WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijk
te regelen dat het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu zijn
taken ten behoeve van de beleidsontwikkeling en het toezicht op het
terrein van de volksgezondheid en het terrein van het milieu zelfstandig
uitoefent;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. RIVM: het rijksinstituut, bedoeld in artikel 2;
c. de directeur-generaal: de directeur-generaal van het RIVM,
genoemd in artikel 2;
d. meerjaren-activiteitenprogramma: een programma als bedoeld in
artikel 4.
HOOFDSTUK 2. INSTELLING, TAAK EN WERKWIJZE
Artikel 2
1. Er is een Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, dat
ressorteert onder Onze Minister.
2. De leiding van het RIVM berust bij de directeur-generaal van
het RIVM. De directeur-generaal wordt door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
benoemd.
Artikel 3
1. Het RIVM heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens
andere wetten, tot taak:
a. onderzoek te verrichten, dat is gericht op ondersteuning van de
beleidsontwikkeling en de uitoefening van toezicht op het terrein van
de volksgezondheid, het terrein van het milieu en het terrein van
natuur, bos en landschap;
b. periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige
ontwikkeling van de volksgezondheid en het milieu;
c. andere door Onze Minister op te dragen werkzaamheden uit te
voeren.
2. Het RIVM kan ander onderzoek dan dat, bedoeld in het eerste
lid, onder a, alsmede andere werkzaamheden dan die, bedoeld in
het eerste lid, onder c, verrichten indien dat uit een oogpunt
van algemeen belang nuttig is te achten en dit onderzoek of die
werkzaamheden zijn opgenomen in een meerjaren-activiteitenprogramma. De
kosten van zodanig onderzoek of zodanige werkzaamheden brengt het RIVM
in rekening bij degene, in wiens opdracht het onderzoek of de
werkzaamheden worden verricht.
Artikel 4
1. De directeur-generaal stelt jaarlijks, na overleg met Onze
Minister, een meerjaren-activiteitenprogramma op, waarin zijn
opgenomen alle activiteiten op het terrein van de volksgezondheid, die
het RIVM voornemens is in de komende jaren uit te voeren. Het
meerjaren-activiteitenprogramma en wijzigingen daarin behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
2. De directeur-generaal stelt jaarlijks, na overleg met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een
meerjaren-activiteitenprogramma op, waarin zijn opgenomen alle
activiteiten op het terrein van het milieu, die het RIVM voornemens is
in de komende jaren uit te voeren. Het meerjaren-activiteitenprogramma
en wijzigingen daarin behoeven de goedkeuring van Onze Minister en Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
3. De directeur-generaal stelt jaarlijks, na overleg met Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, een
meerjarenactiviteitenprogramma op, waarin zijn opgenomen de activiteiten
op het terrein van natuur, bos en landschap die het RIVM en de andere
betrokken instellingen in het kader van de opstelling van de rapporten,
bedoeld in artikel 9a van de Natuurbeschermingswet 1998, voornemens zijn
in de komende jaren uit te voeren. Het meerjarenprogramma en wijzigingen
daarin behoeven de goedkeuring van Onze Minister en Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
4. De directeur-generaal stelt jaarlijks, na overleg met Onze
Minister en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, een
meerjaren-activiteitenprogramma op van onderzoek dat hij noodzakelijk
acht voor het verwerven van inzichten die nodig zijn om de in artikel 3,
eerste lid, onder a en b , genoemde taken adequaat te
kunnen uitvoeren.
Artikel 5
Onze Minister geeft aan de directeur-generaal geen aanwijzingen met
betrekking tot de methoden, volgens welke de in de
meerjaren-activiteitenprogramma’s opgenomen onderzoeken worden
uitgevoerd en de resultaten daarvan worden gerapporteerd.
Artikel 6
De directeur-generaal zendt jaarlijks voor 1 juni aan Onze Minister
en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een verslag van
de werkzaamheden van het RIVM in het afgelopen kalenderjaar.
Artikel 7
Onze Minister en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
zenden rapporten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, alsmede
de meerjaren-activiteitenprogramma's, bedoeld in artikel 4, en het
verslag, bedoeld in artikel 6, aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 3. COMMISSIE VAN TOEZICHT
Artikel 8
1. Er is een Commissie van toezicht die tot taak heeft het
wetenschappelijk niveau van het RIVM te bewaken.
2. De Commissie van toezicht bestaat uit:
a. twee door Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op voordracht van de Koninklijke
Nederlandse Academie van Wetenschappen telkens voor vier jaren te
benoemen leden, waaronder de voorzitter, en
b. telkens één lid, aan te wijzen door de directie van het
Centraal Planbureau, de directeur van het Sociaal en Cultureel
Planbureau, het hoofd van de Rijksplanologische Dienst en de
directeur-generaal voor de statistiek.
3. Onze Minister en Onze Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit kunnen daarnaast telkens voor vier jaren personen, die
deskundig zijn op het terrein van het wetenschappelijk onderzoek op het
gebied van de volksgezondheid, het milieu of natuur, bos of landschap,
tot lid van de commissie benoemen.
HOOFDSTUK 4. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 9
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 10
Het koninklijke besluit van 30 december 1983, houdende instelling van
het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (Stb.
728) wordt ingetrokken.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 12
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het RIVM.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 oktober 1996
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de zesentwintigste november 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager