoegdheid
schoolonderwijs
1.Schoolonderwijs mag, onverminderd
het derde lid, slechts worden gegeven door degene die:
a. in het bezit is van een
verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van:
1°. een getuigschrift,
afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat ten aanzien
van dat onderwijs of ten aanzien van een of meer bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen daartoe
behorende onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 9
is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld
krachtens artikel 32a, eerste lid, van deze wet, of
krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs, of
2°. een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend
ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of
3°. een
geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b, en
c. niet krachtens rechterlijke
uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten.
2.Het onderwijs in de
onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening in het
derde tot en met achtste schooljaar kan in afwijking van het
eerste lid, onderdeel b. 1°, behalve door degene die beschikt
over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit
blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het geven
van lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs,
uitsluitend worden gegeven door degene die:
a. beschikt over een in dat
onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat
wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld
krachtens artikel 32a, eerste lid, en
b. in het bezit is van een bij
ministeriële regeling aangewezen getuigschrift dat specifiek
is gericht op de bekwaamheid tot het geven van dat onderwijs,
of onderwijs volgt ter verkrijging van een dergelijk
getuigschrift, in welk laatste geval betrokkene het onderwijs
in deze onderwijsactiviteit mag geven gedurende ten hoogste
twee aaneengesloten schooljaren, gerekend vanaf het moment
waarop betrokkene het onderwijs ter verkrijging van dit
getuigschrift voor de eerste maal volgt.
3.Onze minister kan aan personen
die in het bezit zijn van een buiten Nederland behaald bewijsstuk
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de bevoegdheid tot het
geven van schoolonderwijs verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en
beperkingen stellen.
4.Ten aanzien van studenten die een
duale opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.7 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek leidend tot een
getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onder b.1°, en aan
die opleiding ten minste 180 studiepunten hebben behaald, kan
worden afgeweken van de eisen in het eerste lid onder b, met dien
verstande dat het tijdelijk dienstverband van de student een
periode beslaat die overeenkomt met een volledig dienstverband van
vijf maanden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van studenten die ten minste 166 doch nog geen 180
studiepunten hebben behaald, indien door de desbetreffende
hogeschool wordt verklaard dat de student beschikt over met 180
studiepunten vergelijkbare en tevens voor het dienstverband
relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing van de
vorige volzin vervalt ten aanzien van die student die niet binnen
vier weken na aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten
beschikt. De in artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst
vermeldt tevens de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de
betrokken student werkzaamheden van onderwijskundige aard
verricht.
Artikel 3a. Bevoegdheid
onderwijsondersteunende werkzaamheden
1.Onderwijsondersteunende
werkzaamheden als bedoeld in artikel 32a, derde lid, mogen slechts
worden verricht door degene die:
a. in het bezit is van een
verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van een
getuigschrift afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de Wet educatie en
beroepsonderwijs, waaruit blijkt dat is voldaan aan de in
artikel 32a, derde lid, bedoelde bekwaamheidseisen of
c. in het bezit is van een
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties,
verleend ten aanzien van de door hem te verrichten
werkzaamheden, of
d. volgens bij algemene
maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft
aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke
uitspraak is uitgesloten van het verrichten van deze
werkzaamheden.
2.De onderwijsondersteunende
functionaris die niet voldoet aan de eisen van het eerste lid,
onder b, c of d, mag voor zover het werkzaamheden betreft waarvoor
op grond van artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor
een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de eerste volzin wordt
uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en
betrokkene in ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat
betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen twee jaren
alsnog te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden.
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking
tot de toepassing van de eerste volzin.
3.Ten aanzien van studenten aan een
opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en deelnemers
aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld
in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die in
het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden
verrichten waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid,
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die
werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en
met d.
Artikel 4. Kosten van
leerlingenvervoer
1.Ten behoeve van het schoolbezoek
verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de
gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de
door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten
vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling
vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
2.De regeling maakt geen
onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
3.De regeling eerbiedigt de op
godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van
een school.
4.De regeling voorziet erin dat het
vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend
is.
5.De regeling bepaalt dat de kosten
worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de
leerling en
a. de dichtstbijzijnde voor de
leerling toegankelijke basisschool of, indien een leerling op
het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is
aangewezen, de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
speciale school voor basisonderwijs,
b. een andere basisschool of
speciale school voor basisonderwijs, indien het vervoer naar
die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
brengen dan het vervoer naar de basisschool onderscheidenlijk
speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a, en de
ouders met het vervoer naar die andere school instemmen,
c. de dichtstbijzijnde voor de
leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in
het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
leerling afkomstig is, indien de ouders met het vervoer naar
die speciale school voor basisonderwijs instemmen, of
d. een andere speciale school
voor basisonderwijs in het onder c bedoelde
samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor
de gemeente minder kosten met zich zou brengen dan het vervoer
naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder c,
en de ouders met het vervoer naar die andere school instemmen.
6.Bij de toepassing van het vijfde
lid worden de afstanden gemeten langs de kortste voor de leerling
voldoende begaanbare en veilige weg en wordt de keuze van de
ouders, bedoeld in het derde lid, in acht genomen.
7.De regeling kan ten aanzien van
ouders wier inkomen tezamen meer bedraagt dan € 17 700 bepalen
dat slechts bekostiging wordt verstrekt voor zover de kosten van
vervoer de kosten van het openbaar vervoer over de door de
gemeenteraad op grond van het achtste lid vastgestelde afstand te
boven gaan, welke afstand ten hoogste 6 kilometer bedraagt. Bij de
berekening van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen in het
tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het
schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd, begint. De kosten
van het openbaar vervoer, bedoeld in de eerste volzin, betreffen
de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling
in de regeling die is gebaseerd op artikel 27, eerste lid, van de
Wet personenvervoer, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden
gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het
daadwerkelijk gebruik ervan. Ingeval toepassing wordt gegeven aan
het tiende lid voorziet de regeling in een overeenkomstig de derde
volzin berekende financiële bijdrage van de ouders. Het bedrag,
bedoeld in de eerste volzin, wordt met ingang van 1 januari 1999
jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de
regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten
opzichte van het voorafgaande jaar, en afgerond op een veelvoud
van € 450. Het aangepaste bedrag treedt in de plaats van het in
de eerste volzin bedoelde bedrag.
8.De regeling kan bepalen dat geen
aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de
voor de leerling toegankelijke school en de woning van de
leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling voldoende
begaanbare en veilige weg.
9.De regeling kan bepalen dat voor
een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak
op bekostiging wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer,
dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een
goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de regeling erin
te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het
vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer ontbreekt
en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van vervoer in
redelijkheid niet kan worden verlangd.
10.De regeling kan bepalen dat de
gemeente, in plaats van bekostiging in geld te geven, het vervoer
verzorgt of doet verzorgen.
11.De regeling kan voor leerlingen
voor wie de afstand bedoeld in het vijfde lid, meer bedraagt dan
20 kilometer, bepalen dat de hoogte van de bekostiging afhankelijk
is van de financiële draagkracht van de ouders, of dat het
vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen geschiedt tegen
een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijke
bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer
van de desbetreffende leerling. In dat geval bevat de regeling
tevens voorschriften omtrent de bepaling van de financiële
draagkracht van de ouders. De eerste volzin is niet van toepassing
voor een leerling van een speciale school voor basisonderwijs voor
wie geldt dat de afstand tot de dichtstbijzijnde openbare of
bijzondere speciale school voor basisonderwijs meer dan 20
kilometer bedraagt.
12.De regeling kan bepalen dat
burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen de bevoegdheid
hebben ten gunste van de ouders van de inhoud van de regeling af
te wijken.
13.Het zevende tot en met negende
lid en het elfde lid zijn niet van toepassing op leerlingen die
wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap
op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel
vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar
vervoer gebruik kunnen maken.
Artikel 4a. Verplichting tot overleg
en aangifte inzake zedenmisdrijven
1.Indien het bevoegd gezag op
enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn
school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of
heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel
XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een leerling van de
school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de
vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het
onderwijstoezicht.
2.Indien uit het overleg, bedoeld
in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van
een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig
heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid
jegens een leerling van de school, doet het bevoegd gezag
onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in
artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan
onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het
doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken leerling,
onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de school met
taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3.Indien een personeelslid op
enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van de
school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of
heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid
jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid het
bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 5. Niet uit de openbare kas
bekostigd bijzonder schoolonderwijs
Het bevoegd gezag van een bijzondere
school geeft binnen vier weken na de oprichting van de school onder
overlegging van de statuten van de rechtspersoon, die de school in
stand houdt, en van de reglementen, van die oprichting kennis aan
Onze minister. Indien de statuten of reglementen worden gewijzigd of
ingetrokken, wordt eveneens binnen vier weken van de wijziging of
van de intrekking van de statuten of reglementen aan Onze minister
kennis gegeven.
Artikel 5a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 6. Uitgaven uit de openbare
kas
Ten laste van een andere openbare kas
dan van Rijk en gemeente worden geen scholen in stand gehouden, noch
uitgaven voor een school gedaan. Gemeenten doen geen uitgaven voor
een niet door de gemeente in stand gehouden school dan krachtens de
wet.
Artikel 7. Reikwijdte wet
1.Deze wet is niet van toepassing
op scholen die uitsluitend bestemd zijn voor kinderen die niet de
Nederlandse nationaliteit hebben.
2.Bij twijfel of op een school het
eerste lid van toepassing is, besluit de Kroon, de Raad van State
gehoord.
Titel II. Openbaar en uit de openbare
kassen bekostigd bijzonder onderwijs
Afdeling 1. Regelen voor het openbaar
onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder
onderwijs
§ 1. Onderwijs
Artikel 8. Uitgangspunten en
doelstelling onderwijs
1.Het onderwijs wordt zodanig
ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces
kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de
ontwikkeling van de leerlingen.
2.Het onderwijs richt zich in elk
geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, en op
het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van
noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke
vaardigheden.
3.Het onderwijs:
a. gaat er mede van uit dat
leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving,
b. is mede gericht op het
bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en
c. is er mede op gericht dat
leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende
achtergronden en culturen van leeftijdgenoten.
4.Ten aanzien van leerlingen die
extra zorg behoeven, is het onderwijs gericht op individuele
begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerling.
5.Het onderwijs aan een speciale
school voor basisonderwijs is tevens erop gericht leerlingen waar
mogelijk tot het volgen van onderwijs in basisscholen of scholen
voor voortgezet onderwijs te brengen.
6.De scholen voorzien in een
voortgangsregistratie omtrent de ontwikkeling van leerlingen die
extra zorg behoeven, en omtrent leerlingen die onderwijs volgen
als bedoeld in artikel 166, eerste lid, en artikel 166a, eerste
lid.
7.Het onderwijs wordt zodanig
ingericht dat:
a. de leerlingen in beginsel
binnen een tijdvak van 8 aaneensluitende schooljaren de school
kunnen doorlopen;
b. de leerlingen in 8
schooljaren ten minste 7520 uren onderwijs ontvangen, met dien
verstande dat de leerlingen in de eerste 4 schooljaren ten
minste 3520 uren onderwijs en in de laatste 4 schooljaren ten
minste 3760 uren onderwijs ontvangen, en aan de leerlingen in
de laatste 6 schooljaren ten hoogste 7 weken van het
schooljaar 4 dagen per week onderwijs wordt gegeven, die
evenwichtig zijn verdeeld over het schooljaar, bij een
schoolweek van in beginsel niet minder dan 5 dagen onderwijs,
en
c. de onderwijsactiviteiten
evenwichtig over de dag worden verdeeld.
Indien aan een school tevens
onderwijs als bedoeld in artikel 166, eerste lid, eerste en tweede
volzin, wordt gegeven blijft dat aantal uren, voor zover dat in de
aparte groepen of groepjes wordt gegeven, voor de vaststelling van
het aantal uren, bedoeld in onderdeel b, buiten beschouwing.
8.Het onderwijs wordt zodanig
ingericht dat leerlingen die in verband met ziekte thuis
verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op adequate
wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.
9.Het onderwijs wordt zodanig
ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht
wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het
bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.
Artikel 9. Inhoud onderwijs
1.Het onderwijs omvat, waar
mogelijk in samenhang:
a. zintuiglijke en lichamelijke
oefening;
b. Nederlandse taal;
c. rekenen en wiskunde;
d. Engelse taal;
e. enkele kennisgebieden;
f. expressie-activiteiten;
g. bevordering van sociale
redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer;
h. bevordering van gezond
gedrag.
2.Bij de kennisgebieden wordt in
elk geval aandacht besteed aan:
a. aardrijkskunde;
b. geschiedenis;
c. de natuur, waaronder
biologie;
d. maatschappelijke
verhoudingen, waaronder staatsinrichting;
e. geestelijke stromingen.
3.Het onderwijs kan naast de
onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste en tweede lid, tevens
de Duitse taal of de Franse taal omvatten.
4.Op de scholen in de provincie
Fryslân wordt tevens onderwijs gegeven in de Friese taal, tenzij
gedeputeerde staten op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing
van deze verplichting hebben verleend.
5.Ten aanzien van de
onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste, tweede en vierde
lid, worden bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen
vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in de
vorige volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal
overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken
na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet
door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen
gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend.
6.Voor de school geldt de eis dat
zij tenminste de kerndoelen bij haar onderwijsactiviteiten als aan
het eind van het basisonderwijs te bereiken doelstellingen
hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van
leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden.
Indien de eerste volzin niet kan worden toegepast voor een
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is dan
wel voor een visueel gehandicapte leerling, wordt in het
handelingsplan, bedoeld in artikel 40a, aangegeven wat daarvan de
reden is en welke vervangende onderwijsdoelen worden gehanteerd.
7.Indien een bevoegd gezag van een
bijzondere school dringend bedenkingen heeft tegen de krachtens
het vijfde lid vastgestelde kerndoelen, kan het bevoegd gezag
eigen kerndoelen voor de school vaststellen. Deze kerndoelen zijn
van gelijk niveau als de kerndoelen, bedoeld in het vijfde lid.
Het bevoegd gezag zendt de vastgestelde kerndoelen aan de
inspecteur.
8.Het onderwijs wordt gegeven in
het Nederlands. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese
taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of
de streektaal mede als voertaal bij het onderwijs worden gebruikt.
Voor de opvang in en de aansluiting bij het Nederlandse onderwijs
van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond kan
de taal van het land van oorsprong mede als voertaal bij het
onderwijs worden gebruikt, overeenkomstig een door het bevoegd
gezag vastgestelde gedragscode.
9.Onze minister kan in bijzondere
gevallen op verzoek van het bevoegd gezag toestaan dat wordt
afgeweken van de voorschriften in het eerste en tweede lid. De
toestemming wordt verleend voor een bepaald tijdvak; zij kan
voorwaarden bevatten.
Artikel 9a. Ondersteuning bij het
onderwijs aan zieke leerlingen
1.Bij het geven van onderwijs aan
een leerling die is opgenomen in een ziekenhuis of die in verband
met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd gezag van een school
worden ondersteund.
2.De ondersteuning bedoeld in het
eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening
als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien de
leerling is opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een
schoolbegeleidingsdienst, indien de leerling is opgenomen in
een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel
indien de leerling in verband met ziekte thuis verblijft.
3.De ondersteuning bedoeld in het
eerste lid kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening
dan wel de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de
leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de
leerling betreffen.
Artikel 10. Kwaliteit onderwijs
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de
kwaliteit van het onderwijs op de school. Onder zorg dragen voor de
kwaliteit van het onderwijs wordt in elk geval verstaan: het
uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in artikel 12,
beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke opdrachten
voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het schoolplan
opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden gerealiseerd.
Artikel 10a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 10b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 11. Rapportage vorderingen
van leerlingen
Het bevoegd gezag rapporteert over de
vorderingen van de leerlingen aan hun ouders.
Artikel 11a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 11b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 12. Schoolplan
1.Het schoolplan bevat een
beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van
het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk
geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het
beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid
ten aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of
geldelijke bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de
onderwijswetgeving gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag
daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen
de schooltijden en tijdens de activiteiten die worden
georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag,
alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd. Het
schoolplan kan op een of meer scholen voor basisonderwijs en een
of meer scholen voor ander onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag
betrekking hebben.
2.Het onderwijskundig beleid omvat
in elk geval de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor het
onderwijs en van de door het bevoegd gezag in het schoolplan
opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een
onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de
voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke
onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is.
3.Het personeelsbeleid, voor zover
dat in het schoolplan tot uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk
geval maatregelen met betrekking tot het personeel die bijdragen
aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig
beleid alsmede het document inzake evenredige vertegenwoordiging
van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30 van de wet.
4.Het beleid met betrekking tot de
bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs omvat
in elk geval:
a. de wijze waarop het bevoegd
gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt gerealiseerd,
b. de wijze waarop het bevoegd
gezag vaststelt welke maatregelen ter verbetering van de
kwaliteit nodig zijn, en
c. maatregelen en instrumenten
om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid
onderhoudt.
Artikel 13. Schoolgids
1.De schoolgids bevat voor ouders,
verzorgers en leerlingen informatie over de werkwijze van de
school en bevat in elk geval informatie over:
a. de doelen van het onderwijs
en de resultaten die met het onderwijsleerproces worden
bereikt, met dien verstande dat bij algemene maatregel van
bestuur voorschriften kunnen worden gegeven met betrekking tot
de wijze waarop
1°. de resultaten worden
beschreven die met het onderwijsleerproces worden bereikt,
en
2°. de context wordt
vermeld waarin de onder 1° bedoelde resultaten dienen te
worden geplaatst.
b. de wijze waarop aan de zorg
voor het jonge kind wordt vormgegeven,
c. de wijze waarop aan de zorg
voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en voor
leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar
is, wordt vormgegeven
d. de wijze waarop de
verplichte onderwijstijd wordt benut,
e. de geldelijke bijdrage,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, waarbij een ontwerp van een
overeenkomst voor een dergelijke bijdrage, die voldoet aan de
eisen die in artikel 40, eerste lid, zijn geformuleerd, in de
schoolgids wordt opgenomen,
f. de rechten en plichten van
de ouders, de verzorgers, de leerlingen en het bevoegd gezag,
waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in
artikel 14, en de gronden voor vrijstelling van het onderwijs,
bedoeld in artikel 41, tweede lid, en
g. de wijze waarop het bevoegd
gezag omgaat met de in artikel 12, eerste lid, omschreven
bijdragen,
i. het beleid met betrekking
tot de veiligheid,
j. de wijze waarop de
voorzieningen, bedoeld in artikel 45, worden georganiseerd.
2.Het bevoegd gezag reikt de
schoolgids uit aan de ouders dan wel de verzorgers bij de
inschrijving en jaarlijks na de vaststelling van de schoolgids.
3.De algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt aan de beide
kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in
werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens een der kamers de wens
te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 13bis [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13c1 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13d [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13e [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13e1 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13e2 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13e3 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13e4 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 13e5 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 14. Klachtenregeling
1.Ouders dan wel verzorgers, en
personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen en
beslissingen van het bevoegd gezag, personeel of de permanente
commissie leerlingenzorg, waaronder discriminatie, dan wel het
nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door
het bevoegd gezag, het personeel of de permanente commissie
leerlingenzorg.
2.Het bevoegd gezag treft een
regeling voor de behandeling van klachten. Deze regeling vermeldt
in ieder geval:
a. de instelling van een
klachtencommissie, die klachten behandelt,
b. de wijze waarop de
klachtencommissie haar werkzaamheden verricht,
c. de termijn waarbinnen de
klager een klacht kan indienen en
d. de termijn waarbinnen
mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in het zesde
lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt
gehandeld.
3.Deze regeling strekt ter
vervanging van klachtenregelingen op grond van andere
voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging van
een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling,
niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of
heeft opengestaan.
4.Deze regeling
a. voorziet erin dat de
klachten worden behandeld door een klachtencommissie die
bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter
die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam
is voor of bij het bevoegd gezag en
b. waarborgt dat aan de
behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een
persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking
heeft.
5.De klager en degene over wie is
geklaagd dan wel de instantie waarover is geklaagd krijgen de
gelegenheid:
a. hun zienswijze mondeling of
schriftelijk toe te lichten en
b. zich bij de behandeling van
de klacht te laten bijstaan.
6.De klachtencommissie vormt zich
een oordeel over de gegrondheid van de klacht en deelt dit
oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk
mede aan de klager, degene over wie is geklaagd dan wel de
instantie waarover is geklaagd en het bevoegd gezag.
7.Het bevoegd gezag deelt de klager
en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
binnen 4 weken na ontvangst van het in het zesde lid bedoelde
oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het
oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar
aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke.
Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet
het bevoegd gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de
klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn
waarbinnen het bevoegd gezag zijn standpunt bekend zal maken.
8.Degene die betrokken is bij de
uitvoering van dit artikel en daarbij de beschikking krijgt over
gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of
redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding
daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot
mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
9.Gegevens die betrekking hebben op
een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend
toegankelijk is voor de leden van de klachtencommissie en het
bevoegd gezag.
Artikel 15. Meetellen tijd op andere
school of school of instelling voor s.o. of v.s.o.; vaststellen
zomervakantie
1.Indien een leerling gedurende een
deel van de week onderwijs ontvangt op een andere school, op een
school voor speciaal onderwijs, op een school voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs, dan wel op een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs telt de tijd gedurende
welke de leerling dit onderwijs ontvangt mee voor het aantal uren
onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
begin en eind van de zomervakantie worden vastgesteld die niet
voor alle scholen gelijk behoeven te zijn.
Artikel 16. Vaststelling schoolplan
en schoolgids
1.Het bevoegd gezag stelt ten
minste eenmaal in de 4 jaar het schoolplan vast.
2.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks
de schoolgids vast ten behoeve van het eerstvolgende schooljaar.
3.Het bevoegd gezag zendt het
schoolplan dan wel de wijzigingen daarvan en de schoolgids
onmiddellijk na de vaststelling aan de inspecteur.
Artikel 17. Bestuurlijke fusie
openbare en bijzondere scholen
1.De instandhouding van een of meer
openbare en een of meer bijzondere scholen kan worden opgedragen
of overgedragen aan een stichting die met dit doel wordt
onderscheidenlijk is opgericht. De besluitvorming van de zijde van
de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
2.Het statutaire doel van de
stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en
onderwijs van een of meer richtingen in afzonderlijke scholen voor
openbaar onderscheidenlijk bijzonder onderwijs.
3.De stichting oefent met
uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een
openbare school alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag
uit.
4.Het personeel dat werkzaam is aan
de openbare school en niet zonder benoeming is tewerkgesteld,
wordt benoemd krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht.
5.De statuten voorzien in ieder
geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze
en inrichting van het bestuur van de stichting,
b. de wijze van benoeming,
herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden,
c. de termijn waarvoor de
bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de
begroting en jaarrekening na overleg met de gemeenteraad van
de gemeente waarin de openbare school is gelegen,
e. de wijze waarop de
gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is
gelegen, toezicht op het bestuur van de openbare school
uitoefent,
f. de gronden waarop het
bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
g. de periode waarvoor de
stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat
deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting
te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een
overheersende invloed van de overheid in het bestuur is
verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
6.De statuten van de stichting
kunnen slechts worden gewijzigd na goedkeuring van de gemeenteraad
van de gemeente waarin de openbare school is gelegen. Goedkeuring
kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de
overheid in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar
onderwijs betreft.
7.Het bestuur brengt jaarlijks aan
de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is
gelegen, verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval
aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar
onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.
8.De vergaderingen van het bestuur
van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist,
op gronden, vermeld in de statuten.
9.In geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met
de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de
gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen,
de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs
betreft.
§ 2. Zorgstructuur
Artikel 18. Samenwerkingsverbanden
1.Het bevoegd gezag is voor elk van
zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband met een of
meer basisscholen en een of meer speciale scholen voor
basisonderwijs. Dit samenwerkingsverband stelt zich ten doel een
samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen
basisscholen en in samenwerking met speciale scholen voor
basisonderwijs te realiseren en wel zodanig dat zoveel mogelijk
leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.
2.De scholen die samenwerken in een
samenwerkingsverband hebben tezamen ten minste 2000 leerlingen. In
afwijking van de eerste volzin kunnen de scholen in een
samenwerkingsverband gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of
in het eerste en derde schooljaar van 3 achtereenvolgende
schooljaren tezamen minder dan 2000 leerlingen hebben. Uiterlijk
met ingang van 1 augustus volgend op de in de vorige volzin
bedoelde schooljaren nemen de scholen deel aan een
samenwerkingsverband dat op 1 oktober daaropvolgend voldoet aan de
norm van 2000 leerlingen.
3.Indien het aantal leerlingen in
een samenwerkingsverband op 1 oktober minder bedraagt dan 2000
leerlingen, deelt Onze minister dit voor 1 februari daaropvolgend
schriftelijk mee aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in
het samenwerkingsverband.
4.Een bevoegd gezag kan de deelname
aan een samenwerkingsverband voor een school beëindigen indien
a. een regeling is getroffen
met de overige bevoegde gezagsorganen ten aanzien van de
financiële en personele consequenties daarvan en
b. door de beëindiging van de
deelname geen aanspraken ontstaan op ontslaguitkeringen voor
personeel dat werkzaam is bij de deelnemende scholen,
waaronder de school waarvoor de deelname wordt beëindigd.
5.Bij de beëindiging van de
deelname op grond van het vierde lid wordt een termijn van 1 jaar
in acht genomen. Deze termijn geldt niet voor scholen die
deelnemen aan een samenwerkingsverband dat gedurende het tweede
achtereenvolgende schooljaar dan wel het tweede van 3
achtereenvolgende schooljaren niet voldoet aan de norm van 2000
leerlingen.
6.De beëindiging van de deelname
aan een samenwerkingsverband en de aansluiting bij een nieuw
samenwerkingsverband gaan in op 1 augustus van een schooljaar.
