WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
Bedrijfschap voor de Detailhandel in Aardappelen, Groenten en Fruit op
te heffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Aardappelen, Groenten en
Fruit, ingesteld bij Wet van 21 januari 1959 (Stb. 1959, 16), is
opgeheven. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen, voor
zover nog van kracht bij de inwerkingtreding van deze wet, vervallen.
Artikel 2
1. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet berust het beheer van
het vermogen van het bedrijfschap bij het Hoofdbedrijfschap voor de
Detailhandel.
2. Rechtsvorderingen, welke tot het vermogen van het bedrijfschap
behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden
ingesteld door of tegen het hoofdbedrijfschap.
Artikel 3
1. Het hoofdbedrijfschap is belast met de vereffening van het
vermogen van het bedrijfschap. Het kan daartoe de tot het vermogen van
het bedrijfschap behorende roerende en onroerende zaken vervreemden.
2. Het hoofdbedrijfschap maakt met het oog op de vereffening een
boedelbeschrijving op. Het stelt tevens de rekening van inkomsten en
uitgaven van het bedrijfschap vast over het tijdvak, aanvangende op de
eerste januari van het jaar, volgende op het kalenderjaar waarover
laatstelijk een rekening van inkomsten en uitgaven door het bestuur van
het bedrijfschap werd vastgesteld, en eindigende op de dag van
inwerkingtreding van deze wet.
3. De boedelbeschrijving en de rekening van inkomsten en
uitgaven, bedoeld in het vorige lid, behoeven de instemming van de
Sociaal-Economische Raad. De instemming van de Sociaal-Economische Raad
met de rekening van inkomsten en uitgaven strekt tot decharge van het
dagelijks bestuur van het bedrijfschap, behoudens in geval van later
gebleken valsheid in bewijsstukken of andere onregelmatigheden.
Artikel 4
1. Het hoofdbedrijfschap maakt het tijdstip van de aanvang van
de vereffening bekend in de Staatscourant en in het Mededelingenblad
Bedrijfsorganisatie, alsmede in de daartoe naar zijn oordeel in
aanmerking komende nieuwsbladen, onder vermelding van de afkondiging
van deze wet.
2. In de bekendmaking worden degenen die een vordering op het
bedrijfschap hebben, opgeroepen die vorderingen binnen een daarbij
aangegeven termijn bij het hoofdbedrijfschap in te dienen. Deze termijn
wordt niet korter gesteld dan zes maanden, te rekenen vanaf de dag van
de bekendmaking.
Artikel 5
1. De opheffing van het bedrijfschap tast de rechtskracht van
de door dat lichaam wettig opgelegde heffingsaanslagen niet aan.
2. Bij de inning van nog niet betaalde heffingsaanslagen van het
bedrijfschap oefent de voorzitter van het hoofdbedrijfschap zo nodig de
in artikel 127 van de Wet op de bedrijfsorganisatie aan de voorzitter
van het bedrijfschap toegekende bevoegdheden uit.
3. Het hoofdbedrijfschap kan, voor zover dit voor de voldoening
van de schulden van het bedrijfschap noodzakelijk is, bij verordening
aan de ondernemers in het betrokken deel van het bedrijfsleven een
heffing opleggen volgens de bij de laatstelijk opgelegde algemene
heffing van het bedrijfschap gehanteerde maatstaven.
4. Ten aanzien van een heffingsverordening als in het vorige lid
bedoeld en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen zijn de
artikelen 126 en 127 van de Wet op de bedrijfsorganisatie van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
In afwijking van artikel 1, tweede volzin, blijven de rechten en
verplichtingen van de gewezen werknemers van het bedrijfschap,
voortvloeiende uit de Verordening Pensioenen Personeel 1961, ook na de
opheffing van het bedrijfschap in stand.
Artikel 7
1. Het fonds dat is gevormd voor het verlenen van toeslagen op
ingegane pensioenen en premievrije pensioenaanspraken blijft in stand.
Uit het fonds kunnen volgens door het dagelijks bestuur van het
bedrijfschap gestelde en door het dagelijks bestuur van het
hoofdbedrijfschap te stellen regelen toeslagen worden verleend op
pensioenen en premievrije pensioenaanspraken van gewezen werknemers
van het bedrijfschap of hun nabestaanden.
2. Het hoofdbedrijfschap voldoet uit het in het vorige lid
bedoelde fonds geen andere vorderingen dan die welke strekken tot
nakoming van de verplichtingen waarvoor het fonds is ingesteld.
3. De over de middelen van het fonds verkregen rente wordt aan
het desbetreffende fonds toegevoegd.
4. Het hoofdbedrijfschap verantwoordt het beheer van het fonds
via een bijzondere dienst in zijn begroting.
Artikel 8
1. Zo spoedig mogelijk nadat het hoofdbedrijfschap het vermogen
van het bedrijfschap heeft vereffend, brengt het daarover aan de
Sociaal-Economische Raad verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van
een door het hoofdbedrijfschap vastgestelde rekening van inkomsten en
uitgaven.
2. De vaststelling van het verslag en van de rekening van
inkomsten en uitgaven betreffende de vereffening kan slechts
plaatsvinden nadat de ontwerpen van deze stukken gedurende twee maanden
ten kantore van het hoofdbedrijfschap voor een ieder ter lezing zijn
neergelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar zijn
gesteld en indien binnen die termijn bij het hoofdbedrijfschap geen
bezwaren zijn ingekomen. Van de neerlegging en de verkrijgbaarheid
geschiedt openbare kennisgeving in de Staatscourant en in het
Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie.
3. Elk ingekomen bezwaar wordt door het hoofdbedrijfschap
onderzocht; wordt het gegrond bevonden, dan zet het hoofdbedrijfschap de
vereffening voort en maakt, zo nodig, een nieuw verslag en een nieuwe
rekening op waarin aan het bezwaar is tegemoet gekomen. Ten aanzien van
laatstbedoeld verslag en laatstbedoelde rekening is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofdbedrijfschap
nieuwe bezwaren, welke reeds tegen het eerste verslag en de eerste
rekening hadden kunnen worden ingebracht, niet in overweging neemt.
Wordt het bezwaar ongegrond bevonden, dan stelt het hoofdbedrijfschap
het verslag en de rekening alsnog vast.
4. De rekening behoeft instemming van de Sociaal-Economische
Raad. De instemming strekt tot decharge van het hoofdbedrijfschap. Het
hoofdbedrijfschap doet van het verlenen van de instemming zo spoedig
mogelijk openbare kennisgeving op de wijze als is aangegeven in het
tweede lid.
Artikel 9
1. Indien het fonds, bedoeld in artikel 7, niet toereikend is,
wordt hetgeen blijkens de rekening als bedoeld in artikel 8 aan
vermogen van het bedrijfschap over is door het hoofdbedrijfschap voor
zover noodzakelijk aangewend ter dekking van het verwachte tekort.
2. Aan hetgeen vervolgens aan vermogen van het bedrijfschap over
is, wordt door het hoofdbedrijfschap, de betrokken organisaties van
ondernemers en van werknemers gehoord, een bestemming gegeven, zoveel
mogelijk ten nutte van het betrokken deel van het bedrijfsleven. Dit
besluit behoeft de goedkeuring van de Sociaal-Economische Raad.
Artikel 10
Aan hetgeen na afwikkeling van de verplichtingen jegens het gewezen
personeel van het bedrijfschap in het in artikel 7 bedoelde fonds over
is, wordt door het hoofdbedrijfschap, de betrokken organisaties van
ondernemers en van werknemers gehoord, een bestemming gegeven, zoveel
mogelijk ten nutte van het betrokken deel van het bedrijfsleven. Dit
besluit behoeft de goedkeuring van de Sociaal-Economische Raad.
Artikel 11
1. De opheffing van het bedrijfschap heeft geen gevolg voor de
ontvankelijkheid van bezwaren als bedoeld in de Algemene wet
bestuursrecht of beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie. In plaats van het bedrijfschap treedt het
hoofdbedrijfschap als partij op.
2. Uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
gedaan tegen het bedrijfschap of, op grond van het eerste lid, tegen het
hoofdbedrijfschap, worden door het hoofdbedrijfschap uitgevoerd, voor
zover nodig ten laste van het vermogen van het opgeheven bedrijfschap.
Artikel 12
Het hoofdbedrijfschap draagt zorg, in de zin van de Archiefwet 1995,
voor de archiefbescheiden van het bedrijfschap.
Artikel 13
De Instellingswet Bedrijfschap Detailhandel in Aardappelen, Groenten
en Fruit wordt ingetrokken.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 15
Deze wet wordt aangehaald als Wet opheffing Bedrijfschap Detailhandel
in Aardappelen, Groenten en Fruit.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 februari 1999
BEATRUX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
Uitgegeven de vijftiende april 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals