Nadere regelgeving:
- Bekostigingsbesluit WVO
- Besluit
bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
- Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair onderwijs
- Besluit kerndoelen onderbouw VO
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Bwoo)
- Eindexamenbesluit
VO
- Formatiebesluit WVO
- Inrichtingsbesluit WVO
- Staatsexamenbesluit
VO
WET van 14 februari 1963 tot regeling
van het voortgezet onderwijs
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter
verkrijging van een samenhangend geheel van onderwijsvoorzieningen het
voortgezet onderwijs in een wet te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
«Onze Minister»: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit.
«de inspectie»: de inspectie, bedoeld in de Wet op het
onderwijstoezicht;
«voortgezet onderwijs»: het voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 2
«school»: een school voor voortgezet onderwijs, tenzij het tegendeel
blijkt;
«openbare school»:
a. een school in stand gehouden door een gemeente, dan wel door een
openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of
meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a in
stand gehouden school;
c. een door een stichting als bedoeld in artikel 42b of artikel 53c in
stand gehouden school;
«bijzondere school»: een door een natuurlijke persoon of door een
privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld
in artikel 42b, in stand gehouden school;
«openbare rechtspersoon»: een rechtspersoon die krachtens publiekrecht
is ingesteld als bedoeld in artikel 42a;
«het bevoegd gezag» : voor wat betreft:
a. een openbare school:
1°. het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet
anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van
door hem te stellen regelen;
2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling
bevoegde orgaan;
3°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 42a; dan wel
4°. de stichting, bedoeld in artikel 42b of artikel 53c;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 49,
eerste lid;
c. een samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 53d: het bestuur van
de samenwerkingsschool, bedoeld in dat artikel;
«regionaal opleidingencentrum»: een regionaal opleidingencentrum als
bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
«agrarisch opleidingscentrum»: een agrarisch opleidingscentrum als
bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
«persoonsgebonden nummer»: het burgerservicenummer, bedoeld in artikel
1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel
het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel
27b, vierde lid;
sociaal-fiscaalnummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onder k, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
«contractactiviteiten»: activiteiten als bedoeld in artikel 20, tweede
lid;
«personeel»:
a. de benoemde rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of
leraar, en overig personeel benoemd in een andere functie dan het geven
van onderwijs, waaronder begrepen de leden van het bestuur van die
scholen die zijn benoemd door een raad van toezicht als bedoeld in
artikel 24e1, derde lid, voor zover die leden mede zijn benoemd op basis
van een arbeidsovereenkomst of een akte van aanstelling;
b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld,
tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 38a tot en met 39a,
40a, 43a, eerste en tweede lid, 51, eerste tot en met derde lid, 52,
52a, 53, 53b en 96o, voor zover niet anders is bepaald, en de toepassing
van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
«nascholing»: een vorm van scholing, gegeven aan leden van het
personeel om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen
direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend
op de in de initiële opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te
verdiepen en uit te breiden;
«leerlinggebonden budget»: een leerlinggebonden budget voor een
leerling als bedoeld in artikel 77a;
«kerndoelen»: de op grond vanartikel 11b vastgestelde na te streven
inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste
twee leerjaren, bedoeld inartikel 11c, gericht op het verwerven door
leerlingen van kennis, inzicht en vaardigheden;
maatschappelijke stage: stage gericht op het verwerven van vaardigheden
ten behoeve van het functioneren in de maatschappij, bestaande uit
onbezoldigde vrijwilligersactiviteiten, niet zijnde de stage bedoeld in
artikel 22, derde lid, onderdeel d;
meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief verzuim als
bedoeld in artikel 24h van de Wet op het onderwijstoezicht;
«College voor examens»: College voor examens als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet College voor examens.
Artikel 2
Het voortgezet onderwijs, bedoeld in deze wet, omvat het onderwijs dat
wordt gegeven na het basisonderwijs en na het speciaal onderwijs. Het
omvat niet het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra, educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.
Artikel 2a. Bevoegdheid schoolonderwijs
Voortgezet onderwijs mag slechts worden gegeven door degene die daartoe
ingevolge deze wet bevoegd is.
Artikel 3. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
1. Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon zich mogelijk
schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als
bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een
minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld
in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet
op het onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden
geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de
desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als
bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige leerling van de
school, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de
vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd
gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de
betrokken leerling, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de
school met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk
schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het
eerste lid jegens een minderjarige leerling van de school, stelt het
personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 4. Kosten van leerlingenvervoer
1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en
wethouders aan ouders, voogden of verzorgers van in de gemeente
verblijvende leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of
zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
openbaar vervoer gebruik kunnen maken, op aanvraag bekostiging van de
door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten.
Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling. De gemeenteraad stelt
daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in
de volgende leden.
2. De regeling maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder
onderwijs.
3. De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de
ouders, voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig
en handelingsbekwaam is, van de leerling berustende keuze van een
school.
4. De regeling voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een
wijze die voor de leerling passend is. De regeling bepaalt op welke
wijze burgemeester en wethouders terzake advies van deskundigen
inwinnen.
5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de
afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de
leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de
ouders, voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig
en handelingsbekwaam is, van de leerling, tenzij vervoer met betrekking
tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met
zich zou brengen en de ouders, voogden of verzorgers onderscheidenlijk
de leerling met het vervoer naar die school instemmen.
6. De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van bekostiging in
geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
7. De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere
gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders, voogden of
verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig en
handelingsbekwaam is, ten gunste van de leerling van de inhoud van de
regeling af te wijken.
Titel II. Het onderwijs
Artikel 5
Het voortgezet onderwijs wordt onderscheiden in:
a. voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
b. hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
c. voorbereidend beroepsonderwijs;
d. praktijkonderwijs;
e. andere vormen van voortgezet onderwijs.
Afdeling I. Openbaar en uit de openbare kas bekostigd bijzonder
schoolonderwijs
Artikel 6
De bepalingen van de hoofdstukken I en II van deze afdeling regelen het
openbaar schoolonderwijs; de bepalingen van de hoofdstukken I en III
zijn voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs.
Hoofdstuk I. Regelen voor het openbaar schoolonderwijs, tevens
voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs
§ 1. Scholen
Artikel 6a. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het
Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden
gebezigd:
a. wanneer het onderwijs met betrekking tot die taal betreft, of
b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het
onderwijs dan wel de herkomst van de deelnemers daartoe noodzaakt,
overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode.
Artikel 6b. Onderwijs
Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen die in verband met
ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op
adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.
Artikel 6c. Bestrijding (taal)achterstand
Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en
herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van
achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.
Artikel 6d. Onderwijs in lichamelijke opvoeding
Onderwijs in lichamelijke opvoeding, bestaande uit praktische
bewegingsactiviteiten, wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van
het voortgezet onderwijs. Dit onderwijs vindt plaats gespreid over de
schoolweken, en in zodanige substantiële omvang en schooltijd dat wordt
voldaan aan de eisen op het gebied van kwaliteit, intensiteit en
variëteit van de bewegingsactiviteiten neergelegd in kerndoelen en
examenprogramma’s. Daarbij wordt uitgegaan van de situatie zoals die
op 1 augustus 2005 voor het bewegingsonderwijs gold. In afwijking van de
tweede volzin geldt voor het laatste leerjaar het voorschrift, dat het
onderwijs in het eindexamenvak lichamelijke opvoeding niet eerder mag
worden afgesloten dan in de maand december.
Artikel 6e. Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen
1. Het bevoegd gezag stelt elk leerjaar om niet aan een leerling
lesmateriaal ter beschikking.
2. Onder lesmateriaal wordt verstaan: lesmateriaal dat naar vorm en
inhoud is gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en
waarvan het gebruik binnen het onderwijsaanbod door het bevoegd gezag
specifiek voor het desbetreffende leerjaar is voorgeschreven.
Artikel 6f. Maatschappelijke stage
Een onderwijsprogramma in het voortgezet onderwijs omvat mede een
maatschappelijke stage.
Artikel 7. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
1. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is
ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs en
dat mede algemene vorming omvat. Voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs wordt gegeven aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs. Deze worden onderscheiden in gymnasia en athenea, elk met een
cursusduur van zes jaren.
2. Aan de gymnasia wordt in elk geval onderwijs verzorgd in Latijnse
taal en literatuur en Griekse taal en literatuur.
Artikel 8. Hoger algemeen voortgezet onderwijs
Hoger algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht
ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede
algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs wordt
gegeven:
a. aan scholen met een cursusduur van vijf jaren;
b. aan afdelingen van scholen voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs. Deze hebben een cursusduur van twee jaren en vangen aan na
vier jaren middelbaar algemeen voortgezet onderwijs.
Artikel 9. Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is
ingericht ter voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs dan wel op
hoger algemeen voortgezet onderwijs, en dat mede algemene vorming omvat.
Het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven aan scholen
met een cursusduur van vier jaren.
Artikel 10. Theoretische leerweg en sectoren m.a.v.o.
1. Aan scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs wordt
onderwijs in de theoretische leerweg gegeven.
2. De theoretische leerweg omvat een door het bevoegd gezag in te
richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het
programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste 1000
uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma is
gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het
aansluitend beroepsonderwijs, en
c. een voorbereiding op het hoger algemeen voortgezet onderwijs.
3. Het onderwijs in de theoretische leerweg wordt met ingang van het
derde leerjaar gegeven in de volgende sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4. Het onderwijs in de theoretische leerweg bestaat voor elke sector
uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen vakken en
andere programma-onderdelen.
5. Het gemeenschappelijk deel van de theoretische leerweg omvat
Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding
en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming,
muziek, dans of drama.
6. Het sectordeel van de theoretische leerweg omvat wat betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de leerling,
wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting, of
aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke
van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde,
Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, biologie
of natuur- en scheikunde I.
7. Het vrije deel van de theoretische leerweg:
a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het zesde lid,
b. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal,
Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans,
drama, Friese taal en cultuur en lichamelijke opvoeding, door de
leerling te kiezen, en
c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en
programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid,
onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel b,
worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen dat door het
bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen,
bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, door alle leerlingen in het
vrije deel moeten worden gevolgd.
9. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in
plaats van de vakken, genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid,
onderdeel b, de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel aangewezen op
grond van deartikelen 13 en 14 te volgen.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd
gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van
bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde
leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden
afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10a. Voorbereidend beroepsonderwijs
Voorbereidend beroepsonderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter
voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onderdelen b, c en d, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het voorbereidend
beroepsonderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van vier
jaren.
Artikel 10b. Beroepsgerichte leerweg en sectoren v.b.o.
1. Aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt, in elke
afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderwijs in de
basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg gegeven.
2. De beroepsgerichte leerwegen omvatten een door het bevoegd gezag in
te richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het
programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste 1000
uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma is
gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,
en
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het
aansluitend beroepsonderwijs.
3. Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen wordt met ingang van
het derde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4. Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen bestaat voor elke
sector uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen
afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale
programma’s.
5. Het gemeenschappelijk deel van de beroepsgerichte leerwegen omvat
Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding
en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming,
muziek, dans of drama.
6. Het sectordeel van de basisberoepsgerichte leerweg omvat wat betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de leerling,
wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting, of
aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke
van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde,
Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, biologie
of natuur- en scheikunde I.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de
kaderberoepsgerichte leerweg.
7. Het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen:
a. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende
afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale
programma’s,
b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en
programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid,
onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel a,
worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen dat door het
bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen,
bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, door alle leerlingen in het
vrije deel moeten worden gevolgd.
9. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen:
a. in plaats van de vakken van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd
in het vijfde en zesde lid, en de vakken die in de plaats komen van een
tweede moderne vreemde taal, de overeenkomstige vakken van de
kaderberoepsgerichte leerweg of de overeenkomstige vakken, genoemd in de
artikelen 10 en 10d of de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel
aangewezen op grond van deartikelen 13 en 14 te volgen,
b. in plaats van de vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd
in het vijfde en zesde lid, en de vakken die in de plaats komen van een
tweede moderne vreemde taal, de overeenkomstige vakken, genoemd in
deartikelen 10 en 10d of de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel
aangewezen op grond van de artikelen 13 en 14 te volgen,
c. in plaats van de vakken van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd
in het zevende lid, onderdeel a, de overeenkomstige vakken van de
kaderberoepsgerichte leerweg te volgen,
d. een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen extra
vakken te volgen.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld:
a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en intersectorale
programma’s, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a,
b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s en
intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften waarin de
voorwaarden zijn opgenomen waaronder kan worden afgeweken van het eerste
lid alsmede de voorwaarden waaronder aan een agrarisch opleidingscentrum
voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs binnen het
kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 een
intersectoraal programma kan worden verzorgd, en
c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid
van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit
artikel.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van
bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde
leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden
afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10b1. Leer-werktraject in basisberoepsgerichte leerweg
1. Het bevoegd gezag kan de basisberoepsgerichte leerweg mede inrichten
als leer-werktraject. Een leer-werktraject is een leerroute binnen de
basisberoepsgerichte leerweg met een buitenschools praktijkgedeelte dat
ten minste 640 klokuren, verzorgd in 80 dagen, en ten hoogste 1280
klokuren, verzorgd in 160 dagen, omvat van de gezamenlijke onderwijstijd
van het derde en vierde leerjaar en welk traject specifiek is gericht op
het behalen van een startkwalificatie op het niveau van de
basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Elke schoolweek in het derde en
vierde leerjaar omvat ten minste binnenschools onderricht.
2. Een leer-werktraject omvat in elk geval:
a. Nederlandse taal,
b. een maatschappelijke stage, en
c. een beroepsgericht programma.
3. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de leerling of diens wettelijk
vertegenwoordiger, beslissen dat het leer-werktraject voor die leerling
eveneens een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg
omvat.
Artikel 10b2. Inrichting buitenschools praktijkgedeelte
Het bevoegd gezag stelt bij de inrichting van het leer-werktraject in
elk geval vast:
a. de organisatie van de leerlingbegeleiding vanwege het bevoegd gezag
zowel binnen de school als bij het bedrijf dat of de organisatie die het
buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgt, alsmede
b. de invulling van het buitenschoolse praktijkgedeelte en waarborgt
daarbij dat niet uitsluitend eenzijdige productiearbeid wordt verricht.
Artikel 10b3. Leer-werkovereenkomst
1. Het buitenschoolse praktijkgedeelte wordt verzorgd door een bedrijf
of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst, gesloten
door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens wettelijk
vertegenwoordiger, dat bedrijf of die organisatie, en het bestuur van
het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven,
geregeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat daarmee verklaart:
a. dat het een bedrijf of organisatie betreft dat respectievelijk die
voldoet aan de kwaliteitscriteria, genoemd in artikel 10b6, en
b. voor zover van toepassing, dat de gronden voor dat kwaliteitsoordeel
nog steeds aanwezig zijn.
2. De leer-werkovereenkomst regelt de rechten en plichten van partijen
en omvat ten minste bepalingen over:
a. inhoud, leerdoelen, duur, periode van en beoordelingsmaatstaven voor
het buitenschoolse praktijkgedeelte,
b. de begeleiding van de leerling, en
c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan
worden ontbonden.
3. In afwijking van artikel 7:610, tweede lid tweede volzin, van het
Burgerlijk Wetboek, is in geval van strijd als bedoeld in die volzin,
artikel 10b3 van toepassing.
Artikel 10b4. Beoordeling kwaliteit leerbedrijven
1. Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse gedeelte
verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het
bedrijf respectievelijk de organisatie.
2. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen zorg voor een
regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het
buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen in
artikel 10b6. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen
gezamenlijk zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en
organisaties met een gunstige beoordeling op grond van de eerste volzin.
Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte zijn
uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige
beoordeling op grond van die volzin.
3. Indien het bevoegd gezag na het sluiten van de leer-werkovereenkomst
vaststelt dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de
begeleiding tekortschiet of ontbreekt, of sprake is van andere
omstandigheden die maken dat het buitenschoolse praktijkgedeelte niet
naar behoren zal kunnen worden verzorgd, bevordert het bevoegd gezag, na
overleg met het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een toereikende vervangende
voorziening beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 10b5. Bekostiging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
voor taken leer-werktrajecten
1. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven hebben ten behoeve van
hun in artikel 10b4 geregelde taken aanspraak op bekostiging uit 's
Rijks kas.
2. De rijksbijdrage waarop de in het eerste lid bedoelde aanspraak
betrekking heeft, wordt, binnen het raam van de door de
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven berekend aan de hand van maatstaven,
neergelegd in een berekeningswijze die is vastgesteld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur. De maatstaven hebben in elk geval
betrekking op het aantal leer-werkovereenkomsten waarbij het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven partij is.
3. De artikelen 2.4.1, 2.4.2, 2.5.2 tot en met 2.5.9 en 11.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige toepassing op
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven die taken uitvoeren als
bedoeld in artikel 10b4.
Artikel 10b6. Kwaliteitseisen leerbedrijven
1. Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte zijn
uitsluitend bevoegd bedrijven en organisaties ten aanzien waarvan wordt
voldaan aan de volgende eisen:
a. op de leer-werkplek of combinatie van leer-werkplekken kunnen de door
het bevoegd gezag vastgestelde praktijkopdrachten daadwerkelijk worden
uitgevoerd;
b. elke praktijkopdracht als zodanig kan in één bedrijf of organisatie
worden uitgevoerd;
c. in het bedrijf of de organisatie is een gekwalificeerde
praktijkbegeleider of leermeester aanwezig, die in staat is om kennis,
inzicht en vaardigheden van de leerling te beoordelen, alsmede
vorderingen daarin, en de leerling zowel werkinhoudelijk als
pedagogisch-didactisch te begeleiden;
d. het bedrijf of de organisatie is bereid met de in het tweede lid
bedoelde mentor of docentbegeleider contact te onderhouden;
e. de mogelijkheid om binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde organisatie,
dezelfde moederorganisatie of dezelfde branche de leerdoelen van het
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en de eindtermen van de
assistenopleiding of basisberoepsopleiding, bedoeld in de Wet educatie
en beroepsonderwijs te behalen, zonder grote overgangsdrempels voor de
leerling;
f. het bedrijf of de organisatie waarborgt dat een gekwalificeerde
praktijkbegeleider of leermeester is gekoppeld aan een leerling, en dat
deze leermeester ervoor zorgt dat de leerling voldoende hulp en tijd
krijgt om de praktijkopdrachten uit te voeren;
g. het productie- of dienstverleningsproces is technisch en
organisatorisch voldoende gevarieerd en kan leerlingen goed
praktijkmateriaal bieden en hen gedegen opleiden;
h. de leer-werkplek past binnen de dagelijkse bedrijfsvoering;
i. het bedrijf of de organisatie is bereid de leerling de vereiste
praktijkopdrachten uit te laten voeren en het werk en het stageverslag
te bespreken en te beoordelen;
j. het bedrijf of de organisatie is geschikt voor de betrokken
leeftijdsgroep waar het gaat om onder meer ruimte om te leren of fouten
te maken, erkenning van jong zijn;
k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van toepassing,
het multiculturele karakter van de leerlingenpopulatie.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor beschikbaarheid van een
gekwalificeerde mentor of docentbegeleider die de voortgang op de
leer-werkplek alsmede de integratie tussen het binnenschools en
buitenschools programma bewaakt.
Artikel 10b7. Samenwerkingsovereenkomst met roc of aoc
1. Leer-werktrajecten worden verzorgd op grondslag van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het
bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum, een regionaal
opleidingencentrum in een samenwerkingsverband of een agrarisch
opleidingscentrum voor zover aan die instelling een
basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt verzorgd.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid voorziet
in elk geval in de inrichting van een doorlopende leerweg tot en met de
basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 10b8. Assistentopleiding in het vmbo
1. Het bevoegd gezag kan bij de school ingeschreven leerlingen die
daarbij naar zijn oordeel gebaat zijn, in de gelegenheid stellen om
geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg,
bedoeld inartikel 10b, eerste lid, een assistentopleiding te volgen als
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, met inachtneming van de artikelen 7.2.7 en 8.1.1,
vierde lid, van laatstgenoemde wet. Artikel 10b, tweede lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2. De assistentopleiding stemt overeen met het programma-aanbod van de
beroepsgerichte programma’s van de basisberoepsgerichte leerweg die
aan de school wordt verzorgd.
3. Het bevoegd gezag is niet gehouden, leerlingen die een
assistentopleiding volgen als bedoeld in het eerste lid, gelegenheid te
geven om aan de school een eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg
af te leggen als bedoeld in artikel 29, eerste lid.
4. Leerlingen die een assistentopleiding volgen als bedoeld in het
eerste lid, worden aangemerkt als leerlingen van de basisberoepsgerichte
leerweg waarvoor de assistentopleiding geheel of gedeeltelijk in de
plaats treedt.
5. Ten aanzien van bij de school ingeschreven leerlingen jonger dan 16
jaar wordt de assistentopleiding verzorgd met inachtneming van de
volgende vereisten:
a. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 van
de Wet educatie en beroepsonderwijs, omvat uitsluitend het verrichten
van lichte arbeid van geschikte aard,
b. in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg wordt geheel of
gedeeltelijk zowel binnenschools als buitenschools onderricht in de
praktijk van het beroep verzorgd,
c. een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider bewaakt de voortgang
van het onderricht in de praktijk van het beroep, en
d. het binnenschools en buitenschools onderricht in de praktijk van het
beroep worden geïntegreerd verzorgd.
Artikel 10b9. Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het vmbo
1. De assistentopleiding, bedoeld in artikel 10b8, wordt onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd op grond van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het
bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel
b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan het onderwijsaanbod
mede deze assistentopleiding omvat.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid voorziet
in elk geval in afspraken over:
a. de assistentopleiding die geheel of gedeeltelijk in plaats van de
basisberoepsgerichte leerweg zal worden verzorgd,
b. de inschrijving van leerlingen als examendeelnemer bij de instelling,
c. de examinering en diplomering door de instelling,
d. de invulling van de betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de
beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 van de
Wet educatie en beroepsonderwijs, met dien verstande dat het bevoegd
gezag de in dat artikel 7.2.9 bedoelde overeenkomst mede ondertekent,
e. de toepassing van artikel 10b8, tweede lid,
f. de rechtsbescherming van de leerling, en
g. de doorstroom van de leerlingen na het met goed gevolg afsluiten van
de assistentopleiding.
3. In geval van toepassing van artikel 7.4.4a, derde lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, is het bevoegd gezag belast met de
uitvoering van de daar bedoelde examinering.
4. Indien het bevoegd gezag tevens het bevoegd gezag is van een
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, regelt het bevoegd gezag op
overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het tweede lid.
Artikel 10c. Afdelingen voorbereidend beroepsonderwijs
De sectoren, genoemd in artikel 10b, derde lid, omvatten elk een of meer
afdelingen, onderscheiden als volgt:
a. de sector techniek:
1. bouwtechniek,
2. metaaltechniek,
3. elektrotechniek,
4. voertuigentechniek,
5. installatietechniek,
6. grafimedia,
7. transport en logistiek,
8. afdelingen, aangewezen ingevolge artikel 24, vijfde lid,
b. de sector zorg en welzijn:
1. verzorging,
2. uiterlijke verzorging,
c. de sector economie:
1. administratie,
2. handel en verkoop,
3. mode en commercie,
4. consumptief,
d. de sector landbouw:
landbouw en natuurlijke omgeving.
Artikel 10d. Gemengde leerweg en sectoren scholengemeenschap m.a.v.o.–v.b.o.
1. Naast het onderwijs in de leerwegen, genoemd in de artikelen 10 en
10b, kan onderwijs in de gemengde leerweg worden gegeven aan:
a. een scholengemeenschap met in elk geval een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs, of
b. een vestiging van een agrarisch opleidingscentrum wat het daarin
verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs betreft, indien:
1°. het agrarisch opleidingscentrum onderdeel uitmaakt van een
scholengemeenschap waarvan tevens een school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs onderdeel uitmaakt, en
2°. het voorbereidend beroepsonderwijs op de desbetreffende vestiging
deels leerlingen betrekt uit hetzelfde gebied als de desbetreffende
school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs.
2. De gemengde leerweg omvat een door het bevoegd gezag in te richten in
schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het programma omvat
voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste 1000 uren en in het
vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma is gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,
en
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het
aansluitend beroepsonderwijs.
3. Het onderwijs in de gemengde leerweg wordt met ingang van het derde
leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4. Het onderwijs in de gemengde leerweg bestaat voor elke sector uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit een door de leerling te kiezen
afdelingsvak, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s.
5. Het gemeenschappelijk deel van de gemengde leerweg omvat Nederlandse
taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding en ten
minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek,
dans of drama.
6. Het sectordeel van de gemengde leerweg omvat wat betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de leerling,
wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting, of
aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke
van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde,
Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, biologie
of natuur- en scheikunde I.
7. Het vrije deel van de gemengde leerweg:
a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het zesde lid,
b. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende
afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale
programma’s,
c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal,
Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans,
drama, Friese taal en cultuur en lichamelijke opvoeding, door de
leerling te kiezen, en
d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en
programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid,
onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdelen b
en c, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen dat door
het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen,
bedoeld in het zevende lid, onderdeel d, door alle leerlingen in het
vrije deel moeten worden gevolgd.
9. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in
plaats van de vakken, genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid,
onderdeel c, de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel aangewezen op
grond van deartikelen 13 en 14 te volgen.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld:
a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en intersectorale
programma’s, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b,
b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s en
intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften waarin de
voorwaarden zijn opgenomen waaronder aan een agrarisch opleidingscentrum
voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs binnen het
kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 een
intersectoraal programma kan worden verzorgd, en
c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid
van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit
artikel.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van
bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde
leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden
afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10e. Leerwegondersteunend onderwijs; regionale
verwijzingscommissie
1. Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd ter voorbereiding op of
gedurende het volgen van onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in
de artikelen 10, 10b en 10d, ten behoeve van de leerling voor wie
vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is
geboden met het oog op het afsluiten van het onderwijs in een van deze
leerwegen. Leerwegondersteunend onderwijs wordt zodanig in het onderwijs
geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken
ontwikkelingsproces, gericht op het afsluiten als bedoeld in de eerste
volzin, kan volgen.
2. Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd, indien de leerling met
behulp van de voorzieningen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, tweede
volzin, niet een ononderbroken ontwikkelingsproces als bedoeld in het
eerste lid, kan volgen.
3. Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de leerling of
aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.
4. De in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie beslist op
aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op leerwegondersteunend
onderwijs is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na
overleg met de ouders een op de desbetreffende leerling betrekking
hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g, derde en vierde lid,
zevende lid, eerste volzin, en achtste tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van artikel 10g, zevende lid, eerste volzin, kan de
regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een
leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, beslissen
dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Alvorens
daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie de ouders
van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school voor
praktijkonderwijs.
6. Artikel 10g, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
leerling die op basis van een beschikking van de regionale
verwijzingscommissie is toegelaten.
Artikel 10f. Praktijkonderwijs
1. Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs.
2. Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie vaststaat dat
a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is
geboden, en
b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de
artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met het volgen van
leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, niet leidt tot
het behalen van een diploma of een getuigschrift voorbereidend
middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 29.
3. Praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast
theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van
sociale vaardigheden worden verzorgd, en een gedeelte waarin de leerling
wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt.
Praktijkonderwijs wordt zo veel mogelijk op basis van de kerndoelen
verzorgd en is er op gericht dat leerlingen zo veel mogelijk het
referentieniveau Nederlandse taal en het referentieniveau rekenen
bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van
artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet
referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Praktijkonderwijs bereidt
de leerling voor op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een
niveau dat ligt onder het niveau van de assistentopleiding, bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs
3a. In afwijking van artikel 11c, eerste lid, onder b, wordt het
praktijkonderwijs zodanig ingericht dat de leerlingen per schooljaar ten
minste 1000 klokuren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen
ontvangen per dag ten hoogste 5,5 uren praktijkonderwijs, voor zover het
betreft aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het
aanleren van sociale vaardigheden.
4. Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan, met
inachtneming van de tweede volzin van het derde lid en van lid 3a,
indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het
aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij
of krachtens de artikelen 11a tot en met 11c, 22 en 29.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
met betrekking tot de vakken en de maatschappelijke stage, bedoeld in
artikel 6f, die het praktijkonderwijs omvat, alsmede met betrekking tot
het aantal uren dat het onderricht in de praktijk van de uitoefening van
een vak of beroep gedurende een schoolweek ten hoogste omvat. De
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, bevat
tevens voorschriften omtrent het in uren uitgedrukte tijdsbestek dat
door de leerling moet worden besteed aan de maatschappelijke stage,
bedoeld in de eerste volzin.
6. De in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10g. Toelating praktijkonderwijs; regionale verwijzingscommissie
1. Aan de ouders van een leerling van wie het bevoegd gezag van de
school waar de leerling zich aanmeldt dan wel van de school waaraan de
leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in
staat is het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen
10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend
onderwijs, bedoeld in artikel 10e, met een diploma of getuigschrift
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 29,
derde lid, af te sluiten, kan het bevoegd gezag voorstellen deze
leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs te doen volgen.
2. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist, in
overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel
10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in
het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot
het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag kan een leerling toelaten tot
het praktijkonderwijs mits voor 1 oktober van het desbetreffende
schooljaar een aanvraag bij een door Onze minister erkende regionale
verwijzingscommissie is ingediend om vast te stellen of de leerling
toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. De aanvraag gaat vergezeld van
een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig
rapport en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders. Indien de
regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar
is tot het praktijkonderwijs, kan de desbetreffende leerling de
toelating tot een school voor praktijkonderwijs binnen het
samenwerkingsverband niet worden geweigerd.
3. Een aanvraag bij een regionale verwijzingscommissie als bedoeld in
het tweede lid kan worden ingediend voor een leerling die:
a. rechtstreeks afkomstig is van een school of instelling als bedoeld in
de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra, of
b. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor
voortgezet onderwijs.
4. In afwijking van het derde lid kan een aanvraag slechts worden
ingediend na dat schooljaar, indien het een vreemdeling betreft als
bedoeld in artikel 27, lid 1a, onderdeel b of c, die op 1 oktober van
het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling in
het voortgezet onderwijs korter dan een jaar in Nederland is.
5. In afwijking van het derde lid kan tevens een aanvraag tot
indicatiestelling voor praktijkonderwijs bij een regionale
verwijzingscommissie als bedoeld in het tweede lid worden ingediend door
het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs voor een
leerling die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen criteria, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het
zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs het beste aansluit
bij de behoeften van deze leerling. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden voorschriften gegeven voor de procedure voor
indiening van aanvragen.
6. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs waaraan de
leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de
leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een
omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het
praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt
verzorgd.
7. Indien de regionale verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling niet
tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is, brengt zij advies uit aan het
in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop de
leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel van de
verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid. In afwijking van de
eerste volzin kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de
beslissing dat een leerling niet toelaatbaar is tot het
praktijkonderwijs, beslissen dat die leerling is aangewezen op
leerwegondersteunend onderwijs.
8. Een beschikking van een regionale verwijzingscommissie omtrent de
toelaatbaarheid van een leerling is geen besluit als bedoeld in artikel
8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht. De ouders van de
desbetreffende leerling kunnen een beschikking van de regionale
verwijzingscommissie voorleggen aan een andere regionale
verwijzingscommissie met het verzoek daarover een deskundigheidsadvies
uit te brengen. Indien toepassing wordt gegeven aan de tweede volzin,
worden de termijnen van bezwaar en beroep opgeschort.
9. De regionale verwijzingscommissie verstrekt desgevraagd aan Onze
Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden,
voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
10. Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is erkend,
kan worden verbonden aan rechtspersonen die voldoen aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en die daartoe
door Onze minister zijn aangewezen. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de taak,
samenstelling, werkwijze, beoordelingscriteria en subsidie van de
regionale verwijzingscommissies, de aan de regionale
verwijzingscommissies te leveren gegevens en de wijze waarop de ouders
worden geïnformeerd over de aanvragen bij en de beschikkingen en
adviezen van de regionale verwijzingscommissies.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10h. Aansluiting bij samenwerkingsverband; permanente commissie
leerlingenzorg
1. Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs, van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, van een
scholengemeenschap waarvan ten minste deel uitmaakt een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs, of van een school voor
praktijkonderwijs, is aangesloten bij een samenwerkingsverband met twee
of meer andere van deze scholen of scholengemeenschappen. Een
samenwerkingsverband omvat ten minste één school voor
praktijkonderwijs en drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, waaronder in ieder
geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een
school voor voorbereidend beroepsonderwijs. Indien van een
samenwerkingsverband niet drie scholen voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs deel
uitmaken, maar twee scholengemeenschappen die elk in ieder geval een
school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs omvatten, kan Onze Minister onder door
hem te stellen voorwaarden dat samenwerkingsverband aanmerken als een
samenwerkingsverband als bedoeld in de tweede volzin. Het
samenwerkingsverband heeft tot doel zo veel mogelijk leerlingen voor wie
vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is
geboden, deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de leerwegen,
genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d.
2. Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een
samenwerkingsverband, wordt deze deelname door het samenwerkingsverband
niet geweigerd. Een samenwerkingsverband waarvan geen school voor
praktijkonderwijs deel uitmaakt, wordt gelijkgesteld met een
samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin,
indien de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband met de
bevoegde gezagsorganen in een of meer andere samenwerkingsverbanden die
voldoen aan het eerste lid, tweede volzin, zijn overeengekomen dat ten
behoeve van de leerlingen van het eerstbedoelde samenwerkingsverband
praktijkonderwijs wordt verzorgd door een of meer van de scholen voor
praktijkonderwijs die deel uitmaken van bedoelde andere
samenwerkingsverbanden. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een school
slechts deelnemen aan één samenwerkingsverband. Onze Minister kan
onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat van de derde volzin
wordt afgeweken.
3. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband dragen
gezamenlijk zorg voor een toereikende organisatie en deskundige
ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen voor wie een
orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, alsmede
voor overdracht van de deskundigheid op dit gebied tussen de scholen in
het samenwerkingsverband. De bevoegde gezagsorganen in een
samenwerkingsverband kunnen gezamenlijk een of meer voorzieningen in het
samenwerkingsverband, met het oog op de uitoefening van de in de eerste
volzin genoemde taken, aanduiden als «orthopedagogisch-didactisch
centrum». De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband zijn
aangesloten bij dezelfde rechtspersoon, bedoeld in artikel 53b.
4. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen
gezamenlijk een permanente commissie leerlingenzorg in. Zij vragen
advies aan deze commissie over het aanbod en de invulling van
leerwegondersteunend onderwijs en over het aanbieden van dat onderwijs
aan leerlingen voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald
dat zij toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
5. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen
jaarlijks gezamenlijk een zorgplan vast en zenden dit vóór 1 juni
voorafgaand aan het desbetreffende schooljaar aan de inspectie en de
minister. Het zorgplan bevat in ieder geval:
a. de maatregelen die zijn getroffen om zo veel mogelijk leerlingen als
bedoeld in het eerste lid deel te laten nemen aan het onderwijs in een
van de leerwegen, verzorgd door een of meer van de aan het
samenwerkingsverband deelnemende scholen,
b. een omschrijving van de in het derde lid bedoelde organisatie,
ondersteuning en overdracht, alsmede, indien van toepassing, van de
wijze waarop uitvoering is gegeven aan het tweede lid, tweede volzin,
c. de wijze waarop de middelen, bedoeld in artikel 77, vierde lid,
worden ingezet.
d. een reglement voor de permanente commissie leerlingenzorg,
e. een omschrijving van de wijze waarop de ouders van leerlingen als
bedoeld in het derde lid, informatie wordt verstrekt over de uitvoering
van het derde en vierde lid, en
f. de te verwachten resultaten.
6. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen
jaarlijks gezamenlijk een evaluatieve voortgangsrapportage vast en
zenden deze voor 15 november volgend op het desbetreffende schooljaar
aan de inspectie en de minister.
7. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen hun in
het derde tot en met zesde lid opgedragen taken en bevoegdheden
overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen orgaan.
Artikel 11. Nadere voorschriften samenwerkingsverbanden
1. Op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel 10h, eerste lid,
bedoelde school kan Onze Minister toestaan dat het bevoegd gezag zijn
deelname aan een samenwerkingsverband ten aanzien van die school
beëindigt, indien:
a. het bevoegd gezag kan aantonen dat alle bevoegde gezagsorganen in het
betrokken samenwerkingsverband hiermee instemmen,
b. het bevoegd gezag kan aantonen dat hij ten aanzien van die school aan
een ander samenwerkingsverband deelneemt,
c. met alle bevoegde gezagsorganen in het betrokken samenwerkingsverband
een regeling is getroffen met betrekking tot de financiële en personele
consequenties,
d. door de beëindiging van de deelname geen aanspraken ontstaan op
werkloosheidsuitkeringen voor personeel dat werkzaam is aan de scholen
in het samenwerkingsverband, waaronder de school ten aanzien waarvan de
deelname wordt beëindigd, en
e. de inspectie een positief advies heeft uitgebracht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
vastgesteld met betrekking tot de samenwerkingsverbanden.
Artikel 11a. Algemene voorschriften eerste twee leerjaren
Het onderwijs in de eerste twee leerjaren wordt zodanig ingericht dat
met behoud van keuzevrijheid de doorstroming van leerlingen wordt
bevorderd naar een van de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b of
10d of naar het derde leerjaar voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
en hoger algemeen voortgezet onderwijs en vervolgens naar de periode van
voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12.
Artikel 11b. Kerndoelen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld,
waarbij aandacht wordt besteed aan aspecten van:
a. Nederlandse taal,
b. Engelse taal,
c. geschiedenis en staatsinrichting,
d. aardrijkskunde,
e. economie,
f. wiskunde,
g. natuur- en scheikunde,
h. biologie,
i. verzorging,
j. informatiekunde,
k. techniek,
l. lichamelijke opvoeding, en
m. beeldende vorming, muziek, drama en dans.
2. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
Artikel 11c. Onderwijsprogramma eerste twee leerjaren
1. Het bevoegd gezag richt voor de eerste twee leerjaren een in
schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma in. Dit programma
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. het bevoegd gezag werkt de kerndoelen uit voor de verschillende
schoolsoorten en verschillende groepen leerlingen, onverminderd de
doorstroombevordering met behoud van keuzevrijheid van leerlingen,
bedoeld in artikel 11a,
b. het programma omvat per leerjaar ten minste 1040 uren, en
c. in de eerste twee leerjaren worden gezamenlijk ten minste 1425 uren
onderwijs verzorgd op basis van de kerndoelen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden gegeven voor het verzorgen van onderwijs in de eerste twee
leerjaren naast het onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de
kerndoelen.
3. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
4. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot
de toepassing van het eerste lid.
Artikel 11d. Ontheffingen delen onderwijsprogramma; bijzondere
voorschriften
1. Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend
beroepsonderwijs kan na overleg met de ouders een leerling ontheffing
verlenen voor onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel
11c, eerste lid, onderdeel a. Het bevoegd gezag bepaalt bij de
ontheffing welk onderwijs voor de leerling in de plaats komt voor de
onderdelen waarvoor ontheffing is verleend.
2. Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend
beroepsonderwijs kan voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen,
bij de inrichting van het onderwijs afwijken van een of meer
programmaonderdelen of van de voorschriften bedoeld in artikel 11c,
eerste lid, onderdeel a. De laatste volzin van het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald hoe wordt vastgesteld welke leerlingen in aanmerking komen voor
deze afwijkingen.
3. Voor leerlingen:
a. die leerwegondersteunend onderwijs volgen als bedoeld in artikel 10e,
of
b. voor wie het bevoegd gezag het volgen van een leer-werktraject als
bedoeld inartikel 10b1 het meest geschikt acht, verzorgt het bevoegd
gezag in de eerste twee leerjaren gezamenlijk ten minste 1425 uren
onderwijs op basis van kerndoelen.
Artikel 11e. Fries
1. Op scholen in de provincie Fryslân wordt met inachtneming van de
daarvoor vastgestelde kerndoelen tevens onderwijs gegeven in de Friese
taal en cultuur, tenzij Gedeputeerde Staten op verzoek van het bevoegd
gezag ontheffing van deze verplichting hebben verleend.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld voor
de Friese taal en cultuur.
3. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
Artikel 11f. Voorschriften derde leerjaar v.w.o. en h.a.v.o.
Op het onderwijs in het derde leerjaar aan scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs en voor hoger algemeen voortgezet onderwijs
zijn van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 11a, en
b. artikel 11c met uitzondering van het eerste lid, onderdelen a en c.
Artikel 11g [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 12. Periode van voorbereidend hoger onderwijs v.w.o. en h.a.v.o.;
profielen
1. Het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat
met ingang van het vierde leerjaar een periode van voorbereidend hoger
onderwijs.
2. De periode van voorbereidend hoger onderwijs is ingericht volgens
profielen. Een profiel is een samenhangend onderwijsprogramma, zodanig
ingericht dat het biedt:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,
b. een algemene voorbereiding op het hoger onderwijs, en
c. een bijzondere voorbereiding op groepen van naar inhoud verwante
opleidingen in het hoger onderwijs.
3. De school verzorgt alle profielen. De profielen zijn:
a. het profiel natuur en techniek;
b. het profiel natuur en gezondheid;
c. het profiel economie en maatschappij;
d. het profiel cultuur en maatschappij.
4. Elk profiel bestaat uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen van de
desbetreffende schoolsoort gelijk is,
b. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel, en
c. een vrij deel.
5. Het bevoegd gezag richt het onderwijs in de periode van voorbereidend
hoger onderwijs in op de grondslag van een normatieve studielast voor de
leerling van 1600 uren per leerjaar, uitgaande van 40 weken met elk een
normatieve studielast van 40 uren. Het bevoegd gezag richt een in
schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in dat voor elke leerling ten
minste 1000 uren per leerjaar omvat, met dien verstande dat het
programma in het laatste leerjaar ten minste 700 uren omvat.
Artikel 12a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13. Vakken en andere programma-onderdelen periode van
voorbereidend hoger onderwijs: v.w.o.
1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het atheneum omvat:
a. Nederlandse taal en literatuur,
b. Engelse taal en literatuur,
c. een andere moderne vreemde taal en literatuur, bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen, of Friese taal en cultuur, ter keuze van de
leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt,
d. maatschappijleer,
e. algemene natuurwetenschappen,
f. culturele en kunstzinnige vorming of, ter keuze van de leerling, voor
zover het bevoegd gezag dat vak aanbiedt, klassieke culturele vorming,
met dien verstande, dat het vak klassieke culturele vorming in elk geval
deel uitmaakt van het profiel indien ook Latijnse taal en literatuur of
Griekse taal en literatuur, dan wel beide, deel uitmaken van het
profiel, en
g. lichamelijke opvoeding.
2. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het gymnasium omvat:
a. Nederlandse taal en literatuur,
b. Engelse taal en literatuur,
c. Latijnse taal en literatuur of Griekse taal en literatuur, ter keuze
van de leerling uit deze beide door het bevoegd gezag aan te bieden
vakken,
d. maatschappijleer,
e. algemene natuurwetenschappen,
f. klassieke culturele vorming, en
g. lichamelijke opvoeding.
3. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het gymnasium
en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. natuurkunde,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt.
4. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het gymnasium
en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. biologie,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt.
5. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het
gymnasium en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. economie,
c. geschiedenis, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt.
6. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het
gymnasium en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. geschiedenis,
c. een vak ter keuze van de leerling uit culturele vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd
gezag deze vakken aanbiedt, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit maatschappelijke vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd
gezag deze vakken aanbiedt.
7. Het vrije deel van elk profiel in het gymnasium en atheneum omvat ten
minste één vak uit het geheel van:
a. vakken, genoemd in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, die de
leerling niet op grond van het eerste tot en met zesde lid heeft
gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het
vrije deel aanbiedt,
b. vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het derde tot en met
zesde lid, die de leerling niet op grond van het eerste tot en met zesde
lid heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als
onderdeel van het vrije deel aanbiedt,
c. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken, voor
zover het bevoegd gezag deze aanbiedt, en
d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere
programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag kan beslissen dat vakken en andere
programma-onderdelen door alle leerlingen worden gevolgd.
Artikel 14. Vakken en andere programma-onderdelen periode van
voorbereidend hoger onderwijs: h.a.v.o.
1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het hoger algemeen
voortgezet onderwijs omvat:
a. Nederlandse taal en literatuur,
b. Engelse taal en literatuur,
c. maatschappijleer,
d. culturele en kunstzinnige vorming, en
e. lichamelijke opvoeding.
2. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het hoger
algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde,
b. natuurkunde,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt.
3. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het hoger
algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde,
b. biologie,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt.
4. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het hoger
algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde,
b. economie,
c. geschiedenis, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt.
5. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het hoger
algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. geschiedenis,
b. een andere moderne vreemde taal en literatuur, bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen, of Friese taal en cultuur, ter keuze van de
leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt,
c. een vak ter keuze van de leerling uit culturele vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd
gezag deze vakken aanbiedt, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit maatschappelijke vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd
gezag deze vakken aanbiedt.
6. Het vrije deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet
onderwijs omvat ten minste één vak uit het geheel van:
a. vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het tweede tot en met
vijfde lid, die de leerling niet op grond van die leden heeft gekozen,
voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije
deel aanbiedt,
b. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken, voor
zover het bevoegd gezag deze aanbiedt, en
c. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere
programma-onderdelen.
7. Het bevoegd gezag kan beslissen dat vakken en andere
programma-onderdelen door alle leerlingen worden gevolgd.
8. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in
plaats van de vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het eerste
tot en met zesde lid, de overeenkomstige vakken van artikel 13 te
volgen.
Artikel 15. Nadere inrichting profielen v.w.o. en h.a.v.o.
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt met betrekking tot de
profielen, bedoeld inartikel 12, tweede lid, vastgesteld:
a. het relatieve gewicht van elk van de vakken binnen het geheel van de
vakken van het eindexamen, uitgedrukt in een normatieve studielast per
vak,
b. de nadere ordening van de vakken, genoemd in de artikelen 13 en 14,
met het oog op hun plaats in het gemeenschappelijk deel, het profieldeel
of het vrije deel,
c. voorschriften over vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in
artikel 13, zevende lid, en artikel 14, zesde lid, die het bevoegd gezag
aanwijst, behalve godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs aan bijzondere scholen, en
d. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid
van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van
deartikelen 13 en 14.
2. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de
wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 16. Scholengemeenschap; nevenvestiging; tijdelijke
nevenvestiging
1. Een scholengemeenschap omvat een school of inrichting in de zin van
deze wet, en een of meer andere al dan niet in deze wet bedoelde
scholen, inrichtingen of instellingen, die niet zijn instellingen voor
hoger onderwijs.
2. Aan een school of scholengemeenschap kan, naast een hoofdvestiging
als bedoeld in artikel 65, derde lid, een nevenvestiging of een
tijdelijke nevenvestiging zijn verbonden.
3. Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke
huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is
gelegen op een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer
van de desbetreffende hoofdvestiging of nevenvestiging.
4. Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld
in artikel 71, tweede lid, of door vorming van een nieuwe nevenvestiging
van een school als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel b. Een
tijdelijke nevenvestiging komt tot stand op grond van artikel 71, vijfde
lid.
5. Op een nevenvestiging kan in elk geval onderwijs worden verzorgd
a. in de eerste drie leerjaren aan een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, of aan een school
voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en
b. in de eerste twee leerjaren aan een school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10a.
6. Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in
dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde afdelingen
als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op de
hoofdvestiging of nevenvestiging, bedoeld in het derde lid.
Artikel 17. Onderwijs in een pluriforme samenleving; burgerschap;
sociale integratie
Het onderwijs:
a. gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme
samenleving,
b. is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale
integratie, en
c. is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken
met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten.
Artikel 17a [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 17b [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 17c [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 17d [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 18. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
1. Bij het geven van onderwijs aan een leerling die is opgenomen in een
ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd
gezag van een school worden ondersteund.
2. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid,
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien
de leerling is opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op
het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra
indien de leerling is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een
academisch ziekenhuis dan wel indien de leerling in verband met ziekte
thuis verblijft.
3. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming
tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en
de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van
onderwijs aan de leerling betreffen.
4. Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden
verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke
leerlingen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin.
5. Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het
onderwijs aan zieke leerlingen, in de periode 1 augustus 1999 tot 1
augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel
IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet
op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het
voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de
ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Artikel 19. Voorbereidend beroepsonderwijs in AOC
De bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften ten aanzien van
het voorbereidend beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige toepassing
op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in agrarische
opleidingscentra, tenzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
is bepaald dat dit niet of gedeeltelijk niet het geval is.
Artikel 20. Dagscholen; contractactiviteiten
1. De scholen voor voortgezet onderwijs zijn dagscholen.
2. Aan een school kunnen contractactiviteiten worden verricht, bestaande
uit cursussen waarvan de kosten niet ten laste van 's Rijks kas komen,
en uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden, voor
zover deze cursussen en werkzaamheden verband houden met het onderwijs
aan de desbetreffende school en voor zover het belang van het onderwijs
aan de school door deze cursussen en werkzaamheden niet wordt geschaad.
Artikel 21. Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer
1. De naam van de school duidt aan, tot welke van de soorten van
scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f, de school behoort.
Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of een
scholengemeenschap waarvan in ieder geval een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs deel uitmaakt, kan voor die school de aanduiding
«voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» hanteren. Bij verschil van
mening tussen het bevoegd gezag en Onze minister, tot welke van de
soorten zij behoort, beslist Onze minister.
2. In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag
ondubbelzinnig tot uitdrukking:
a. welk bij of krachtens deze wet geregeld, uit’s Rijks kas bekostigd
onderwijs de leerlingen volgen en aankomende leerlingen kunnen gaan
volgen,
b. van welke richting dit onderwijs uitgaat, en
c. in voorkomend geval welk onderwijs de school verzorgt met toepassing
van artikel 20, tweede lid.
Artikel 22. Overige voorschriften inrichting onderwijs
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen
voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs voorschriften
vastgesteld omtrent de inrichting van het onderwijs. Deze voorschriften
kunnen per schoolsoort verschillen. Voor de scholen, bedoeld in de
artikelen 7, 8, 9 en 10a, kunnen afzonderlijke voorschriften worden
gegeven. De bij deze algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften zijn niet van toepassing op scholen en afdelingen voor
voorbereidend beroepsonderwijs waarvoor artikel 24, vijfde lid, wordt
toegepast. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste
volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, houdt
voor alle schoolsoorten voorschriften in omtrent de tijd die per
cursusjaar ten hoogste voor vakantie mag worden besteed, met dien
verstande dat begin en einde van de zomervakantie kunnen worden
voorgeschreven.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid kan,
naast het bepaalde in het tweede lid, slechts voorschriften inhouden
omtrent:
a. de maatschappelijke stage, bedoeld in artikel 6f, waaronder het in
uren uitgedrukte tijdsbestek dat door de leerling daaraan moet worden
besteed,
b. de mogelijkheid van vrijstelling met betrekking tot categorieën van
leerlingen van het volgen van een maatschappelijke stage als bedoeld
inartikel 6f en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om in individuele
gevallen ontheffing te verlenen van het volgen van die stage,
c. de buitenschoolse praktijkcomponent van een leer-werktraject als
bedoeld in artikel 10b1, en
d. de stage in de leerwegen genoemd in de artikelen 10b en 10d.
Artikel 23 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 23a. Kwaliteit onderwijs
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de
school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in
elk geval verstaan: het uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in
artikel 24, beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke
opdrachten voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het
schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden
gerealiseerd.
Artikel 23a1. Ernstig of langdurig tekortschieten leerresultaten
1. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke
opdrachten voor het onderwijs, bedoeld in artikel 23a, indien de
leerresultaten van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het
hoger algemeen voortgezet onderwijs, het middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, het voorbereidend
middelbaar beroepsonderwijs in de theoretische leerweg en de gemengde
leerweg, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de
basisberoepsgerichte leerweg dan wel het voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig of langdurig
tekortschieten.
2. Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste
lid indien:
a. in de schoolsoort dan wel de leerweg, bedoeld in het eerste lid, de
gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over
een periode van 3 schooljaren, liggen onder de normering die daarvoor
geldt in vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren
van dezelfde schoolsoorten of dezelfde leerwegen met een vergelijkbaar
leerlingenbestand; dan wel
b. geen leerresultaten van de schoolsoort of de leerweg, bedoeld in het
eerste lid, kunnen worden aangetoond.
3. Er is sprake van ernstig of langdurig tekortschieten van de
leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien de inspectie op
grond van artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht Onze Minister
meedeelt dat uit het onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen, bedoeld
in artikel 11, derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat
sprake is van onvoldoende verbeteringen dan wel het bevoegd gezag niet
bereid is afspraken te maken over kwaliteitsverbeteringen naar
aanleiding van het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de
Wet op het onderwijstoezicht.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de wijze waarop leerresultaten worden gemeten en,
indien zij niet gemeten kunnen worden of indien er onvoldoende gegevens
zijn voor een betrouwbaar oordeel over de meting van de leerresultaten,
op welke andere wijze zij worden aangetoond. Voorts wordt de normering,
bedoeld in het tweede lid, bepaald en de aard en het aantal van de
gegevens die ten minste beschikbaar moeten zijn.
5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 23b. Rapportage vorderingen van leerlingen
Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan
hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf indien
zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.
Artikel 23c. Informeren ouders bij zeer zwakke school
Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11
of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het
inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het
oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school, informeert
het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover
door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie
opgestelde samenvatting van het inspectierapport welke samenvatting
gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het
bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt
binnen vier weken na de vaststelling van het inspectierapport.
Artikel 24. Schoolplan
1. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking
tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd,
en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid
en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid ten
aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke
bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving
gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op
zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de
activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het
bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden
geconfronteerd. In het schoolplan wordt aangegeven op welke wijze
invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de
identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool. Het
schoolplan kan op een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en een
of meer scholen voor ander onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag
betrekking hebben.
2. Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de
wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd
gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in
een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de voorzieningen
die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en
voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is.
3. Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot
uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met
betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de
uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld
in artikel 32d van de wet.
4. Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval:
a. de wijze waarop het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt
gerealiseerd,
b. de wijze waarop het bevoegd gezag vaststelt welke maatregelen ter
verbetering van de kwaliteit nodig zijn, en
c. maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn
bekwaamheid onderhoudt.
5. Onze Minister kan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs of
afdelingen daarvan aanwijzen, waarvan de schoolplannen met zijn
toestemming mogen afwijken van de in dit artikel gestelde eisen.
Artikel 24a. Schoolgids
1. De schoolgids bevat voor ouders, voogden, verzorgers en leerlingen
informatie over de werkwijze van de school en bevat in elk geval
informatie over:
a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het
onderwijsleerproces worden bereikt, waaronder, in ieder geval met
betrekking tot het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de
schoolgids wordt vastgesteld en onderscheiden naar soort onderwijs, voor
elk leerjaar
1°. het percentage leerlingen dat doorstroomt naar een hoger leerjaar
of een ander soort onderwijs,
2°. het percentage leerlingen dat de school zonder diploma verlaat en
het percentage leerlingen dat voor het eindexamen slaagt,
b. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke
onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, wordt vormgegeven
c. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, de
inrichting van het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren
waarbij wordt aangegeven of sprake is van vakoverstijgende
programmaonderdelen en de inzet van het personeel daarbij alsmede de
invulling van de maatschappelijke stage, bedoeld in artikel 6f,
d. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 27, tweede lid, waarbij
een ontwerp van een overeenkomst voor een dergelijke bijdrage, die
voldoet aan de eisen die in artikel 27, tweede lid, zijn geformuleerd,
in de schoolgids wordt opgenomen,
e. de rechten en plichten van de ouders, de voogden, de verzorgers, de
leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de
klachtenregeling, bedoeld in artikel 24b, waarbij wat betreft de
leerlingen kan worden volstaan met vermelding van de rechten en plichten
opgenomen in het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g,
f. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 24, eerste
lid, omschreven bijdragen,
g. het beleid met betrekking tot de veiligheid, en
h. het verzuimbeleid,
h. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter
onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een
samenwerkingsschool.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven met betrekking tot de wijze waarop
a. de resultaten worden beschreven die met het onderwijs worden bereikt,
en
b. de context wordt vermeld waarin de onder a bedoelde resultaten dienen
te worden geplaatst.
3. Het bevoegd gezag reikt de schoolgids uit aan de ouders, voogden,
verzorgers dan wel de meerderjarige en handelingsbekwame leerling bij de
inschrijving en jaarlijks na de vaststelling van de schoolgids.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en
gedurende die termijn niet door of namens een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de
wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 24b. Klachtenregeling
1. Ouders, voogden, verzorgers dan wel leerlingen, en personeelsleden
kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
een klacht indienen over gedragingen en beslissingen van het bevoegd
gezag of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van
gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of
het personeel.
2. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de behandeling van
klachten. Deze regeling vermeldt in ieder geval:
a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt,
b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht,
c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen en
d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld
in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn
wordt gehandeld.
3. Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op grond
van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging
van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling,
niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of heeft
opengestaan.
4. Deze regeling
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een
klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een
voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam
is voor of bij het bevoegd gezag, en
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt
deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks
betrekking heeft.
5. De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:
a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en
b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
6. De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van
de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen,
schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het
bevoegd gezag.
7. Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst van het in het
zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of
hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar
aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij
afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet het bevoegd
gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de
klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd
gezag zijn standpunt bekend zal maken.
8. Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij
de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke
karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot
geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling
voortvloeit.
9. Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een
plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de
klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 24c. Vaststelling schoolplan en schoolgids
1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar het
schoolplan vast.
2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve van
het eerstvolgende schooljaar.
3. Het bevoegd gezag zendt het schoolplan dan wel de wijzigingen daarvan
en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling aan de inspecteur.
Artikel 24d. Scheiding toezicht en bestuur
1. Het bevoegd gezag draagt mede in verband met de verplichting, bedoeld
inartikel 23a, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding
tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, en met een
rechtmatig bestuur en beheer.
2. De benoeming in de functies van het toezicht op het bestuur, bedoeld
in het eerste lid, geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte
profielen. Bij de benoeming van de leden van de raad van toezicht wordt
de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 van de Wet
medezeggenschap op scholen, in de gelegenheid gesteld een bindende
voordracht te doen voor een lid.
Artikel 24e. Intern toezicht
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de functies van bestuur en
intern toezicht op het bestuur in functionele of organieke zin zijn
gescheiden.
2. Een intern toezichthouder of een lid van het interne toezichthoudend
orgaan functioneert onafhankelijk van het bestuur.
Artikel 24e1. Inhoud intern toezicht
1. De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt
toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de
bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. De
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan is ten minste belast met:
a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en, indien van
toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school;
b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke
verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 103,
eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code;
c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en
rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school
verkregen op grond van deze wet;
d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan, en
e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de
taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met
d, in het jaarverslag.
2. De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne
toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en
onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Indien sprake is van meer
dan een toezichthouder of van een toezichthoudend orgaan is de eerste
volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de combinatie
van de toezichthouders of de samenstelling van het toezichthoudend
orgaan.
3. Indien het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van
toezicht, zijn het eerste lid en het tweede lid van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de raad van toezicht. Een raad van toezicht
is tevens belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van
het bestuur, alsmede de toepassing van de artikelen 38a, 39, 39a, 40a,
43a, 51, 52 en de daarmee verband houdende wettelijke bepalingen op
leden van het bestuur die mede tot het personeel behoren.
Artikel 24f. Toezending programma's en beschrijvingen
contractactiviteiten aan inspectie
De programma's dan wel beschrijvingen van de contractactiviteiten worden
ter kennisneming toegezonden aan de inspectie.
Artikel 24g
1. Het bevoegd gezag van een school legt elke twee jaar in een
reglement, leerlingenstatuut genaamd, de rechten en plichten van de
leerlingen vast.
2. In het leerlingenstatuut worden in elk geval voorschriften opgenomen,
strekkende tot handhaving van de goede gang van zaken binnen de
instelling en, de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de
bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.
3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
leerlingenstatuut in het gebouw van de instelling ter inzage wordt
gelegd op een voor de leerlingen toegankelijke plaats.
Artikel 25. Bijzondere inrichting school
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een
school kan Onze minister toestaan dat van de artikelen 7 tot en met 11f,
12 tot en met 15, en van de voorschriften, bedoeld in artikel 22, wordt
afgeweken. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Artikel 25a. Samenwerking tussen VO-scholen onderling en met
BVE-instellingen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs
1. Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen in het
kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven:
a. ook onderwijs te ontvangen dat een school van een ander bevoegd gezag
of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs verzorgt, of
b. deel te nemen aan een opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid onder a,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs en die opleiding met een examen
af te sluiten.
2. Het eerste lid vindt uitsluitend toepassing met het doel:
a. leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een
diploma als bedoeld in deze wet te behalen,
b. leerlingen meer kansen te geven om vervolgonderwijs met gunstig
resultaat te volgen, of
c. onderwijsvoorzieningen doelmatiger te gebruiken.
3. Toepassing van het eerste lid berust op een
samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen het bevoegd gezag van de
school en het bevoegd gezag van de in het eerste lid bedoelde andere
school of instelling. De samenwerkingsovereenkomst omvat in elk geval:
a. het doel van de samenwerking,
b. de doelgroep,
c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt,
d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven,
e. in geval van overdracht van een deel van de bekostiging met
toepassing van artikel 99, achtste lid, de omvang en de bestemming van
de over te dragen middelen, en
f. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over
de uitvoering van de overeenkomst.
4. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. wordt nader geregeld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden
het eerste lid toepassing kan vinden,
b. kan bij toepassing van het eerste lid voor doelen als bedoeld in het
tweede lid, onder a en b, worden geregeld van welke bij of krachtens de
artikelen 10, 10b, 10d,13 tot en met 15, 22, 29, 33 tot en met 36 en 60
vastgestelde voorschriften kan worden afgeweken, alsmede welke
voorschriften in plaats daarvan zullen gelden, en
c. kan worden bepaald dat een in het eerste lid bedoelde leerling voor
de toepassing van daarbij aan te wijzen wettelijke voorschriften wordt
aangemerkt of mede wordt aangemerkt als deelnemer in de zin van de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
5. Indien het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, leerlingen in
het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn
ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een andere
school voor voortgezet onderwijs van datzelfde bevoegd gezag verzorgt,
zijn het eerste, tweede en vierde lid van overeenkomstige toepassing en
regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen van het
derde lid, onder a tot en met e.
Artikel 26. Handelingsplan
1. Het bevoegd gezag van een school waar een visueel gehandicapte
leerling is ingeschreven of een leerling voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, stelt in overeenstemming met de ouders voor elk
schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de
eerste volzin bedoelde leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt
het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die
inschrijving opgesteld.
2. In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste schooljaar
van de periode gedurende welke voor de leerling een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, wordt aangegeven dat de voortzetting van de
voorzieningen die voor de leerling zijn getroffen op basis van het
leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een nieuwe beoordeling door
een zodanige commissie voor de indicatiestelling.
3. Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders geëvalueerd.
Artikel 27. Toelating, verwijdering, voorwaardelijke bevordering en
verblijfsduur
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor elke
soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorwaarden voor de
toelating en voorschriften omtrent verwijdering en voorwaardelijke
bevordering worden vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur
bedoeld in de eerste volzin houdt in elk geval voorschriften in met
betrekking tot de voorwaarden voor de toelating tot de scholen, bedoeld
in de artikelen 7, 8, 9 en 10a. Definitieve verwijdering van een
leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet
plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een
andere school, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c,
van de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten.
1a. Voor het volgen van een vorm van onderwijs als onderscheiden in
artikel 5 aan een school wordt uitsluitend als leerling toegelaten
degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel,
indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat
hij:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke
bepaling als Nederlander wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste schooldag waarop
de vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in artikel 5 begint
waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste schooldag waarop de
vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in artikel 5 begint
waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gewenst en op die dag
rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000, of
d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd
onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen
voor een vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in artikel 5 is
toegelaten tot een school, welke vorm van voortgezet onderwijs nog
steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
1b. Indien na de toelating tot de school blijkt dat deze op welke grond
dan ook niet in overeenstemming met lid 1a heeft plaatsgevonden, wordt
de leerling onmiddellijk verwijderd.
2. De toelating wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een
bij of krachtens de wet geregelde bijdrage. Overeenkomsten waarbij
ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn
nietig, behoudens voorzover zij na de toelating van de leerling tot de
school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende
schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een
vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te
worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een
verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat.
Zodanige overeenkomsten zijn evenzeer nietig, indien deze niet hebben
voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor
te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te
gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te
onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige
overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen
reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die regeling
niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens
voor de periode van een schooljaar aangegaan.
3. Een leerling mag na vijf jaren te rekenen vanaf het ogenblik dat hij
is aangevangen met voortgezet onderwijs, geen onderwijs meer volgen aan
een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, aan een school
voor voorbereidend beroepsonderwijs en in de eerste drie leerjaren van
een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs. Indien een leerling na 31 januari van het
schooljaar aanvangt met voortgezet onderwijs, eindigt het vijfde jaar op
31 juli van het schooljaar waarin de periode van vijf jaren verstrijkt.
Een leerling mag geen praktijkonderwijs meer volgen aan een school voor
praktijkonderwijs na afloop van het schooljaar waarin hij de leeftijd
van achttien jaren heeft bereikt. Op een daartoe strekkend verzoek van
het bevoegd gezag, gedaan in het in de derde volzin bedoelde schooljaar,
kan de inspectie toestaan dat de leerling het daaropvolgende schooljaar
praktijkonderwijs kan blijven volgen, indien zij van mening is dat
zonder het volgen van dit schooljaar de leerling niet voldoende is
voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 10f, derde lid, derde
volzin. De inspectie kan de vierde volzin op overeenkomstige wijze
toepassen in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 19 jaren
heeft bereikt.
4. Het derde lid is niet van toepassing op scholen voor voorbereidend
beroepsonderwijs die zijn aangewezen op grond van artikel 24, vijfde
lid, voor zover het onderwijs bestemd is voor gehandicapte leerlingen.
5. Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het
vijfde jaar van de periode, genoemd in het derde lid, kan de inspectie
die periode met ten hoogste een jaar verlengen ten behoeve van een
leerling die voorafgaand aan het voortgezet onderwijs geen
basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, of
speciaal onderwijs dan wel voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
de Wet op de expertisecentra heeft gevolgd en die voldoet aan de
volgende vereisten:
a. hij heeft bij het begin van het vijfde jaar van die periode de
leeftijd van 18 jaren nog niet bereikt, en
b. hij volgt onderwijs aan een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs of aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs.
6. Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het
vijfde jaar van de periode, genoemd in het derde lid, kan de inspectie
die periode met ten hoogste een jaar verlengen ten behoeve van een
leerling die voldoet aan de volgende vereisten:
a. hij heeft in de eerste vier jaren van de periode van vijf jaren
vanwege langdurige ziekte of vanwege bijzondere, van de wil van die
leerling onafhankelijke omstandigheden meer dan 12 maanden het onderwijs
niet kunnen volgen, dan wel
b. hij heeft in het vijfde jaar vanwege langdurige ziekte of ten gevolge
van bijzondere, van de wil van die leerling onafhankelijke
omstandigheden lange tijd het onderwijs niet kunnen volgen, en
c. hij volgt onderwijs aan een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs of aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs.
7. De inspectie willigt een verzoek, bedoeld in het vijfde en zesde lid,
slechts in indien zij verwacht dat de leerling:
a. niet in staat zal zijn in dat vijfde jaar de opleiding met goed
gevolg te voltooien, en
b. in de periode van de verlenging wel in staat zal zijn de opleiding
met goed gevolg te voltooien.
8. Het vijfde en zesde lid kunnen niet tegelijkertijd worden toegepast
ten aanzien van dezelfde leerling.
9. Indien het verzoek, bedoeld in het vijfde of zesde lid, een leerling
betreft die leerwegondersteunend onderwijs volgt op basis van een
beschikking van de regionale verwijzingscommissie, willigt de inspectie
dat verzoek niet in dan nadat zij kennis heeft genomen van een recent op
de desbetreffende leerling betrekking hebbend handelingsplan, bedoeld in
artikel 10e, zesde lid, juncto artikel 10g, vierde lid.
10. Onverminderd het vijfde tot en met achtste lid, kan de inspectie,
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
voorschriften, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag,
ten aanzien van een leerling op individuele basis de verblijfsduur met
een jaar verlengen, voor zover toepassing van het derde lid, eerste en
tweede volzin, gelet op het belang van de leerling zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
11. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de
artikelen 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere
termijnen dan in de artikelen vermeld, worden bepaald voor het op een
bezwaar- of beroepschrift te nemen besluit van het bevoegd gezag van een
openbare school ter zake van de toelating en verwijdering van
leerlingen.
Artikel 27a. Controle op langdurige afwezigheid
1. Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de school ingeschreven
leerling die valt onder de werking van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, vast, of deze leerling
gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder
geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In afwijking van
de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor soorten van
voortgezet onderwijs de in die volzin bedoelde vaststelling wordt gedaan
indien een ingeschreven studerende in een of meer vakken of andere
programma-onderdelen niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Onder
afwezigheid met geldige reden wordt verstaan afwezigheid wegens ziekte
van de leerling, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door
middel van een gedagtekende verklaring van een arts, en afwezigheid
wegens bijzondere familie-omstandigheden.
2. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van
een periode van afwezigheid van vier weken aan de leerling dat daarvan
in de administratie van de school aantekening is gemaakt en verzoekt de
leerling om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd gezag
doet daarbij mededeling van de opgave van de gegevens van de deelnemer,
bedoeld in artikel 28a, eerste lid.
3. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het
bevoegd gezag vast:
a. of de reden die de leerling binnen 8 weken na de aanvang van de
periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
b. dat de leerling binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5
weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
4. Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na
afloop van de periode van 8 weken vast of de leerling voor het einde van
die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
5. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een
periode van 8 weken aan Onze Minister de leerling die gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige
reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt het indien
die leerling voor het einde van de periode van 8 weken weer aan het
onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan.
6. De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd met
de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij wordt
geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken.
7. Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in
het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken
leerling aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het
bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in
het eerste lid, gevolgen heeft voor de tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten van betrokkene op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten,
alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld
in het vijfde lid, open staat.
Artikel 27b. Te verstrekken gegevens bij toelating
1. Onverminderd bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften
met betrekking tot de in- en uitschrijving van leerlingen, vindt
toelating van een leerling als bedoeld in artikel 27 slechts plaats
nadat door de ouders, voogden of verzorgers of, indien de leerling
meerderjarig is, door de leerling de gegevens betreffende de
geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het
persoonsgebonden nummer van de leerling zijn overgelegd. Indien door de
ouders, voogden of verzorgers of, indien de leerling meerderjarig is,
door de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden
nummer van de leerling kan worden overgelegd, vindt de toelating plaats
met inachtneming van het derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel
van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere
school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs
van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3. Indien door de ouders, voogden of verzorgers of, indien de leerling
meerderjarig is, door de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat geen
persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het
bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan Onze
Minister de beschikbare gegevens van de leerling, bedoeld in het eerste
lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het
leerlingadministratienummer.
4. Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het
burgerservicenummer van de leerling, dan wel, indien is gebleken dat hem
niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het
onderwijsnummer van de leerling. Het onderwijsnummer is een door Onze
Minister uitgegeven en aan de leerling toegekend persoonsgebonden
nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde
gegevens op in de leerlingenadministratie van de school.
6. Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het
bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn
burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit burgerservicenummer
terstond als persoonsgebonden nummer op in de leerlingenadministratie
van de school in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag
meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave
van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de leerling.
Artikel 28. Melding verwijdering niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats
heeft van de gegevens van degene
a. op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is en die de
leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt,
b. die niet in het bezit is van een diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs als
bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 dan wel een diploma van
een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot
en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en
c. die van de school wordt verwijderd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 28a. Melding verzuim niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan Onze Minister van de
gegevens van degene die voldoet aan artikel 28, eerste lid, onderdelen a
en b, en die het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten
periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te
bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt.
2. Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door het bevoegd
gezag verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief verzuim.
3. Onze Minister bericht burgemeester en wethouders van de gemeente waar
de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na ontvangst van
de opgave, bedoeld in het eerste lid, dat een zodanige opgave heeft
plaatsgevonden.
4. Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief verzuim aan
het betrokken bevoegd gezag en aan burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft de ter zake
van die betrokkene geregistreerde gegevens.
5. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon-
of verblijfplaats heeft melden aan Onze Minister telkens de status van
de behandeling van de ter zake van de betrokkene gedane opgave, bedoeld
in het eerste lid.
6. Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door burgemeester en
wethouders verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief
verzuim.
7. Het betrokken bevoegd gezag en burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft, zijn
bevoegd het meldingsregister relatief verzuim te raadplegen voor zover
het betreft de ter zake van die leerling geregistreerde gegevens.
8. Het bevoegd gezag kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
verstrekken aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon-of verblijfplaats heeft.
9. Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het
persoonsgebonden nummer van de betrokkene gebruikt.
10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het
eerste en vijfde lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de
gegevens die op grond van het eerste en vijfde lid worden verstrekt.
11. De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid kunnen
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van gegevens over ras,
politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een
vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met
het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het
verzuim.
12. Op verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, komen hun rechten en
verplichtingen als bedoeld in dit artikel toe aan burgemeester en
wethouders van de contactgemeente, bedoeld in artikel 118h, derde lid.
§ 2. Toetsen en eindexamens
Artikel 28b. Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan de
leerlingen van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
hoger algemeen voortgezet onderwijs, middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs gelegenheid wordt gegeven
diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen af te leggen. Indien
toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent deze toetsen
vastgesteld. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op het
moment of de momenten waarop de toetsen kunnen worden afgelegd.
Artikel 29. Eindexamens en diploma
1. Aan de leerlingen van de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs
wordt gelegenheid gegeven aan deze scholen een eindexamen af te leggen,
tenzij in de plaats daarvan de gelegenheid bestaat tot het afleggen van
een eindexamen, dat niet vanwege de school wordt afgenomen en het
bevoegd gezag in verband hiermede een eindexamen aan de school niet
nodig oordeelt.
2. Het eindexamen wordt afgenomen door de rector, de directeur, de
conrector, de adjunct-directeur of een of meer leden van de centrale
directie en leraren van de school. Het eindexamen staat onder toezicht
van een of meer gecommitteerden behoudens voor bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen examens en examenonderdelen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald door wie
en op welke wijze de gecommitteerden worden aangewezen. Het eindexamen
kan mede worden afgenomen door deskundigen. Het bevoegd gezag wijst de
deskundigen aan.
3. Zij die het eindexamen met goed gevolg hebben afgelegd, ontvangen een
diploma. Leerlingen van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs
voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg, die met goed
gevolg een gedeelte van het examenprogramma hebben afgelegd, ontvangen
een getuigschrift voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en
leerlingen die een leer-werktraject met goed gevolg afsluiten, ontvangen
een diploma basisberoepsgerichte leerweg/leer-werktraject. Onze minister
stelt de modellen van diploma's en getuigschriften vast.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld omtrent de in dit artikel bedoelde eindexamens, alsmede
omtrent programma-onderdelen, die niet voor alle leerlingen van een
school dezelfde vakken en andere programma-onderdelen behoeven te
omvatten. Bij deze algemene maatregel van bestuur worden tevens de
eindexamenprogramma's vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in de vorige volzinnen, wordt aan de beide Kamers der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of
namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in
die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan
wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
5. Voor examens, die niet vanwege de school worden afgenomen, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven.
6. Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een
school kan Onze minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde
bij of krachtens dit artikel. Onze minister besluit binnen zes maanden
na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes
maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in
kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.
Artikel 29a. Getuigschrift en schooldiploma praktijkonderwijs
Leerlingen die een school voor praktijkonderwijs verlaten, ontvangen een
getuigschrift praktijkonderwijs, met dien verstande dat het bevoegd
gezag aan leerlingen die de opleiding hebben afgerond en daarvoor naar
het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komen, een schooldiploma
praktijkonderwijs kan uitreiken. Onze minister stelt het model van het
getuigschrift vast.
Artikel 30. Extraneï-examens
1. Een diploma als bedoeld in artikel 29, derde lid, kan ook worden
uitgereikt aan degenen die niet als leerlingen van een school zijn
ingeschreven, maar tot het eindexamen van die school zijn toegelaten en
dit met gunstig gevolg hebben afgelegd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
omtrent de in het eerste lid bedoelde toelating tot het eindexamen.
Daarbij wordt vastgesteld in welke gevallen een bedrag aan het bevoegd
gezag verschuldigd is, alsmede de hoogte daarvan.
Artikel 30a. Afwijking termijn Algemene wet bestuursrecht
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de artikelen
6:7, 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere termijnen
dan in die artikelen vermeld, worden bepaald voor de indiening van een
bezwaar- of beroepschrift en voor de daarop te nemen beslissing ter zake
van de deelneming aan eindexamens.
Artikel 31. Verklaring
1. De leerling die de school verlaat en aan wie geen diploma kan worden
uitgereikt, ontvangt een verklaring waarin in ieder geval worden vermeld
het tijdstip waarop hij de school verlaat en het leerjaar waartoe hij
laatstelijk onvoorwaardelijk was bevorderd alsmede voor welke vormen van
vervolgonderwijs en voor welke leerjaren daarvan hij geschikt wordt
geacht. De verklaring wordt door het bevoegd gezag of namens het bevoegd
gezag door de rector, de directeur, dan wel een of meer leden van de
centrale directie, ondertekend.
2. [Vervallen.]
3. [Vervallen.]
4. Onze minister stelt het model van de verklaring vast.
Artikel 31a [Vervallen per 01-08-1998]
§ 3. Personeel
Artikel 32. Personeelscategorieën; formatiebeleid; taken en functies
personeel
1. Aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs en
praktijkonderwijs zijn een of meer leraren verbonden.
2. Aan het hoofd van een school voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs staat een rector, aan het hoofd van een school voor algemeen
voortgezet onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs en
praktijkonderwijs een directeur.
3. De conrectoren en de adjunct-directeuren hebben tot taak de rector
onderscheidenlijk de directeur bij te staan en bij afwezigheid te
vervangen.
4. Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te ondersteunen.
5. Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak van
schooldecaan.
6. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de leden van de
centrale directie, bedoeld in artikel 32a, eerste lid.
7. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot
de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school.
Het bevoegd gezag bepaalt, zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling
van het in de eerste volzin bedoelde beleid met betrekking tot de
formatie, functies en taken van het personeel van de school, met
inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te
geven nadere voorschriften.
8. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «vakken» tevens
verstaan, programma-onderdelen als bedoeld in de artikelen 13 en 14.
Artikel 32a. Mogelijkheid centrale directie grote of complexe school
1. Aan het hoofd van een school die aan bij algemene maatregel van
bestuur te vermelden voorwaarden voldoet, kan het bevoegd gezag een
centrale directie plaatsen bestaande uit ten hoogste vijf leden, waarvan
er een door hem wordt benoemd tot voorzitter dan wel zonder benoeming
tewerkgesteld als voorzitter. De formatie van de centrale directie omvat
ten hoogste drie volledige formatieplaatsen.
2. De centrale directie heeft in naam van het bevoegd gezag de leiding
van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de school,
alsmede de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en van het
beheer van de school. Indien toepassing is gegeven aan artikel 32b, is
de centrale directie tevens met de daar bedoelde taken en bevoegdheden
belast.
Artikel 32b. Uitoefening taken en bevoegdheden bevoegd gezag door
centrale directie grote of complexe school
Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 32a, eerste lid,
kan bepalen dat hem bij wettelijk voorschrift toekomende taken en
bevoegdheden in naam van het bevoegd gezag worden uitgeoefend door de
centrale directie.
Artikel 32b1. Overdracht taken en bevoegdheden
1. Het bestuur kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en
bevoegdheden overdragen aan de centrale directie, de rector of de
directeur van de school.
2. De centrale directie, de rector of de directeur van de school kunnen
hen bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het bevoegd gezag
overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan elkaar of aan de
adjunct-directeur.
Artikel 32c. Vaststelling managementstatuut
1. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de rector, de directeur, de
conrector en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan
artikel 32a met de centrale directie, een managementstatuut vast. In het
managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de
bevoegdheden van de rector, de directeur, de conrector en de
adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 32a van de
bevoegdheden van de centrale directie, met betrekking tot de toedeling,
bestemming en aanwending van de bekostiging.
2. Het managementstatuut bevat tevens de aanduiding van de andere aan
het bevoegd gezag bij wettelijk voorschrift toegekende taken en
bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de rector, de
directeur, de conrector, de adjunct-directeur of de centrale directie
van de school deze in naam van het bevoegd gezag kan uitoefenen. Het
managementstatuut bevat voorts instructies ten aanzien van deze taken en
bevoegdheden.
3. In het managementstatuut worden tevens vastgelegd:
a. de taken en bevoegdheden die het bestuur overdraagt aan de centrale
directie, de rector en de directeur van de school, indien toepassing is
gegeven aan artikel 32b1, eerste lid;
b. de taken en bevoegdheden die de centrale directie, de rector en de
directeur van de school hebben overgedragen aan elkaar of aan de
adjunct-directeur, indien toepassing is gegeven aan artikel 32b1, tweede
lid; en
c. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken en
bevoegdheden.
4. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
managementstatuut in het gebouw van de school ter inzage beschikbaar is
op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een
exemplaar van het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo
spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie.
Artikel 32d. Document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen
in de schoolleiding
1. Het bevoegd gezag stelt ten behoeve van de directie van elk van zijn
scholen, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in
de directie sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding vast.
2. Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald
tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand
waarvan door het bevoegd gezag een beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding wordt gevoerd, opdat
in de directie van elke school van het bevoegd gezag vrouwen en mannen
naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige
vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen
voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door
de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover
jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document
vermeldt tevens de maatregelen die het bevoegd gezag heeft genomen en
zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te
realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten
van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de
schoolleiding gedurende de periode waarvoor het document geldt,
onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.
3. Indien door het bevoegd gezag aan het hoofd van de school een
centrale directie wordt geplaatst en vrouwen daarin zijn
ondervertegenwoordigd, stelt het bevoegd gezag overeenkomstig het
bepaalde in het eerste en tweede lid tevens een document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding ten
behoeve van de centrale directie vast.
4. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
document, bedoeld in het eerste en derde lid, in het gebouw van de
school ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel, de ouders en
de leerlingen toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt
bewaard bij de administratie van de school.
Artikel 33. Vereisten benoeming of tewerkstelling leraren
1. Leraren worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld
zonder benoeming. Om tot leraar te kunnen worden benoemd of
tewerkgesteld zonder benoeming dient de betrokkene:
a. in het bezit te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het
tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6
maanden,
b. in het bezit te zijn van:
1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan
aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36,
eerste lid, of
2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien
van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of
3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 118k, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs te
zijn uitgesloten.
1a. Indien het bevoegd gezag een leraar benoemt of tewerkstelt zonder
benoeming voor uitsluitend het geven van middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs of het geven van onderwijs in de eerste drie leerjaren van het
hoger algemeen voortgezet onderwijs of van het voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, is het eerste lid, onderdeel b, onder 3°,
niet van toepassing en volstaat in afwijking van het eerste lid,
onderdeel b, onder 1°, het bezit van het getuigschrift van een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit
blijkt dat:
1°. de betrokkene in het kader van die opleiding met goed gevolg ten
minste 30 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, heeft besteed
aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een met zijn opleiding
inhoudelijk overeenkomend vak in die leerjaren, en
2°. is voldaan aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 36, eerste
lid, voor zover die van toepassing zijn op dat onderwijs.
1b. Bij ministeriële regeling bepaalt Onze Minister op grond van welke
bacheloropleidingen als bedoeld in lid 1a onderwijs verzorgd kan worden
in daarbij aan te wijzen vakken.
2. In bijzondere gevallen kan Onze minister aan personen, die in een
bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid
uitmunten, ten aanzien van dit vak of dit onderdeel ontheffing verlenen
van de in het eerste lid onder b gestelde eisen.
3. Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan ten aanzien van degene,
die hem vervangt, telkens voor ten hoogste een jaar worden afgeweken van
de eisen, gesteld in het eerste lid onder b. Indien in een vacature niet
terstond kan worden voorzien door de benoeming of de tewerkstelling
zonder benoeming van een leraar die aan de genoemde eisen voldoet, is
het bepaalde in de vorige volzin van overeenkomstige toepassing.
4. Degene die benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming is voor enig
vak, mag, onverminderd het vijfde lid, door het bevoegd gezag gedurende
ten hoogste twee jaren worden belast met werkzaamheden als leraar
waarvoor hij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, bedoelde
bekwaamheidseisen. Aan de eerste volzin wordt uitsluitend toepassing
gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in ieder geval
schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is zich in te
spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de bekwaamheidseisen
voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin
bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd
gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van
het onderwijs aan de school. De tweede volzin is in dat geval van
overeenkomstige toepassing. De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd
gezag toestaan dat in de eerste twee leerjaren wordt afgeweken van de
eis, bedoeld in de tweede volzin.
5. Indien in het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 11c, sprake is
van vakoverstijgende programmaonderdelen, kan in de eerste twee
leerjaren worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de
kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vakoverstijgende
programmaonderdelen voorzover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. leraren die deel uitmaken van een team voldoen ieder aan
bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, waarbij de
leraren in het team als geheel beschikken over de bekwaamheidseisen voor
de vakken die zijn betrokken bij het vakoverstijgende
programmaonderdeel,
b. leraren die deel uitmaken van een team zijn ieder verantwoordelijk
voor de kwaliteit van het deel van het onderwijs van het desbetreffende
vakoverstijgende programmaonderdeel waarvoor zij voldoen aan de
bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, en
c. het onderwijs in het desbetreffende vakoverstijgende
programmaonderdeel kan worden verzorgd door:
1°. leden van het team, en
2°. andere leraren die daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag
geschikt zijn. Daarbij stelt het bevoegd gezag, de opvattingen van de
leden van het team in aanmerking nemend, vast of de inhoudelijke of
didactische kennis en vaardigheden van deze leraren voldoende zijn.
Indien dat niet het geval is, wordt eveneens vastgesteld hoe hierin
alsnog wordt voorzien. Het bevoegd gezag legt dit vast in de geordende
gegevens, bedoeld in artikel 37a.
5a. Bij toepassing van het vijfde lid is het derde lid van
overeenkomstige toepassing.
6. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de toepassing
van het derde lid, de eerste volzin van het vierde lid, het vijfde lid
en lid 5a.
7. Het eerste lid is niet van toepassing op een leraar, in zoverre deze
belast is met het verrichten van werkzaamheden in verband met
contractactiviteiten.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van leraren die
in vaste dienst zijn verbonden aan een school, bedoeld in de artikelen
7, 8, 9, 10a en 10f, regelen gesteld omtrent de gronden waarop en de
procedure volgens welke kan worden afgeweken van het eerste lid,
onderdeel b.
9. Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, lid 5a en het achtste
lid en artikel 35a kan ten aanzien van studenten die:
a. aan een hogeschool een duale opleiding volgen als bedoeld in artikel
7.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en
aan die opleiding ten minste 180 studiepunten hebben behaald, dan wel
b. een duale opleiding als bedoeld in dat artikel aan een universiteit
volgen
tot leraar voortgezet onderwijs ten behoeve van het geven van het
onderwijs waarvoor de desbetreffende opleiding opleidt tot het daarvoor
vereiste getuigschrift, worden afgeweken van de eisen in het eerste lid
onder b, met dien verstande dat het tijdelijk dienstverband van de
student een periode beslaat die overeenkomt met een volledig
dienstverband van vijf maanden. De vorige volzin is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van studenten die ten minste 166 doch nog geen
180 studiepunten hebben behaald, indien door de desbetreffende
hogeschool wordt verklaard dat de student beschikt over met 180
studiepunten vergelijkbare en tevens voor het dienstverband relevante
kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing van de vorige volzin
vervalt ten aanzien van die student die niet binnen vier weken na
aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt. De in
artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst vermeldt tevens de
leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken student
werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.
10. [Vervallen.]
11. [Vervallen.]
12. Het negende lid is, behoudens de eis van verblijf in het laatste
jaar van de opleiding, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
studenten van een universitaire lerarenopleiding, met dien verstande dat
afwijking bij de voltijdse vorm van die opleiding mogelijk is voor ten
hoogste de periode van een schooljaar waarin onderwijs wordt gegeven, en
bij de deeltijdse vorm van die opleiding voor ten hoogste twee jaren.
13. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig afwijkende,
regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste
lid ten aanzien van het verzorgen van door het bevoegd gezag
vastgestelde vakken en andere programma-onderdelen, behoudens
godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
14. In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 118k
vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor een
periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het bevoegd
gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te
stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het
bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt
over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede
volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor de eerste maal na afgifte
van de geschiktheidsverklaring benoemt of tewerkstelt zonder benoeming,
tekent het feit en de datum van benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming aan op die verklaring.
15. Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid, onder b, ten
aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden,
samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de
samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag
voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door
het bevoegd gezag aan te wijzen leraar voor een beperkte
betrekkingsomvang te worden belast met een uitsluitend lesgevende taak
voor vakken waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder
betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in
de eerste volzin bedoelde lesgevende taken ten hoogste een aantal van op
jaarbasis gemiddeld 4 klokuren per week.
16. Onze Minister kan met betrekking tot een vak of ander
programmaonderdeel waarvoor niet met een getuigschrift afgegeven
krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
kan worden aangetoond dat betrokkene voldoet aan de bekwaamheidseisen,
bedoeld in artikel 36, eerste lid, verklaren dat een leraar wordt geacht
bij benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te voldoen aan de
bekwaamheidseisen tot het geven van voortgezet onderwijs in dat vak of
dat andere programmaonderdeel.
Artikel 33a. Bekwaamheid o.g.v. buitenlands getuigschrift
Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten de
Europese Unie behaald bewijsstuk als bedoeld in artikel 33, eerste lid,
onderdeel b, de bevoegdheid verlenen tot het geven van voortgezet
onderwijs. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.
Artikel 33b. Verzorgen onderwijs met geschiktheidsverklaring op grond
van Wet educatie en beroepsonderwijs
In afwijking vanartikel 33, eerste lid, onderdeel b, kan met het
verzorgen van onderwijs in de assistentopleiding, bedoeld in artikel
10b8, ook worden belast degene die in het bezit is van een
geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, eerste lid, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs voor tot die assistentopleiding
behorend onderwijs, met dien verstande dat betrokkene tevens in het
bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 34. Benoembaarheid leidinggevend personeel
1. Tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur kan slechts
worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, en
b. met inachtneming van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, kan worden
benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming tot leraar in een van de
vakken die aan de school worden onderwezen, en
c. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond
vanartikel 36, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het
bezit is van een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dat is voldaan aan die eisen,
of
d. in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten al
dan niet in artikel 36, tweede lid, bedoelde werkzaamheden verleende
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, of
e. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn
bekwaamheid heeft aangetoond, en
f. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van de onder c bedoelde werkzaamheden.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de leden van
de centrale directie van een school als bedoeld in artikel 32a, eerste
lid.
3. Het bevoegd gezag van een school aan het hoofd waarvan geen centrale
directie is geplaatst, kan voor ten hoogste de helft van het aantal,
bestaande uit de rector of de directeur en de aan de school verbonden
conrectoren of adjunct-directeuren, afwijken van het bepaalde in het
eerste lid, onderdeel b.
Artikel 35. Benoembaarheid onderwijsondersteunende functionarissen
1. De onderwijsondersteunend functionaris kan worden belast met in
artikel 36, derde lid, bedoelde werkzaamheden in het voortgezet
onderwijs indien deze:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
ingevolge de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het
tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6
maanden, en
b. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven krachtens de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de Wet educatie en
beroepsonderwijs, dat is voldaan aan de in artikel 36, derde lid,
bedoelde bekwaamheidseisen of
c. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hem te
verrichten werkzaamheden, of
d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn
bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van die werkzaamheden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende
functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met
contractactiviteiten.
3. De onderwijsondersteunende functionaris die niet voldoet aan de eisen
van het eerste lid, onder b, c of d, mag voor zover het werkzaamheden
betreft waarvoor op grond van artikel 36, derde lid, bekwaamheidseisen
zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor
een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de eerste volzin wordt
uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in
ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is
zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de
bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag beschikt
over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de eerste
volzin.
4. Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel
7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs die in het kader van die opleiding
onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van
artikel 36, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de
duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid onder b
tot en met d.
Artikel 35a. Afwijking benoemingvereisten leraren
Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur, kunnen
in bijzondere gevallen, in afwijking van de eisen van benoembaarheid,
gesteld in artikel 33, eerste lid onder b, leraren die voldoen aan de in
artikel 36, eerste juncto vijfde lid, bedoelde bekwaamheidseisen, niet
zijnde bekwaamheidseisen voor de periode van voorbereidend hoger
onderwijs, tot een bepaald aantal lessen tijdelijk tevens onderwijs
geven in het desbetreffende vak of de desbetreffende combinatie van
vakken aan de scholen of leerjaren van scholen waarvoor moet worden
voldaan aan laatstgenoemde bekwaamheidseisen. In de gevallen, bedoeld in
de eerste volzin, is melding aan de inspectie vereist.
Artikel 36. Bekwaamheidseisen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor leraren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor werkzaamheden van
leidinggevende aard die nauw verband houden met het
pedagogisch-didactische klimaat op de school of onderwijskundige leiding
omvatten, bekwaamheidseisen worden vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende
werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het
onderwijsleerproces.
4. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het
handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen
en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval
eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
5. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen kunnen worden
onderscheiden naar schoolsoort en naar samenhangende leerjaren, met dien
verstande dat zij in elk geval specifiek worden vastgesteld voor de
periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12, eerste
lid.
6. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
7. Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt
van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als
bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de
in het eerste en derde lid voorgeschreven bekwaamheidseisen en kan een
representatief geachte beroepsorganisatie in de gelegenheid stellen hem
een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het tweede
lid kunnen worden vastgesteld. Onze Minister stelt deze organisatie
vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem
een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de
bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als bedoeld
in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre dat voorstel
mede steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen,
van ouders en van leerlingen.
Artikel 37. Inclusieve bevoegdheid
Degene die voor een bepaald vak voldoet aan de in artikel 36, eerste
juncto vijfde lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor de periode van
voorbereidend hoger onderwijs, is daarmee tevens bekwaam voor dat vak
voor zover dat wordt verzorgd in het voortgezet onderwijs niet zijnde de
periode van voorbereidend hoger onderwijs.
Artikel 37a. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een
functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid
en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge
vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de
inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 37b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37c.1 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 37d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37f. Nadere regeling scholengemeenschap
Ten behoeve van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 19, worden
bij algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met
betrekking tot de toepassing van de artikelen 32 tot en met 37.
Artikel 38. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het
beroep
1. Degene die beschikt over een in artikel 118k bedoelde
geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat benoemt of tewerkstelt
zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden
uitvoert als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, onder a, sluiten een
overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met
betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en
begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel
118l, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst
blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan
worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende
vervangende voorziening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid,
waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit
van het daarin bepaalde.
3. Tevens worden bij algemene maatregel van bestuur bijzondere zonodig
van deze wet afwijkende voorschriften gegeven voor gevallen waarin men
voor dezelfde werkzaamheden wenst te worden benoemd of tewerkgesteld
zonder benoeming aan scholen die niet uitgaan van hetzelfde bevoegd
gezag.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede en derde
lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 38a. Rechtspositieregeling personeel
1. Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde voorschriften als bedoeld in het tweede en derde lid regelt
het bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie van het
personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school zorg
voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
2. Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld
betreffende:
a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het bevoegd gezag
in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, en
b. rechten en plichten van het personeel en het bevoegd gezag bij
ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, dan
wel met betrekking tot bedrijfsgezondheidskundige begeleiding, voor
zover deze bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven
gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag deze rechten en
plichten zelf regelt of voor de regeling daarvan zorg draagt.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.
4. Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid
wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake aanstelling,
benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van
personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de
openbare scholen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor
werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen
van dwingend recht van titel 10 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 39
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de rector, de directeur,
de conrectoren, de adjunct-directeuren, de leden van de centrale
directie, de leraren en het overige personeel.
Artikel 39a. Benoeming in algemene dienst
1. Het bevoegd gezag benoemt de rector, de directeur, de conrector en de
adjunct-directeur, de centrale directie, de leraren en het overige
personeel, bedoeld in artikel 39, in algemene dienst van het bevoegd
gezag.
2. Onder benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt in dit
artikel en in de artikelen 43a en 51 verstaan een benoeming ten behoeve
van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand
gehouden scholen.
Artikel 39b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 39c
1. Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn
voor een functie in het voortgezet onderwijs, in de educatie of het
beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, in het
hoger beroepsonderwijs of in het basisonderwijs, gelegenheid te bieden
de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de school te
verkrijgen.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, betreft studenten die
zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking
heeftof anderszins studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen.
3. Het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in
schooltijd verzorgd onderwijsprogramma waarvoor het bevoegd gezag in
enig schooljaar verplicht is, studenten als bedoeld in het eerste lid
tot de school toe te laten, bedraagt gezamenlijk 5 procent van het in
uren uitgedrukte totale aantal in dat schooljaar te geven lessen en te
verzorgen onderdelen van het in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma.
Onze minister kan het percentage lager stellen.
4. Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school
ontzeggen, indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag
en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van
de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of
uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken
opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en
aan de inspectie.
5. De rector of de directeur dan wel de centrale directie regelt, onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband
met de begeleiding door de leraren van de studenten in de school in
overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming met de
betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten
die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter
verkrijging van een bewijs van bekwaamheid, in overeenstemming met de
betrokken staatsexamencommissie.
6. Onze minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere
omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting
verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.
7. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid, zijn
toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie belast met het toezicht
op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de door deze aan
te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden
van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover zulks
voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming
onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de
school aanwezige studenten noodzakelijk is.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in verband met
het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften gegeven, betreffende de
navolgende onderwerpen:
a. het maximum aantal lessen in een vak van een schoolsoort, gedurende
dewelke het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht is studenten als
bedoeld in het eerste lid, toe te laten, welk maximum de 20 procent niet
te boven mag gaan;
b. het maximum aantal studenten als bedoeld in het eerste lid, dat bij
dezelfde les kan worden toegelaten, welk maximum, behoudens bijzondere
omstandigheden, de 3 niet te boven mag gaan, alsmede de gevolgen die het
toelaten van meer dan een student bij dezelfde les heeft voor het
maximum, bedoeld in het derde lid, en het maximum, bedoeld in dit lid
onder a.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in verband met
het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften worden gegeven,
betreffende de navolgende onderwerpen:
a. de wijze van aanmelden van studenten als bedoeld in het eerste lid,
alsmede de termijn die voor de aanmelding door het bevoegd gezag mag
worden gesteld;
b. de wijze waarop door de school bekendheid moet worden gegeven aan
opleidingsinstellingen en staatsexamencommissies over de beschikbaarheid
en de aard van schoolpracticumplaatsen;
c. de categorieën studenten ten aanzien van wie de verplichting,
bedoeld in het eerste lid, niet geldt;
d. regulering in de situatie dat, bij een beperkte beschikbaarheid van
schoolpracticumplaatsen aan de school, gelijktijdig studenten die in
opleiding zijn voor een functie in het voortgezet onderwijs, en
studenten die in opleiding zijn voor een functie in het basisonderwijs,
worden aangemeld;
e. de vakken en andere programma-onderdelen van een schoolsoort,
waarvoor in verband met de geringe omvang van het onderwijs daarin, de
in het eerste lid bedoelde verplichting niet geldt.