Voor 1 oktober of in het geval, bedoeld in het vijfde lid, tweede
volzin, 1 april van het daaraan voorafgaande schooljaar meldt het
bevoegd gezag de beëindiging onderscheidenlijk de aansluiting aan
Onze minister.
7.Onze minister kan ermee instemmen
dat, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, van het
samenwerkingsverband geen speciale school voor basisonderwijs deel
uitmaakt en dat het eerste lid, tweede volzin, niet van toepassing
is voor zover het betreft de samenwerking met speciale scholen
voor basisonderwijs. Onze minister stemt slechts in indien
a. in een adequate
onderwijskundige opvang van leerlingen wordt voorzien en de
inspectie hierover een positief advies heeft uitgebracht, en
b. alle bevoegde gezagsorganen
van de scholen in het samenwerkingsverband met het
samenwerkingsverband waarvoor de instemming is gevraagd,
instemmen.
8.Het bevoegd gezag kan per
basisschool slechts deelnemen aan 1 samenwerkingsverband. Bij
deelname aan meer dan één samenwerkingsverband is voor de
toepassing van deze wet en de daarop gebaseerde voorschriften
uitsluitend de deelname van belang aan het samenwerkingsverband
waarbij voor het eerst werd aangesloten.
9.Indien een bevoegd gezag wenst
deel te nemen aan een samenwerkingsverband, wordt deze deelname
door de bevoegde gezagsorganen van het samenwerkingsverband niet
geweigerd.
Artikel 19. Zorgplan
1.De bevoegde gezagsorganen van de
scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband stellen
jaarlijks voor 1 mei een zorgplan vast voor het daaropvolgende
schooljaar.
2.Het zorgplan bevat in elk geval:
a. de wijze waarop wordt
voldaan aan artikel 18, eerste lid,
b. de wijze, waarop de
bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120,
vierde lid, en artikel 132, en het daaraan gerelateerde
personeel wordt ingezet, alsmede de basisscholen waaraan de
bekostiging, bedoeld in artikel 132, wordt overgedragen,
c. de beoogde en bereikte
kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de
onderwijskundige opvang van de leerlingen die extra zorg
behoeven,
d. de samenstelling, werkwijze
en financiering van een permanente commissie leerlingenzorg
als bedoeld in artikel 23,
e. de procedures voor onderzoek
van leerlingen en plaatsing van leerlingen op een speciale
school voor basisonderwijs,
f. de wijze waarop aan de
ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen en
de criteria die de permanente commissie leerlingenzorg
hanteert,
g. de wijze waarop de ouders in
de gelegenheid worden gesteld informatie te verstrekken aan de
permanente commissie leerlingenzorg,
h. de wijze waarop de
permanente commissie leerlingenzorg informatie verstrekt aan
de klachtencommissie, en
i. de wijze waarop de
bekostiging, bedoeld in artikel 118 en artikel 118a wordt
ingezet, en de basisscholen onderscheidenlijk de speciale
scholen voor basisonderwijs waaraan de bekostiging, bedoeld in
artikel 118 onderscheidenlijk artikel 118a, wordt
overgedragen.
3.Het zorgplan wordt voor 15 mei
voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft,
toegezonden aan de inspectie.
Artikel 20. Reglement
samenwerkingsverband
1.Indien verschillende bevoegde
gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband stellen zij
een reglement vast. Het reglement bevat in elk geval een regeling
voor:
a. de wijze waarop het
zorgplan, bedoeld in artikel 19, wordt vastgesteld,
b. de wijze waarop over het
zorgplan in het kader van de medezeggenschap overleg
plaatsvindt,
c. de wijze waarop over
arbeidsvoorwaardelijke aspecten van het zorgplan decentraal
georganiseerd overleg wordt gevoerd,
d. de wijze waarop wordt
bepaald of de situaties, bedoeld in de artikelen 118 en 124,
zich voordoen, waaronder de vaststelling van de in artikel
124, eerste en tweede lid, bedoelde peildatum, die is gelegen
in de periode van 2 oktober tot en met 31 juli daaropvolgend,
e. de wijze waarop wordt
vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden scholen is in
de overdracht van de bekostiging voor materiële
instandhouding in een situatie als bedoeld in artikel 118 en
van de bekostiging voor zorgvoorzieningen in een situatie als
bedoeld in artikel 124, zesde of zevende lid, of artikel 125,
zesde lid, en
f. de wijze waarop beslissingen
worden genomen, onverminderd het tweede lid, alsmede het
aantal stemmen voor elk afzonderlijk bevoegd gezag.
2.Bij reglement kan met
inachtneming van de tweede volzin, onderdelen a, b en c, per
onderwerp verschillend de wijze van beslissen worden geregeld.
Indien voor een onderwerp geen wijze van beslissen is geregeld,
geschiedt de wijze van beslissen bij meerderheid van stemmen, met
dien verstande dat
a. voor een beslissing over de
inzet van de bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in
artikel 120, vierde lid, tevens de instemming is vereist van
de bevoegde gezagsorganen van alle speciale scholen voor
basisonderwijs in het samenwerkingsverband,
b. voor een beslissing tot
samenvoeging van 2 of meer speciale scholen voor
basisonderwijs tevens de instemming is vereist van de bevoegde
gezagsorganen van de desbetreffende scholen, en
c. voor een beslissing tot
wijziging van het reglement of tot algehele samenvoeging van
het verband met een ander verband in plaats van meerderheid
van stemmen de instemming is vereist van de bevoegde
gezagsorganen van alle scholen in het samenwerkingsverband.
Artikel 20a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 21. Centrale dienst van
samenwerkingsverband
Indien verschillende bevoegde
gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband zijn zij
aangesloten bij dezelfde centrale dienst.
Artikel 21a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 22. Geschillencommissie
samenwerkingsverbanden
1.Onze minister stelt een
landelijke geschillencommissie voor samenwerkingsverbanden in.
2.De commissie bestaat uit een
voorzitter en 4 leden, die allen door Onze minister worden
benoemd. De 4 leden worden benoemd op voordracht van de
gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten. De voorzitter is een jurist.
3.De voorzitter en de leden worden
benoemd voor een termijn van 4 jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar.
Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.
4.Het bevoegd gezag van een school
kan voorziening vragen bij de landelijke geschillencommissie tegen
a. beslissingen en andere
handelingen inzake de totstandkoming van het reglement,
b. beslissingen en andere
handelingen in het kader van het samenwerkingsverband,
c. de weigering van instemming
door het bevoegd gezag van een speciale school voor
basisonderwijs met een beslissing als bedoeld in artikel 20,
tweede lid onder a, en
d. de weigering van instemming
door het bevoegd gezag van een school met een beslissing als
bedoeld in artikel 20, tweede lid onder c.
Het vragen van voorziening als
bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld met het instellen
van administratief beroep.
5.De uitspraak van de
geschillencommissie is bindend voor de bevoegde gezagsorganen van
de scholen in het samenwerkingsverband.
6.Tegen de uitspraak van de
geschillencommissie kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak bedoeld in
de eerste volzin wordt gelijkgesteld met een uitspraak in
administratief beroep.
7.Het reglement, bedoeld in artikel
20, kan erin voorzien dat de in het vierde lid bedoelde geschillen
worden voorgelegd aan een geschillencommissie die door het
samenwerkingsverband, al dan niet tezamen met andere
samenwerkingsverbanden is ingesteld. In dat geval is het vierde
lid niet van toepassing en zijn het vijfde en zesde lid van
toepassing.
Artikel 22a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 22b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 23. Permanente commissie
leerlingenzorg
1.Het bevoegd gezag of de bevoegde
gezagsorganen van scholen in een samenwerkingsverband stellen een
permanente commissie leerlingenzorg in. Deze commissie bepaalt op
aanvraag van de ouders of plaatsing van een leerling op een
speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. De commissie
weigert de toelaatbaarheid tot een speciale school voor
basisonderwijs niet op grond van het feit dat de leerling
aangewezen zou zijn op een onderwijssoort binnen een cluster als
bedoeld in artikel 2, vierde lid onder b of c, dan wel tot het
cluster, bedoeld in genoemd artikel onder d, van de Wet op de
expertisecentra, indien een commissie voor de indicatiestelling,
bedoeld in artikel 28c van genoemde wet, heeft geoordeeld dat die
leerling niet toelaatbaar is tot een onderwijssoort binnen dat
cluster dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid
onder d, van die wet. De commissie kan voorts worden belast met
andere taken. Indien sprake is van een samenwerkingsverband zonder
speciale school voor basisonderwijs is de tweede volzin niet van
toepassing en adviseert de commissie in elk geval
a. op verzoek van de ouders of
het bevoegd gezag van de basisschool die de leerling bezoekt
over de wijze waarop een leerling op die school kan worden
begeleid, en
b. indien in het
samenwerkingsverband voorzieningen zijn getroffen ten behoeve
van de basisscholen voor de opvang van kinderen die extra zorg
behoeven over de verwijzing naar die voorzieningen.
2.De permanente commissie
leerlingenzorg bestaat uit ten minste 3 leden.
3.Alvorens een beslissing te nemen
op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin,
vraagt de commissie aan de school van de leerling de gegevens,
bedoeld in artikel 43, eerste onderscheidenlijk tweede lid.
4.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid, tweede volzin, wordt niet in behandeling genomen
indien de leerling afkomstig is van een basisschool van een ander
samenwerkingsverband dan dat van de permanente commissie
leerlingenzorg en de permanente commissie leerlingenzorg van dat
andere samenwerkingsverband geen onherroepelijk geworden
beslissing als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, heeft
genomen. De eerste volzin is niet van toepassing indien de
aanvraag plaatsvindt in verband met een verhuizing van de
leerling.
5.Alvorens een beslissing te nemen
op een bezwaarschrift vraagt de permanente commissie
leerlingenzorg advies aan de regionale verwijzingscommissie,
bedoeld in artikel 24.
6.Een beslissing van de permanente
commissie leerlingenzorg als bedoeld in het eerste lid, tweede
volzin, wordt aangemerkt als een beschikking van een
bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht. Deze beschikking is geen besluit als
bedoeld in artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet
bestuursrecht.
7.De permanente commissie
leerlingenzorg stelt indien de ouders bij een ingediende aanvraag
of een ingediend verzoek of bezwaarschrift daarom hebben verzocht
een termijn waarbinnen de ouders een deskundigenadvies of overige
informatie kunnen indienen. De commissie betrekt de door de ouders
tijdig overgelegde informatie bij de besluitvorming.
8.Beslissingen en adviezen van de
permanente commissie leerlingenzorg worden in de school die de
leerling bezocht toen het advies werd uitgebracht, bewaard tot 3
jaar nadat de leerling de school heeft verlaten, met dien
verstande dat bij plaatsing van een leerling op een andere school
in het samenwerkingsverband de beslissing of het advies in die
school wordt bewaard tot 3 jaar nadat de leerling die school heeft
verlaten.
Artikel 24. Regionale
verwijzingscommissies
1.Onze minister kan een regionale
verwijzingscommissie instellen. Een regionale verwijzingscommissie
brengt binnen 4 weken na een verzoek als bedoeld in artikel 23,
vijfde lid, advies uit aan de permanente commissie leerlingenzorg.
2.Een regionale
verwijzingscommissie is werkzaam voor een bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regio.
3.Het verzoek, bedoeld in artikel
23, vijfde lid, wordt ingediend bij
a. de regionale
verwijzingscommissie die werkzaam is voor de regio waarin de
school of de school voor speciaal onderwijs of speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs die de leerling bezoekt, is
gelegen,
b. bij gebreke daarvan de
commissie van de regio waarbinnen de leerling woonachtig is,
en
c. indien er in een regio geen
regionale verwijzingscommissie is, een regionale
verwijzingscommissie die is gevestigd in een aangrenzende
regio.
4.In een regio kan slechts één
regionale verwijzingscommissie werkzaam zijn. Indien in een regio
meer dan één schoolbegeleidingsdienst regionaal werkzaam is,
hoort Onze minister de desbetreffende schoolbegeleidingsdiensten,
alvorens een regionale verwijzingscommissie te erkennen of in te
stellen.
5.De algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking
dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende
die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen
gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen
is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene
maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door
of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure,
bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 25. Regionale
verwijzingscommissie verbonden aan een rechtspersoon
Een regionale verwijzingscommissie
die door Onze minister is ingesteld, kan worden verbonden aan
rechtspersonen die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen voorwaarden en die daartoe door Onze minister
zijn aangewezen.
Artikel 26 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 26a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 27. Bekostiging regionale
verwijzingscommissies
1.Onze minister brengt een
regionale verwijzingscommissie die is ingesteld, voor bekostiging
in aanmerking indien zij:
a. jaarlijks voor 1 mei verslag
uitbrengt over haar werkzaamheden in het voorafgaande
kalenderjaar, en
b. jaarlijks voor 1 mei over
het voorafgaande kalenderjaar rekening en verantwoording
aflegt van het geldelijk beheer.
2.Onze minister stelt jaarlijks, op
basis van het aantal leerlingen in het basisonderwijs, bedoeld in
artikel 161 van de Wet op het primair onderwijs, van dat jaar in
de desbetreffende regio, de bekostiging vast voor de werkzaamheden
van de regionale verwijzingscommissie voor het daaropvolgende
jaar.
Artikel 28. Nadere voorschriften
regionale verwijzingscommissies
Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere voorschriften gegeven omtrent de taak, samenstelling,
werkwijze en totstandkoming van de regionale verwijzingscommissies.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin,
wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging
zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de
Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het
bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het
ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer
is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat
van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden
afgeweken.
§ 3. Personeel
Artikel 29. Directie, leraren en
onderwijsondersteunend personeel
1.Aan elke school zijn 1 of 2
directeuren verbonden, bij wie onder verantwoordelijkheid van het
bevoegd gezag de onderwijskundige, organisatorische en
huishoudelijke leiding berust. De functie van directeur kan minder
dan een volledige formatieplaats omvatten. De directeur van een
school kan tevens met de leiding worden belast van een andere
school waar de functie van directeur vacant is. De directeur van
een school kan tevens directeur zijn van een andere school of van
een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
2.Aan een school zijn een of meer
leraren verbonden.
3.Een of meer leraren kunnen tevens
tot adjunct-directeur worden benoemd dan wel tewerkgesteld zonder
benoeming. Indien geen adjunct-directeur wordt benoemd dan wel
tewerkgesteld zonder benoeming en aan de school slechts 1
directeur is verbonden, wijst het bevoegd gezag een leraar aan als
plaatsvervanger van de directeur.
4.Voor zover het betreft de functie
van directeur en adjunct-directeur, wordt in geval van
samenvoeging van scholen de overblijvende school gelijkgesteld met
een nieuwe school. De directeur, onderscheidenlijk de
adjunct-directeur of adjunct-directeuren, kan slechts een van de
directeuren onderscheidenlijk kunnen slechts een of meer van de
adjunct-directeuren van de samen te voegen scholen zijn, tenzij
geen van de betrokkenen de desbetreffende functie wenst te
aanvaarden.
5.Het bevoegd gezag kan tevens
personeel, dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een
school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra, benoemen of te werk stellen zonder benoeming.
6.Aan een school kan
onderwijsondersteunend personeel zijn verbonden.
7.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke rechtspositionele gevolgen zijn
verbonden aan functies die zowel onderwijsgevende als
onderwijsondersteunende taken omvatten.
8.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks
het beleid vast met betrekking tot de formatie van de
verschillende categorieën personeel van de school. Indien
toepassing is gegeven aan het vijfde lid, stelt het bevoegd gezag
tevens jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie
van dat personeel. Zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling
van het in de eerste en tweede volzin bedoelde beleid met
betrekking tot de formatie, bepaalt het bevoegd gezag functies en
taken van het personeel van de school, met inachtneming van de
daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te geven nadere
voorschriften, en in voorkomend geval functies en taken van het in
het vijfde lid bedoelde personeel.
Artikel 29a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 29b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 29c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 30. Document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding
1.Het bevoegd gezag stelt ten
behoeve van de directies van zijn scholen, indien aan het totaal
van die scholen van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in de
functie van directeur onderscheidenlijk adjunct-directeur sprake
is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding vast.
2.Het document bevat streefcijfers,
met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers
worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het bevoegd gezag
een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de
schoolleiding wordt gevoerd, opdat aan de scholen te zamen in de
functie van directeur onderscheidenlijk adjunct-directeur vrouwen
en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de
evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding
mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel dat
werkzaam is in het door de school verzorgde onderwijs, zoals die
blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde
cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het
bevoegd gezag heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste
volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht
van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding
gedurende de periode waarvoor het document geldt,
onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.
3.Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de
school ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel, de
ouders en de leerlingen toegankelijke plaats, alsmede dat een
exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de school.
Artikel 31. Vaststelling
managementstatuut
1.Het bevoegd gezag stelt na
overleg met de directeur en indien toepassing is gegeven aan
artikel 29, vijfde lid, met het in dat artikellid bedoelde
personeel voor zover dat is belast met managementtaken met
betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op de
expertisecentra, een managementstatuut vast. In het
managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende
de bevoegdheden van de directeur en indien toepassing is gegeven
aan artikel 29, vijfde lid, tevens van de bevoegdheden van het in
dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met
managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen,
bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met betrekking tot de
toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.
2.Het managementstatuut bevat
tevens de aanduiding van de andere aan het bevoegd gezag bij
wettelijk voorschrift toegekende taken en bevoegdheden waarvan het
bevoegd gezag heeft bepaald dat de directeur van de school of
indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in
dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met
managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen,
bedoeld in de Wet op de expertisecentra deze in naam van het
bevoegd gezag kan uitoefenen. Het managementstatuut bevat voorts
instructies ten aanzien van deze taken en bevoegdheden.
3.Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat een exemplaar van het managementstatuut in het gebouw van
de school ter inzage beschikbaar is op een voor een ieder
toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van
het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig
mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie.
Artikel 32. Vereisten benoeming of
tewerkstelling personeel
1.Directeuren, adjunct-directeuren
en leraren worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel
tewerkgesteld zonder benoeming.
2.Tot directeur of
adjunct-directeur kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld
zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van:
1°. een verklaring omtrent
het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens,
2°. een getuigschrift,
afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, of van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en
b. voor zover tot de functie
werkzaamheden behoren waarvoor op grond van artikel 32a,
tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het bezit
is van:
1°. een getuigschrift,
afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat aan die
eisen is voldaan, of
2°. een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend
ten aanzien van de in artikel 32a, tweede lid, bedoelde
werkzaamheden die betrokkene zal verrichten, of
3°. een bewijsstuk dat hij
volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels
zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
c. niet krachtens rechterlijke
uitspraak is uitgesloten van het verrichten van de
werkzaamheden waarop de benoeming of de tewerkstelling zonder
benoeming is gericht.
3.De directeur of adjunct-directeur
die niet voldoet aan de eisen van het tweede lid, onder b, mag
voor zover het werkzaamheden betreft waarvoor op grond van artikel
32a, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, niettemin met
die werkzaamheden worden belast, voor een periode van ten hoogste
twee jaren.
4.De directeur of adjunct-directeur
die op grond van artikel 3 bevoegd is tot het geven van onderwijs
of die op grond van artikel 3a bevoegd is tot het verrichten van
de daar bedoelde onderwijsondersteunende werkzaamheden, kan tevens
worden belast met het geven van onderwijs respectievelijk met het
verrichten van die onderwijsondersteunende werkzaamheden.
5.Om te kunnen worden benoemd of
tewerkgesteld zonder benoeming tot leraar dient betrokkene te
voldoen aan artikel 3, eerste lid, of op grond van het derde lid
van dat artikel bevoegd te zijn tot het geven van onderwijs.
6.De onderwijsondersteunend
functionaris die wordt belast met werkzaamheden waarvoor op grond
van artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld,
dient te voldoen aan artikel 3a, eerste lid, onverminderd het
tweede en derde lid van dat artikel.
7.De onderwijsondersteunend
functionaris die wordt belast met andere werkzaamheden dan die
waarvoor op grond van artikel 32a, derde lid, bekwaamheidseisen
zijn vastgesteld, dient:
a. in het bezit te zijn van de
verklaring, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, en
b. te voldoen aan de overige
vereisten voor de te vervullen functie.
8.Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de vereisten,
bedoeld in het zevende lid, onder b.
9.De verklaring, bedoeld in het
tweede lid, onder a.1°, artikel 3, eerste lid, onder a, en
artikel 3a, eerste lid, onder a, die in verband met de benoeming
of tewerkstelling zonder benoeming wordt overgelegd, mag op het
tijdstip van overlegging niet ouder zijn dan een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen periode.
10.Indien betrokkene in het bezit
is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b
vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor
een periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het
bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door
dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee
jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het
bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot
de toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat
betrokkene voor de eerste maal na afgifte van de
geschiktheidsverklaring benoemt of tewerkstelt zonder benoeming,
tekent het feit en de datum van benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming aan op die verklaring.
11.Directeuren en
adjunct-directeuren die zijn benoemd of tewerkgesteld zonder
benoeming voordat de Wet op de beroepen in het onderwijs in
werking is getreden en bij hun benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming niet beschikten over een getuigschrift als bedoeld in
het tweede lid, onder a.2°, zijn vanaf het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet benoembaar of tewerkstelbaar zonder
benoeming als directeur respectievelijk adjunct-directeur indien
zij in elk geval voldoen aan de vereisten van het tweede lid,
onder a.1° en c. Het derde lid is niet van toepassing op deze
directeuren en adjunct-directeuren.
Artikel 32a. Bekwaamheidseisen
1.Bij algemene maatregel van
bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor leraren.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor werkzaamheden
van leidinggevende aard die nauw verband houden met het
pedagogisch-didactische klimaat op de school of die
onderwijskundige leiding omvatten, en kunnen ook voor andere
werkzaamheden van leidinggevende aard bekwaamheidseisen worden
vastgesteld.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor bij die
maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die
rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.
4.De in het eerste lid bedoelde
bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het
onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het
werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval
eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische
kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
5.De algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt aan de
beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
6.Onze minister stelt een
beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit
representatief acht voor onderwijspersoneel als bedoeld in deze
wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de in het
eerste, tweede of derde lid voorgeschreven bekwaamheidseisen en
kan een representatief geachte beroepsorganisatie in de
gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor
bekwaamheidseisen die op grond van het tweede lid kunnen worden
vastgesteld. Onze minister stelt deze organisatie vervolgens in
elk geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem een
voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de
bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als
bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre
dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van
bevoegde gezagsorganen en ouders van de leerlingen.
Artikel 32b. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten
aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden
verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende
gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de
bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en
herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling
voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van
ordening van deze gegevens.
Artikel 33. Rechtspositieregeling
personeel
1.Met inachtneming van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde
voorschriften als bedoeld in het tweede en vierde lid regelt het
bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie van het
personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school
zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voor het personeel, bedoeld in
artikel 32, voorschriften vastgesteld betreffende:
a. salarisschalen en
uitgangspunten waaraan een door het bevoegd gezag in te
richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, en
b. vakantie, verlof, aanspraken
op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval,
ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere rechten en
verplichtingen, dan wel de voorwaarden waaronder het bevoegd
gezag een of meer onderdelen van in dit onderdeel bedoelde
rechten en verplichtingen zelf regelt of voor de regeling
daarvan zorg draagt.
3.Onder regeling van de
rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen
het vaststellen van bepalingen omtrent aanstelling, benoeming,
schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van het personeel.
De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare
scholen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor
werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de
bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
4.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende
algemene arbeidsduur.
Artikel 33a. Benoeming, schorsing en
ontslag
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en
ontslaat het personeel. Van een benoeming in vaste dienst en in
tijdelijke dienst voor langer dan een half jaar, alsmede van een
ontslag uit een zodanige betrekking, doet het bevoegd gezag terstond
mededeling aan de inspecteur.
Artikel 34. Benoeming in algemene
dienst
1.Het bevoegd gezag benoemt de
directeur en de adjunct-directeur, de leraren en het
onderwijsondersteunend personeel in algemene dienst van het
bevoegd gezag.
2.Onder benoeming in algemene
dienst van het bevoegd gezag wordt in dit artikel en in de
artikelen 53 en 59 verstaan een benoeming ten behoeve van het
verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand
gehouden scholen.
Artikel 35 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 36. Verplichting tot bieden
van stagemogelijkheden
1.Het bevoegd gezag is verplicht
aan studenten die in opleiding zijn voor een functie in het
basisonderwijs of in het voortgezet onderwijs, gelegenheid te
bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de
school te verkrijgen.
2.De verplichting bedoeld in het
eerste lid, betreft:
a. studenten die op een school
voor de opleiding van onderwijzend personeel zijn ingeschreven
of anderszins studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen;
b. in een schooljaar
gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder a, dan de
helft van het aantal groepsleraren in dat jaar.
3.Een bevoegd gezag kan een student
de verdere toegang tot de school ontzeggen indien deze in de
school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de
school. Van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de
school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van
een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken
opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken
staatsexamencommissie, en aan de inspectie.
4.De directeur regelt, onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in
verband met de begeleiding door het onderwijzend personeel van de
studenten in de school in overeenstemming met dit personeel,
alsmede in overeenstemming met de betrokken
opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die
zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen om te
voldoen aan de bekwaamheidseisen, in overeenstemming met de
betrokken staatsexamencommissie.
5.Onze minister kan het bevoegd
gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of
gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De
ontheffing geldt voor een schooljaar.
6.De scholen waarop studenten als
bedoeld in het eerste lid, zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor
de inspectie belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen,
voor de directeuren en de door deze aan te wijzen leraren van die
opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken
staatsexamencommissies, een en ander voor zover zulks voor de
uitoefening van het toezicht op de praktische vorming,
onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de
in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.
Artikel 37. Landelijk georganiseerd
overleg
Over aangelegenheden van algemeen
belang voor de rechtstoestand van het personeel bedoeld in artikel
32, wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende
personeelsorganisaties en, voor zover zij daarbij belang hebben,
organisaties van gemeente- en schoolbesturen. De algemene maatregel
van bestuur bepaalt tevens de gevallen waarin in dat overleg
overeenstemming met de personeelsorganisaties dient te worden
bereikt.
Artikel 38. Georganiseerd overleg bij
scholen
Over de door het bevoegd gezag
ingevolge artikel 33 te treffen regelingen, alsmede over andere
aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere
rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende school, wordt
door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in
aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen
wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg,
bedoeld in de eerste volzin, alsmede in geval van een geschil over
de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de
betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie.
Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de
partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de
geschillencommissie heeft bindende kracht.
Artikel 38a. Scholings- en
begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het beroep
1.Degene die beschikt over een in
artikel 176b bedoelde geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag
dat betrokkene benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, en het
bestuur van een instelling die werkzaamheden uitvoert als bedoeld
in artikel 176g, eerste lid onder a, sluiten een overeenkomst die
hun wederzijdse rechten en plichten omvat met betrekking tot het
uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding, met
inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 176c, tweede
lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt dat
de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden
uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende
vervangende voorziening.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven
voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval
voorschriften ter waarborging van de kwaliteit van het daarin
bepaalde.
3.Tevens worden bij algemene
maatregel van bestuur bijzondere zonodig van deze wet afwijkende
voorschriften gegeven voor gevallen waarin men voor dezelfde
werkzaamheden wenst te worden benoemd of tewerkgesteld zonder
benoeming aan scholen die niet uitgaan van hetzelfde bevoegd
gezag.
4.De algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aan de beide
Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in
werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en
niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen
gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend.
§ 4. Leerlingen
Artikel 39. Toelatingsleeftijd; duur
onderwijs
1.Om als leerling tot een school te
worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van 4 jaar hebben
bereikt.
2.Het bevoegd gezag kan voor
kinderen die nog niet eerder tot een school, een school of
afdeling voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling voor speciaal
en voortgezet speciaal onderwijs zijn toegelaten,
toelatingstijdstippen vaststellen op ten minste eenmaal per maand.
3.In de periode vanaf de leeftijd
van 3 jaar en 10 maanden tot het bereiken van de leeftijd van 4
jaar kan het bevoegd gezag kinderen gedurende ten hoogste 5 dagen
toelaten. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet.
4.Leerlingen bij wie naar het
oordeel van de directeur van de school de grondslag voor het
volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is
gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de school, mits
hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk geval
verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar
waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.
Artikel 40. Toelating en verwijdering
van leerlingen
1. De beslissing over toelating en
verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De
toelating tot de school is niet afhankelijk van het houden van
rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000. De toelating mag niet afhankelijk worden
gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten
waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke
bijdrage zijn nietig, behoudens voorzover zij na de toelating van
de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het
desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt
dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst
niet behoeft te worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de
ondertekening wel een verplichting tot betaling van de
overeengekomen bijdrage bestaat. Zodanige overeenkomsten zijn
evenzeer nietig, indien deze niet hebben voorzien in de vermelding
dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor te kiezen om de
overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te gaan en
ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te onderscheiden
voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige
overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen
reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die
regeling niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst
wordt telkens voor de periode van een schooljaar aangegaan.
2. Toelating van leerlingen
afkomstig van een school voor speciaal onderwijs, een school voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede overgang van
een leerling naar een dergelijke school of instelling, vindt
slechts plaats in overeenstemming met de ouders.
3. Een leerling wordt niet
toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs dan nadat
de permanente commissie leerlingenzorg van het
samenwerkingsverband waarvan de speciale school voor
basisonderwijs deel uitmaakt, heeft bepaald dat plaatsing van de
leerling op een zodanige school noodzakelijk is. Indien de
permanente commissie leerlingenzorg, bedoeld in de eerste volzin,
heeft bepaald dat plaatsing van de leerling op een speciale school
voor basisonderwijs noodzakelijk is, wordt de leerling toegelaten
uiterlijk met ingang van het eerste van de volgende tijdstippen:
de eerste dag na de voor de school geldende zomervakantie, de
eerste dag na de voor de school geldende kerstvakantie dan wel 1
april.
4. De toelating tot een speciale
school voor basisonderwijs wordt niet geweigerd op de grond dat de
leerling niet is aangewezen op het onderwijs van een speciale
school voor basisonderwijs, indien de permanente commissie
leerlingenzorg van het samenwerkingsverband waaraan de speciale
school voor basisonderwijs deelneemt heeft bepaald dat plaatsing
van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs
noodzakelijk is. De toelating van een leerling van een basisschool
tot een speciale school voor basisonderwijs van het
samenwerkingsverband waaraan de basisschool deelneemt wordt voorts
niet geweigerd op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de
leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het
onderwijs van de school zullen respecteren.
5. Voordat wordt besloten tot
verwijdering hoort het bevoegd gezag de betrokken groepsleraar.
Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan
nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere
school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bereid is de leerling
toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes
is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan
worden verwezen, kan in afwijking van de vorige volzin tot
definitieve verwijdering worden overgegaan.
6. Indien tegen het besluit,
bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd gezag van een openbare
school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in afwijking
van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4 weken
gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
van het bezwaarschrift is verstreken.
Artikel 40a. Handelingsplan
1.Het bevoegd gezag van een school
waar een visueel gehandicapte leerling is ingeschreven of een
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is,
stelt in overeenstemming met de ouders voor elk schooljaar een
handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de eerste
volzin bedoelde leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het
handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die
inschrijving opgesteld.
2.In het handelingsplan dat
betrekking heeft op het laatste schooljaar van de periode
gedurende welke voor de leerling een leerlinggebonden budget
beschikbaar is, wordt aangegeven dat de voortzetting van de
voorzieningen die voor de leerling zijn getroffen op basis van het
leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een nieuwe beoordeling
door een zodanige commissie voor de indicatiestelling.
3.Het handelingsplan wordt
jaarlijks met de ouders geëvalueerd.
Artikel 40b. Te verstrekken gegevens
bij toelating
1. Onverminderd bij algemene
maatregel van bestuur gegeven voorschriften met betrekking tot de
in- en uitschrijving van leerlingen, vindt toelating van een
leerling als bedoeld in artikel 40 slechts plaats nadat de ouders
de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de
geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer van de
leerling hebben overgelegd. Indien de ouders aannemelijk maken dat
zij geen persoonsgebonden nummer van de leerling kunnen
overleggen, vindt de toelating plaats met inachtneming van het
derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege
verstrekt document dan wel een door een andere school of een
school voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving,
waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3. Indien de ouders aannemelijk
maken dat zij geen persoonsgebonden nummer van de leerling kunnen
overleggen, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het
besluit tot toelating aan Onze minister de beschikbare gegevens
van de leerling, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en
woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
4. Onze minister verstrekt binnen
acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid,
aan het bevoegd gezag het burgerservicenummer van de leerling, dan
wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een
burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de
leerling. Het onderwijsnummer is een door Onze minister uitgegeven
en aan de leerling toegekend persoonsgebonden nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in
het eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de
leerlingenadministratie van de school. Bij ministeriële regeling
kan worden bepaald welke andere gegevens in de
leerlingenadministratie worden opgenomen.
6. Indien aan een leerling een
onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag de beschikking
krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit
burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de
leerlingenadministratie van de school in de plaats van het
onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen
twee weken aan Onze minister onder opgave van het
burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de leerling.
Artikel 41. Verplichte deelname
leerlingen aan het onderwijs
1.De leerlingen nemen deel aan alle
voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat
die onderwijsactiviteiten voor de leerlingen onderling kunnen
verschillen.
2.Het bevoegd gezag kan op verzoek
van de ouders een leerling vrijstellen van het deelnemen aan
bepaalde onderwijsactiviteiten. Een vrijstelling kan slechts
worden verleend op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden.
Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke
onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die
waarvan vrijstelling is verleend.
Artikel 42. Onderwijskundig rapport
Over iedere leerling die de school
verlaat, stelt de directeur, na overleg met het onderwijzend
personeel, ten behoeve van de ontvangende school of school als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra dan wel als bedoeld in de
Wet op het voortgezet onderwijs een onderwijskundig rapport op.
Afschrift van dit rapport wordt aan de ouders van de leerling
verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften omtrent dit rapport worden gegeven.
Artikel 42a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 43. Onderwijskundig rapport
ten behoeve van een permanente commissie leerlingenzorg of een
commissie voor de indicatiestelling
1.Binnen vier weken na een daartoe
strekkend verzoek van een permanente commissie leerlingenzorg als
bedoeld in artikel 23 zendt de basisschool de commissie de
gegevens waaruit blijkt om welke reden naar het oordeel van de
directeur van de basisschool, mede op advies van het onderwijzend
personeel van de school, de leerling niet op de school kan worden
gehandhaafd en een beschrijving van de maatregelen die tijdens het
verblijf van de leerling op de school zijn getroffen om te
bewerkstelligen dat de leerling wel op de school zou kunnen worden
gehandhaafd. De basisschool verstrekt de commissie desgevraagd
tevens binnen vier weken alle nadere gegevens die de commissie
verlangt en die redelijkerwijs door de school kunnen worden
verstrekt.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing bij overgang van een leerling van een
speciale school voor basisonderwijs naar een dergelijke school in
een ander samenwerkingsverband, met dien verstande dat de gegevens
inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling.
3.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een verzoek van de
permanente commissie leerlingenzorg met betrekking tot een
leerling van een school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra, met dien verstande dat de gegevens inzicht geven
in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling.
4.Afschrift van het rapport,
bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt aan de ouders
van de leerling verstrekt.
5.Bij het verstrekken van de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, meldt de basisschool wanneer
en aan welke permanente commissie leerlingenzorg door haar reeds
eerder dergelijke gegevens over de leerling werden verstrekt.
6.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien het een verzoek betreft van
ouders van een leerling in het kader van hun verzoek aan de
commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, van
de Wet op de expertisecentra
7.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de in
dit artikel bedoelde gegevens.
§ 5. Ouders
Artikel 44. Ondersteunende
werkzaamheden ouders
Het bevoegd gezag stelt de ouders van
de leerlingen in de gelegenheid ondersteunende werkzaamheden ten
behoeve van de school en het onderwijs te verrichten. De ouders zijn
daarbij gehouden de aanwijzingen op te volgen van de directeur en
het overige onderwijzend personeel, die verantwoordelijk blijven
voor de gang van zaken.
Artikel 45. Tussenschoolse opvang en
organisatie van de buitenschoolse opvang
1.Het bevoegd gezag draagt zorg
voor een voorziening voor leerlingen om de middagpauze onder
toezicht door te brengen, indien ouders hierom verzoeken. Ingeval
de voorziening, bedoeld in de eerste volzin, tot stand komt,
draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
a. er een overblijfaanpak tot
stand komt,
b. overleg over de
overblijfaanpak tot stand komt met degenen die met het
toezicht op de leerlingen worden belast, en met de ouders,
c. het overblijven plaats vindt
in een veilige en kindvriendelijke ruimte, en
d. met ingang van 1 augustus
2011 ten minste de helft van degenen die met het toezicht op
de leerlingen worden belast, een scholing heeft gevolgd op het
gebied van het overblijven.
De kosten die hieruit voortvloeien
komen voor rekening van de ouders, voogden of verzorgers. Indien
de leerlingen van de voorziening, bedoeld in de eerste volzin,
gebruik maken, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat degene,
die met het toezicht op de leerlingen wordt belast, voor
wettelijke aansprakelijkheid verzekerd is. Het bevoegd gezag van
een bijzondere school is, telkenmale voor de duur van een
schooljaar, ontheven van de verplichting tot verzekering indien:
a. deze verplichting zich naar
zijn oordeel niet verdraagt met de godsdienstige of
levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten
grondslag ligt; en
b. het bevoegd gezag van zijn
oordeel mededeling heeft gedaan aan de ouders.
Van de ontheffing van de
verplichting bedoeld in de vorige volzin doet het bevoegd gezag
tijdig mededeling aan de inspecteur.
2.Het bevoegd gezag van een
basisschool draagt op daarvoor met ouders afgesproken dagen, zorg
voor de organisatie van kinderopvang in de zin van de Wet
kinderopvang, voor leerlingen, op doordeweekse niet-schooldagen,
niet zijnde algemeen erkende feestdagen en op schooldagen
gedurende de voor- en naschoolse periode, tussen 07:30 uur en
18:30 uur, indien een of meer ouders hierom verzoeken. De kosten
die uit de opvang als bedoeld in de eerste volzin voortvloeien,
komen voor rekening van de ouders.
3.Indien een of meer ouders gebruik
maken van andere kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang
dan bedoeld in het tweede lid, verstrekt het bevoegd gezag van een
basisschool op verzoek van die andere kinderopvang de praktische
informatie die nodig is voor de opvang van kinderen door die
kinderopvang.
Afdeling 2. Overige regelen voor het
openbaar onderwijs
Artikel 46. Karakter openbaar
onderwijs
1.Het openbaar onderwijs draagt bij
aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de
godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden
zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning
van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.
2.Openbare scholen zijn
toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst
of levensbeschouwing.
3.Openbaar onderwijs wordt gegeven
met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 47. Instandhouding openbare
school door een openbare rechtspersoon
1.Een gemeenteraad kan bij
verordening een openbare rechtspersoon instellen die tot doel
heeft een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te
houden, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in
de Wet op de expertisecentra of openbare scholen als bedoeld in de
Wet op het voortgezet onderwijs. Een openbare rechtspersoon kan
ook worden ingesteld door meer dan een gemeente ten behoeve van
het in stand houden van openbare scholen in die gemeenten door het
vaststellen van een voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in
het vierde lid, gelijkluidende verordening, in welk geval de
openbare rechtspersoon niet eerder tot stand komt dan nadat alle
daartoe strekkende verordeningen in werking zijn getreden.
2.De gemeenteraad of gemeenteraden
maken het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid
bekend.
3.De openbare rechtspersoon oefent
met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een
openbare school alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd
gezag. Hij bezit rechtspersoonlijkheid.
4.De verordening, bedoeld in het
eerste lid, voorziet in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze
en inrichting van het bestuur van de openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming,
herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met
dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd
door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt
benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen
die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de
bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de
begroting na goedkeuring door de desbetreffende gemeenteraad
of gemeenteraden en de vaststelling van de jaarrekening na
instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de
gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur
uitoefenen,
f. de gronden waarop het
bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden, en
g. de periode waarvoor de
openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen, met dien
verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
met dien verstande dat in de
regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur
is verzekerd. De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden
onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang,
waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.
5.Het bestuur brengt jaarlijks aan
de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de
werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken
aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag
wordt openbaar gemaakt.
6.De vergaderingen van het bestuur
van de openbare rechtspersoon zijn openbaar, tenzij het bestuur
anders beslist, op gronden, vermeld in de verordening.
7.Indien voor 1 februari van het
jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is
goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen
die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces
te waarborgen.
8.De gemeenteraad of gemeenteraden
zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het
bestuur van de scholen en zo nodig de openbare rechtspersoon te
ontbinden.
Artikel 48. Instandhouding openbare
school door een stichting
1.Een gemeenteraad kan besluiten
dat een of meer openbare scholen in de gemeente in stand worden
gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand
houden van een of meer openbare scholen, al dan niet te zamen met
openbare scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of
openbare scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs.
2.De gemeenteraad maakt het
voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.
3.Een stichting die een openbare
school in stand houdt, wordt opgericht door een of meer gemeenten,
al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
4.Het statutaire doel van de
stichting is uitsluitend het geven van openbaar onderwijs
overeenkomstig artikel 46.
5.De stichting oefent met
uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een
openbare school alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag
uit.
6.Onverminderd het vierde lid
voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze
en inrichting van het bestuur van de stichting,
b. de wijze van benoeming,
herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met
dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd
door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt
benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen
die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de
bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de
begroting na goedkeuring door de desbetreffende gemeenteraad
of gemeenteraden en de vaststelling van de jaarrekening na
instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de
gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur
uitoefenen,
f. de gronden waarop het
bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
g. de periode waarvoor de
stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat
deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting
te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een
overheersende invloed van de overheid in het bestuur is
verzekerd.
De goedkeuring bedoeld in onderdeel
d kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het
algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de
gemeente.
7.De statuten van de stichting
kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.
8.Het bestuur brengt jaarlijks aan
de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de
werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken
aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag
wordt openbaar gemaakt.
9.De vergaderingen van het bestuur
van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist,
op gronden, vermeld in de statuten.
10.Indien voor 1 februari van het
jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is
goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen
die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces
te waarborgen.
11.De gemeenteraad of gemeenteraden
zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het
bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.
Artikel 49. Bestuursoverdracht
openbare scholen
1.De rechtspersoon die een openbare
school in stand houdt, kan de instandhouding van die school
overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van
een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij
notariële akte.
2.Bij deze akte verbindt de
overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van
gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen.
Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in
artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3.In de akte wordt bepaald dat de
rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke
betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte
van aanstelling, aan de school aanstelt met ingang van de datum
van overdracht.
4.Door overdracht met inachtneming
van de voorgaande leden treedt de verkrijgende rechtspersoon in
alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn
rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag,
onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar
burgerlijk recht is vereist.
Artikel 50. Mogelijkheid
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen
in de gelegenheid op de school, binnen de schooltijden,
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te
ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120
uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de
leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en onder b, ten
minste moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet
volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten
op de school.
Artikel 51. Leraren
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Godsdienstonderwijs wordt gegeven
door leraren daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten,
plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van
godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door
volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke
grondslag.
Het bevoegd gezag ziet erop toe dat
dit onderwijs uitsluitend wordt gegeven door een leraar die blijkens
een daartoe strekkende verklaring van de aanwijzende instantie:
a. voldoet aan de
bekwaamheidseisen die krachtens artikel 32a, eerste lid, voor
het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 51a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 52. Disciplinaire maatregel,
schorsing en ontslag door Gedeputeerde Staten
In afwijking van artikel 33, derde
lid, zijn Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie
bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing op te leggen dan wel
het ontslag te verlenen, indien het betreft een directeur, een
adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend personeel
van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van de
gemeente die de school in stand houdt.
Artikel 52a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 52b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 53. Akte van aanstelling
1.Ieder personeelslid is in het
bezit van een door het bevoegd gezag getekende akte van
aanstelling. De akte van aanstelling bevat in elk geval:
a. de naam en het adres van het
bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de
geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de
aanstelling;
d. de functie waarin de
betrokkene wordt aangesteld;
e. de omvang van de betrekking;
f. de bepaling of de
aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in
het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur
van de aanstelling;
g. de op de dag van zijn
aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;
h. de bepaling dat de
betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het
bevoegd gezag; en
i. voor personeelsleden die bij
de uitoefening van hun functie kennis nemen van persoonlijke
gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent geheimhouding
daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit anderen
hoofde is verzekerd.
2.Het bevoegd gezag draagt zorg dat
afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt
aangetoond, de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen
omtrent het gedrag, alsmede van de akten van aanstelling van het
aan de school verbonden personeel worden bewaard.
3.Het eerste lid, aanhef en onder
i, en het tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op
personeel dat is tewerkgesteld zonder aanstelling.
Artikel 54. Horen directeur bij
aanstelling personeel
De aanstelling of tewerkstelling
zonder aanstelling van de mede-directeur, de adjunct-directeur of
leraren geschiedt de directeur gehoord.
Afdeling 3. Overige voorwaarden voor
bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Artikel 55. Instandhouding bijzondere
school door rechtspersoon
Een bijzondere school wordt in stand
gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die
zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten
doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
Artikel 56. Bestuursoverdracht
1.De rechtspersoon die de school in
stand houdt, kan de instandhouding van de school overdragen aan
een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 55. De overdracht
geschiedt bij notariële akte.
2.Bij deze akte verbindt de
overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van
gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen.
Deze akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in artikel 89
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3.In de akte wordt bepaald dat de
rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke
betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte
van benoeming, benoemt met ingang van de datum van overdracht.
4.Door overdracht met inachtneming
van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in
alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn
rechtsvoorganger met betrekking tot de school, onverminderd
hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is
vereist.
5.Bij een splitsing als bedoeld in
artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een
rechtspersoon die een school in stand houdt, wordt in de
splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende
rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke
verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school
overgaat. In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde
lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 57. Godsdienstonderwijs of
levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Onverminderd artikel 9 kunnen de
onderwijsactiviteiten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs omvatten. Van de tijd daaraan te besteden worden
ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren
onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef
en onder b, ten minste moeten ontvangen. Het geven van
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan
worden opgedragen aan een niet aan de school verbonden leraar.
Artikel 58. Geen weigering toelating
op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing
1.Indien binnen redelijke afstand
van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het
volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet
worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of
levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing indien de
school uitsluitend is bestemd voor interne leerlingen.
2.Leerlingen die ingevolge het
eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te
volgen.
Artikel 59. Akte van benoeming
1.De akte van benoeming bevat
tenminste bepalingen van gelijke inhoud als zijn vastgesteld bij
de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 33, tweede
lid onder a en b, voor zover deze geen rechtstreekse aanspraak op
het Rijk geven.
2.Ieder personeelslid is in het
bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van
benoeming. De akte van benoeming bevat in elk geval:
a. de naam en het adres van het
bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de
geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de
benoeming;
d. de functie waarin de
betrokkene wordt benoemd;
e. de omvang van de betrekking;
f. de bepaling of de benoeming
in vaste of tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste
geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de
benoeming;
g. de op de dag van zijn
benoeming van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;
h. de bepaling dat de
betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het
bevoegd gezag; en
i. voor personeelsleden die bij
de uitoefening van hun functie kennis nemen van persoonlijke
gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent geheimhouding
daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit anderen
hoofde is verzekerd.
3.De akte van benoeming bevat
bepalingen inzake gronden voor schorsing, ontslag en disciplinaire
maatregelen.
4.Het bevoegd gezag draagt zorg dat
afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt
aangetoond, de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen
omtrent het gedrag, alsmede van de akten van benoeming van het aan
de school verbonden personeel worden bewaard.
5.Het tweede lid, aanhef en onder
i, en het vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op
personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming.
Artikel 60. Beroepsrecht personeel
1.Het bevoegd gezag is aangesloten
bij een commissie van beroep. Het personeel kan bij die commissie
beroep instellen tegen een beslissing van het bevoegd gezag
inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel;
b. schorsing;
c. het direct of indirect
onthouden van promotie;
d. het verminderen van de
omvang van de betrekking;
e. ontslag anders dan op eigen
verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt;
f. de beslissing van het
bevoegd gezag ten aanzien van een personeelslid op basis
waarvan op termijn vermindering van diens betrekkingsomvang
kan plaatsvinden;
g. de beëindiging van een
verlengd tijdelijk dienstverband;
h. de aanwijzing als
personeelslid boven de basisformatie voortvloeiend uit een
algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing op termijn
kan leiden tot ontslag, vermindering van de betrekkingsomvang
of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
i. de aanwijzing van een andere
school of andere scholen waaraan een personeelslid
werkzaamheden zal verrichten.
2.Een beslissing als bedoeld in het
vorige lid, aanhef, wordt schriftelijk aan de betrokkene
medegedeeld. Daarbij wordt tevens vermeld de beroepstermijn en het
adres van de commissie waar het beroep kan worden ingesteld.
3.Het bevoegd gezag onderwerpt zich
aan de uitspraak van de commissie.
Artikel 61. Beroepstermijn
1.Het beroep bedoeld in artikel 60,
wordt schriftelijk ingesteld binnen 6 weken, nadat de beslissing
aan betrokkene is medegedeeld. Bij overschrijding van deze termijn
ten gevolge van omstandigheden die de betrokkene niet kunnen
worden verweten, laat de commissie niet-ontvankelijkverklaring op
die grond achterwege.
2.Tijdens de behandeling door de
commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot
rechtsvorderingen ter zake van beslissingen die aan het oordeel
van de commissie zijn onderworpen.
Artikel 62. Commissie van beroep
personeel
1.Een commissie van beroep strekt
haar werkzaamheden uit over ten minste 50 bijzondere scholen. Onze
minister kan dit aantal lager stellen.
2.Tot scholen bedoeld in het eerste
lid, kunnen ook scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet
speciaal onderwijs, of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en
scholen voor voortgezet onderwijs behoren.
3.De commissie bestaat uit 5 leden
en 5 plaatsvervangende leden, waarvan 2 leden en 2
plaatsvervangende leden worden gekozen door het bevoegd gezag en 2
leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel van de
aangesloten scholen. Deze 4 leden kiezen het vijfde lid, tevens
voorzitter, en diens plaatsvervanger.
4.De leden en plaatsvervangende
leden mogen niet behoren tot het bevoegd gezag of het personeel
van een aangesloten school of tot de inspectie van het onderwijs.
5.Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de
samenstelling en de werkwijze van de commissie van beroep.
Artikel 63. Beslissingen bijzonder
onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
1.Indien het bevoegd gezag van een
bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een student
de toegang weigert, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met
redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de
student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
2.Indien het bevoegd gezag van een
bijzondere school op grond van artikel 40 weigert een leerling toe
te laten dan wel een leerling verwijdert, deelt het de beslissing
daartoe, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending
of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van
het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het
bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van dat
artikellid beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de
ouders van de leerling, onverminderd het bepaalde in dat
artikellid. Het bevoegd gezag neemt de beslissing, bedoeld in de
eerste volzin, zo spoedig mogelijk, met dien verstande dat de
beslissing over de toelating van een leerling voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is uiterlijk drie maanden na
ontvangst van het verzoek tot toelating wordt genomen.
3.Binnen 6 weken na de mededeling,
bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag
schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het
bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren.
Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.
Artikel 63a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 63b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 63c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 63d [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 63e [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 63f [Vervallen per
01-08-1998]
Titel III. Overige bepalingen met
betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Artikel 64 [Vervallen per 30-07-2004]
Artikel 64a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 64b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 65. Schoolwijken
1.De gemeenteraad is bevoegd
uitsluitend in het belang van een doelmatige spreiding van de
leerlingen over de openbare scholen, het grondgebied van de
gemeente in schoolwijken te verdelen.
2.Een besluit als bedoeld in het
eerste lid, geldt voor ten minste 3 schooljaren, met dien
verstande dat tussentijdse wijziging mogelijk is in geval van
veranderingen in het scholenbestand. Burgemeester en wethouders
zenden binnen 4 weken nadat het besluit is genomen afschrift
daarvan aan gedeputeerde staten.
3.De toelating tot een openbare
school geschiedt in overeenstemming met de vastgestelde
schoolwijken, tenzij de ouders van een leerling schriftelijk aan
het bevoegd gezag te kennen geven toelating tot een school in een
andere schoolwijk te wensen.
Artikel 66. Overlegorgaan b.o. –
s.o.
Vertegenwoordigers van het
basisonderwijs en het speciaal onderwijs kunnen ten behoeve van de
scholen en instellingen die zij vertegenwoordigen een overlegorgaan
oprichten met het doel de samenwerking tussen die scholen en
instellingen te bevorderen ten aanzien van de toelating van
leerlingen en de inrichting van het onderwijs.
Artikel 67. Overlegorgaan b.o. –
aansluitend v.o.
Met betrekking tot het basisonderwijs
en het aansluitend voortgezet onderwijs is artikel 66 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 68. Centrale dienst
1.Op het personeel van een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die
a. uitsluitend wordt bestuurd
door een bevoegd gezag al dan niet met een of meer andere
bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op de
expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. zich blijkens de statuten
dan wel de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen, uitsluitend ten doel stelt om
ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die
uit 's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten
ter verzekering van de goede gang van het onderwijs met
uitzondering van het leiden van de school, het geven van
onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein
van de schoolbegeleiding,
c. niet het maken van winst
beoogt,
d. wordt gefinancierd met
behulp van bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor
diensten worden verricht, waaronder begrepen de bekostiging
voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of
artikel 132, en
e. Onze minister heeft
medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit artikel
werkzaam te willen zijn,
zijn van toepassing de in artikel
33 bedoelde voorschriften en regels.
Voor de toepassing van de eerste
volzin, onder b, wordt onder het geven van onderwijs niet begrepen
het onderwijs dat wordt gegeven door personeel dat is benoemd of
aangesteld op bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in
artikel 120, vierde lid, of artikel 132.
2.Onder bevoegd gezag en bevoegde
gezagsorganen in het eerste lid onderdeel a wordt mede verstaan
burgemeester en wethouders.
3.Het bestuur van de rechtspersoon
is aangesloten bij een commissie van beroep als bedoeld in artikel
60. De leden en plaatsvervangende leden van een commissie van
beroep mogen niet behoren tot het bestuur of het personeel van de
rechtspersoon.
4.De in het eerste lid onder a
bedoelde bevoegde gezagsorganen delen Onze minister mede dat zij
het bestuur vormen van een rechtspersoon in de zin van dit
artikel. Voorts verschaffen zij Onze minister en de door hem
aangewezen personen desgevraagd alle inlichtingen omtrent de
rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het eerste lid onder a
bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze minister mededelen dat
zij erin toestemmen dat de gevraagde inlichtingen rechtstreeks
door het bestuur van de rechtspersoon zelf aan Onze minister en de
door hem aangewezen personen worden verschaft.
5.Burgemeester en wethouders en het
bevoegd gezag dat deel uitmaakt van het bestuur van de
rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de in de
voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.
6.De artikelen 37, 38, 60 en 61
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het personeel
van de rechtspersoon met dien verstande dat een
geschillencommissie haar werkzaamheden uitstrekt over ten minste
vijf rechtspersonen als bedoeld in dit artikel.
7.De artikelen 164, 171, 172, 175,
177 en 182 zijn van overeenkomstige toepassing voor de centrale
diensten die op grond van artikel 132 personeelsbekostiging voor
zorgvoorzieningen ontvangen.
Titel IV. Bekostiging
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 69. Grondslag bekostiging
1.De openbare en de bijzondere
scholen worden door het Rijk bekostigd volgens de bepalingen van
deze titel met uitzondering van afdeling 3. Geen bekostiging vindt
plaats indien groepen van leerlingen van verschillende scholen al
dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs
ontvangen. De bedragen die de gemeente krachtens deze wet in
aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt blijven ten laste van
de gemeente.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere voorschriften gegeven ter uitvoering van het
eerste lid. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in elk geval
een regeling omtrent de termijnen binnen welke besluiten moeten
worden genomen.
3.De algemene maatregel van bestuur
bedoeld in het tweede lid, bevat tevens:
a. een regeling omtrent de
betaling van de bedragen van de bekostiging voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voortvloeiende
uit het gebruik door een school van voorzieningen die voor
meer dan een school of voor andere doeleinden zijn bestemd;
b. een financiële regeling
tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen die personeel in
dienst hebben dat niet door het Rijk wordt bekostigd ter zake
van een korting op de bekostiging ter compensatie van de
kosten van de voor dat personeel geldende rechtspositionele
voorzieningen, voor zover deze ten laste van 's Rijks kas
komen.
4.De algemene maatregel van bestuur
bedoeld in het tweede lid, wordt aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking
dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende
die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen
gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo
spoedig mogelijk ingediend.
5.Artikel 4:32 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van
scholen.
Artikel 70. Aanvullende middelen
Onze minister kan onder nader te
stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die
niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze
wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar die direct of
indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor
verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor
zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie
betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige
OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 70a. Leerlinggebonden budget
1.Indien op verzoek van de ouders
van een leerling voor wie op basis van een beoordeling door een
commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van
de Wet op de expertisecentra een leerlinggebonden budget
beschikbaar is, die leerling wordt ingeschreven bij een school,
dan wel indien een dergelijk budget beschikbaar komt voor een
leerling die al staat ingeschreven bij een school, meldt het
bevoegd gezag van die school die inschrijving, respectievelijk het
beschikbaar komen van een leerlinggebonden budget voor de
desbetreffende leerling, aan Onze minister.
2.Indien sprake is van een eerste
inschrijving bij een school als leerling voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, dan wel indien een
leerlinggebonden budget beschikbaar komt voor een leerling die al
staat ingeschreven bij een school, wordt met ingang van de eerste
dag van de maand volgend op de inschrijving, respectievelijk het
beschikbaar komen van het leerlinggebonden budget, aan het bevoegd
gezag van die school ten behoeve van die leerling een
leerlinggebonden budget toegekend, dat wordt berekend op een bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze. De
omvang van het leerlinggebonden budget is afhankelijk van de
onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard,
waarbinnen onderscheid kan worden gemaakt op grond van
leerlingkenmerken. Indien een leerling voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt, dan wel blijft,
ingeschreven bij een speciale school voor basisonderwijs, meldt
het bevoegd gezag de reden voor inschrijving, respectievelijk het
ingeschreven blijven, bij die speciale school voor basisonderwijs
aan Onze minister.
3.Indien ten behoeve van een
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is in
het lopende schooljaar dat budget aan het bevoegd gezag van een
school is toegekend, wordt bij inschrijving van die leerling bij
een andere school, het in het tweede lid bedoelde leerlinggebonden
budget aan het bevoegd gezag van laatstbedoelde school toegekend
met ingang van het nieuwe schooljaar.
4.Het bevoegd gezag van de school
is verplicht een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
deel van het leerlinggebonden budget te besteden bij een school
als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waarbinnen onderwijs
wordt gegeven van de soort waarvoor de leerling toelaatbaar is
verklaard of van de soort die behoort tot hetzelfde cluster als de
onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard. Het
in de eerste volzin bedoelde deel kan voor de onderwijssoorten,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de
expertisecentra, verschillend worden vastgesteld. De eerste volzin
is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leerling die
toelaatbaar is verklaard tot het cluster, bedoeld in artikel 2,
vierde lid onder d, van de Wet op de expertisecentra.
5.Bij de melding, bedoeld in het
eerste lid, geeft het bevoegd gezag tevens aan bij welke school
bedoeld in de Wet op de expertisecentra het in het vierde lid
bedoelde deel van het leerlinggebonden budget wordt besteed. Op
grond van deze melding kent Onze minister dat deel van het
leerlinggebonden budget toe aan laatstbedoelde school.
6.In afwijking van de tweede volzin
van het tweede lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden
bepaald in welke gevallen en in welke mate de omvang van het
leerlinggebonden budget bij inschrijving, dan wel het ingeschreven
blijven, van een leerling bij een speciale school voor
basisonderwijs lager wordt vastgesteld dan bij inschrijving van
die leerling bij een basisschool.
7.Een krachtens het tweede, vierde
en zesde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in
werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na de overlegging zijn
verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen
die termijn door of namens de kamer de wens te kennen wordt
gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur
bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend
voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3
volzinnen zijn niet van toepassing, voor zover het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur voordien aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal is voorgelegd en door of namens de kamer te kennen
is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen,
kan worden afgeweken.
Artikel 70b. Indicatiestelling op
verzoek van bevoegd gezag
1.De commissie voor de
indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c van de Wet op de
expertisecentra, beoordeelt, indien de ouders van een leerling
niet overgaan tot een verzoek als bedoeld in artikel 28c, eerste
lid, van de Wet op de expertisecentra, op verzoek van het bevoegd
gezag van de school van een leerling, die zijn woonplaats heeft in
het gebied van het regionaal expertisecentrum dat de
desbetreffende commissie voor de indicatiestelling in stand houdt,
of een leerling op basis van de in het achtste lid van artikel 28c
van de Wet op de expertisecentra bedoelde criteria:
a. in aanmerking komt voor een
leerlinggebonden budget indien de leerling wordt dan wel is
ingeschreven bij een school alsmede
b. toelaatbaar is tot het
cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder d, van de Wet
op de expertisecentra, waarvoor de commissie voor de
indicatiestelling werkzaam is.
2.Het tweede, vierde, vijfde,
zesde, zevende, achtste, tiende en elfde lid van artikel 28c van
de Wet op de expertisecentra zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Het bevoegd gezag informeert de
ouders van de desbetreffende leerling schriftelijk over zijn
voornemen om tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid over te
gaan en stelt hen daarbij in de gelegenheid binnen ten minste vier
weken na dagtekening van de informatieve mededeling aan te geven
of zij zelf tot een verzoek overgaan. Bij het
aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, geeft
het bevoegd gezag de reactie van de ouders weer.
Artikel 71. Beroep
Een belanghebbende kan beroep
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
tegen:
a. een besluit of een van
rechtswege verleende goedkeuring als bedoeld in de afdelingen 2
en 9 van deze titel,
b. een besluit als bedoeld in
artikel 123, tweede lid, en
c. een besluit als bedoeld in
artikel 135.
Artikel 72. Instandhouding openbare
scholen door een stichting of een openbare rechtspersoon
1.Voor de toepassing van deze titel
zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen,
van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand
worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 48 of
een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47, tenzij het
tegendeel blijkt.
2.Indien een openbare school in
stand wordt gehouden door een stichting of een openbare
rechtspersoon, wordt deze aangemerkt als een door de gemeente in
stand gehouden openbare school voor de toepassing van afdeling 2
en afdeling 9.
Artikel 72a. Afwijking van de
reguliere bekostiging
1.Onze minister kan op aanvraag van
een bevoegd gezag besluiten dat, met het oog op de ontwikkeling
door scholen van instrumenten voor planning en beheer, de
artikelen 123, tweede en derde lid, 129, 148 en 149 niet van
toepassing zijn op de bekostiging van de scholen van dat bevoegd
gezag. Voor een dergelijk besluit komen ten hoogste vijfentwintig
bevoegde gezagsorganen in aanmerking. Onze minister kan een
tijdstip vaststellen voor welke de aanvragen moeten worden
ingediend.
2.Onze minister bepaalt bij zijn
besluit welke regelen en voorwaarden voor de bekostiging zullen
gelden in plaats van het bepaalde bij of krachtens de artikelen,
genoemd in het eerste lid, alsmede de wijze van bekostiging. Onze
minister kan aan het besluit voorschriften verbinden omtrent het
afleggen van rekening en verantwoording van het financieel beheer,
alsmede, zo nodig in afwijking van het bepaalde krachtens artikel
182, tweede volzin, omtrent de inrichting van de boekhouding.
3.Onze minister stelt, na overleg
met de aanvrager, een ontwerp op van het besluit en zendt dit
ontwerp aan de aanvrager. Indien de aanvrager zijn aanvraag niet
binnen twee weken na verzending van het ontwerp van het besluit
door Onze minister heeft ingetrokken, besluit Onze minister
overeenkomstig het ontwerp.
4.Voor zover nodig neemt Onze
minister, na overleg met de gemeente of gemeenten die het aangaat,
een besluit omtrent toepassing van de overschrijdingsregeling,
bedoeld in de artikelen 142 tot en met 147, door de gemeente of
gemeenten waar een of meer scholen waarop een besluit als bedoeld
in het eerste lid van toepassing is, gevestigd zijn. Onze minister
kan daarbij afwijken van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 142 tot en met 147.
5.Het besluit, bedoeld in het
eerste lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vier jaren.
6.Indien voor het einde van de
geldigheidsduur van het besluit een voorstel van wet tot invoering
van lumpsumbekostiging voor de personeels- en exploitatiekosten
van scholen als bedoeld in deze wet bij de Staten-Generaal wordt
ingediend, kan de minister het besluit, bedoeld in het eerste lid,
na overleg met het bevoegd gezag, zodanig aanpassen en in
afwijking van het vijfde lid verlengen, dat een goede overgang
wordt gewaarborgd naar het bekostigingssysteem dat geldt op het
moment waarop de periode eindigt waarop het besluit betrekking
heeft.
Afdeling 2. Aanvang van de
bekostiging
§ 1. Basisscholen
Artikel 73. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt onder
«school» verstaan: basisschool.
Artikel 74. Plan van nieuwe scholen
1.De bekostiging van een openbare
en een bijzondere school kan slechts een aanvang nemen, indien zij
voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan
van nieuwe scholen. De bekostiging van een nevenvestiging neemt
slechts een aanvang op grond van artikel 85. De artikelen 74,
tweede lid, tot en met 83 zijn niet van toepassing op
nevenvestigingen, bij omzetting van een bekostigde bijzondere
school in een bekostigde openbare school of omgekeerd, bij
omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde
bijzondere school van een andere richting en bij uitbreiding van
het onderwijs aan een school met openbaar onderwijs of met
onderwijs van een of meer richtingen. De bekostiging kan slechts
aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.
2.De gemeenteraad stelt het plan,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, al dan niet in
samenwerking met de raad van een of meer andere gemeenten, elk
jaar voor 1 augustus vast. Het plan bestrijkt 3 achtereenvolgende
schooljaren volgende op het jaar van de vaststelling en vermeldt
in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste
schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen
en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking
komen. Het plan vermeldt verder van elke school de plaats van
vestiging en de te verwachten omvang. Het plan behoeft de
goedkeuring van Onze minister, bedoeld in artikel 79.
3.Bij de goedkeuring van Onze
minister van het plan, treden voor de toepassing van artikel 4:8
van de Algemene wet bestuursrecht burgemeester en wethouders in de
plaats van het bevoegd gezag van de bijzondere scholen.
Artikel 75. Plaatsing openbare school
op plan
1.Een voorstel van burgemeester en
wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een
of meer openbare scholen bevat, gaat vergezeld van:
a. een prognose van het te
verwachten aantal leerlingen,
b. de beschrijving van het
voedingsgebied,
c. de aanduiding van de plaats
in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven en
d. de voorgestelde datum van
ingang van de bekostiging.
2.De gemeenteraad neemt een
openbare school in elk geval in het plan op, indien binnen 10
kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet
worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is
waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van
openbaar onderwijs behoefte bestaat. De gemeenteraad neemt een
openbare school voorts in het plan op, indien op grond van de bij
het voorstel overgelegde gegevens aannemelijk is, dat zij voldoet
aan de normen van artikel 77, eerste lid.
3.De in het eerste lid bedoelde
prognose:
a. geeft inzicht in het te
verwachten aantal leerlingen voor elk jaar van het tijdvak
waarop de prognose betrekking heeft,
b. is gebaseerd op statistische
gegevens over een tijdvak van 5 jaar en
c. vermeldt de berekeningen die
tot de uitkomsten hebben geleid.
De prognose bevat gegevens omtrent:
1°. het voedingsgebied,
2°. de plaats in de gemeente
waar het onderwijs moet worden gegeven,
3°. de bevolking in het
voedingsgebied van 0 tot en met 14 jaar, verdeeld in
leeftijdsgroepen van 1 jaar,
4°. de te verwachten instroom
naar en uitstroom uit die bevolking,
5°. het te verwachten aantal
levendgeborenen en
6°. indien het betreft
openbaar onderwijs waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de
gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het
openbaar basisonderwijs in een vergelijkbare gemeente, of
7°. indien het betreft
openbaar onderwijs waarvoor reeds een school binnen de
gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de
openbare school of scholen binnen de gemeente.
De prognose kan tevens gegevens
bevatten naar aanleiding van de directe meting.
4.Bij ministeriële regeling worden
modellen vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld
in het eerste lid. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de
prognose wordt ingediend.
Artikel 76. Verzoek om opneming in
plan van bijzondere school
1.Een verzoek om opneming in het
plan van een bijzondere school moet voor 1 februari van het jaar
van de vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden
ingediend.
2.Het verzoek vermeldt de richting
van de school en naam en adres van het bevoegd gezag en gaat
vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid,
juncto artikel 75, derde lid, met dien verstande dat in afwijking
van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid onder c
6°en c 7° de prognose gegevens bevat omtrent:
a. indien het betreft een
richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente
wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het
basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente,
of
b. indien het betreft een
school van een richting waarvoor reeds een school binnen de
gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de
school of scholen van die richting binnen de gemeente.
Indien de door het bevoegd gezag
verstrekte gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen
beoordelen, delen burgemeester en wethouders voor 1 maart volgend
op de in het eerste lid genoemde datum aan het bevoegd gezag mede
dat de gegevens voor 1 april daaropvolgend dienen te worden
aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 1 april zijn
verstrekt, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten.
Artikel 77. Opneming bijzondere
school in plan
1.De gemeenteraad neemt een
bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van
de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij
binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en
voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden
bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met
de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.
2.Bij ministeriële regeling wordt
voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6
bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend
op grond van artikel 154. De uitkomst wordt afgerond, waarbij de
decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de
komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden verwaarloosd en het
getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma
gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt
minimaal 200.
3.De stichtingsnormen, bedoeld in
het tweede lid, zijn in afwijking van het tweede lid, eerste
volzin, voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende
bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze
normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een
tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de
opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële
regeling aangepast. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde
volzin, wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het
laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn,
bekendgemaakt in de Staatscourant.
4.In het geval van een wijziging
van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in
artikel 283 van de Gemeentewet, stelt Onze minister op de wijze
als aangegeven in het tweede lid de nieuwe stichtingsnormen voor
de betrokken gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op
grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen. De
nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de op grond van
het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden in
werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van
herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet
algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de
datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die
bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de
grenscorrectie zijn betrokken, de stichtingsnormen van toepassing
die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.
5.In het geval van een wijziging
van de naam van een gemeente of een wijziging van het
gemeentenummer past Onze minister de ministeriële regeling,
bedoeld in het tweede lid, of de bijlage, bedoeld in het derde
lid, dienovereenkomstig aan.
Artikel 78. Berekening aantal
leerlingen
Bij de berekening van het aantal
leerlingen dat een openbare of een bijzondere school zal bezoeken,
worden niet meegeteld leerlingen die wonen binnen redelijke afstand
van een openbare school, onderscheidenlijk van een bijzondere school
van de desbetreffende richting of richtingen en voor wie op die
school plaatsruimte aanwezig is.
Artikel 79. Goedkeuring plan door
minister
1.Aan het plan wordt toegevoegd een
overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd en de
motivering daarvan. In het plan wordt aangegeven op welke wijze
artikel 78 ten aanzien van de op het plan geplaatste scholen is
toegepast. Deze stukken worden door de gemeenteraad binnen 2 weken
na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met
vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze
minister is gezonden. Het plan wordt gedurende 6 weken ter inzage
gelegd in het gemeentehuis.
2.Binnen 2 weken na de vaststelling
wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het
gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en de stukken genoemd
in het eerste lid. Indien de bij het verzoek gevoegde gegevens
onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen, deelt Onze
minister voor 15 september volgend op de in de eerste volzin
bedoelde datum aan burgemeester en wethouders mede dat de gegevens
voor 15 oktober daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien
de aanvullende gegevens niet voor 15 oktober zijn verstrekt, wordt
het verzoek buiten behandeling gelaten.
3.Onze minister besluit voor 1
januari voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit
wordt binnen 2 weken aan de gemeenteraad gezonden. Indien Onze
minister niet voor 1 januari heeft besloten, wordt het plan geacht
te zijn goedgekeurd.
4.Onze minister onthoudt zijn
goedkeuring voor zover:
a. de in artikel 75, tweede lid
eerste volzin, omschreven situatie zich voordoet en geen
openbare school in het plan werd opgenomen;
b.
1°. op grond van de bij
het verzoek om goedkeuring overgelegde gegevens niet
aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen
77 en 78 zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77
vereiste aantal leerlingen, dan wel
2°. indien het in een
zodanig geval betreft een openbare school de stichting
daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75,
tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet
voordoet;
c.
1°. wegens een in het plan
opgenomen andere school of een in een plan van een andere
gemeente opgenomen school, die voor bekostiging in
aanmerking zal worden gebracht, niet aannemelijk is dat
een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden
bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal
leerlingen, dan wel
2°. indien het in een
zodanig geval betreft een openbare school de stichting
daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75,
tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet
meer zal voordoen;
d. niet is voldaan aan het bij
en krachtens deze wet bepaalde met betrekking tot de
prognoses;
e. is uitgegaan van kennelijk
ondeugdelijke prognoses, of
f. ten aanzien van een op het
plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij
voor bekostiging in aanmerking komt bij de aanvang van het
eerste schooljaar van de planperiode.
5.Bij onthouding van de goedkeuring
op grond van het vierde lid onder a, draagt Onze minister de
gemeenteraad op alsnog een openbare school in het plan op te
nemen. Indien goedkeuring wordt onthouden op grond van het vierde
lid onder f draagt Onze minister de gemeenteraad op in het plan
alsnog te vermelden dat de betrokken school bij de aanvang van het
eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in
aanmerking komt.
6.Indien ten gevolge van een
besluit van Onze minister op grond van het vierde lid een school
uit het plan moet vervallen, maakt Onze minister dit besluit
binnen 2 weken bekend aan de indiener van het verzoek om opneming
in het plan van de betrokken school.
7.Indien tegen een besluit van Onze
minister als bedoeld in het zesde lid beroep is ingesteld en de
uitspraak dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van
Onze minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking
brengen van de school, neemt de gemeenteraad de school op in het
na de uitspraak onderscheidenlijk het besluit vast te stellen
plan.
8.Zodra de bekostiging van een in
het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, maakt Onze
minister dit bekend aan het bevoegd gezag.
Artikel 80. Administratief beroep bij
weigering opneming school in plan
1.Indien de gemeenteraad een
verzoek tot opneming in het plan van een bijzondere of een
openbare school niet heeft ingewilligd, kunnen de verzoekers
administratief beroep instellen bij Onze minister.
2.Indien een onherroepelijk
geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van
de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan
genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor bekostiging
in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad de
school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het
besluit vast te stellen plan.
Artikel 81. Bekostiging van op het
plan voorkomende scholen
1.Scholen die gedurende 3
achtereenvolgende schooljaren in het plan zijn opgenomen en niet
voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, brengt de
gemeenteraad voor het daaropvolgende schooljaar voor bekostiging
in aanmerking.
2.Ten aanzien van een school die
ingevolge artikel 79, zevende lid, in het daar bedoelde plan wordt
opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met
ingang van het eerste schooljaar van het plan waarin de school was
opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 80,
tweede lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de
termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste
schooljaar van het plan waarvoor het verzoek werd ingediend.
Artikel 82. Scholen uit voorgaand
plan
1.Behoudens het bepaalde in het
tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorgaande plan
opgenomen die:
a. nog niet voor bekostiging in
aanmerking zijn gebracht, of
b. voor bekostiging in
aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet
is aangevangen.
2.Uit het voorgaande plan wordt een
school niet opgenomen:
a. indien de indiener van een
verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;
b. indien aan een bijzondere
school het onderwijs niet is aangevangen bij aanvang van het
tweede schooljaar volgend op het schooljaar waarvoor de school
het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij
opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek
overgelegde gegevens gerechtvaardigd is, of
c. indien zich naar het oordeel
van de gemeenteraad omstandigheden hebben voorgedaan die bij
de vaststelling van het plan niet bekend waren, en die, waren
zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben
geleid.
3.Artikel 80 is van overeenkomstige
toepassing indien een school ingevolge het tweede lid onder c niet
in een volgend plan wordt opgenomen.
Artikel 83. Achterwege blijven
vaststelling plan
1.De vaststelling van een plan
blijft achterwege indien:
a. geen verzoeken om opneming
in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen verzoeken
voor inwilliging in aanmerking komt,
b. stichting van een openbare
school niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, tweede
lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet voordoet en
c. geen scholen uit het
voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking
komen.
2.Het besluit bedoeld in het eerste
lid onder b, behoeft uitsluitend de goedkeuring van Onze minister,
indien in het voorafgaande jaar een zelfde besluit werd genomen en
daarvoor geen goedkeuring is gevraagd. Het goed te keuren besluit
wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode
aan Onze minister gezonden. Artikel 79, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien een onherroepelijk
geworden besluit van Onze minister of een naar aanleiding van het
besluit van Onze minister in beroep als bedoeld in artikel 71
gegeven beslissing strekt tot het voor bekostiging in aanmerking
brengen van een openbare school, neemt de gemeenteraad de school
op in het na het onherroepelijk geworden besluit onderscheidenlijk
de in dat beroep gegeven beslissing vast te stellen plan.
