WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het
College van beroep studiefinanciering op te heffen en de taken van dit
College op te dragen aan de rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet op de studiefinanciering]
Artikel II
[Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten]
Artikel III
[Wijzigt de Beroepswet]
Artikel IV
[Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken]
Artikel V
[Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden]
Artikel VI
1. De voorzitter, de vice-voorzitter, het lid of het
plaatsvervangend lid van, dan wel de gerechtsauditeur bij het College
van beroep studiefinanciering die op de dag voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet voorkomt op een bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde plaatsinglijst, wordt met ingang van de datum
van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege met behoud van
bezoldiging benoemd of geplaatst in het voor hem in die plaatsinglijst
genoemde rechterlijk ambt of ambt van gerechtsauditeur bij het voor
hem in die plaatsingslijst genoemde gerecht, tenzij hij op dat
tijdstip reeds op zijn verzoek in een ander ambt is benoemd of
geplaatst.
2. Indien de voorzitter, een vice-voorzitter of een lid van het
College van beroep studiefinanciering ingevolge het eerste lid, dan wel
op eigen verzoek, in een ander rechterlijk ambt wordt benoemd, is
artikel 7a van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige
toepassing.
Artikel VII
1. In dit artikel wordt verstaan onder rechterlijk ambtenaar:
de voorzitter, een vice-voorzitter of een lid van, dan wel een
gerechtsauditeur bij het College van beroep studiefinanciering.
2. Aan de rechterlijk ambtenaar, die krachtens deze wet als
gevolg van de opheffing van het College van beroep studiefinanciering
wordt of is benoemd of geplaatst in een ambt met een andere taakinhoud
dan wel wordt of is benoemd of geplaatst in een ambt met een zelfde
taakinhoud bij een ander gerecht, kan op zijn verzoek ontslag worden
verleend bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van
Justitie, indien hij ten tijde van zijn benoeming of plaatsing de
leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en ten minste tien aaneengesloten
jaren bij een gerecht een rechtsprekend ambt dan wel het ambt van
gerechtsauditeur of griffier heeft vervuld en het belang van de dienst
zich naar het oordeel van Onze Minister van Justitie, gehoord de
functionele autoriteit, niet tegen ontslag verzet. De rechterlijk
ambtenaar doet zijn verzoek uiterlijk een jaar nadat hij is benoemd of
geplaatst.
3. Ontslag als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden
verleend, indien de rechterlijk ambtenaar krachtens deze wet wordt of is
benoemd of geplaatst in:
a. een ambt waarvan de taakinhoud voor ten minste een derde deel
afwijkt van die van het ambt dat hij daaraan voorafgaand vervulde en
van hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet
kan worden gevergd dat hij dat nieuwe ambt vervult;
b. een ambt dat in hoofdzaak wordt vervuld in een plaats die ten
minste 50 kilometer verder verwijderd is van zijn woonplaats dan de
plaats waar hij zijn ambt voorafgaand aan de benoeming of plaatsing in
dat nieuwe ambt in hoofdzaak vervulde dan wel in een plaats die
zodanig is gelegen dat de reistijd in verband met het woon–werkverkeer
door middel van openbaar vervoer per dag totaal ten minste twee uur
meer bedraagt dan voorafgaand aan de benoeming of plaatsing in dat
nieuwe ambt, van hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden
redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij op werkdagen heen en
weer reist tussen de plaats waar hij zijn nieuwe ambt in hoofdzaak
vervult en zijn woonplaats, en hem gelet op zijn persoonlijke
omstandigheden in redelijkheid niet een verplichting als bedoeld in
artikel 40 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren kan worden
opgelegd; of
c. een ambt, met een taakinhoud die overwegend hetzelfde is als die
van het ambt dat hij daaraan voorafgaand vervulde, bij een ander
gerecht waarvan de organisatiestructuur in aanzienlijke mate verschilt
van die van het gerecht waar hij daaraan voorafgaand zijn ambt
vervulde, hij ten tijde van zijn benoeming in het ambt dat hij daaraan
voorafgaand vervulde redelijkerwijs er niet rekening mee hoefde te
houden dat hij zou worden benoemd of geplaatst in een ambt bij een
ander gerecht, en van hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden
redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij dat nieuwe ambt
vervult.
4. Voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld
in het derde lid wordt advies ingewonnen bij een toetsingscommissie
uittreding zittende magistratuur. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels vastgesteld met betrekking tot de
samenstelling en de werkwijze van deze toetsingscommissie.
5. Onze Minister van Justitie kan in uitzonderlijke gevallen, op
advies van de toetsingscommissie uittreding zittende magistratuur, een
rechterlijk ambtenaar, ten aanzien van wiens benoeming of plaatsing zich
niet volledig een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, b
of c, voordoet, bij de Kroon voordragen voor ontslag als bedoeld in het
tweede lid.
6. De rechterlijk ambtenaar aan wie op zijn verzoek met
toepassing van het tweede tot en met vijfde lid ontslag wordt verleend
heeft aanspraak op een ontslaguitkering overeenkomstig de bepalingen die
gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren die buiten hun schuld of
toedoen zijn ontslagen.
7. In afwijking van het tweede lid wordt aan een gerechtsauditeur
ontslag verleend bij besluit van Onze Minister van Justitie, indien hij
in tijdelijke dienst is aangesteld.
Artikel VIII
1. De bij het College van beroep studiefinanciering aanhangige
zaken worden van rechtswege, in de stand waarin zij zich bevinden,
overgedragen aan de rechtbank die bij toepassing van artikel 8:7 van
de Algemene wet bestuursrecht bevoegd zou zijn geweest het beroep te
behandelen.
2. Voor de toepassing van artikel 8:55 van de Algemene wet
bestuursrecht treedt de rechtbank die bij toepassing van artikel 8:7 van
de Algemene wet bestuursrecht bevoegd zou zijn geweest het beroep te
behandelen, in de plaats van het College van beroep studiefinanciering.
3. Voor de toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet
bestuursrecht treedt de Centrale Raad van Beroep in de plaats van het
College van beroep studiefinanciering.
4. Indien een rechtbank voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet partijen heeft opgeroepen voor een zitting die plaatsvindt
na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt deze oproeping
geacht rechtsgeldig te zijn gedaan.
Artikel IX
Het archief van het College van beroep studiefinanciering, met
uitzondering van de archiefbescheiden betreffende zaken die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, wordt
overgedragen aan de arrondissementsrechtbank te Groningen.
Artikel X
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, met uitzondering van artikel VII, dat in werking treedt op de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt
geplaatst.
Artikel XI
Deze wet wordt aangehaald als: Wet opheffing College van beroep
studiefinanciering.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 juni 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
Uitgegeven de elfde juli 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals