Nadere regelgeving:
- Bekostigingsbesluit WVO
- Besluit
bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
- Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair onderwijs
- Besluit kerndoelen onderbouw VO
- Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Bwoo)
- Eindexamenbesluit
VO
- Formatiebesluit WVO
- Inrichtingsbesluit WVO
- Staatsexamenbesluit
VO
WET van 14 februari 1963 tot regeling
van het voortgezet onderwijs
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter
verkrijging van een samenhangend geheel van onderwijsvoorzieningen het
voortgezet onderwijs in een wet te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
«Onze Minister»: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit.
«de inspectie»: de inspectie, bedoeld in de Wet op het
onderwijstoezicht;
«voortgezet onderwijs»: het voortgezet onderwijs, bedoeld in
artikel 2
«school»: een school voor voortgezet onderwijs, tenzij het
tegendeel blijkt;
«openbare school»:
a. een school in stand gehouden door een gemeente, dan wel door
een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling
als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin
deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of
meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid;
b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a
in stand gehouden school;
c. een door een stichting als bedoeld in artikel 42b of artikel
53c in stand gehouden school;
«bijzondere school»: een door een natuurlijke persoon of door een
privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld
in artikel 42b, in stand gehouden school;
«openbare rechtspersoon»: een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 42a;
«het bevoegd gezag» : voor wat betreft:
a. een openbare school:
1°. het college van burgemeester en wethouders, voor zover
de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met
inachtneming van door hem te stellen regelen;
2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke
regeling bevoegde orgaan;
3°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 42a; dan
wel
4°. de stichting, bedoeld in artikel 42b of artikel 53c;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel
49, eerste lid;
c. een samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 53d: het
bestuur van de samenwerkingsschool, bedoeld in dat artikel;
«regionaal opleidingencentrum»: een regionaal opleidingencentrum
als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
«agrarisch opleidingscentrum»: een agrarisch opleidingscentrum als
bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
«persoonsgebonden nummer»: het burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer,
dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in
artikel 27b, vierde lid;
sociaal-fiscaalnummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel
2, derde lid, onder k, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
«contractactiviteiten»: activiteiten als bedoeld in artikel 20,
tweede lid;
«personeel»:
a. de benoemde rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of
leraar, en overig personeel benoemd in een andere functie dan het
geven van onderwijs, waaronder begrepen de leden van het bestuur van
die scholen die zijn benoemd door een raad van toezicht als bedoeld
in artikel 24e1, derde lid, voor zover die leden mede zijn benoemd
op basis van een arbeidsovereenkomst of een akte van aanstelling;
b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is
tewerkgesteld, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 38a
tot en met 39a, 40a, 43a, eerste en tweede lid, 51, eerste tot en
met derde lid, 52, 52a, 53, 53b en 96o, voor zover niet anders is
bepaald, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke
bepalingen;
«nascholing»: een vorm van scholing, gegeven aan leden van het
personeel om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen
direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend
op de in de initiële opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te
verdiepen en uit te breiden;
«leerlinggebonden budget»: een leerlinggebonden budget voor een
leerling als bedoeld in artikel 77a;
«kerndoelen»: de op grond vanartikel 11b vastgestelde na te streven
inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste
twee leerjaren, bedoeld inartikel 11c, gericht op het verwerven door
leerlingen van kennis, inzicht en vaardigheden;
maatschappelijke stage: stage gericht op het verwerven van
vaardigheden ten behoeve van het functioneren in de maatschappij,
bestaande uit onbezoldigde vrijwilligersactiviteiten, niet zijnde de
stage bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel d;
meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief verzuim
als bedoeld in artikel 24h van de Wet op het onderwijstoezicht;
«College voor examens»: College voor examens als bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de Wet College voor examens.
Artikel 2
Het voortgezet onderwijs, bedoeld in deze wet, omvat het onderwijs
dat wordt gegeven na het basisonderwijs en na het speciaal onderwijs.
Het omvat niet het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet
op de expertisecentra, educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de
Wet educatie en beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.
Artikel 2a. Bevoegdheid schoolonderwijs
Voortgezet onderwijs mag slechts worden gegeven door degene die
daartoe ingevolge deze wet bevoegd is.
Artikel 3. Verplichting tot overleg en aangifte inzake
zedenmisdrijven
1. Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden
dat een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon zich
mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de
zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens
een minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag
onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel
6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden
geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de
desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf
als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige leerling van de
school, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de
vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het
bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders
van de betrokken leerling, onderscheidenlijk de betreffende ten
behoeve van de school met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden
dat een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich
mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld
in het eerste lid jegens een minderjarige leerling van de school,
stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in
kennis.
Artikel 4. Kosten van leerlingenvervoer
1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en
wethouders aan ouders, voogden of verzorgers van in de gemeente
verblijvende leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of
zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
openbaar vervoer gebruik kunnen maken, op aanvraag bekostiging van de
door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten.
Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling. De gemeenteraad
stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het
bepaalde in de volgende leden.
2. De regeling maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder
onderwijs.
3. De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van
de ouders, voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling
meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de leerling berustende keuze
van een school.
4. De regeling voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op
een wijze die voor de leerling passend is. De regeling bepaalt op
welke wijze burgemeester en wethouders terzake advies van deskundigen
inwinnen.
5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer
over de afstand tussen de woning van de leerling en de
dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met
inachtneming van de keuze van de ouders, voogden of verzorgers, dan
wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de
leerling, tenzij vervoer met betrekking tot een verder weg gelegen
school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de
ouders, voogden of verzorgers onderscheidenlijk de leerling met het
vervoer naar die school instemmen.
6. De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van
bekostiging in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
7. De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in
bijzondere gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders,
voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig en
handelingsbekwaam is, ten gunste van de leerling van de inhoud van de
regeling af te wijken.
Titel II. Het onderwijs
Artikel 5
Het voortgezet onderwijs wordt onderscheiden in:
a. voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
b. hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
c. voorbereidend beroepsonderwijs;
d. praktijkonderwijs;
e. andere vormen van voortgezet onderwijs.
Afdeling I. Openbaar en uit de openbare kas bekostigd bijzonder
schoolonderwijs
Artikel 6
De bepalingen van de hoofdstukken I en II van deze afdeling regelen
het openbaar schoolonderwijs; de bepalingen van de hoofdstukken I en III
zijn voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs.
Hoofdstuk I. Regelen voor het openbaar schoolonderwijs, tevens
voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs
§ 1. Scholen
Artikel 6a. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het
Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden
gebezigd:
a. wanneer het onderwijs met betrekking tot die taal betreft, of
b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van
het onderwijs dan wel de herkomst van de deelnemers daartoe
noodzaakt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde
gedragscode.
Artikel 6b. Onderwijs
Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen die in verband
met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op
adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.
Artikel 6c. Bestrijding (taal)achterstand
Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en
herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van
achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.
Artikel 6d. Onderwijs in lichamelijke opvoeding
Onderwijs in lichamelijke opvoeding, bestaande uit praktische
bewegingsactiviteiten, wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van
het voortgezet onderwijs. Dit onderwijs vindt plaats gespreid over de
schoolweken, en in zodanige substantiële omvang en schooltijd dat wordt
voldaan aan de eisen op het gebied van kwaliteit, intensiteit en
variëteit van de bewegingsactiviteiten neergelegd in kerndoelen en
examenprogramma’s. Daarbij wordt uitgegaan van de situatie zoals die
op 1 augustus 2005 voor het bewegingsonderwijs gold. In afwijking van de
tweede volzin geldt voor het laatste leerjaar het voorschrift, dat het
onderwijs in het eindexamenvak lichamelijke opvoeding niet eerder mag
worden afgesloten dan in de maand december.
Artikel 6e. Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen
1. Het bevoegd gezag stelt elk leerjaar om niet aan een leerling
lesmateriaal ter beschikking.
2. Onder lesmateriaal wordt verstaan: lesmateriaal dat naar vorm en
inhoud is gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en
waarvan het gebruik binnen het onderwijsaanbod door het bevoegd gezag
specifiek voor het desbetreffende leerjaar is voorgeschreven.
Artikel 6f. Maatschappelijke stage
Een onderwijsprogramma in het voortgezet onderwijs omvat mede een
maatschappelijke stage.
Artikel 6g. Onderwijstijd [Treedt in werking per 01-08-2013]
1. Een in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma als
bedoeld in de artikelen 10, tweede lid, 10b, tweede lid, 10d, tweede
lid, 11c, eerste lid, en 12, vijfde lid, tweede volzin, omvat voor
iedere leerling in elk leerjaar ten minste 1000 uren, met dien
verstande dat het programma in de eerste twee leerjaren per leerjaar
ten minste 1040 uren omvat en in het laatste leerjaar ten minste 700
uren omvat. Tot de uren, bedoeld in de eerste volzin, worden tevens
gerekend ten hoogste 60 uren, die alleen voor een specifieke groep
leerlingen verplicht zijn en worden ingevuld met onderwijsactiviteiten
gericht op excellentie, achterstand of ander maatwerk.
2. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met
betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven over de gegevens omtrent de invulling van
de uren en de in een onderwijsprogramma verzorgde activiteiten.
4. Ten behoeve van het verrichten van andere taken dan het
verzorgen van onderwijs stelt het bevoegd gezag jaarlijks de data vast
van ten hoogste negen werkdagen waarop geen onderwijs behoeft te
worden verzorgd, waarvan ten hoogste zes werkdagen onmiddellijk
aansluitend en ten hoogste vijf werkdagen niet onmiddellijk
aansluitend voor of na de voor de school op grond van artikel 22,
tweede lid, vastgestelde zomervakantie.
Artikel 6h. Meetellen onderwijstijd [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
Indien een leerling gedurende een deel van de week onderwijs ontvangt
op een school voor voortgezet speciaal onderwijs, op een school voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel op een instelling
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op
de expertisecentra, telt de tijd gedurende welke de leerling dit
onderwijs ontvangt mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling
ten minste moet ontvangen.
Artikel 7. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
1. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is
ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs
en dat mede algemene vorming omvat. Voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs wordt gegeven aan scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs. Deze worden onderscheiden in gymnasia en
athenea, elk met een cursusduur van zes jaren.
2. Aan de gymnasia wordt in elk geval onderwijs verzorgd in
Latijnse taal en literatuur en Griekse taal en literatuur.
Artikel 8. Hoger algemeen voortgezet onderwijs
Hoger algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht
ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede
algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs wordt
gegeven:
a. aan scholen met een cursusduur van vijf jaren;
b. aan afdelingen van scholen voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs. Deze hebben een cursusduur van twee jaren en vangen aan
na vier jaren middelbaar algemeen voortgezet onderwijs.
Artikel 9. Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is
ingericht ter voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs dan wel op
hoger algemeen voortgezet onderwijs, en dat mede algemene vorming omvat.
Het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven aan scholen
met een cursusduur van vier jaren.
Artikel 10. Theoretische leerweg en sectoren m.a.v.o.
1. Aan scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs wordt
onderwijs in de theoretische leerweg gegeven.
2. De theoretische leerweg omvat een door het bevoegd gezag in te
richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het
programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste
1000 uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma
is gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke
vorming,
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het
aansluitend beroepsonderwijs, en
c. een voorbereiding op het hoger algemeen voortgezet
onderwijs.
3. Het onderwijs in de theoretische leerweg wordt met ingang van
het derde leerjaar gegeven in de volgende sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4. Het onderwijs in de theoretische leerweg bestaat voor elke
sector uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk
is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen
vakken en andere programma-onderdelen.
5. Het gemeenschappelijk deel van de theoretische leerweg omvat
Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke
opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende
vorming, muziek, dans of drama.
6. Het sectordeel van de theoretische leerweg omvat wat betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de
leerling, wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en
staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het
bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of
worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling,
wiskunde, Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling,
biologie of natuur- en scheikunde I.
7. Het vrije deel van de theoretische leerweg:
a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het
zesde lid,
b. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse
taal, Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming,
muziek, dans, drama, Friese taal en cultuur en lichamelijke
opvoeding, door de leerling te kiezen, en
c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken
en programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde
lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid,
onderdeel b, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen
dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere
programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, door
alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.
9. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in
plaats van de vakken, genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid,
onderdeel b, de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel aangewezen
op grond van deartikelen 13 en 14 te volgen.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid
van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit
artikel. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene
maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in
het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen
kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10a. Voorbereidend beroepsonderwijs
Voorbereidend beroepsonderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter
voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onderdelen b, c en d, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het voorbereidend
beroepsonderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van vier
jaren.
Artikel 10b. Beroepsgerichte leerweg en sectoren v.b.o.
1. Aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt, in elke
afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderwijs in de
basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg
gegeven.
2. De beroepsgerichte leerwegen omvatten een door het bevoegd gezag
in te richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma.
Het programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten
minste 1000 uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het
programma is gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke
vorming, en
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het
aansluitend beroepsonderwijs.
3. Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen wordt met ingang
van het derde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende
sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4. Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen bestaat voor elke
sector uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk
is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen
afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale
programma’s.
5. Het gemeenschappelijk deel van de beroepsgerichte leerwegen
omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke
opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende
vorming, muziek, dans of drama.
6. Het sectordeel van de basisberoepsgerichte leerweg omvat wat
betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de
leerling, wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en
staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het
bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of
worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling,
wiskunde, Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling,
biologie of natuur- en scheikunde I.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de
kaderberoepsgerichte leerweg.
7. Het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen:
a. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende
afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale
programma’s,
b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken
en programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde
lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid,
onderdeel a, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen
dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere
programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, door
alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.
9. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen:
a. in plaats van de vakken van de basisberoepsgerichte leerweg,
genoemd in het vijfde en zesde lid, en de vakken die in de plaats
komen van een tweede moderne vreemde taal, de overeenkomstige
vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg of de overeenkomstige
vakken, genoemd in de artikelen 10 en 10d of de overeenkomstige
vakken, genoemd in dan wel aangewezen op grond van deartikelen 13
en 14 te volgen,
b. in plaats van de vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg,
genoemd in het vijfde en zesde lid, en de vakken die in de plaats
komen van een tweede moderne vreemde taal, de overeenkomstige
vakken, genoemd in deartikelen 10 en 10d of de overeenkomstige
vakken, genoemd in dan wel aangewezen op grond van de artikelen 13
en 14 te volgen,
c. in plaats van de vakken van de basisberoepsgerichte leerweg,
genoemd in het zevende lid, onderdeel a, de overeenkomstige vakken
van de kaderberoepsgerichte leerweg te volgen,
d. een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
extra vakken te volgen.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
vastgesteld:
a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en
intersectorale programma’s, bedoeld in het zevende lid,
onderdeel a,
b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s
en intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften
waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder kan worden
afgeweken van het eerste lid alsmede de voorwaarden waaronder aan
een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het
voorbereidend beroepsonderwijs binnen het kader van regionale
samenwerking als bedoeld in artikel 72 een intersectoraal
programma kan worden verzorgd, en
c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de
bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van
onderdelen van dit artikel.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel
van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde
leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden
afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10b1. Leer-werktraject in basisberoepsgerichte leerweg
1. Het bevoegd gezag kan de basisberoepsgerichte leerweg mede
inrichten als leer-werktraject. Een leer-werktraject is een leerroute
binnen de basisberoepsgerichte leerweg met een buitenschools
praktijkgedeelte dat ten minste 640 klokuren, verzorgd in 80 dagen, en
ten hoogste 1280 klokuren, verzorgd in 160 dagen, omvat van de
gezamenlijke onderwijstijd van het derde en vierde leerjaar en welk
traject specifiek is gericht op het behalen van een startkwalificatie
op het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Elke
schoolweek in het derde en vierde leerjaar omvat ten minste
binnenschools onderricht.
2. Een leer-werktraject omvat in elk geval:
a. Nederlandse taal,
b. een maatschappelijke stage, en
c. een beroepsgericht programma.
3. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de leerling of diens
wettelijk vertegenwoordiger, beslissen dat het leer-werktraject voor
die leerling eveneens een of meer andere vakken van de
basisberoepsgerichte leerweg omvat.
Artikel 10b2. Inrichting buitenschools praktijkgedeelte
Het bevoegd gezag stelt bij de inrichting van het leer-werktraject in
elk geval vast:
a. de organisatie van de leerlingbegeleiding vanwege het bevoegd
gezag zowel binnen de school als bij het bedrijf dat of de
organisatie die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgt,
alsmede
b. de invulling van het buitenschoolse praktijkgedeelte en
waarborgt daarbij dat niet uitsluitend eenzijdige productiearbeid
wordt verricht.
Artikel 10b3. Leer-werkovereenkomst
1. Het buitenschoolse praktijkgedeelte wordt verzorgd door een
bedrijf of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst,
gesloten door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens
wettelijk vertegenwoordiger, dat bedrijf of die organisatie, en het
bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven, geregeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat
daarmee verklaart:
a. dat het een bedrijf of organisatie betreft dat
respectievelijk die voldoet aan de kwaliteitscriteria, genoemd in
artikel 10b6, en
b. voor zover van toepassing, dat de gronden voor dat
kwaliteitsoordeel nog steeds aanwezig zijn.
2. De leer-werkovereenkomst regelt de rechten en plichten van
partijen en omvat ten minste bepalingen over:
a. inhoud, leerdoelen, duur, periode van en
beoordelingsmaatstaven voor het buitenschoolse praktijkgedeelte,
b. de begeleiding van de leerling, en
c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst
voortijdig kan worden ontbonden.
3. In afwijking van artikel 7:610, tweede lid tweede volzin, van
het Burgerlijk Wetboek, is in geval van strijd als bedoeld in die
volzin, artikel 10b3 van toepassing.
Artikel 10b4. Beoordeling kwaliteit leerbedrijven
1. Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse
gedeelte verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen
binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.
2. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen zorg voor
een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het
buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen in
artikel 10b6. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen
gezamenlijk zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven
en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van de eerste
volzin. Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte zijn
uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige
beoordeling op grond van die volzin.
3. Indien het bevoegd gezag na het sluiten van de
leer-werkovereenkomst vaststelt dat de praktijkplaats niet of niet
volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, of
sprake is van andere omstandigheden die maken dat het buitenschoolse
praktijkgedeelte niet naar behoren zal kunnen worden verzorgd,
bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van het
desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een
toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 10b5. Bekostiging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
voor taken leer-werktrajecten
1. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven hebben ten
behoeve van hun in artikel 10b4 geregelde taken aanspraak op
bekostiging uit 's Rijks kas.
2. De rijksbijdrage waarop de in het eerste lid bedoelde aanspraak
betrekking heeft, wordt, binnen het raam van de door de
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven berekend aan de hand van maatstaven,
neergelegd in een berekeningswijze die is vastgesteld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur. De maatstaven hebben in elk geval
betrekking op het aantal leer-werkovereenkomsten waarbij het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven partij is.
3. De artikelen 2.4.1, 2.4.2, 2.5.2 tot en met 2.5.9 en 11.1 van de
Wet educatie en beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige toepassing
op kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven die taken uitvoeren als
bedoeld in artikel 10b4.
Artikel 10b6. Kwaliteitseisen leerbedrijven
1. Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte zijn
uitsluitend bevoegd bedrijven en organisaties ten aanzien waarvan
wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. op de leer-werkplek of combinatie van leer-werkplekken
kunnen de door het bevoegd gezag vastgestelde praktijkopdrachten
daadwerkelijk worden uitgevoerd;
b. elke praktijkopdracht als zodanig kan in één bedrijf of
organisatie worden uitgevoerd;
c. in het bedrijf of de organisatie is een gekwalificeerde
praktijkbegeleider of leermeester aanwezig, die in staat is om
kennis, inzicht en vaardigheden van de leerling te beoordelen,
alsmede vorderingen daarin, en de leerling zowel werkinhoudelijk
als pedagogisch-didactisch te begeleiden;
d. het bedrijf of de organisatie is bereid met de in het tweede
lid bedoelde mentor of docentbegeleider contact te onderhouden;
e. de mogelijkheid om binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde
organisatie, dezelfde moederorganisatie of dezelfde branche de
leerdoelen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en de
eindtermen van de assistentopleiding of basisberoepsopleiding,
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs te behalen, zonder
grote overgangsdrempels voor de leerling;
f. het bedrijf of de organisatie waarborgt dat een
gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester is gekoppeld aan
een leerling, en dat deze leermeester ervoor zorgt dat de leerling
voldoende hulp en tijd krijgt om de praktijkopdrachten uit te
voeren;
g. het productie- of dienstverleningsproces is technisch en
organisatorisch voldoende gevarieerd en kan leerlingen goed
praktijkmateriaal bieden en hen gedegen opleiden;
h. de leer-werkplek past binnen de dagelijkse bedrijfsvoering;
i. het bedrijf of de organisatie is bereid de leerling de
vereiste praktijkopdrachten uit te laten voeren en het werk en het
stageverslag te bespreken en te beoordelen;
j. het bedrijf of de organisatie is geschikt voor de betrokken
leeftijdsgroep waar het gaat om onder meer ruimte om te leren of
fouten te maken, erkenning van jong zijn;
k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van
toepassing, het multiculturele karakter van de
leerlingenpopulatie.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor beschikbaarheid van een
gekwalificeerde mentor of docentbegeleider die de voortgang op de
leer-werkplek alsmede de integratie tussen het binnenschools en
buitenschools programma bewaakt.
Artikel 10b7. Samenwerkingsovereenkomst met roc of aoc
1. Leer-werktrajecten worden verzorgd op grondslag van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en
het bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum, een regionaal
opleidingencentrum in een samenwerkingsverband of een agrarisch
opleidingscentrum voor zover aan die instelling een
basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder
b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt verzorgd.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid
voorziet in elk geval in de inrichting van een doorlopende leerweg tot
en met de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 10b8. Assistentopleiding in het vmbo
1. Het bevoegd gezag kan bij de school ingeschreven leerlingen die
daarbij naar zijn oordeel gebaat zijn, in de gelegenheid stellen om
geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg,
bedoeld inartikel 10b, eerste lid, een assistentopleiding te volgen
als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de Wet educatie
en beroepsonderwijs, met inachtneming van de artikelen 7.2.7 en 8.1.1,
vierde lid, van laatstgenoemde wet. Artikel 10b, tweede lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2. De assistentopleiding stemt overeen met het programma-aanbod van
de beroepsgerichte programma’s van de basisberoepsgerichte leerweg
die aan de school wordt verzorgd.
3. Het bevoegd gezag is niet gehouden, leerlingen die een
assistentopleiding volgen als bedoeld in het eerste lid, gelegenheid
te geven om aan de school een eindexamen in de basisberoepsgerichte
leerweg af te leggen als bedoeld in artikel 29, eerste lid.
4. Leerlingen die een assistentopleiding volgen als bedoeld in het
eerste lid, worden aangemerkt als leerlingen van de
basisberoepsgerichte leerweg waarvoor de assistentopleiding geheel of
gedeeltelijk in de plaats treedt.
5. Ten aanzien van bij de school ingeschreven leerlingen jonger dan
16 jaar wordt de assistentopleiding verzorgd met inachtneming van de
volgende vereisten:
a. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en
7.2.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, omvat uitsluitend
het verrichten van lichte arbeid van geschikte aard,
b. in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg wordt geheel
of gedeeltelijk zowel binnenschools als buitenschools onderricht
in de praktijk van het beroep verzorgd,
c. een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider bewaakt de
voortgang van het onderricht in de praktijk van het beroep, en
d. het binnenschools en buitenschools onderricht in de praktijk
van het beroep worden geïntegreerd verzorgd.
Artikel 10b9. Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het
vmbo
1. De assistentopleiding, bedoeld in artikel 10b8, wordt onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd op grond van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en
het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1,
onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan het
onderwijsaanbod mede deze assistentopleiding omvat.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid
voorziet in elk geval in afspraken over:
a. de assistentopleiding die geheel of gedeeltelijk in plaats
van de basisberoepsgerichte leerweg zal worden verzorgd,
b. de inschrijving van leerlingen als examendeelnemer bij de
instelling,
c. de examinering en diplomering door de instelling,
d. de invulling van de betrokkenheid van het bevoegd gezag bij
de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9
van de Wet educatie en beroepsonderwijs, met dien verstande dat
het bevoegd gezag de in dat artikel 7.2.9 bedoelde overeenkomst
mede ondertekent,
e. de toepassing van artikel 10b8, tweede lid,
f. de rechtsbescherming van de leerling, en
g. de doorstroom van de leerlingen na het met goed gevolg
afsluiten van de assistentopleiding.
3. In geval van toepassing van artikel 7.4.4a, derde lid, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs, is het bevoegd gezag belast met de
uitvoering van de daar bedoelde examinering.
4. Indien het bevoegd gezag tevens het bevoegd gezag is van een
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, regelt het bevoegd gezag op
overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het tweede lid.
Artikel 10c. Afdelingen voorbereidend beroepsonderwijs
De sectoren, genoemd in artikel 10b, derde lid, omvatten elk een of
meer afdelingen, onderscheiden als volgt:
a. de sector techniek:
1. bouwtechniek,
2. metaaltechniek,
3. elektrotechniek,
4. voertuigentechniek,
5. installatietechniek,
6. grafimedia,
7. transport en logistiek,
8. afdelingen, aangewezen ingevolge artikel 24, vijfde lid,
b. de sector zorg en welzijn:
1. verzorging,
2. uiterlijke verzorging,
c. de sector economie:
1. administratie,
2. handel en verkoop,
3. mode en commercie,
4. consumptief,
d. de sector landbouw:
landbouw en natuurlijke omgeving.
Artikel 10d. Gemengde leerweg en sectoren scholengemeenschap m.a.v.o.–v.b.o.
1. Naast het onderwijs in de leerwegen, genoemd in de artikelen 10
en 10b, kan onderwijs in de gemengde leerweg worden gegeven aan:
a. een scholengemeenschap met in elk geval een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs, of
b. een vestiging van een agrarisch opleidingscentrum wat het
daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs betreft, indien:
1°. het agrarisch opleidingscentrum onderdeel uitmaakt van
een scholengemeenschap waarvan tevens een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs onderdeel uitmaakt,
en
2°. het voorbereidend beroepsonderwijs op de
desbetreffende vestiging deels leerlingen betrekt uit
hetzelfde gebied als de desbetreffende school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs.
2. De gemengde leerweg omvat een door het bevoegd gezag in te
richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het
programma omvat voor elke leerling in het derde leerjaar ten minste
1000 uren en in het vierde leerjaar ten minste 700 uren. Het programma
is gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke
vorming, en
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het
aansluitend beroepsonderwijs.
3. Het onderwijs in de gemengde leerweg wordt met ingang van het
derde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4. Het onderwijs in de gemengde leerweg bestaat voor elke sector
uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk
is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit een door de leerling te
kiezen afdelingsvak, intrasectorale programma’s of
intersectorale programma’s.
5. Het gemeenschappelijk deel van de gemengde leerweg omvat
Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke
opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende
vorming, muziek, dans of drama.
6. Het sectordeel van de gemengde leerweg omvat wat betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de
leerling, wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en
staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het
bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of
worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling,
wiskunde, Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling,
biologie of natuur- en scheikunde I.
7. Het vrije deel van de gemengde leerweg:
a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het
zesde lid,
b. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende
afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale
programma’s,
c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse
taal, Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming,
muziek, dans, drama, Friese taal en cultuur en lichamelijke
opvoeding, door de leerling te kiezen, en
d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken
en programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde
lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid,
onderdelen b en c, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens
beslissen dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere
programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel d, door
alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.
9. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in
plaats van de vakken, genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid,
onderdeel c, de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel aangewezen
op grond van deartikelen 13 en 14 te volgen.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
vastgesteld:
a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en
intersectorale programma’s, bedoeld in het zevende lid,
onderdeel b,
b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s
en intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften
waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder aan een agrarisch
opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend
beroepsonderwijs binnen het kader van regionale samenwerking als
bedoeld in artikel 72 een intersectoraal programma kan worden
verzorgd, en
c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de
bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van
onderdelen van dit artikel.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel
van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde
leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden
afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10e. Leerwegondersteunend onderwijs; regionale
verwijzingscommissie
1. Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd ter voorbereiding
op of gedurende het volgen van onderwijs in een van de leerwegen,
genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, ten behoeve van de leerling
voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische
benadering is geboden met het oog op het afsluiten van het onderwijs
in een van deze leerwegen. Leerwegondersteunend onderwijs wordt
zodanig in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling
een ononderbroken ontwikkelingsproces, gericht op het afsluiten als
bedoeld in de eerste volzin, kan volgen.
2. Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd, indien de
leerling met behulp van de voorzieningen, bedoeld in artikel 24,
tweede lid, tweede volzin, niet een ononderbroken ontwikkelingsproces
als bedoeld in het eerste lid, kan volgen.
3. Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de
leerling of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt
aangeboden.
4. De in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie
beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op
leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt
bij de aanvraag na overleg met de ouders een op de desbetreffende
leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g,
derde en vierde lid, zevende lid, eerste volzin, en achtste tot en met
elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van artikel 10g, zevende lid, eerste volzin, kan de
regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een
leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs,
beslissen dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.
Alvorens daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie
de ouders van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school
voor praktijkonderwijs.
6. Artikel 10g, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
leerling die op basis van een beschikking van de regionale
verwijzingscommissie is toegelaten.
Artikel 10f. Praktijkonderwijs
1. Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor
praktijkonderwijs.
2. Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie
vaststaat dat
a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische
benadering is geboden, en
b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen,
genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie
met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in
artikel 10e, niet leidt tot het behalen van een diploma of een
getuigschrift voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel 29.
3. Praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast
theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van
sociale vaardigheden worden verzorgd, en een gedeelte waarin de
leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de
arbeidsmarkt. Praktijkonderwijs wordt zo veel mogelijk op basis van de
kerndoelen verzorgd en is er op gericht dat leerlingen zo veel
mogelijk het referentieniveau Nederlandse taal en het referentieniveau
rekenen bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op
grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet
referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Praktijkonderwijs
bereidt de leerling voor op functies binnen de regionale arbeidsmarkt
op een niveau dat ligt onder het niveau van de assistentopleiding,
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie
en beroepsonderwijs
3a. In afwijking van artikel 11c, eerste lid, onder b, wordt het
praktijkonderwijs zodanig ingericht dat de leerlingen per schooljaar
ten minste 1000 klokuren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen
ontvangen per dag ten hoogste 5,5 uren praktijkonderwijs, voor zover
het betreft aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming
en het aanleren van sociale vaardigheden.
4. Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan, met
inachtneming van de tweede volzin van het derde lid en van lid 3a,
indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het
aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij
of krachtens de artikelen 11a tot en met 11c, 22 en 29.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld met betrekking tot de vakken en de maatschappelijke stage,
bedoeld in artikel 6f, die het praktijkonderwijs omvat, alsmede met
betrekking tot het aantal uren dat het onderricht in de praktijk van
de uitoefening van een vak of beroep gedurende een schoolweek ten
hoogste omvat. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste
volzin, bevat tevens voorschriften omtrent het in uren uitgedrukte
tijdsbestek dat door de leerling moet worden besteed aan de
maatschappelijke stage, bedoeld in de eerste volzin.
6. De in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10g. Toelating praktijkonderwijs; regionale
verwijzingscommissie
1. Aan de ouders van een leerling van wie het bevoegd gezag van de
school waar de leerling zich aanmeldt dan wel van de school waaraan de
leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in
staat is het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de
artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met
leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, met een
diploma of getuigschrift voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel 29, derde lid, af te sluiten, kan het bevoegd gezag
voorstellen deze leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs te doen
volgen.
2. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist,
in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in
artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders
van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de
leerling tot het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag kan een leerling
toelaten tot het praktijkonderwijs mits voor 1 oktober van het
desbetreffende schooljaar een aanvraag bij een door Onze minister
erkende regionale verwijzingscommissie is ingediend om vast te stellen
of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. De aanvraag
gaat vergezeld van een op de desbetreffende leerling betrekking
hebbend onderwijskundig rapport en de op schrift gestelde zienswijze
van de ouders. Indien de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald
dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de
desbetreffende leerling de toelating tot een school voor
praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden
geweigerd.
3. Een aanvraag bij een regionale verwijzingscommissie als bedoeld
in het tweede lid kan worden ingediend voor een leerling die:
a. rechtstreeks afkomstig is van een school of instelling als
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de
expertisecentra, of
b. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een
school voor voortgezet onderwijs.
4. In afwijking van het derde lid kan een aanvraag slechts worden
ingediend na dat schooljaar, indien het een vreemdeling betreft als
bedoeld in artikel 27, lid 1a, onderdeel b of c, die op 1 oktober van
het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling
in het voortgezet onderwijs korter dan een jaar in Nederland is.
5. In afwijking van het derde lid kan tevens een aanvraag tot
indicatiestelling voor praktijkonderwijs bij een regionale
verwijzingscommissie als bedoeld in het tweede lid worden ingediend
door het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs voor een
leerling die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen criteria, indien naar het oordeel van het bevoegd
gezag het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs het beste
aansluit bij de behoeften van deze leerling. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven voor de procedure
voor indiening van aanvragen.
6. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs waaraan
de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de
leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een
omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het
praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt
verzorgd.
7. Indien de regionale verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling
niet tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is, brengt zij advies uit
aan het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop
de leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel
van de verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid. In afwijking
van de eerste volzin kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk
met de beslissing dat een leerling niet toelaatbaar is tot het
praktijkonderwijs, beslissen dat die leerling is aangewezen op
leerwegondersteunend onderwijs.
8. Een beschikking van een regionale verwijzingscommissie omtrent
de toelaatbaarheid van een leerling is geen besluit als bedoeld in
artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht. De ouders
van de desbetreffende leerling kunnen een beschikking van de regionale
verwijzingscommissie voorleggen aan een andere regionale
verwijzingscommissie met het verzoek daarover een deskundigheidsadvies
uit te brengen. Indien toepassing wordt gegeven aan de tweede volzin,
worden de termijnen van bezwaar en beroep opgeschort.
9. De regionale verwijzingscommissie verstrekt desgevraagd aan Onze
Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is.
10. Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is
erkend, kan worden verbonden aan rechtspersonen die voldoen aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en die
daartoe door Onze minister zijn aangewezen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot
de taak, samenstelling, werkwijze, beoordelingscriteria en subsidie
van de regionale verwijzingscommissies, de aan de regionale
verwijzingscommissies te leveren gegevens en de wijze waarop de ouders
worden geïnformeerd over de aanvragen bij en de beschikkingen en
adviezen van de regionale verwijzingscommissies.
11. De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 10h. Aansluiting bij samenwerkingsverband; permanente
commissie leerlingenzorg
1. Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, van een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs, van een scholengemeenschap waarvan ten minste deel
uitmaakt een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of
een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of van een school voor
praktijkonderwijs, is aangesloten bij een samenwerkingsverband met
twee of meer andere van deze scholen of scholengemeenschappen. Een
samenwerkingsverband omvat ten minste één school voor
praktijkonderwijs en drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, waaronder in ieder
geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een
school voor voorbereidend beroepsonderwijs. Indien van een
samenwerkingsverband niet drie scholen voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs deel
uitmaken, maar twee scholengemeenschappen die elk in ieder geval een
school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school
voor voorbereidend beroepsonderwijs omvatten, kan Onze Minister onder
door hem te stellen voorwaarden dat samenwerkingsverband aanmerken als
een samenwerkingsverband als bedoeld in de tweede volzin. Het
samenwerkingsverband heeft tot doel zo veel mogelijk leerlingen voor
wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering
is geboden, deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de
leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d.
2. Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een
samenwerkingsverband, wordt deze deelname door het
samenwerkingsverband niet geweigerd. Een samenwerkingsverband waarvan
geen school voor praktijkonderwijs deel uitmaakt, wordt gelijkgesteld
met een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, tweede
volzin, indien de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband
met de bevoegde gezagsorganen in een of meer andere
samenwerkingsverbanden die voldoen aan het eerste lid, tweede volzin,
zijn overeengekomen dat ten behoeve van de leerlingen van het
eerstbedoelde samenwerkingsverband praktijkonderwijs wordt verzorgd
door een of meer van de scholen voor praktijkonderwijs die deel
uitmaken van bedoelde andere samenwerkingsverbanden. Het bevoegd gezag
kan ten aanzien van een school slechts deelnemen aan één
samenwerkingsverband. Onze Minister kan onder door hem te stellen
voorwaarden toestaan dat van de derde volzin wordt afgeweken.
3. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband dragen
gezamenlijk zorg voor een toereikende organisatie en deskundige
ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen voor wie een
orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, alsmede
voor overdracht van de deskundigheid op dit gebied tussen de scholen
in het samenwerkingsverband. De bevoegde gezagsorganen in een
samenwerkingsverband kunnen gezamenlijk een of meer voorzieningen in
het samenwerkingsverband, met het oog op de uitoefening van de in de
eerste volzin genoemde taken, aanduiden als «orthopedagogisch-didactisch
centrum». De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband zijn
aangesloten bij dezelfde rechtspersoon, bedoeld in artikel 53b.
4. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen
gezamenlijk een permanente commissie leerlingenzorg in. Zij vragen
advies aan deze commissie over het aanbod en de invulling van
leerwegondersteunend onderwijs en over het aanbieden van dat onderwijs
aan leerlingen voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft
bepaald dat zij toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
5. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen
jaarlijks gezamenlijk een zorgplan vast en zenden dit vóór 1 juni
voorafgaand aan het desbetreffende schooljaar aan de inspectie en de
minister. Het zorgplan bevat in ieder geval:
a. de maatregelen die zijn getroffen om zo veel mogelijk
leerlingen als bedoeld in het eerste lid deel te laten nemen aan
het onderwijs in een van de leerwegen, verzorgd door een of meer
van de aan het samenwerkingsverband deelnemende scholen,
b. een omschrijving van de in het derde lid bedoelde
organisatie, ondersteuning en overdracht, alsmede, indien van
toepassing, van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het
tweede lid, tweede volzin,
c. de wijze waarop de middelen, bedoeld in artikel 77, vierde
lid, worden ingezet.
d. een reglement voor de permanente commissie leerlingenzorg,
e. een omschrijving van de wijze waarop de ouders van
leerlingen als bedoeld in het derde lid, informatie wordt
verstrekt over de uitvoering van het derde en vierde lid, en
f. de te verwachten resultaten.
6. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen
jaarlijks gezamenlijk een evaluatieve voortgangsrapportage vast en
zenden deze voor 15 november volgend op het desbetreffende schooljaar
aan de inspectie en de minister.
7. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen hun
in het derde tot en met zesde lid opgedragen taken en bevoegdheden
overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen orgaan.
Artikel 11. Nadere voorschriften samenwerkingsverbanden
1. Op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel 10h, eerste
lid, bedoelde school kan Onze Minister toestaan dat het bevoegd gezag
zijn deelname aan een samenwerkingsverband ten aanzien van die school
beëindigt, indien:
a. het bevoegd gezag kan aantonen dat alle bevoegde
gezagsorganen in het betrokken samenwerkingsverband hiermee
instemmen,
b. het bevoegd gezag kan aantonen dat hij ten aanzien van die
school aan een ander samenwerkingsverband deelneemt,
c. met alle bevoegde gezagsorganen in het betrokken
samenwerkingsverband een regeling is getroffen met betrekking tot
de financiële en personele consequenties,
d. door de beëindiging van de deelname geen aanspraken
ontstaan op werkloosheidsuitkeringen voor personeel dat werkzaam
is aan de scholen in het samenwerkingsverband, waaronder de school
ten aanzien waarvan de deelname wordt beëindigd, en
e. de inspectie een positief advies heeft uitgebracht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften
worden vastgesteld met betrekking tot de samenwerkingsverbanden.
Artikel 11a. Algemene voorschriften eerste twee leerjaren
Het onderwijs in de eerste twee leerjaren wordt zodanig ingericht dat
met behoud van keuzevrijheid de doorstroming van leerlingen wordt
bevorderd naar een van de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b of
10d of naar het derde leerjaar voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
en hoger algemeen voortgezet onderwijs en vervolgens naar de periode van
voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12.
Artikel 11b. Kerndoelen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen
vastgesteld, waarbij aandacht wordt besteed aan aspecten van:
a. Nederlandse taal,
b. Engelse taal,
c. geschiedenis en staatsinrichting,
d. aardrijkskunde,
e. economie,
f. wiskunde,
g. natuur- en scheikunde,
h. biologie,
i. verzorging,
j. informatiekunde,
k. techniek,
l. lichamelijke opvoeding, en
m. beeldende vorming, muziek, drama en dans.
2. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
Artikel 11c. Onderwijsprogramma eerste twee leerjaren
1. Het bevoegd gezag richt voor de eerste twee leerjaren een in
schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma in. Dit programma
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. het bevoegd gezag werkt de kerndoelen uit voor de
verschillende schoolsoorten en verschillende groepen leerlingen,
onverminderd de doorstroombevordering met behoud van keuzevrijheid
van leerlingen, bedoeld in artikel 11a,
b. het programma omvat per leerjaar ten minste 1040 uren, en
c. in de eerste twee leerjaren worden gezamenlijk ten minste
1425 uren onderwijs verzorgd op basis van de kerndoelen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven voor het verzorgen van onderwijs in de
eerste twee leerjaren naast het onderwijs dat wordt verzorgd op basis
van de kerndoelen.
3. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
4. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met
betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
Artikel 11d. Ontheffingen delen onderwijsprogramma; bijzondere
voorschriften
1. Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor
voorbereidend beroepsonderwijs kan na overleg met de ouders een
leerling ontheffing verlenen voor onderdelen van het
onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onderdeel a.
Het bevoegd gezag bepaalt bij de ontheffing welk onderwijs voor de
leerling in de plaats komt voor de onderdelen waarvoor ontheffing is
verleend.
2. Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor
voorbereidend beroepsonderwijs kan voor leerlingen die daarvoor in
aanmerking komen, bij de inrichting van het onderwijs afwijken van een
of meer programmaonderdelen of van de voorschriften bedoeld in artikel
11c, eerste lid, onderdeel a. De laatste volzin van het eerste lid is
van overeenkomstige toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald hoe wordt vastgesteld welke leerlingen in aanmerking
komen voor deze afwijkingen.
3. Voor leerlingen:
a. die leerwegondersteunend onderwijs volgen als bedoeld in
artikel 10e, of
b. voor wie het bevoegd gezag het volgen van een
leer-werktraject als bedoeld inartikel 10b1 het meest geschikt
acht, verzorgt het bevoegd gezag in de eerste twee leerjaren
gezamenlijk ten minste 1425 uren onderwijs op basis van
kerndoelen.
Artikel 11e. Fries
1. Op scholen in de provincie Fryslân wordt met inachtneming van
de daarvoor vastgestelde kerndoelen tevens onderwijs gegeven in de
Friese taal en cultuur, tenzij Gedeputeerde Staten op verzoek van het
bevoegd gezag ontheffing van deze verplichting hebben verleend.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld
voor de Friese taal en cultuur.
3. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
Artikel 11f. Voorschriften derde leerjaar v.w.o. en h.a.v.o.
Op het onderwijs in het derde leerjaar aan scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs en voor hoger algemeen voortgezet onderwijs
zijn van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 11a, en
b. artikel 11c met uitzondering van het eerste lid, onderdelen a
en c.
Artikel 11g [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 12. Periode van voorbereidend hoger onderwijs v.w.o. en
h.a.v.o.; profielen
1. Het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs
omvat met ingang van het vierde leerjaar een periode van voorbereidend
hoger onderwijs.
2. De periode van voorbereidend hoger onderwijs is ingericht
volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onderwijsprogramma,
zodanig ingericht dat het biedt:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke
vorming,
b. een algemene voorbereiding op het hoger onderwijs, en
c. een bijzondere voorbereiding op groepen van naar inhoud
verwante opleidingen in het hoger onderwijs.
3. De school verzorgt alle profielen. De profielen zijn:
a. het profiel natuur en techniek;
b. het profiel natuur en gezondheid;
c. het profiel economie en maatschappij;
d. het profiel cultuur en maatschappij.
4. Elk profiel bestaat uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen van de
desbetreffende schoolsoort gelijk is,
b. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel, en
c. een vrij deel.
5. Het bevoegd gezag richt het onderwijs in de periode van
voorbereidend hoger onderwijs in op de grondslag van een normatieve
studielast voor de leerling van 1600 uren per leerjaar, uitgaande van
40 weken met elk een normatieve studielast van 40 uren. Het bevoegd
gezag richt een in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in dat voor
elke leerling ten minste 1000 uren per leerjaar omvat, met dien
verstande dat het programma in het laatste leerjaar ten minste 700
uren omvat.
Artikel 12a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 13. Vakken en andere programma-onderdelen periode van
voorbereidend hoger onderwijs: v.w.o.
1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het atheneum
omvat:
a. Nederlandse taal en literatuur,
b. Engelse taal en literatuur,
c. een andere moderne vreemde taal en literatuur, bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen, of Friese taal en cultuur,
ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt,
d. maatschappijleer,
e. algemene natuurwetenschappen,
f. culturele en kunstzinnige vorming of, ter keuze van de
leerling, voor zover het bevoegd gezag dat vak aanbiedt, klassieke
culturele vorming, met dien verstande, dat het vak klassieke
culturele vorming in elk geval deel uitmaakt van het profiel
indien ook Latijnse taal en literatuur of Griekse taal en
literatuur, dan wel beide, deel uitmaken van het profiel, en
g. lichamelijke opvoeding.
2. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het gymnasium
omvat:
a. Nederlandse taal en literatuur,
b. Engelse taal en literatuur,
c. Latijnse taal en literatuur of Griekse taal en literatuur,
ter keuze van de leerling uit deze beide door het bevoegd gezag
aan te bieden vakken,
d. maatschappijleer,
e. algemene natuurwetenschappen,
f. klassieke culturele vorming, en
g. lichamelijke opvoeding.
3. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het
gymnasium en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. natuurkunde,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
4. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het
gymnasium en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. biologie,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
5. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het
gymnasium en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. economie,
c. geschiedenis, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
6. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het
gymnasium en atheneum omvat:
a. wiskunde,
b. geschiedenis,
c. een vak ter keuze van de leerling uit culturele vakken die
bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit maatschappelijke
vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen,
voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
7. Het vrije deel van elk profiel in het gymnasium en atheneum
omvat ten minste één vak uit het geheel van:
a. vakken, genoemd in het eerste onderscheidenlijk tweede lid,
die de leerling niet op grond van het eerste tot en met zesde lid
heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als
onderdeel van het vrije deel aanbiedt,
b. vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het derde tot
en met zesde lid, die de leerling niet op grond van het eerste tot
en met zesde lid heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt,
c. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
vakken, voor zover het bevoegd gezag deze aanbiedt, en
d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere
programma-onderdelen.
8. Het bevoegd gezag kan beslissen dat vakken en andere
programma-onderdelen door alle leerlingen worden gevolgd.
Artikel 14. Vakken en andere programma-onderdelen periode van
voorbereidend hoger onderwijs: h.a.v.o.
1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het hoger algemeen
voortgezet onderwijs omvat:
a. Nederlandse taal en literatuur,
b. Engelse taal en literatuur,
c. maatschappijleer,
d. culturele en kunstzinnige vorming, en
e. lichamelijke opvoeding.
2. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het hoger
algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde,
b. natuurkunde,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
3. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het
hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde,
b. biologie,
c. scheikunde, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
4. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het
hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde,
b. economie,
c. geschiedenis, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij
algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
5. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het
hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. geschiedenis,
b. een andere moderne vreemde taal en literatuur, bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen, of Friese taal en cultuur,
ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze
vakken aanbiedt,
c. een vak ter keuze van de leerling uit culturele vakken die
bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het
bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, en
d. een vak ter keuze van de leerling uit maatschappelijke
vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen,
voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
6. Het vrije deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet
onderwijs omvat ten minste één vak uit het geheel van:
a. vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het tweede tot
en met vijfde lid, die de leerling niet op grond van die leden
heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als
onderdeel van het vrije deel aanbiedt,
b. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
vakken, voor zover het bevoegd gezag deze aanbiedt, en
c. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere
programma-onderdelen.
7. Het bevoegd gezag kan beslissen dat vakken en andere
programma-onderdelen door alle leerlingen worden gevolgd.
8. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in
plaats van de vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het eerste
tot en met zesde lid, de overeenkomstige vakken van artikel 13 te
volgen.
Artikel 15. Nadere inrichting profielen v.w.o. en h.a.v.o.
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt met betrekking tot de
profielen, bedoeld inartikel 12, tweede lid, vastgesteld:
a. het relatieve gewicht van elk van de vakken binnen het
geheel van de vakken van het eindexamen, uitgedrukt in een
normatieve studielast per vak,
b. de nadere ordening van de vakken, genoemd in de artikelen 13
en 14, met het oog op hun plaats in het gemeenschappelijk deel,
het profieldeel of het vrije deel,
c. voorschriften over vakken en andere programma-onderdelen,
bedoeld in artikel 13, zevende lid, en artikel 14, zesde lid, die
het bevoegd gezag aanwijst, behalve godsdienstonderwijs of
levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan bijzondere scholen, en
d. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de
bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van
onderdelen van deartikelen 13 en 14.
2. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 16. Scholengemeenschap; nevenvestiging; tijdelijke
nevenvestiging
1. Een scholengemeenschap omvat een school of inrichting in de zin
van deze wet, en een of meer andere al dan niet in deze wet bedoelde
scholen, inrichtingen of instellingen, die niet zijn instellingen voor
hoger onderwijs.
2. Aan een school of scholengemeenschap kan, naast een
hoofdvestiging als bedoeld in artikel 65, derde lid, een
nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging zijn verbonden.
3. Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke
huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is
gelegen op een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie
kilometer van de desbetreffende hoofdvestiging of nevenvestiging.
4. Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als
bedoeld in artikel 71, tweede lid, of door vorming van een nieuwe
nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 72, derde lid,
onderdeel b. Een tijdelijke nevenvestiging komt tot stand op grond van
artikel 71, vijfde lid.
5. Op een nevenvestiging kan in elk geval onderwijs worden verzorgd
a. in de eerste drie leerjaren aan een school voor
voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7,
of aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als
bedoeld in artikel 8, en
b. in de eerste twee leerjaren aan een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan
een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in
artikel 10a.
6. Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd
in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde
afdelingen als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op
de hoofdvestiging of nevenvestiging, bedoeld in het derde lid.
Artikel 17. Onderwijs in een pluriforme samenleving; burgerschap;
sociale integratie
Het onderwijs:
a. gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een
pluriforme samenleving,
b. is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en
sociale integratie, en
c. is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en
kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van
leeftijdgenoten.
Artikel 17a. Samenwerkingsverbanden
1. Het bevoegd gezag van één of meer scholen is voor elke
vestiging van die school of scholen aangesloten bij een
samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid of bij een
landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in het zestiende lid.
2. Een samenwerkingsverband omvat alle binnen een gebied als
bedoeld in het derde lid gelegen vestigingen van scholen, scholen voor
voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs
wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de
expertisecentra, met uitzondering van de vestigingen waarvoor het
bevoegd gezag is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel
van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, bedoeld
in de vorige volzin, te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een
ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die
extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het
onderwijs krijgen.
3. Bij ministeriële regeling worden voor de samenwerkingsverbanden
aaneengesloten gebieden aangewezen.
3a. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. De bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in het tweede
lid, geven het samenwerkingsverband vorm door het oprichten van een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk,
waarin uitsluitend deze bevoegde gezagsorganen deelnemen, behoudens
deelname van een bevoegd gezag op grond van het vijfde lid. De
statuten van de rechtspersoon bevatten een voorziening voor de
beslechting van geschillen.
5. Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal
onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de
expertisecentra, waarvan de vestiging of vestigingen zijn gelegen
buiten het gebied van een samenwerkingsverband, wenst deel te nemen
aan dit samenwerkingsverband, wordt dit bevoegd gezag niet uitgesloten
van deelname aan het samenwerkingsverband.
6. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
7. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
8. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
9. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
10. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
10a. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
11. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
12. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
13. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
14. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
15. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
16. Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende
scholen en scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waaraan
voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt
verzorgd, kunnen een landelijk samenwerkingsverband oprichten. Een
landelijk samenwerkingsverband omvat alle in Nederland gelegen en tot
dezelfde richting behorende scholen als bedoeld in de eerste volzin.
Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede tot en met
vijftiende lid, met uitzondering van het derde en vijfde lid, en het
zeventiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd
gezag scholen heeft met meer dan een richting bepaalt het bevoegd
gezag eenmalig op basis van welke richting de aansluiting bij het
samenwerkingsverband plaatsvindt.
17. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
Artikel 17b [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 17c [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 17d [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 18. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen
1. Bij het geven van onderwijs aan een leerling die is opgenomen in
een ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het
bevoegd gezag van een school worden ondersteund.
2. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4,
tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek indien de leerling is opgenomen in een academisch
ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van
de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de
expertisecentra indien de leerling is opgenomen in een ziekenhuis
niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de leerling
in verband met ziekte thuis verblijft.
3. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in
overeenstemming tussen de educatieve voorziening dan wel de
schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is
ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.
4. Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden
verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan
zieke leerlingen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels
worden gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin.
5. Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de
ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, in de periode 1
augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente
op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733),
tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en
beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke
leerlingen.
Artikel 19. Voorbereidend beroepsonderwijs in AOC
De bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften ten aanzien
van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige
toepassing op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in
agrarische opleidingscentra, tenzij bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur is bepaald dat dit niet of gedeeltelijk niet het geval is.
Artikel 20. Dagscholen; contractactiviteiten
1. De scholen voor voortgezet onderwijs zijn dagscholen.
2. Aan een school kunnen contractactiviteiten worden verricht,
bestaande uit cursussen waarvan de kosten niet ten laste van 's Rijks
kas komen, en uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van
derden, voor zover deze cursussen en werkzaamheden verband houden met
het onderwijs aan de desbetreffende school en voor zover het belang
van het onderwijs aan de school door deze cursussen en werkzaamheden
niet wordt geschaad.
Artikel 21. Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer
1. De naam van de school duidt aan, tot welke van de soorten van
scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f, de school
behoort. Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs,
of een scholengemeenschap waarvan in ieder geval een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, kan voor die school de
aanduiding «voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» hanteren. Bij
verschil van mening tussen het bevoegd gezag en Onze minister, tot
welke van de soorten zij behoort, beslist Onze minister.
2. In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag
ondubbelzinnig tot uitdrukking:
a. welk bij of krachtens deze wet geregeld, uit’s Rijks kas
bekostigd onderwijs de leerlingen volgen en aankomende leerlingen
kunnen gaan volgen,
b. van welke richting dit onderwijs uitgaat, en
c. in voorkomend geval welk onderwijs de school verzorgt met
toepassing van artikel 20, tweede lid.
Artikel 22. Overige voorschriften inrichting onderwijs
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen
voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs voorschriften
vastgesteld omtrent de inrichting van het onderwijs. Deze
voorschriften kunnen per schoolsoort verschillen. Voor de scholen,
bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a, kunnen afzonderlijke
voorschriften worden gegeven. De bij deze algemene maatregel van
bestuur gegeven voorschriften zijn niet van toepassing op scholen en
afdelingen voor voorbereidend beroepsonderwijs waarvoor artikel 24,
vijfde lid, wordt toegepast. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide Kamers der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of
namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in
die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan
wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
ingediend.
2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
houdt voor alle schoolsoorten voorschriften in omtrent de tijd die per
cursusjaar ten hoogste voor vakantie mag worden besteed, met dien
verstande dat begin en einde van de zomervakantie kunnen worden
voorgeschreven.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid
kan, naast het bepaalde in het tweede lid, slechts voorschriften
inhouden omtrent:
a. de maatschappelijke stage, bedoeld in artikel 6f, waaronder
het in uren uitgedrukte tijdsbestek dat door de leerling daaraan
moet worden besteed,
b. de mogelijkheid van vrijstelling met betrekking tot
categorieën van leerlingen van het volgen van een
maatschappelijke stage als bedoeld inartikel 6f en de bevoegdheid
van het bevoegd gezag om in individuele gevallen ontheffing te
verlenen van het volgen van die stage,
c. de buitenschoolse praktijkcomponent van een leer-werktraject
als bedoeld in artikel 10b1, en
d. de stage in de leerwegen genoemd in de artikelen 10b en 10d.
Artikel 23 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 23a. Kwaliteit onderwijs
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op
de school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt
in elk geval verstaan: de zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het
betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel,
en het uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in artikel 24,
beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke opdrachten
voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het schoolplan
opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden gerealiseerd.
Artikel 23a1. Ernstig of langdurig tekortschieten leerresultaten
1. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke
opdrachten voor het onderwijs, bedoeld in artikel 23a, indien de
leerresultaten van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het
hoger algemeen voortgezet onderwijs, het middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, het
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de theoretische leerweg
en de gemengde leerweg, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
in de basisberoepsgerichte leerweg dan wel het voorbereidend
middelbaar beroepsonderwijs in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig
of langdurig tekortschieten.
2. Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het
eerste lid indien:
a. in de schoolsoort dan wel de leerweg, bedoeld in het eerste
lid, de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement,
gemeten over een periode van 3 schooljaren, liggen onder de
normering die daarvoor geldt in vergelijking tot die
leerresultaten over diezelfde schooljaren van dezelfde
schoolsoorten of dezelfde leerwegen met een vergelijkbaar
leerlingenbestand; dan wel
b. geen leerresultaten van de schoolsoort of de leerweg,
bedoeld in het eerste lid, kunnen worden aangetoond.
3. Er is sprake van ernstig of langdurig tekortschieten van de
leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien de inspectie op
grond van artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht Onze Minister
meedeelt dat uit het onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen,
bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht
blijkt dat sprake is van onvoldoende verbeteringen dan wel het bevoegd
gezag niet bereid is afspraken te maken over kwaliteitsverbeteringen
naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid,
van de Wet op het onderwijstoezicht.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop leerresultaten worden
gemeten en, indien zij niet gemeten kunnen worden of indien er
onvoldoende gegevens zijn voor een betrouwbaar oordeel over de meting
van de leerresultaten, op welke andere wijze zij worden aangetoond.
Voorts wordt de normering, bedoeld in het tweede lid, bepaald en de
aard en het aantal van de gegevens die ten minste beschikbaar moeten
zijn.
5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 23b. Rapportage vorderingen van leerlingen
Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen
aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf
indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.
Artikel 23c. Informeren ouders bij zeer zwakke school
1. Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in
artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het
inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het
oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school,
informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school
hierover door middel van in ieder geval de toezending van de door de
inspectie opgestelde samenvatting van het inspectierapport welke
samenvatting gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is
gesteld van het bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste
volzin, geschiedt binnen vier weken na de vaststelling van het
inspectierapport.
2. Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig voldoet aan de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, zendt Onze Minister de
samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, in
de vijfde week na vaststelling van het inspectie rapport aan de ouders
van de leerlingen.
Artikel 24. Schoolplan
1. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met
betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school
wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het
personeelsbeleid en het beleid met betrekking tot de bewaking en
verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat
mede het beleid ten aanzien van de aanvaarding van materiële
bijdragen of geldelijke bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de
onderwijswetgeving gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag
daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de
schooltijden en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder
verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het
overblijven, zullen worden geconfronteerd. In het schoolplan wordt
aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het openbare
karakter onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een
samenwerkingsschool. Het schoolplan kan op een of meer scholen voor
voortgezet onderwijs en een of meer scholen voor ander onderwijs van
hetzelfde bevoegd gezag betrekking hebben.
2. Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van
de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd
gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs
in een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de
voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke
onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is.
3. Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot
uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met
betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de
uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld
in artikel 32d van de wet.
4. Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de
kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval:
a. de wijze waarop het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit
wordt gerealiseerd,
b. de wijze waarop het bevoegd gezag vaststelt welke
maatregelen ter verbetering van de kwaliteit nodig zijn, en
c. maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het
personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.
5. Onze Minister kan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs of
afdelingen daarvan aanwijzen, waarvan de schoolplannen met zijn
toestemming mogen afwijken van de in dit artikel gestelde eisen.
Artikel 24a. Schoolgids
1. De schoolgids bevat voor ouders, voogden, verzorgers en
leerlingen informatie over de werkwijze van de school en bevat in elk
geval informatie over:
a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het
onderwijsleerproces worden bereikt, waaronder, in ieder geval met
betrekking tot het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar
waarin de schoolgids wordt vastgesteld en onderscheiden naar soort
onderwijs, voor elk leerjaar
1°. het percentage leerlingen dat doorstroomt naar een
hoger leerjaar of een ander soort onderwijs,
2°. het percentage leerlingen dat de school zonder diploma
verlaat en het percentage leerlingen dat voor het eindexamen
slaagt,
b. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke
onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt vormgegeven
c. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, de
inrichting van het onderwijsprogramma voor de eerste twee
leerjaren waarbij wordt aangegeven of sprake is van
vakoverstijgende programmaonderdelen en de inzet van het personeel
daarbij alsmede de invulling van de maatschappelijke stage,
bedoeld in artikel 6f,
d. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 27, tweede lid,
waarbij wordt vermeld dat deze vrijwillig is,
e. de rechten en plichten van de ouders, de voogden, de
verzorgers, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de
informatie over de klachtenregeling, bedoeld in artikel 24b,
waarbij wat betreft de leerlingen kan worden volstaan met
vermelding van de rechten en plichten opgenomen in het
leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g,
f. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel
24, eerste lid, omschreven bijdragen,
g. het beleid met betrekking tot de veiligheid, en
h. het verzuimbeleid,
h. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare
karakter onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft
een samenwerkingsschool.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven met betrekking tot de wijze waarop
a. de resultaten worden beschreven die met het onderwijs worden
bereikt, en
b. de context wordt vermeld waarin de onder a bedoelde
resultaten dienen te worden geplaatst.
3. Het bevoegd gezag reikt de schoolgids uit aan de ouders,
voogden, verzorgers dan wel de meerderjarige en handelingsbekwame
leerling bij de inschrijving en jaarlijks na de vaststelling van de
schoolgids.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid,
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een der kamers
de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 24b. Klachtenregeling
1. Ouders, voogden, verzorgers dan wel leerlingen, en
personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen en beslissingen
van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder discriminatie, dan
wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen
door het bevoegd gezag of het personeel.
2. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de behandeling van
klachten. Deze regeling vermeldt in ieder geval:
a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten
behandelt,
b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden
verricht,
c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen en
d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het
oordeel, bedoeld in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke
afwijking van deze termijn wordt gehandeld.
3. Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op
grond van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter
vervanging van een andere voorziening die op grond van een wettelijke
regeling, niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat
of heeft opengestaan.
4. Deze regeling
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een
klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder
een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en
niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag, en
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt
deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht
rechtstreeks betrekking heeft.
5. De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:
a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en
b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
6. De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid
van de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van
aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is
geklaagd en het bevoegd gezag.
7. Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst
van het in het zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie
schriftelijk mede of hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht
deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen
en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde
termijn, doet het bevoegd gezag daarvan met redenen omkleed mededeling
aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn
waarbinnen het bevoegd gezag zijn standpunt bekend zal maken.
8. Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en
daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is
verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de
noodzaak tot mededeling voortvloeit.
9. Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op
een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de
klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 24c. Vaststelling schoolplan en schoolgids
1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar het
schoolplan vast.
2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve
van het eerstvolgende schooljaar.
3. Het bevoegd gezag zendt het schoolplan dan wel de wijzigingen
daarvan en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling aan de
inspecteur.
Artikel 24d. Scheiding toezicht en bestuur
1. Het bevoegd gezag draagt mede in verband met de verplichting,
bedoeld inartikel 23a, zorg voor een goed bestuurde school met een
scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, en
met een rechtmatig bestuur en beheer.
2. De benoeming in de functies van het toezicht op het bestuur,
bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van vooraf openbaar
gemaakte profielen. Bij de benoeming van de leden van de raad van
toezicht wordt de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in
artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen, in de gelegenheid
gesteld een bindende voordracht te doen voor een lid. Bij de benoeming
van de leden van de raad van toezicht wordt de ondersteuningsplanraad,
bedoeld in artikel 4a van de Wet medezeggenschap op scholen, in de
gelegenheid gesteld een bindende voordracht te doen voor een lid.
3. Het eerste lid en het tweede lid, eerste volzin, zijn van
overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
Artikel 24e. Intern toezicht
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de functies van
bestuur en intern toezicht op het bestuur in functionele of organieke
zin zijn gescheiden.
2. Een intern toezichthouder of een lid van het interne
toezichthoudend orgaan functioneert onafhankelijk van het bestuur.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
samenwerkingsverband.
Artikel 24e1. Inhoud intern toezicht
1. De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan
houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de
bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde.
De toezichthouder of het toezichthoudend orgaan is ten minste belast
met:
a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en,
indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de
school;
b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke
verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 103,
eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code;
c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en
rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school
verkregen op grond van deze wet;
d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag
uitbrengt aan de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan, en
e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering
van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder
a tot en met d, in het jaarverslag.
2. De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het
interne toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en
onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Indien sprake is van
meer dan een toezichthouder of van een toezichthoudend orgaan is de
eerste volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
combinatie van de toezichthouders of de samenstelling van het
toezichthoudend orgaan.
3. Indien het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van
toezicht, zijn het eerste lid en het tweede lid van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de raad van toezicht. Een raad van toezicht
is tevens belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden
van het bestuur, alsmede de toepassing van de artikelen 38a, 39, 39a,
40a, 43a, 51, 52 en de daarmee verband houdende wettelijke bepalingen
op leden van het bestuur die mede tot het personeel behoren.
Artikel 24f. Toezending programma's en beschrijvingen
contractactiviteiten aan inspectie
De programma's dan wel beschrijvingen van de contractactiviteiten
worden ter kennisneming toegezonden aan de inspectie.
Artikel 24g
1. Het bevoegd gezag van een school legt elke twee jaar in een
reglement, leerlingenstatuut genaamd, de rechten en plichten van de
leerlingen vast.
2. In het leerlingenstatuut worden in elk geval voorschriften
opgenomen, strekkende tot handhaving van de goede gang van zaken
binnen de instelling en, de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan
de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.
3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
leerlingenstatuut in het gebouw van de instelling ter inzage wordt
gelegd op een voor de leerlingen toegankelijke plaats.
Artikel 25. Bijzondere inrichting school
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een
school kan Onze minister toestaan dat van de artikelen 7 tot en met 11f,
12 tot en met 15, en van de voorschriften, bedoeld in artikel 22, wordt
afgeweken. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Artikel 25a. Samenwerking tussen VO-scholen onderling en met
BVE-instellingen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs
1. Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen in
het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn
ingeschreven:
a. ook onderwijs te ontvangen dat een school van een ander
bevoegd gezag of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs
verzorgt, of
b. deel te nemen aan een opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid
onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en die opleiding
met een examen af te sluiten.
2. Het eerste lid vindt uitsluitend toepassing met het doel:
a. leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te
stellen een diploma als bedoeld in deze wet te behalen,
b. leerlingen meer kansen te geven om vervolgonderwijs met
gunstig resultaat te volgen, of
c. onderwijsvoorzieningen doelmatiger te gebruiken.
3. Toepassing van het eerste lid berust op een
samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen het bevoegd gezag van de
school en het bevoegd gezag van de in het eerste lid bedoelde andere
school of instelling. De samenwerkingsovereenkomst omvat in elk geval:
a. het doel van de samenwerking,
b. de doelgroep,
c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt,
d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt
vormgegeven,
e. in geval van overdracht van een deel van de bekostiging met
toepassing van artikel 99, achtste lid, de omvang en de bestemming
van de over te dragen middelen, en
f. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen
partijen over de uitvoering van de overeenkomst.
4. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. wordt nader geregeld voor welke leerlingen en onder welke
voorwaarden het eerste lid toepassing kan vinden,
b. kan bij toepassing van het eerste lid voor doelen als
bedoeld in het tweede lid, onder a en b, worden geregeld van welke
bij of krachtens de artikelen 10, 10b, 10d,13 tot en met 15, 22,
29, 33 tot en met 36 en 60 vastgestelde voorschriften kan worden
afgeweken, alsmede welke voorschriften in plaats daarvan zullen
gelden, en
c. kan worden bepaald dat een in het eerste lid bedoelde
leerling voor de toepassing van daarbij aan te wijzen wettelijke
voorschriften wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als
deelnemer in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
5. Indien het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, leerlingen
in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn
ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een andere
school voor voortgezet onderwijs van datzelfde bevoegd gezag verzorgt,
zijn het eerste, tweede en vierde lid van overeenkomstige toepassing
en regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen
van het derde lid, onder a tot en met e.
Artikel 26. Handelingsplan
1. Het bevoegd gezag van een school waar een visueel gehandicapte
leerling is ingeschreven of een leerling voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, stelt in overeenstemming met de ouders voor elk
schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de
eerste volzin bedoelde leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt
het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die
inschrijving opgesteld.
2. In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste
schooljaar van de periode gedurende welke voor de leerling een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt aangegeven dat de
voortzetting van de voorzieningen die voor de leerling zijn getroffen
op basis van het leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een
nieuwe beoordeling door een zodanige commissie voor de
indicatiestelling.
3. Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders geëvalueerd.
Artikel 27. Toelating, verwijdering, voorwaardelijke bevordering;
verblijfsduur praktijkonderwijs
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor elke
soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorwaarden voor
de toelating en voorschriften omtrent verwijdering en voorwaardelijke
bevordering worden vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur
bedoeld in de eerste volzin houdt in elk geval voorschriften in met
betrekking tot de voorwaarden voor de toelating tot de scholen,
bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a. Definitieve verwijdering van
een leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt
niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat
een andere school, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1,
onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten.
1a. Voor het volgen van een vorm van onderwijs als onderscheiden in
artikel 5 aan een school wordt uitsluitend als leerling toegelaten
degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel,
indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont
dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een
wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste
schooldag waarop de vorm van voortgezet onderwijs als
onderscheiden in artikel 5 begint waarvoor voor de eerste maal
toelating wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste schooldag
waarop de vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in
artikel 5 begint waarvoor voor de eerste maal toelating wordt
gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van
artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of
d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de
voorwaarden, genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming
met een van die onderdelen voor een vorm van voortgezet onderwijs
als onderscheiden in artikel 5 is toegelaten tot een school, welke
vorm van voortgezet onderwijs nog steeds wordt gevolgd en nog niet
is voltooid.
1b. Indien na de toelating tot de school blijkt dat deze op welke
grond dan ook niet in overeenstemming met lid 1a heeft plaatsgevonden,
wordt de leerling onmiddellijk verwijderd.
2. De toelating wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan
een bij of krachtens de wet geregelde bijdrage.
3. Een leerling mag geen praktijkonderwijs meer volgen aan een
school voor praktijkonderwijs na afloop van het schooljaar waarin hij
de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Op een daartoe strekkend
verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het in de eerste volzin
bedoelde schooljaar, kan de inspectie toestaan dat de leerling het
daaropvolgende schooljaar praktijkonderwijs kan blijven volgen, indien
zij van mening is dat zonder het volgen van dit schooljaar de leerling
niet voldoende is voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 10f,
derde lid, eerste volzin. De inspectie kan de tweede volzin op
overeenkomstige wijze toepassen in het schooljaar waarin de leerling
de leeftijd van 19 jaren heeft bereikt.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de
artikelen 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere
termijnen dan in de artikelen vermeld, worden bepaald voor het op een
bezwaar- of beroepschrift te nemen besluit van het bevoegd gezag van
een openbare school ter zake van de toelating en verwijdering van
leerlingen.
Artikel 27a. Controle op langdurige afwezigheid
1. Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de school ingeschreven
leerling die valt onder de werking van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, vast, of deze
leerling gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken
zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In
afwijking van de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor
soorten van voortgezet onderwijs de in die volzin bedoelde
vaststelling wordt gedaan indien een ingeschreven studerende in een of
meer vakken of andere programma-onderdelen niet aan het onderwijs
heeft deelgenomen. Onder afwezigheid met geldige reden wordt verstaan
afwezigheid wegens ziekte van de leerling, welke ziekte uitsluitend
kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van
een arts, en afwezigheid wegens bijzondere familie-omstandigheden.
2. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop
van een periode van afwezigheid van vier weken aan de leerling dat
daarvan in de administratie van de school aantekening is gemaakt en
verzoekt de leerling om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het
bevoegd gezag doet daarbij mededeling van de opgave van de gegevens
van de deelnemer, bedoeld in artikel 28a, eerste lid.
3. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt
het bevoegd gezag vast:
a. of de reden die de leerling binnen 8 weken na de aanvang van
de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is,
of
b. dat de leerling binnen 8 weken na de aanvang van de periode
van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
4. Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na
afloop van de periode van 8 weken vast of de leerling voor het einde
van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
5. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop
van een periode van 8 weken aan Onze Minister de leerling die
gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder
opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.
Tevens meldt het indien die leerling voor het einde van de periode van
8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan.
6. De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd
met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij
wordt geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken.
7. Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen,
bedoeld in het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de
betrokken leerling aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze
betrokkene. Het bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid
als bedoeld in het eerste lid, gevolgen heeft voor de tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten van betrokkene op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de
mededeling, bedoeld in het vijfde lid, open staat.
Artikel 27b. Te verstrekken gegevens bij toelating
1. Onverminderd bij algemene maatregel van bestuur gegeven
voorschriften met betrekking tot de in- en uitschrijving van
leerlingen, vindt toelating van een leerling als bedoeld in artikel 27
slechts plaats nadat door de ouders, voogden of verzorgers of, indien
de leerling meerderjarig is, door de leerling de gegevens betreffende
de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en
het persoonsgebonden nummer van de leerling zijn overgelegd. Indien
door de ouders, voogden of verzorgers of, indien de leerling
meerderjarig is, door de leerling aannemelijk wordt gemaakt dat geen
persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, vindt
de toelating plaats met inachtneming van het derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door
middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door
een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs
verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens
zijn opgenomen.
3. Indien door de ouders, voogden of verzorgers of, indien de
leerling meerderjarig is, door de leerling aannemelijk wordt gemaakt
dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden
overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit
tot toelating aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de
leerling, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats
en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
4. Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het
burgerservicenummer van de leerling, dan wel, indien is gebleken dat
hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het
onderwijsnummer van de leerling. Het onderwijsnummer is een door Onze
Minister uitgegeven en aan de leerling toegekend persoonsgebonden
nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde
gegevens op in de leerlingenadministratie van de school.
6. Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het
bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn
burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit burgerservicenummer
terstond als persoonsgebonden nummer op in de leerlingenadministratie
van de school in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag
meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave
van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de leerling.
Artikel 27c. Tijdelijke geschillencommissie toelating en verwijdering
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Er is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een
landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, school als
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en school als bedoeld in de
Wet op de expertisecentra is aangesloten.
2. De commissie neemt kennis van geschillen tussen ouders en
bevoegd gezag van een school die ontstaan bij de toepassing van:
a. artikel 26, eerste lid en vierde lid, en
b. artikel 27, eerste lid, derde volzin en de leden 2b, 2c en
2d.
3. De commissie brengt op verzoek van de ouders binnen 10 weken een
oordeel uit aan het bevoegd gezag, rekening houdend met het
schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan.
4. Indien een geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie en de
ouders bezwaar hebben gemaakt tegen de beslissing over de toelating of
de verwijdering, neemt het bevoegd gezag de beslissing op bezwaar niet
dan nadat de commissie heeft geoordeeld. De termijn voor het nemen van
de beslissing op bezwaar wordt opgeschort met ingang van de dag waarop
het geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie tot de dag waarop de
commissie het oordeel heeft uitgebracht.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
met betrekking tot de commissie, waaronder in elk geval het aantal
leden, de wijze van benoeming en ontslag en de deskundigheid van de
leden van de commissie.
Artikel 28. Melding verwijdering niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats
heeft van de gegevens van degene
a. op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is en
die de leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt,
b. die niet in het bezit is van een diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs
als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 dan wel een
diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste
lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, en
c. die van de school wordt verwijderd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 28a. Melding verzuim niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan Onze Minister van
de gegevens van degene die voldoet aan artikel 28, eerste lid,
onderdelen a en b, en die het onderwijs aan de school gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het
bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet
meer volgt.
2. Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door het bevoegd
gezag verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief verzuim.
3. Onze Minister bericht burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na
ontvangst van de opgave, bedoeld in het eerste lid, dat een zodanige
opgave heeft plaatsgevonden.
4. Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief
verzuim aan het betrokken bevoegd gezag en aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats
heeft de ter zake van die betrokkene geregistreerde gegevens.
5. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene
woon- of verblijfplaats heeft melden aan Onze Minister telkens de
status van de behandeling van de ter zake van de betrokkene gedane
opgave, bedoeld in het eerste lid.
6. Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door
burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in het
meldingsregister relatief verzuim.
7. Het betrokken bevoegd gezag en burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft,
zijn bevoegd het meldingsregister relatief verzuim te raadplegen voor
zover het betreft de ter zake van die leerling geregistreerde
gegevens.
8. Het bevoegd gezag kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
verstrekken aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon-of verblijfplaats heeft.
9. Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt
het persoonsgebonden nummer van de betrokkene gebruikt.
10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van
het eerste en vijfde lid en wordt een nadere specificatie gegeven van
de gegevens die op grond van het eerste en vijfde lid worden
verstrekt.
11. De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid
kunnen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van gegevens
over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van
een vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn
met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het
verzuim.
12. Op verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente waar
de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, komen hun rechten en
verplichtingen als bedoeld in dit artikel toe aan burgemeester en
wethouders van de contactgemeente, bedoeld in artikel 118h, derde lid.
§ 2. Toetsen en eindexamens
Artikel 28b. Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan de
leerlingen van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
hoger algemeen voortgezet onderwijs, middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs gelegenheid wordt gegeven
diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen af te leggen. Indien
toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent deze toetsen
vastgesteld. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op het
moment of de momenten waarop de toetsen kunnen worden afgelegd.
Artikel 29. Eindexamens en diploma
1. Aan de leerlingen van de scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs,
voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend
beroepsonderwijs wordt gelegenheid gegeven aan deze scholen een
eindexamen af te leggen, tenzij in de plaats daarvan de gelegenheid
bestaat tot het afleggen van een eindexamen, dat niet vanwege de
school wordt afgenomen en het bevoegd gezag in verband hiermede een
eindexamen aan de school niet nodig oordeelt. Het eindexamen kan voor
elk vak, intrasectoraal of intersectoraal programma of ander
programma- onderdeel bestaan uit een schoolexamen, uit een centraal
examen dan wel beide.
1a. Indien ten aanzien van een schoolsoort of leerweg het
gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het
schoolexamen over een periode van drie jaren meer dan een half punt
bedraagt, kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid besluiten
dat het bevoegd gezag voor een periode van twee jaren leerlingen niet
in de gelegenheid stelt een eindexamen af te leggen in de
desbetreffende schoolsoort of leerweg.
1b. Onze Minister besluit of toepassing wordt gegeven aan lid 1a
nadat het bevoegd gezag van de school gedurende een periode van
tenminste drie jaar de gelegenheid heeft gehad, het gemiddelde
verschil, bedoeld in lid 1a, ongedaan te maken voor zover dat verschil
meer dan een half punt bedraagt.
2. Het eindexamen wordt afgenomen door de rector, de directeur, de
conrector, de adjunct-directeur of een of meer leden van de centrale
directie en leraren van de school. Het eindexamen staat onder toezicht
van een of meer gecommitteerden behoudens voor bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen examens en
examenonderdelen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald door
wie en op welke wijze de gecommitteerden worden aangewezen. Het
eindexamen kan mede worden afgenomen door deskundigen. Het bevoegd
gezag wijst de deskundigen aan.
3. Zij die het eindexamen met goed gevolg hebben afgelegd,
ontvangen een diploma. Leerlingen van een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte
leerweg, die met goed gevolg een gedeelte van het examenprogramma
hebben afgelegd, ontvangen een getuigschrift voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs en leerlingen die een leer-werktraject met goed
gevolg afsluiten, ontvangen een diploma basisberoepsgerichte leerweg/leer-werktraject.
Onze minister stelt de modellen van diploma's en getuigschriften vast.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften vastgesteld omtrent de in dit artikel bedoelde
eindexamens, alsmede omtrent programma-onderdelen, die niet voor alle
leerlingen van een school dezelfde vakken en andere
programma-onderdelen behoeven te omvatten. Bij deze algemene maatregel
van bestuur worden tevens de eindexamenprogramma's vastgesteld. De
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzinnen, wordt
aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt
te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de
wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend.
5. Voor examens, die niet vanwege de school worden afgenomen,
kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden
gegeven.
6. Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan
een school kan Onze minister toestaan dat wordt afgeweken van het
bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze minister besluit binnen
zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet
binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de
aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 29a. Getuigschrift en schooldiploma praktijkonderwijs
Leerlingen die een school voor praktijkonderwijs verlaten, ontvangen
een getuigschrift praktijkonderwijs, met dien verstande dat het bevoegd
gezag aan leerlingen die de opleiding hebben afgerond en daarvoor naar
het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komen, een schooldiploma
praktijkonderwijs kan uitreiken. Onze minister stelt het model van het
getuigschrift vast.
Artikel 30. Extraneï-examens
1. Een diploma als bedoeld in artikel 29, derde lid, kan ook worden
uitgereikt aan degenen die niet als leerlingen van een school zijn
ingeschreven, maar tot het eindexamen van die school zijn toegelaten
en dit met gunstig gevolg hebben afgelegd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde toelating tot het
eindexamen. Daarbij wordt vastgesteld in welke gevallen een bedrag aan
het bevoegd gezag verschuldigd is, alsmede de hoogte daarvan.
Artikel 30a. Afwijking termijn Algemene wet bestuursrecht
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de
artikelen 6:7, 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere
termijnen dan in die artikelen vermeld, worden bepaald voor de indiening
van een bezwaar- of beroepschrift en voor de daarop te nemen beslissing
ter zake van de deelneming aan eindexamens.
Artikel 31. Verklaring
1. De leerling die de school verlaat en aan wie geen diploma kan
worden uitgereikt, ontvangt een verklaring waarin in ieder geval
worden vermeld het tijdstip waarop hij de school verlaat en het
leerjaar waartoe hij laatstelijk onvoorwaardelijk was bevorderd
alsmede voor welke vormen van vervolgonderwijs en voor welke leerjaren
daarvan hij geschikt wordt geacht. De verklaring wordt door het
bevoegd gezag of namens het bevoegd gezag door de rector, de
directeur, dan wel een of meer leden van de centrale directie,
ondertekend.
2. [Vervallen.]
3. [Vervallen.]
4. Onze minister stelt het model van de verklaring vast.
Artikel 31a [Vervallen per 01-08-1998]
§ 3. Personeel
Artikel 32. Personeelscategorieën; formatiebeleid; taken en functies
personeel
1. Aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs en
praktijkonderwijs zijn een of meer leraren verbonden.
2. Aan het hoofd van een school voor voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs staat een rector, aan het hoofd van een school voor algemeen
voortgezet onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs en
praktijkonderwijs een directeur.
3. De conrectoren en de adjunct-directeuren hebben tot taak de
rector onderscheidenlijk de directeur bij te staan en bij afwezigheid
te vervangen.
4. Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te
ondersteunen.
5. Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak
van schooldecaan.
6. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de leden van
de centrale directie, bedoeld in artikel 32a, eerste lid.
7. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking
tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de
school. Het bevoegd gezag bepaalt, zoveel mogelijk tegelijk met de
vaststelling van het in de eerste volzin bedoelde beleid met
betrekking tot de formatie, functies en taken van het personeel van de
school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van
bestuur te geven nadere voorschriften.
8. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «vakken»
tevens verstaan, programma-onderdelen als bedoeld in de artikelen 13
en 14.
Artikel 32a. Mogelijkheid centrale directie grote of complexe school
1. Aan het hoofd van een school die aan bij algemene maatregel van
bestuur te vermelden voorwaarden voldoet, kan het bevoegd gezag een
centrale directie plaatsen bestaande uit ten hoogste vijf leden,
waarvan er een door hem wordt benoemd tot voorzitter dan wel zonder
benoeming tewerkgesteld als voorzitter. De formatie van de centrale
directie omvat ten hoogste drie volledige formatieplaatsen.
2. De centrale directie heeft in naam van het bevoegd gezag de
leiding van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de
school, alsmede de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en
van het beheer van de school. Indien toepassing is gegeven aan artikel
32b, is de centrale directie tevens met de daar bedoelde taken en
bevoegdheden belast.
Artikel 32b. Uitoefening taken en bevoegdheden bevoegd gezag door
centrale directie grote of complexe school
Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 32a, eerste
lid, kan bepalen dat hem bij wettelijk voorschrift toekomende taken en
bevoegdheden in naam van het bevoegd gezag worden uitgeoefend door de
centrale directie.
Artikel 32b1. Overdracht taken en bevoegdheden
1. Het bestuur kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken
en bevoegdheden overdragen aan de centrale directie, de rector of de
directeur van de school.
2. De centrale directie, de rector of de directeur van de school
kunnen hen bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het bevoegd
gezag overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan elkaar of aan
de adjunct-directeur.
Artikel 32c. Vaststelling managementstatuut
1. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de rector, de directeur,
de conrector en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven
aan artikel 32a met de centrale directie, een managementstatuut vast.
In het managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen
betreffende de bevoegdheden van de rector, de directeur, de conrector
en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel
32a van de bevoegdheden van de centrale directie, met betrekking tot
de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.
2. Het managementstatuut bevat tevens de aanduiding van de andere
aan het bevoegd gezag bij wettelijk voorschrift toegekende taken en
bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de rector, de
directeur, de conrector, de adjunct-directeur of de centrale directie
van de school deze in naam van het bevoegd gezag kan uitoefenen. Het
managementstatuut bevat voorts instructies ten aanzien van deze taken
en bevoegdheden.
3. In het managementstatuut worden tevens vastgelegd:
a. de taken en bevoegdheden die het bestuur overdraagt aan de
centrale directie, de rector en de directeur van de school, indien
toepassing is gegeven aan artikel 32b1, eerste lid;
b. de taken en bevoegdheden die de centrale directie, de rector
en de directeur van de school hebben overgedragen aan elkaar of
aan de adjunct-directeur, indien toepassing is gegeven aan artikel
32b1, tweede lid; en
c. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken
en bevoegdheden.
4. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
managementstatuut in het gebouw van de school ter inzage beschikbaar
is op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt
een exemplaar van het managementstatuut, alsmede elke wijziging
daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan
de inspectie.
Artikel 32d. Document inzake evenredige vertegenwoordiging van
vrouwen in de schoolleiding
1. Het bevoegd gezag stelt ten behoeve van de directie van elk van
zijn scholen, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van
vrouwen in de directie sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document
inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding
vast.
2. Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald
tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand
waarvan door het bevoegd gezag een beleid inzake evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding wordt gevoerd,
opdat in de directie van elke school van het bevoegd gezag vrouwen en
mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige
vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen
voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het
door de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover
jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document
vermeldt tevens de maatregelen die het bevoegd gezag heeft genomen en
zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te
realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte
resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van
vrouwen in de schoolleiding gedurende de periode waarvoor het document
geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.
3. Indien door het bevoegd gezag aan het hoofd van de school een
centrale directie wordt geplaatst en vrouwen daarin zijn
ondervertegenwoordigd, stelt het bevoegd gezag overeenkomstig het
bepaalde in het eerste en tweede lid tevens een document inzake
evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding ten
behoeve van de centrale directie vast.
4. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het
document, bedoeld in het eerste en derde lid, in het gebouw van de
school ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel, de ouders en
de leerlingen toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt
bewaard bij de administratie van de school.
Artikel 33. Vereisten benoeming of tewerkstelling leraren
1. Leraren worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel
tewerkgesteld zonder benoeming. Om tot leraar te kunnen worden benoemd
of tewerkgesteld zonder benoeming dient de betrokkene:
a. in het bezit te zijn van een verklaring omtrent het gedrag,
afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet
ouder is dan 6 maanden,
b. in het bezit te zijn van:
1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt
dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld
krachtens artikel 36, eerste lid, of
2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in
artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het
onderwijs dat betrokkene zal geven, of
3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel
118k, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van
onderwijs te zijn uitgesloten.
1a. Indien het bevoegd gezag een leraar benoemt of tewerkstelt
zonder benoeming voor uitsluitend het geven van middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs of het geven van onderwijs in de eerste drie
leerjaren van het hoger algemeen voortgezet onderwijs of van het
voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, is het eerste lid, onderdeel
b, onder 3°, niet van toepassing en volstaat in afwijking van het
eerste lid, onderdeel b, onder 1°, het bezit van het getuigschrift
van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, waaruit blijkt dat:
1°. de betrokkene in het kader van die opleiding met goed
gevolg ten minste 30 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4,
eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, heeft besteed aan voorbereiding op het geven van
onderwijs in een met zijn opleiding inhoudelijk overeenkomend vak
in die leerjaren, en
2°. is voldaan aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel
36, eerste lid, voor zover die van toepassing zijn op dat
onderwijs.
1b. Indien het bevoegd gezag een leraar benoemt of tewerkstelt
zonder benoeming voor het geven van praktijkonderwijs als bedoeld in
artikel 10f in één of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen vakken, volstaat in afwijking van het eerste lid, onderdeel b,
onder 1°, het bezit van een getuigschrift krachtens de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat ten
aanzien van schoolonderwijs als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van
de Wet op het primair onderwijs is voldaan aan de bekwaamheidseisen
die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a van die wet.
1c. Bij ministeriële regeling wordt:
a. bepaald op grond van het getuigschrift van welke
bacheloropleidingen als bedoeld in lid 1a onderwijs verzorgd kan
worden in daarbij aan te wijzen vakken;
b. ten aanzien van algemeen gebruikelijke vakken of
programmaonderdelen, waarvoor op grond van een getuigschrift als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, niet
rechtstreeks kan of kon worden vastgesteld dat wordt voldaan aan
de voor die vakken of programmaonderdelen geldende
bekwaamheidseisen, een overzicht gegeven van getuigschriften
waarmee wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die gelden voor het
geven van voortgezet onderwijs in die vakken of
programmaonderdelen. In het overzicht kunnen eisen worden
opgenomen omtrent bij- of nascholing.
2. In bijzondere gevallen kan Onze minister aan personen, die in
een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid
uitmunten, ten aanzien van dit vak of dit onderdeel ontheffing
verlenen van de in het eerste lid onder b gestelde eisen.
3. Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan ten aanzien van
degene die hem vervangt voor ten hoogste twaalf maanden worden
afgeweken van de eisen, gesteld in het eerste lid, onderdeel b, met
dien verstande dat de periode van twaalf maanden is verstreken vanaf
de dag dat perioden van vervanging als bedoeld in dit lid elkaar met
tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een
periode van twaalf maanden, deze tussenpozen inbegrepen, is
overschreden. Indien in een vacature niet terstond kan worden voorzien
door de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van een leraar
die aan de genoemde eisen voldoet, is het bepaalde in de vorige volzin
van overeenkomstige toepassing. Deze termijn van een jaar kan met ten
hoogste twee jaren worden verlengd indien het bevoegd gezag en de
betrokkene schriftelijk verklaren dat betrokkene verplicht is zich in
te spannen binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de eisen gesteld in
het eerste lid, onderdeel b. Het bevoegd gezag kan onder de
voorwaarden, genoemd in de vorige volzin, een verlenging van nog eens
twee jaren geven indien het dat noodzakelijk oordeelt vanwege de
kwaliteit en de voortgang van het onderwijs op de school.
4. Degene die benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming is voor
enig vak, mag, onverminderd het vijfde lid, door het bevoegd gezag
gedurende ten hoogste twee jaren worden belast met werkzaamheden als
leraar waarvoor hij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid,
bedoelde bekwaamheidseisen. Aan de eerste volzin wordt uitsluitend
toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in ieder
geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is zich
in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de
bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het bevoegd gezag kan de in
de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren
indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de
kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. De tweede
volzin is in dat geval van overeenkomstige toepassing. De inspectie
kan op aanvraag van het bevoegd gezag toestaan dat in de eerste twee
leerjaren wordt afgeweken van de eis, bedoeld in de tweede volzin.
5. Indien in het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 11c, sprake
is van vakoverstijgende programmaonderdelen, kan in de eerste twee
leerjaren worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de
kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vakoverstijgende
programmaonderdelen voorzover wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a. leraren die deel uitmaken van een team voldoen ieder aan
bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, waarbij
de leraren in het team als geheel beschikken over de
bekwaamheidseisen voor de vakken die zijn betrokken bij het
vakoverstijgende programmaonderdeel,
b. leraren die deel uitmaken van een team zijn ieder
verantwoordelijk voor de kwaliteit van het deel van het onderwijs
van het desbetreffende vakoverstijgende programmaonderdeel
waarvoor zij voldoen aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel
36, eerste lid, en
c. het onderwijs in het desbetreffende vakoverstijgende
programmaonderdeel kan worden verzorgd door:
1°. leden van het team, en
2°. andere leraren die daartoe naar het oordeel van het
bevoegd gezag geschikt zijn. Daarbij stelt het bevoegd gezag,
de opvattingen van de leden van het team in aanmerking nemend,
vast of de inhoudelijke of didactische kennis en vaardigheden
van deze leraren voldoende zijn. Indien dat niet het geval is,
wordt eveneens vastgesteld hoe hierin alsnog wordt voorzien.
Het bevoegd gezag legt dit vast in de geordende gegevens,
bedoeld in artikel 37a.
5a. Bij toepassing van het vijfde lid is het derde lid van
overeenkomstige toepassing.
6. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de
toepassing van het derde lid, de eerste volzin van het vierde lid, het
vijfde lid en lid 5a.
7. Het eerste lid is niet van toepassing op een leraar, in zoverre
deze belast is met het verrichten van werkzaamheden in verband met
contractactiviteiten.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van
leraren die in vaste dienst zijn verbonden aan een school, bedoeld in
de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f, regelen gesteld omtrent de gronden
waarop en de procedure volgens welke kan worden afgeweken van het
eerste lid, onderdeel b.
9. Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, lid 5a en het
achtste lid en artikel 35a kan ten aanzien van studenten die:
a. aan een hogeschool een duale opleiding volgen als bedoeld in
artikel 7.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, en aan die opleiding ten minste 180 studiepunten hebben
behaald, dan wel
b. een duale opleiding als bedoeld in dat artikel aan een
universiteit volgen
tot leraar voortgezet onderwijs ten behoeve van het geven van het
onderwijs waarvoor de desbetreffende opleiding opleidt tot het
daarvoor vereiste getuigschrift, worden afgeweken van de eisen in het
eerste lid onder b, met dien verstande dat het tijdelijk dienstverband
van de student een periode beslaat die overeenkomt met een volledig
dienstverband van vijf maanden. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van studenten die ten minste
166 doch nog geen 180 studiepunten hebben behaald, indien door de
desbetreffende hogeschool wordt verklaard dat de student beschikt over
met 180 studiepunten vergelijkbare en tevens voor het dienstverband
relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing van de vorige
volzin vervalt ten aanzien van die student die niet binnen vier weken
na aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt. De in
artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst vermeldt tevens de
leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken student
werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.
10. [Vervallen.]
11. [Vervallen.]
12. Het negende lid is, behoudens de eis van verblijf in het
laatste jaar van de opleiding, van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van studenten van een universitaire lerarenopleiding, met dien
verstande dat afwijking bij de voltijdse vorm van die opleiding
mogelijk is voor ten hoogste de periode van een schooljaar waarin
onderwijs wordt gegeven, en bij de deeltijdse vorm van die opleiding
voor ten hoogste twee jaren.
13. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig afwijkende,
regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste
lid ten aanzien van het verzorgen van door het bevoegd gezag
vastgestelde vakken en andere programma-onderdelen, behoudens
godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
14. In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel
118k vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor
een periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het
bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat
gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren
indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd
gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor
de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of
tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van
benoeming of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring.
15. Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid, onder b, ten
aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden,
samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de
samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd
gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een
daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen leraar voor een beperkte
betrekkingsomvang te worden belast met een uitsluitend lesgevende taak
voor vakken waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het
bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het
totaal van de in de eerste volzin bedoelde lesgevende taken ten
hoogste een aantal van op jaarbasis gemiddeld 4 klokuren per week.
16. Onze Minister kan met betrekking tot een vak of ander
programmaonderdeel waarvoor niet met een getuigschrift afgegeven
krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
kan worden aangetoond dat betrokkene voldoet aan de bekwaamheidseisen,
bedoeld in artikel 36, eerste lid, en waarvoor de bekwaamheid evenmin
blijkt uit de regeling bedoeld in lid 1c, onderdeel b, verklaren dat
een leraar wordt geacht bij benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming te voldoen aan de bekwaamheidseisen tot het geven van
voortgezet onderwijs in dat vak of dat andere programmaonderdeel.
Artikel 33a. Bekwaamheid o.g.v. buitenlands getuigschrift
Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten
de Europese Unie behaald bewijsstuk als bedoeld in artikel 33, eerste
lid, onderdeel b, de bevoegdheid verlenen tot het geven van voortgezet
onderwijs. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.
Artikel 33b. Verzorgen onderwijs met geschiktheidsverklaring op grond
van Wet educatie en beroepsonderwijs
In afwijking vanartikel 33, eerste lid, onderdeel b, kan met het
verzorgen van onderwijs in de assistentopleiding, bedoeld in artikel
10b8, ook worden belast degene die in het bezit is van een
geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, eerste lid, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs voor tot die assistentopleiding
behorend onderwijs, met dien verstande dat betrokkene tevens in het
bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 34. Benoembaarheid leidinggevend personeel
1. Tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur kan
slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag,
afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
en
b. met inachtneming van artikel 33, eerste lid, onderdeel b,
kan worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming tot leraar in
een van de vakken die aan de school worden onderwezen, en
c. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op
grond vanartikel 36, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, in het bezit is van een getuigschrift, afgegeven
krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, dat is voldaan aan die eisen, of
d. in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te
verrichten al dan niet in artikel 36, tweede lid, bedoelde
werkzaamheden verleende erkenning van beroepskwalificaties als
bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, of
e. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels
zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
f. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van de onder c bedoelde werkzaamheden.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de leden
van de centrale directie van een school als bedoeld in artikel 32a,
eerste lid.
3. Het bevoegd gezag van een school aan het hoofd waarvan geen
centrale directie is geplaatst, kan voor ten hoogste de helft van het
aantal, bestaande uit de rector of de directeur en de aan de school
verbonden conrectoren of adjunct-directeuren, afwijken van het
bepaalde in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 35. Benoembaarheid onderwijsondersteunende functionarissen
1. De onderwijsondersteunend functionaris kan worden belast met in
artikel 36, derde lid, bedoelde werkzaamheden in het voortgezet
onderwijs indien deze:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag,
afgegeven ingevolge de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd
gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
b. in het bezit is van een getuigschrift afgegeven krachtens de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de Wet
educatie en beroepsonderwijs, dat is voldaan aan de in artikel 36,
derde lid, bedoelde bekwaamheidseisen of
c. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties
als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hem te
verrichten werkzaamheden, of
d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels
zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van die werkzaamheden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een
onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met
werkzaamheden in verband met contractactiviteiten.
3. De onderwijsondersteunende functionaris die niet voldoet aan de
eisen van het eerste lid, onder b, c of d, mag voor zover het
werkzaamheden betreft waarvoor op grond van artikel 36, derde lid,
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden
worden belast, voor een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de
eerste volzin wordt uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd
gezag en betrokkene in ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat
betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog
te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden. Het
bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de eerste volzin.
4. Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in
artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende
leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs die in het kader van die opleiding
onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van
artikel 36, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de
duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid onder b
tot en met d.
Artikel 35a. Afwijking benoemingvereisten leraren
Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur,
kunnen in bijzondere gevallen, in afwijking van de eisen van
benoembaarheid, gesteld in artikel 33, eerste lid onder b, leraren die
voldoen aan de in artikel 36, eerste juncto vijfde lid, bedoelde
bekwaamheidseisen, niet zijnde bekwaamheidseisen voor de periode van
voorbereidend hoger onderwijs, tot een bepaald aantal lessen tijdelijk
tevens onderwijs geven in het desbetreffende vak of de desbetreffende
combinatie van vakken aan de scholen of leerjaren van scholen waarvoor
moet worden voldaan aan laatstgenoemde bekwaamheidseisen. In de
gevallen, bedoeld in de eerste volzin, is melding aan de inspectie
vereist.
Artikel 36. Bekwaamheidseisen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor leraren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor werkzaamheden van
leidinggevende aard die nauw verband houden met het
pedagogisch-didactische klimaat op de school of onderwijskundige
leiding omvatten, bekwaamheidseisen worden vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen
onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden
met het onderwijsleerproces.
4. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op
het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel
handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten
in elk geval eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
5. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen kunnen worden
onderscheiden naar schoolsoort en naar samenhangende leerjaren, met
dien verstande dat zij in elk geval specifiek worden vastgesteld voor
de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 12,
eerste lid.
6. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste, tweede
en derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal
overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken
na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide
Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
7. Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het
oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor
onderwijspersoneel als bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een
voorstel te doen voor de in het eerste en derde lid voorgeschreven
bekwaamheidseisen en kan een representatief geachte beroepsorganisatie
in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor
bekwaamheidseisen die op grond van het tweede lid kunnen worden
vastgesteld. Onze Minister stelt deze organisatie vervolgens in elk
geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem een voorstel te
doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de
bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als bedoeld
in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre dat voorstel
mede steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde
gezagsorganen, van ouders en van leerlingen.
Artikel 37. Inclusieve bevoegdheid
Degene die voor een bepaald vak voldoet aan de in artikel 36, eerste
juncto vijfde lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor de periode van
voorbereidend hoger onderwijs, is daarmee tevens bekwaam voor dat vak
voor zover dat wordt verzorgd in het voortgezet onderwijs niet zijnde de
periode van voorbereidend hoger onderwijs.
Artikel 37a. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een
functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid
en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge
vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de
inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 37b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37c.1 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 37d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 37f. Nadere regeling scholengemeenschap
Ten behoeve van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 19,
worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met
betrekking tot de toepassing van de artikelen 32 tot en met 37.
Artikel 38. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in
het beroep
1. Degene die beschikt over een in artikel 118k bedoelde
geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat benoemt of tewerkstelt
zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden
uitvoert als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, onder a, sluiten een
overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met
betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en
begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel
118l, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst
blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan
worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende
vervangende voorziening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid,
waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit
van het daarin bepaalde.
3. Tevens worden bij algemene maatregel van bestuur bijzondere
zonodig van deze wet afwijkende voorschriften gegeven voor gevallen
waarin men voor dezelfde werkzaamheden wenst te worden benoemd of
tewerkgesteld zonder benoeming aan scholen die niet uitgaan van
hetzelfde bevoegd gezag.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede en
derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de
overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide
Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 38a. Rechtspositieregeling personeel
1. Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vastgestelde voorschriften als bedoeld in het tweede en derde
lid regelt het bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie
van het personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere
school zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.
2. Bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende:
a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het
bevoegd gezag in te richten functiewaarderingssysteem moet
voldoen, en
b. rechten en plichten van het personeel en het bevoegd gezag
bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en
ontslag, dan wel met betrekking tot bedrijfsgezondheidskundige
begeleiding, voor zover deze bij wet voorgeschreven rechten en
verplichtingen te boven gaan, dan wel de voorwaarden waaronder het
bevoegd gezag deze rechten en plichten zelf regelt of voor de
regeling daarvan zorg draagt.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.
4. Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste
lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen inzake
aanstelling, benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en
ontslag van personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het
personeel van de openbare scholen niet minder rechten verschaffen dan
die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit
de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 39
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de rector, de
directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren, de leden van de
centrale directie, de leraren en het overige personeel.
Artikel 39a. Benoeming in algemene dienst
1. Het bevoegd gezag benoemt de rector, de directeur, de conrector
en de adjunct-directeur, de centrale directie, de leraren en het
overige personeel, bedoeld in artikel 39, in algemene dienst van het
bevoegd gezag.
2. Onder benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt
in dit artikel en in de artikelen 43a en 51 verstaan een benoeming ten
behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd
gezag in stand gehouden scholen.
Artikel 39b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 39c
1. Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding
zijn voor een functie in het voortgezet onderwijs, in de educatie of
het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs,
in het hoger beroepsonderwijs of in het basisonderwijs, gelegenheid te
bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de
school te verkrijgen.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, betreft studenten
die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar
waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
betrekking heeftof anderszins studeren om aan de bekwaamheidseisen te
voldoen.
3. Het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in
schooltijd verzorgd onderwijsprogramma waarvoor het bevoegd gezag in
enig schooljaar verplicht is, studenten als bedoeld in het eerste lid
tot de school toe te laten, bedraagt gezamenlijk 5 procent van het in
uren uitgedrukte totale aantal in dat schooljaar te geven lessen en te
verzorgen onderdelen van het in schooltijd verzorgd
onderwijsprogramma. Onze minister kan het percentage lager stellen.
4. Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de
school ontzeggen, indien deze in de school in strijd handelt met de
grondslag en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot
ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door
toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van
de betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken
staatsexamencommissie, en aan de inspectie.
5. De rector of de directeur dan wel de centrale directie regelt,
onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in
verband met de begeleiding door de leraren van de studenten in de
school in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming
met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft
studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen
ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid, in overeenstemming met
de betrokken staatsexamencommissie.
6. Onze minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere
omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting
verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.
7. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid, zijn
toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie belast met het
toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de
door deze aan te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen,
alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en
ander voor zover zulks voor de uitoefening van het toezicht op de
praktische vorming onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische
vorming van de in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in
verband met het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften gegeven,
betreffende de navolgende onderwerpen:
a. het maximum aantal lessen in een vak van een schoolsoort,
gedurende dewelke het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht
is studenten als bedoeld in het eerste lid, toe te laten, welk
maximum de 20 procent niet te boven mag gaan;
b. het maximum aantal studenten als bedoeld in het eerste lid,
dat bij dezelfde les kan worden toegelaten, welk maximum,
behoudens bijzondere omstandigheden, de 3 niet te boven mag gaan,
alsmede de gevolgen die het toelaten van meer dan een student bij
dezelfde les heeft voor het maximum, bedoeld in het derde lid, en
het maximum, bedoeld in dit lid onder a.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in
verband met het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften worden
gegeven, betreffende de navolgende onderwerpen:
a. de wijze van aanmelden van studenten als bedoeld in het
eerste lid, alsmede de termijn die voor de aanmelding door het
bevoegd gezag mag worden gesteld;
b. de wijze waarop door de school bekendheid moet worden
gegeven aan opleidingsinstellingen en staatsexamencommissies over
de beschikbaarheid en de aard van schoolpracticumplaatsen;
c. de categorieën studenten ten aanzien van wie de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet geldt;
d. regulering in de situatie dat, bij een beperkte
beschikbaarheid van schoolpracticumplaatsen aan de school,
gelijktijdig studenten die in opleiding zijn voor een functie in
het voortgezet onderwijs, en studenten die in opleiding zijn voor
een functie in het basisonderwijs, worden aangemeld;
e. de vakken en andere programma-onderdelen van een
schoolsoort, waarvoor in verband met de geringe omvang van het
onderwijs daarin, de in het eerste lid bedoelde verplichting niet
geldt.
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 40a. Georganiseerd overleg
Over de regelingen, bedoeld in artikel 38a, eerste en vierde lid,
alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de
rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag
overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties
van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk
overeengekomen wijze.
Artikel 40b [Vervallen per 22-10-2008]
Artikel 41. Personeel ten behoeve van contractactiviteiten
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het verrichten van
contractactiviteiten er niet toe leidt dat minder dan 51% van de
personeelskosten van de school uit 's Rijks kas wordt bekostigd.
Hoofdstuk II. Overige regelen voor het openbaar schoolonderwijs
Artikel 42. Karakter openbaar onderwijs
1. Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de
leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse
samenleving, en met onderkenning van de betekenis van de
verscheidenheid van die waarden.
2. Openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder
onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.
3. Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders
godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 42a. Instandhouding openbare school door een openbare
rechtspersoon
1. Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon
instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen in de
gemeente in stand te houden, al dan niet te zamen met openbare scholen
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of openbare scholen als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Een openbare rechtspersoon
kan ook worden ingesteld door meer dan een gemeente ten behoeve van
het in stand houden van openbare scholen in die gemeenten door het
vaststellen van een voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het
vierde lid, gelijkluidende verordening, in welk geval de openbare
rechtspersoon niet eerder tot stand komt dan nadat alle daartoe
strekkende verordeningen in werking zijn getreden.
2. De gemeenteraad of gemeenteraden maken het voornemen tot een
besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.
3. De openbare rechtspersoon oefent met uitzondering van de
besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en
bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Hij bezit
rechtspersoonlijkheid.
4. De verordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder
geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur
van de openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag
van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het
bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en
dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of
scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling
van de jaarrekening na instemming van de desbetreffende
gemeenteraad of gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op
het bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen
besloten te houden, en
g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven
wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5
jaren bedraagt, met dien verstande dat in de regeling een
overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd.
De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens
strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen
het financiële belang van de gemeente.
5. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of
gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder
geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het
openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.
6. De vergaderingen van het bestuur van de openbare rechtspersoon
zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld
in de verordening.
7. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt,
de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of
gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit
van het onderwijsproces te waarborgen.
8. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de
wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig
de openbare rechtspersoon te ontbinden.
9. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het vierde lid
niet van toepassing en voorziet de verordening, bedoeld in het eerste
lid, onverminderd artikel 24e1 in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van
toezicht van de openbare rechtspersoon,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag
van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de
leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad
of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen
meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht
van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de
betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden
benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
e. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven
wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5
jaren bedraagt, met dien verstande dat in de regeling een
overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is
verzekerd. Het vijfde, zesde en achtste lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 42b. Instandhouding openbare school door een stichting
1. Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen
in de gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich
ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen,
al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra.
2. De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld
in het eerste lid bekend.
3. Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt
opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of
meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid.
4. Het statutaire doel van de stichting is uitsluitend het geven
van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 42.
5. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over
de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van
het bevoegd gezag uit.
6. Onverminderd het vierde lid, voorzien de statuten in ieder geval
in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur
van de stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag
van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het
bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en
dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die
leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de
leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of
scholen,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de
desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden en de vaststelling
van de jaarrekening na instemming van de desbetreffende
gemeenteraad of gemeenteraden,
e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op
het bestuur uitoefenen,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen
besloten te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande
dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in
het bestuur is verzekerd.
De goedkeuring bedoeld in onderdeel d kan worden onthouden wegens
strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen
het financiële belang van de gemeente.
7. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.
8. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of
gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder
geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het
openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.
9. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
10. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting
geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of
gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit
van het onderwijsproces te waarborgen.
11. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige
taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de
wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig
de stichting te ontbinden.
12. Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid
niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel
24e1, in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van
toezicht van de stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag
van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de
leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad
of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen
meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht
van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de
betrokken school of scholen,
c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden
benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening,
e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt,
f. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande
dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in de
raad van toezicht is verzekerd. Het achtste, negende en elfde lid
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42c. Bestuursoverdracht openbare school
1. Een rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de
instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon
die tot de instandhouding van een openbare school bevoegd is.
2. De overdracht geschiedt bij notariële akte. Bij deze akte
verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten
aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze
akte geldt tevens als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat
de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke
betrekkingen aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid
treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende
rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger, onverminderd
hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is
vereist.
4. Voor zover het betreft scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
praktijkonderwijs kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere
omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting tot overdracht
van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken.
Artikel 43
In afwijking van artikel 39 leggen Gedeputeerde Staten van de
desbetreffende provincie de disciplinaire straf of de schorsing op of
verlenen zij het ontslag, indien het betreft een rector, een directeur,
een conrector, een adjunct-directeur, een lid van de centrale directie
of een leraar van een openbare school, die tevens lid van de raad der
gemeente is, welke die school in stand houdt.
Artikel 43a
1. De rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren,
de leden van de centrale directie, de leraren en het overige
personeel, bedoeld in artikel 38a, van de openbare school, zijn in het
bezit van een door het bevoegd gezag getekende akte van aanstelling.
De akte van aanstelling bevat ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke
dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de
tijdelijkheid en de duur van de aanstelling;
f. de omvang van de betrekking;
g. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde
schaal en het salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene
dienst van het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de
bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de
geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag,
alsmede van de akte van aanstelling van het aan de school verbonden
personeel worden bewaard.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op personeel
dat is tewerkgesteld zonder aanstelling.