4.Aan de indieners van de niet
ingewilligde verzoeken bedoeld in het eerste lid onder a, wordt
voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode,
afschrift gezonden van het desbetreffende raadsbesluit.
Artikel 84. Omzetting; uitbreiding
met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing
1.Onze minister kan onder door hem
te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een
school die wordt omgezet, als bedoeld in artikel 74, eerste lid
derde volzin, of waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met
openbaar onderwijs, dan wel met onderwijs van een of meer
richtingen.
2.Onze minister kan toestaan dat
een bekostigde school een andere plaats van vestiging krijgt. Onze
minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.
3.Een verzoek om een besluit als
bedoeld in het eerste of tweede lid, is met redenen omkleed en
gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 75, eerste lid.
Onze minister willigt het verzoek slechts in, ingeval:
a. de school, indien deze in
een plan van scholen zou zijn opgenomen, bij toepassing van de
artikelen 77 tot en met 79 door hem zou worden goedgekeurd,
b. indien op de onder a
genoemde grond geen goedkeuring zou kunnen worden verleend en
het een omzetting in een openbare school, een uitbreiding met
openbaar onderwijs, of een verplaatsing van een school waaraan
openbaar onderwijs wordt gegeven betreft, binnen 10 kilometer
van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden
gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen
openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van
openbaar onderwijs behoefte bestaat, of
c. de bekostiging van de
school, indien daaraan het onderwijs wordt uitgebreid met
openbaar onderwijs of met onderwijs van een of meer
richtingen, van uitsluitend een of meer op te heffen scholen,
met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156 gedurende
ten minste 20 achtereenvolgende jaren zou kunnen worden
voortgezet.
Artikel 85. Bekostiging
nevenvestiging
1.De bekostiging van een
nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1
augustus indien:
a. de nevenvestiging
overeenkomstig artikel 158 voldoet aan een der normen voor
bekostiging, genoemd in dat artikel en, voor zover het een
nevenvestiging betreft die voor bekostiging in aanmerking komt
op grond van het eerste lid, onder e, van dat artikel, op die
grond aan alle scholen van het bevoegd gezag of, bij
toepassing van artikel 157, derde lid, de samenwerkende
bevoegde gezagsorganen, niet meer nevenvestigingen worden
verbonden dan het verschil tussen het totale aantal leerlingen
van die scholen gedeeld door 260 en het totale aantal
leerlingen van die scholen gedeeld door 290, waarbij de
quotiënten naar beneden worden afgerond op een geheel getal,
b. de nevenvestiging niet wordt
verbonden aan een school die met toepassing van artikel 157 in
stand wordt gehouden,
c.
1°. de nevenvestiging,
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van
de bekostiging als nevenvestiging, als zelfstandige school
van de desbetreffende richting dan wel indien het betreft
een nevenvestiging van een openbare school als
zelfstandige openbare school werd bekostigd, of
2°. de nevenvestiging voor
bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de
voormalige school bedoeld onder 1°,
d. ingeval het betreft een
nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt
gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier
grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij
notariële akte de instandhouding van de school die
nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere
rechtspersoon, en
e. van de omvorming tot
nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan de datum,
bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze minister,
en indien het betreft een situatie als bedoeld onder d, onder
overlegging van gegevens waaruit blijkt dat aan het vereiste
onder d is voldaan.
2.Bij de akte, bedoeld in het
eerste lid onder d, worden tevens overgedragen de rechten die het
bevoegd gezag van een school toekomen, ten aanzien van het gebouw
en terrein, alsmede ten aanzien van de roerende zaken. In de akte
wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het
personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden
als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school aanstelt met
ingang van de datum van overdracht.
3.Door overdracht met inachtneming
van het eerste en tweede lid, treedt de verkrijgende rechtspersoon
in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van
zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn hoedanigheid van
bevoegd gezag betroffen.
4.Onze minister maakt voor 1 mei
volgend op de mededeling, bedoeld in het eerste lid onder e, aan
het bevoegd gezag van de beoogde nevenvestiging bekend of de
nevenvestiging zal worden bekostigd.
§ 2. Speciale scholen voor
basisonderwijs
Artikel 86. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt onder
«school» verstaan: speciale school voor basisonderwijs.
Artikel 87. Besluit minister tot
bekostiging
1.Onze minister kan een school op
aanvraag van het bevoegd gezag van de school voor bekostiging in
aanmerking brengen. Onze minister willigt de aanvraag slechts in,
indien
a. de bevoegde gezagsorganen
van alle basisscholen in het samenwerkingsverband met het
verzoek instemmen,
b. het samenwerkingsverband
meer dan de helft van de basisscholen omvat in een nieuwe
woningbouwlocatie van ten minste 15 000 woningen of in aan
elkaar grenzende woningbouwlocaties waar binnen 10 jaar in
totaal ten minste 15 000 woningen worden gebouwd,
c. het samenwerkingsverband nog
niet over een speciale school voor basisonderwijs beschikt, en
d. als gevolg van de oprichting
van het samenwerkingsverband niet een reeds bestaand
samenwerkingsverband onder de norm van artikel 18, tweede lid,
terecht zou komen.
2.De bekostiging kan slechts
aanvangen met ingang van 1 augustus van een schooljaar.
Artikel 88. Omzetting; wijziging van
richting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs;
verplaatsing
1.Onze minister kan onder door hem
te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een
school die wordt omgezet van een openbare in een bijzondere school
of omgekeerd, waaraan de richting van het onderwijs verandert of
waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met openbaar onderwijs, dan
wel met onderwijs van een of meer richtingen.
2.Onze minister kan ermee instemmen
dat een bekostigde school een andere plaats van vestiging krijgt.
Onze minister kan aan zijn instemming voorwaarden verbinden.
3.Een aanvraag van een besluit als
bedoeld in het eerste of tweede lid is met redenen omkleed en gaat
vergezeld van
a. een opgave van het
samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waaraan de
school deelneemt en zal gaan deelnemen,
b. de voorgestelde datum van
ingang van de bekostiging en,
c.
1°. indien het betreft een
aanvraag van een besluit als bedoeld in het eerste lid,
het openbaar onderwijs of de richting of richtingen van
het bijzonder onderwijs dat de school voor en na de
omzetting, wijziging van richting of uitbreiding met een
of meer richtingen omvat, of
2°. indien het betreft een
aanvraag van een besluit als bedoeld in het tweede lid, de
aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs
moet worden gegeven.
4.Onze minister willigt de aanvraag
van een besluit als bedoeld in het tweede lid slechts in, ingeval
binnen het betrokken samenwerkingsverband of de betrokken
samenwerkingsverbanden sprake blijft van een goede bereikbaarheid
van speciale scholen voor basisonderwijs.
5.De omzetting, wijziging van
richting of uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs kan
slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van een schooljaar.
Artikel 89. Bekostiging
nevenvestiging
1.De bekostiging van een
nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1
augustus indien:
a.
1°. de nevenvestiging,
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van
de bekostiging als nevenvestiging, bekostigd werd als een
zelfstandige school, of
2°. de nevenvestiging voor
bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de
voormalige school bedoeld onder 1°,
b. ingeval het betreft een
nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt
gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier
grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij
notariële akte de instandhouding van de school die
nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere
rechtspersoon, en
c. van de omvorming tot
nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan de datum,
bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze minister,
en indien het betreft een situatie als bedoeld onder b, onder
overlegging van de gegevens waaruit blijkt dat aan het
vereiste onder b is voldaan.
2.Bij de akte, bedoeld in het
eerste lid onder b, worden tevens overgedragen de rechten die het
bevoegd gezag van een school toekomen ten aanzien van het gebouw
en terrein, alsmede ten aanzien van de roerende zaken. In de akte
wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het
personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden
als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school aanstelt met
ingang van de datum van overdracht.
3.Door overdracht met inachtneming
van het eerste en tweede lid, treedt de verkrijgende rechtspersoon
in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van
zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn hoedanigheid van
bevoegd gezag betroffen.
4.Onze minister maakt voor 1 mei
volgend op de mededeling, bedoeld in het eerste lid onder c, aan
het bevoegd gezag van de beoogde nevenvestiging bekend of de
nevenvestiging zal worden bekostigd.
§ 3. Nadere voorschriften voor de
uitvoering van afdeling 2
Artikel 90. Nadere voorschriften voor
de uitvoering van afdeling 2
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de
uitvoering van deze afdeling.
2.Een ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt
geplaatst in de Staatscourant. De algemene maatregel van bestuur
treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de plaatsing zijn
verstreken.
Artikel 90a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 90b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 90c [Vervallen per
01-08-1998]
Afdeling 3. Voorziening in de
huisvesting
Artikel 91. Voorziening in
huisvesting door de gemeente
1.De gemeenteraad draagt
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders dragen ten behoeve
van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve
van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor
de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de
gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Hij
behandelt onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de door de
gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in
stand gehouden scholen op gelijke voet.
2.Voor de toepassing van deze
afdeling wordt onder een niet door de gemeente in stand gehouden
school mede begrepen een op het grondgebied van de gemeente
gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging op
het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.
Artikel 92. Voorzieningen in de
huisvesting
1.Voor de toepassing van deze
afdeling worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:
a. voor blijvend
onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde
voorzieningen, bestaande uit:
1°. nieuwbouw, een
bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van
een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan,
terreinen, alsmede eerste aanschaf van
onderwijsleerpakketten en meubilair,
2°. uitbreiding van de
onder 1° bedoelde voorzieningen, en
3°. medegebruik van een
ruimte die geschikt is voor het onderwijs;
b. voorzieningen, bestaande
uit:
1°. aanpassingen met
uitzondering van het aanbrengen van een invalidentoilet en
het toegankelijk maken van het gebouw voor gehandicapten,
en
2°. vervanging
binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en
sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en
leidingen voor de centrale verwarming, alsmede onderhoud
aan de buitenzijde van het gebouw met uitzondering van het
buitenschilderwerk;
c. herstel van
constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en
vervanging in verband met schade aan gebouw,
onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere
omstandigheden.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige
leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten
minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per
schoolsoort verschillend worden vastgesteld.
Artikel 93. Vaststelling door
burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe
voorzieningen in de huisvesting
1.Burgemeester en wethouders
stellen jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een
door hen te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de
bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:
a. scholen,
b. scholen voor speciaal
onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel
instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
en
c. scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs.
2.Het bekostigingsplafond wordt
zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de
huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het
grondgebied van de gemeente.
Artikel 94. Indiening aanvraag
1.Het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in
de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor opneming van die
voorziening op het programma, bedoeld in artikel 95, in bij
burgemeester en wethouders.
2.Burgemeester en wethouders kunnen
ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 92
bekostiging verstrekken ter zake van de kosten van
bouwvoorbereiding.
3.Burgemeester en wethouders
stellen vast, voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en
aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
4.Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand
gehouden scholen.
Artikel 95. Programma
huisvestingsvoorzieningen
1.Burgemeester en wethouders
stellen, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door
de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente, jaarlijks
ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente
voor een door hen te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in
het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als
bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
2.Het programma omvat de
voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 92, die in het
jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in
aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in
stand gehouden scholen alsmede voorzieningen die nodig zijn voor
door de gemeente in stand gehouden scholen.
3.Burgemeester en wethouders nemen
uitsluitend voorzieningen in de huisvesting in het programma op,
voor zover:
a. met de voorzieningen in het
kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het
programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan
wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar kunnen
worden gerealiseerd, en
b. niet een van de
weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, van toepassing is.
4.Indien het bekostigingsplafond,
bedoeld in artikel 93, niet toereikend is, worden die
voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat
bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde
wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel
102, eerste lid, onderdeel c.
5.De beschikking van burgemeester
en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel
een andere voorziening dan gewenst omvatten.
6.Burgemeester en wethouders kunnen
aan de opneming in het programma voorwaarden verbinden betreffende
ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
7.Burgemeester en wethouders nemen
bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in
artikel 102, eerste lid, onderdeel c, in acht.
8.Binnen vier weken na de
vaststelling van het programma treden burgemeester en wethouders
met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering.
Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, delen
burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat zij niet
kunnen instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van
uitvoering.
9.Tijdens het in het eerste lid
bedoelde overleg kunnen burgemeester en wethouders de
Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de
vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in
relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van
inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag
hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek
bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt
verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan
burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend gemaakt
tezamen met het programma.
Artikel 95a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 95b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96. Overzicht
Burgemeester en wethouders stellen
gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 95, ten behoeve
van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door
hen te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die
zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn
opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende
voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage
gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in
artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 96a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96b1 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96c1 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96c2 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96d [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96d.1 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96d.2 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96e [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96f [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96g [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 96h [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 97. Geen vaststelling van
programma en overzicht
Burgemeester en wethouders stellen
geen programma als bedoeld in artikel 95 en geen overzicht als
bedoeld in artikel 96 vast, indien geen voorziening in de
huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als
bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 98. Beschikkingen op
aanvragen met een spoedeisend karakter
1.Het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in
de huisvesting wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel
95, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs
geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag om bekostiging van die
voorziening in bij burgemeester en wethouders.
2.De beschikking kan een gedeelte
van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan
gewenst omvatten. Burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag
af, indien:
a. het besluit over de
voorziening kan worden genomen bij de vaststelling van het
eerstvolgende programma, of
b. een van de weigeringsgronden,
genoemd in artikel 100, eerste lid, onderdelen a tot en met d
en f, en tweede lid, van toepassing is.
Artikel 99. Tijdstip aanvang
bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging
1.Burgemeester en wethouders
beslissen bij beschikking met ingang van welk tijdstip in het jaar
volgend op het jaar van vaststelling van het programma, bedoeld in
artikel 95, de bekostiging van een voorziening die in het
programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen,
onverminderd het bepaalde in artikel 101.
2.De aanspraak op bekostiging van
een voorziening vervalt, indien niet binnen een in de verordening
op basis van artikel 102 te bepalen termijn na de beschikking,
bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de voorziening een
bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 100. Weigeringsgronden
1.Een voorziening in de huisvesting
wordt slechts geweigerd, indien:
a. de gewenste voorziening geen
voorziening is in de zin van artikel 92,
b. de gewenste voorziening niet
gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de
voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover
deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen,
bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel b,
c. de gewenste voorziening niet
gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling
van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen,
zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 102, eerste
lid, onderdelen c en d,
d. op andere wijze dan wordt
gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan
worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand
van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel
medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in
aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
e. het bekostigingsplafond,
bedoeld in artikel 93, niet toereikend is voor de te
verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a, b en c, van dat artikel, of
f. de gewenste voorziening
anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet
noodzakelijk is.
2.Een voorziening in de huisvesting
kan tevens worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van
het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte
bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor
herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van
het bevoegd gezag.
Artikel 101. Toetsing i.v.m.
wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden
Voorzieningen die in het programma,
bedoeld in artikel 95, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in
aanmerking, mits op het tijdstip dat daarvoor op grond van artikel
99, eerste lid, is vastgesteld,
a. is voldaan aan de bij of
krachtens de wet gestelde voorschriften, en
b. de feiten en omstandigheden
waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en
omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma
niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 102. Gemeentelijke regeling
1.De gemeenteraad stelt bij
verordening een regeling vast met betrekking tot:
a. de voorzieningen die
ingevolge artikel 92 voor bekostiging in aanmerking kunnen
worden gebracht,
b. de oppervlakte en de
indeling van schoolgebouwen,
c. de urgentiecriteria,
d. de prognosecriteria,
e. de termijn bedoeld in
artikel 99,
f. de procedure met betrekking
tot verhuur en het medegebruik van ruimten voor het onderwijs,
g. de termijn gedurende welke
een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog
ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel
110, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te
maken staat van onderhoud, en
h. de gegevens bedoeld in
artikel 112.
2.De regeling wordt zodanig
vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het
onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.
3.De gemeenteraad stelt normen vast
aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de
toegekende voorzieningen in de huisvesting.
4.Burgemeester en wethouders
betalen volgens door hen te stellen regels de bedragen aan de hand
van de door de gemeenteraad gestelde normen.
5.De gemeenteraad stelt de
regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging
daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht
overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de niet
door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te
wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een
procedure vast.
6.Tijdens het in het vijfde lid
bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken
een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van de
gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid van richting
en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een
bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging.
Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover
advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken
uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt
tezamen met de verordening of de wijziging daarvan.
Artikel 103. Bouwheerschap
1.Het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de
voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 95
en 98 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door
de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met
burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze
voorziening tot stand brengt.
2.Indien de gemeente de voorziening
in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden
school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het
bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij burgemeester en
wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.
3.Indien de voorziening in de
huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen
voor eigendomsoverdracht, geven burgemeester en wethouders deze
aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 104. Instemming met eigen
bouwplannen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
Tenzij het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op
bekostiging van een voorziening in de huisvesting, met burgemeester
en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand
brengt, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de
instemming van burgemeester en wethouders.
Artikel 105. Totstandbrenging
voorziening voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
De gemeente brengt een voorziening in
de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden
school slechts tot stand, indien tussen burgemeester en wethouders
en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en
de wijze van uitvoering.
Artikel 105a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105a1 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105a2 [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105d [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105e [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105f [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105g [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105h [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105i [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105j [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 105k [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 106. Onderhoudsplicht; verbod
tot vervreemding en bezwaring
1.Het bevoegd gezag is verplicht
het gebouw en terrein, alsmede de roerende zaken waarvoor
bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te
onderhouden.
2.Vervreemding door het bevoegd
gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
anders dan op grond van artikel 49 of artikel 56 van gebouwen,
terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, of
bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een
niet door de gemeente in stand gehouden school van zodanige
gebouwen en terreinen, is zonder toestemming van burgemeester en
wethouders nietig.
3.Het tweede lid is niet van
toepassing ten aanzien van het recht van opstal ten behoeve van
een door de gemeente te plaatsen tijdelijke voorziening in de
huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de
betrokken school.
Artikel 107. Vorderingsrecht
1.Burgemeester en wethouders zijn
bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of
gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar
gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een
andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs
niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele,
maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het
voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan
de in het gebouw gevestigde school. Tevens zijn burgemeester en
wethouders bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke
oefening of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel
een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag
of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde
school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school,
voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde
basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke
of recreatieve doeleinden te bestemmen.
2.Indien het gebouw of terrein in
gebruik is voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
plegen burgemeester en wethouders vooraf overleg met het bevoegd
gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van
die school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.
Artikel 107a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 107b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 107c [Vervallen per
21-02-2001]
Artikel 107d [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 107e [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 107f [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 108. Verhuur en medegebruik
gebouw of terrein
1.Voor zover artikel 107 geen
toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een
gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare
kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele,
maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig
voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd
gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een
derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of
bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel
4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door
de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur
toestemming van burgemeester en wethouders vereist.
2.De ingebruikgeving of verhuur
ingevolge het eerste lid eindigt:
a. indien burgemeester en
wethouders gebruik maken van hun bevoegdheid op grond van
artikel 107 zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of
b. indien het in gebruik
gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de
eigen school.
3.Ingebruikgeving of verhuur
ingevolge het eerste lid geschiedt niet indien het voorgenomen
gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw
gevestigde school.
4.Op de ingebruikgeving en verhuur
ingevolge het eerste lid is artikel 230a van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
5.Het zonder toestemming van
burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door
het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school alsmede elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in
een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen, is nietig.
Artikel 108a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 108b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 109. Voorziening niet ten
laste van de gemeente
Voorzieningen aan gebouwen of
terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 108 of 110
door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school komen niet ten laste van de gemeente.
Artikel 110. Einde gebruik gebouw of
terrein door een niet door de gemeente in stand gehouden school
1.Burgemeester en wethouders en het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat eigenaar is van het gebouw en terrein, kunnen in een
gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft
opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of
een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de
school te gebruiken.
2.Gedeputeerde staten kunnen in
geval van een geschil omtrent de toepassing van het eerste lid
desgevraagd besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft
opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of
een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de
school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door
burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de
school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde
staten de wederpartij.
3.Het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school dat voornemens is
gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer
voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling
aan burgemeester en wethouders.
4.Zodra de in het eerste lid
bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het
tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk
is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de
rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid
eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit,
wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit
onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als
bedoeld in artikel E 33 van de Overgangswet WBO, ingeschreven in
de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de
gemeente de eigendom.
5.Burgemeester en wethouders en het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een
gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat
niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor
het onderwijs nodig zal zijn.
6.Gedeputeerde staten kunnen in
geval van een geschil omtrent de toepassing van het vijfde lid
desgevraagd besluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet
vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het
onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt gedaan
door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de
school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde
staten de wederpartij.
7.Zodra de in het vijfde lid
bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het zesde
lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is
geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de
rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het zesde lid
eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit,
kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met
toestemming van burgemeester en wethouders verhuren.
8.De toestemming, bedoeld in het
zevende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste 3
jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak telkens
worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3 jaren.
9.Op de verhuur, bedoeld in het
zevende lid, is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
niet van toepassing.
Artikel 110a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110d [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110e [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110f [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110g [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110h [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110i [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110j [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110k [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110l [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 110m [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 111. Jaarlijks bedrag voor
huisvestingskosten van een niet door de gemeente in stand gehouden
school
In afwijking van deze afdeling kan de
gemeenteraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor
huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet
door de gemeente in stand gehouden school voor zover die op het
grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden. De
gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het bevoegd
gezag.
Artikel 111a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 112. Informatieverstrekking
aan burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag van een niet door
de desbetreffende gemeente in stand gehouden school is gehouden aan
de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders alle
inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de
bepalingen in deze afdeling noodzakelijk achten.
Afdeling 4. Materiële instandhouding
Artikel 113. Vaststelling programma's
van eisen
1.Bij ministeriële regeling worden
eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober programma's van eisen
vastgesteld die de grondslag vormen voor de bekostiging van de
voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De programma's van eisen
gelden voor de vijf jaar volgend op het jaar waarin de
vaststelling dient plaats te vinden. In de programma's van eisen
wordt een extra bekostiging opgenomen voor de gezamenlijke
speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband
en voor de basisscholen van een samenwerkingsverband dat een
instemming als bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft
verkregen.
Elk programma van eisen omvat:
a. een omschrijving van de in
aanmerking genomen componenten waaruit de voorzieningen zijn
opgebouwd,
b. de daarvoor noodzakelijk
geachte bedragen en
c. de wijze waarop de voor elke
voorziening vast te stellen bekostiging wordt berekend.
2.De programma's van eisen voldoen
aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden
verkerende school, onverminderd het vierde tot en met negende lid,
en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten die op grond van
de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 92, tweede
lid, worden voorgeschreven.
3.Programma's van eisen worden,
onverminderd artikel 118, vastgesteld voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van de scholen,
daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in
lichamelijke oefening.
4.Bij ministeriële regeling worden
jaarlijks voor 1 oktober de overeenkomstig het zesde lid,
aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus vastgestelde bedragen
zijn de definitieve bedragen, geldend voor het jaar volgend op het
jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden.
5.Onze minister kan bij de
vaststelling van de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde
lid, wijzigingen in de programma's van eisen aanbrengen indien de
toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige ontwikkelingen
dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts
toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling,
bedoeld in het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt
vastgesteld.
6.De aanpassing, bedoeld in het
vierde lid, vindt plaats door de bedragen op basis van de
werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede jaar voorafgaand aan
het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld, aan te passen
overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie,
zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar
verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het
eerstbedoelde jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar,
alsmede aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto
materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische
Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het
prijsniveau in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de
bedragen worden vastgesteld en het jaar waarvoor de bedragen
worden vastgesteld.
7.De ministeriële regelingen,
bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de
vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk
bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De ministeriële
regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn
verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die
termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de
ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven, dan wel met de
Tweede Kamer overleg is gevoerd.
8.Naar aanleiding van het overleg
met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen
en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden
aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in de
Staatscourant.
Artikel 113a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 114. Onderverdeling
programma's van eisen
De programma's van eisen, bedoeld in
artikel 113, derde lid, worden onderverdeeld in programma's van
eisen omtrent:
a. onderhoud,
b. energie- en waterverbruik,
c. publiekrechtelijke heffingen,
met uitzondering van de belastingen ter zake van onroerende
zaken,
d. middelen, en
e. administratie, beheer en
bestuur.
Artikel 114a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 114b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 115. Extra bekostiging
materiële instandhouding
1.De bekostiging, bedoeld in
artikel 113, eerste lid derde volzin, voor de materiële
instandhouding bestaat voor de gezamenlijke speciale scholen voor
basisonderwijs in een samenwerkingsverband uit een bedrag
vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van het
samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan
het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. Het Rijk verdeelt
deze bekostiging over de speciale scholen voor basisonderwijs in
een samenwerkingsverband naar rato van het aantal leerlingen van
elke speciale school voor basisonderwijs op die datum.
2.Het aantal leerlingen van een
speciale school voor basisonderwijs die deelneemt aan meer dan
één samenwerkingsverband wordt bij het bepalen van het in het
eerste lid, eerste volzin, bedoelde aantal leerlingen van elk
samenwerkingsverband en het in het eerste lid, tweede volzin,
bedoelde aantal leerlingen van de speciale school voor
basisonderwijs aan de desbetreffende verbanden toegerekend naar
rato van het aantal basisschoolleerlingen van elk verband op 1
oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de
bekostiging plaatsvindt.
3.De bekostiging, bedoeld in
artikel 113, eerste lid derde volzin, bestaat voor basisscholen in
een samenwerkingsverband dat een instemming als bedoeld in artikel
18, zevende lid, heeft verkregen uit een bedrag vermenigvuldigd
met 2% van het aantal leerlingen van de desbetreffende school.
Artikel 116. Aanvullende bekostiging
kosten materiële instandhouding
1.Indien bijzondere ontwikkelingen
in het basisonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent
het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële
instandhouding.
2.Indien bijzondere bekostiging op
grond van artikel 123 wordt toegekend, kan Onze minister bepalen
dat, voor de periode waarvoor die bijzondere bekostiging wordt
toegekend, tevens aanvullende bekostiging voor de materiële
instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld.
