Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuursorganen WNo en Wob
- Besluit tarieven openbaarheid van bestuur
WET van 31 oktober 1991, houdende regelen
betreffende de openbaarheid van bestuur
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel
110 van de Grondwet, met het oog op een goede en democratische
bestuursvoering wenselijk is gebleken de regelen met betrekking tot de
openheid en openbaarheid van bestuur aan te passen en deze zoveel
mogelijk in de wet op te nemen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk
stuk of ander materiaal dat gegevens bevat;
b. bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking
heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de
voorbereiding en de uitvoering ervan;
c. intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid
binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van
bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke
verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid;
d. niet-ambtelijke adviescommissie: een van overheidswege
ingestelde instantie, met als taak het adviseren van een of meer
bestuursorganen en waarvan geen ambtenaren lid zijn, die het
bestuursorgaan waaronder zij ressorteren adviseren over de
onderwerpen die aan de instantie zijn voorgelegd. Ambtenaren, die
secretaris of adviserend lid zijn van een adviesinstantie, worden
voor de toepassing van deze bepaling niet als leden daarvan
beschouwd;
e. ambtelijke of gemengd samengestelde adviescommissie: een
instantie, met als taak het adviseren van één of meer
bestuursorganen, die geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit
ambtenaren, tot wier functie behoort het adviseren van het
bestuursorgaan waaronder zij ressorteren over de onderwerpen die aan
de instantie zijn voorgelegd;
f. persoonlijke beleidsopvatting: een opvatting, voorstel,
aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een
bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde
argumenten;
g. milieu-informatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
19.1a van de Wet milieubeheer;
h. hergebruik: het gebruik van informatie die openbaar is op
grond van deze of een andere wet en die is neergelegd in documenten
berustend bij een overheidsorgaan, voor andere doeleinden dan het
oorspronkelijke doel binnen de publieke taak waarvoor de informatie
is geproduceerd;
i. overheidsorgaan:
1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld, of
2°. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag
bekleed.
Artikel 1a
1.Deze wet is van toepassing op de volgende bestuursorganen:
a. Onze Ministers;
b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen
en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;
c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de
onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;
d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene
maatregel van bestuur uitgezonderd.
2.In afwijking van het eerste lid, onder d, is deze wet op de
krachtens die bepaling uitgezonderde bestuursorganen van toepassing
voorzover het gaat om het verstrekken van milieu-informatie.
Hoofdstuk II. Openbaarheid
Artikel 2
1.Een bestuursorgaan verstrekt bij de uitvoering van zijn taak,
onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig
deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid
van informatie.
2.Het bestuursorgaan draagt er zo veel mogelijk zorg voor dat de
informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel,
nauwkeurig en vergelijkbaar is.
Hoofdstuk III. Informatie op verzoek
Artikel 3
1.Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten
over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of
een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame
instelling, dienst of bedrijf.
2.De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke
aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij
informatie wenst te ontvangen.
3.De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
4.Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het
bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te
preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.
5.Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van
het bepaalde in de artikelen 10 en 11.
Artikel 4
Indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die
berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is
ingediend, wordt de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het
verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling
van de doorzending aan de verzoeker.
Artikel 5
1.De beslissing op een verzoek om informatie wordt mondeling of
schriftelijk genomen.
2.Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk
verzoek om informatie vindt schriftelijk plaats. In geval van een
mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats, indien de
verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze mogelijkheid
gewezen.
3.De beslissing wordt eveneens schriftelijk genomen indien het
verzoek om informatie een derde betreft en deze daarom heeft verzocht.
In dat geval wordt tevens aan de derde de op hem betrekking hebbende
informatie toegezonden.
Artikel 6
1. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de
dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
2. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken
verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn
schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.
3. Onverminderd artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort
gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de verzoeker
meedeelt dat toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht, tot de dag waarop door de belanghebbende of
belanghebbenden een zienswijze naar voren is gebracht of de daarvoor
gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Indien de opschorting, bedoeld in het derde lid, eindigt, doet
het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de
verzoeker, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking
alsnog moet worden gegeven.
5. Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te
verstrekken, wordt de informatie verstrekt tegelijk met de
bekendmaking van het besluit, tenzij naar verwachting een
belanghebbende bezwaar daar tegen heeft, in welk geval de informatie
niet eerder wordt verstrekt dan twee weken nadat de beslissing is
bekendgemaakt.
6. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het verstrekken van
milieu-informatie:
a. bedraagt de uiterste beslistermijn in afwijking van het
eerste lid twee weken indien het bestuursorgaan voornemens is de
milieu-informatie te verstrekken terwijl naar verwachting een
belanghebbende daar bezwaar tegen heeft;
b. kan de beslissing slechts worden verdaagd op grond van het
tweede lid, indien de omvang of de gecompliceerdheid van de
milieu-informatie een verlenging rechtvaardigt;
c. zijn het derde en vierde lid niet van toepassing.
Artikel 7
1.Het bestuursorgaan verstrekt de informatie met betrekking tot de
documenten die de verlangde informatie bevatten door:
a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in
andere vorm te verstrekken,
b. kennisneming van de inhoud toe te staan,
c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven,
of
d. inlichtingen daaruit te verschaffen.
2.Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door de
verzoeker verzochte vorm, tenzij:
a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs
niet gevergd kan worden;
b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker
gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.
3.Indien het verzoek betrekking heeft op milieu-informatie als
bedoeld in artikel 19.1a, eerste lid, onder b, van de Wet
milieubeheer, verstrekt het bestuursorgaan, zo nodig, en indien deze
informatie voorhanden is, tevens informatie over de methoden die zijn
gebruikt bij het samenstellen van eerstbedoelde informatie.
Hoofdstuk IV. Informatie uit eigen beweging
Artikel 8
1.Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, verschaft uit
eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de
uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een
goede en democratische bestuursvoering.
2.Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de informatie wordt
verschaft in begrijpelijke vorm, op zodanige wijze, dat belanghebbende
en belangstellende burgers zoveel mogelijk worden bereikt en op
zodanige tijdstippen, dat deze hun inzichten tijdig ter kennis van het
bestuursorgaan kunnen brengen.
Artikel 9
1.Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat draagt zorg voor
het openbaar maken, zo nodig en mogelijk met toelichting, van door
niet-ambtelijke adviescommissies aan het orgaan uitgebrachte adviezen
met het oog op het te vormen beleid, tezamen met de door het orgaan
aan de commissies voorgelegde adviesaanvragen en voorstellen.
2.Uiterlijk binnen vier weken nadat de adviezen zijn ontvangen
heeft openbaarmaking plaats en wordt daarvan mededeling gedaan in de
Staatscourant of een andere vanwege de overheid algemeen verkrijgbaar
gestelde periodiek. Van een gehele of gedeeltelijke
niet-openbaarmaking wordt op gelijke wijze mededeling gedaan.
3.De in het eerste lid bedoelde stukken kunnen worden openbaar
gemaakt door deze:
a. op te nemen in een algemeen verkrijgbare uitgave,
b. afzonderlijk uit te geven en algemeen verkrijgbaar te
stellen, of
c. ter inzage te leggen, in kopie te verstrekken of uit te
lenen.
Hoofdstuk V. Uitzonderingsgronden en beperkingen
Artikel 10
1.Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft
achterwege voor zover dit:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke
personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn
meegedeeld;
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van
hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de
verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer
maakt.
2.Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens
achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de
volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met
internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de
andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en
d, bedoelde bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste
kennis te kunnen nemen van de informatie;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling
van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel van derden.
3.Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing
voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.
4.Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en
onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van
toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking
heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het
eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie
uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet
opweegt tegen het daar genoemde belang.
5.Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het
verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft
met een vertrouwelijk karakter.
6.Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het
verstrekken van milieu-informatie.
7.Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft
eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de
volgende belangen:
a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie
betrekking heeft;
b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.
8.Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is,
wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op
milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking
heeft op emissies in het milieu.
Artikel 11
1.In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld
ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over
daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
2.Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede
en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet
tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen
heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd,
kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
3.Met betrekking tot adviezen van een ambtelijke of gemengd
samengestelde adviescommissie kan het verstrekken van informatie over
de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen plaatsvinden,
indien het voornemen daartoe door het bestuursorgaan dat het
rechtstreeks aangaat aan de leden van de adviescommissie voor de
aanvang van hun werkzaamheden kenbaar is gemaakt.
4.In afwijking van het eerste lid wordt bij milieu-informatie het
belang van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen
afgewogen tegen het belang van openbaarmaking. Informatie over
persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt in niet tot
personen herleidbare vorm. Het tweede lid, tweede volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk V-A. Hergebruik
Artikel 11a
1.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. informatie, zijnde een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst in de zin van de Auteurswet, een opname van uitvoering,
fonogram, eerste vastlegging van een film of een opname van een
programma in de zin van de Wet op de naburige rechten of een
databank in de zin van de Databankenwet en waarvan een
overheidsorgaan niet de maker, uitvoerend kunstenaar, producent
van fonogrammen, producent van de eerste vastlegging van films,
omroeporganisatie of producent van een databank dan wel
rechtverkrijgende is;
b. informatie in het bezit van openbare omroepen of hun
dochterondernemingen, of van andere overheidsorganen of hun
dochterondernemingen ten behoeve van de vervulling van een
publieke omroeptaak;
c. informatie in het bezit van onderwijs- en
onderzoeksinstellingen;
d. informatie in het bezit van culturele instellingen;
e. informatie die tussen overheidsorganen uitsluitend met het
oog op de vervulling van hun openbare taken wordt uitgewisseld.
2.In afwijking van artikel 1a, eerste lid, onder d, is dit
hoofdstuk van toepassing op de krachtens die bepaling uitgezonderde
bestuursorganen voor zover het gaat om hergebruik.
Artikel 11b
1.Een ieder kan een verzoek om hergebruik richten tot een
overheidsorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een
overheidsorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
2.De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de informatie die hij
wenst te hergebruiken.
3.De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
4.Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het
overheidsorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te
preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.
Artikel 11c
De artikelen 4 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11d
Voor hergebruik beschikbare documenten worden zoveel mogelijk langs
elektronische weg beschikbaar gesteld.
Artikel 11e
Een overheidsorgaan is niet verplicht vervaardiging van documenten
voort te zetten, enkel met het oog op hergebruik.
Artikel 11f
De voorwaarden voor hergebruik zijn voor vergelijkbare categorieën
van hergebruik gelijk.
Artikel 11g
1.Een exclusief recht tot hergebruik wordt niet verleend, tenzij
dat noodzakelijk is voor het verlenen van een dienst van algemeen
belang.
2.Indien een exclusief recht wordt verleend voor een dienst van
algemeen belang, wordt minstens elke drie jaar door het
overheidsorgaan dat het exclusieve recht heeft verleend, bezien of de
reden voor het verlenen van het exclusieve recht nog aanwezig is.
3.Elk exclusief recht op hergebruik dat wordt verleend, wordt op de
voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
Artikel 11h
1.De totale inkomsten uit het verstrekken en het verlenen van
toestemming voor hergebruik zijn niet hoger dan de kosten van
verzameling, productie, vermenigvuldiging en verspreiding van de
informatie, vermeerderd met een redelijk rendement op investeringen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels gesteld worden met betrekking tot de totale inkomsten van het
eerste lid.
Artikel 11i
Ten aanzien van overheidsorganen die geen bestuursorgaan zijn, zijn
titel 1.1, hoofdstuk 2, de afdelingen 3.1, 3.2, 3.6 en 3.7, titel 4.1,
hoofdstuk 6, de afdelingen 7.1 en 7.2, hoofdstuk 8 en titel 10.1 van de
Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
Artikel 12
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de
centrale overheid regels worden gesteld met betrekking tot in rekening
te brengen vergoedingen voor het ingevolge een verzoek om informatie
vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of
samenvattingen van de inhoud daarvan.
Artikel 13
Deze wet verplicht niet tot het openbaar maken van adviezen van de
Raad van State en van niet-ambtelijke adviescommissies die zijn
uitgebracht voor 1 mei 1980.
Artikel 14
Nadere regels omtrent de uitvoering van het bij of krachtens deze wet
bepaalde kunnen worden gesteld:
a. voor de centrale overheid bij of krachtens een besluit van
Onze Minister-President in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad;
b. voor de provincies, gemeenten, waterschappen en de andere in
artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen door hun
besturen.
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 16
Exclusieve rechten tot hergebruik, die vóór de inwerkingtreding van
deze wet zijn verleend, worden na afloop van het desbetreffende contract
niet opnieuw verleend, of vervallen, indien het contract een langere
looptijd heeft dan tot en met 31 december 2008, met ingang van die datum
van rechtswege.
Artikel 17
Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze
Minister van Binnenlandse Zaken zenden binnen vijf jaar na het in
werking treden van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
wijze waarop zij is toegepast.
Hoofdstuk VII. Wijziging van enige wetten
Artikel 18
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 19
Voor adviezen, voordrachten en andere voorstellen van de Raad van
State, uitgebracht voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet,
blijven de op de dag voor de inwerkingtreding geldende wettelijke
bepalingen van kracht.
Artikel 20
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 21
Op verzoeken op grond van de Archiefwet 1962 (Stb. 1962, 313) tot
raadpleging of gebruik van vóór de inwerkingtreding van deze wet in
een archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden blijven de voor de
inwerkingtreding van deze wet gestelde beperkingen ten aanzien van de
openbaarheid van kracht.
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 25
De Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1978, 581) wordt
ingetrokken.
Artikel 26
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 27
Deze wet kan worden aangehaald als Wet openbaarheid van bestuur.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 oktober 1991
BEATRIX
De Minister-President,Minister van Algemene Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de eenendertigste december 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|