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 40a. Georganiseerd overleg
Over de regelingen, bedoeld in artikel 38a, eerste en vierde lid,
alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de
rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag
overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties
van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk
overeengekomen wijze.
Artikel 40b [Vervallen per 22-10-2008]
Artikel 41. Personeel ten behoeve van contractactiviteiten
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het verrichten van
contractactiviteiten er niet toe leidt dat minder dan 51% van de
personeelskosten van de school uit 's Rijks kas wordt bekostigd.
Hoofdstuk II. Overige regelen voor het openbaar schoolonderwijs
Artikel 42. Karakter openbaar onderwijs
1. Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de
leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving,
en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die
waarden.
2. Openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid
naar godsdienst of levensbeschouwing.
3. Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders
godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 42a. Instandhouding openbare school door een openbare
rechtspersoon
1. Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon
instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen in de gemeente
in stand te houden, al dan niet te zamen met openbare scholen als
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Een openbare rechtspersoon kan
ook worden ingesteld door meer dan een gemeente ten behoeve van het in
stand houden van openbare scholen in die gemeenten door het vaststellen
van een voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid,
gelijkluidende verordening, in welk geval de openbare rechtspersoon niet
eerder tot stand komt dan nadat alle daartoe strekkende verordeningen in
werking zijn getreden.
2. De gemeenteraad of gemeenteraden maken het voornemen tot een besluit
als bedoeld in het eerste lid bekend.
3. De openbare rechtspersoon oefent met uitzondering van de
besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en
bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Hij bezit rechtspersoonlijkheid.
4. De verordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in
een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden
benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op
bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn
ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de
jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het
bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden, en
g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, met dien verstande dat in de regeling een overheersende
invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd.
De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het
financiële belang van de gemeente.
5. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt openbaar gemaakt.
6. De vergaderingen van het bestuur van de openbare rechtspersoon zijn
openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de
verordening.
7. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de
begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de
maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen.
8. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet
bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de
openbare rechtspersoon te ontbinden.
9. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het vierde lid niet
van toepassing en voorziet de verordening, bedoeld in het eerste lid,
onverminderd artikel 24e1 in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht
van de openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de
raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden
en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
e. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, met dien verstande dat in de regeling een overheersende
invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd. Het
vijfde, zesde en achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42b. Instandhouding openbare school door een stichting
1. Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de
gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel
stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet
te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs of de Wet op de expertisecentra.
2. De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in
het eerste lid bekend.
3. Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht
door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
4. Het statutaire doel van de stichting is uitsluitend het geven van
openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 42.
5. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de
opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het
bevoegd gezag uit.
6. Onverminderd het vierde lid, voorzien de statuten in ieder geval in
een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden
benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een
derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op
bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn
ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling van de
jaarrekening na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of
gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het
bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is
verzekerd.
De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens strijd
met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het
financiële belang van de gemeente.
7. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.
8. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt openbaar gemaakt.
9. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
10. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de
begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de
maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het
onderwijsproces te waarborgen.
11. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet
bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de
stichting te ontbinden.
12. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet
van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 24e1, in
ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht
van de stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de
raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden
en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening,
e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
f. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in de raad van
toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 42c. Bestuursoverdracht openbare school
1. Een rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de
instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon
die tot de instandhouding van een openbare school bevoegd is.
2. De overdracht geschiedt bij notariële akte. Bij deze akte verbindt
de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van
gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt
tevens als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat de rechtspersoon
aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen
aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid treedt
de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten
en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger, onverminderd hetgeen verder
voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
4. Voor zover het betreft scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor
voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs kunnen
burgemeester en wethouders in bijzondere omstandigheden ontheffing
verlenen van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien
van gebouwen, terreinen en roerende zaken.
Artikel 43
In afwijking van artikel 39 leggen Gedeputeerde Staten van de
desbetreffende provincie de disciplinaire straf of de schorsing op of
verlenen zij het ontslag, indien het betreft een rector, een directeur,
een conrector, een adjunct-directeur, een lid van de centrale directie
of een leraar van een openbare school, die tevens lid van de raad der
gemeente is, welke die school in stand houdt.
Artikel 43a
1. De rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren, de
leden van de centrale directie, de leraren en het overige personeel,
bedoeld in artikel 38a, van de openbare school, zijn in het bezit van
een door het bevoegd gezag getekende akte van aanstelling. De akte van
aanstelling bevat ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst
geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de
duur van de aanstelling;
f. de omvang van de betrekking;
g. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het
salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst
van het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de
geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag,
alsmede van de akte van aanstelling van het aan de school verbonden
personeel worden bewaard.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is
tewerkgesteld zonder aanstelling.
Artikel 44
1. Het onderwijs aan openbare scholen wordt gegeven met eerbiediging van
ieders geloofs- of levensovertuiging.
2. Wij kunnen hem, die zich in dit opzicht aan plichtsverzuim schuldig
maakt, voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor onbepaalde tijd
in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school
schorsen.
Artikel 45 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 46
1. Aan de openbare scholen worden op verzoek van kerkelijke gemeenten of
van plaatselijke kerken de leerlingen in de gelegenheid gesteld in de
schoollokalen godsdienstonderwijs te volgen van godsdienstleraren,
daartoe door die gemeenten of kerken aan te wijzen.
2. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos
voor het godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.
3. Bij een geschil omtrent het vaststellen van lessen of het beschikbaar
stellen van lokalen van openbare scholen beslist Onze minister.
4. Aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken kan een
subsidie worden verstrekt. De artikelen 4 tot en met 19 van de Wet
overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat de
subsidie slechts kan worden verstrekt bij algemene maatregel van
bestuur.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden met kerkelijke gemeenten
gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die zich
blijkens de statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs ten
doel stellen.
6. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt
gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring
van de aanwijzende kerkelijke gemeente of plaatselijke kerk:
a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36, eerste
lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 47
1. Aan de openbare scholen worden op verzoek van door Ons tot dit doel
toegelaten genootschappen op geestelijke grondslag de leerlingen, wier
ouders, voogden of verzorgers daartoe de wens te kennen geven, in de
gelegenheid gesteld in de schoollokalen levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs te volgen van leraren, daartoe door deze
genootschappen aan te wijzen.
2. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos
voor het vormingsonderwijs beschikbaar gesteld.
3. Bij een geschil omtrent het vaststellen van lessen of het beschikbaar
stellen van lokalen van openbare scholen beslist Onze minister.
4. Aan de genootschappen, bedoeld in het eerste lid, kan een subsidie
worden verstrekt. De artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige
OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat de subsidie
slechts kan worden verstrekt bij algemene maatregel van bestuur.
5. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt
gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring
van het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag:
a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36, eerste
lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Hoofdstuk III. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kas
van het bijzonder schoolonderwijs
Artikel 48
1. Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling niet de
gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare
school, mag aan deze leerling de toegang tot een gelijksoortige, uit de
openbare kas bekostigde bijzondere school niet worden geweigerd op grond
van levensbeschouwing, tenzij de school uitsluitend bestemd is voor
interne leerlingen.
2. Indien tot een bijzondere school ingevolge het eerste lid andere
leerlingen worden toegelaten dan voor wie de school in verband met de
levensbeschouwing wordt in stand gehouden, kunnen deze leerlingen niet
worden verplicht tot het volgen van de lessen in de vakken of andere
programma-onderdelen, die in verband met die levensbeschouwing worden
gegeven.
Artikel 48a. Bedenkingen tegen melding van langdurige afwezigheid
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school aan Onze Minister de
mededeling heeft gedaan, bedoeld in artikel 27a, vijfde lid, kan de
leerling binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel
27a, zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten
tegen die mededeling.
Artikel 49
1. De bijzondere school staat onder het bestuur van een rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van onderwijs in de
zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te
beogen.
2. Het schoolbestuur draagt zorg voor een deskundig beheer.
Artikel 50. Bestuursoverdracht bijzondere school
1. De rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, kan de
instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon
die voldoet aan het bepaalde in artikel 49, eerste lid.
2. De overdracht geschiedt bij notariële akte. Bij deze akte verbindt
de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van
gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt
tevens als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat de rechtspersoon
aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen
benoemt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid treedt
de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten
en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de
school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar
burgerlijk recht is vereist.
4. Voor zover het betreft scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en
voor voorbereidend beroepsonderwijs kunnen burgemeester en wethouders in
bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting tot
overdracht van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en
roerende zaken.
5. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een school in stand houdt,
wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende
rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke verkrijgende
rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat. In het laatste
geval zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 51
1. De rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren, de
leden van de centrale directie, de leraren en het overige personeel,
bedoeld in artikel 38a, van de bijzondere school zijn in het bezit van
een door het bevoegd gezag en door henzelf getekende akte van benoeming.
Deze akte van benoeming bevat ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de benoeming;
d. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd;
e. de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst
geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de
duur van de benoeming;
f. de omvang van de betrekking;
g. de op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde schaal en het
salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst
van het bevoegd gezag.
2. De akte van benoeming bevat bepalingen inzake gronden voor schorsing,
ontslag en disciplinaire maatregelen.
3. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijsstukken
waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de
geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag,
alsmede van de akten van benoeming van het aan de school verbonden
personeel worden bewaard.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is
tewerkgesteld zonder benoeming.
Artikel 52. Beroepsrecht personeel bijzondere scholen
1. Het bevoegd gezag van een bijzondere school is aangesloten bij een
commissie van beroep. De rector of de directeur, de conrectoren, de
adjunct-directeuren, de leden van de centrale directie, de leraren en
het overige personeel, bedoeld in artikel 38a, kunnen bij die commissie
beroep instellen tegen een beslissing van het bevoegd gezag inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. het direct of indirect onthouden van promotie,
d. het verminderen van de omvang van de betrekking,
e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde
leeftijd is bereikt,
f. de beslissing van het bevoegd gezag ten aanzien van een personeelslid
op basis waarvan op termijn vermindering van diens betrekkingsomvang kan
plaatsvinden,
g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband,
h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie
voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing
op termijn kan leiden tot ontslag, vermindering van de betrekkingsomvang
of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband, of
i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een
personeelslid werkzaamheden zal verrichten.
2. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, aanhef wordt
schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld. Daarbij wordt tevens vermeld
de beroepstermijn en het adres van de commissie waar het beroep kan
worden ingesteld.
3. Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.
Artikel 52a. Beroepstermijn
1. Het beroep, bedoeld in artikel 52, wordt schriftelijk ingesteld
binnen zes weken, nadat de beslissing aan betrokkene is medegedeeld. Bij
overschrijding van deze termijn ten gevolge van omstandigheden die de
betrokkene niet kunnen worden verweten, laat de commissie
niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege.
2. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen
verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van beslissingen
die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.
Artikel 53
1. Een commissie van beroep strekt haar werkkring uit over ten minste
twintig bijzondere scholen. Onze minister kan het in de vorige volzin
bedoelde aantal scholen lager stellen.
2. Zij bestaat uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden, waarvan
twee leden en twee plaatsvervangende leden worden gekozen door de
schoolbesturen en twee leden en twee plaatsvervangende leden door het
personeel van de in het vorige lid bedoelde scholen. Deze vier leden
kiezen het vijfde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.
3. De leden en plaatsvervangende leden mogen niet zitting hebben in het
schoolbestuur, noch deel uitmaken van het personeel van een school,
waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.
4. Omtrent de verdere samenstelling en de werkwijze van de commissies
van beroep worden nadere voorschriften gegeven bij algemene maatregel
van bestuur.
Artikel 53a. Bestuurlijke voorschriften bijzonder onderwijs
In een geval als bedoeld in artikel 39c, vierde lid, eerste volzin,
maakt het bevoegd gezag van een bijzondere school de beslissing tot
ontzegging van de toegang tot de school schriftelijk en met redenen
omkleed bekend aan de betrokken student.
Hoofdstuk IV. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare
kas bekostigd onderwijs
Artikel 53b. Centrale dienst
1. Op het personeel van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die
a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan niet met een
of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op
het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra,
b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling,
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, behoudens artikel 20,
derde, vierde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs,
uitsluitend ten doel stelt om ten behoeve van scholen en andere
onderwijsinstellingen die uit 's Rijks kas worden bekostigd,
werkzaamheden te verrichten ter verzekering van de goede gang van het
onderwijs met uitzondering van het leiden van de school, het geven van
onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de
schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair
onderwijs en van de Wet op de expertisecentra,
c. niet het maken van winst beoogt,
d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde
gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder begrepen
formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van bekostiging voor
zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132
van de Wet op het primair onderwijs, en
e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit
artikel werkzaam te willen zijn,
zijn van toepassing de in artikel 38a bedoelde voorschriften en regels.
Voor de toepassing van de eerste volzin, onderdeel b, wordt onder «het
geven van onderwijs» niet begrepen het geven van leerwegondersteunend
onderwijs, bedoeld in artikel 10e, en het uitoefenen van taken en
bevoegdheden, bedoeld in artikel 10h, zesde lid. Voor de toepassing van
de eerste volzin, onder b, wordt onder het geven van onderwijs niet
begrepen het onderwijs dat wordt gegeven door personeel dat is benoemd
of aangesteld op bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel
120, vierde lid, of 132 van de Wet op het primair onderwijs.
2. Onder bevoegd gezag en bevoegde gezagsorganen in het eerste lid
onderdeel a wordt mede verstaan de gemeenteraad.
3. Het bestuur van de rechtspersoon is aangesloten bij een commissie van
beroep als bedoeld in artikel 52. De leden en plaatsvervangende leden
van een commissie van beroep mogen niet behoren tot het bestuur of het
personeel van de rechtspersoon.
4. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen delen
Onze minister mede dat zij het bestuur vormen van een rechtspersoon in
de zin van dit artikel. Voorts verschaffen zij Onze minister en de door
hem aangewezen personen desgevraagd alle inlichtingen omtrent de
rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het eerste lid onder a
bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze minister mededelen dat zij
erin toestemmen dat de gevraagde inlichtingen rechtstreeks door het
bestuur van de rechtspersoon zelf aan Onze minister en de door hem
aangewezen personen worden verschaft.
5. De gemeente en het bevoegd gezag dat deel uitmaakt van het bestuur
van de rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de in de
voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.
6. De artikelen 40b, 52 en 52a zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het personeel van de rechtspersoon met dien verstande dat
een geschillencommissie haar werkzaamheden uitstrekt over ten minste
vijf rechtspersonen als bedoeld in dit artikel.
Artikel 53c. Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen
1. De instandhouding van een of meer openbare en een of meer bijzondere
scholen kan worden opgedragen of overgedragen aan een stichting die met
dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht. De besluitvorming van de
zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
2. Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van
openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in
afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder
onderwijs.
3. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de
opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het
bevoegd gezag uit.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de openbare school en niet is
tewerkgesteld zonder benoeming, wordt benoemd krachtens een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de
gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar openbaar onderwijs
wordt gegeven, gevestigd is,
e. de wijze waarop de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is, toezicht op het bestuur
van die school uitoefent,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten
te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in
de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is
verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
6. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is. Instemming kan slechts
worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het
bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
7. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente
waarin de school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is,
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het
verslag wordt bekendgemaakt.
8. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school
is gelegen, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van
het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs
betreft.
Artikel 53d. Samenwerkingsschool
1. Een rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, en een
rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, kunnen de
instandhouding van hun school overdragen aan een stichting waarvan het
statutaire doel in ieder geval is het in stand houden van een
samenwerkingsschool, onverminderd de artikelen 42a, derde lid, 42b,
vijfde lid, en 53c, derde lid. Een samenwerkingsschool is een school
waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt
aangeboden. De artikelen 42c en 50 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien
daardoor de continuïteit van het openbaar of het bijzonder onderwijs
gehandhaafd kan blijven en met totstandkoming van een
samenwerkingsschool wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van artikel 107 wordt opgeheven of niet meer
voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd gezag van de
betreffende school toont dat aan op basis van een prognose van de
ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die school
binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of niet meer
te worden bekostigd.
3. Een samenwerkingsschool is toegankelijk voor alle leerlingen zonder
onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de samenwerkingsschool, en niet is
tewerkgesteld zonder benoeming, wordt benoemd krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De rechtspersoon die de instandhouding van de bijzondere school heeft
overgedragen, of zijn rechtsopvolger, dan wel een daartoe aangewezen
rechtspersoon houdt toezicht op de identiteit, voor zover het betreft
het bijzonder onderwijs in de samenwerkingsschool, overeenkomstig
hetgeen is bepaald in de statuten van de stichting die de
samenwerkingsschool in stand houdt.
6. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. het doel van de stichting, waarin in elk geval is opgenomen het geven
van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs binnen een
samenwerkingsschool,
b. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de
stichting, met dien verstande dat in de statuten wordt voorzien in een
evenwichtige zeggenschapsverdeling wat betreft openbaar onderwijs
onderscheidenlijk bijzonder onderwijs dat wordt gegeven binnen de
samenwerkingsschool,
c. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de
bestuursleden, met dien verstande dat:
1° het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool in stand
houdt, wordt benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid, en
2° dat het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool in stand
houdt, niet bestaat uit personen die deel uitmaken van het
gemeentebestuur van de gemeente en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid,
d. de wijze waarop door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het
vijfde lid, toezicht op het bestuur van de samenwerkingsschool wordt
uitgeoefend, waaronder voor wat betreft het openbaar onderwijs in ieder
geval wordt begrepen een jaarlijks door het bestuur van de stichting aan
de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd
is, uit te brengen verslag waarbij in ieder geval aandacht wordt
geschonken aan het beleid ten aanzien van het openbaar onderwijs in de
samenwerkingsschool,
e. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
f. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met
dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
g. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
7. Overdracht, opheffing of samenvoeging van de samenwerkingsschool en
wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in
stand houdt, is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van
de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid.
8. De voorschriften van deze wet en van andere wetten die het voortgezet
onderwijs betreffen, alsmede de daarop gebaseerde regelingen, voor zover
die voorschriften en regelingen betrekking hebben op een bijzondere
school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool
als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt. De Algemene
wet bestuursrecht is niet van toepassing voor zover het beslissingen
betreft van de rechtspersoon die de samenwerkingsschool in stand houdt.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om
de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het
openbaar onderwijs betreft. De bedoelde maatregelen kunnen tevens worden
getroffen door de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, voor zover
het bijzonder onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt
beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, gezamenlijk genomen
besluit.
10. Een geschil tussen een bestuursorgaan van de gemeente en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, omtrent het toezicht op de
samenwerkingsschool en omtrent de uitlegging van de statuten van de
stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, wordt voorgelegd
aan een geschillencommissie, bestaande uit een of meer door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon in onderling overleg aangewezen deskundigen.
Hoofdstuk V. Fusies
Artikel 53e. Begripsbepalingen
1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. fusie: een bestuurlijke of institutionele fusie,
b. institutionele fusie: een fusie als bedoeld inartikel 71, tweede en
derde lid, waarbij een school ontstaat door samenvoeging van twee of
meer scholen dan wel instellingen als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs,
c. bestuurlijke fusie: een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de
instandhouding van een school, een school als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs dan wel de Wet op de expertisecentra, een instelling
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een instelling als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
overdragen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op het instellen
van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a, eerste lid,
eerste volzin of de instandhouding van een of meer openbare scholen door
een stichting als bedoeld in artikel 42b, eerste lid.
Artikel 53f. Goedkeuring
Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is
verleend door Onze Minister.
Artikel 53g. Aanvraag en fusie-effectrapportage
1. De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk dienen
een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de
goedkeuring, bedoeld in artikel 53f. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde
fusie-effectrapportage, en
b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie door de
medezeggenschapsraden dan wel de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraden, dan wel
c. de bindende uitspraak van de geschillencommissie, bedoeld in artikel
32, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen, dan wel de
bindende uitspraak van de ondernemingskamer, bedoeld in artikel 36,
derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid geldt eveneens als een
aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in
artikel 71.
3. De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. de motieven voor de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de
effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en
vestigingen van scholen in de gemeenten waarin de huidige leerlingen van
die scholen woonachtig zijn, de onderwijskundige en bestuurlijke
diversiteit van het onderwijsaanbod in de betreffende gemeenten,
f. de financiële en personele gevolgen en de gevolgen voor leerlingen
van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de voorzieningen,
g. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd,
h. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd, en
i. een advies van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten
over de wenselijkheid van de voorgestelde fusie.
4. Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de
fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 53h. Toets
1. Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de
institutionele of bestuurlijke fusie:
a. de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in het
opzicht van richting als van pedagogisch-didactische aanpak en
schoolsoort binnen de gemeenten waarin de huidige leerlingen van die
scholen of rechtspersonen woonachtig zijn, op significante wijze wordt
belemmerd, of
b. het aandeel per schoolsoort van de bij de fusie betrokken scholen in
het aantal leerlingen in de gemeenten waarin de huidige leerlingen van
die scholen woonachtig zijn een nader bij ministeriële regeling vast te
stellen percentage overschrijdt.
2. Onze Minister kan bovendien goedkeuring onthouden aan een
institutionele fusie indien de percentages leerlingen betrokken bij de
fusie minder zijn dan de percentages bedoeld in artikel 71, tweede lid,
onder a of b.
3. Onze minister verleent slechts goedkeuring aan een bestuurlijke fusie
als bedoeld in artikel 17, indien daardoor de continuïteit van het
openbaar of het bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven en met de
bestuurlijke fusie wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van artikel 107 wordt opgeheven of niet meer
voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd gezag van de
betreffende school toont dat aan op basis van een prognose van de
ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die school
binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of niet meer
te worden bekostigd.
4. Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid, adviseren door een onafhankelijke
adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld
in de eerste volzin.
5. Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 53i. Toetsingstermijn en verlenging
1. Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in
artikel 53f.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste met 13 weken
worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken bedoeld
in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Afdeling II. Niet uit de openbare kas bekostigd bijzonder
schoolonderwijs
Artikel 54
Het bestuur van een bijzondere school voor voortgezet onderwijs geeft
binnen vier weken na de oprichting van de school onder overlegging van
de statuten der instelling, die de school in stand houdt, en van de
reglementen, van die oprichting kennis aan Onze minister. Indien de
statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, wordt eveneens
binnen vier weken van de wijziging of van de intrekking van de statuten
of reglementen aan Onze minister kennis gegeven.
Artikel 55. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel
1. Algemeen voortgezet onderwijs wordt slechts gegeven door wie voldoet
aanartikel 33, eerste lid. Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid en
veertiende en vijftiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 36,
derde lid, worden met betrekking tot het algemeen voortgezet onderwijs
slechts verricht door wie voldoet aan artikel 35, eerste lid. Artikel
35, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56
1. Onze minister kan de school, die ten aanzien van de duur van de
cursus, het schoolplan en de bevoegdheden van de leraren overeenkomt met
een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger
algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel
29, eerste lid, aanwijzen als bevoegd om aan de leerlingen op grond van
het met gunstig gevolg afleggen van een eindexamen aan de school het
diploma uit te reiken, bedoeld in het derde lid van dat artikel.
2. Artikel 29, tweede en vierde lid, is op dit eindexamen van
toepassing.
3. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Artikel 56a [Vervallen per 06-10-1999]
Artikel 57
De aanwijzing geschiedt op een daartoe tot Onze minister gericht verzoek
van het schoolbestuur. Bij het verzoek worden overgelegd:
a. het schoolplan van de school;
b. bewijsstukken dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen;
c. de statuten en het reglement van de rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, die de school in stand houdt.
Artikel 58
1. Het schoolplan van een ingevolge artikel 56 aangewezen school voldoet
ten minste aan de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen
10, 10b, 10d, 11a tot en met 11f, 12 tot en met 15, 22 en 24.
2. Bij wijziging van het schoolplan doet het schoolbestuur daarvan
onmiddellijk mededeling aan de inspectie.
3. Onze minister kan ten behoeve van de bijzondere inrichting van het
onderwijs aan de school toestaan, dat wordt afgeweken van het eerste
lid. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
4. De naam van de school duidt aan, met welke van de uit de openbare kas
bekostigde scholen zij overeenkomt.
5. De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn ten minste gelijk
aan die, vastgesteld krachtens artikel 27, eerste lid, alsmede de leden
1a en 1b.
6. Artikel 23a1 is van overeenkomstige toepassing.
7. Voor een school die is aangewezen op grond van artikel 56 zijn van
overeenkomstige toepassing:
a. deartikelen 103b, eerste, tweede, vijfde tot en met achtste, en
tiende tot en met twaalfde lid, met dien verstande dat van de gegevens,
bedoeld in artikel 103b, tweede lid, uitsluitend worden verstrekt de
gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met g, en i, van dat lid;
b. artikel 103c;
c. artikel 103d, eerste en derde lid, met dien verstande dat artikel
103d, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor
zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beleidsvoorbereiding;
d. artikel 103f;
e. de artikelen 27b, 28 en 28a; en
f. de artikelen 118g tot en met 118i.
8. Voor een school die is aangewezen op grond van artikel 56 kan bij
ministeriële regeling een nadere specificatie worden gegeven van de
gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, voor zover dat lid van
overeenkomstige toepassing is verklaard in het zevende lid, onderdeel a,
en worden bepaald welke van die gegevens niet langer behoeven te worden
verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden
gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van die
gegevens. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter
uitvoering van artikel 103d, eerste en derde lid, voor zover die leden
van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in het zevende lid,
onderdeel c, in ieder geval omtrent de inhoud en de samenstelling van de
gegevens, de wijze waarop de gegevens worden verstrekt, de tijdstippen
waarop de gegevens worden verstrekt, en de perioden waarop de gegevens
betrekking hebben.
Artikel 59
Onze minister kan de aanwijzing intrekken, indien niet langer wordt
voldaan aan de artikelen 56 en 58, met uitzondering van artikel 58,
zevende lid, onderdeel f, of indien van misbruik van de verleende
aanwijzing is gebleken. De aanwijzing kan door Onze minister tevens
worden ingetrokken indien het schoolbestuur of het personeel van de
school in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Afdeling III. Staatsexamens
Artikel 60
1. Jaarlijks geeft het College voor examens gelegenheid om door het met
gunstig gevolg afleggen van een staatsexamen, een diploma te verkrijgen,
overeenkomende met een diploma van een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs en
voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel
29, eerste lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, welke andere
diploma's kunnen worden verkregen door het met gunstig gevolg afleggen
van een staatsexamen voor het College voor examens.
3. Zij, die zijn afgewezen bij het eindexamen van een school, worden
niet toegelaten tot het in hetzelfde jaar te houden overeenkomstige
staatsexamen.
4. De staatsexamens zijn openbaar, behoudens het schriftelijke gedeelte.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
omtrent de in dit artikel bedoelde examens, die niet voor alle
kandidaten dezelfde vakken en andere programma-onderdelen behoeven te
omvatten. Daarbij kan worden bepaald het bedrag, dat voor de toelating
tot deze examens verschuldigd is.
6. Artikel 30a is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling IV. Andere vormen van voortgezet onderwijs
Artikel 61. Inrichtingen voor voortgezet onderwijs
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen inrichtingen voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 5, onderdeel e, worden
aangewezen die voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking komen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de
aangewezen inrichtingen voor voortgezet onderwijs voorschriften worden
gegeven voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften over:
a. de inrichting van het onderwijs,
b. de examens,
c. de rechtspositie van het personeel,
d. de benoembaarheidsvereisten van het personeel, en
e. de aanvang, wijze en beëindiging van de bekostiging.
Daarbij kan, voorzover noodzakelijk, worden afgeweken van het bij of
krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 62 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 63 [Vervallen per 06-04-2005]
Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging
Afdeling I. Aanvang van de bekostiging
Artikel 64. Aanvang en duur van de bekostiging
1. Bekostiging uit de openbare kas van een school neemt geen aanvang dan
krachtens de bepalingen van deze afdeling.
2. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de bekostiging van scholen.
Artikel 65. Nieuwe school of scholengemeenschap
1. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school
waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze, gelet op de
belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde richting
en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer
verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden
bezocht door ten minste:
a. 390 leerlingen, wat een school voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs betreft;
b. 325 leerlingen, wat een school en 130 leerlingen wat een afdeling
voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft;
c. 260 leerlingen, wat een school voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs betreft;
d. 260 leerlingen, wat een school voor voorbereidend beroepsonderwijs
met één afdeling als bedoeld in artikel 10c betreft, met dien
verstande dat meer dan één afdeling binnen de desbetreffende nieuw te
vormen school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, indien voor
elke afdeling aannemelijk wordt gemaakt dat deze door ten minste 160
leerlingen zal worden bezocht, of
e. 120 leerlingen, wat een school voor praktijkonderwijs betreft.
2. Een scholengemeenschap die twee of meer van de in het eerste lid
genoemde scholen omvat, wordt in ieder geval voor bekostiging in
aanmerking gebracht indien op dezelfde manier als volgens het eerste lid
kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk van de
samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het
daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.
3. Een op grond van het eerste of tweede lid voor bekostiging in
aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap wordt aangeduid als
hoofdvestiging.
4. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een school
waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, eerste lid, is
ingediend. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een
school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, tweede lid, is
ingediend.
5. Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden de
besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gepubliceerd in
de Staatscourant.
Artikel 66. Aanvraagprocedure nieuwe school of scholengemeenschap
1. Het bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om een
school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen.
De aanvraag wordt ingediend voor 1 november.
2. Elke aanvraag vermeldt de schoolsoorten, de verlangde richting en de
plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap en gaat
vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang. Een aanvraag
voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend in
overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het
samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en na overleg
met de gemeente.
3. Onze Minister besluit met inachtneming van artikel 65 voor 1 mei
volgend op de aanvraag of de school of scholengemeenschap voor
bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Indien het besluit niet voor 1
mei kan worden genomen, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in
kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het besluit wel
tegemoet kan worden gezien.
4. De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten
vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het
besluit van Onze Minister. Behoudens in het laatste geval vangt de
bekostiging aan in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin
het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat burgemeester en
wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk met ingang van 1
augustus van het eerstgenoemde kalenderjaar de benodigde huisvesting ter
beschikking zullen stellen.
Artikel 67. Voldoende openbaar onderwijs
1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de
behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de
provincie. Daartoe kunnen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders
van de gemeente opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om
een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de
ouders, voogden en verzorgers van een naar hun oordeel voldoende groot
aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en burgemeester
en wethouders van de gemeente daaraan niet hebben voldaan.
2. Onze Minister kan burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen
een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school voor
bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het
eerste lid niet toepassen en ouders, voogden of verzorgers van een naar
zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij
indiening van een dergelijke aanvraag wensen.
3. Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in
dit artikel onherroepelijk is geworden, gaan burgemeester en wethouders
van de gemeente over tot stichting van de daarbij voor bekostiging in
aanmerking gebrachte school.
4. De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten
vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het
besluit van Onze Minister, afhankelijk van het moment dat burgemeester
en wethouders van de gemeente huisvesting ter beschikking hebben.
Artikel 68. Nieuwe afdeling vbo aan reeds bekostigde school
1. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een nieuw te
vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c aan een reeds bekostigde
school voor voorbereidend beroepsonderwijs indien redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat deze afdeling, gelet op de belangstelling voor de
desbetreffende afdeling, de verlangde richting en het leerlingenverloop,
blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal
Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste 260
leerlingen, met dien verstande dat meer dan één afdeling voor
bekostiging in aanmerking wordt gebracht indien voor elke nieuw te
vormen afdeling aannemelijk wordt gemaakt dat de desbetreffende afdeling
door ten minste 160 leerlingen zal worden bezocht.
2. Artikel 65, vijfde lid, en artikel 66 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 69. Leerwegondersteunend onderwijs
1. Leerwegondersteunend onderwijs komt voor bekostiging in aanmerking
voor zover de school of een daaraan uiterlijk op 1 augustus 2002
verbonden school of afdeling voor bekostiging van dat onderwijs in
aanmerking kwam op grond van artikel II, eerste of tweede lid, artikel
IV, eerste lid, of artikel IVa, eerste of tweede lid, van de Wet van 25
mei 1998 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs
in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend
beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs
(regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en
praktijkonderwijs) (Stb. 1998, 337).
2. Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of
scholengemeenschap dat is aangesloten bij een samenwerkingsverband als
bedoeld in artikel 10h leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging
in aanmerking brengen indien dat doelmatig is gelet op het geheel en de
spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs en de
meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en
scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt
met de aanvraag.
Artikel 70. Omzetting
1. Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor
bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door
omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige
bijzondere school.
2. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die
wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in
een gelijksoortige openbare school of door omzetting van een bekostigde
bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere
richting.
3. Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van
enig kalenderjaar.
Artikel 71. Verplaatsing vestiging; samenvoeging van scholen of
scholengemeenschappen; tijdelijke nevenvestiging
1. De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag
een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst over een
hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de vorige
vestigingsplaats.
2. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:
a. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging
van scholen of scholengemeenschappen, indien voor elke bij de
samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap geldt dat ten minste
een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de
leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap en van
de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging
betrokken school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde
postcodegebieden, of
b. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van een
scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs waarvan een regionaal opleidingencentrum deel uitmaakt,
met een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een
school voor voorbereidend beroepsonderwijs, indien ten minste een bij
ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van
een vestiging van laatstgenoemde scholengemeenschap en van de leerlingen
van een vestiging van een bij de samenvoeging betrokken school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
beroepsonderwijs, afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden.
3. Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige
toepassing op een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de
Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een agrarisch opleidingscentrum
deel uitmaakt, die wordt samengevoegd met een school voor middelbaar
algemeen voorgezet onderwijs, een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs waarin slechts onderwijs wordt verzorgd als bedoeld
inartikel 10c, onderdeel d, of een school voor praktijkonderwijs.
4. Na een samenvoeging wordt op een vestiging onderwijs verzorgd in
dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde afdelingen
als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op de
desbetreffende vestiging voor de samenvoeging, behoudens wijzigingen in
het onderwijsaanbod op grond van artikel 68 of artikel 72.
5. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een
tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, indien het bevoegd
gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de
desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zullen
stellen. De voorwaarde in de eerste volzin is niet van toepassing ten
aanzien van scholengemeenschappen als bedoeld in artikel 2.6, eerste
lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en scholen waarvoor
jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van
artikel 76v.
6. Artikel 65, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing bij
toepassing van het tweede, derde en vijfde lid.
Artikel 72. Regionale samenwerking voorzieningenplanning; regionaal plan
onderwijsvoorzieningen
1. Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan
samenwerken met ten minste één ander bevoegd gezag met als doel het
onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en
andere belanghebbenden in hun regio. Een regio omvat een aaneengesloten
gebied bestaande uit het grondgebied van een of meer gemeenten, met dien
verstande dat:
a. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen
van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen per gemeente ten minste
zestig procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het
grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen, en
b. ten minste vijfenzestig procent van de bevoegde gezagsorganen die
binnen een gemeente een of meer vestigingen van scholen of
scholengemeenschappen hebben, bij de samenwerking betrokken is.
2. Samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een
regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast. Een dergelijk plan:
a. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan overleg
plaats heeft gevonden met de bevoegde gezagsorganen van de overige
scholen of scholengemeenschappen in de regio en vertegenwoordigers van
de desbetreffende provincie of provincies alsmede voor zover het betreft
het voorbereidend beroepsonderwijs met vertegenwoordigers van het
bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de
regionale opleidingencentra en de agrarische opleidingscentra in de
regio, aa. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan
op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met burgemeester en
wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten, overeenkomstig
een procedure die daartoe is vastgesteld door de samenwerkende bevoegde
gezagsorganen en burgemeester en wethouders van die gemeente of
gemeenten, welke procedure een voorziening voor het beslechten van
geschillen bevat,
b. geldt voor een periode van vijf jaar, die aanvangt op 1 augustus van
enig kalenderjaar, en
c. bevat een gezamenlijk gedragen visie op het onderwijs in de regio,
waarin in elk geval tot uitdrukking worden gebracht:
1°. de omvang en begrenzing van de regio,
2°. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen,
3°. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen, bedoeld in het derde
lid, die de bevoegde gezagsorganen binnen de periode, bedoeld in
onderdeel b, voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een
prognose van het aantal leerlingen per vestiging,
4°. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het
vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, en
5°. de visie van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in onderdelen a
en aa, op het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot
het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.
3. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een
onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met f, indien
de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen
als bedoeld in het tweede lid en indien nodig tevens wordt voldaan aan
de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden. Een bevoegd gezag kan
bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:
a. een vestiging van een school of scholengemeenschap die door het
bevoegd gezag wordt verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van
drie kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats,
b. een nieuwe nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van een school of
scholengemeenschap, indien ten minste een bij ministeriële regeling
vast te stellen percentage van de leerlingen voor de nieuwe
nevenvestiging en van de leerlingen van één van de al bestaande
vestigingen van de school of scholengemeenschap afkomstig is uit
dezelfde postcodegebieden,
c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van
een scholengemeenschap,
d. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld
in artikel 16 aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs als bedoeld inartikel 7, of aan een school voor hoger algemeen
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en onderwijs vanaf het
derde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een
school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in
artikel 10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel 10a,
e. onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs of aan
een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend
beroepsonderwijs, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, of
f. een afdeling als bedoeld in artikel 10c met uitzondering van een
afdeling als bedoeld inartikel 10c, onderdeel a, onder 6, en de
afdelingen Kust-, Rijn- en Binnenvaart en Haven en Vervoer School,
aangewezen op grond van artikel 24, vijfde lid, indien wordt voldaan aan
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.
4. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister voor bekostiging in
aanmerking brengen een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde
lid, onderdelen c tot en met f, die niet is opgenomen in een regionaal
plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid, indien de
overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de samenwerking
instemmen met de aanvraag en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in
genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden.
5. Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in het derde en vierde
lid, is afdeling 3.4, met uitzondering van artikel 3:18, van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
6. Een aanvraag als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgewezen
indien de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan tien procent
leerlingverlies bij een vestiging van een school of scholengemeenschap
van een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking, tenzij dat
bevoegd gezag heeft verklaard, daarmee in te stemmen.
7. Artikelen 65, vijfde lid, en 66, eerste en derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in het derde en
vierde lid.
8. Bij besluiten over een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde
lid, onderdelen a en b, is artikel 66, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing. Bij besluiten over overige in het derde lid bedoelde
onderwijsvoorzieningen vangt de bekostiging aan op 1 augustus van enig
kalenderjaar.
Artikel 73. Cursussen
1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet
onderwijs, niet zijnde voorbereidend beroepsonderwijs, geheel of
gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in
aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat.
2. Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden.
3. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde
bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels over de verdeling vastgesteld.
4. Indien een cursus voortgezet onderwijs als bedoeld in het eerste lid
voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 6e van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 74. Aanvullende middelen
Onze Minister kan onder door hem nader te stellen voorwaarden
aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot
bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de
schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het
primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve
daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering
van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan
het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het
verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van
de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 75. Beroep
Tegen een besluit op grond van deze afdeling met uitzondering van
artikel 74 kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 76. Uitvoeringsvoorschriften
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld voor
de uitvoering van deze afdeling.
Afdeling IA. Voorziening in de huisvesting en inventaris
Hoofdstuk I. Voorziening in de huisvesting voor zover het betreft
scholen voor V.W.O., voor A.V.O., voor V.B.O. en voor praktijkonderwijs
Artikel 76a. Reikwijdte van hoofdstuk I
De artikelen 76b tot en met 76w zijn slechts van toepassing op scholen
voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en
voor praktijkonderwijs.
