WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.,
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 21 juni 1974 uit
eigen beweging uitgebrachte advies over te gaan tot opheffing van het
bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie, ingesteld
bij het Mijnstatuut 1954 (Stb. 1954, 463), is opgeheven.
2. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen en de op
grond van artikel 5 van de Overgangswet bedrijfsorganisatie mijnbedrijf
(Stb. 1954, 464) gehandhaafde verordeningen, voor zover nog van
kracht bij de inwerkingtreding van deze wet, vervallen.
3. Ten aanzien van de werknemers die bij de inwerkingtreding van
deze wet werkzaam zijn in een onderneming als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder a, van het Mijnstatuut 1954, blijven voor de
duur van hun werkzaamheden aldaar de lonen en de andere
arbeidsvoorwaarden gelden die ingevolge de in het tweede lid bedoelde
verordeningen van het bedrijfschap voor hen van kracht waren op de dag
voorafgaande aan die van de opheffing van het bedrijfschap.
4. Tot het tijdstip waarop naar zijn oordeel in de in het vorige
lid bedoelde ondernemingen de werkzaamheden ten behoeve van of verband
houdende met de afbouw van steenkolenmijnen beëindigd zijn, worden de
in het vorige lid bedoelde lonen en andere arbeidsvoorwaarden door Onze
Minister van Sociale Zaken, de betrokken ondernemers en de betrokken
organisaties van werknemers gehoord, op een door hem te bepalen wijze
aangepast overeenkomstig de algemene wijzigingen in de lonen en de
andere arbeidsvoorwaarden vun de werknemers werkzaam in de in Limburg
gevestigde chemische ondernemingen van de BV DSM Limburg.
Artikel 2
1. Van de inwerkingtreding van deze wet af berust het beheer
van het vermogen van het bedrijfschap bij de Sociaal-Economische Raad.
2. Rechtsvorderingen welke tot het vermogen van het bedrijfschap
behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden
ingesteld door of tegen de Sociaal-Economische Raad.
Artikel 3
1. De Sociaal-Economische Raad is belast met de vereffening van
het vermogen van het bedrijfschap. Hij kan daartoe de tot het vermogen
behorende roerende en onroerende zaken vervreemden.
2. De Raad maakt met het oog op de vereffening een
boedelbeschrijving op. Hij stelt tevens de rekening van inkomsten en
uitgaven van het bedrijfschap vast over het tijdvak, aanvangende op de
eerste januari van het jaar, volgende op het kalenderjaar waarover
laatstelijk een rekening van inkomsten en uitgaven door het bestuur van
het bedrijfschap werd vastgesteld, en eindigend op de dag van
inwerkingtreding van deze wet.
3. De vaststelling van de rekening van inkomsten en uitgaven door
de Raad strekt tot décharge van het dagelijks bestuur van het
bedrijfschap, behoudens in geval van later gebleken valsheid in
bewijsstukken of andere onregelmatigheden.
Artikel 4
1. De Sociaal-Economische Raad maakt de aanvang van de
vereffening bekend in de Staatscourant en in het
Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie; alsmede in de daartoe naar zijn
mening in aanmerking komende nieuwsbladen, onder vermelding van de
afkondiging van deze wet.
2. In de bekendmaking worden degenen die een vordering op het
bedrijfschap hebben, opgeroepen die vordering binnen een daarbij
aangegeven termijn bij de Raad in te dienen. Deze termijn wordt niet
korter gesteld dan zes maanden, te rekenen vanaf de dag na de
bekendmaking.
Artikel 5
1. De opheffing van het bedrijfschap tast de rechtskracht van
de door dat lichaam wettig opgelegde heffingsaanslagen van het
bedrijf-
2. Bij de inning van de nog niet betaalde heffingsaanslagen van
het bedrijfschap oefent de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad zo
nodig de in artikel 127 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie aan de
voorzitter van het bedrijfschap toegekende bevoegdheden uit.