3.Onze minister kan in verband met
de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde bekostiging een
bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 116a [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 116b [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 116c [Vervallen per
01-08-1998]
Artikel 117. Grondslag bekostiging
voor materiële instandhouding lichamelijke oefening
1.Burgemeester en wethouders
stellen na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door
de gemeente in stand gehouden scholen het aantal klokuren per week
vast dat per groep leerlingen ten hoogste
a. ter beschikking wordt
gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke
oefening, of
b. voor bekostiging voor de
materiële instandhouding van een ruimte voor het onderwijs in
lichamelijke oefening in aanmerking komt.
2.Het aantal klokuren, bedoeld in
het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste 1,5 voor
basisscholen en ten minste 2,25 voor speciale scholen voor
basisonderwijs.
3.Burgemeester en wethouders
stellen de hoogte vast van
a. de bekostiging, bedoeld in
het eerste lid, onder b, en
b. de bekostiging voor de vaste
kosten van de materiële instandhouding van een ruimte voor
lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
school.
4.Bij de vaststelling, bedoeld in
het derde lid, kan onderscheid worden gemaakt naar gelang de
oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten voor de
exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving bekostiging
wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.
Artikel 118. Bekostiging
samenwerkingsverband materiële instandhouding samenhangend met
inrichting zorgstructuur
1.Indien verschillende bevoegde
gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband, wordt aan
het bestuur van de centrale dienst een bekostiging toegekend voor
materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de
zorgstructuur.
2.Indien een bevoegd gezag alle
scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, wordt de
bekostiging voor materiële instandhouding die samenhangt met de
inrichting van de zorgstructuur toegekend aan dat bevoegd gezag.
3.De in het eerste en tweede lid
bedoelde bekostiging is afhankelijk van het aantal leerlingen van
de afzonderlijke basisscholen op 1 oktober van het jaar
voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt.
4.De bekostiging, bedoeld in het
eerste en het tweede lid, wordt jaarlijks vastgesteld bij
ministeriële regeling. Deze ministeriële regeling wordt tezamen
met de ministeriële regelingen, bedoeld in artikel 113, zevende
lid, binnen 4 weken na de vaststelling bekendgemaakt in de
Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal. Artikel 113, zevende lid, tweede volzin, is
van overeenkomstige toepassing.
5.Indien op 1 oktober het aantal
leerlingen van de gezamenlijke speciale scholen voor
basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2%
van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband, draagt het
bestuur van de centrale dienst voor elke leerling van een speciale
school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% het in artikel 115,
eerste lid, bedoelde bedrag over aan de speciale scholen voor
basisonderwijs, met dien verstande dat artikel 115, eerste lid,
tweede volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
6.In het zorgplan wordt vastgelegd
welk deel van de bekostiging voor materiële instandhouding die
samenhangt met de inrichting van de zorgstructuur voorzover na
toepassing van het vijfde lid en artikel 118a die bekostiging nog
resteert, op welke basisschool in het samenwerkingsverband wordt
ingezet.
7.Bij de berekening op grond van
het vijfde lid wordt 2% van het aantal leerlingen van het
samenwerkingsverband rekenkundig afgerond op een geheel getal.
8.De overdracht op grond van het
vijfde lid door het bestuur van de centrale dienst heeft
betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de in het vijfde lid
bedoelde teldatum en vindt ten hoogste plaats voor het aan het
bestuur van de centrale dienst op grond van het eerste lid dan wel
het bevoegd gezag op grond van het tweede lid toegekende
bekostiging van de materiële instandhouding die samenhangt met de
inrichting van de zorgstructuur.
Artikel 118a. Overdracht bekostiging
materiële instandhouding samenhangend met inrichting zorgstructuur
bij overgang leerling naar ander samenwerkingsverband
Indien artikel 125 van toepassing is,
wordt door het bestuur van de centrale dienst dan wel het bevoegd
gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband tevens een bij
het zorgplan bepaald gedeelte van de bekostiging bedoeld in artikel
118 overgedragen aan de speciale school voor basisonderwijs. De in
de eerste volzin bedoelde overdracht vindt plaats voor zover nog
niet het maximum van de op grond van artikel 118, eerste lid, aan
het bestuur van de centrale dienst dan wel op grond van artikel 118,
tweede lid, aan het bevoegd gezag toegekende bekostiging van de
materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de
zorgstructuur op grond van artikel 118, vijfde lid, is overgedragen.
Artikel 119. Materiële
instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
1.Het bevoegd gezag dat, dan wel de
gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel
van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen,
bedoeld in artikel 114, onder a, b en c, betrekking hebben.
2.Het bevoegd gezag van een
bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare
nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid,
toepassing heeft gevonden en dat eigenaar is van een schoolgebouw,
kan met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente
het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële
instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.
3.Het bevoegd gezag, bedoeld in het
eerste lid, kan met een bevoegd gezag dat gebruik maakt van de
voorziening in de huisvesting van het eerstgenoemde bevoegd gezag,
overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag het in het
eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel
of gedeeltelijk verzorgt.
4.Ingeval de gemeente eigenaar is
van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere
school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten
aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden,
met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het in het
eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel
of gedeeltelijk verzorgt.
5.Het bevoegd gezag zorgt voor het
deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van
eisen, bedoeld in artikel 114, onder d en e, betrekking hebben.
Afdeling 5. Grondslag bekostiging
personeelskosten
Artikel 119a. Inwerkingtreding
algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 120, 124,
125 en 132
De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 120, 124, 125 en 132, wordt aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking
dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die
termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven
dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig
mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet
van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van
bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de
Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de
vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 120. Grondslag bekostiging
personeel basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs
1.Voor de bekostiging van personeel
wordt een bedrag per leerling toegekend, welk bedrag wordt
verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van
het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe
basisschool respectievelijk nieuwe speciale school voor
basisonderwijs wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de
geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van
het voorafgaande schooljaar van de leraren van basisscholen
respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor
basisonderwijs.
2.De bedragen, bedoeld in het
eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld
voor leerlingen:
a. van een basisschool in de
leeftijd van 4 tot en met 7 jaar;
b. van een basisschool in de
leeftijd van 8 jaar en ouder; en
c. van speciale scholen voor
basisonderwijs.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden
aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden
toegekend. In ieder geval wordt aanvullende bekostiging toegekend
voor kleine basisscholen, schoolleiding, de bestrijding van
onderwijsachterstanden, groei van het aantal leerlingen van
basisscholen gedurende het schooljaar en indien onderwijs wordt
gegeven in een of meer nevenvestigingen van een basisschool. De
omvang van de aanvullende vergoeding wordt bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
4.De gezamenlijke speciale scholen
voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband ontvangen tevens
een bekostiging voor zorgvoorzieningen. De in de eerste volzin
bedoelde bekostiging is gebaseerd op 2% van het aantal leerlingen
van alle scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal.
Het aantal leerlingen, bedoeld in de tweede volzin, wordt aan de
afzonderlijke speciale scholen voor basisonderwijs toegerekend
naar rato van het aantal leerlingen van elk van die scholen op die
datum. De speciale school voor basisonderwijs ontvangt voor elke
van de aan die school toegerekende leerling een bedrag per
leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt
vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren
van die school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
Artikel 115, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.Bij ministeriële regeling worden
de bedragen, bedoeld in het eerste lid en het vierde lid
vastgesteld. Het bedrag per leerling en het
vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging zijn de uitkomst van een
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid
formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag.
6.Bij de vaststelling van de
bedragen, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval rekening
gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslasten
van leraren van basisscholen dan wel speciale scholen voor
basisonderwijs, en worden nadere regels vastgesteld met betrekking
tot de vaststelling van de in het eerste en het vierde lid
bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd en geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd. Indien aanvullende bekostiging wordt
toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking
van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde
gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.
7.De bekostiging, bedoeld in het
eerste lid, en de bekostiging voor kleine basisscholen,
schoolleiding, groei van het aantal leerlingen van een basisschool
gedurende het schooljaar en een of meer nevenvestigingen van een
basisschool, bedoeld in de tweede volzin van het derde lid, is
redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school,
voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige
werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
Artikel 121. Aantal leerlingen
1.Voor de toepassing van artikel
120, eerste lid, geldt het aantal leerlingen van de school op 1
oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.Voor de toepassing van artikel
120, eerste lid, voor het schooljaar waarin een nieuwe school
wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar geldt het
aantal leerlingen van de school op 1 oktober volgende op de
opening.
3.Voor de toepassing van artikel
120, eerste lid, geldt ingeval van samenvoeging van scholen het
aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen,
voor elke school vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging
betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
Artikel 122 [Vervallen per
10-02-2006]
Artikel 123. Bijzondere bekostiging
personeelskosten
1.Indien bijzondere ontwikkelingen
in het basisonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent
het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.
2.In verband met bijzondere
omstandigheden kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag
van een basisschool onder door hem op te leggen verplichtingen
bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.
3.Een aanvraag als bedoeld in het
tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand
aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen
voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere
omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze minister besluit
binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid
bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden
kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in
kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
4.Onze minister kan in verband met
de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een
bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 124. Overdracht van
bekostiging personeelskosten aan speciale scholen voor
basisonderwijs
1.Indien op de overeenkomstig
artikel 20, eerste lid onder d, vastgestelde peildatum het aantal
leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een
samenwerkingsverband meer bedraagt dan het aantal leerlingen van
die scholen op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het bevoegd
gezag van alle scholen in het verband dan wel, indien
verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband,
het bestuur van de centrale dienst voor het verschil per leerling
een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de
speciale scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd
met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk
gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor
basisonderwijs.
2.Indien op de overeenkomstig
artikel 20, eerste lid onder d, vastgestelde peildatum het aantal
leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een
samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2% van het aantal
leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober daaraan
voorafgaand, draagt het bevoegd gezag van alle scholen in het
verband dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen
samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst
voor elke leerling van een speciale school voor basisonderwijs
boven voornoemde 2% per leerling een bij ministeriële regeling
vast te stellen bedrag over aan de speciale scholen voor
basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat
afhankelijk is van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
3.Bij de vaststelling ingevolge het
eerste en tweede lid van het aantal leerlingen van de speciale
scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband op de
overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder d, vastgestelde
peildatum, worden leerlingen voor wie op grond van artikel 125 al
een overdracht plaatsvindt vanuit een ander samenwerkingsverband
buiten beschouwing gelaten. De uitkomst van de berekening van 2%
van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op grond
van het tweede lid wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
4.Het aantal leerlingen van een
speciale school voor basisonderwijs die deelneemt aan meer dan
één samenwerkingsverband wordt bij het bepalen van het in het
eerste en tweede lid bedoelde aantal leerlingen van de speciale
scholen in elk samenwerkingsverband en het in het tweede lid
bedoelde aantal leerlingen van elk samenwerkingsverband aan de
desbetreffende verbanden toegerekend naar rato van het aantal
basisschoolleerlingen van elk verband op 1 oktober van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. Van
de toepassing van de eerste volzin op de in het eerste en tweede
lid bedoelde overdrachten wordt afgeweken indien de bevoegde
gezagsorganen van alle scholen in de betrokken
samenwerkingsverbanden daarmee schriftelijk instemmen.
5.De overdracht op grond van het
eerste en tweede lid heeft betrekking op het schooljaar dat volgt
op de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde
peildatum.
6.Het aandeel van de onderscheiden
basisscholen in de overdrachtsverplichtingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die
daarvoor op grond van artikel 20, eerste lid onder e, in het
reglement van het samenwerkingsverband is opgenomen.
7.Indien de in artikel 132, eerste
lid, bedoelde bekostiging niet voldoende is om daaruit de
verplichtingen, bedoeld in dit artikel na te komen, dragen de
bevoegde gezagsorganen van de gezamenlijke basisscholen in het
samenwerkingsverband de ontbrekende bekostiging over aan het
bestuur van de centrale dienst van het verband. Het aandeel van de
onderscheiden basisscholen in de overdrachtsverplichting, bedoeld
in de eerste volzin, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die
daarvoor op grond van artikel 20, eerste lid onder e, in het
reglement van het samenwerkingsverband is opgenomen.
8.Het bedrag per leerling, bedoeld
in het eerste en het tweede lid, en het vermenigvuldigingsbedrag
van de verhoging, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn de
uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een
bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval
rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk
gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde
personeelslast van leraren van speciale scholen voor
basisonderwijs.
9.In afwijking van het eerste en
het tweede lid kan het samenwerkingsverband besluiten dat in
plaats van met de landelijk gewogen leeftijd, wordt
vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren
van de desbetreffende speciale school voor basisonderwijs.
Artikel 125. Overdracht van
bekostiging personeelskosten bij overgang leerling naar ander
samenwerkingsverband
1.Het bevoegd gezag van alle
scholen in een samenwerkingsverband dan wel, indien verschillende
bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van
de centrale dienst draagt per leerling een bij ministeriële
regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale school voor
basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat
wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde
leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs
indien
a. de speciale school voor
basisonderwijs een leerling toelaat van een basisschool in het
desbetreffende samenwerkingsverband,
b. de speciale school geen deel
uitmaakt van het desbetreffende samenwerkingsverband, en
c. de permanente commissie
leerlingenzorg van het desbetreffende samenwerkingsverband
heeft bepaald dat de leerling op het onderwijs van een
speciale school voor basisonderwijs is aangewezen.
2.Het bedrag per leerling, bedoeld
in het eerste lid, en het vermenigvuldigingsbedrag van de
verhoging, bedoeld in het eerste lid, zijn de uitkomst van een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid
formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de
vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening
gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast
van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. In de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, kan
voor de verschillende schooljaren en afhankelijk van het moment
van de toelating tot de speciale school voor basisonderwijs een
verschillende hoeveelheid formatie worden vastgesteld.
3.De in het eerste lid bedoelde
overdracht vindt voor het eerst plaats voor het schooljaar volgend
op het schooljaar van de toelating tot de speciale school voor
basisonderwijs.
4.De in het eerste lid bedoelde
overdracht vindt niet plaats als de toelating plaatsvindt binnen 6
maanden voor of na een verhuizing van de ouders van een woning
buiten het gebied van het samenwerkingsverband van de speciale
school voor basisonderwijs naar een woning binnen dat gebied.
5.De overdracht, bedoeld in het
eerste lid, eindigt met ingang van het schooljaar dat volgt op het
schooljaar waarin de leerling de speciale school voor
basisonderwijs verlaat.
6.Artikel 124, zesde en zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing op de
overdrachtsverplichting, bedoeld in het eerste lid, met dien
verstande dat ook speciale scholen voor basisonderwijs een aandeel
kunnen hebben in de overdrachtsverplichting.
Artikel 126. Grondslag bekostiging
kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn
gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële
regeling, uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid
1.Aan de school wordt in verband
met de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften
die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij
ministeriële regeling en de kosten van werkloosheidsuitkeringen,
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan
op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
2.De in het eerste lid bedoelde
bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de
vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de
artikelen 120, 123, 124, 125 en 132.
Artikel 127 [Vervallen per
23-01-2004]
Artikel 128 [Vervallen per
23-01-2004]
Afdeling 6. Budget voor personeels-
en arbeidsmarktbeleid
Artikel 129. Budget voor personeels-
en arbeidsmarktbeleid
1.Bij ministeriële regeling wordt
de grondslag vastgesteld voor de omvang van de bekostiging voor
personeels- en arbeidsmarktbeleid. Deze grondslag kan verschillend
worden vastgesteld voor basisscholen en speciale scholen voor
basisonderwijs en voor groepen van basisscholen. De omvang van de
bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede afhankelijk van
het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in artikel 121, en
de samenstelling van het leerlingenbestand. Bij het vaststellen
van de bekostiging wordt in ieder geval rekening gehouden met de
ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van
leraren van basisscholen dan wel speciale scholen voor
basisonderwijs.
2.Met inachtneming van het eerste
lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van de
openbare en bijzondere scholen bekostiging ten behoeve van
personeels- en arbeidsmarktbeleid.
Artikel 130 [Vervallen per
23-01-2004]
Artikel 131 [Vervallen per
23-01-2004]
Afdeling 7. Gezamenlijke
personeelsbekostiging voor zorgvoorzieningen basisscholen
Artikel 132. Grondslag
personeelsbekostiging zorgvoorzieningen basisscholen
1.Indien verschillende bevoegde
gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband wordt
personeelsbekostiging toegekend voor zorgvoorzieningen aan het
bestuur van de centrale dienst van dat verband.
2.Indien een bevoegd gezag alle
scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, wordt de in
het eerste lid bedoelde bekostiging toegekend aan dat bevoegd
gezag.
3.De grondslag voor de berekening
van de personeelsbekostiging voor zorgvoorzieningen is een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling van de
afzonderlijke basisscholen in het samenwerkingsverband, welk
bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met
de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren
van speciale scholen voor basisonderwijs.
4.In een samenwerkingsverband dat
de instemming, bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft
verkregen, wordt de in het eerste en het tweede lid bedoelde
bekostiging verhoogd. De verhoging wordt vastgesteld door 2% van
het aantal leerlingen van elke basisschool in een
samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar,
te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te
stellen bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een
bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor
basisonderwijs.
5.De bedragen per leerling, bedoeld
in het derde en vierde lid, en de vermenigvuldigingsbedragen van
de verhoging, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn de uitkomst
van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag.
Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening
gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast
van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.
Afdeling 8. Wijze van bekostiging
§ 1. Huisvesting
Artikel 133. Bekostiging voor
belastingen ter zake van onroerende zaken
De gemeente bekostigt aan het bevoegd
gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is
onderworpen aan een of meer der in artikel 220 van de Gemeentewet
bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is
uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente
gelegen gebouwen en terreinen.
§ 2. Materiële instandhouding
Artikel 134. Bekostiging door Rijk
aan bevoegd gezag en gemeente
1.Behoudens het tweede lid
verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag bekostiging ten
behoeve van de materiële instandhouding waarop de programma's van
eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben, waarbij voor het
bevoegd gezag geldt dat indien toepassing is gegeven aan artikel
119, tweede lid, dan wel indien geen overeenkomst als bedoeld in
artikel 119, derde of vierde lid tot stand is gekomen, dit bevoegd
gezag de bekostiging aan de gemeente dan wel aan het
desbetreffende bevoegd gezag overdraagt voor zover deze de
materiële instandhouding verzorgt.
2.Het Rijk verstrekt jaarlijks aan
de provincie Fryslân bekostiging ten behoeve van de materiële
instandhouding, voor zover het betreft het onderwijs in de Friese
taal, bedoeld in artikel 9, vierde lid. De provincie Fryslân
draagt zorg voor verdeling van de bekostiging over de betrokken
scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt van
dat onderwijs.
3.Grondslag voor de bekostiging van
de in het eerste en tweede lid bedoelde kosten zijn de voor het
desbetreffende jaar vastgestelde bedragen.
4.Grondslag voor de bekostiging ten
behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel
113, voor basisscholen zijn:
a. de schoolgrootte die
normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen
naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van
het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging
plaatsvindt, waarbij rekening wordt gehouden met de
samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op
de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van
bestuur, en
b. het aantal leerlingen op 1
oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de
bekostiging plaatsvindt, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de
uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal.
5.Voor nieuwe basisscholen zijn
gedurende de periode van 1 augustus tot 1 januari volgend op de
opening, grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven
voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113:
a. de schoolgrootte die
normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen
naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober in die
periode, waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling
van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als
aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur, en
b. het aantal leerlingen op 1
oktober in die periode, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de
uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal.
6.Indien op 1 maart van het jaar
waarover de bekostiging plaatsvindt, het aantal leerlingen met ten
minste een bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 69, vastgesteld aantal is toegenomen ten opzichte van het
aantal leerlingen, zoals dat luidt na de verhoging overeenkomstig
het vierde lid onder b, en toepassing van de in dit lid bedoelde
grondslag niet tot een lagere bekostiging zou leiden, zijn
grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen:
a. de schoolgrootte die
normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69,
normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen
naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 maart van het
jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waarbij rekening
wordt gehouden met de samenstelling van het leerlingenbestand
in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde
algemene maatregel van bestuur, en
b. het aantal leerlingen op 1
maart van het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt.
7.Ingeval een samenvoeging
plaatsvindt tussen 1 januari en 1 oktober daaropvolgend, wordt de
bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen,
bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging betrokken
scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de
samenvoeging plaatsvond.
8.Ingeval een samenvoeging
plaatsvindt tussen 1 oktober en 1 januari daaropvolgend, wordt de
bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen,
bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging betrokken
scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de
samenvoeging plaatsvond, en wordt de bekostiging van de uitgaven
voor die voorzieningen voor het jaar volgend op de samenvoeging,
gebaseerd op de bekostiging van de uitgaven voor die voorzieningen
van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, zoals die golden
op 1 oktober van het jaar van samenvoeging.
Artikel 135. Verhoging bekostiging
bij bijzondere omstandigheden
1.Jaarlijks voor 1 maart kan Onze
minister verhoging van de bekostiging worden gevraagd, indien op
grond van bijzondere omstandigheden van de school in dat jaar het
totale bedrag niet voldoende is voor de noodzakelijke uitgaven van
de school.
2.Een verzoek als bedoeld in het
eerste lid, kan slechts worden gedaan door het bevoegd gezag voor
zover het betreft de materiële instandhouding waarop de
programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben.
In afwijking van de vorige volzin kan ingeval artikel 119, tweede,
derde of vierde lid, is toegepast, het bevoegd gezag dat dan wel
de gemeente die de materiële instandhouding geheel of
gedeeltelijk verzorgt, het verzoek indienen.
3.Onze minister wijst het verzoek
in elk geval af indien:
a. in het jaar waarvoor de
programma's van eisen zijn vastgesteld, het totaal van de
noodzakelijke uitgaven voor de materiële instandhouding van
de school, niet ten minste 5% meer zal bedragen dan het totaal
van de uit 's Rijks kas daarvoor te verstrekken inkomsten,
b. de bijzondere omstandigheden
het gevolg zijn van een bij algemene maatregel van bestuur aan
te geven omstandigheid of afwijking van de omvang van de
componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de
bijzondere omstandigheden zouden bestaan,
c. de bijzondere omstandigheid
het gevolg is van een verschil tussen het prijsniveau in enig
jaar en de op grond van artikel 113 vastgestelde of aangepaste
bedragen, of
d. het bevoegd gezag dat of de
gemeente die het verzoek heeft ingediend, niet aantoont dat
het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei wijze had
kunnen voorkomen.
4.Een verzoek als bedoeld in het
eerste lid gaat vergezeld van een verklaring van een accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens die bij het
verzoek zijn gevoegd.
5 .[Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
6.Onze minister besluit binnen drie
maanden. Indien technisch onderzoek zulks noodzakelijk maakt, kan
Onze minister deze termijn eenmaal met ten hoogste zes maanden
verdagen.
7.Onze minister kan in verband met
de in het eerste lid bedoelde verhoging een bekostigingsplafond
instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels
omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 136. Bekostiging door
gemeente aan bevoegd gezag
1.De gemeente verstrekt jaarlijks
aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs
in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente
a. een bekostigingsbedrag dat
wordt bepaald ingevolge artikel 117 en het derde lid, en
b. voor zover het gebruik van
die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid
vast te stellen bekostigingsbedrag.
2.Voor zover geen ruimte ter
beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 117, eerste lid
onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van
een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen
eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke
oefening een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge
artikel 117, eerste lid onder b, en derde lid onder a, en het
derde lid.
3.Het aantal groepen leerlingen
voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 134,
vierde lid onder a, vijfde lid onder a, en zesde lid onder a, en
de ter uitvoering daarvan vastgestelde algemene maatregel van
bestuur, met dien verstande dat groepen waarvoor van rijkswege
bekostiging wordt verstrekt voor de kosten van de materiële
instandhouding van een speellokaal niet in aanmerking worden
genomen.
4.Het aantal groepen leerlingen
voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt berekend door het
aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het
jaar waarover de bekostiging plaatsvindt te delen door 15 en de
uitkomst rekenkundig af te ronden op een geheel getal.
§ 3. Personeel
Artikel 137. Verstrekking bekostiging
bedragen voor personeelskosten
1.Met inachtneming van de artikelen
120, 121 en 132, tweede lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het
bevoegd gezag een bekostigingsbedrag ten behoeve van de
personeelskosten.
2.In geval van het verstrekken van
een bijzondere bekostiging als bedoeld in artikel 123 verstrekt
het Rijk aan het desbetreffende bevoegd gezag het bedrag van deze
bekostiging.
3.Met inachtneming van artikel 132,
eerste lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bestuur van een
centrale dienst een bedrag ten behoeve van de personeelskosten van
zorgvoorzieningen.
4.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking
tot het betalen van het in het eerste, tweede en derde lid
bedoelde bedrag.
5.Op het in het eerste, tweede en
derde lid bedoelde bedrag worden op een bij ministeriële regeling
vast te stellen wijze in mindering gebracht de inkomsten die het
bevoegd gezag dan wel het bestuur van de centrale dienst direct of
indirect geniet vanwege uitkeringen of toelagen waarop door het
personeel aanspraak kan worden gemaakt.
Artikel 138. Aftrekposten bekostiging
1.Op de bekostiging, bedoeld in
artikel 137, worden in mindering gebracht de salarissen, toelagen,
uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt
door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van personeel dat
een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een
school van het bevoegd gezag, voor zover laatstbedoeld personeel
a. gebruik maakt van een
krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor
onvrijwillige taakvermindering, of
b. voor zover zich geen geval
voordoet als bedoeld onder a, in het genot is van wachtgeld of
van een andere ontslaguitkering en direct aan die
ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken
in dienst is geweest van het bevoegd gezag.
Voor de toepassing van de eerste
volzin wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder
«school van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen de
desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van de
binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de
hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.
2.Op de bekostiging, bedoeld in
artikel 137, worden eveneens in mindering gebracht de salarissen,
toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt
gemaakt door personeel dat langer dan 1 jaar anders dan wegens
vervanging onafgebroken, met een onderbreking van een week of
minder, dan wel met een of meer onderbrekingen gedurende een
schoolvakantie, in een gelijksoortige functie in tijdelijke dienst
verbonden is geweest aan een school van het bevoegd gezag.
De termijn van 1 jaar kan ingeval
van een of meer ziekteperioden van langer dan 4 weken met deze
ziekteperioden worden verlengd.
3.Op de bekostiging worden eveneens
in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen,
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan
op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet van
toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op
een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand
aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die
rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties
als bedoeld in de eerste volzin.
4.Het eerste lid is eveneens van
toepassing, indien de benoeming heeft plaatsgevonden in
aansluiting op een benoeming in tijdelijke dienst in dezelfde
functie.
5.Met gewezen personeel dat in het
genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering als
bedoeld in het eerste lid onder b, wordt gelijk gesteld personeel
aan wie op grond van het leerlingenverloop op of na 1 februari
ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk ontslag
recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen
ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode
tot uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op
een andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder
dat de vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
6.Bij ministeriële regeling wordt
bepaald in welke gevallen geen vermindering als bedoeld in het
eerste en tweede lid plaatsvindt.
7.Onze minister kan in andere
gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het
zesde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek van het bevoegd
gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in
het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit
binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien het besluit
niet binnen 4 maanden kan worden genomen, stelt Onze minister de
verzoeker daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn
waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien. Uitsluitend
op grond van door het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere
omstandigheden kan Onze minister bepalen dat het besluit, bedoeld
in de eerste volzin, betrekking heeft of mede betrekking heeft op
een periode voorafgaand aan de datum waarop het bevoegd gezag het
in de eerste volzin bedoelde verzoek heeft ingediend.
8.Onze minister kan projecten
aanwijzen waarvoor het tweede lid niet van toepassing is.
Artikel 139. Aftrekpost bekostiging
i.v.m. eigen wachtgelder
1.Artikel 138 is van
overeenkomstige toepassing indien de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 68, personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen
personeel als bedoeld in artikel 138, eerste en vijfde lid, van de
rechtspersoon of van een bevoegd gezag waarvoor diensten worden
verricht, dan wel niet handelt overeenkomstig het bepaalde in
laatstgenoemde artikelleden. Van het gewezen personeel, bedoeld in
de eerste volzin, is uitgezonderd het personeel van het bevoegd
gezag waarvoor diensten worden verricht, waarvan de
dienstbetrekking is beëindigd op een tijdstip dat meer dan twee
jaar ligt voor de aanvang van de dienstverlening.
2.In geval van toepassing van het
eerste lid wordt het in mindering te brengen bedrag in gelijke
mate verdeeld over de scholen waarvoor diensten worden verricht.
3.Artikel 138 is eveneens van
overeenkomstige toepassing
a. indien een bevoegd gezag
waarvoor diensten worden verricht, personeel benoemt met
voorbijgaan van gewezen personeel van de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 68, en
b. indien een bevoegd gezag
waarvoor geen diensten meer worden verricht, in het tijdvak
van vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening personeel
benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in
onderdeel a.
4.Artikel 138, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing indien de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 68, personeel ontslaat zonder voorafgaande instemming van
de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, met dien verstande dat
het in mindering te brengen bedrag in gelijke mate wordt verdeeld
over de bevoegde gezagsorganen waarvan de rechtspersoon, bedoeld
in artikel 68, uitgaat.
§ 4. Gemeentelijk beleid met
betrekking tot personele en materiële voorzieningen
Artikel 140. Gemeentelijk beleid als
een gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als
openbare scholen ontbreken
1.Indien in een gemeente
uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente
openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor
basisonderwijs in stand houden of openbare basisscholen
onderscheidenlijk openbare speciale scholen voor basisonderwijs
ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het onderwijs aan
die scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de
gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de
artikelen 142 tot en met 147 niet van toepassing.
2.De regeling, bedoeld in het
eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder
onderwijs en voorziet in een behandeling van basisscholen
onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs naar
dezelfde maatstaf.
3.De regeling, bedoeld in het
eerste lid, bevat in elk geval de voorzieningen die door het
bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de
gemeente in stand gehouden basisschool onderscheidenlijk speciale
school voor basisonderwijs kunnen worden aangevraagd en de
procedure voor het doen van een aanvraag.
4.De gemeenteraad kan besluiten dat
burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid,
tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling
wordt binnen 1 week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door
de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk
speciale scholen voor basisonderwijs gezonden. Binnen 12 weken na
de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de
gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging
ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten,
wordt de aanvulling gelijk gesteld met een aanvulling die is
bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad
heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die
reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de
aanvulling betrekking heeft.
5.Artikel 8:2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op de regeling, bedoeld in
het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan. In afwijking van
artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een
aanvulling als bedoeld in het vierde lid geen beroep worden
ingesteld zolang de gemeenteraad deze nog niet heeft bekrachtigd.
6.Voor de toepassing van dit
artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging
die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De
gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan
burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met
inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te
besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen
waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in
afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of
meer van de in de regeling genoemde voorzieningen.
7.Burgemeester en wethouders maken
jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-,
nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
wijze, een overzicht bekend van de op grond van de regeling,
bedoeld in het eerste lid, toegekende voorzieningen.
Artikel 140a. Gemeentelijk beleid bij
verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in een gemeente
1.Indien de gemeenteraad ten
aanzien van een of meer door de gemeente in stand gehouden
openbare scholen besluit dat deze met ingang van een datum die is
gelegen in de periode die aanvangt met een bij koninklijk besluit
te bepalen datum en eindigt met ingang van het negende
kalenderjaar daaropvolgend, in stand zullen worden gehouden door
een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente, kan de
regeling, bedoeld in artikel 140, eerste lid, dan wel de regeling,
bedoeld in artikel 141, eerste lid, bij effectuering van dat
besluit ten aanzien van die scholen en in afwijking van artikel
140, tweede lid, dan wel een regeling op grond van dit artikel bij
effectuering van dat besluit ten aanzien van die scholen, erin
voorzien dat door de gemeente aan een of meer andere
rechtspersonen dan de gemeente die die scholen in stand houden,
een vergoeding voor administratie, beheer en bestuur wordt
toegekend als aangegeven in het tweede lid.
2.De vergoeding, die op grond van
het eerste lid kan worden toegekend, bedraagt gedurende het eerste
en het tweede kalenderjaar volgend op het tijdstip waarop de
scholen, bedoeld in het eerste lid, niet langer door de gemeente
in stand worden gehouden, maximaal 4 maal het bedrag voor
administratie, beheer en bestuur, op grond van artikel 114,
onderdeel e, en gedurende het derde, vierde en vijfde kalenderjaar
maximaal 3 maal dat bedrag.
3.Indien de gemeenteraad besluit
scholen niet langer in stand te houden vanaf een andere datum dan
1 januari dan geldt als het eerste kalenderjaar, bedoeld in het
tweede lid, het deel van het kalenderjaar dat volgt op de datum
waarop de gemeente die scholen niet langer in stand houdt en
bedraagt de vergoeding die voor dat eerste kalenderjaar maximaal
kan worden toegekend voor administratie, beheer en bestuur een
evenredig deel van de vergoeding die op grond van het tweede lid
maximaal kan worden toegekend.
4.Voor de toepassing van het tweede
lid wordt per school uitgegaan van het leerlingenaantal, bedoeld
in artikel 134, zoals dat gold voor de berekening van het bedrag
voor administratie, beheer en bestuur voor het kalenderjaar direct
voorafgaand aan het tijdstip waarop door de gemeente de
desbetreffende school niet langer in stand wordt gehouden en het
prijspeil in dat kalenderjaar. De korting wegens rente-ontvangsten
uit gevormde reserves van de programma's van eisen, bedoeld in
artikel 114, onderdelen a en d, blijft daarbij buiten beschouwing.
5.De op grond van het eerste lid
toe te kennen vergoeding kan in een kalenderjaar niet hoger zijn
dan de in het daaraan voorafgaande kalenderjaar op grond van dit
artikel toegekende vergoeding. De eerste volzin is niet van
toepassing ten aanzien van de vergoeding voor het tweede
kalenderjaar indien de vergoeding voor het eerste kalenderjaar is
bepaald op grond van het derde lid. Bij de toepassing van de
eerste volzin blijft het teruggestorte bedrag, bedoeld in het
zevende lid, buiten beschouwing.
6.Het bevoegd gezag dat een school
als bedoeld in het eerste lid in stand houdt die voor die tijd
door de gemeente in stand werd gehouden, legt aan die gemeente en
aan de andere rechtspersonen die een of meer niet door de gemeente
in stand gehouden scholen in die gemeente in stand houden,
jaarlijks een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over met
betrekking tot de uitgaven en ontvangsten voor administratie,
beheer en bestuur.
7.Voor zover voor een school als
bedoeld in het eerste lid, de vergoeding, bedoeld in het eerste
lid, vermeerderd met de vergoeding op grond van artikel 114,
onderdeel e, in een kalenderjaar niet volledig is aangewend voor
uitgaven voor administratie, beheer en bestuur, wordt het verschil
door het bevoegd gezag, bedoeld in het zesde lid, teruggestort in
de gemeentekas.
Artikel 141. Gemeentelijk beleid als
een gemeente zelf openbare scholen in stand houdt
1.Indien een gemeente zelf een of
meer openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor
basisonderwijs in stand houdt en zij uitgaven wil doen voor het
onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden
bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een
regeling vaststellen.
2.Artikel 140, tweede tot en met
zevende lid, is van toepassing.
§ 5. Overschrijdingsregeling
Artikel 142. Overschrijdingsbedrag;
voorwaarde personeel buiten overschrijding
1.Indien een gemeente ten behoeve
van een of meer door haar in stand gehouden basisscholen of
speciale scholen voor basisonderwijs meer uitgaven doet voor het
personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden
bekostigd, wordt met inachtneming van de artikelen 142 tot en met
147 aan het bevoegd gezag van de in die gemeente gevestigde, niet
door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk
speciale scholen voor basisonderwijs om de vijf jaar een
overschrijdingsbedrag verstrekt. Voor de toepassing van de eerste
volzin worden ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid,
tweede volzin, gelijk gesteld met ontvangsten van het Rijk. Indien
een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar
als bedoeld in de eerste volzin geen basisschool onderscheidenlijk
speciale school voor basisonderwijs in stand houdt, wordt het
overschrijdingsbedrag in afwijking van die volzin uiterlijk 31
december van het kalenderjaar dat volgt op dat tijdstip waarop de
gemeente niet langer een school in stand houdt, toegekend.
2.Voor de toepassing van de
artikelen 142 tot en met 147 worden uitgaven ten behoeve van een
nevenvestiging aangemerkt als uitgaven ten behoeve van de
hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is
verbonden. Indien ten behoeve van een school of nevenvestiging
uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, worden deze
uitgaven aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier
grondgebied de hoofdvestiging is gelegen. In het geval bedoeld in
de vorige volzin worden de besluiten ingevolge het vierde lid en
de artikelen 143 tot en met 147 genomen door burgemeester en
wethouders van laatstbedoelde gemeente en hebben deze mede
betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten.
3.Voor de toepassing van de
artikelen 142 tot en met 147 wordt een nevenvestiging in een
andere gemeente dan waarin de hoofdvestiging is gelegen,
aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente
van de hoofdvestiging.
4.Burgemeester en wethouders kunnen
in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school besluiten dat met betrekking tot
een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente
doet ten behoeve van een door haar in stand gehouden school buiten
beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen,
bedoeld in de artikelen 143 en 144.
Artikel 143. Voorschot overschrijding
1.Burgemeester en wethouders
stellen, onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale
scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks vast in welke mate
zij ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen
meer dan wel minder uitgaven zullen doen voor het personeel en de
materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd. Deze
vaststelling geschiedt voor het komende begrotingsjaar en het
resterende deel van het vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel 142,
eerste lid.
2.Indien voor het komende
begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden gedaan voor het
personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden
bekostigd, verlenen burgemeester en wethouders in dat
begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente
in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen
voor basisonderwijs in de gemeente een voorschot op het te
verwachten overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 142, eerste
lid. Indien uit het besluit van burgemeester en wethouders,
bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de hiervoor bedoelde
meer-uitgaven in de resterende jaren van het vijfjarig tijdvak
geheel of ten dele worden gecompenseerd door minder uitgaven,
wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van
het voorschot.
3.Indien uit de jaarlijkse
voorlopige vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 144,
eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen is vastgesteld
bij het besluit van burgemeester en wethouders, bedoeld in het
eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan voor personeel en materiële
instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, verlenen
burgemeester en wethouders alsnog een voorschot aan het bevoegd
gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen
onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de
gemeente. Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot is de
tweede volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 144. Vaststelling
overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in percentage
1.Indien een gemeente een of meer
scholen in stand houdt, stellen burgemeester en wethouders
onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale scholen
voor basisonderwijs betreft, jaarlijks voorlopig vast:
a. het totaal van de bedragen
die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten
behoeve van de personeelskosten,
b. het totaal van de bedragen
die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten
behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld in
artikel 129 en ten behoeve van schoolbegeleiding,
c. het totaal van de bedragen
die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten
behoeve van de materiële instandhouding,
d. het totaal van de
ontvangsten, bedoeld in de artikelen 116 en 137, in het
voorafgaande kalenderjaar,
e. het totaal van de
ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens
artikel 129, tweede lid, ten behoeve van personeels- en
arbeidsmarktbeleid en die ten behoeve van schoolbegeleiding
voor het kalenderjaar zijn vastgesteld,
f. het totaal van de
ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens
artikel 113 voor de voorzieningen voor de materiële
instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,
g. het totaal van de
aanvullende ontvangsten waaronder worden verstaan de bedragen
die krachtens artikel 135 voor de voorzieningen ten behoeve
van de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn
vastgesteld,
h. het totaal van de bedragen
die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten
behoeve van de instandhouding van een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 68,
i. het totaal van de
ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid, tweede
volzin, en
j. een staat van voorzieningen
die zijn ingesteld ten behoeve van de door de gemeente in
stand gehouden scholen.
2.Indien de gemeente een deel van
de ontvangsten bedoeld, in het eerste lid onder d of een deel van
de ontvangsten, bedoeld in dat lid onder e, f, g en i, toevoegt
aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als
bedoeld in dat lid onder a, onderscheidenlijk als een uitgave als
bedoeld in dat lid onder b, c en h. Indien de gemeente ten behoeve
van de personeelskosten, de nascholingskosten, de kosten voor
materiële instandhouding of de kosten voor de instandhouding van
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, bedragen aan een
voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten als
bedoeld in het eerste lid onder d, e of f.
3.Bij het vaststellen van de
bedragen, bedoeld in het eerste lid onder c, f, g en h, worden
buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor:
a. administratie, beheer en
bestuur, bedoeld in artikel 114 , onder e,
b. de materiële instandhouding
van het onderwijs in lichamelijke oefening en
c. de materiële instandhouding
in verband met de toepassing van artikel 166, eerste lid, en
artikel 166a, eerste lid.
4.Bij het vaststellen van de
bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden buiten
beschouwing gelaten de uitgaven ten behoeve van personeel dat door
de gemeente met toepassing van artikel 166, eerste lid, en artikel
166a, eerste lid, aan een openbare school wordt verbonden. Bij het
vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b,
c en h, worden voorts buiten beschouwing gelaten de uitgaven die
worden gedekt door ontvangsten van bedragen die door derden zijn
betaald, de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond
van een besluit als bedoeld in artikel 140, zesde lid, tweede
volzin, en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd
gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op
grond van de regeling, bedoeld in artikel 141, eerste lid, een
aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel gedurende de periode
waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan. Bij het
vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b,
c en h, blijven de uitgaven ten behoeve van een basisschool buiten
beschouwing tot het bedrag dat de gemeente voor die school
overdraagt op grond van artikel 118, artikel 124 of artikel 125.
4a.Bij het vaststellen van de
bedragen bedoeld in het eerste lid, onder c, mogen voorzieningen
die volgens de desbetreffende rijksbekostiging een
afschrijvingstermijn van ten minste 20 jaar hebben, over ten
hoogste 20 jaar worden aangemerkt als jaarlijkse uitgaven op grond
van rente op basis van een fictieve lening met een looptijd van
ten hoogste 20 jaar en een lineaire aflossing.
5.Indien de gemeente een deel van
de bekostiging voor uitgaven voor personeel en kosten voor
materiële instandhouding overdraagt aan een ander bevoegd gezag,
wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, of onderdeel c. Indien door een ander
bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeelskosten en
kosten voor materiële instandhouding aan de gemeente wordt
overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f.
6.Om de vijf jaar stellen
burgemeester en wethouders voorlopig vast het totaal van de
vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf
kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is
aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten,
bepalen burgemeester en wethouders tevens het bedrag van de
overschrijding. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een
periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school
in stand houdt, stellen burgemeester en wethouders in afwijking
van die volzin zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig vast
het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het aan
dat tijdstip voorafgaande deel van de periode van vijf jaar, zoals
in het eerste tot en met vijfde lid is aangegeven.
7.Na sluiting van de rekening van
de gemeente stellen burgemeester en wethouders de in het eerste en
zesde lid bedoelde bedragen, zo nodig gewijzigd, vast. In het
geval, bedoeld in het zesde lid, tweede volzin, drukken
burgemeester en wethouders vervolgens het bedrag van de
overschrijding uit in een percentage van het totaal van de
ontvangsten, bedoeld in het eerste lid onder d tot en met g en i.
Het percentage wordt afgerond tot twee decimalen. Afronding naar
beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan 5, en
naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt.
Artikel 145. Vaststelling
overschrijdingsbedrag voor een niet door de gemeente in stand
gehouden school
1.In het jaar volgend op de
definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 144, zevende lid,
wordt het overschrijdingsbedrag vastgesteld waarop het bevoegd
gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, die
gedurende een of meer jaren van het desbetreffende tijdvak in de
gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Dit overschrijdingsbedrag
wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld in artikel 144,
zevende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten
van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is
gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 113 en 137
voor het desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld, met dien
verstande dat bij het vaststellen van het totaal van de
ontvangsten, bedoeld in voorgaande volzin, buiten beschouwing
blijven de ontvangsten op grond van de programma's van eisen voor
administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 114, onder e,
voor de materiële instandhouding van het onderwijs in
lichamelijke oefening en in verband met de toepassing van artikel
166, eerste lid, en artikel 166a, eerste lid.
2.Indien aan het bevoegd gezag van
een niet door de gemeente in stand gehouden school een deel van de
bekostiging voor personeelskosten is overgedragen door een ander
bevoegd gezag, wordt bij het vaststellen van het totaal van de
ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dat deel
bij genoemde school wel en bij de school van laatstgenoemd bevoegd
gezag niet aangemerkt als ontvangsten.
3.Indien een gemeente voor een niet
door de gemeente in stand gehouden school het deel van de
materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld
in artikel 114, onder a, b en c, betrekking hebben, geheel of
gedeeltelijk verzorgt, wordt een overeenkomstig deel van de
ontvangsten in mindering gebracht op het totaal van de ontvangsten
voor de betrokken school waarover ingevolge het eerste lid het
overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld.
4.Indien een gemeente gedurende een
gedeelte van het desbetreffende tijdvak een of meer basisscholen
onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in stand
houdt, wordt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van het totaal van de
ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school
over een overeenkomstig gedeelte van het desbetreffende tijdvak.
Artikel 146 [Vervallen per
11-05-2001]
Artikel 147. Mededeling en beroep
Aan het bevoegd gezag van de niet
door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift
gezonden van de besluiten van burgemeester en wethouders tot
vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven worden
gedaan, bedoeld in artikel 143, eerste lid, tot verlening van het
voorschot, bedoeld in artikel 143, tweede of derde lid, en tot
voorlopige en definitieve vaststelling van het
overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 144, zesde en zevende lid.
Daarbij is opgenomen een staat van voorzieningen als bedoeld in
artikel 144, eerste lid onder j, waarin per kalenderjaar wordt
aangegeven het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan
de voorzieningen. De toezending geschiedt binnen 2 weken na de dag
waarop burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in de
eerste volzin hebben genomen. Het bevoegd gezag van een niet door de
gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld
in de eerste volzin administratief beroep instellen bij gedeputeerde
staten.
§ 6. Bestedingsmogelijkheden
Artikel 148. Besteding bekostiging
1.Het bevoegd gezag wendt met
inachtneming van het zorgplan het totaal van de in de artikelen
129, 134 en 137 bedoelde bedragen voor de kosten voor de
materiële instandhouding en de personeelskosten uitsluitend aan
voor kosten voor materiële instandhouding, personeelskosten van
de school of personeelskosten in verband met benoeming of
tewerkstelling zonder benoeming van personeel, bedoeld in artikel
29, vijfde lid, dan wel mede voor die kosten van een van de andere
scholen van dat bevoegd gezag.
2.Het bevoegd gezag kan de in de
artikelen 129, 134, 137 en 180a bedoelde bedragen voor de kosten
voor de materiële instandhouding en voor de personeelskosten mede
aanwenden voor de in het eerste lid bedoelde kosten van:
a. een centrale dienst of een
andere school;
b. een centrale dienst of een
school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal
onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een
instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan
wel een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra of een centrale dienst dan wel een school als
bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.De verstrekte
overschrijdingsbedragen worden ten behoeve van het onderwijs aan
de scholen van het bevoegd gezag aangewend.
4.De op grond van artikel 140 of
artikel 141 verstrekte vergoeding wordt besteed aan het doel
waarvoor zij is verstrekt.
§ 7. Betaling van de bekostiging
Artikel 149. Verlening en verrekening
voorschotten op de bekostiging
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gegeven voor de verlening van
voorschotten op de bekostiging en voor de verrekening van de
betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging
of onderdelen daarvan.
Artikel 150. Verrekening van
vorderingen
Onze Minister is bevoegd tot
verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd
gezag van een school met vorderingen van of op Onze Minister
krachtens een andere wet.
Afdeling 9. Beëindiging van de
bekostiging
§ 1. Basisscholen
Artikel 151. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt onder
«school» verstaan: basisschool.
Artikel 152. Berekening aantal
leerlingen
Waar in deze paragraaf sprake is van
een aantal leerlingen, is dat het aantal leerlingen op 1 oktober van
het schooljaar, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de uitkomst naar
beneden wordt afgerond op een geheel getal.
Artikel 153. Einde bekostiging
bijzondere school en opheffing openbare school
1.De bekostiging van een bijzondere
school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven
indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het
aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3
achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de
opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en
155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente
waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is
gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende
de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van een school het
aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het
aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan
de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel
77, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in
aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing
op scholen als bedoeld in artikel 84.
2.De opheffingsnormen, berekend op
grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de
bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31
juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus
1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële
regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal
Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede
jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen
van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde
volzin, wordt, tezamen met bij die regeling op grond van artikel
155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november
van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de
opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de
Staatscourant.
3.De beëindiging van de
bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een
openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de
3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De
beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de
opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de
eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste
lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met
ingang van 1 augustus volgend op die 5 schooljaren.
4.Indien het aantal leerlingen van
een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet
betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het derde
schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het
eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school,
daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van
5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de
laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere
school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op
grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel
160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.
5.Indien binnen 10 km van een
school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, over de weg
gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs
wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte
bestaat, wordt de eerstgenoemde school niet opgeheven op grond van
dit artikel.
Artikel 154. Opheffingsnorm
Voor iedere gemeente wordt, op basis
van de leerlingdichtheid in die gemeente, een opheffingsnorm
vastgesteld aan de hand van de formule:
Opheffingsnorm = 0,6 x
(leerlingdichtheid : (0,15 + 0,0027 x leerlingdichtheid))
De uitkomst van de berekening wordt
afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste
cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en waarbij de decimalen
worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste
cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De
opheffingsnorm bedraagt minimaal 23 en maximaal 200. De
leerlingdichtheid is de uitkomst van het aantal inwoners van 4 tot
en met 11 jaar in die gemeente gedeeld door het aantal km2
grondoppervlakte van die gemeente. Indien het aantal km2 van de
gemeente minder bedraagt dan 10 km2, wordt voor de berekening van de
leerlingdichtheid uitgegaan van 10 km2. De leerlingdichtheid
bedraagt maximaal 500.
Artikel 155. Splitsing van de
gemeente
1.Burgemeester en wethouders
kunnen, indien elk bevoegd gezag dat een of meer scholen in de
gemeente in stand houdt schriftelijk heeft verklaard daarmee in te
stemmen, besluiten dat het grondgebied van de gemeente in twee bij
dat besluit vastgestelde delen wordt gesplitst in verband met
aanzienlijke verschillen in bebouwingskarakter en
bevolkingsdichtheid tussen die delen. De grenzen van de delen van
de gemeente die zijn ontstaan als gevolg van toepassing van de
eerste volzin, vallen samen met grenzen van gebieden in die
gemeente die zijn opgenomen in de jaarlijkse publikatie van het
Centraal Bureau voor de Statistiek «De landelijke wijk- en
buurtindeling». Het besluit wordt genomen uiterlijk 2 jaar voor
het verstrijken van de periode tot en met 31 juli 1998 of een
5-jaarlijkse periode als bedoeld in artikel 153, tweede lid. Het
besluit is gedurende 20 jaar van kracht behoudens het gestelde in
het vijfde lid.
2.Burgemeester en wethouders
brengen Onze minister binnen vier weken na het nemen van het
besluit, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte van dat besluit,
waarbij tevens mededeling wordt gedaan van de begrenzing van de
beide gebiedsdelen, de oppervlakte daarvan en het aantal 4- tot en
met 11-jarigen dat daarbinnen woonachtig is. Na ontvangst van een
mededeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij ministeriële
regeling voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke
opheffingsnorm vastgesteld. De opheffingsnorm voor elk deel wordt
vastgesteld op de wijze als aangegeven in artikel 154, met dien
verstande dat bij het bepalen van de leerlingdichtheid wordt
uitgegaan van het aantal km2 grondoppervlakte van het
desbetreffende deel en dat de vijfde volzin van artikel 154 niet
van toepassing is. De ministeriële regeling wordt overeenkomstig
artikel 153, tweede lid, bekendgemaakt en is voor de eerste maal
van toepassing op het eerstvolgende tijdvak van 5 jaar, volgend op
die bekendmaking.
3.Indien niet elk bevoegd gezag een
schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid eerste
volzin wenst te verstrekken, kunnen burgemeester en wethouders
Onze minister verzoeken een besluit tot splitsing als bedoeld in
het eerste lid te nemen. Het besluit tot het doen van een zodanig
verzoek wordt genomen uiterlijk 2 jaar voor het verstrijken van de
periode tot en met 31 juli 1998, of een 5-jaarlijkse periode als
bedoeld in artikel 153, tweede lid. Met betrekking tot het verzoek
is het tweede lid eerste volzin van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat burgemeester en wethouders eveneens de
ontvangen instemmende verklaringen overleggen, alsmede een opgave
van de scholen waarvan het bevoegd gezag geen instemmende
verklaring wenste te verstrekken. Indien Onze minister tot
splitsing van de gemeente besluit, wordt dit besluit genomen
uiterlijk 1 jaar voor het verstrijken van de periode tot en met 31
juli 1998, of de 5-jaarlijkse periode waarin het verzoek werd
gedaan en zijn op dit besluit de tweede tot en met vierde volzin
van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4.Van een besluit van burgemeester
en wethouders inhoudende een weigering om tot splitsing van de
gemeente, als bedoeld in het eerste lid, over te gaan en van een
besluit van burgemeester en wethouders, inhoudende een weigering
om een verzoek tot een zodanige splitsing bij Onze minister in te
dienen, kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die
daardoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, bij de Kroon in
beroep komen. Met een weigering om tot splitsing van de gemeente
over te gaan, wordt gelijk gesteld het niet nemen van een besluit
met betrekking tot splitsing binnen 6 maanden na verzending van de
laatste instemmende verklaring van de bevoegde gezagsorganen,
bedoeld in het eerste lid. Met een weigering om een verzoek tot
splitsing bij Onze minister in te dienen, wordt gelijkgesteld het
niet nemen van een besluit binnen 6 maanden na verzending van een
verzoek daartoe aan burgemeester en wethouders door een bevoegd
gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt. Het
beroep wordt ingesteld binnen 30 dagen nadat het besluit openbaar
is gemaakt of ter kennis is gebracht van degene jegens wie het
besluit is genomen dan wel binnen 30 dagen na het verstrijken van
de termijn van 6 maanden bedoeld in de tweede of derde volzin.
5.Op grond van bijzondere
omstandigheden die voortvloeien uit de ruimtelijke ordening en die
op het moment dat het besluit tot splitsing als bedoeld in het
eerste of derde lid werd genomen niet voorzienbaar waren, kan de
gemeenteraad binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 20
jaar een besluit nemen tot wijziging of beëindiging van de
splitsing. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing. Een besluit van de gemeenteraad tot
wijziging of beëindiging van de splitsing behoeft de goedkeuring
van Onze minister.
Artikel 156. Opheffingsnormen bij
wijziging van de gemeentelijke indeling en bij grenscorrecties
1.In het geval van een wijziging
van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in
artikel 283 van de Gemeentewet, stelt Onze minister op de wijze
als aangegeven in artikel 154 en artikel 155, tweede lid, de
nieuwe opheffingsnormen voor de betrokken gemeenten
onderscheidenlijk delen van gemeenten vast, voor zover deze
afwijken van de op grond van artikel 153, tweede lid, en artikel
155 bepaalde opheffingsnormen.
2.Indien burgemeester en wethouders
binnen 3 maanden na de datum van herindeling, bedoeld in artikel
1, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling, een
besluit nemen tot splitsing van de gemeente, stelt Onze minister
voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast.
Artikel 155, eerste lid eerste, tweede en vierde volzin en tweede
lid eerste en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
3.Artikel 155, derde lid, eerste,
derde en vierde volzin, en vierde lid is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6
maanden» wordt gelezen: 3 maanden.
4.De ingevolge het eerste en tweede
lid vastgestelde opheffingsnormen treden in de plaats van de op
grond van artikel 153, tweede lid, en artikel 155 bepaalde
opheffingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari
volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31
december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen
in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling
of de grenscorrectie zijn betrokken, de opheffingsnormen van
toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van
herindeling.
Artikel 157. Gemiddelde
schoolgrootte; samenwerkingsovereenkomst
1.Indien een bevoegd gezag scholen
in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die
gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn
vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in
afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de
bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een
openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de
school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte
van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor
die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende
opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd
gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling
heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling
aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte
niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van
de bekostiging niet meer dan 5 schooljaren zijn bekostigd en
waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het
aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan
de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in
aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing
op scholen als bedoeld in artikel 84.
2.Indien een bevoegd gezag scholen
in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van
een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen
zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot
en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet
beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van
artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de
gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag
ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die
gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan
wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in
artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het
gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld
door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of
elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die
gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de
som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal
scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de
mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de
toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen
gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de
aanvang van de bekostiging niet meer dan 5 schooljaren zijn
bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet
betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft
voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor
bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet
van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
3.Behoudens het bepaalde in het
vierde lid zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing indien een bevoegd gezag met ten minste 1 ander bevoegd
gezag een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, waarbij
voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
a. alle scholen van elk bevoegd
gezag dat aan de overeenkomst deelneemt, bevinden zich in een
gebied van aan elkaar grenzende gemeenten, dan wel delen van
gemeenten als bedoeld in artikel 155;
b. de overeenkomst is langer
dan 1 jaar voor het niet meer voldoen van een der scholen aan
de voor die school geldende opheffingsnorm gesloten en is
aangegaan voor een termijn van ten minste 10 jaren en
c. in de overeenkomst is in elk
geval opgenomen de verplichting voor elk bevoegd gezag om geen
personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een
der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst
deelneemt en dat
1°. werkzaam is met
gebruikmaking van bekostiging, die is toegekend op grond
van artikel 123, tweede lid, wegens samenvoeging van
scholen,
2°. voor zover zich geen
geval voordoet als bedoeld onder 1° gebruik maakt van een
krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling
voor onvrijwillige taakvermindering, dan wel
3°. voor zover zich geen
geval voordoet als bedoeld onder 1° en 2° in het genot
is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en
direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een
jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd
gezag.
4.Met toepassing van het derde lid
juncto het tweede lid kan in afwijking van artikel 153, eerste tot
en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school slechts
worden voortgezet of een openbare school slechts in stand worden
gehouden, indien zich binnen een straal van 2,5 km van de
desbetreffende school geen andere school van dezelfde richting,
dan wel, indien het openbaar onderwijs betreft geen andere school
met openbaar onderwijs bevindt.
5.De samenwerkingsovereenkomst,
bedoeld in het derde lid, kan bepalen dat geen verplichting als
bedoeld in het derde lid onder c 3° bestaat in gevallen, genoemd
in de ministeriële regeling bedoeld in artikel 138, zesde lid, en
in gevallen waarin Onze minister op grond van artikel 138, zevende
lid, heeft besloten dat de vermindering van de bekostiging,
bedoeld in artikel 138, eerste lid en tweede lid onder a, niet zal
plaatsvinden.
6.Indien de
samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, voor afloop
van de termijn bedoeld in het derde lid onder b door een bevoegd
gezag wordt beëindigd, wordt de bekostiging van een bijzondere
school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking
van artikel 153, eerste tot en met derde lid, werd bekostigd,
beëindigd, dan wel een openbare school die op grond van de
samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 153, eerste tot
en met derde lid, in stand werd gehouden, opgeheven overeenkomstig
artikel 153 met dien verstande dat de bekostiging niet wordt
beëindigd onderscheidenlijk de school niet wordt opgeheven voor 1
augustus volgend op de beëindiging van de
samenwerkingsovereenkomst. Bij een beëindiging van de
samenwerkingsovereenkomst voor afloop van de termijn bedoeld in
het derde lid onder b, wordt op de bekostiging van het Rijk voor
de school of scholen van elk bevoegd gezag dat aan de
samenwerkingsovereenkomst deelnam een bedrag ingehouden, waarvan
de hoogte door middel van een bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen regeling wordt bepaald.
7.Een bevoegd gezag kan slechts
deelnemen aan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde
lid. Bij deelname aan meer dan 1 samenwerkingsovereenkomst als
bedoeld in het derde lid, is voor de toepassing van dit artikel
uitsluitend de eerst gesloten samenwerkingsovereenkomst van
belang.
Artikel 158. Beëindiging bekostiging
of opheffing nevenvestiging
1.De bekostiging van een bijzondere
nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging
wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 3
achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft
voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de
volgende voorwaarden:
a. het aantal leerlingen van de
nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van
2 km bevindt zich geen school,
b. het aantal leerlingen van de
nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van
3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van
dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar
openbaar onderwijs wordt gegeven,
c. het aantal leerlingen van de
nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van
5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van
dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar
openbaar onderwijs wordt gegeven,
d. binnen 10 km van de openbare
nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school
aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of
e. bij het gelijkstellen van de
nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met
toepassing van artikel 157 en onder vervanging van het getal
290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking
komen.
2.De beëindiging van de
bekostiging van een bijzondere nevenvestiging of de opheffing van
een openbare nevenvestiging geschiedt met ingang van 1 augustus
volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het
eerste lid.
3.Indien het bevoegd gezag van
oordeel is dat op de teldatum 1 oktober wordt voldaan aan een van
de voorwaarden genoemd in het eerste lid en het de nevenvestiging
in het op die datum volgende schooljaar wil handhaven, deelt het
dit voor 1 februari voorafgaand aan dat schooljaar onder de
gemotiveerde vermelding van de voorwaarde die het betreft
schriftelijk mede aan Onze minister. Indien deze mededeling niet
tijdig wordt gedaan, wordt de nevenvestiging geacht gedurende het
desbetreffende schooljaar niet aan een van de voorwaarden genoemd
in het eerste lid te voldoen, tenzij het eerste lid, onder d, van
toepassing is.
4.Onze minister maakt voor 1 mei,
volgend op de mededeling, bedoeld in het derde lid, aan het
bevoegd gezag van de desbetreffende school bekend dat
a. de nevenvestiging naar zijn
oordeel gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de
teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te
hebben voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het
eerste lid zodat de bekostiging van de bijzondere
nevenvestiging wordt beëindigd of de openbare nevenvestiging
dient te worden opgeheven,
b. de nevenvestiging naar zijn
oordeel niet voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het
eerste lid maar, gelet op het eerste lid, de bekostiging van
de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare
nevenvestiging in stand kan worden gehouden, of
c. de nevenvestiging naar zijn
oordeel voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het
eerste lid, zodat de bekostiging van de bijzondere
nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging
in stand kan, dan wel dient te worden gehouden.
Artikel 159. Vermindering aantal
openbare scholen en nevenvestigingen
De gemeenteraad kan besluiten tot
vermindering van het aantal openbare scholen en nevenvestigingen. In
afwijking van de eerste volzin vindt opheffing van een openbare
school of nevenvestiging niet plaats in de gevallen bedoeld in
artikel 153, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 158, eerste lid
onder d.
Artikel 160. Bekendmaking over
beëindiging bekostiging school en opheffing school
1.Indien naar het oordeel van Onze
minister de bekostiging van een bijzondere school dient te worden
beëindigd of een openbare school dient te worden opgeheven, maakt
Onze minister dit voor 1 januari voorafgaand aan de datum van
beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk opheffing van de
school bekend aan het bevoegd gezag.
2.Indien naar het oordeel van het
bevoegd gezag sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld
in artikel 153, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 157, deelt
het bevoegd gezag dit voor 1 februari voorafgaand aan de datum
voor de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de
opheffing schriftelijk mede aan Onze minister. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens bij deze
mededeling worden overgelegd.
3.Voor zover Onze minister niet
reeds heeft bekendgemaakt dat hij de mededeling, bedoeld in het
tweede lid, buiten behandeling laat wegens het niet verstrekken
van de voorgeschreven gegevens, maakt hij voor 1 mei, volgend op
de mededeling, bedoeld in het tweede lid, aan het bevoegd gezag
van de desbetreffende school bekend dat:
a. naar zijn oordeel geen
sprake is van een van de uitzonderingssituaties, bedoeld in
het tweede lid, en dat met ingang van 1 augustus van het
volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school
wordt beëindigd dan wel de openbare school dient te worden
opgeheven, of
b. met ingang van 1 augustus
van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere
school wordt voortgezet of de openbare school in stand dient
te worden gehouden.
4.Indien Onze minister niet voor 1
mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een
bekendmaking als bedoeld in het derde lid heeft gedaan, wordt met
ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging
van de bijzondere school voortgezet of dient de openbare school
met ingang van laatstgenoemde datum in stand te worden gehouden.
Artikel 161. Opgave aantal leerlingen
1.Het bevoegd gezag zendt voor 15
oktober volgend op de teldatum, bedoeld in artikel 152, aan Onze
minister een opgave van het aantal leerlingen. Indien deze opgave
niet voor die datum wordt gedaan, stelt Onze minister het aantal
leerlingen, indien die gegevens voor de voortzetting of
beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing of
instandhouding van een school noodzakelijk zijn, ambtshalve vast.
Een opgave van het aantal leerlingen op of na 15 oktober aan Onze
minister heeft geen invloed op het ambtshalve vastgestelde aantal
leerlingen voor zover het betreft het al of niet beëindigen van
de bekostiging van een bijzondere school of nevenvestiging of de
opheffing of instandhouding van een openbare school of
nevenvestiging.
2.Onze minister wijst het bevoegd
gezag voorafgaand aan de teldatum, bedoeld in artikel 152, op de
verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
§ 2. Speciale scholen voor
basisonderwijs
Artikel 162. Vermindering aantal
openbare speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen
daarvan
Artikel 159, eerste volzin, is van
overeenkomstige toepassing op speciale scholen voor basisonderwijs
en nevenvestigingen daarvan, met dien verstande dat voor opheffing
van de laatste speciale school voor basisonderwijs van een
samenwerkingsverband de in artikel 18, zevende lid, bedoelde
goedkeuring van Onze minister is vereist.
§ 3. Overige bepalingen
Artikel 163. Overdracht gebouwen,
terreinen en roerende zaken
1.Indien de bekostiging van een
bijzondere school of nevenvestiging wordt beëindigd of het
bevoegd gezag tot de opheffing van de school of nevenvestiging
beslist, dan wel een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan
artikel 85, tweede lid, of artikel 89, tweede lid, toepassing
heeft gevonden, wordt opgeheven, eindigt het recht op het gebouw
en terrein en worden alle roerende zaken, behalve die welke het
bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de
gemeente op wier grondgebied het gebouw en terrein zijn gelegen,
overgedragen.
2.Artikel 110, eerste tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande
dat in de verklaring ingevolge het eerste lid en het besluit
ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd gezag
blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw
of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de
datum waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen.
Artikel 163a. Terugstorting
1.Indien de bekostiging van de
laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd
of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school
beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort
het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de
desbetreffende overheidskas.
2.Het exploitatietekort blijft in
de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het
bevoegd gezag.
3.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze
waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt
berekend.
Artikel 164. Inhouding bekostiging
1.Indien het bevoegd gezag van een
school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze
wet, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten
daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan
wel opgeschort.
2.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het
personeel van een school in strijd handelt met artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht.
3.Onze minister kent de bekostiging
wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het
eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 164a. Maatregelen
1.Indien de kwaliteit van het
onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op
verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging
in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in
het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de
instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook
kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de
instelling ter beschikking worden gesteld.
3.Onze minister stelt nadere regels
omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen,
voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
Afdeling 10.
Onderwijsachterstandenbeleid
Artikel 165. Nadere voorwaarden
onderwijsachterstandenbeleid
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voor een periode van telkens 4 schooljaren nadere
voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan het onderwijsachterstandenbeleid.
2.De voordracht voor een krachtens
het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 166. Activiteiten voor
leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal binnen
reguliere schooltijd
1.Ten behoeve van leerlingen van
wie op grond van door burgemeester en wethouders vast te stellen
criteria is vastgesteld dat zij een grote achterstand in de
Nederlandse taal hebben, kunnen uitsluitend op scholen die na
overleg met de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de
gemeente door burgemeester en wethouders daartoe zijn aangewezen,
in vormen van daartoe speciaal ingerichte groepen of groepjes,
activiteiten ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse
taal worden verricht die zijn gericht op een betere doorstroming
in het onderwijs indien dit van belang is in het kader van het
voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Indien de
leerlingen uitsluitend onderwijs ontvangen in de in de eerste
volzin bedoelde groepen of groepjes, wordt het onderwijs zodanig
ingericht dat zij tenminste 880 uren onderwijs ontvangen. Indien
de leerlingen tevens onderwijs ontvangen buiten de in de eerste
volzin bedoelde groepen of groepjes, wordt het onderwijs zodanig
ingericht dat het totaal aantal uren onderwijs dat zij ontvangen
tenminste het aantal uren bedraagt dat geldt voor de leerlingen
waarmee zij buiten de in de eerste volzin bedoelde groep of
groepjes onderwijs ontvangen.
2.De criteria voor toelating tot de
activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld na
overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de
gemeente.
3.Een leerling neemt slechts deel
aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, gedurende een
schooljaar en na schriftelijke instemming van de ouders van de
leerling.
Artikel 166a. Activiteiten voor
leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal buiten
reguliere schooltijd
1.Ten behoeve van leerlingen van
wie op grond van door burgemeester en wethouders vast te stellen
criteria is vastgesteld dat zij een grote achterstand in de
Nederlandse taal hebben, kunnen uitsluitend op scholen die na
overleg met de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de
gemeente door burgemeester en wethouders daartoe zijn aangewezen,
naast de uren die door het bevoegd gezag van de school op grond
van artikel 8 zijn vastgesteld, activiteiten ter bevordering van
de beheersing van de Nederlandse taal worden verricht die zijn
gericht op een betere doorstroming in het onderwijs indien dit van
belang is in het kader van het voorkomen en bestrijden van
onderwijsachterstanden.
2.Artikel 166, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Tot de activiteiten, bedoeld in
het eerste lid, kunnen tevens leerlingen die op een andere school
zijn ingeschreven, worden toegelaten.
4.Een leerling neemt slechts deel
aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, na schriftelijke
instemming van de ouders van de leerling.
Artikel 167. Voorschoolse
activiteiten
Voor zover de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel 165, daarin voorziet, kunnen
activiteiten worden verricht en financiële middelen worden ingezet
ten behoeve van kinderen die nog niet tot een school kunnen worden
toegelaten en die de leeftijd van 2 jaar hebben bereikt. De
activiteiten zijn gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor
het met succes instromen in het basisonderwijs.
Artikel 167a. Overleg
onderwijsachterstandenbeleid
1.Burgemeester en wethouders en de
bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld
in de Wet kinderopvang in de gemeente voeren tenminste jaarlijks
overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van
integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de
afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit
het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in
de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling
van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te
komen, waaronder de doorlopende leerlijn van voorschoolse educatie
naar basisonderwijs. Het overleg is gericht op het maken van
afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze
afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen.
De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen
worden bereikt. Burgemeester en wethouders kunnen de uitkomsten
van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in
bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties
en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen –
aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de
voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt,
schrijven burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit,
waarbij zij initiatieven nemen tot het bereiken van een zo groot
mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot
overeenstemming leidt, vragen burgemeester en wethouders of een
van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld
in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie
brengt binnen 4 weken aan burgemeester en wethouders dan wel aan
het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend
advies uit. Burgemeester en wethouders maken dit advies bekend aan
de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang,
bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente.
2.Onze minister stelt een
geschillencommissie in.
3.De commissie bestaat uit een
voorzitter en 4 leden, die allen door Onze minister worden
benoemd. De 4 leden worden benoemd op voordracht van de
gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten. De voorzitter is een jurist.
4.De voorzitter en de leden worden
benoemd voor een termijn van 4 jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar.
Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.
Artikel 168. Gemeentelijke middelen
1.Bij algemene maatregel van
bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een
gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt
voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor
het bestrijden van onderwijsachterstanden, alsmede de criteria
voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt.
2.Burgemeester en wethouders
verstrekken de middelen die de gemeente als specifieke uitkering
uit ’s Rijks kas ontvangt voor de bestrijding van
onderwijsachterstanden of de middelen die de gemeenteraad bestemt
voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, aan de
rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen.
3.Onze minister kan voor bij
ministeriële regeling aan te wijzen gevallen of groepen van
gevallen tegemoet komen aan onbillijkheden van overwegende aard,
welke zich bij de toepassing van het eerste lid van dit artikel
mochten voordoen.
4.Gemeenten die reeds anders dan op
grond van het eerste lid middelen uit ’s Rijks kas ontvangen
voor de bestrijding van onderwijsachterstanden komen niet in
aanmerking voor een specifieke uitkering als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 169. Verantwoording gemeente
1.Onze minister kan de uitkering
geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien de uitkering niet is
besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.
2.Burgemeester en wethouders van
een gemeente, die een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel
168, tweede lid, dragen er zorg voor dat zij beschikken over
geordende gegevens ten behoeve van het door Onze minister te
voeren beleid met betrekking tot de bestrijding van
onderwijsachterstanden, en verlenen desgevraagd medewerking aan
door of namens Onze minister uit te voeren onderzoek dat geheel of
mede op deze gegevens is gebaseerd.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven
omtrent de definiëring, de wijze van ordening en omtrent de
beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 170. Inlichtingenplicht en
inhouding middelen
1.Onverminderd het bepaalde in de
Wet op het onderwijstoezicht, is het toezicht op het
onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen 166, 166a en
167, in de gemeente opgedragen aan burgemeester en wethouders. Het
toezicht op de bevoegde gezagsorganen van de scholen en andere
instellingen die betrokken zijn of betrokken worden bij de
toekenning van de middelen, wordt uitgeoefend door bij besluit van
burgemeester en wethouders aangewezen personen. De artikelen 5:12
tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
2.Indien het bevoegd gezag van een
school naar het oordeel van burgemeester en wethouders de middelen
die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in artikel 168,
uit ’s Rijks kas ontvangt voor de bestrijding van
onderwijsachterstanden of de middelen die de gemeenteraad bestemt
voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, niet besteedt aan
onderwijsachterstandsdoelen, kunnen burgemeester en wethouders de
middelen geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
3.Indien het gemeentebestuur naar
het oordeel van Onze minister de voorschriften in deze afdeling
niet nakomt, kan Onze minister de uitkering, bedoeld in artikel
168, geheel of gedeeltelijk inhouden.
4.Indien Onze Minister toepassing
geeft aan het derde lid in verband met een besluit van
burgemeester en wethouders dat leidt tot kosten van
werkloosheidsuitkeringen en de rechtspersoon, bedoeld in artikel
184, eerste lid, een verzoek als bedoeld in artikel 138, derde
lid, met betrekking tot een niet door de gemeente in stand
gehouden school als gevolg van dat besluit van burgemeester en
wethouders heeft ingewilligd, vergoedt Onze Minister aan deze
rechtspersoon de als gevolg van die inwilliging gemaakte kosten
van werkloosheidsuitkeringen.
Afdeling 11. Verslaglegging en
informatieverstrekking
Artikel 171. Jaarverslag
1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks
een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze
jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek,
met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12, van
overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag
bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:
a. een bestuursverslag als
bedoeld in artikel 391 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
b. een jaarrekening als bedoeld
in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met
daarbij ingevolge het derde lid vast te stellen bijlagen,
c. overige gegevens als bedoeld
in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald welke onderdelen het jaarverslag tevens
dient te bevatten, dan wel welke onderdelen komen te vervallen.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan een nadere invulling worden gegeven aan
de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen
nadere voorschriften worden gegeven over:
a. de indeling en de wijze van
ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag,
b. de wijze en het tijdstip
waarop de desbetreffende onderdelen beschikbaar gesteld
worden,
c. de elektronische verzending
van het cijfermatige deel uit de jaarrekening, en
d. de grondslagen voor de
jaarrekening.
4.De beschikbaarstelling van de
gegevens, bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van
een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven
door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat
de controle overeenkomstig een door Onze minister vast te stellen
controleprotocol plaatsvindt en dat aan Onze minister op diens
verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de
accountant.
Artikel 172. Informatie over
bekostiging
1.Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat het ten behoeve van Onze minister beschikt over geordende
gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van
de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van
de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door het bevoegd gezag
aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven
omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de
beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
3.Het bevoegd gezag bewaart de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken
en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren.
Artikel 173. Beleidsinhoudelijke
informatie
1.Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het
door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het
onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd
medewerking aan door of namens Onze minister uit te voeren
onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven
omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de
beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 173a [Vervallen per
01-08-2004]
Artikel 174. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel
171, derde lid, artikel 172, tweede lid, en artikel 173, tweede lid,
hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een
leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 178a, tweede
lid.
Artikel 175. Onderzoek vanwege de
minister
1.De accountant die door Onze
minister is belast met het onderzoek van de controlerapporten,
bedoeld in artikel 171, vierde lid, en met het onderzoek van de
juistheid van de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 172,
heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot
de plaats waar de desbetreffende boeken en bescheiden worden
bewaard. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken
en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die
deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
2.Onze minister kan naast het
accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek
instellen of doen instellen naar de rechtmatigheid van het beheer
op grond van de ter beschikking gestelde controlerapporten,
bedoeld in artikel 171, vierde lid, en de bekostigingsgegevens,
bedoeld in artikel 172. Het bevoegd gezag verstrekt aan degene die
door Onze minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen
die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft
desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.
Artikel 176 [Vervallen per
01-08-2004]
Afdeling 11A. Zij-instroom in het
beroep
Artikel 176a. Begripsbepalingen
In deze afdeli |