Artikel 76b. Voorziening in huisvesting door de gemeente
1. De gemeenteraad draagt onderscheidenlijk burgemeester en wethouders
dragen ten behoeve van de gemeentelijke en van de andere dan
gemeentelijke scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op
het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in dit
hoofdstuk. Hij behandelt onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de
gemeentelijke en de andere dan gemeentelijke scholen op gelijke voet.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een andere dan een
gemeentelijke school mede begrepen een op het grondgebied van de
gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging
op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.
Artikel 76c. Voorzieningen in de huisvesting
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder voorzieningen in de
huisvesting begrepen:
a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde
voorzieningen, bestaande uit:
1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan,
verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan,
terreinen, alsmede eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
meubilair,
2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;
b. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein;
c. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, leer- en
hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per
gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de
huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per
schoolsoort verschillend worden vastgesteld.
Artikel 76d. Vaststelling door burgemeester en wethouders van
bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks ten behoeve van het
eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een
bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de
huisvesting voor:
a. basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,
b. speciale scholen voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs,
c. scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal
onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan
wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra,
d. scholen voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deze wet,
en
e. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs
kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde
scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 76e. Indiening aanvraag
1. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat een
voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor opneming
van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel 76f, in bij
burgemeester en wethouders.
2. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van voorzieningen als
bedoeld in artikel 76c bekostiging verstrekken ter zake van de kosten
van bouwvoorbereiding.
3. Burgemeester en wethouders stellen vast, voor welk tijdstip de
aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke
scholen.
Artikel 76f. Programma huisvestingsvoorzieningen
1. Burgemeester en wethouders stellen, na overleg met de bevoegde
gezagsorganen van de andere dan gemeentelijke scholen op het grondgebied
van de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het
grondgebied van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een
programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft
betrekking op scholen als bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdelen
a tot en met e.
2. Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in
artikel 76c, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor
bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor andere dan
gemeentelijke scholen en voorzieningen die nodig zijn voor gemeentelijke
scholen.
3. Burgemeester en wethouders nemen uitsluitend voorzieningen in de
huisvesting in het programma op, voor zover:
a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van
vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden
gemaakt dan wel de voorziening wordt gerealiseerd, en
b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 76k, van
toepassing is.
4. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet
toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die
uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde
wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 76m,
eerste lid, onderdeel c.
5. De beschikking van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de
gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst
omvatten.
6. Burgemeester en wethouders kunnen aan de opneming in het programma
voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of
buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
7. Burgemeester en wethouders nemen bij de vaststelling van het
programma de criteria, bedoeld in artikel 76m, eerste lid, onderdeel c,
in acht.
8. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treden
burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de
wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt,
delen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat zij niet
kunnen instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van
uitvoering.
9. Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kunnen burgemeester en
wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de
vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot
de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek
wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit
eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen
waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken
uitgebracht aan burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend
gemaakt tezamen met het programma.
Artikel 76g. Overzicht
Burgemeester en wethouders stellen gelijktijdig met het programma,
bedoeld in artikel 76f, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied
van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een overzicht vast
van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet
op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de
desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt
ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld
in artikel 76d, eerste lid, onderdelen a tot en met e.
Artikel 76h. Geen vaststelling van programma en overzicht
Burgemeester en wethouders stellen geen programma als bedoeld in artikel
76f en geen overzicht als bedoeld in artikel 76g vast, indien geen
voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend
voor scholen als bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdelen a tot en
met e.
Artikel 76i. Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter
1. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat een
voorziening in de huisvesting wenst die niet in het programma, bedoeld
in artikel 76f, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het
onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag om bekostiging van
die voorziening in bij burgemeester en wethouders.
2. De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel
een andere voorziening dan gewenst omvatten. Burgemeester en wethouders
wijzen de aanvraag af, indien:
a. de beslissing over de voorziening kan worden genomen bij de
vaststelling van het eerstvolgende programma, of
b. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 76k, eerste lid,
onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.
Artikel 76j. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op
bekostiging
1. Burgemeester en wethouders beslissen bij beschikking met ingang van
welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het
programma, bedoeld in artikel 76f, de bekostiging van een voorziening
die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen,
onverminderd het bepaalde in artikel 76l.
2. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet
binnen een in de verordening op basis van artikel 76m te bepalen termijn
na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de
voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of
erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 76k. Weigeringsgronden
1. Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:
a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel
76c,
b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard
en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt,
voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen,
bedoeld in artikel 76m, eerste lid, onderdeel b,
c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige
ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 76m,
eerste lid, onderdelen c en d,
d. op andere wijze dan is gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan
huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke
afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel
medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking
gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet toereikend is
voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a tot en met e, van dat artikel, of
f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot
en met d niet noodzakelijk is.
2. Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien
de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk
onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de
voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door
schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
Artikel 76l. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
en omstandigheden
Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 76f, zijn
opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip
dat daarvoor op grond van artikel 76j is vastgesteld,
a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en
b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte
van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 76m. Gemeentelijke regeling
1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met
betrekking tot:
a. de voorzieningen die ingevolge artikel 76c voor bekostiging in
aanmerking kunnen worden gebracht,
b. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,
c. de urgentiecriteria,
d. de prognosecriteria,
e. de termijn bedoeld in artikel 76j,
f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van
ruimten voor het onderwijs,
g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of
nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van
artikel 76u, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te
maken staat van onderhoud, en
h. de gegevens bedoeld in artikel 76w.
2. De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de
redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de
gemeente stelt.
3. De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de bedragen
worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting.
4. Burgemeester en wethouders betalen volgens door hen te stellen regels
de bedragen aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde normen.
5. De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel
een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming
gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de
andere dan gemeentelijke scholen in de gemeente aan te wijzen
vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure vast.
6. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de
Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling
of wijziging van de gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid
van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan
indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen
beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover
advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht
aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met de
verordening of de wijziging daarvan.
Artikel 76n. Bouwheerschap
1. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school geeft
opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de
artikelen 76f en 76i kan worden overgegaan, tot stand te brengen met
daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met
burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening
tot stand brengt.
2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een andere
dan een gemeentelijke school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en
terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij
burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.
3. Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid,
niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geven burgemeester
en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 76o. Instemming met eigen bouwplannen voor een andere dan een
gemeentelijke school
Tenzij het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat
aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting,
met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze
voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de
desbetreffende begrotingen de instemming van burgemeester en wethouders.
Artikel 76p. Totstandbrenging voorziening andere dan een gemeentelijke
school
De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een andere dan
een gemeentelijke school slechts tot stand, indien tussen burgemeester
en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de
bouwplannen en de wijze van uitvoering.
Artikel 76q. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de
roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te
gebruiken en te onderhouden.
2. Vervreemding door het bevoegd gezag van een andere dan een
gemeentelijke school anders dan op grond van de artikelen 42c en 50, van
gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt
genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van
een andere dan een gemeentelijke school van zodanige gebouwen en
terreinen is zonder toestemming van burgemeester en wethouders nietig.
3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van
opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke
voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd
gezag van de betrokken school.
Artikel 76r. Vorderingsrecht
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gedeelte van een gebouw
of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig
zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als
huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas
bekostigd onderwijs niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere
culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het
voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in
het gebouw gevestigde school. Tevens zijn burgemeester en wethouders
bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke opvoeding of
expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte
daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel
niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd
als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas
bekostigd onderwijs, niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere
culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een sportterrein, buiten de
tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt,
gedurende die tijd te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of
recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het
onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.
2. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een andere dan een
gemeentelijke school, plegen burgemeester en wethouders vooraf overleg
met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd
gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is
bestemd.
Artikel 76s. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1. Voor zover artikel 76r geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag
een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van
uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele,
maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor
uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een
gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover
het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin
van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek. Indien het een andere dan een gemeentelijke school
betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en wethouders
vereist.
2. De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:
a. indien burgemeester en wethouders gebruik maken van hun bevoegdheid
op grond van artikel 76r zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of
b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor
gebruik door de eigen school.
3. Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet
indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan
de in het gebouw gevestigde school.
4. Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is artikel
230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
5. Het zonder toestemming van burgemeester en wethouders verhuren van
een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een andere dan een
gemeentelijke school alsmede elk met dit artikel strijdig beding
opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen, is
nietig.
Artikel 76t. Voorziening niet ten laste van de gemeente
Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens
de artikelen 76s of 76u door het bevoegd gezag van een andere dan een
gemeentelijke school, komen niet ten laste van de gemeente.
Artikel 76u. Einde gebruik gebouw of terrein door andere dan een
gemeentelijke school
1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een andere dan
een gemeentelijke school dat eigenaar is van het gebouw en terrein
kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend
heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of
een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te
gebruiken.
1a. Bij toepassing van het eerste lid stellen burgemeester en wethouders
en het bevoegd gezag van de desbetreffende school gezamenlijk vast of
voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van
het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Indien dat het geval
is, vindt verrekening plaats van de daarmee gemoeide kosten.
1b. De gemeenteraad en het bevoegd gezag van de andere dan gemeentelijke
scholen treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van
geschillen die zich bij de toepassing van lid 1a voordoen.
2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het eerste lid desgevraagd besluiten dat het bevoegd
gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw
of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan,
voor de school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt gedaan
door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school.
3. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat
voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend
niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld
mededeling aan burgemeester en wethouders.
4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het
tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit
onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als
bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O. en waarvoor door het
bevoegd gezag van rijkswege slechts een rentevergoeding is ontvangen,
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de
gemeente de eigendom.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een andere dan
een gemeentelijke school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in
een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet
vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het
onderwijs nodig zal zijn.
6. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het vijfde lid desgevraagd besluiten dat een gedeelte van
het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet
meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt
gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de
school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten
de wederpartij.
7. Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het zesde lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het
zesde lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, kan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke
school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van
burgemeester en wethouders verhuren.
8. De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een
tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan
dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3
jaren.
9. Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
Artikel 76v. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van andere dan
gemeentelijke scholen
In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad besluiten dat
jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het
bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school voor zover die
op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden. De
gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.
Artikel 76v.1. Huisvesting scholengemeenschap school voor voortgezet
onderwijs met ROC of school voor m.a.v.o. met AOC
1. In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd het
tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting bij of krachtens de
Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing op scholen voor
voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een scholengemeenschap die
omvat:
a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor voortgezet
onderwijs, dan wel
b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs.
2. Artikel 76u is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en
terreinen waarvan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke
school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari 1997 een
scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid tot stand komt dan wel
wordt uitgebreid met een school voor voortgezet onderwijs.
3. De gemeenteraad kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
besluiten:
a. dat het tweede lid niet van toepassing is,
b. dat daarvoor het bevoegd gezag of de gemeenteraad aan de andere
partij een vergoeding is verschuldigd, alsmede
c. in voorkomende gevallen, hoe hoog die vergoeding is.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, vindt inschrijving
van dat feit plaats in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 76w. Informatieverstrekking aan burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school is
gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders voor een adequate
uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk noodzakelijk achten.
Hoofdstuk II [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 76x [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 76y [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 76z [Vervallen per 06-04-2005]
Afdeling II. Grondslagen en wijze der bekostiging
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 77. Algemeen
1. De scholen, bedoeld in afdeling I van titel II worden door het Rijk
bekostigd met inachtneming van de artikelen 78 tot en met 106. De
uitgaven, bedoeld in de artikelen 96g en 96h, alsmede de bedragen die de
gemeente krachtens deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging
verstrekt, blijven ten laste van de gemeente.
2. Aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen als bedoeld in
afdeling I van titel II wordt uit de openbare kas geen bekostiging
verstrekt dan krachtens de bepalingen van deze wet.
3. Met betrekking tot een scholengemeenschap of een school en de daaraan
verbonden cursussen in de zin van artikel 75b, eerste lid, kunnen zo
nodig in afwijking van het bepaalde in deze afdeling bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven voor de
toepassing van deze afdeling.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van een budget ten
behoeve van aanvullende zorg voor leerlingen van de scholen in het
samenwerkingsverband, in aanvulling op de bekostiging, berekend op grond
van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde. Het budget wordt binnen
het raam van de door de begrotingswetgever daartoe beschikbaar gestelde
middelen vastgesteld en uitgekeerd. De algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de
vorige drie volzinnen is niet van toepassing, indien het ontwerp van de
algemene maatregel van bestuur voordien aan de beide kamers is
overgelegd en door of namens de kamers te kennen is gegeven dat van de
procedure, bedoeld in de vorige drie volzinnen, kan worden afgeweken.
5. Voor de toepassing van deze afdeling zijn de voorschriften die
betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing
op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als
bedoeld in artikel 42b of een openbare rechtspersoon als bedoeld in
artikel 42a, tenzij het tegendeel blijkt.
Artikel 77a. Leerlinggebonden budget
1. Indien op verzoek van de ouders van een leerling voor wie op basis
van een beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling als
bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, die leerling wordt ingeschreven
bij een school, dan wel indien een dergelijk budget beschikbaar komt
voor een leerling die al staat ingeschreven bij een school, meldt het
bevoegd gezag van die school die inschrijving, respectievelijk het
beschikbaar komen van een leerlinggebonden budget voor de desbetreffende
leerling, aan Onze minister.
2. Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een school als
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, dan wel
indien een leerlinggebonden budget beschikbaar komt voor een leerling
die al staat ingeschreven bij een school, wordt met ingang van de eerste
dag van de maand volgend op de inschrijving, respectievelijk het
beschikbaar komen van het leerlinggebonden budget, aan het bevoegd gezag
van die school ten behoeve van die leerling een leerlinggebonden budget
toegekend, dat wordt berekend op een bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur vastgestelde wijze. De omvang van het leerlinggebonden
budget is afhankelijk van de onderwijssoort waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard, waarbinnen onderscheid kan worden gemaakt op
grond van leerlingkenmerken, en van de onderwijssoort van de school
waarbij de leerling wordt ingeschreven. In de vorige volzin wordt met de
onderwijssoort van de school waarbij de leerling is ingeschreven tevens
bedoeld het toegelaten zijn tot het leerwegondersteunend onderwijs.
3. Indien ten behoeve van een leerling voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is in het lopende schooljaar dat budget aan het
bevoegd gezag van een school is toegekend, wordt bij inschrijving van
die leerling bij een andere school, het in het tweede lid bedoelde
leerlinggebonden budget aan het bevoegd gezag van laatstbedoelde school
toegekend met ingang van het nieuwe schooljaar.
4. Het bevoegd gezag van de school is verplicht een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden budget te
besteden bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
waarbinnen onderwijs wordt gegeven van de soort waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard of van de soort die behoort tot hetzelfde
cluster als de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is
verklaard. Het in de eerste volzin bedoelde deel kan voor de
onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de
expertisecentra, verschillend worden vastgesteld. De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leerling die
toelaatbaar is verklaard tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde
lid onder d, van de Wet op de expertisecentra.
5. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd gezag
tevens aan bij welke school bedoeld in de Wet op de expertisecentra het
in het vierde lid bedoelde deel van het leerlinggebonden budget wordt
besteed. Op grond van deze melding kent Onze minister dat deel van het
leerlinggebonden budget toe aan laatstbedoelde school.
6. Een krachtens het tweede en vierde lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na
de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld,
tenzij binnen die termijn door of namens de kamer de wens te kennen
wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur
bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend
voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3 volzinnen
zijn niet van toepassing, voor zover het ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur voordien aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
is voorgelegd en door of namens de kamer te kennen is gegeven dat van de
procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.
Artikel 77b. Indicatiestelling op verzoek van bevoegd gezag
1. De commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c van de
Wet op de expertisecentra, beoordeelt, indien de ouders van een leerling
niet overgaan tot een verzoek als bedoeld in artikel 28c, eerste lid,
van de Wet op de expertisecentra, op verzoek van het bevoegd gezag van
de school van een leerling, die zijn woonplaats heeft in het gebied van
het regionaal expertisecentrum dat de desbetreffende commissie voor de
indicatiestelling in stand houdt, of een leerling op basis van de in het
achtste lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra bedoelde
criteria:
a. in aanmerking komt voor een leerlinggebonden budget indien de
leerling wordt dan wel is ingeschreven bij een school alsmede
b. toelaatbaar is tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid,
onder d, van de Wet op de expertisecentra waarvoor de commissie voor de
indicatiestelling werkzaam is.
2. Het tweede, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, tiende en elfde
lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Het bevoegd gezag informeert de ouders van de desbetreffende leerling
schriftelijk over zijn voornemen om tot een verzoek als bedoeld in het
eerste lid over te gaan en stelt hen daarbij in de gelegenheid binnen
ten minste vier weken na dagtekening van de informatieve mededeling aan
te geven of zij zelf tot een verzoek overgaan. Bij het
aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, geeft het
bevoegd gezag de reactie van de ouders weer.
Artikel 78. Kostensoorten
De kosten van de scholen zijn:
a. huisvestingskosten,
b. inventariskosten,
c. personeelskosten, en
d. exploitatiekosten.
Hoofdstuk II. Grondslagen van de genormeerde bekostiging
§ 1 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 79 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 80 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 81 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 82 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 83 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 2. Grondslag bekostiging personeelskosten
Artikel 84. Grondslagen berekening omvang formatie
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
scholen de grondslagen vastgesteld voor de omvang van de formatie van:
a. de rectoren, directeuren, conrectoren en adjunct-directeuren,
b. de leraren, en
c. het onderwijsondersteunend personeel.
De formatie is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van
de school, wat de onder a genoemde personeelscategorie betreft, voor het
geven van onderwijs, wat de onder b genoemde personeelscategorie
betreft, en voor de overige werkzaamheden voortvloeiende uit het geven
van onderwijs, alsmede voor de ondersteuning van het onderwijs, wat de
onder c genoemde personeelscategorie betreft.
2. De grondslagen van de berekening van de omvang van de formatie worden
wat betreft het in het eerste lid onder a, b en c genoemde personeel in
elk geval gevormd door een normatieve relatie tussen het aantal
leerlingen en het aantal personeelsleden van de school, onderscheiden
naar personeelscategorieën.
3. De grondslagen worden wat het in het eerste lid onder b genoemde
personeel betreft bovendien gevormd door een vast aantal
formatieplaatsen.
4. Voor het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personeel wordt
voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel
75c in aanmerking komt voor bekostiging een afzonderlijke grondslag
vastgesteld op basis van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie
de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat zij op dat onderwijs
zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt
aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
Artikel 84a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 84b. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van personeel,
uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid
1. Aan de scholen, bedoeld in artikel 84, eerste lid, wordt in verband
met de kosten van vervanging van personeel en de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
2. De omvang van de in het eerste lid bedoelde bekostiging bedraagt een
jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de
bekostiging van de salarissen die onderdeel zijn van de in artikel 85,
eerste lid, bedoelde gemiddelde personeelslast. Bij ministeriële
regeling kan het percentage, bedoeld in de eerste volzin, tussentijds
worden gewijzigd. De ministeriële regeling kan vaststellen welk deel
van de bekostiging van de salarissen wordt gehanteerd bij de berekening,
bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 85. Omvang bekostiging
1. De bekostiging van de kosten van het in artikel 84 bedoelde personeel
wordt vastgesteld door de krachtens artikel 84 vastgestelde formatie te
vermenigvuldigen met een gemiddelde personeelslast, met inachtneming van
ter zake bij of krachtens de in artikel 84, eerste lid, bedoelde
algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften. De
gemiddelde personeelslast is het genormeerde bedrag van de personele
middelen per formatieplaats voor elke personeelscategorie, in welk
bedrag tevens zijn verwerkt incidentele loonontwikkelingen en algemene
salarismaatregelen.
2. Onder de personele middelen worden verstaan de middelen ten behoeve
van de salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen ten behoeve van
personeel van de scholen, alsmede de bijdragen tot hun pensioen en tot
dat van hun nagelaten betrekkingen.
3. De gemiddelde personeelslast, die per schoolsoort kan verschillen,
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
|