3. De Raad kan, voor zover dit voor de voldoening van schulden
van het bedrijfschap noodzakelijk is, bij verordening aan de ondernemers
in het betrokken deel van het bedrijfsleven die over het jaar 1975
heffingen verschuldigd waren, een heffing opleggen volgens dezelfde
maatstaf als in voormeld jaar werd toegepast. De verordening behoeft
Onze goedkeuring.
4. Ten aanzien van een heffingsverordening als in het vorige lid
bedoeld en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen zijn de
artikelen 126, 127 en 127a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. Zo spoedig mogelijk nadat de Sociaal-Economische Raad het
vermogen van het bedrijfschap heeft vereffend, brengt hij daarover aan
Ons verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van een door de Raad
vastgestelde rekening van baten en lasten.
2. De vaststelling van het verslag en van de rekening van baten
en lasten betreffende de vereffening kan slechts plaatsvinden nadat de
ontwerpen van deze stukken gedurende twee maanden ten kantore van de
Raad voor een ieder ter inzage zijn neergelegd en tegen betaling van de
kosten algemeen verkrijgbaar zijn gesteld en indien binnen die termijn
bij de Raad geen bezwaren zijn ingekomen. Van de nederlegging en de
verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving in de Staatscourant
en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie.
3. Indien bezwaren zijn ingekomen, worden deze door de Raad
onderzocht. Wordt enig bezwaar gegrond bevonden, dan zet de Raad de
vereffening voort en maakt, zo nodig, een nieuw verslag en een nieuwe
rekening op, waarin aan het bezwaar is tegemoet gekomen. Ten aanzien van
laatstbedoeld verslag en de laatstbedoelde rekening zijn het tweede lid
en het onderhavige lid van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de Raad nieuwe bezwaren, welke reeds tegen het eerste
verslag en de eerste rekening hadden kunnen worden ingebracht, niet in
overweging neemt. Worden de bezwaren ongegrond bevonden, dan stelt de
Raad het verslag en de rekening alsnog vast.
4. De rekening behoeft Onze goedkeuring. De goedkeuring strekt
tot décharge van de Raad. De Raad doet van het verlenen van de
goedkeuring zo spoedig mogelijk openbare kennisgeving op de wijze als is
aangegeven in het tweede lid.
Artikel 7
Hetgeen blijkens de goedgekeurde rekening aan vermogen van het
bedrijfschap over is, wordt door de Sociaal-Economische Raad aan de in
artikel 5, derde lid, bedoelde ondernemers overgedragen, voor zover deze
nog aanwezig zijn. De verdeling over de onderscheiden ondernemers
geschiedt volgens de maatstaf bedoeld in dat lid.
Artikel 8
1. De opheffing van het bedrijfschap heeft geen gevolgen voor
de ontvankelijkheid van beroepen ingevolge de Wet administratieve
rechtspraak bedrijfsorganisatie. In plaats van het bedrijfschap treedt
de Sociaal-Economische Raad als partij op.
2. Uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
gedaan tegen het bedrijfschap, of, op grond van het eerste lid, tegen de
Sociaal-Economische Raad, worden door de Raad uitgevoerd, voor zover
nodig ten laste van het vermogen van het opgeheven bedrijfschap.
Artikel 9
De Sociaal-Economische Raad draagt zorg, in de zin van de Archiefwet
1995 (Stb. 276) voor de archiefbescheiden van het bedrijfschap,
totdat daaromtrent door Onze Minister, belast met de zaken van de
publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, in overeenstemming met Onze
Minister die het mede aangaat, een andere regeling is getroffen.
Artikel 10
Het Mijnstatuut 1954 wordt ingetrokken.
Artikel 11
1. Deze wet kan worden aangehaald als Wet opheffing
bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie.
2. Zij treedt in werking met ingang van 1 april 1976.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 4 februari 1976
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken
Boersma
De Minister van Economische Zaken
R.F.M. Lubbers
Uitgegeven de tweede maart 1976
De Minister van Justitie,
Van Agt