Artikel 44
1. Het onderwijs aan openbare scholen wordt gegeven met
eerbiediging van ieders geloofs- of levensovertuiging.
2. Wij kunnen hem, die zich in dit opzicht aan plichtsverzuim
schuldig maakt, voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor
onbepaalde tijd in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan
een openbare school schorsen.
Artikel 45 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 46
1. Aan de openbare scholen worden op verzoek van kerkelijke
gemeenten of van plaatselijke kerken de leerlingen in de gelegenheid
gesteld in de schoollokalen godsdienstonderwijs te volgen van
godsdienstleraren, daartoe door die gemeenten of kerken aan te wijzen.
2. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht,
kosteloos voor het godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.
3. Bij een geschil omtrent het vaststellen van lessen of het
beschikbaar stellen van lokalen van openbare scholen beslist Onze
minister.
4. Aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken kan een
subsidie worden verstrekt. De artikelen 4 tot en met 19 van de Wet
overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat de
subsidie slechts kan worden verstrekt bij algemene maatregel van
bestuur.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden met kerkelijke
gemeenten gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid,
die zich blijkens de statuten het geven of doen geven van
godsdienstonderwijs ten doel stellen.
6. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend
wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende
verklaring van de aanwijzende kerkelijke gemeente of plaatselijke
kerk:
a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36,
eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 47
1. Aan de openbare scholen worden op verzoek van door Ons tot dit
doel toegelaten genootschappen op geestelijke grondslag de leerlingen,
wier ouders, voogden of verzorgers daartoe de wens te kennen geven, in
de gelegenheid gesteld in de schoollokalen levensbeschouwelijk
vormingsonderwijs te volgen van leraren, daartoe door deze
genootschappen aan te wijzen.
2. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht,
kosteloos voor het vormingsonderwijs beschikbaar gesteld.
3. Bij een geschil omtrent het vaststellen van lessen of het
beschikbaar stellen van lokalen van openbare scholen beslist Onze
minister.
4. Aan de genootschappen, bedoeld in het eerste lid, kan een
subsidie worden verstrekt. De artikelen 4 tot en met 19 van de Wet
overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat de
subsidie slechts kan worden verstrekt bij algemene maatregel van
bestuur.
5. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend
wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende
verklaring van het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag:
a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 36,
eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Hoofdstuk III. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare
kas van het bijzonder schoolonderwijs
Artikel 48
1. Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling
niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een
openbare school, mag aan deze leerling de toegang tot een
gelijksoortige, uit de openbare kas bekostigde bijzondere school niet
worden geweigerd op grond van levensbeschouwing, tenzij de school
uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.
2. Indien tot een bijzondere school ingevolge het eerste lid andere
leerlingen worden toegelaten dan voor wie de school in verband met de
levensbeschouwing wordt in stand gehouden, kunnen deze leerlingen niet
worden verplicht tot het volgen van de lessen in de vakken of andere
programma-onderdelen, die in verband met die levensbeschouwing worden
gegeven.
Artikel 48a. Bedenkingen tegen melding van langdurige afwezigheid
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school aan Onze Minister
de mededeling heeft gedaan, bedoeld in artikel 27a, vijfde lid, kan de
leerling binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel
27a, zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten
tegen die mededeling.
Artikel 49
1. De bijzondere school staat onder het bestuur van een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van
onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het
maken van winst te beogen.
2. Het schoolbestuur draagt zorg voor een deskundig beheer.
Artikel 50. Bestuursoverdracht bijzondere school
1. De rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, kan
de instandhouding van die school overdragen aan een andere
rechtspersoon die voldoet aan het bepaalde in artikel 49, eerste lid.
2. De overdracht geschiedt bij notariële akte. Bij deze akte
verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten
aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze
akte geldt tevens als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat
de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke
betrekkingen benoemt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid
treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende
rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot
de school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar
burgerlijk recht is vereist.
4. Voor zover het betreft scholen voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs kunnen
burgemeester en wethouders in bijzondere omstandigheden ontheffing
verlenen van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien
van gebouwen, terreinen en roerende zaken.
5. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een school in stand
houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande
splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke
verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat.
In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 51
1. De rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren,
de leden van de centrale directie, de leraren en het overige
personeel, bedoeld in artikel 38a, van de bijzondere school zijn in
het bezit van een door het bevoegd gezag en door henzelf getekende
akte van benoeming. Deze akte van benoeming bevat ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de benoeming;
d. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd;
e. de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst
geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid
en de duur van de benoeming;
f. de omvang van de betrekking;
g. de op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde schaal
en het salarisnummer;
h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene
dienst van het bevoegd gezag.
2. De akte van benoeming bevat bepalingen inzake gronden voor
schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen.
3. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de
bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de
geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag,
alsmede van de akten van benoeming van het aan de school verbonden
personeel worden bewaard.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat
is tewerkgesteld zonder benoeming.
Artikel 52. Beroepsrecht personeel bijzondere scholen
1. Het bevoegd gezag van een bijzondere school is aangesloten bij
een commissie van beroep. De rector of de directeur, de conrectoren,
de adjunct-directeuren, de leden van de centrale directie, de leraren
en het overige personeel, bedoeld in artikel 38a, kunnen bij die
commissie beroep instellen tegen een beslissing van het bevoegd gezag
inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. het direct of indirect onthouden van promotie,
d. het verminderen van de omvang van de betrekking,
e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt,
f. de beslissing van het bevoegd gezag ten aanzien van een
personeelslid op basis waarvan op termijn vermindering van diens
betrekkingsomvang kan plaatsvinden,
g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband,
h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie
voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke
aanwijzing op termijn kan leiden tot ontslag, vermindering van de
betrekkingsomvang of beëindiging van een verlengd tijdelijk
dienstverband, of
i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen
waaraan een personeelslid werkzaamheden zal verrichten.
2. Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, aanhef wordt
schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld. Daarbij wordt tevens
vermeld de beroepstermijn en het adres van de commissie waar het
beroep kan worden ingesteld.
3. Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de
commissie.
Artikel 52a. Beroepstermijn
1. Het beroep, bedoeld in artikel 52, wordt schriftelijk ingesteld
binnen zes weken, nadat de beslissing aan betrokkene is medegedeeld.
Bij overschrijding van deze termijn ten gevolge van omstandigheden die
de betrokkene niet kunnen worden verweten, laat de commissie
niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege.
2. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen
verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van
beslissingen die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.
Artikel 53
1. Een commissie van beroep strekt haar werkkring uit over ten
minste twintig bijzondere scholen. Onze minister kan het in de vorige
volzin bedoelde aantal scholen lager stellen.
2. Zij bestaat uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden,
waarvan twee leden en twee plaatsvervangende leden worden gekozen door
de schoolbesturen en twee leden en twee plaatsvervangende leden door
het personeel van de in het vorige lid bedoelde scholen. Deze vier
leden kiezen het vijfde lid, tevens voorzitter, en diens
plaatsvervanger.
3. De leden en plaatsvervangende leden mogen niet zitting hebben in
het schoolbestuur, noch deel uitmaken van het personeel van een
school, waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.
4. Omtrent de verdere samenstelling en de werkwijze van de
commissies van beroep worden nadere voorschriften gegeven bij algemene
maatregel van bestuur.
Artikel 53a. Bestuurlijke voorschriften bijzonder onderwijs
In een geval als bedoeld in artikel 39c, vierde lid, eerste volzin,
maakt het bevoegd gezag van een bijzondere school de beslissing tot
ontzegging van de toegang tot de school schriftelijk en met redenen
omkleed bekend aan de betrokken student.
Hoofdstuk IV. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de
openbare kas bekostigd onderwijs
Artikel 53b. Centrale dienst
1. Op het personeel van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die
a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan
niet met een of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in
deze wet, de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de
expertisecentra,
b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke
regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen,
behoudens artikel 20, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet op
het primair onderwijs, uitsluitend ten doel stelt om ten behoeve
van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit 's Rijks kas
worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter verzekering van
de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het leiden
van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van
werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding, bedoeld in
artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en van de Wet op de
expertisecentra,
c. niet het maken van winst beoogt,
d. wordt gefinancierd met behulp van bijdragen van de bevoegde
gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder
begrepen formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van
bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde
lid, of artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs, en
e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin
van dit artikel werkzaam te willen zijn,
zijn van toepassing de in artikel 38a bedoelde voorschriften en
regels. Voor de toepassing van de eerste volzin, onderdeel b, wordt
onder «het geven van onderwijs» niet begrepen het geven van
leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, en het
uitoefenen van taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 10h, zesde
lid. Voor de toepassing van de eerste volzin, onder b, wordt onder het
geven van onderwijs niet begrepen het onderwijs dat wordt gegeven door
personeel dat is benoemd of aangesteld op bekostiging voor
zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of 132 van de
Wet op het primair onderwijs.
2. Onder bevoegd gezag en bevoegde gezagsorganen in het eerste lid
onderdeel a wordt mede verstaan de gemeenteraad.
3. Het bestuur van de rechtspersoon is aangesloten bij een
commissie van beroep als bedoeld in artikel 52. De leden en
plaatsvervangende leden van een commissie van beroep mogen niet
behoren tot het bestuur of het personeel van de rechtspersoon.
4. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen
delen Onze minister mede dat zij het bestuur vormen van een
rechtspersoon in de zin van dit artikel. Voorts verschaffen zij Onze
minister en de door hem aangewezen personen desgevraagd alle
inlichtingen omtrent de rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het
eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze
minister mededelen dat zij erin toestemmen dat de gevraagde
inlichtingen rechtstreeks door het bestuur van de rechtspersoon zelf
aan Onze minister en de door hem aangewezen personen worden verschaft.
5. De gemeente en het bevoegd gezag dat deel uitmaakt van het
bestuur van de rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de in
de voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.
6. De artikelen 40b, 52 en 52a zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van het personeel van de rechtspersoon met dien verstande
dat een geschillencommissie haar werkzaamheden uitstrekt over ten
minste vijf rechtspersonen als bedoeld in dit artikel.
Artikel 53c. Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen
1. De instandhouding van een of meer openbare en een of meer
bijzondere scholen kan worden opgedragen of overgedragen aan een
stichting die met dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht. De
besluitvorming van de zijde van de gemeente vindt plaats door de
gemeenteraad.
2. Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven
van openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in
afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder
onderwijs.
3. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over
de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van
het bevoegd gezag uit.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de openbare school en niet is
tewerkgesteld zonder benoeming, wordt benoemd krachtens een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur
van de stichting,
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag
van de bestuursleden,
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg
met de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar openbaar
onderwijs wordt gegeven, gevestigd is,
e. de wijze waarop de gemeenteraad van de gemeente waarin de
school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is,
toezicht op het bestuur van die school uitoefent,
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen
besloten te houden,
g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, en
h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande
dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in
het bestuur is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs
betreft.
6. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na
instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de school waar
openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is. Instemming kan slechts
worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het
bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
7. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente
waarin de school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is,
verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht
wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs.
Het verslag wordt bekendgemaakt.
8. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar,
tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare
school is gelegen, de maatregelen die hij nodig acht om de
continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het
openbaar onderwijs betreft.
Artikel 53d. Samenwerkingsschool
1. Een rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, en een
rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, kunnen de
instandhouding van hun school overdragen aan een stichting waarvan het
statutaire doel in ieder geval is het in stand houden van een
samenwerkingsschool, onverminderd de artikelen 42a, derde lid, 42b,
vijfde lid, en 53c, derde lid. Een samenwerkingsschool is een school
waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt
aangeboden. De artikelen 42c en 50 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien
daardoor de continuïteit van het openbaar of het bijzonder onderwijs
gehandhaafd kan blijven en met totstandkoming van een
samenwerkingsschool wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken
scholen door toepassing van artikel 107 wordt opgeheven of niet meer
voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd gezag van de
betreffende school toont dat aan op basis van een prognose van de
ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die school
binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of niet
meer te worden bekostigd.
3. Een samenwerkingsschool is toegankelijk voor alle leerlingen
zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.
4. Het personeel dat werkzaam is aan de samenwerkingsschool, en
niet is tewerkgesteld zonder benoeming, wordt benoemd krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
5. De rechtspersoon die de instandhouding van de bijzondere school
heeft overgedragen, of zijn rechtsopvolger, dan wel een daartoe
aangewezen rechtspersoon houdt toezicht op de identiteit, voor zover
het betreft het bijzonder onderwijs in de samenwerkingsschool,
overeenkomstig hetgeen is bepaald in de statuten van de stichting die
de samenwerkingsschool in stand houdt.
6. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:
a. het doel van de stichting, waarin in elk geval is opgenomen
het geven van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs binnen een
samenwerkingsschool,
b. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur
van de stichting, met dien verstande dat in de statuten wordt
voorzien in een evenwichtige zeggenschapsverdeling wat betreft
openbaar onderwijs onderscheidenlijk bijzonder onderwijs dat wordt
gegeven binnen de samenwerkingsschool,
c. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag
van de bestuursleden, met dien verstande dat:
1° het bestuur van de stichting die de samenwerkingsschool
in stand houdt, wordt benoemd door de gemeenteraad van de
gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, en
2° dat het bestuur van de stichting die de
samenwerkingsschool in stand houdt, niet bestaat uit personen
die deel uitmaken van het gemeentebestuur van de gemeente en
de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid,
d. de wijze waarop door de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in
het vijfde lid, toezicht op het bestuur van de samenwerkingsschool
wordt uitgeoefend, waaronder voor wat betreft het openbaar
onderwijs in ieder geval wordt begrepen een jaarlijks door het
bestuur van de stichting aan de gemeenteraad van de gemeente waar
de samenwerkingsschool gevestigd is, uit te brengen verslag
waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan het beleid
ten aanzien van het openbaar onderwijs in de samenwerkingsschool,
e. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
f. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt
geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren
bedraagt, en
g. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
7. Overdracht, opheffing of samenvoeging van de samenwerkingsschool
en wijziging van de statuten van de stichting die de
samenwerkingsschool in stand houdt, is slechts mogelijk na instemming
van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool
gevestigd is, en de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid.
8. De voorschriften van deze wet en van andere wetten die het
voortgezet onderwijs betreffen, alsmede de daarop gebaseerde
regelingen, voor zover die voorschriften en regelingen betrekking
hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige toepassing
op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid, tenzij het
tegendeel blijkt. De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
voor zover het beslissingen betreft van de rechtspersoon die de
samenwerkingsschool in stand houdt.
9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of
functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs
betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de
samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om
de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het
openbaar onderwijs betreft. De bedoelde maatregelen kunnen tevens
worden getroffen door de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid,
voor zover het bijzonder onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking
wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, gezamenlijk genomen
besluit.
10. Een geschil tussen een bestuursorgaan van de gemeente en de
rechtspersoon, bedoeld in het vijfde lid, omtrent het toezicht op de
samenwerkingsschool en omtrent de uitlegging van de statuten van de
stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, wordt voorgelegd
aan een geschillencommissie, bestaande uit een of meer door de
gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is,
en de rechtspersoon in onderling overleg aangewezen deskundigen.
Hoofdstuk V. Fusies
Artikel 53e. Begripsbepalingen
1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. fusie: een bestuurlijke of institutionele fusie,
b. institutionele fusie: een fusie als bedoeld inartikel 71,
tweede en derde lid, waarbij een school ontstaat door samenvoeging
van twee of meer scholen dan wel instellingen als bedoeld in de
Wet educatie en beroepsonderwijs,
c. bestuurlijke fusie: een fusie waarbij een of meer
rechtspersonen de instandhouding van een school, een school als
bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel de Wet op de
expertisecentra, een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs of een instelling als bedoeld in de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek overdragen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op het
instellen van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a,
eerste lid, eerste volzin of de instandhouding van een of meer
openbare scholen door een stichting als bedoeld in artikel 42b, eerste
lid.
Artikel 53f. Goedkeuring
Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring
is verleend door Onze Minister.
Artikel 53g. Aanvraag en fusie-effectrapportage
1. De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk
dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de
goedkeuring, bedoeld in artikel 53f. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde
fusie-effectrapportage, en
b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie
door de medezeggenschapsraden dan wel de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraden, dan wel
c. de bindende uitspraak van de geschillencommissie, bedoeld in
artikel 32, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen, dan
wel de bindende uitspraak van de ondernemingskamer, bedoeld in
artikel 36, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid geldt eveneens als
een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in
artikel 71.
3. De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. de motieven voor de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het
bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding en omvang van
de rechtspersonen en vestigingen van scholen in de gemeenten
waarin de huidige leerlingen van die scholen woonachtig zijn, de
onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het
onderwijsaanbod in de betreffende gemeenten,
f. de financiële en personele gevolgen en de gevolgen voor
leerlingen van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de
voorzieningen,
g. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd,
h. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd, en
i. een advies van burgemeester en wethouders van de betrokken
gemeenten over de wenselijkheid van de voorgestelde fusie.
4. Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de
fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 53h. Toets
1. Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de
institutionele of bestuurlijke fusie:
a. de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in
het opzicht van richting als van pedagogisch-didactische aanpak en
schoolsoort binnen de gemeenten waarin de huidige leerlingen van
die scholen of rechtspersonen woonachtig zijn, op significante
wijze wordt belemmerd, of
b. het aandeel per schoolsoort van de bij de fusie betrokken
scholen in het aantal leerlingen in de gemeenten waarin de huidige
leerlingen van die scholen woonachtig zijn een nader bij
ministeriële regeling vast te stellen percentage overschrijdt.
2. Onze Minister kan bovendien goedkeuring onthouden aan een
institutionele fusie indien de percentages leerlingen betrokken bij de
fusie minder zijn dan de percentages bedoeld in artikel 71, tweede
lid, onder a of b.
3. Onze minister verleent slechts goedkeuring aan een bestuurlijke
fusie als bedoeld in artikel 17, indien daardoor de continuïteit van
het openbaar of het bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven en met
de bestuurlijke fusie wordt voorkomen dat een of meer daarbij
betrokken scholen door toepassing van artikel 107 wordt opgeheven of
niet meer voor bekostiging in aanmerking komt. Het bevoegd gezag van
de betreffende school toont dat aan op basis van een prognose van de
ontwikkeling van het aantal leerlingen waaruit blijkt dat die school
binnen een termijn van zes jaar dreigt te worden opgeheven of niet
meer te worden bekostigd.
4. Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld
in het eerste, tweede en derde lid, adviseren door een onafhankelijke
adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij
ministeriële regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de
noodzaak bedoeld in de eerste volzin.
5. Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 53i. Toetsingstermijn en verlenging
1. Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als
bedoeld in artikel 53f.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste met 13
weken worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken
bedoeld in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Afdeling II. Niet uit de openbare kas bekostigd bijzonder
schoolonderwijs
Artikel 54
Het bestuur van een bijzondere school voor voortgezet onderwijs geeft
binnen vier weken na de oprichting van de school onder overlegging van
de statuten der instelling, die de school in stand houdt, en van de
reglementen, van die oprichting kennis aan Onze minister. Indien de
statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, wordt eveneens
binnen vier weken van de wijziging of van de intrekking van de statuten
of reglementen aan Onze minister kennis gegeven.
Artikel 55. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel
1. Algemeen voortgezet onderwijs wordt slechts gegeven door wie
voldoet aanartikel 33, eerste lid. De artikelen 33, leden 1a tot en
met vijf en veertien tot en met zestien, en 33a zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 36,
derde lid, worden met betrekking tot het algemeen voortgezet onderwijs
slechts verricht door wie voldoet aan artikel 35, eerste lid. Artikel
35, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56
1. Onze minister kan de school, die ten aanzien van de duur van de
cursus, het schoolplan en de bevoegdheden van de leraren overeenkomt
met een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor
hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, als
bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanwijzen als bevoegd om aan de
leerlingen op grond van het met gunstig gevolg afleggen van een
eindexamen aan de school het diploma uit te reiken, bedoeld in het
derde lid van dat artikel.
1a. Artikel 29, leden 1a en 1b, zijn van overeenkomstige toepassing
op de bevoegdheid het eindexamen af te nemen, bedoeld in het eerste
lid.
2. Artikel 29, tweede en vierde lid, is op dit eindexamen van
toepassing.
3. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt
hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
Artikel 56a [Vervallen per 06-10-1999]
Artikel 57
De aanwijzing geschiedt op een daartoe tot Onze minister gericht
verzoek van het schoolbestuur. Bij het verzoek worden overgelegd:
a. het schoolplan van de school;
b. bewijsstukken dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen;
c. de statuten en het reglement van de rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid, die de school in stand houdt.
Artikel 58
1. Het schoolplan van een ingevolge artikel 56 aangewezen school
voldoet ten minste aan de voorschriften, gegeven bij of krachtens de
artikelen 10, 10b, 10d, 11a tot en met 11f, 12 tot en met 15, 22 en
24.
2. Bij wijziging van het schoolplan doet het schoolbestuur daarvan
onmiddellijk mededeling aan de inspectie.
3. Onze minister kan ten behoeve van de bijzondere inrichting van
het onderwijs aan de school toestaan, dat wordt afgeweken van het
eerste lid. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van
een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt
hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
4. De naam van de school duidt aan, met welke van de uit de
openbare kas bekostigde scholen zij overeenkomt.
5. De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn ten minste
gelijk aan die, vastgesteld krachtens artikel 27, eerste lid, alsmede
de leden 1a en 1b.
6. Artikel 23a1 is van overeenkomstige toepassing.
7. Voor een school die is aangewezen op grond van artikel 56 zijn
van overeenkomstige toepassing:
a. deartikelen 103b, eerste, tweede, vijfde tot en met achtste,
en tiende tot en met twaalfde lid, met dien verstande dat van de
gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, uitsluitend worden
verstrekt de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met g, en
i, van dat lid;
b. artikel 103c;
c. artikel 103d, eerste en derde lid, met dien verstande dat
artikel 103d, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze
Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
beleidsvoorbereiding;
d. artikel 103f;
e. de artikelen 27b, 28 en 28a; en
f. de artikelen 118g tot en met 118i.
8. Voor een school die is aangewezen op grond van artikel 56 kan
bij ministeriële regeling een nadere specificatie worden gegeven van
de gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, voor zover dat lid
van overeenkomstige toepassing is verklaard in het zevende lid,
onderdeel a, en worden bepaald welke van die gegevens niet langer
behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts
regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van
verstrekking van die gegevens. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld ter uitvoering van artikel 103d, eerste en derde lid,
voor zover die leden van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in
het zevende lid, onderdeel c, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van de gegevens, de wijze waarop de gegevens worden
verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt, en de
perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
Artikel 59
Onze minister kan de aanwijzing intrekken, indien niet langer wordt
voldaan aan de artikelen 56 en 58, met uitzondering van artikel 58,
zevende lid, onderdeel f, of indien van misbruik van de verleende
aanwijzing is gebleken. De aanwijzing kan door Onze minister tevens
worden ingetrokken indien het schoolbestuur of het personeel van de
school in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Afdeling III. Staatsexamens
Artikel 60
1. Jaarlijks geeft het College voor examens gelegenheid om door het
met gunstig gevolg afleggen van een staatsexamen, een diploma te
verkrijgen, overeenkomende met een diploma van een school voor
voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen
voortgezet onderwijs , voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
en voor voorbereidend beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 29,
derde lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, welke andere
diploma's kunnen worden verkregen door het met gunstig gevolg afleggen
van een staatsexamen voor het College voor examens.
3. Zij, die zijn afgewezen bij het eindexamen van een school,
worden niet toegelaten tot het in hetzelfde jaar te houden
overeenkomstige staatsexamen.
4. De staatsexamens zijn openbaar, behoudens het schriftelijke
gedeelte.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld omtrent de in dit artikel bedoelde examens, die niet voor
alle kandidaten dezelfde vakken en andere programma-onderdelen
behoeven te omvatten. Daarbij kan worden bepaald het bedrag, dat voor
de toelating tot deze examens verschuldigd is. Tevens kan daarbij
worden bepaald dat dit bedrag is verschuldigd door het bevoegd gezag
van een school ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel
29, lid 1a, of door het bevoegd gezag van een instelling ten aanzien
waarvan toepassing is gegeven aan artikel 6a.2.1 van de Wet educatie
en beroepsonderwijs.
6. Artikel 30a is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling IV. Andere vormen van voortgezet onderwijs
Artikel 61. Inrichtingen voor voortgezet onderwijs
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen inrichtingen voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 5, onderdeel e, worden
aangewezen die voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking komen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de
aangewezen inrichtingen voor voortgezet onderwijs voorschriften worden
gegeven voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet
vastgestelde voorschriften over:
a. de inrichting van het onderwijs,
b. de examens,
c. de rechtspositie van het personeel,
d. de benoembaarheidsvereisten van het personeel, en
e. de aanvang, wijze en beëindiging van de bekostiging.
Daarbij kan, voorzover noodzakelijk, worden afgeweken van het bij
of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 62 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 63 [Vervallen per 06-04-2005]
Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der
bekostiging
Afdeling I. Aanvang van de bekostiging
Artikel 64. Aanvang en duur van de bekostiging
1. Bekostiging uit de openbare kas van een school neemt geen
aanvang dan krachtens de bepalingen van deze afdeling.
2. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op de bekostiging van scholen.
Artikel 65. Nieuwe school of scholengemeenschap
1. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school
waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze, gelet op de
belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde
richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens,
onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal
worden bezocht door ten minste:
a. 390 leerlingen, wat een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs betreft;
b. 325 leerlingen, wat een school en 130 leerlingen wat een
afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft;
c. 260 leerlingen, wat een school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs betreft;
d. 260 leerlingen, wat een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs met één afdeling als bedoeld in artikel 10c
betreft, met dien verstande dat meer dan één afdeling binnen de
desbetreffende nieuw te vormen school voor bekostiging in
aanmerking wordt gebracht, indien voor elke afdeling aannemelijk
wordt gemaakt dat deze door ten minste 160 leerlingen zal worden
bezocht, of
e. 120 leerlingen, wat een school voor praktijkonderwijs
betreft.
2. Een scholengemeenschap die twee of meer van de in het eerste lid
genoemde scholen omvat, wordt in ieder geval voor bekostiging in
aanmerking gebracht indien op dezelfde manier als volgens het eerste
lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk van de
samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het
daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.
3. Een op grond van het eerste of tweede lid voor bekostiging in
aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap wordt aangeduid als
hoofdvestiging.
4. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een
school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, eerste lid, is
ingediend. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een
school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, tweede lid, is
ingediend.
5. Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht
worden de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid,
gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 66. Aanvraagprocedure nieuwe school of scholengemeenschap
1. Het bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om
een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te
brengen. De aanvraag wordt ingediend voor 1 november.
2. Elke aanvraag vermeldt de schoolsoorten, de verlangde richting
en de plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap en gaat
vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang. Een aanvraag
voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend in
overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het
samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en na
overleg met de gemeente.
3. Onze Minister besluit met inachtneming van artikel 65 voor 1 mei
volgend op de aanvraag of de school of scholengemeenschap voor
bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Indien het besluit niet voor
1 mei kan worden genomen, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in
kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het besluit wel
tegemoet kan worden gezien.
4. De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar,
ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na
het besluit van Onze Minister. Behoudens in het laatste geval vangt de
bekostiging aan in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin
het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat burgemeester
en wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk met ingang van
1 augustus van het eerstgenoemde kalenderjaar de benodigde huisvesting
ter beschikking zullen stellen.
Artikel 67. Voldoende openbaar onderwijs
1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de
behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in
de provincie. Daartoe kunnen gedeputeerde staten burgemeester en
wethouders van de gemeente opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in
te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te
brengen indien de ouders, voogden en verzorgers van een naar hun
oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij
dat wensen en burgemeester en wethouders van de gemeente daaraan niet
hebben voldaan.
2. Onze Minister kan burgemeester en wethouders van de gemeente
opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school voor
bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het
eerste lid niet toepassen en ouders, voogden of verzorgers van een
naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven
dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.
3. Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld
in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaan burgemeester en
wethouders van de gemeente over tot stichting van de daarbij voor
bekostiging in aanmerking gebrachte school.
4. De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar,
ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na
het besluit van Onze Minister, afhankelijk van het moment dat
burgemeester en wethouders van de gemeente huisvesting ter beschikking
hebben.
Artikel 68. Nieuwe afdeling vbo aan reeds bekostigde school
1. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een nieuw te
vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c aan een reeds bekostigde
school voor voorbereidend beroepsonderwijs indien redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat deze afdeling, gelet op de belangstelling voor
de desbetreffende afdeling, de verlangde richting en het
leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer
verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden
bezocht door ten minste 260 leerlingen, met dien verstande dat meer
dan één afdeling voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht
indien voor elke nieuw te vormen afdeling aannemelijk wordt gemaakt
dat de desbetreffende afdeling door ten minste 160 leerlingen zal
worden bezocht.
2. Artikel 65, vijfde lid, en artikel 66 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 69. Leerwegondersteunend onderwijs
1. Leerwegondersteunend onderwijs komt voor bekostiging in
aanmerking voor zover de school of een daaraan uiterlijk op 1 augustus
2002 verbonden school of afdeling voor bekostiging van dat onderwijs
in aanmerking kwam op grond van artikel II, eerste of tweede lid,
artikel IV, eerste lid, of artikel IVa, eerste of tweede lid, van de
Wet van 25 mei 1998 tot wijziging van onder meer de Wet op het
voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de
hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en
het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend
en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering
leerwegondersteunend en praktijkonderwijs) (Stb. 1998, 337).
2. Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een
school of scholengemeenschap dat is aangesloten bij een
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10h leerwegondersteunend
onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien dat doelmatig
is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van
leerwegondersteunend onderwijs en de meerderheid van de bevoegde
gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het
desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.
Artikel 70. Omzetting
1. Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor
bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door
omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige
bijzondere school.
2. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school
die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere
school in een gelijksoortige openbare school of door omzetting van een
bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school
van een andere richting.
3. Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus
van enig kalenderjaar.
Artikel 71. Verplaatsing vestiging; samenvoeging van scholen of
scholengemeenschappen; tijdelijke nevenvestiging
1. De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd
gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst
over een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van
de vorige vestigingsplaats.
2. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:
a. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door
samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen, indien voor
elke bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap
geldt dat ten minste een bij ministeriële regeling vast te
stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die
school of scholengemeenschap en van de leerlingen van een
vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of
scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden, of
b. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van
een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs waarvan een regionaal
opleidingencentrum deel uitmaakt, met een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs, indien ten minste een bij ministeriële regeling
vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van
laatstgenoemde scholengemeenschap en van de leerlingen van een
vestiging van een bij de samenvoeging betrokken school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
beroepsonderwijs, afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden.
3. Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige
toepassing op een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de
Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een agrarisch
opleidingscentrum deel uitmaakt, die wordt samengevoegd met een school
voor middelbaar algemeen voorgezet onderwijs, een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs waarin slechts onderwijs wordt verzorgd
als bedoeld inartikel 10c, onderdeel d, of een school voor
praktijkonderwijs.
4. Na een samenvoeging wordt op een vestiging onderwijs verzorgd in
dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde
afdelingen als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op
de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging, behoudens
wijzigingen in het onderwijsaanbod op grond van artikel 68 of artikel
72.
5. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een
tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, indien het
bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de
desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking
zullen stellen. De voorwaarde in de eerste volzin is niet van
toepassing ten aanzien van scholengemeenschappen als bedoeld in
artikel 2.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en
scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt
betaald op grond van artikel 76v.
6. Artikel 65, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing bij
toepassing van het tweede, derde en vijfde lid.
Artikel 72. Regionale samenwerking voorzieningenplanning; regionaal
plan onderwijsvoorzieningen
1. Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan
samenwerken met ten minste één ander bevoegd gezag met als doel het
onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en
andere belanghebbenden in hun regio. Een regio omvat een
aaneengesloten gebied bestaande uit het grondgebied van een of meer
gemeenten, met dien verstande dat:
a. op de deelnemende vestigingen van scholen of
scholengemeenschappen van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen
per gemeente ten minste zestig procent staat ingeschreven van alle
leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet
onderwijs volgen, en
b. ten minste vijfenzestig procent van de bevoegde
gezagsorganen die binnen een gemeente een of meer vestigingen van
scholen of scholengemeenschappen hebben, bij de samenwerking
betrokken is.
2. Samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een
regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast. Een dergelijk plan:
a. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan
overleg plaats heeft gevonden met de bevoegde gezagsorganen van de
overige scholen of scholengemeenschappen in de regio en
vertegenwoordigers van de desbetreffende provincie of provincies
alsmede voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs
met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de
bevoegde gezagsorganen van de regionale opleidingencentra en de
agrarische opleidingscentra in de regio, aa. wordt niet
vastgesteld voordat over een concept van het plan op
overeenstemming gericht overleg is gevoerd met burgemeester en
wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten,
overeenkomstig een procedure die daartoe is vastgesteld door de
samenwerkende bevoegde gezagsorganen en burgemeester en wethouders
van die gemeente of gemeenten, welke procedure een voorziening
voor het beslechten van geschillen bevat,
b. geldt voor een periode van vijf jaar, die aanvangt op 1
augustus van enig kalenderjaar, en
c. bevat een gezamenlijk gedragen visie op het onderwijs in de
regio, waarin in elk geval tot uitdrukking worden gebracht:
1°. de omvang en begrenzing van de regio,
2°. gegevens over het aanbod en gebruik van
onderwijsvoorzieningen,
3°. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen, bedoeld
in het derde lid, die de bevoegde gezagsorganen binnen de
periode, bedoeld in onderdeel b, voor bekostiging in
aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal
leerlingen per vestiging,
4°. de relatie van het bestaande en toekomstige
onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt,
en
5°. de visie van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in
onderdelen a en aa, op het bestaande en toekomstige
onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de
arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.
3. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een
onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met f,
indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan
onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid en indien nodig
tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen
voorwaarden. Een bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag
indienen voor bekostiging van:
a. een vestiging van een school of scholengemeenschap die door
het bevoegd gezag wordt verplaatst over een hemelsbreed gemeten
afstand van drie kilometer of meer van de huidige
vestigingsplaats,
b. een nieuwe nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van een
school of scholengemeenschap, indien ten minste een bij
ministeriële regeling vast te stellen percentage van de
leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging en van de leerlingen van
één van de al bestaande vestigingen van de school of
scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden,
c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden
afgesplitst van een scholengemeenschap,
d. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een nevenvestiging
als bedoeld in artikel 16 aan een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs als bedoeld inartikel 7, of aan een
school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in
artikel 8, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een
nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel
10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel 10a,
e. onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
beroepsonderwijs of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover
het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien wordt
voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen voorwaarden, of
f. een afdeling als bedoeld in artikel 10c met uitzondering van
een afdeling als bedoeld inartikel 10c, onderdeel a, onder 6, en
de afdelingen Kust-, Rijn- en Binnenvaart en Haven en Vervoer
School, aangewezen op grond van artikel 24, vijfde lid, indien
wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen voorwaarden.
4. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister voor
bekostiging in aanmerking brengen een onderwijsvoorziening als bedoeld
in het derde lid, onderdelen c tot en met f, die niet is opgenomen in
een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede
lid, indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de
samenwerking instemmen met de aanvraag en indien nodig tevens wordt
voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden.
5. Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in het derde en
vierde lid, is afdeling 3.4, met uitzondering van artikel 3:18, van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Een aanvraag als bedoeld in het derde of vierde lid wordt
afgewezen indien de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan tien
procent leerlingverlies bij een vestiging van een school of
scholengemeenschap van een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de
samenwerking, tenzij dat bevoegd gezag heeft verklaard, daarmee in te
stemmen.
7. Artikelen 65, vijfde lid, en 66, eerste en derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in het derde en
vierde lid.
8. Bij besluiten over een onderwijsvoorziening als bedoeld in het
derde lid, onderdelen a en b, is artikel 66, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing. Bij besluiten over overige in het derde
lid bedoelde onderwijsvoorzieningen vangt de bekostiging aan op 1
augustus van enig kalenderjaar.
Artikel 73. Cursussen
1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet
onderwijs, niet zijnde voorbereidend beroepsonderwijs, geheel of
gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging
in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte
bestaat.
2. Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden.
3. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde
bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels over de verdeling vastgesteld.
4. Indien een cursus voortgezet onderwijs als bedoeld in het eerste
lid voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 6e van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 74. Aanvullende middelen
Onze Minister kan onder door hem nader te stellen voorwaarden
aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot
bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de
schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het
primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve
daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering
van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan
het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het
verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van
de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 76. Uitvoeringsvoorschriften
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld
voor de uitvoering van deze afdeling.
Afdeling IA. Voorziening in de huisvesting en inventaris
Hoofdstuk I. Voorziening in de huisvesting voor zover het betreft
scholen voor V.W.O., voor A.V.O., voor V.B.O. en voor praktijkonderwijs
Artikel 76a. Reikwijdte van hoofdstuk I
De artikelen 76b tot en met 76w zijn slechts van toepassing op
scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
Artikel 76b. Voorziening in huisvesting door de gemeente
1. De gemeenteraad draagt onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders dragen ten behoeve van de gemeentelijke en van de andere
dan gemeentelijke scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting
op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in dit
hoofdstuk. Hij behandelt onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de
gemeentelijke en de andere dan gemeentelijke scholen op gelijke voet.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een andere dan
een gemeentelijke school mede begrepen een op het grondgebied van de
gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de
hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.
Artikel 76c. Voorzieningen in de huisvesting
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder voorzieningen
in de huisvesting begrepen:
a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik
bestemde voorzieningen, bestaande uit:
1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte
daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een
gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van leer-
en hulpmiddelen en meubilair,
2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen,
en
3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het
onderwijs;
b. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein;
c. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
omstandigheden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto
vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven
die voorzieningen in de huisvesting ten minste dienen te bevatten.
Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden
vastgesteld.
Artikel 76d. Vaststelling door burgemeester en wethouders van
bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks ten behoeve van het
eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een
bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in
de huisvesting voor:
a. basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,
b. speciale scholen voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs,
c. scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet
speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra,
d. scholen voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
deze wet, en
e. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor
hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor
voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat
redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het
eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 76e. Indiening aanvraag
1. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school
dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor
opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel 76f,
in bij burgemeester en wethouders.
2. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van voorzieningen
als bedoeld in artikel 76c bekostiging verstrekken ter zake van de
kosten van bouwvoorbereiding.
3. Burgemeester en wethouders stellen vast, voor welk tijdstip de
aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te
voldoen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de
gemeentelijke scholen.
Artikel 76f. Programma huisvestingsvoorzieningen
1. Burgemeester en wethouders stellen, na overleg met de bevoegde
gezagsorganen van de andere dan gemeentelijke scholen op het
grondgebied van de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs
op het grondgebied van de gemeente voor een door hen te bepalen
tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het
programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 76d,
eerste lid, onderdelen a tot en met e.
2. Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld
in artikel 76c, die in het jaar na de vaststelling van het programma
voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor andere dan
gemeentelijke scholen en voorzieningen die nodig zijn voor
gemeentelijke scholen.
3. Burgemeester en wethouders nemen uitsluitend voorzieningen in de
huisvesting in het programma op, voor zover:
a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar
van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan
worden gemaakt dan wel de voorziening wordt gerealiseerd, en
b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 76k,
van toepassing is.
4. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet
toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die
uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de
volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in
artikel 76m, eerste lid, onderdeel c.
5. De beschikking van burgemeester en wethouders kan een gedeelte
van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst
omvatten.
6. Burgemeester en wethouders kunnen aan de opneming in het
programma voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of
buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
7. Burgemeester en wethouders nemen bij de vaststelling van het
programma de criteria, bedoeld in artikel 76m, eerste lid, onderdeel
c, in acht.
8. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treden
burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de
wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming
leidt, delen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat zij
niet kunnen instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van
uitvoering.
9. Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kunnen
burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit
te brengen over de vaststelling van het programma
huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en
de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een
bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het
verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies
wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan
burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen
met het programma.
Artikel 76g. Overzicht
Burgemeester en wethouders stellen gelijktijdig met het programma,
bedoeld in artikel 76f, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied
van de gemeente voor een door hen te bepalen tijdstip een overzicht vast
van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet
op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de
desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt
ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld
in artikel 76d, eerste lid, onderdelen a tot en met e.
Artikel 76h. Geen vaststelling van programma en overzicht
Burgemeester en wethouders stellen geen programma als bedoeld in
artikel 76f en geen overzicht als bedoeld in artikel 76g vast, indien
geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is
ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 76d, eerste lid,
onderdelen a tot en met e.
Artikel 76i. Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter
1. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school
dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het programma,
bedoeld in artikel 76f, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang
van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag om
bekostiging van die voorziening in bij burgemeester en wethouders.
2. De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan
wel een andere voorziening dan gewenst omvatten. Burgemeester en
wethouders wijzen de aanvraag af, indien:
a. de beslissing over de voorziening kan worden genomen bij de
vaststelling van het eerstvolgende programma, of
b. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 76k, eerste
lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing
is.
Artikel 76j. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op
bekostiging
1. Burgemeester en wethouders beslissen bij beschikking met ingang
van welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van
het programma, bedoeld in artikel 76f, de bekostiging van een
voorziening die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een
aanvang kan nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 76l.
2. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
niet binnen een in de verordening op basis van artikel 76m te bepalen
termijn na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking
tot de voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-,
huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 76k. Weigeringsgronden
1. Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd,
indien:
a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van
artikel 76c,
b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van
de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds
beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd,
gelet op de normen, bedoeld in artikel 76m, eerste lid, onderdeel
b,
c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van
de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of
onderwijskundige ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het
bepaalde in artikel 76m, eerste lid, onderdelen c en d,
d. op andere wijze dan is gewenst redelijkerwijs in de behoefte
aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen
redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening
gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor
bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan
beschikbaar komt,
e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet
toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen
als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van dat
artikel, of
f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de
onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.
2. Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd,
indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van
noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of
indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is
veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
Artikel 76l. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe
feiten en omstandigheden
Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 76f, zijn
opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip
dat daarvoor op grond van artikel 76j is vastgesteld,
a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde
voorschriften, en
b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten
opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de
vaststelling van het programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 76m. Gemeentelijke regeling
1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met
betrekking tot:
a. de voorzieningen die ingevolge artikel 76c voor bekostiging
in aanmerking kunnen worden gebracht,
b. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,
c. de urgentiecriteria,
d. de prognosecriteria,
e. de termijn bedoeld in artikel 76j,
f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik
van ruimten voor het onderwijs,
g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een
school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij
toepassing van artikel 76u, alsmede de procedure in verband met
een eventueel op te maken staat van onderhoud, en
h. de gegevens bedoeld in artikel 76w.
2. De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan
de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in
de gemeente stelt.
3. De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de
bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de
huisvesting.
4. Burgemeester en wethouders betalen volgens door hen te stellen
regels de bedragen aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde
normen.
5. De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid,
dan wel een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op
overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde
gezagsorganen van de andere dan gemeentelijke scholen in de gemeente
aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een
procedure vast.
6. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de
gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over
de vaststelling of wijziging van de gemeentelijke verordening in
relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.
Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft
gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een
omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het
advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het
advies wordt bekend gemaakt tezamen met de verordening of de wijziging
daarvan.
Artikel 76n. Bouwheerschap
1. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school
geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van
de artikelen 76f en 76i kan worden overgegaan, tot stand te brengen
met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het
met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze
voorziening tot stand brengt.
2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een
andere dan een gemeentelijke school tot stand heeft gebracht, worden
gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen,
tenzij burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders
overeenkomen.
3. Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede
lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geven
burgemeester en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 76o. Instemming met eigen bouwplannen voor een andere dan een
gemeentelijke school
Tenzij het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school
dat aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de
huisvesting, met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente
deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de
desbetreffende begrotingen de instemming van burgemeester en wethouders.
Artikel 76p. Totstandbrenging voorziening andere dan een
gemeentelijke school
De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een andere
dan een gemeentelijke school slechts tot stand, indien tussen
burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat
over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.
Artikel 76q. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de
roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te
gebruiken en te onderhouden.
2. Vervreemding door het bevoegd gezag van een andere dan een
gemeentelijke school anders dan op grond van de artikelen 42c en 50,
van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt
genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van
een andere dan een gemeentelijke school van zodanige gebouwen en
terreinen is zonder toestemming van burgemeester en wethouders nietig.
3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht
van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke
voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd
gezag van de betrokken school.
Artikel 76r. Vorderingsrecht
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gedeelte van een
gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag
niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd
als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas
bekostigd onderwijs niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere
culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.
Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan
de in het gebouw gevestigde school. Tevens zijn burgemeester en
wethouders bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke
opvoeding of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een
gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in
het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school,
gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander
uit de openbare kas bekostigd onderwijs, niet zijnde voortgezet
onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of
recreatieve doeleinden te bestemmen. Burgemeester en wethouders zijn
bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het
voortgezet onderwijs wordt gebruikt, gedurende die tijd te bestemmen
voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op
zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het
terrein wordt gegeven.
2. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een andere dan
een gemeentelijke school, plegen burgemeester en wethouders vooraf
overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met
het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de
huisvesting is bestemd.
Artikel 76s. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1. Voor zover artikel 76r geen toepassing vindt, kan het bevoegd
gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten
behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor
andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor
zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het
bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een
derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of
bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een andere dan een
gemeentelijke school betreft, is voor verhuur toestemming van
burgemeester en wethouders vereist.
2. De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:
a. indien burgemeester en wethouders gebruik maken van hun
bevoegdheid op grond van artikel 76r zonder dat enige schadeplicht
ontstaat, of
b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig
is voor gebruik door de eigen school.
3. Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt
niet indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het
onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.
4. Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is
artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van
toepassing.
5. Het zonder toestemming van burgemeester en wethouders verhuren
van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een andere dan
een gemeentelijke school alsmede elk met dit artikel strijdig beding
opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen,
is nietig.
Artikel 76t. Voorziening niet ten laste van de gemeente
Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur
krachtens de artikelen 76s of 76u door het bevoegd gezag van een andere
dan een gemeentelijke school, komen niet ten laste van de gemeente.
Artikel 76u. Einde gebruik gebouw of terrein door andere dan een
gemeentelijke school
1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een andere
dan een gemeentelijke school dat eigenaar is van het gebouw en terrein
kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag
blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of
terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor
de school te gebruiken.
1a. Bij toepassing van het eerste lid stellen burgemeester en
wethouders en het bevoegd gezag van de desbetreffende school
gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat
verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk
onderhoud. Indien dat het geval is, vindt verrekening plaats van de
daarmee gemoeide kosten.
1b. De gemeenteraad en het bevoegd gezag van de andere dan
gemeentelijke scholen treffen gezamenlijk een voorziening voor het
beslechten van geschillen die zich bij de toepassing van lid 1a
voordoen.
2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het eerste lid desgevraagd besluiten dat het bevoegd
gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het
gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte
daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt
gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van
de school.
3. Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school
dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan,
blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan
onverwijld mededeling aan burgemeester en wethouders.
4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het
tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit
onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als
bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O. en waarvoor door het
bevoegd gezag van rijkswege slechts een rentevergoeding is ontvangen,
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel
1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving
verkrijgt de gemeente de eigendom.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een andere
dan een gemeentelijke school dat eigenaar is van het schoolgebouw,
kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het
gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet
meer voor het onderwijs nodig zal zijn.
6. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de
toepassing van het vijfde lid desgevraagd besluiten dat een gedeelte
van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend
niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het
besluit wordt gedaan door burgemeester en wethouders of door het
bevoegd gezag van de school. Alvorens op de aanvraag te besluiten,
horen gedeputeerde staten de wederpartij.
7. Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is
getekend, of het in het zesde lid bedoelde besluit van gedeputeerde
staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de
uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het
zesde lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, kan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke
school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van
burgemeester en wethouders verhuren.
8. De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor
een tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag
kan dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten
hoogste 3 jaren.
9. Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
Artikel 76v. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van andere dan
gemeentelijke scholen
In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad besluiten dat
jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het
bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school voor zover die
op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden. De
gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.
Artikel 76v.1. Huisvesting scholengemeenschap school voor voortgezet
onderwijs met ROC of school voor m.a.v.o. met AOC
1. In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd
het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting bij of
krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing op
scholen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een
scholengemeenschap die omvat:
a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor
voortgezet onderwijs, dan wel
b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor
praktijkonderwijs.
2. Artikel 76u is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en
terreinen waarvan het bevoegd gezag van een andere dan een
gemeentelijke school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari
1997 een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid tot stand
komt dan wel wordt uitgebreid met een school voor voortgezet
onderwijs.
3. De gemeenteraad kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
besluiten:
a. dat het tweede lid niet van toepassing is,
b. dat daarvoor het bevoegd gezag of de gemeenteraad aan de
andere partij een vergoeding is verschuldigd, alsmede
c. in voorkomende gevallen, hoe hoog die vergoeding is.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, vindt
inschrijving van dat feit plaats in de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 76w. Informatieverstrekking aan burgemeester en wethouders
Het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school is
gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad
onderscheidenlijk burgemeester en wethouders voor een adequate
uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk noodzakelijk achten.
Hoofdstuk II [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 76x [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 76y [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 76z [Vervallen per 06-04-2005]
Afdeling II. Grondslagen en wijze der bekostiging
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 77. Algemeen
1. De scholen, bedoeld in afdeling I van titel II worden door het
Rijk bekostigd met inachtneming van de artikelen 78 tot en met 106. De
uitgaven, bedoeld in de artikelen 96g en 96h, alsmede de bedragen die
de gemeente krachtens deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging
verstrekt, blijven ten laste van de gemeente.
2. Aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen als bedoeld
in afdeling I van titel II wordt uit de openbare kas geen bekostiging
verstrekt dan krachtens de bepalingen van deze wet.
3. Met betrekking tot een scholengemeenschap of een school en de
daaraan verbonden cursussen in de zin van artikel 75b, eerste lid,
kunnen zo nodig in afwijking van het bepaalde in deze afdeling bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven
voor de toepassing van deze afdeling.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van een
budget ten behoeve van aanvullende zorg voor leerlingen van de scholen
in het samenwerkingsverband, in aanvulling op de bekostiging, berekend
op grond van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde. Het budget
wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever daartoe
beschikbaar gestelde middelen vastgesteld en uitgekeerd. De algemene
maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken
na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door
of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het
in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan
wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van
toepassing, indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur
voordien aan de beide kamers is overgelegd en door of namens de kamers
te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige drie
volzinnen, kan worden afgeweken.
5. Voor de toepassing van deze afdeling zijn de voorschriften die
betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige
toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een
stichting als bedoeld in artikel 42b of een openbare rechtspersoon als
bedoeld in artikel 42a, tenzij het tegendeel blijkt.
Artikel 77a. Leerlinggebonden budget
1. Indien op verzoek van de ouders van een leerling voor wie op
basis van een beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling
als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, een
leerlinggebonden budget beschikbaar is, die leerling wordt
ingeschreven bij een school, dan wel indien een dergelijk budget
beschikbaar komt voor een leerling die al staat ingeschreven bij een
school, meldt het bevoegd gezag van die school die inschrijving,
respectievelijk het beschikbaar komen van een leerlinggebonden budget
voor de desbetreffende leerling, aan Onze minister.
2. Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een school als
leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, dan wel
indien een leerlinggebonden budget beschikbaar komt voor een leerling
die al staat ingeschreven bij een school, wordt met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op de inschrijving, respectievelijk
het beschikbaar komen van het leerlinggebonden budget, aan het bevoegd
gezag van die school ten behoeve van die leerling een leerlinggebonden
budget toegekend, dat wordt berekend op een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze. De omvang van het
leerlinggebonden budget is afhankelijk van de onderwijssoort waarvoor
de leerling toelaatbaar is verklaard, waarbinnen onderscheid kan
worden gemaakt op grond van leerlingkenmerken, en van de
onderwijssoort van de school waarbij de leerling wordt ingeschreven.
In de vorige volzin wordt met de onderwijssoort van de school waarbij
de leerling is ingeschreven tevens bedoeld het toegelaten zijn tot het
leerwegondersteunend onderwijs.
3. Indien ten behoeve van een leerling voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is in het lopende schooljaar dat
budget aan het bevoegd gezag van een school is toegekend, wordt bij
inschrijving van die leerling bij een andere school, het in het tweede
lid bedoelde leerlinggebonden budget aan het bevoegd gezag van
laatstbedoelde school toegekend met ingang van het nieuwe schooljaar.
4. Het bevoegd gezag van de school is verplicht een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden budget
te besteden bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
waarbinnen onderwijs wordt gegeven van de soort waarvoor de leerling
toelaatbaar is verklaard of van de soort die behoort tot hetzelfde
cluster als de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is
verklaard. Het in de eerste volzin bedoelde deel kan voor de
onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de
expertisecentra, verschillend worden vastgesteld. De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leerling die
toelaatbaar is verklaard tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde
lid onder d, van de Wet op de expertisecentra.
5. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd
gezag tevens aan bij welke school bedoeld in de Wet op de
expertisecentra het in het vierde lid bedoelde deel van het
leerlinggebonden budget wordt besteed. Op grond van deze melding kent
Onze minister dat deel van het leerlinggebonden budget toe aan
laatstbedoelde school.
6. Een krachtens het tweede en vierde lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na
de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt
vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens de kamer de wens
te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel
van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3
volzinnen zijn niet van toepassing, voor zover het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur voordien aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal is voorgelegd en door of namens de kamer te kennen is
gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan
worden afgeweken.
Artikel 77b. Indicatiestelling op verzoek van bevoegd gezag
1. De commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c
van de Wet op de expertisecentra, beoordeelt, indien de ouders van een
leerling niet overgaan tot een verzoek als bedoeld in artikel 28c,
eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, op verzoek van het
bevoegd gezag van de school van een leerling, die zijn woonplaats
heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum dat de
desbetreffende commissie voor de indicatiestelling in stand houdt, of
een leerling op basis van de in het achtste lid van artikel 28c van de
Wet op de expertisecentra bedoelde criteria:
a. in aanmerking komt voor een leerlinggebonden budget indien
de leerling wordt dan wel is ingeschreven bij een school alsmede
b. toelaatbaar is tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde
lid, onder d, van de Wet op de expertisecentra waarvoor de
commissie voor de indicatiestelling werkzaam is.
2. Het tweede, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, tiende en
elfde lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Het bevoegd gezag informeert de ouders van de desbetreffende
leerling schriftelijk over zijn voornemen om tot een verzoek als
bedoeld in het eerste lid over te gaan en stelt hen daarbij in de
gelegenheid binnen ten minste vier weken na dagtekening van de
informatieve mededeling aan te geven of zij zelf tot een verzoek
overgaan. Bij het aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde
lid, geeft het bevoegd gezag de reactie van de ouders weer.
Artikel 78. Kostensoorten
De kosten van de scholen zijn:
a. huisvestingskosten,
b. inventariskosten,
c. personeelskosten, en
d. exploitatiekosten.
Hoofdstuk II. Grondslagen van de genormeerde bekostiging
§ 1 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 79 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 80 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 81 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 82 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 83 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 2. Grondslag bekostiging personeelskosten
Artikel 84. Grondslagen berekening omvang formatie
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
scholen de grondslagen vastgesteld voor de omvang van de formatie van:
a. de rectoren, directeuren, conrectoren en
adjunct-directeuren,
b. de leraren, en
c. het onderwijsondersteunend personeel.
De formatie is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren
van de school, wat de onder a genoemde personeelscategorie betreft,
voor het geven van onderwijs, wat de onder b genoemde
personeelscategorie betreft, en voor de overige werkzaamheden
voortvloeiende uit het geven van onderwijs, alsmede voor de
ondersteuning van het onderwijs, wat de onder c genoemde
personeelscategorie betreft.
2. De grondslagen van de berekening van de omvang van de formatie
worden wat betreft het in het eerste lid onder a, b en c genoemde
personeel in elk geval gevormd door een normatieve relatie tussen het
aantal leerlingen en het aantal personeelsleden van de school,
onderscheiden naar personeelscategorieën.
3. De grondslagen worden wat het in het eerste lid onder b genoemde
personeel betreft bovendien gevormd door een vast aantal
formatieplaatsen.
4. Voor het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personeel
wordt voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van
artikel 75c in aanmerking komt voor bekostiging een afzonderlijke
grondslag vastgesteld op basis van het aantal leerlingen in dat
onderwijs voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat
zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het
praktijkonderwijs.
5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de
overlegging zijn verstreken.
Artikel 84a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 84b. Grondslag bekostiging kosten van vervanging van
personeel, uitkeringen aan gewezen personeel en suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid
1. Aan de scholen, bedoeld in artikel 84, eerste lid, wordt in
verband met de kosten van vervanging van personeel en de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt.
2. De omvang van de in het eerste lid bedoelde bekostiging bedraagt
een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen percentage
van de bekostiging van de salarissen die onderdeel zijn van de in
artikel 85, eerste lid, bedoelde gemiddelde personeelslast. Bij
ministeriële regeling kan het percentage, bedoeld in de eerste
volzin, tussentijds worden gewijzigd. De ministeriële regeling kan
vaststellen welk deel van de bekostiging van de salarissen wordt
gehanteerd bij de berekening, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 85. Omvang bekostiging
1. De bekostiging van de kosten van het in artikel 84 bedoelde
personeel wordt vastgesteld door de krachtens artikel 84 vastgestelde
formatie te vermenigvuldigen met een gemiddelde personeelslast, met
inachtneming van ter zake bij of krachtens de in artikel 84, eerste
lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur vast te stellen
voorschriften. De gemiddelde personeelslast is het genormeerde bedrag
van de personele middelen per formatieplaats voor elke
personeelscategorie, in welk bedrag tevens zijn verwerkt incidentele
loonontwikkelingen en algemene salarismaatregelen.
2. Onder de personele middelen worden verstaan de middelen ten
behoeve van de salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen ten
behoeve van personeel van de scholen, alsmede de bijdragen tot hun
pensioen en tot dat van hun nagelaten betrekkingen.
3. De gemiddelde personeelslast, die per schoolsoort kan
verschillen, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. Naast de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontvangt het
bevoegd gezag een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag per leerling in verband met de maatschappelijke stage, bedoeld
in artikel 6f. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag kan bij
ministeriële regeling worden gewijzigd.
Artikel 85a. Aanvullende bekostiging personeelskosten
1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs
daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling
voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van
aanvullende bekostiging voor personeelskosten.
2. In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op
verzoek van het bevoegd gezag van een in het eerste lid bedoelde
school en onder door hem te stellen voorwaarden aanvullende
bekostiging voor personeelskosten verstrekken
3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend in
het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich hebben
aangediend. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van
een in het tweede lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet
binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de
aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde
bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
5. Onze minister kan in verband met de in het tweede lid bedoelde
bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
§ 2a [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 85b [Vervallen per 06-04-2005]
§ 3. Grondslag bekostiging exploitatiekosten
Artikel 86. Bekostiging exploitatiekosten
1. De bekostiging voor de exploitatiekosten van de scholen heeft
betrekking op de volgende componenten:
a. onderhoud van het gebouw en het terrein,
b. energie- en waterverbruik,
c. middelen, waaronder mede wordt verstaan lesmateriaal als
bedoeld inartikel 6e,
d. administratie, beheer en bestuur,
e. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,
f. schoonmaken, en
g. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van
belastingen ter zake van onroerende zaken.
2. De bekostiging wordt zodanig vastgesteld dat zij voldoet aan de
redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende
school.
3. De bekostiging omvat:
a. een vast bedrag per school,
b. een bedrag dat afhankelijk is van de normatieve
ruimtebehoefte per leerling,
c. een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen van
de school, en
d. voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond
van artikel 75c in aanmerking is gebracht voor bekostiging een
bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen in dat
onderwijs voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald
dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot
het praktijkonderwijs.
4. De in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen
kunnen per schoolsoort en per groep van leerlingen verschillen. De in
het derde lid onder b en c bedoelde bedragen kunnen bovendien
verschillen voor:
a. de eerste twee leerjaren van de school, en
b. de overige leerjaren.
5. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de in
het derde lid onder a tot en met d bedoelde bedragen vastgesteld. Bij
deze regeling worden tevens nadere voorschriften gegeven omtrent de
wijze waarop de bekostiging wordt berekend, alsmede voorschriften
omtrent de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld. De
vastgestelde bedragen gelden voor het kalenderjaar dat aanvangt na het
tijdstip van vaststelling.
6. Bij de vaststelling van de in het derde lid onder a tot en met c
bedoelde bedragen, dan wel als tussentijdse aanpassing van die
bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te geven regels
loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks
schatkist zich daartegen verzet.
7. De ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De ministeriële regeling treedt
niet eerder in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het
overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of
namens de Kamer de wens tot overleg over de regeling te kennen wordt
gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd. De eerste tot
en met derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van tussentijdse aanpassingen als bedoeld in het zesde lid.
Artikel 87
[Dit artikel is nog niet in werking getreden.]
Artikel 88
[Dit artikel is nog niet in werking getreden.]
Artikel 89. Aanvullende bekostiging exploitatiekosten
1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs
daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling
voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van
aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten.
2. Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs aan
een school daartoe aanleiding geven, kan Onze minister op verzoek van
het bevoegd gezag onder door hem te stellen voorwaarden en voor een
door hem te bepalen periode aanvullende bekostiging voor
exploitatiekosten verstrekken. Het verzoek wordt ingediend in het
kalenderjaar waarin deze ontwikkelingen zijn aangevangen. Onze
minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek.
Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven,
stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
3. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde
bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
4. Onze minister kan in verband met de in het tweede lid bedoelde
bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij
ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
§ 4
Artikel 90 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 91 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 91a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 92 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 93a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 94 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95 [Vervallen per 01-08-1998]
§ 5
Artikel 95a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95d [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95d.1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95e [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 95g [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96a [Vervallen per 01-08-1998]
Hoofdstuk III. Wijze van de bekostiging
§ 1 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 96b [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 96c [Vervallen per 06-04-2005]
§ 1a. Onroerende zaak-belastingen
Artikel 96c.1. Bekostiging middelen door gemeente
De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een andere dan een
gemeentelijke school dat is onderworpen aan een of meer van de in
artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van
onroerende zaken, het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met
betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen.
§ 2. Bekostiging personeels- en exploitatiekosten
Artikel 96d. Bekostiging bedragen voor personeels- en
exploitatiekosten
1. Met inachtneming van de artikelen 84 tot en met 85 en 86, eerste
lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van openbare
en bijzondere scholen een bekostigingsbedrag ten behoeve van de
personeels- en exploitatiekosten gezamenlijk.
2. In geval van het verstrekken van aanvullende bekostiging als
bedoeld in artikel 85a of artikel 89 verstrekt het Rijk aan het
desbetreffende bevoegd gezag het bedrag van deze bekostiging.
§ 2a [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 96d.2 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 3
Artikel 96e [Vervallen per 01-08-1998]
§ 4
Artikel 96f [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96f.1 [Vervallen per 01-08-1998]
§ 5
Artikel 96f.2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96f.3 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96f.4 [Vervallen per 01-08-1998]
§ 6. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële
voorzieningen
Artikel 96g. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare
scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
1. Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere
rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden dan
wel openbare scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor
het desbetreffende onderwijs welke niet door het Rijk worden
bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor
vast en zijn de artikelen 96i tot en met 96k niet van toepassing.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid
tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling
van scholen naar dezelfde maatstaf.
3. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de
voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente
gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kunnen worden
aangevraagd en de procedure voor het doen van een aanvraag.
4. De gemeenteraad kan besluiten dat burgemeester en wethouders de
regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met
nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen 1 week aan de
bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden
scholen gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de
aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de
gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet
binnen 12 weken een besluit heeft genomen, wordt de aanvulling
gelijkgesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van
de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen
waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die
voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.
5. Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
wijziging daarvan.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging
aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de
hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het
eerste lid, aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om,
met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te
besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen
waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in
afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer
van de in de regeling genoemde voorzieningen.
7. Burgemeester en wethouders maken jaarlijks in een van
overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een
overzicht bekend van de op grond van de regeling, bedoeld in het
eerste lid, toegekende voorzieningen.
Artikel 96g1. Gemeentelijk beleid bij verzelfstandiging van het
openbaar onderwijs in een gemeente
1. Indien de gemeenteraad ten aanzien van een of meer door de
gemeente in stand gehouden openbare scholen besluit dat deze met
ingang van een datum die is gelegen in de periode die aanvangt met een
bij koninklijk besluit te bepalen datum en eindigt met ingang van het
negende kalenderjaar daaropvolgend, in stand zullen worden gehouden
door een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente, kan de
regeling, bedoeld in artikel 96g, eerste lid, dan wel de regeling,
bedoeld in artikel 96h, eerste lid, bij effectuering van dat besluit
ten aanzien van die scholen en in afwijking van artikel 96g, tweede
lid, dan wel een regeling op grond van dit artikel bij effectuering
van dat besluit ten aanzien van die scholen, erin voorzien dat door de
gemeente aan een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente die die
scholen in stand houden, bekostiging voor administratie, beheer en
bestuur wordt toegekend als aangegeven in het tweede lid.
2. De bekostiging, die op grond van het eerste lid kan worden
toegekend, bedraagt gedurende het eerste en het tweede kalenderjaar
volgend op het tijdstip waarop de scholen, bedoeld in het eerste lid,
niet langer door de gemeente in stand worden gehouden, maximaal 4 maal
18% van de bekostiging voor de exploitatiekosten, op grond van artikel
86, en gedurende het derde, vierde en het vijfde kalenderjaar maximaal
3 maal 18% van die bekostiging.
3. Indien de gemeenteraad besluit scholen niet langer in stand te
houden vanaf een andere datum dan 1 augustus dan geldt als het eerste
kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid, het deel van het kalenderjaar
dat volgt op de datum waarop de gemeente die scholen niet langer in
stand houdt en bedraagt de bekostiging die voor dat eerste
kalenderjaar maximaal kan worden toegekend voor administratie, beheer
en bestuur een evenredig deel van de bekostiging die op grond van het
tweede lid maximaal kan worden toegekend.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt per school uitgegaan
van de bekostiging voor exploitatiekosten voor het kalenderjaar direct
voorafgaand aan het tijdstip waarop door de gemeente de desbetreffende
school niet langer in stand wordt gehouden.
5. De op grond van het eerste lid toe te kennen bekostiging kan in
een kalenderjaar niet hoger zijn dan de in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar op grond van dit artikel toegekende bekostiging. De
eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van de bekostiging
voor het tweede kalenderjaar indien de bekostiging voor het eerste
kalenderjaar is bepaald op grond van het derde lid. Bij de toepassing
van de eerste volzin blijft het teruggestorte bedrag, bedoeld in het
zevende lid, buiten beschouwing.
6. Het bevoegd gezag dat een school als bedoeld in het eerste lid
in stand houdt die voor die tijd door de gemeente in stand werd
gehouden, legt aan die gemeente en aan de andere rechtspersonen die
een of meer niet door de gemeente in stand gehouden scholen in die
gemeente in stand houden, jaarlijks een verklaring van een accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek over met betrekking tot de uitgaven en ontvangsten voor
administratie, beheer en bestuur.
7. Voor zover voor een school als bedoeld in het eerste lid, de
bekostiging, bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met 18% van de
bekostiging voor de exploitatiekosten, op grond van artikel 86, in een
kalenderjaar niet volledig is aangewend voor uitgaven voor
administratie, beheer en bestuur, wordt het verschil door het bevoegd
gezag, bedoeld in het zesde lid, teruggestort in de gemeentekas.
Artikel 96h. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare
scholen in stand houdt
1. Indien een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand
houdt en zij uitgaven wil doen ten behoeve van het voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs, het
voorbereidend beroepsonderwijs of het praktijkonderwijs welke niet
door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij
verordening een regeling vaststellen.
2. Artikel 96g, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing.
§ 7. Overschrijdingsregeling ten behoeve van bijzondere scholen
Artikel 96i. Vaststelling uitgaven en inkomsten personeels- en
exploitatiekosten; vaststelling percentage t.b.v. niet door de gemeente
in stand gehouden scholen
1. Indien een gemeente een of meer scholen in stand houdt, stellen
burgemeester en wethouders jaarlijks met betrekking tot die scholen
voorlopig vast:
a. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande
kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de personeelskosten,
b. [vervallen,]
c. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande
kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de exploitatiekosten,
d. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in artikel 85,
e. [vervallen,]
f. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de
bedragen die krachtens artikel 86 voor de exploitatiekosten voor
dat kalenderjaar zijn vastgesteld, alsmede de bedragen die
krachtens artikel 99, tweede lid tweede volzin, voor voorzieningen
in de exploitatie worden aangewend,
g. het totaal van de aanvullende ontvangsten waaronder worden
verstaan de bedragen die krachtens artikel 89 voor de
exploitatiekosten voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,
h. het bedrag dat de gemeente in het voorafgaande kalenderjaar
heeft uitgegeven ten behoeve van de instandhouding van een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 53b, en
i. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld ten behoeve
van het openbaar onderwijs.
2. Indien de gemeente een deel van de ontvangsten, bedoeld in het
eerste lid onderdeel d, dan wel een deel van de ontvangsten, bedoeld
in de onderdelen f of g van dat lid, toevoegt aan een voorziening,
wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid
onderdeel a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld in de
onderdelen c of h van dat lid. Indien de gemeente bedragen aan een
voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten, bedoeld
in het eerste lid onderdeel d, onderscheidenlijk als ontvangsten als
bedoeld in de onderdelen f of g van dat lid.
3. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven
en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in
artikel 86, eerste lid, onderdeel d.
4. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid
onderdeel a en d, worden buiten beschouwing gelaten de bedragen die
door de gemeente met toepassing van artikel 118b, eerste lid, in het
voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de
personeelskosten, onderscheidenlijk de daarop betrekking hebbende
ontvangsten. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a, c en h worden voorts buiten beschouwing
gelaten de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van bedragen
die door derden zijn betaald, de uitgaven die worden gedekt door
ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 96g, zesde
lid, tweede volzin, en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
op grond van de regeling, bedoeld in artikel 96h, eerste lid, een
aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel gedurende de periode
waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan.
5. Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor personeels-
en exploitatiekosten overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat
deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a of onderdeel c. Indien door een ander bevoegd gezag een
deel van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten aan de
gemeente wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een
ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f.
6. Om de vijf jaar stellen burgemeester en wethouders voorlopig
vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de
voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met vijfde
lid is aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten,
bepalen burgemeester en wethouders tevens het bedrag van de
overschrijding. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een
periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school in
stand houdt, stellen burgemeester en wethouders in afwijking van die
volzin zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig vast het totaal
van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het aan dat tijdstip
voorafgaande deel van de periode van vijf jaar, zoals in het eerste
tot en met vijfde lid is aangegeven.
7. Na sluiting van de rekening van de gemeente stellen burgemeester
en wethouders de in het eerste en zesde lid bedoelde bedragen, zo
nodig gewijzigd, vast. In het geval de uitgaven hoger zijn dan de
ontvangsten, bedoeld in het zesde lid, drukken burgemeester en
wethouders vervolgens het bedrag van de overschrijding, bedoeld in
genoemd lid, uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten,
bedoeld in het eerste lid onderdelen d tot en met g. Het percentage
wordt afgerond tot twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats
indien de derde decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze
decimaal ten minste 5 bedraagt.
8. Voor de toepassing van de artikelen 96i tot en met 96k worden
uitgaven ten behoeve van een nevenvestiging aangemerkt als uitgaven
ten behoeve van de hoofdvestiging van de school waaraan de
nevenvestiging is verbonden. Indien ten behoeve van een school of
nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente,
worden deze uitgaven aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier
grondgebied de hoofdvestiging is gelegen. In het geval, bedoeld in de
vorige volzin worden de besluiten ingevolge de artikelen 96i tot en
met 96k genomen door laatstbedoelde gemeente en hebben deze mede
betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten. Voor de
toepassing van de artikelen 96i tot en met 96k wordt een
nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de
gemeente van de hoofdvestiging.
9. Burgemeester en wethouders kunnen in overeenstemming met het
bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
besluiten dat met betrekking tot een of meer scholen van dat bevoegd
gezag uitgaven die de gemeente doet ten behoeve van een door haar in
stand gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het
vaststellen van de bedragen, bedoeld in dit artikel.
Artikel 96j. Vaststelling overschrijdingsbedrag t.b.v. niet door de
gemeente in stand gehouden scholen
1. In het jaar volgend op de definitieve vaststelling, bedoeld in
artikel 96i, zevende lid, wordt het overschrijdingsbedrag vastgesteld
waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school die gedurende een of meer jaren van het desbetreffende
tijdvak in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Dit
overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld
in artikel 96i, zevende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de
ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat
is gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 84, eerste tot
en met derde lid, 85 en 86 voor het desbetreffende tijdvak zijn
vastgesteld, met dien verstande dat bij het vaststellen van het totaal
van de ontvangsten, bedoeld in de vorige volzin, buiten beschouwing
blijven de ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld
in artikel 86, eerste lid, onderdeel d.
2. Indien een gemeente gedurende een gedeelte van het
desbetreffende tijdvak een of meer scholen in stand houdt, wordt voor
het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste
lid, uitgegaan van het totaal van de ontvangsten van een niet door de
gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van
het desbetreffende tijdvak.
Artikel 96k. Uitkering overschrijdingsbedrag aan niet door de
gemeente in stand gehouden scholen; beroep op gedeputeerde staten
1. Na de voorlopige vaststelling van het bedrag van de
overschrijding, bedoeld in artikel 96i, zesde lid, keren burgemeester
en wethouders aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in
stand gehouden school dat op grond van artikel 96j, eerste lid,
aanspraak heeft op een uitkering, een voorschot uit. Het voorschot
omvat het voorlopig vastgestelde bedrag van de overschrijding,
berekend op de wijze als is aangegeven in artikel 96j, eerste en
tweede lid.
2. De bekendmaking van de beschikkingen tot voorlopige en
definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het
zesde onderscheidenlijk zevende lid van artikel 96i, behelst tevens
een staat van de voorzieningen als bedoeld in artikel 96i, eerste lid,
onderdeel i, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het verloop van
de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen.
3. Het bevoegd gezag van een in het eerste lid bedoelde school kan
tegen de in het derde lid bedoelde beschikkingen administratief beroep
instellen bij gedeputeerde staten.
§ 8
Artikel 96l [Vervallen per 01-08-1998]
§ 9. Vaststelling en betaling van de bekostiging
Artikel 96m. Bekostiging
1. Het bedrag van de bekostiging waarop het bevoegd gezag over een
kalenderjaar aanspraak heeft, stelt Onze minister vast op de som van
de overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk verstrekte bekostiging
en betaalde bedragen.
2. Op het in het eerste lid bedoelde bedrag worden in mindering
gebracht:
a. de inkomsten die het bevoegd gezag geniet uit cursusgelden
als bedoeld in de Les- en cursusgeldwet,
b. de inkomsten die het bevoegd gezag geniet uit verhaal van
wettelijk verschuldigde bedragen en premies,
c. de door Onze minister vast te stellen waarde van roerende
zaken die door vervreemding of op andere wijze worden onttrokken
aan de bestemming, waartoe zij met de vergoeding zijn aangeschaft,
en
d. de opbrengst van werkstukken en van verrichte diensten
anders dan in het kader van contractactiviteiten.
Artikel 96n. Vermindering vergoeding i.v.m. kosten van
wachtgelduitkeringen; gebruik burgerservicenummer, of bij het ontbreken
daarvan, sociaal-fiscaalnummer door de Minister
1. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, wordt
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
regels een bedrag in mindering gebracht in verband met de kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid aan gewezen
personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Deze regels kunnen
voorzien in:
a. onderscheid in verband met de datum waarop gewezen personeel
is ontslagen,
b. onderscheid in verband met de beslissing van de
rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, zoals luidend
op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV van de wet van
12 mei 2005, Stb. 288, en
c. verdeling van de in de eerste volzin bedoelde kosten over
enerzijds de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk en anderzijds
individuele bevoegde gezagsorganen.
2. Onze Minister kan het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van een persoon, behorend tot
gewezen personeel als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend in het
kader van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, gebruiken in
het verkeer met:
a. het bevoegd gezag van de school waar de in de aanhef
bedoelde persoon werkzaam was, of
b. de instantie die de uitkeringen verstrekt of heeft
verstrekt.
3. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van Onze
Minister aan Onze Minister verstrekt door het bevoegd gezag van de
school waar het gewezen personeelslid werkzaam was.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
5. Indien de verdeling van de in het eerste lid, onderdeel c,
bedoelde kosten bij ministeriële regeling wordt geregeld, is het
vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 96o. Aftrekposten bekostiging
1. [Vervallen.]
2. Op het bedrag, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, worden in
mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere
bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat
a. langer dan twee jaar anders dan wegens vervanging of in
geval van leraren indien de benoeming is geschied met toepassing
van artikel 33, derde lid juncto vijfde lid, onafgebroken, met een
onderbreking van een week of minder dan wel met een of meer
onderbrekingen gedurende een schoolvakantie, in een gelijksoortige
functie in tijdelijke dienst verbonden is geweest aan een school
van het bevoegd gezag, of
b. langer dan drie jaar direct of indirect in verband met het
verrichten van contractactiviteiten in tijdelijke dienst is
benoemd.
De in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar kan in geval van
een of meer ziekteperioden van langer dan vier weken met deze
ziekteperioden worden verlengd.
3. [Vervallen.]
4. [Vervallen.]
5. [Vervallen.]
6. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen
vermindering als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt.
7. [Vervallen.]
8. Onze minister kan projecten aanwijzen waarvoor het tweede lid
onderdeel a niet van toepassing is.
Artikel 96p [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96p.1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96q [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 96q.1 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 96r. Verlening en verrekening voorschotten op de bekostiging
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven voor de verlening van voorschotten op de bekostiging en voor de
verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de
vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.
Artikel 96r1. Verrekening van vorderingen
Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens
deze wet van of op het bevoegd gezag van een school met vorderingen van
of op Onze Minister krachtens een andere wet.
Artikel 96s. Overdracht bekostiging bij overstap leerling tijdens
schooljaar
Indien een leerling in de loop van het schooljaar de school verlaat
zonder de opleiding te hebben voltooid, en aansluitend wordt
ingeschreven als leerling aan een andere school voor voortgezet
onderwijs of als deelnemer aan een instelling voor educatie en
beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd
gezag van die andere school of die instelling overeenkomen een deel van
de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag vanwege deze
tussentijdse overstap.
Hoofdstuk IV. Overige bepalingen
Artikel 97. Boekhouding bijzonder onderwijs
1. Het bevoegd gezag van een bijzondere school houdt nauwkeurig
boek van de inkomsten en uitgaven.
2. Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft desverlangd
aan de door Onze minister aangewezen ambtenaren de boeken en
bescheiden ter inzage. Het bevoegd gezag is gehouden deze boeken en
bescheiden zeven jaren te bewaren.
Artikel 98 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 98a [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 98a1 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 98b [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 98c [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 99. Besteding bekostiging
1. Het bevoegd gezag besteedt de verstrekte bekostiging en de
betaalde bedragen ten behoeve van die school op de wijze zoals
aangegeven in het tweede tot en met vijfde lid.
2. De voor voorzieningen in de huisvesting betaalde bedragen worden
zodanig aangewend dat een behoorlijke en deugdelijke totstandkoming
van deze voorzieningen is verzekerd. Indien na realisatie van de in de
eerste volzin bedoelde voorzieningen de bedragen niet volledig zijn
aangewend, kan het resterende deel daarvan worden aangewend voor de
kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie.
3. Het voor personeels- en exploitatiekosten betaalde bedrag wordt
aangewend voor de kosten van personeel, zoals onderscheiden in de
artikelen 32 en 32a, voor voorzieningen in de exploitatie. In geval
van een overschot op die bedragen, kan dat overschot worden aangewend
voor voorzieningen in de huisvesting.
4. [Vervallen.]
5. De verstrekte overschrijdingsbedragen worden ten behoeve van het
onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag aangewend.
6. Het bevoegd gezag kan de bedragen, bedoeld in het derde lid,
mede aanwenden voor de kosten van personeel of voorzieningen in de
exploitatie van:
a. een andere school voor voortgezet onderwijs;
b. een scholengemeenschap waarvan een of meer scholen voor
voortgezet onderwijs deel uitmaken;
c. een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een school voor
speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de
Wet op de expertisecentra.
7. De op grond van artikel 77a, artikel 96g of artikel 96h
verstrekte bekostiging wordt besteed aan het doel waarvoor zij zijn
verleend.
8. Het bevoegd gezag kan met het bevoegd gezag waarmee het een
samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 25a,
derde lid, overeenkomen om vanwege de samenwerking een deel van de
bekostiging over te dragen aan het andere bevoegd gezag, bedoeld in
heteerste lid van dat artikel.
Artikel 99a [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 99b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 99c [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 100. Besteding overeenkomstig bestemming
1. De bedragen en bekostiging, bedoeld in artikel 99, worden niet
aangewend voor contractactiviteiten.
2. Het bevoegd gezag van de scholen, bedoeld in artikel 99,
berekent voor de contractactiviteiten aan de betrokken derden de
kosten zodanig dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.
Artikel 100a [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 100b [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 100c [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 101 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 102 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 102a. Geen vergoeding na schade door schuld of nalatigheid;
subrogatie wegens schade aan gebouwen van scholen
1. De kosten van herstel van schade aan gebouwen, terreinen en
roerende zaken ten behoeve waarvan met betrekking tot scholen
bekostiging wordt genoten, worden niet door de gemeente vergoed,
indien:
a. die schade door schuld of nalatigheid van de rechtspersoon
die de school in stand houdt, wordt toegebracht, of
b. het bevoegd gezag een beroep kan doen op een verzekering
waarvoor de premie voor vergoeding in aanmerking komt, of voor de
vergoeding van die schade door de gemeente een collectieve
verzekering is afgesloten, voor zover die collectieve verzekering
de schade dekt.
2. Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende
zaken van een door de gemeente bekostigde school voor vergoeding door
de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van
een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het
bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.
Artikel 102a.1 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 102b [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 103. Jaarverslag
1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het
voorafgaande kalenderjaar vast. Op deze jaarverslaggeving is Boek 2,
titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de
afdelingen 1, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald.
Het jaarverslag bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:
a. een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek waarin de door het bevoegd gezag
gehanteerde code voor goed bestuur wordt vermeld alsmede ten
minste verantwoording wordt afgelegd over de afwijkingen van die
code voor goed bestuur,
b. een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, met daarbij ingevolge het derde lid vast
te stellen bijlagen,
c. overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke
onderdelen het jaarverslag tevens dient te bevatten, dan wel welke
onderdelen komen te vervallen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een nadere
invulling worden gegeven aan de onderdelen, bedoeld in het eerste lid,
en kunnen nadere voorschriften worden gegeven over:
a. de indeling en wijze van ordening van de gegevens per
onderdeel van het jaarverslag,
b. de wijze en het tijdstip waarop de desbetreffende onderdelen
beschikbaar worden gesteld,
c. de elektronische verzending van het cijfermatige deel uit de
jaarrekening, en
d. de grondslagen voor de jaarrekening.
4. De beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het derde
lid, onderdeel b, gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een door de
toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de toezichthouder
of het toezichthoudend orgaan dat de controle overeenkomstig een door
Onze Minister vast te stellen controleprotocol plaatsvindt en dat aan
Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de
controlerapporten van de accountant.
5. De code voor goed bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, bevat ten minste bepalingen over de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan:
a. een beleid dat de eigen deskundigheid en
verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het
onderwijs tot haar recht komt,
b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om
verstrengeling van belangen tegen te gaan, en
c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere
belanghebbenden binnen en buiten de school.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed
bestuur worden aangewezen.
Artikel 103a. Informatie over bekostiging
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van
Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn
voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een
verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven
door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan
aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2, van het Burgerlijk Wetboek.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van
ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het
eerste lid.
3. Het bevoegd gezag bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste
lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode
van zeven jaren.
Artikel 103a1. Beleidsinhoudelijke informatie
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over
geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren
beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en
verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit
te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van
ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 103a2. Reikwijdte voorschriften
De voorschriften, bedoeld in artikel 103, tweede lid, artikel 103a,
tweede lid, enartikel 103a1, tweede lid, hebben geen betrekking op het
persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens,
bedoeld in artikel 103b, tweede lid.
Artikel 103b. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een
leerling gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer
betrekking heeft, of, indien de leerling minderjarig is, met de ouders
van deze leerling.
2. Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van
iedere leerling aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens
van de leerling:
a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
b. de datum van in- of uitschrijving;
c. de soort onderwijs;
d. indien van toepassing de leerweg, de sector, de afdeling of
het profiel;
e. het leerjaar;
f. het behaalde diploma;
g. de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het
schoolexamen en het centraal examen, de eindcijfers, de uitslag
van het eindexamen of deeleindexamen en de datum waarop deze
uitslag is bepaald;
h. indien van toepassing de aanduiding van de minderheidsgroep
en de verblijfsduur in Nederland, voorzover de desbetreffende
minderheidsgroep of verblijfsduur als categorie is opgenomen in
een ministeriële regeling waarin voorschriften zijn vastgesteld
omtrent toekenning van een aanvullende vergoeding voor
personeelskosten als bedoeld in artikel 85a, eerste lid; en
i. het registratienummer van de school dan wel
scholengemeenschap of, indien sprake is van een nevenvestiging dan
wel tijdelijke nevenvestiging, het registratienummer daarvan.
3. Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden
gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid, en kan
worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste
lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële
regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en
de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en
achtste lid.
4. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een
leerling, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld
in het tweede en achtste lid, gebruiken in het verkeer met Onze
minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de
school.
5. Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d,
van de Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van
een leerling in contacten met een gemeente in het kader van de
Leerplichtwet 1969, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor
het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.
6. Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en
wethouders, bedoeld in artikel 28, eerste lid, het persoonsgebonden
nummer van de betrokkene.
7. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
leerling in het contact met een andere school of een school of
instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en
uitschrijving van die leerling. Onder dit contact wordt mede begrepen
de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende
begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de
gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het bevoegd
gezag bewaart in de administratie van de school een verklaring van
instemming van de ouders dan wel de leerling, indien deze de leeftijd
van 16 jaar heeft bereikt, met de uitwisseling van de gegevens.
8. Indien de gegevens over de nationaliteit van de leerling niet
zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
worden deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze
Minister.
9. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
leerling van het voortgezet onderwijs in het kader van de uitvoering
van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
10. Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van
een leerling ter uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van
de Vreemdelingenwet 2000.
11. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
leerling in contacten met een school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra in het kader van de ondersteuning die deze school
biedt op grond van artikel 8a, eerste lid, van de Wet op de
expertisecentra.
12. De in het zevende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide
kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 103c. Verwerking gegevens door Onze Minister
1. Onze Minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte
persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 103b,
tweede en achtste lid, op in het basisregister onderwijs, nadat zij
deze gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze
Minister verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in
artikel 24c, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het
onderwijstoezicht, zoals zij voornemens is die gegevens in het
basisregister onderwijs op te nemen, aan het bevoegd gezag.
Onverminderd artikel 103d, tweede lid, kan Onze Minister de door het
bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het
bevoegd gezag wijzigen.
2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die
zij nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste
lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister
onderwijs opgenomen gegevens juist en volledig zijn.
3. Indien Onze Minister naar aanleiding van de toetsing, bedoeld in
het eerste lid, redenen heeft om aan te nemen dat een bevoegd gezag in
strijd handelt of heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens
deze wet en een onderzoek daarnaar door de inspectie nodig acht,
verstrekt Onze Minister ten behoeve van dit onderzoek de
persoonsgebonden nummers en andere gegevens van leerlingen aan de
inspectie. De inspectie meldt de uitkomst van het onderzoek aan Onze
Minister.
4. Onze minister en de inspectie verstrekken ter uitvoering van
artikel 107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen gegevens
die zij op grond van het derde lid hebben ontvangen.
Artikel 103d. Gebruik gegevens basisregister onderwijs door Minister
en inspectie
1. Gegevens uit het basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt
door:
a. Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn
voor de bekostiging van scholen, de begrotings- en
beleidsvoorbereiding, en de uitvoering van de taak, bedoeld in
artikel 23c, tweede lid;
b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor
het uitoefenen van het toezicht op het voortgezet onderwijs.
2. Voor zover de door het bevoegd gezag op grond van artikel 103b
verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze Minister onjuist of
onvolledig zijn, kan Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van
de bekostiging van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze
Minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het
basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot
vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.
3. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op
gegevens die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele
leerlingen, onverminderd artikel 103c, derde lid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering
van het eerste en derde lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van de gegevens, de wijze waarop de gegevens worden
verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt, en de
perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
5. In afwijking van het derde lid wordt bij algemene maatregel van
bestuur bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden Onze
Minister gegevens als bedoeld in artikel 103b, tweede en derde lid,
kan gebruiken tezamen met het persoonsgebonden nummer van een leerling
ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van een school,
alsmede welke gegevens dit gebruik kan betreffen.
6. In afwijking van het derde lid, kan Onze Minister uit het
basisregister onderwijs ten behoeve van het zenden van de samenvatting
van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen ingevolge
artikel 23c, tweede lid, het persoonsgebonden nummer van die
leerlingen gebruiken.
Artikel 103e [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 103f. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent
het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de
gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige
schoolverlater als bedoeld in artikel 118g uitsluitend ten behoeve van:
a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van
het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters,
bedoeld in artikel 118h, eerste lid, eerste volzin;
c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters
naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 118h, eerste lid,
tweede en derde volzin;
d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 24f, derde en
vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht en in artikel 28a,
vierde lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en
het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 103g. Aanwijzing
1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of
toezichthouders kan Onze Minister de rechtspersoon die de school in
stand houdt een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer
maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
2. Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:
a. financieel wanbeleid,
b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de
rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een
derde;
c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de
hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd
met wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke
bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste
van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf of een
derde, en
d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door
redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met
betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder wordt verstaan
intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door
een bestuurder of toezichthouder.
3. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op
welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te
nemen maatregelen.
4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het bevoegd gezag aan
de aanwijzing moet voldoen.
5. Alvorens Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid geeft:
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11
of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld
in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht
uitgebracht; en
c. stelt Onze Minister de rechtspersoon vervolgens vier weken
in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de aanwijzing
naar voren te brengen.
Artikel 104. Inhouding bekostiging
1. Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met
het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder tevens wordt
verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel
103g, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten
daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel
opgeschort.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het
bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat
de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 104a. Maatregelen
1. Indien de kwaliteit van het onderwijs of de kwaliteit van het
bestuur ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op
verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in
overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de
mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een
extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële
middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
3. Onze minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en
verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van
financiële middelen betreffen.
Artikel 105 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 106. Uitvoeringsvoorschriften afdeling II
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent:
a. de inrichting van de boekhouding van bijzondere scholen,
b. de wijze waarop door het bevoegd gezag verslag wordt gedaan
van het financieel beheer van de school,
c. de vaststelling door het bevoegd gezag van een begroting en
een jaarrekening, alsmede de inrichting daarvan, en
d. de controle van de boekhouding en de administratie van de
scholen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de erkenning van godsdienstige of levensbeschouwelijke
bezwaren tegen het sluiten van een verzekering.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven ter uitvoering van deze afdeling.
4. Indien een beschikking niet binnen de bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, gestelde
termijn kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan
in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
Afdeling III. Beëindiging der bekostiging
Artikel 107. Opheffingsnormen
1. Een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een
bijzondere school wordt beëindigd indien de school gedurende drie
achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door een aantal
leerlingen dat minder bedraagt dan:
a. voor een school voor praktijkonderwijs: 70 leerlingen,
b. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met
één sector als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 195
leerlingen,
c. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met twee
of drie sectoren als bedoeld inartikel 10b, derde lid: 240
leerlingen,
d. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met vier
sectoren als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 360 leerlingen, en
e. voor de overige scholen: drie kwart van het aantal
leerlingen dat voor de desbetreffende schoolsoort is genoemd in
artikel 65, eerste lid.
2. Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de
bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd
indien de scholengemeenschap gedurende drie achtereenvolgende
schooljaren telkens is bezocht door een aantal leerlingen dat minder
bedraagt dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van
artikel 65, eerste lid, vereist is voor stichting van de scholen die
deel uitmaken van de scholengemeenschap, met dien verstande dat het
voor scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs binnen een
scholengemeenschap gaat om:
a. voor een school met één sector als bedoeld in 10b, derde
lid: 130 leerlingen,
b. voor een school met twee of drie sectoren als bedoeld in
10b, derde lid: 160 leerlingen, en
c. voor een school met vier sectoren als bedoeld in artikel
10b, derde lid, wordt gerekend: 240 leerlingen.
3. De opheffing van een openbare school of scholengemeenschap of de
beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of
scholengemeenschap geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de
drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste of tweede
lid.
Artikel 108
1. Grondslag der berekening is het aantal leerlingen dat op 1
oktober van elk van de jaren bij de school was ingeschreven.
2. Indien voor de leerlingen binnen redelijke afstand geen
plaatsruimte beschikbaar is op een gelijksoortige school, waar het
verlangde onderwijs wordt gegeven, past Onze minister artikel 107
zodanig toe, dat de leerlingen van elk leerjaar de cursus kunnen
voltooien.
3. Artikel 107 blijft buiten toepassing, zolang de school niet alle
leerjaren omvat.
4. In bijzondere gevallen kan Onze minister op verzoek van het
bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een
openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt
bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 107
is vermeld. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van
een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt
hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
5. Binnen acht weken na de bekendmaking door het Centraal Bureau
voor de Statistiek dan wel door Onze minister van de aantallen
leerlingen per school voor voortgezet onderwijs, stellen gedeputeerde
staten vast welke gemeentelijke scholen uit hun provincie gedurende
reeds een jaar niet meer voldoen aan de voor hen geldende norm,
genoemd in artikel 107. Wanneer er als gevolg van de opheffing van een
school als bedoeld in de vorige volzin, naar hun oordeel niet meer
voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in
een genoegzaam aantal scholen, dragen gedeputeerde staten burgemeester
en wethouders op een verzoek te doen op grond van het vierde lid.
Artikel 109. Beëindiging bekostiging bij einde looptijd regionaal
plan onderwijsvoorzieningen
1. Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan
onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72 gaat de aanspraak op
bekostiging verloren voor zover het betreft een afdeling als bedoeld
inartikel 72, derde lid, onderdeel f, met dien verstande dat de
bekostiging nog een jaar wordt gehandhaafd voor zover het betreft het
onderwijs aan leerlingen in het derde leerjaar en nog twee jaar voor
zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het vierde leerjaar.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de desbetreffende
afdeling op grond van een aansluitend regionaal plan
onderwijsvoorzieningen als bedoeld inartikel 72 of op grond van
artikel 68 voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
Artikel 109a. Beëindiging bekostiging/opheffing bij ernstig of
langdurig tekortschieten van kwaliteit
1. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 23a1,
eerste lid, kan Onze Minister besluiten dat met ingang van een in dat
besluit bepaalde datum een in artikel 23a1, eerste lid, bedoelde
schoolsoort of leerweg van een openbare school wordt opgeheven en de
bekostiging van een in artikel 23a1, eerste lid, bedoelde schoolsoort
of leerweg van een bijzondere school wordt beëindigd.
2. Indien de toepassing van het eerste lid er toe zou leiden dat
een school nog slechts onderwijs zou verzorgen in de eerste twee
leerjaren dan is het eerste lid van toepassing op de gehele school.
3. Alvorens Onze Minister toepassing geeft aan het eerste en tweede
lid:
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11
of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld
in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht
uitgebracht; en
c. stelt Onze Minister het bevoegd gezag vervolgens vier weken
in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de
voorgenomen opheffing of de voorgenomen beëindiging van de
bekostiging naar voren te brengen.
Artikel 110 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 110a. Terugstorting exploitatie-overschot
1. Het bevoegd gezag stort het exploitatie-overschot terug in de
desbetreffende overheidskas
a. indien een openbare school ingevolge artikel 107 wordt
opgeheven,
b. indien de bekostiging van een bijzondere school ingevolge
een van de in onderdeel a genoemde artikelen wordt beëindigd, of
c. indien een school ingevolge een beslissing van het bevoegd
gezag wordt opgeheven en deze opheffing is gerealiseerd.
2. Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het
eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de wijze waarop het exploitatie-overschot, bedoeld in het
eerste lid, wordt berekend.
Artikel 111 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 112
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
omtrent de uitvoering van deze afdeling.
Titel IV. Toezicht
Artikel 113
Het toezicht op de beoordeling door de regionale
verwijzingscommissies, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, en artikel
10g, tweede lid, is opgedragen aan de inspectie. De artikelen 3 en 9 van
de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
Titel IVA. Onderwijsachterstanden
Artikel 118a. Overleg onderwijsachterstandenbeleid
1. Burgemeester en wethouders, de bevoegde gezagsorganen van de
scholen in de gemeente, en de bevoegde gezagsorganen van de in de
gemeente gelegen agrarische opleidingscentra, voor zover het betreft
het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, voeren tenminste
jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen
van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de
afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het
overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de
gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van
leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het
overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste
volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het
karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over
de mate waarin die doelen worden bereikt. Burgemeester en wethouders
kunnen de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte
overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te
realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken
tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het
overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot
overeenstemming leidt, schrijven burgemeester en wethouders een nieuw
overleg uit, waarbij zij initiatieven nemen tot het bereiken van een
zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot
overeenstemming leidt, vragen burgemeester en wethouders of een van de
bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het
tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt
binnen 4 weken aan burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd
gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit.
Burgemeester en wethouders maken dit advies bekend aan de bevoegde
gezagsorganen van de scholen in de gemeente.
2. Onze minister stelt een geschillencommissie in.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en 4 leden, die allen
door Onze minister worden benoemd. De 4 leden worden benoemd op
voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist.
4. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van 4
jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen
ontslag verleend.
Artikel 118b [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 118c [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 118d [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 118e [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 118f [Vervallen per 01-08-2006]
Titel IVB. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
Artikel 118g. Voortijdige schoolverlater
1. Onder een voortijdige schoolverlater in de zin van deze titel
wordt verstaan degene op wie artikel 28, eerste lid onder a en b, van
toepassing is en
a. die het onderwijs aan de school waaraan hij is ingeschreven
gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of
een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder
geldige reden niet meer volgt, of
b. die niet meer aan een school is ingeschreven en evenmin is
ingeschreven aan een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs dan wel aan een school of instelling als bedoeld
in de Wet op de expertisecentra.
2. Voor zover nodig in afwijking van het eerste lid wordt onder een
voortijdige schoolverlater niet verstaan degene die in het bezit is
van een getuigschrift van het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel
10f dan wel een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs
en werkzaam is op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst.
Artikel 118h. Bestrijding voortijdig schoolverlaten door gemeente
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor registratie van de
gegevens die het bevoegd gezag ingevolge artikel 28 heeft gemeld of
waarover zij op grond van artikel 28a of op grond van artikel 24f,
derde en vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht beschikken.
Burgemeester en wethouders dragen bovendien zorg voor een systeem van
doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 118g
bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit
systeem. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover de
gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet
1969. Voor de uitvoering van de eerste en tweede volzin kunnen bij
ministeriële regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.
2. Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taken
werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regio's. Zij
maken tevens afspraken met scholen, instellingen als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs, scholen en instellingen als bedoeld in
de Wet op de expertisecentra en organisaties die zijn betrokken bij
het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
3. De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen
uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt
onverwijld gemeld aan Onze Minister. Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente vervullen coördinerende taken met het oog op het
voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband:
a. maken zij afspraken met de in het tweede lid bedoelde
scholen, instellingen en organisaties over de inzet en
verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van
voortijdig schoolverlaten;
b. dragen zij zorg voor de totstandkoming van een regionaal
netwerk van die scholen, instellingen en organisaties;
c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid
bedoelde melding, registratie en doorverwijzing.
4. Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een
andere contactgemeente aanwijzen, dragen burgemeester en wethouders
van de vorige contactgemeente alle bescheiden die betrekking hebben op
de uitvoering van dit artikel over aan burgemeester en wethouders van
de opvolgende contactgemeente. De wijziging van de aanwijzing wordt
onverwijld gemeld aan Onze Minister.
5. Ter tegemoetkoming in de kosten van uitvoering van het eerste
tot en met derde lid kent Onze Minister binnen het raam van de door de
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen jaarlijks uiterlijk
in september ten behoeve van de activiteiten van de colleges van
burgemeester en wethouders in de regio aan de contactgemeente een
specifieke uitkering toe. Deze uitkering heeft betrekking op het
daarop volgende kalenderjaar. De contactgemeente draagt er zorg voor
dat de colleges van burgemeester en wethouders in de regio gebruik
kunnen maken van de instrumenten die met behulp van deze uitkering
zijn verwezenlijkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden regels gegeven voor de berekening en betaling van de uitkering.
De berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal
volwassen inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het
jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening
wordt gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond
van die inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering
kunnen de volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere
regeling reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig
schoolverlaten ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze
Minister hanteert het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de
regio dat blijkt uit de gegevens die het Centraal Bureau voor de
Statistiek op verzoek van Onze Minister daarover verstrekt.
6. Het bevoegd gezag geeft aan de door burgemeester en wethouders
aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt
de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en
bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
7. De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de
in die regio te behalen resultaten. Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio
jaarlijks een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als
de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden
toegelicht.
8. Indien burgemeester en wethouders van de contactgemeente het
bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zevende lid niet
nakomen, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk
inhouden of opschorten. Onze Minister gaat niet over tot gehele of
gedeeltelijke inhouding dan na overleg met burgemeester en wethouders
van de contactgemeente. Onze Minister kan de uitkering wederom
toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.
9. Onze Minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel
of gedeeltelijk terugvorderen indien niet uit de informatie, bedoeld
in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de
uitkering is besteed in overeenstemming met dit artikel.
Artikel 118i. Informatie over voortijdig schoolverlaten
1. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente zenden de in
artikel 118h, zevende lid, bedoelde effectrapportage aan Onze
Minister.
2. Burgemeester en wethouders zijn gehouden aan de door Onze
Minister aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te
geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn
voor het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het
voortijdig schoolverlaten door niet-leerplichtigen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden
gegeven omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de
effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de
gegevens, bedoeld in het tweede lid.
Titel IVC. Zij-instroom in het beroep
Artikel 118j. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
a. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger
onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel
1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat voor zover het
openbare instellingen betreft, de artikelen 9.2, tweede lid, 10.9,
tweede lid, en 11.1, tweede lid, van die wet van overeenkomstige
toepassing zijn.
Artikel 118k. Geschiktheidsverklaring
1. Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld
in artikel 118l voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van
leraar en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of
tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te
nemen aan het in artikel 118o bedoelde bekwaamheidsonderzoek, geeft
het bestuur van een instelling die op grond van artikel 118n is
erkend, een geschiktheidsverklaring af.
2. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de
geschiktheidsverklaring vastgesteld.
Artikel 118l. Geschiktheidsonderzoek
1. Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd
gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen
zonder benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder
verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond
van artikel 118n is erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het
geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene
te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene
de aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in
overeenstemming met betrokkene is uitgenodigd.
2. Het geschiktheidsonderzoek omvat:
a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en de
maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge
samenhang bezien, van voldoende belang zijn in verhouding tot de
door deze beoogde werkzaamheden aan een school, en indien dat het
geval is
b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor die
werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de
beoordeling of betrokkene in de feitelijke klassituatie tot
verantwoord lesgeven in staat is, alsmede
c. de beoordeling, welke scholing en begeleiding voor
betrokkene noodzakelijk moeten worden geacht om met goed gevolg
deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
3. Uit de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek blijkt dat
betrokkene in het bezit is van:
a. een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd afsluitend
examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in
het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel van een erkenning
van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties voor overeenkomstig
onderwijs,
b. een diploma van een middenkaderopleiding of van een
specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onder d respectievelijk e, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, of van een vakopleiding als bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, onder c, van die wet, aangewezen op grond van
artikel 7.24, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, voorzover betrokkene voornemens is
onderwijs te geven in bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen beroepsgerichte vakken als bedoeld in de Wet op het
voortgezet onderwijs, dan wel van een erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties voor overeenkomstig onderwijs,
of
c. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het
bestuur van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert,
gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld
onder a respectievelijk b.
4. Het in het tweede lid, onder b, bedoelde onderzoek is erop
gericht, vast te stellen of betrokkene in voldoende mate beschikt over
kennis, inzicht en vaardigheden om te kunnen worden belast met het
geven van onderwijs dat voldoet aan de daaraan gestelde
kwaliteitseisen, in aanmerking nemend dat betrokkene in de periode van
benoeming of tewerkstelling zonder benoeming begeleid en verder
geschoold zal worden om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het
bekwaamheidsonderzoek. De in de eerste volzin bedoelde kennis en
vaardigheden en het in die volzin bedoelde inzicht zijn afgeleid van
de in artikel 36, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen en omvatten
in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden.
5. Het geschiktheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarbij in
gelijke mate zijn betrokken,
a. personen die zijn belast of belast zijn geweest met het
geven van onderwijs aan een lerarenopleiding, alsmede
b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde
personeelsleden van het bevoegd gezag dat is betrokken bij het
geschiktheidsonderzoek.
6. Ten behoeve van het uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek is
de aanvrager aan de instelling die het onderzoek zal verrichten, een
bij ministeriële regeling vast te stellen bijdrage verschuldigd.
7. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid,
onderdeel b, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de
overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide
Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een
daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 118m. Uitvoering scholing en begeleiding
1. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs
die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 118p, eerste lid,
onder a, is partij bij de in artikel 38, eerste lid, bedoelde
overeenkomst.
2. Indien na het sluiten van die overeenkomst blijkt dat de
scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden
uitgevoerd, treft dat instellingsbestuur tijdig een toereikende
vervangende voorziening.
Artikel 118n. Uitvoeren geschiktheidsonderzoek
1. Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling
erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn
verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek.
Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten
genoegen van Onze Minister aantoont dat de instelling het
geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal
uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin,
waaronder regels over de behandeling en beoordeling van de aanvraag.
Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken
van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek
en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en
begeleiding, met inachtneming van artikel 118l, tweede lid, onder c.
2. Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan
Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage
verlangen van het bestuur van de instelling.
3. Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling,
bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister het
geschiktheidsonderzoek niet langer onafhankelijk, deskundig of
betrouwbaar uitvoert.
Artikel 118o. Bekwaamheidsonderzoek
Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar
voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen
voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld.
Artikel 118p. Uitvoeren scholing, begeleiding en
bekwaamheidsonderzoek
1. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs
die opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in
artikel 36, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze Minister heeft
gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van
aanpak, bevoegd tot:
a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 118l,
tweede lid, onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover
deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of
b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen
uitvoeren van bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling
opleidt voor het desbetreffende getuigschrift, dan wel
c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten.
2. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs
die op grond van het eerste lid, onder b, bevoegd is tot het uitvoeren
van het bekwaamheidsonderzoek, stelt de leraar die zich daartoe heeft
gemeld en voor wie de scholing en begeleiding is afgerond
overeenkomstig de in artikel 38, eerste lid bedoelde overeenkomst,
tijdig in de gelegenheid deel te nemen aan dat onderzoek.
3. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het
bekwaamheidsonderzoek aan dat bestuur een bijdrage is verschuldigd
voor uitvoering van dat onderzoek. Bij ministeriële regeling kan voor
deze bijdrage een maximum worden vastgesteld.
Artikel 118q. Kwaliteitsbewaking; sancties
1. Het in artikel 118n en het in artikel 118p bedoelde bestuur
dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.
2. Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een instelling
een of meer van de in artikel 118n, of artikel 118p, eerste lid,
bedoelde bevoegdheden worden ontnomen indien gebleken is dat de
kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet
of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet
bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de ontneming.
Artikel 118r. Uitvoeringsvoorschriften zij-instroom
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 118l, tweede
lid, onder b, en vierde lid.
2. Tevens kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld voor
de uitvoering van deze titel, waaronder in elk geval voorschriften met
betrekking tot:
a. waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek
en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren,
b. de scholing en begeleiding, en het bekwaamheidsonderzoek,
waaronder voorschriften ter waarborging van de kwaliteit, alsmede
c. de procedure voor het aanvragen van het
geschiktheidsonderzoek en voor afgifte van de
geschiktheidsverklaring.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt
te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de
wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 118s. Inlichtingenplicht
Het in artikel 118n en het in artikel 118p bedoelde bestuur
verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten
behoeve van een goede naleving van deze titel. Het bestuur zendt de
inspectie van het onderwijs telkens na zes maanden een overzicht van in
die periode afgegeven geschiktheidsverklaringen en
bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen.
Titel IVD. Experimenten
Artikel 118t. Ruimte voor innovatie
1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of
doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van
experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van
titel II, afdeling I, hoofdstuk I en van titel III, afdeling II, van
de wet.
2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene
maatregel van bestuur in elk geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van het in het eerste lid
genoemde hoofdstuk en de daar genoemde afdeling wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het
experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitvoering van een experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere
duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is.
Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar
bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de
Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele
wettelijke regeling voordat een experiment is afgelopen, kan Onze
Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het
wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de
werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk,
evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel
van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
6. In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan
bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment
worden afgeweken van:
a. artikel 1 van de Leerplichtwet 1969,
b. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet,
c. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000,
d. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in
artikel 1, een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,
een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra,
een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of
een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school of
instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden
afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II,
afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1,
2, 4 tot en met 7 en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7 en afdeling
9, paragrafen 1 en 2, van de Wet op het primair onderwijs, dan wel
titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen
50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6 en afdeling 7,
paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, artikelen 146 tot en met 149
en 151, van de Wet op de expertisecentra, hoofdstuk 2, titel 2, en
hoofdstukken 6 en 7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en
hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5a, hoofdstuk 6 en 7, hoofdstuk 9,
titel 2, hoofdstuk 10, titel 3 en hoofdstuk 11, paragraaf 4 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke
bij of krachtens de wet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van
toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.
8. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Titel V. Slotbepalingen
Artikel 119
1. Deze wet is niet van toepassing op:
a. het militair onderwijs;
b. opleidingen ter vergroting der vakbekwaamheid, die
uitsluitend worden gegeven binnen overheids- of
semi-overheidsdiensten en -bedrijven ten behoeve van het eigen
personeel.
2. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders wordt
bepaald, is deze wet evenmin van toepassing op de inrichtingen,
bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, op de inrichtingen, bedoeld
in artikel 1, onder d, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking
gestelden, en op de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van
de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 120
Bij twijfel of deze wet op een of meer inrichtingen van onderwijs van
toepassing is, wordt beslist bij koninklijk besluit.
Artikel 121 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 122
1. Voortgezet onderwijs wordt niet gegeven in lokalen, die door de
krachtens de Gezondheidswet bevoegde inspecteur van het staatstoezicht
op de volksgezondheid zijn afgekeurd als schadelijk voor de
gezondheid, gevaar opleverende voor de veiligheid of wegens
onvoldoende ruimte voor het aantal in die lokalen toegelaten
leerlingen.
2. De inspecteur, bedoeld in het eerste lid, zendt zijn besluit tot
afkeuring aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het
lokaal ligt. Op dezelfde dag doet hij van zijn besluit mededeling aan
Onze minister; voorts, indien het een uit de openbare kas bekostigde
school betreft, aan de inspectie en, indien het een bijzondere school
betreft, aan het schoolbestuur.
3. Indien de inspecteur, bedoeld in het eerste lid, besluit dat het
lokaal voldoende is verbeterd of dat het aantal leerlingen voldoende
is beperkt, mag het onderwijs worden hervat. Aan hen, die ingevolge
het bepaalde in het tweede lid van de afkeuring mededeling hebben
ontvangen, wordt van dit besluit op gelijke wijze mededeling gedaan.
Artikel 123
1. Hij, die in strijd met het voorschrift van artikel 122, eerste
lid, onderwijs geeft of doet geven in een afgekeurd lokaal, wordt
gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. Het feit, strafbaar gesteld in dit artikel, is een overtreding.
Artikel 123a
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de
artikelen 23a1 en 109a, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
de artikelen 23a1 en 109a in de praktijk.
Artikel 123b [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 124. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het voortgezet onderwijs.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lech, 14 februari 1963
JULIANA
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
J. Cals
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
Uitgegeven de zesentwintigste februari 1963
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|